Bijlage 1 - Toelichting op belastingverordeningen 2024
Tekst van het document
Zaaknummer: 3939597
TOELICHTING OP DE BELASTINGVERORDENINGEN 2024 Inleiding In deze toelichting wordt gedetailleerd per verordening aangegeven welke wijzigingen zijn doorgevoerd ten opzichte van de verordeningen 2023.
OVERZICHT KOSTENDEKKENDHEID Het overzicht kostendekkendheid wordt niet als bijlage bij de belastingverordeningen opgenomen. Dit overzicht is volgens de voorschriften van het Besluit begroting verantwoording provincies en gemeenten (BBV) in de Paragraaf lokale heffingen van de begroting opgenomen.
WIJZIGINGEN PER VERORDENING TEN OPZICHTE VAN 2023 1. VERORDENING ONROERENDE ZAAK- EN ROERENDE ZAAKBELASTING EN RIOOLHEFFING Tarieven OZB, RZB en rioolheffing De opgenomen tarieven onroerende-zaakbelasting (OZB), roerende zaakbelasting (RZB) en rioolheffing zijn gebaseerd op de waarde-ontwikkeling zoals die bij het opstellen van de begroting bekend was. Voor de OZB geldt dat ieder jaar een herwaarderingsjaar is. Dat betekent dat de WOZ-waarden gebaseerd worden op een nieuwe waardepeildatum (voor 2024 is dat 1 januari 2023). De roerende zaakbelasting en rioolheffing zijn ook gebaseerd op de WOZ-waarde als grondslag voor de heffing en volgen daarmee de jaarlijkse herwaardering voor de OZB. Om te voorkomen dat de opbrengsten te hoog of te laag worden, wordt de gemiddelde waardeontwikkeling jaarlijks gecompenseerd door een tariefswijziging. Onroerende-zaakbelasting: Op basis van de bij het opstellen van de Begroting bekende waardeontwikkeling is uitgegaan van een verwachte waardestijging van woningen van 7,14%. Voor niet-woningen is uitgegaan van een verwachte waardestijging van 2,5%. De OZB-opbrengsten, exclusief areaalontwikkeling, worden in de periode 2022-2026 jaarlijks met 5 procent verhoogd. In beginsel betekent dit ook jaarlijks een gemiddelde lastenstijging OZB van 5 procent.
Als de daadwerkelijke waardeontwikkeling in jaar t-1 echter afwijkt van de bij de tariefberekening voor jaar t-1 verwachte waardeontwikkeling, vindt er in jaar t een ‘inhaaleffect’ plaats, waardoor de lastenstijging in dat jaar afwijkt van de 5 procent. Bij woningen is dit voor 2024 het geval. Bij de tariefberekening 2023 is uitgegaan van een gemiddelde waardestijging van woningen met ruim 24 procent (van peildatum 1 januari 2021 naar peildatum 1 januari 2022). Nu blijkt dat de waardeontwikkeling lager uit is gekomen, op ongeveer 23 procent. Een huishouden met een koopwoning heeft in 2023 daarom te maken gehad met een lagere lastenstijging OZB, van gemiddeld 4 procent. Omdat we voor de tariefberekening 2024 uitgaan van de actuele, lagere waardes zal er in 2024 een correctie plaatsvinden en is de lastenontwikkeling 2024 ten opzichte van 2023 voor woningen niet 5, maar 5 procent plus 1 procent correctie. De hoogte van de gemiddelde lasten OZB in 2024 is gelijk aan de hoogte die er zou zijn zonder inhaaleffect en het ‘voordeel’ voor 2023 blijft behouden voor de belastingplichtigen, maar omdat we voor de lastenontwikkeling vergelijken met de in 2023 lagere lasten, komt de mutatie hoger uit dan 5 procent.
1
Zaaknummer: 3939597 Verordening Er is een vrijstelling voor volkstuinen toegevoegd. Deze vrijstelling past bij het idee van de subsidieregeling voor Groenblauwe Initiatieven die Arnhem kent, waar we meer ruimte willen geven voor ideeën om de stad te vergroenen en duurzaam lokaal voedsel te telen. Er zijn inmiddels meer gemeenten die een vrijstelling voor OZB volkstuincomplexen hebben opgenomen in hun verordening. Er is geen sprake van een juridische beperking voor het opnemen van deze facultatieve vrijstelling en er is geen sprake van precedentwerking naar andere vastgoed gebruikers of bezitters, aangezien deze categorie ‘volkstuinen’ goed kan worden afgebakend. De totale opbrengst aan OZB is minimaal en leidt daarom niet tot een hogere belastingdruk voor de andere belastingplichtigen. Roerende-zaakbelasting: Voor de roerende-zaakbelasting gelden dezelfde tarieven als voor de onroerende-zaakbelasting. Rioolheffing: De tarieven voor de rioolheffing worden kostendekkend gehouden. Oftewel: de opbrengsten uit rioolheffing zijn (vrijwel) gelijk aan de kosten van het beheer en onderhoud van riolering oftewel de gemeentelijke watertaken voor afval-, hemel- en grondwater. Bij objecten met leegstand kan het gebruikersdeel van de rioolheffing niet worden opgelegd, waardoor minderopbrengsten ontstaan.
