Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing IJsseloord 2, Arnhem – kavel H0 (inclusief bijlagen)
Tekst van het document
omgevingsvergunning
IJsseloord 2, Arnhem - Kavel H0 Gemeente Arnhem
Planstatus:
definitief
Plan identificatie:
NL.IMRO.0202.ROBIJsseloord-CO01
Datum:
19-01-2022
Contactpersoon Buro SRO:
Dhr. J. van Nuland & Dhr. R. van den Heuvel
Kenmerk Buro SRO:
SR200297
Opdrachtgever:
IJsseloord2 Projectontwikkeling B.V.
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplannen ........................................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10
3 Beleid en regelgeving ............................................................................................................................ 13 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 13 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 16
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Water ................................................................................................................................................................ 22 4.3 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 23 4.4 Bodem ............................................................................................................................................................... 24 4.5 Geluid ................................................................................................................................................................ 25 4.6 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 25 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................
26 4.8 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 28 4.9 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 29 4.10 Parkeren en verkeer ........................................................................................................................................ 31 4.11 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 34
5 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 36 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 37
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om op de kavel aan de Delta op bedrijventerrein IJsseloord 2 in Arnhem een nieuw bedrijfsgebouw te realiseren ten behoeve van een opslagboxen met werkplekken complex. Het gaat om een bedrijfsgebouw waarin 205 opslagboxen en 9 kleinschalige zelfstandige bedrijfsunits worden gehuisvest. Daarnaast is er op elke verdieping, uitsluitend als voorziening voor de gebruikers van de boxen, een beheerdersruimte/werkplekken. De gronden van de planlocatie zijn in het geldende bestemmingsplan 'IJsseloord II', vastgesteld door de raad van de gemeente Arnhem op 19 februari 1996, voorzien van de bestemming bedrijf. Voor de planlocatie is echter geen bouwvlak opgenomen, waardoor het initiatief niet past in het geldende bestemmingsplan. Er hebben verschillende overleggen plaatsgevonden met de gemeente Arnhem over de beoogde ontwikkeling. De gemeente stelt zich positief op tegenover het bouwplan op de betreffende locatie. Door middel van een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking, artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo, kan afgeweken worden van het bestemmingsplan en kan het bedrijfspand mogelijk gemaakt worden. Er dient in dit geval een uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd te worden waar een ruimtelijke onderbouwing onderdeel van is.
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing dient als onderbouwing van de voorgenoemde afwijking van het geldende bestemmingsplan.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Delta op het bedrijventerrein IJsseloord II in de gemeente Arnhem. De planlocatie is kadastraal bekend als de gemeente Arnhem, sectie T, perceel 4762. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)
5
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)
1.3 Geldend bestemmingsplannen Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'IJsseloord II', vastgesteld door de raad van de gemeente Arnhem op 19 februari 1996. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'IJsseloord II' met het plangebied in het rood omkaderd.
Uitsnede geldende bestemmingsplan 'IJsseloord II', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Voor de gronden van het plangebied geldt de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden-C-IV'. De voor 'Bedrijfsdoeleinden-C-IV' aangewezen gronden zijn bestemd voor gebruikt en behoeve van bedrijven (of gedeelten ervan) die behoren tot de bedrijfstypen, zoals opgenomen in artikel 5 van het bestemmingsplan. Hierbij zijn meerdere bedrijfstypen toegestaan, waaronder het bedrijfstype “transportbedrijven inclusief
6
werkplaats/opslag/stalling. De term “bedrijfstype” impliceert dat de bestemming niet is beperkt tot de in dit artikel onder A genoemde bedrijven, maar dat hieronder ook bedrijven vallen dat qua type gelijk te stellen zijn met het aldaar omschreven bedrijfstype. Het plan van initiatiefnemer voorziet in bedrijfsactiviteiten gericht op hoofdzakelijk opslag voor zakelijke gebruikers. Het bouwplan bestaat uit een meerlaags gebouw en op alle lagen toegankelijk voor lichte bedrijfswagens. Daarmee valt het initiatief onder het hiervoor genoemde bedrijfstype. Daarnaast is dit initiatief aan te merken als een bedrijf(sactiviteit) als genoemd in de categorie 1 t/m 4 als bijlage bij de voorschriften opgenomen bedrijvenlijst. Het initiatief valt onder de categorie Wegvervoer (72), goederenwegvervoerbedrijven (72.3). Opslag(boxen) met werkplekken is dan ook binnen deze bestemming mogelijk. Daarnaast zijn binnen deze bestemming parkeerplaatsen op eigen terrein (met een parkeernorm van maximaal één parkeerplaats per 125 m² bvo), ontsluitingswegen, groenvoorzieningen en waterpartijen (ten behoeve van de waterhuishouding van het gebied) toegestaan. In paragraaf 4.10.1 van deze ruimtelijke onderbouwing zal nader worden toegelicht dat het initiatief ook op dit punt voldoet.
