Bijlage 2 - Advies van de algemene bezwaarschriftencommissie (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Algemene
Bezwaarschriftencommissie
Advies van de algemene bezwaarschriftencommissie inzake het bezwaarschrift van de namens tegen het besluit van de gemeenteraad van Arnhem van 21 december 2022 tot gedeeltelijke weigering van een verzoek tot opheffing van de geheimhouding Wvg Schaapsdrift e.o. Deze procedure is bekend onder zaaknummer 120676. Voorgeschiedenis Op 28 maart 2022 heeft een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) ingediend, waarin verzocht wordt om informatie uit de tijdsperiode waarin de gemeente Arnhem het document [1] “Ontwikkelperspectief Spoorzone Arnhem-Oost_fase 1 de ambitie”, gedateerd mei 2021, en het document [2] “Ruimtelijke motivatie ontwikkeling Schaapsdrift e.o.”, gedateerd 8 maart 2022, heeft goedgekeurd. Bij besluit van 24 mei 2022 heeft het college op dit verzoek beslist en de gevraagde informatie gedeeltelijk geweigerd. heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Gedurende deze procedure heeft de Arnhemse Ouderenpartij op 12 mei 2022 een inlichtingenverzoek op grond van artikel 169 van de Gemeentewet ingediend om het dossier Wvg Schaapsdrift aan de gemeenteraad te overleggen. Bij raadsbrief van 21 juni 2022 heeft het college de in het kader van bovengenoemde Wob-verzoek van niet verstrekte stukken en passages met toepassing van artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet onder geheimhouding verstrekt aan de gemeenteraad.
De gemeenteraad heeft bij besluit van 29 juni 2022 deze oplegging van de verplichting tot geheimhouding bekrachtigd. In verband met de oplegging van de geheimhouding heeft de gemeenteraad het bezwaarschrift van tegen het Woo-besluit van het college van 24 mei 2022 aangemerkt als een verzoek tot opheffing van de geheimhouding. Bij besluit van 21 december 2022, bekendgemaakt op 18 januari 2023, heeft de gemeenteraad het verzoek tot opheffing van de geheimhouding gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Tegen dit besluit heeft de namens (hierna: bezwaarmaker) bezwaar ingediend. De bezwaren Voor het bezwaar wordt verwezen naar het bezwaarschrift met dagtekening 9 januari 2023, verzonden op 12 januari 2023 en ontvangen op 13 januari 2023. Dit wordt geacht deel uit te maken van dit advies en hier te zijn ingelast. Het verweer Voor het verweer wordt verwezen naar het verweerschrift van 11 juli 2023, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies en hier te zijn ingelast met in achtneming van hieronder vermelde overwegingen. De procedure Voornoemd bezwaarschrift is behandeld in de hoorzitting van de algemene bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie) van 27 oktober 2023. Van de zitting is een geluidsopname gemaakt die tevens dient als digitaal verslag. Ter zitting zijn verschenen (bezwaarmaker), bijgestaan door gemachtigde de .
De gemeenteraad is vertegenwoordigd door de heer mr. S.A. Joosten.
1
Algemene
Bezwaarschriftencommissie
De overwegingen van de commissie De relevante wet- en regelgeving is als bijlage aan dit advies toegevoegd en maakt van dit advies deel uit. In verband met het Wob-verzoek van zijn meerdere procedures gevoerd. In het onderhavige geschil gaat het om het bezwaar dat is ingediend tegen het besluit van de gemeenteraad van 21 december 2022 waarbij het verzoek tot opheffing van de geheimhouding Wvg Schaapsdrift e.o. gedeeltelijk is afgewezen. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt de commissie als volgt. Wettelijk kader Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (hierna: Woo; Staatsblad 2021, 499), zoals gewijzigd bij de Wijzigingswet Woo (Staatsblad 2021, 500), in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar of besluiten die worden genomen na een bestuurlijke of judiciële lus. Het besluit op het Woo-verzoek is genomen op 24 mei 2022. Dat betekent dat in dit geding de Woo van toepassing is.