Met ingang van 2024 worden de effecten van leegstand in de tarieven verwerkt, door opbrengstderving als gevolg van leegstand te compenseren met een hoger eigenaarstarief. Dit heeft een lastenverzwaring voor eigenaren tot gevolg. Aangezien alleen eigenaren kunnen sturen op leegstand vinden we dit te rechtvaardigen.
2. AFVALSTOFFENHEFFING De kostendekkendheid van de afvalstoffenheffing wordt stapsgewijs verhoogd naar 95% in 2026. Zoals in de Begroting 2023 aangekondigd zal vanaf 2024 de mate van kostendekkendheid met grotere stappen worden verhoogd. Voor 2024 geldt dat het (geraamde) percentage kostendekkendheid verhoogd wordt van 85% naar 90%. Daarnaast stijgen de begrote opbrengsten uit afvalstoffenheffing voor 2024 doordat de hogere kosten voor inzameling en verwerking van huishoudelijk afval in de afvalstoffenheffing worden doorberekend. In 2023 is bij de tariefberekening uitgegaan van een te hoog aantal huishoudens. Dit wordt in 2024 hersteld, waardoor nu een ‘tariefsprong’ zichtbaar is. De tarieven voor het afval aanbieden aan het afvalbrengstation zijn verhoogd met 10% en er is aan de tabel een tarief voor het aanbieden van kunstgras toegevoegd. Er heeft geen tariefsverhoging meer plaatsgevonden sinds 2019. De reden dat de verhoging 10% bedraagt, is dat dit de consumentenprijsindex (cpi) voor 2022 is en in de contracten geïndexeerd wordt op basis van de gerealiseerde cpi van het voorgaande jaar. Deze verhoogde tarieven zijn afgestemd met de gemeente Westervoort, die ook gebruik maakt van het afvalbrengstation.
3. LEGESVERORDENING (TARIEVENTABEL BEHORENDE BIJ DE LEGESVERORDENING) Verordening - Taalkundig is de verordening meer aangepast aan de modelverordening van de VNG. - De digitale betaling is toegevoegd aan artikel 6 (Wijze van heffing) en artikel 7 (Termijnen van betaling). - Het tweede lid van artikel 5 (Tarieven) is vervallen. Dat had betrekking op de Crisis- en herstelwet, die op 1 januari 2024 met het inwerking treden van de Omgevingswet komt te vervallen. 2
Zaaknummer: 3939597
Tarieventabel A. Paspoort en identiteitskaart: De voorlopige maximum-tarieven voor 2024 voor paspoort en identiteitskaart zijn bekend gemaakt. De definitieve maximum-tarieven zullen in oktober of november door het Rijk worden vastgesteld. Aangezien de voorlopige maximum-tarieven voor paspoort en identiteitskaart de afgelopen jaren niet afweken van de definitieve tarieven, zijn deze nu alvast in de voorliggende verordening opgenomen. Zie voor de oude en nieuwe tarieven de bijlage ‘Vergelijkingstabel’. B. Rijbewijs: In oktober zal het tarief voor het rijbewijs bekend gemaakt worden. Indien het tarief van het rijbewijs voor 2024 verhoogd zal worden, zal dit later dit jaar nog worden aangepast. Wel is de verhoging van de rijksleges van € 3,50, die op 1 juli 2023 is ingegaan, nu doorgevoerd. Op 1 juli 2023 is de Wet digitale overheid in werking getreden. Hierdoor is het voor inwoners mogelijk om met een rijbewijs in te loggen bij overheidsorganisaties en diensten met een publieke taak. Om dit te financieren moeten gemeenten sinds 1 juli 2023 € 3,50 extra per rijbewijs afdragen aan het rijk. C. Vergunning opkoopbescherming: Op grond van de Huisvestingswet en de Huisvestingsverordening Gemeente Arnhem 2024 is het mogelijk om een verhuurvergunning opkoopbescherming aan te vragen. Hiervoor worden leges ingevoerd.