Voor het plangebied is geen bouwvlak aanwezig, daarom geldt de maximumbouwhoogte die is opgenomen voor deze bestemming, niet. Er wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking, artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo. Naast het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein IJsseloord II' gelden voor de gronden van het plangebied de bestemmingsplannen 'Facetplan Parkeren', vastgesteld op 30 mei 2018 en 'Facetplan woningsplitsing en verkamering', vastgesteld op 28 oktober 2020. Het doel van het bestemmingsplan 'Facetplan Parkeren' is om alle daarvoor in aanmerking komende bestemmingsplannen (zo ook IJsseloord II) te voorzien van een parkeerregeling. Het 'Facetplan woningsplitsing en verkamering' is voor deze ontwikkeling niet relevant.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en de (milieu)wetgeving. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 5 aan bod en de maatschappelijke uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan de orde.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied bevindt zich op het bedrijventerrein IJsseloord II waar een grote diversiteit aan bedrijven te vinden is. Op de planlocatie is in de huidige situatie een parkeerterrein aanwezig dat afgesloten is met slagbomen. Het plangebied bevat verharde wegen die gebruikt worden om de parkeerplaatsen te bereiken. De parkeerplaatsen zelf zijn niet verhard en daarnaast zijn er enkele groenstroken tussen de parkeerplaatsen aanwezig. Ten noorden van het plangebied ligt een vergelijkbaar parkeerterrein. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een groen gebied met een waterberging. Ten zuiden bevindt zich een waterkering en meer groen in de uiterwaarden van de IJssel. In het noordwesten bevindt zich een groothandels bedrijf. Daarnaast zijn er rond het plangebied diverse andere bedrijven aanwezig. De navolgende afbeeldingen tonen de planlocatie, gezien vanaf de Delta.
Huidige situatie planlocatie vanaf de Delta in oostelijke richting (bron: Google Streetview)
8
Huidige situatie planlocatie vanaf de Delta in westelijke richting (bron: Google Streetview)
Huidige situatie parkeerterrein in westelijke richting (bron: Bluevest)
9
Huidige situatie parkeerterrein in noordelijke richting (bron: Bluevest)
2.2 Toekomstige situatie XLBox ontwikkelt op IJsseloord II een bedrijfsgebouw waarin 204 garageboxen en 9 kleinschalige zelfstandige bedrijfsunits worden gehuisvest. In Zoetermeer is in februari 2021 door XL Box een vergelijkbare eerste vestiging in gebruik genomen en voorliggende ontwikkeling in Arnhem is de 2e ontwikkeling. Ook in de plaatsen Nijmegen en Gouda zijn de plannen reeds in gevorderd stadium. De in de huidige situatie aanwezige parkeerplaatsen zijn overtallig geworden en worden samengevoegd op andere parkeerterreinen op IJsseloord 2, dit wordt verder onderbouwd in paragraaf 4.10. Daarmee is de kavel vrij voor herontwikkeling. Het bedrijf biedt opslagboxen in diverse formaten die met de auto bereikbaar zijn. Het nieuwe bedrijfspand zal ruimte bieden aan ongeveer 204 opslagboxen van ca. 10 m² tot 90 m². Daarnaast komt er ruimte voor 9 bedrijfsunits met twee verdiepingen. Deze bedrijfsunits zijn beschikbaar voor eenieder en daarmee een waardevolle toevoeging aan IJsseloord 2. Twee van deze bedrijfsunits hebben een oppervlakte van ca. 200 m² met 4 parkeerplaatsen en zeven bedrijfsunits hebben een oppervlakte van ca. 100 m² met elk twee parkeerplaatsen. Tevens worden er ook op elke verdieping beheerdersruimten/werkplekken gerealiseerd, dit zijn dus drie beheerdersruimten. In totaal zijn er 216 opslagboxen, bedrijfsunits en beheerdersruimten in het gebouw.