Op 1 april 2023 is de wijziging van de Gemeentewet in verband met de inwerkingtreding van Artikel I van de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur (Staatsblad 2022, 444) in werking getreden. Zo is onder meer het door de gemeenteraad gehanteerde artikel 25 per deze datum vervallen. Nu er op dit punt niet is voorzien in overgangsrecht, is de Gemeentewet van kracht zoals deze (op dit punt) met ingang van 1 april 2023 geldt. Ontvankelijkheid Het besluit van de gemeenteraad van 21 december 2022 is door middel van toezending conform artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op 18 januari 2023 aan bezwaarmaker bekendgemaakt. Gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is de bezwaartermijn op 19 januari 2023 aangevangen. Bezwaarmaker heeft op 12 januari 2023 bezwaar ingediend. Dit bezwaar is dan ook voor de aanvang van de bezwaartermijn ingediend en daarom prematuur. Onder verwijzing naar artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb dient naar het oordeel van de commissie niet-ontvankelijkheidverklaring achterwege te blijven omdat het besluit ten tijde van de indiening reeds tot stand was gekomen.
Bezwaar tegen Woo-besluit beschouwen als verzoek tot opheffing geheimhouding Het is vaste rechtspraak dat een verzoek om openbaarmaking van documenten ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd, altijd tevens dient te worden opgevat als een verzoek om opheffing van die geheimhouding.1 In het onderhavige geschil is het Wob-verzoek gedaan en het Woo-besluit genomen voordat het college de geheimhouding met toepassing van artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet - zoals deze ten tijde van het besluit luidde – heeft opgelegd en de gemeenteraad deze oplegging
1 ECLI:NL:RVS:2016:3140, r.o. 3.3, ECLI:NL:RVS:2018:3991, r.o. 8.1.
2
Algemene Bezwaarschriftencommissie
met toepassing van artikel 25, derde lid, van de Gemeentewet – zoals deze ten tijde van het besluit luidde – heeft bekrachtigd. Het bezwaarschrift is ingediend nadat de geheimhouding ten aanzien van de documenten is opgelegd. Gelet op dit tijdsverloop en de omstandigheid dat het Woo-besluit en de opgelegde geheimhouding betrekking hebben op dezelfde documenten, heeft de gemeenteraad het bezwaarschrift tegen het Woo-besluit terecht beschouwd als verzoek tot opheffing van de geheimhouding. Weigering tot opheffing geheimhouding Ter beoordeling staat of ten tijde van het verzoek om opheffing van de geheimhouding nog voldoende grond bestond voor de geheimhouding. Getoetst dient te worden of de gemeenteraad zich, gelet op de inhoud van de stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd, terecht met toepassing van artikel 25, vierde lid, (thans artikel 89, vierde lid,) van de Gemeentewet op het standpunt heeft gesteld dat zich een belang als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet open overheid voordoet en of het college in dit geval in redelijkheid op grond van artikel 25, tweede lid, (thans artikel 87) van de Gemeentewet geheimhouding kan opleggen. De gemeenteraad heeft bij zijn besluit van 29 juni 2022 de door het college opgelegde geheimhouding voor 176 documenten bekrachtigd.
Naar aanleiding van het verzoek tot opheffing van de opgelegde geheimhouding heeft de gemeenteraad bij het bestreden besluit van 21 december 2022 de geheimhouding van 168 documenten opgeheven omdat de geheimhouding in strijd met de Gemeentewet was opgelegd wegens de in artikel 5.2 (,eerste lid,) van de Woo vermelde grond ‘persoonlijke beleidsopvattingen’. Ten aanzien van acht documenten heeft de gemeenteraad de geheimhouding wegens de gronden ‘financieel belang van de gemeente’ (artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo) en ‘vertrouwelijk aan de overheid medegedeelde bedrijfsgegevens’ (artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo) in stand gelaten. Het geschil gaat over deze acht documenten. De documenten waarvoor de opgelegde geheimhouding niet wordt opgeheven zijn de volgende documenten: 1. Factsheet-Verstedelijking, ruimtelijke ordening en Omgevingswet 14 februari 2022 2. MAIL 220208 3. MAIL 220208 Locatie Vreedenhoff- Stichting Innoforte 4. Spoorzone Arnhem-Oost_fase 2 5. MAIL 220208 Locatie Vreedenhoff - Stichting Innoforte (2) 9 1. Bijlage E-mail Factsheet_Verstedelijking, ruimtelijke ordening en Omgevingswet 14 februari 2022.docx.pdf 175. 20210212 Ontwikkelstrategie Spoorzone Oost rapport 176. Eindrapport Fakton - Spoorzone Arnhem-Oost.pdf De commissie heeft met toestemming van bezwaarmaker kennis genomen van deze acht documenten.