Voor het tarief is aangesloten bij de tarieven voor de vergunningen voor woningsplitsing en verkamering. D. Omgevingswet: Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Hoofdstuk 4 is hier nu op aangepast. Hiervoor is de modelverordening van de VNG gevolgd. Door zowel de wijziging naar de Omgevingswet als de omzetting naar de modelverordening zijn de artikelen zowel inhoudelijk tekstueel aangepast dan wel nieuw. Dat geldt ook voor de tarieven. Verder is gekozen voor een beleidsarme overgang. Het is, voor heel Nederland, nog onduidelijk hoe het een en ander zal uitpakken onder de Omgevingswet. De veranderingen zullen komend jaar gemonitord worden en dan zal er voor 2025 en verder gekeken worden hoe de kostendekkendheid indien gewenst verhoogd kan worden. De belangrijkste wijzigingen zijn: 1. Op grond van de Omgevingswet moet het bouwen van een bouwwerk gescheiden worden in een bouwtechnisch en een ruimtelijk deel. Op grond van de Wet kwaliteitsborging bouw (Wkb) moet in gevolgklasse 1 (hieronder vallen grondgebonden woningen en eenvoudige bouwwerken, dus bijvoorbeeld ook dakkapellen en eenvoudige bedrijfspanden) het bouwtechnische toezicht door een private kwaliteitsborger worden gedaan. De regeling van de ruimtelijke aspecten blijft in die gevallen wel bij de gemeente.
- Op grond hiervan is het tarief voor de ‘bouwvergunning’ (wat een percentage van de bouwsom is) opgesplitst in een ruimtelijk en een bouwdeel. - Daarnaast is overgegaan van het percentage van de bouwsom inclusief btw naar een percentage van de bouwsom exclusief btw. Dit is op verzoek van ODRA, omdat in de andere aangesloten gemeenten ook de bouwsom exclusief btw wordt gehanteerd. Dit heeft an sich geen invloed op de opbrengst of gevolgen voor belastingplichtigen. - Tenslotte zijn de hiervoor bedoelde percentages geïndexeerd vanwege de stijging van de uurlonen. Daarbij is de keus gemaakt om de tarieven niet te veel te laten stijgen. De verwachting is dat door de verplicht gestelde inzet van een private kwaliteitsborger de kosten een stuk hoger zullen zijn dan het voorheen was.
3
Zaaknummer: 3939597 Het tarief voor het ruimtelijke deel komt daarmee op 2,26% en voor het bouwdeel op 0,37% van de bouwsom exclusief btw. In de afgelopen jaren betaalde men 2,04% van de bouwsom inclusief btw aan de gemeente voor een bouwvergunning. (zie tarieventabel artikelen 4.1.1, 4.3.1 en 4.3.2) 2. Er bestaan op grond van de Omgevingswet twee vooroverleggen: een ‘concept-verzoek’ voor een enkelvoudige activiteit en een ‘omgevingstafel’ voor een project met meervoudige activiteiten. Het tarief van het concept-verzoek is gelijk gebleven aan het eerdere tarief voor een vooroverleg. Dit tarief wordt volledig verrekend met de uiteindelijke verschuldigde leges bij een aanvraag. Dit om een vooroverleg te stimuleren, aangezien zo’n vooroverleg de gemeente/ODRA werk scheelt aan de achterkant. De omgevingstafel gaat € 2500,00 kosten, het kostendekkende tarief, dat door meerdere aangesloten gemeenten wordt opgenomen in hun legesverordening. Omdat een behoorlijk deel van de uitkomsten van dit overleg gebruikt kan worden bij de uiteindelijke vergunningverlening, wordt in deze gevallen 50% van het tarief verrekend met de uiteindelijke leges bij de aanvraag van de omgevingsvergunning. Bij de omgevingstafel kunnen ook derde partijen zoals de Provincie, Waterschap of Rijkswaterstaat moeten aansluiten.