Het gebouw heeft drie verdiepingen, een stempel van ca. 3.515 m² en een gebruiksoppervlakte van ca. 9.947 m². De ingang voor voertuigen komt aan de westzijde van het gebouw. Het plangebied is bereikbaar via de Delta. Op het dak van het gebouw zullen zonnepanelen geplaatst worden met in totaal ca. 10.000 Wp. Parkeren Het parkeren wordt voor het grootste deel inpandig opgelost. Het gebouw is namelijk met de auto toegankelijk. Er is ruimte om te parkeren in de opslagruimtes of nabij de ingang van elke opslagruimte. In totaal zijn dit buiten de opslagruimten zelf, 59 parkeerplaatsen in het gebouw. Tevens zijn er parkeerplaatsen voorzien aan de noord- en zuidzijde van het gebouw. Hier worden 22 parkeerplaatsen voor de bedrijfsunits gerealiseerd en 34 parkeerplaatsen voor de werkplekken en eventuele extra bezoekers. In totaal worden er daarmee 115 parkeerplaatsen gerealiseerd. Tevens zijn op het parkeerterrein ten westen van het nieuwe gebouw nog 55 parkeerplaatsen aanwezig. Voor een uitgebreide toetsing aan het parkeerbeleid wordt verwezen naar paragraaf 4.10.1.
10
Toelichting gebruik XLBox voorziet in de behoefte van voornamelijk opslag, maar voor een grotendeels andere doelgroep dan bijvoorbeeld bedrijven als Shurgard en All-safe. Doordat de boxen gemiddeld groter in omvang zijn en het gebouw geheel auto toegankelijk is richt het zich meer op de zakelijke gebruikers. De boxen hebben een grote afmeting, een luxe afwerking met sectionaaldeur en zijn goed beveiligd. Het concept van XLBox onderscheidt zich doordat alle boxen intern gelegen zijn en eveneens allemaal per auto te bereiken zijn. Het gebouw is meerlaags en op alle lagen toegankelijk voor auto’s en lichte bedrijfswagens. Hierdoor is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en is er geen laden en lossen buiten het gebouw. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het recent gerealiseerde boxcomplex aan de Snelliusweg of andere meer traditionele complexen. Door de inpandige afwikkeling van de verkeersstromen is de parkeerbehoefte voor de gebruikers van de boxen buiten op het maaiveld dan ook in de praktijk nihil. Op elke verdieping worden beheerdersruimten/werkplekken gerealiseerd als voorziening voor de eigenaren of gebruikers van de boxen. Dit is een ruimte waar zij gelegenheid hebben om koffie te drinken, te bellen of kort te werken. Het gaat hier om werkplekken die niet voor verhuur beschikbaar zijn maar enkel dienen als voorziening voor de gebruikers van de boxen.
Aan de zuidzijde van het gebouw zijn 9 zelfstandige bedrijfsunits gelegen. Dit zijn bedrijfsruimten die elk een eigen overheaddeur hebben op het maaiveld. Hier vinden de wat grotere bedrijven een plek. Denk daarbij aan opslag van bijvoorbeeld schilderbedrijven en dergelijke. In algemene zin is het de ervaring dat een groot deel van de boxen wordt gebruikt door zzp’ers en Mkb’ers die hier hun materiaalvoorraad opslaan. Verder zien we opslag voor kleinschalige evenementvoorzieningen zoals audio en outdoor sportactiviteiten, een enkele oldtimer, toermotoren en uiteraard ook diverse inboedel. Inrichtingsplan In de bijlage is het inrichtingsplan/landschapsvisie voor de locatie opgenomen (Landschapsvisie XL Box H0). Dit document geeft inzicht in de verbeterslag die met de herinrichting beoogd wordt. Er wordt hoogwaardig groen gerealiseerd waarmee wordt bijgedragen aan de biodiversiteit. Voor verdere informatie wordt verwezen naar deze bijlage. De onderstaande situatieschetsen blijven van toepassing. De navolgende afbeeldingen tonen een situatieschets en impressie van de toekomstige situatie.
11
Situatieschets toekomstige situatie (bron: Slob bouwkundig tekenburo)
Impressie toekomstige situatie (bron: Slob bouwkundig tekenburo)
12
3 Beleid en regelgeving 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek De NOVI is gezien de aard en omvang van het project niet specifiek van toepassing op het plangebied. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat te waarborgen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
13
2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442 (Wierden)) blijkt dat een ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als stedelijke ontwikkeling aangemerkt te kunnen worden. Wanneer een ontwikkeling voorziet in één van de andere in artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro genoemde stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m², dient deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Het beoogde plan voorziet in de realisatie van een opslagruimten met werkplekken complex met een oppervlakte van ca. 3.515 m². Daarmee betreft het plan een toevoeging van een bedrijf met een ruimtebeslag groter dan 500 m² en wordt derhalve als een nieuwe stedelijke ontwikkeling aangemerkt. Onderstaand zal worden ingegaan op de ligging van het plangebied en de behoefte aan de beoogde ontwikkeling.