De commissie stelt vast dat voor de documenten 1, 2, 3, 4, en 5 de geheimhouding voor een deel van de documenten is opgelegd en dat de rest van deze documenten openbaar zijn gemaakt bij het Woo-besluit. Voor de documenten 9.1, 175 en 176 is de geheimhouding voor de gehele documenten opgelegd. Dit betekent dat de weigering om de opgelegde geheimhouding op te heffen slechts betrekking heeft op de beperkte gedeelten van de documenten 1, 2, 3, 4 en 5 en op de gehele documenten 9.1, 175 en 176.
3
Algemene Bezwaarschriftencommissie
Bedrijfs- en fabricagegegevens die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld De opheffing van de opgelegde geheimhouding van de documenten 2, 3, en 5 is geweigerd op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dient artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob (nu: artikel 5.1; eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo) naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. De weigeringsgrond is bedoeld om te voorkomen dat de bedrijfsgegevens die bedrijven met het oog op concurrentie geheim willen houden, maar wel genoodzaakt zijn aan bestuursorganen te verstrekken, openbaar moeten worden gemaakt.2 Voor de vraag of informatie vertrouwelijk is meegedeeld, is voldoende dat de gegevens zijn verstrekt in een contact dat een onderneming redelijkerwijs als vertrouwelijk mocht beschouwen.3 Het gaat in de deels geweigerde documenten om de werkwijze en plannen van Innoforte.
Naar het oordeel van de commissie heeft de gemeenteraad de opheffing van de geheimhouding van deze documenten terecht deels geweigerd omdat het om bedrijfsgegevens gaat waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers. Gezien de aard en inhoud van de gegevens mochten de betrokkenen het contact waarin de gegevens zijn verstrekt, redelijkerwijs als vertrouwelijk beschouwen. Nu er sprake is van een absolute weigeringsgrond is er geen ruimte voor een belangenafweging tussen het belang dat wordt beschermd door de uitzonderingsgrond en het vooropgesteld belang van openbaarheid. Wel hecht de commissie eraan op te merken dat document 2 en 5 gelijkluidend zijn. De commissie wijst erop dat alle informatie slechts één keer openbaargemaakt hoeft te worden. Het college en de gemeenteraad hadden dan ook kunnen volstaan met de weigering van document 5 omdat dit gelijkluidend is aan document 2 dat gedeeltelijk verstrekt is. Nu document 5 reeds gedeeltelijk openbaar is gemaakt, zal de commissie hieraan voorbij gaan omdat volledige weigering op dit punt reformatio in peius oplevert. Bezwaarde zou dan door het instellen van bezwaar in een nadeliger positie uitkomen.
Economische en financiële belangen De opheffing van de opgelegde geheimhouding van de documenten 1, 4, 9,1, 175 en 176 is geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische en financiële belangen van de gemeente. In dat kader merkt de commissie op dat bij deze relatieve uitzonderingsgrond een belangenafweging moet plaatsvinden tussen het belang dat wordt beschermd door de uitzonderingsgrond en het belang bij het openbaar maken van de betreffende informatie voor de goede en democratische bestuursvoering. 2 Onder meer de uitspraak van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1675.
3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1734.
4
Algemene Bezwaarschriftencommissie
Het uitgangspunt dat openbaarheid regel is, weegt daarbij zwaar.4 Het belang van de verzoeker bij het verkrijgen van de informatie heeft bij deze belangenafweging geen betekenis.5 Dit houdt mede verband met artikel 4.1, derde lid, van de Woo dat bepaalt dat verzoekers geen belang hoeven te stellen bij hun verzoek. In de afweging draait het dus alleen om het belang van openbaarheid voor eenieder. Naar het oordeel van de commissie volgt uit de woorden “voor zover” in artikel 5.1 Woo dat de weigeringsgronden restrictief dienen te worden uitgelegd. Informatie die wel in aanmerking komt voor openbaarmaking kan worden gescheiden van informatie die daadwerkelijk afbreuk doet aan een uitzonderingsgrond. Dat deel wordt dan niet openbaar gemaakt. Gedeeltelijke openbaarmaking komt dan tegemoet aan het algemeen belang van openbaarheid. Maakt een bestuursorgaan informatie niet openbaar vanwege een of meerdere aan de orde zijnde uitzonderingsgronden, dan moet het naar vaste jurisprudentie in beginsel per document of onderdeel daarvan motiveren op welke grond openbaarmaking achterwege wordt gelaten. Daarvan kan worden afgezien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen.