Zij kunnen hiervoor kosten in rekening brengen, maar daar hebben deze partijen op dit moment nog geen besluit over genomen. Deze kosten moeten dan door de gemeente in rekening gebracht worden bij de aanvrager. Om die reden moet de gemeente het tarief opnemen in de legesverordening. Aangezien het nog niet bekend is of en hoeveel deze partijen in rekening gaan brengen, is uit voorzorg vast een tarief van € 200,00 per aansluitende externe adviseur opgenomen. (zie tarieventabel artikel 4.2.1) 3. Op grond van de Omgevingswet mogen er vanaf 2024 voor milieuvergunningen leges geheven worden. Voorstel is om deze leges in te voeren, om de door de gemeente gemaakte kosten te dekken. Op grond van de opgave van de ODRA bedraagt het kostendekkende tarief voor één activiteit € 2.178,00. Van dit tarief is een afgeleide genomen voor de gevallen waarin het gaat om twee activiteiten (€ 3.000,00) of drie of meer activiteiten (€ 1.200,00 per activiteit). (zie tarieventabel artikelen 4.5.1 en 4.5.2) E. Groene leges: Om gebruik te kunnen maken van de regeling dat er geen leges hoeven te worden betaald voor het isoleren van een woning (duurzaamheidsmaatregelen), staan in de tarieventabel een aantal voorwaarden opgenomen over de isolatiewaarde (Rc) van het dak, de gevel en de vloer. Het is echter niet reëel dat deze Rc’s worden behaald bij monumenten.
De beschermde status van het pand vormt namelijk een beperking bij het bereiken van de optimale isolatiewaarde en deze beperking wordt door de overheid opgelegd. De grootste energiewinst zit in ‘de eerste centimeters’ isolatie. Dit maakt dat iedere vorm van isoleren (mits passend en zorgvuldig uitgevoerd) bij monumenten een zinnige verduurzamingsmaatregel is en dus zou moeten worden gestimuleerd door ook hiervoor 100% vermindering van de leges toe te passen. De tekst is daar nu op aangepast: ‘De vermindering bedraagt indien de duurzaamheidsmaatregel bestaat uit het isoleren van een rijksmonument of gemeentelijk monument 100%’. (zie artikel 4.13.3.1 van de tarieventabel) F. APV-vergunning speelgelegenheid: Voor de exploitatievergunning voor een speelgelegenheid (in de APV omschreven als: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
4
Zaaknummer: 3939597 verloren) was nog geen tarief in de legesverordening opgenomen. Hiervoor is nu het tarief € 484,00 opgenomen (4 uur in schaal 10). (zie artikel 5.12.1.4 van de tarieventabel) G.
Bijlage 1: De Bijlage bij de legesverordening, de ‘Basisbedragen bouwkosten bij nieuwbouw en uitbreiding van bouwwerken en gebouwen 2018’, op grond waarvan de bouwkosten kunnen worden getoetst, is vervangen door de ROEB-lijst. Een update is noodzakelijk omdat de bouwkosten zijn gestegen de afgelopen jaren. De ROEB lijst is een actuele lijst, die door veel gemeenten wordt gehanteerd en door de belastingrechter is goedgekeurd.
4. VERORDENING PARKEREN EN PARKEERBELASTINGEN Verordening In de verordening is in artikel 1 Definities de definitie ’dagkaart’ vervangen door de definities ‘dagvergunning’ en ‘dagvergunning voor voetgangersgebied ((in combinatie met een dag ontheffing rijden / laden lossen in het voetgangersgebied)’. De dagkaart werd altijd in combinatie met een ontheffing rijden voetgangersgebied aangeboden. Maar zoals het tot op heden in de verordening is opgenomen, kan iedereen een dagkaart aanschaffen en daarmee voor een vast tarief per dag op een betaald-parkeren-plaats staan. Bij de parkeerautomaten en ook via het belparkeren is echter geen maximaal tarief ingesteld, waardoor er ongelijkheid ontstaat. Er wordt nu dus onderscheid gemaakt tussen 2 nieuwe (definities van) vergunningen, die één dag geldig zijn: - een ‘dagvergunning’: hiermee mag alleen geparkeerd worden op een parkeerplaats voor vergunninghouders (E9). Deze dagvergunning wordt verstrekt voor een bepaald sectorgebied (het vergunninghoudersparkeergebied is opgedeeld in sectoren), met uitzondering van het centrum. - een ‘dagvergunning voetgangersgebied’: deze wordt altijd in combinatie met een ‘ontheffing rijden voetgangersgebied’ afgegeven. Deze dagvergunning geldt alleen voor het centrum. Zo kunnen bedrijven die in een voetgangersgebied aan het werk zijn daar wel in om te laden en lossen.
Het parkeren van het voertuig moet in dat geval buiten het voetgangersgebied gebeuren, maar mag met deze vergunning dan wel op een betaald-parkeren-plaats.
Tarieventabel - De tarieven voor de parkeerbelasting zijn verhoogd met de verwachte consumentenprijsindex (CPI) voor 2024, zijnde 3,1%: het (straat)parkeren wordt daardoor verhoogd van € 3,40 naar € 3,50 en van € 2,25 naar € 2,35 (de tariefsverhoging is berekend vanuit de vorige niet afgeronde tarieven); het tarief van alle parkeervergunningen wordt verhoogd, zie voor de precieze bedragen de ‘Vergelijkingstabel’ die is bijgevoegd bij de raadsstukken. - Het tarief voor de wielklem is komen te vervallen, aangezien de wielklem niet wordt toegepast. - Er is een nieuw tarief toegevoegd met betrekking tot de afgifte van de auto na het slepen en bewaren daarvan. - De kosten voor het overbrengen van het voertuig en de kosten van bewaren van het voertuig zijn verhoogd en aangepast naar de tarieven zoals die ook in de Wegsleepverordening voor 2024 komen te staan. 5
Zaaknummer: 3939597
Het parkeertarief is in lijn met de tarieven in vergelijkbare gemeenten. Daarnaast sluit deze verhoging aan op de ambitie om mensen meer lopend, fietsend of met het openbaar vervoer naar de binnenstad te laten reizen in plaats van met de auto. Het tarief van de naheffingsaanslag (parkeerboete) wordt voor 2024 verhoogd naar € 76,70. De naheffingsaanslag mag niet meer bedragen dan de geraamde kosten, opgesomd in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen, per aanslag. De totale geraamde kosten per naheffingsaanslag bedragen voor 2024 € 80,24. Zie daarvoor de onderstaande berekening. Daarnaast stelt het Rijk ieder jaar een maximumtarief voor de naheffingsaanslag vast. Dat tarief is voor 2024 € 76,70. Het wordt belangrijk geacht dat de kosten (zo veel mogelijk) worden verhaald, vandaar dat het tarief voor de kosten van de naheffing het maximale tarief bedraagt. Kosten naheffingsaanslag 2024 A. Vaste informatieverwerkingskosten B. Variabele informatieverwerkingskosten C. Kosten van afschrijving D. Personeelskosten E. Overheadkosten Totaal Inclusief indexatie 2024 (14,9%) Aantal geraamde naheffingsaanslagen Kosten per naheffingsaanslag 2024
€ 323.207 € 740.953 € 369.304 € 1.469.548 € 992.302 + € 3.893.314 € 4.473.417 55.760 € 80,24
5. VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN SCHEEPVAARTRECHTEN Verordening De tekst is niet aangepast. Tarieventabel De tarieven zijn gelijk gebleven.
6. VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN TOERISTENBELASTING Verordening Bij artikel 12 is ter verduidelijking een tweede lid toegevoegd, omdat de tekst van het eerste lid verwarring schepte over de vraag of een belastingplichtige zich schriftelijk moet melden. Artikel 12 Aanmeldingsplicht 1. De belastingplichtige bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gelegenheid tot overnachten verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeenteambtenaren, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdelen b en d van de Gemeentewet. 2. De verplichting als bedoeld in het voorgaande lid geldt niet voor de belastingplichtige die met betrekking tot het jaar voorafgaand aan het belastingjaar in de heffing van de toeristenbelasting betrokken is. Tarieven 6
Zaaknummer: 3939597 De tarieven zijn gelijk gebleven.
7. VERORDENING OP HET REINIGINGSRECHT Verordening en tarieven De tarieven van artikel 4 worden verhoogd: - 1 tot en met 5 aanbiedingen per week bedraagt € 666,60 per belastingjaar (2023: € 635,40); - 6 tot en met 10 aanbiedingen per week bedraagt € 1.124,40 per belastingjaar (2023: € 1072,20). Ondernemers kunnen zelf de afweging maken of ze gebruik maken van afval aanbieden via reinigingsrecht of dat zij een contract met een commerciële afvalinzamelaar aangaan. Het reinigingsrecht is een retributie, dit betekent dat het te hanteren tarief (maximaal) kostendekkend mag zijn. De tarieven zijn gebaseerd op de integrale kostprijs voor reinigingsrecht conform de Wet markt en overheid. Op dit moment maken 76 bedrijven in de binnenstad gebruik van reinigingsrecht. Voor 2024 gaan we ervan uit dat dit aantal gebruikers licht zal stijgen. De gemeente is in 2023 gestart en gaat ook in 2024 door met het informeren van bedrijven over hun wettelijke zorgplicht voor afval en het bestaan van reinigingsrecht als oplossing voor ondernemers in de binnenstad. Voor 2024 wordt voorgesteld om de huidige twee staffels, 1 tot 5 en 6 tot 10 zakken per week, te handhaven. De tarieven worden verhoogd vanwege stijgende kosten voor inzamelen en verwerken. De tarieven zijn kostendekkend en marktconform.
7