Verder mogen eenheden waarin na toepassing van de uitzonderingsgronden geen begrijpelijke informatie overblijft, in hun geheel worden geweigerd.6 De commissie stelt vast dat de gemeenteraad voor de motivering van het besluit om de verzochte opheffing van de geheimhouding te weigeren verwijst naar het collegevoorstel van 1 november 2022. In dit collegevoorstel zijn (uitsluitend) de weigeringsgronden genoemd. Wat betreft de geweigerde delen van documenten 1 en 4 overweegt de commissie dat het gaat om respectievelijk financiële bedragen en de ontwikkelingsstrategie van de gemeente. De gemeenteraad stelt terecht dat deze onder economische of financiële gegevens kunnen vallen. De gemeenteraad heeft weliswaar op documentgedeelte een afweging gemaakt, maar de gemeenteraad heeft naar het oordeel van de commissie in het besluit onvoldoende afgewogen waarom de geweigerde document(gedeelten) onder de reikwijdte van deze relatieve uitzonderingsgrond vallen. In het besluit is weliswaar in algemene zin benoemd dat de opgelegde geheimhouding niet wordt opgeheven, omdat sprake is van een relatieve uitzonderingsgrond. Maar uit de besluiten blijkt geen concrete belangenafweging tussen openbaarmaking voor eenieder en het belang dat de relatieve uitzonderingsgrond beschermt. Artikel 5.1, derde lid, van de Woo bepaalt expliciet dat deze belangenafweging uitdrukkelijk moet plaatsvinden.
Het besluit is vanwege bovenstaande in zoverre onvoldoende voorbereid en onvoldoende gemotiveerd en dus in strijd met artikel 3:2 en 3:46, van de Awb genomen. Dit gebrek kan bij de beslissing op bezwaar hersteld worden. Daarbij zal de gemeenteraad eerdergenoemde belangenafweging naar het oordeel van de commissie nog moeten maken. Wat de documenten 9.1, 175 en 176 betreft, overweegt de commissie als volgt. Ook ten aanzien van deze documenten heeft geen concrete belangenafweging plaatsgevonden, maar is volstaan met de benoeming van de weigeringsgrond. Daardoor kleven dezelfde gebreken aan het bestreden besluit op dit punt. In het verweer en tijdens de hoorzitting heeft de gemeenteraad een nadere motivering gegeven. De
4 Zie de uitspraak van Afdeling van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:489. 5 Zie o.a. de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:262. 6
Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:314.
5
Algemene
Bezwaarschriftencommissie
commissie begrijpt deze zo dat de gemeenteraad wijst op de onderhandelingspositie van de gemeente nu en in de toekomst.7 De commissie stelt vast dat de documenten niet alleen concrete bedragen, maar ook zaken bevatten die van invloed kunnen zijn op de financiële huishouding van de gemeente voor de langere termijn. Te denken valt aan zaken die grondexploitatie betreffen. De stukken betreffen immers een actuele ontwikkelstrategie die ziet op de rol van de gemeente bij huidige en toekomstige ontwikkelingen met gevolgen voor de financiële en economische belangen van de gemeente. Naar het oordeel van de commissie stelt de gemeenteraad terecht dat het belang van openbaarmaking ten tijde van het bestreden besluit niet opweegt tegen het belang om onevenredig nadeel van de gemeente in (toekomstige) onderhandelingen te voorkomen. Het is aannemelijk dat kennisneming van deze documenten zodanig inzicht kan verschaffen in de bij de onderhandelingen in te nemen posities, dat derden in toekomstige gevallen hun positie daarop kunnen afstemmen, waardoor de economische en financiële belangen van de gemeente geschaad kunnen worden. De gemeenteraad heeft aan de economische en financiële belangen van de gemeente in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen dan aan het belang bij openbaarmaking van de documenten.
Anders dan bezwaarde betoogt, is de inhoud van de documenten 9.1, 175 en 176 zodanig met elkaar verweven dat niet volstaan kan worden met het gedeeltelijk aflakken van passages. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:666, kan, hoewel in beginsel per document of onderdeel daarvan moet worden gemotiveerd op welke grond openbaarmaking daarvan achterwege wordt gelaten, daarvan worden afgezien, als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen.8 Gelet op de omstandigheid dat bij deze documenten uitsluitend weigeringsgrond artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Woo van toepassing is en herhaling geen redelijk doel dient, kan naar het oordeel van de commissie volstaan worden met een enkele motivering voor de gehele documenten en behoeft dit niet per documentonderdeel te geschieden. Conclusie Gelet op het hiervoor overwogene acht de commissie het bezwaar ongegrond. Het bestreden besluit kan, onder aanvulling van de motivering en de wettelijke voorschriften, in stand blijven. Proceskosten Bezwaarmaker heeft verzocht om aan de proceskosten te vergoeden zoals bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Deze kosten worden aan vergoed als het bestreden besluit is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
De commissie is van oordeel dat dit verzoek moet worden afgewezen. Nu de commissie niet adviseert om het bestreden besluit te herroepen, wordt niet voldaan aan de in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb gestelde voorwaarden. Daarom bestaat er geen grond om proceskosten aan bezwaarmaker te vergoeden.
7 Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de economische en financiële belangen betrekking kunnen hebben
op de onderhandelingspositie van een bestuursorgaan. Een beroep op deze weigeringsgrond kan in elk geval worden gedaan voor de duur van het onderhandelingsproces. Daarnaast kan onder omstandigheden ook de onderhandelingspositie van het bestuursorgaan in de toekomst een reden zijn om deze uitzonderingsgrond van toepassing te achten. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1734. 8 ECLI:NL:RVS:2019:616.
6
Algemene
Bezwaarschriftencommissie
Het advies van de commissie namens De commissie adviseert het bezwaarschrift van de tegen het besluit van de gemeenteraad van 21 december 2022 tot gedeeltelijke afwijzing van een verzoek tot opheffing geheimhouding Wvg Schaapsdrift e.o. ongegrond te verklaren en het bestreden besluit, onder aanvulling van de motivering en de wettelijke voorschriften, in stand te laten.
Dit advies is vastgesteld door de heer mr. M.C. Arnoldus, voorzitter, en de heer mr. J.M.N. Packbier en de heer mr. M. Berkien, leden, in aanwezigheid van , secretaris.
5 februari 2024
de secretaris,
de voorzitter,
de heer mr. M.C. Arnoldus
7
Algemene Bezwaarschriftencommissie
Wettelijk kader Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:40 Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Artikel 3:41 1. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. 2. Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere geschikte wijze. Artikel 3:46 Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Artikel 6:8 1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. … Artikel 6:10 1. Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening: a. wel reeds tot stand was gekomen, of b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. 2. De behandeling van het bezwaar of beroep kan worden aangehouden tot het begin van de termijn. Gemeentewet (oud) Artikel 25 1. … 2.
Op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1 van de Wet open overheid, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van de stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. 3. De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, indien de oplegging niet door de raad in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd. 4. De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan leden van de raad overgelegde stukken wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het stuk waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan de raad is voorgelegd, totdat de raad haar opheft. De raad kan deze beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht.
8
Algemene Bezwaarschriftencommissie
Gemeentewet Artikel 87 De raad, het college, de burgemeester en een commissie als bedoeld in hoofdstuk V kunnen op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid, een verplichting tot geheimhouding opleggen ten aanzien van informatie die bij dat orgaan berust. Artikel 88 … 2. Het college kan informatie ten aanzien waarvan hij een verplichting tot geheimhouding heeft opgelegd, verstrekken aan de raad, de rekenkamer en een commissie als bedoeld in hoofdstuk V. …. 6. Indien het college, de burgemeester of een commissie overeenkomstig het tweede, derde of vierde lid informatie verstrekt aan de raad, kan de raad die informatie verstrekken aan anderen. De raad kan regels stellen over het verstrekken van informatie ten aanzien waarvan een verplichting tot geheimhouding is opgelegd door het college, de burgemeester of een commissie en die tevens aan de raad is verstrekt. Artikel 89 … 3. Een verplichting tot geheimhouding duurt voort totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd haar opheft. Indien de verplichting tot geheimhouding is opgelegd door een commissie, kan die verplichting tevens worden opgeheven door het orgaan dat de commissie heeft ingesteld. 4.
Indien informatie ten aanzien waarvan een verplichting tot geheimhouding geldt aan de raad is verstrekt, duurt die verplichting in afwijking van het derde lid voort totdat de raad haar opheft. … Wet open overheid Artikel 5.1. Uitzonderingen 1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden; c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de openbaarmaking van deze persoonsgegevens of deze persoonsgegevens kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt; e. nummers betreft die dienen ter identificatie van personen die bij wet of algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven als bedoeld in artikel 46 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de levenssfeer maakt. 2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a.
de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties; b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
9
Algemene Bezwaarschriftencommissie
d. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens; g. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft; h. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage; i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
10