Bestaand stedelijk gebied Het bestaand stedelijk gebied wordt volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als volgt gedefinieerd: ’bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Het plangebied is gelegen op het bedrijventerrein bekend als het IJsseloord II. Het gebied wordt intensief gebruikt voor bedrijfsactiviteiten. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied ligt. Behoefte IJsseloord II is nog in ontwikkeling en de laatste jaren zijn veel van de kavels op het bedrijventerrein verkocht of ontwikkeld. Op het moment van schrijven zijn nog slechts twee kavels beschikbaar. Er kan dan ook gesteld worden dat er behoefte is aan nieuwe bedrijfsbebouwing en vernieuwing van IJsseloord II. De vestiging van het bedrijf op de planlocatie is dan ook passend binnen de ambities voor het bedrijventerrein. Daarnaast is er veel vraag naar de betreffende ontwikkeling in de vorm van opslagruimten. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
14
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Nederland is vastgesteld op 19 december 2018. In de Omgevingsvisie staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. De provincie Gelderland legt bij de uitoefening van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – wordt daaraan richting gegeven. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland bevat thematische visieschetsen. De schetsen zijn een grove schets van in het oog springende bestaande en nieuwe initiatieven, kansen, mogelijkheden en ontwikkelingen. De ambities die hieruit volgen zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer. Circulaire economie: sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Vestigingsklimaat: Een krachtige, duurzame topregio! Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.
Planspecifiek Met name de ambitie 'vestigingsklimaat' is van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. De diverse opslagruimten kunnen dienen als werklocaties en daarmee bijdragen aan het vestigingsklimaat. Tevens draagt de beschikbaarheid van opslagruimten bij aan de woon-en leefomgeving. De omgevingsvisie Gelderland vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Met een omgevingsverordening stelt de provincie regels aan bestemmingsplannen van gemeenten. De provincie Gelderland heeft op 24 september 2014 de Omgevingsverordening vastgesteld, die vervolgens op 18 oktober 2014 in werking is getreden. Deze Omgevingsverordening is partieel gewijzigd. Voor de beoordeling van het onderhavige bestemmingsplan is getoetst aan de geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland maart 2021. De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De Omgevingsverordening is er een van. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem.
De verwachting is dat de omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Planspecifiek Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn geen specifieke regels uit de omgevingsverordening van toepassing. De omgevingsverordening Gelderland vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
15
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Arnhem 2020-2040 Op 28 maart 2011 heeft de raad van de gemeente Arnhem de agenda vastgesteld voor de structuurvisie ‘Arnhem 2020 met doorkijk 2040’. De structuurvisie voor de stad biedt een strategisch kader voor ruimtelijke plannen op stedelijk niveau voor de lange termijn. De belangrijkste principes worden benoemd en uitgewerkt in een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief. Het ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor de stad bestaat uit de volgende principes: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Herbronnen en herijken Van eindplan naar koers Van tweedeling naar drie-eenheid Cyclisch en adaptief Ondergrond en bovengrond 'Chique en basic' 'Mobiliteit en leefkwaliteit'
De ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven worden uitgewerkt in verschillende thema's, waaronder 'Wonen'. De demografische toekomst van de stad kleurt in belangrijke mate het toekomstbeeld. Tot 2030 zal het inwonersaantal van Arnhem doorgroeien tot naar verwachting 160.000 inwoners. Daarbij zal de bevolkingsopbouw veranderen: vergrijzing zal sterk toenemen en het aantal eenpersoonshuishoudens in de stad zal sterk groeien. Zowel kwantitatief als kwalitatief zullen er veranderingen plaatsvinden. De toekomstige ruimtevraag zal binnen de bestaande stad worden opgelost. Planspecifiek In de structuurvisie wordt onder meer gesproken over een toename aan functiemenging op bedrijventerreinen. De voorgenomen ontwikkeling draagt zeker bij aan deze ambitie. Een opslagboxen met werkplekken complex is zeer flexibel en biedt ruimte aan een grote verscheidenheid aan bedrijven. Dit maakt het bedrijventerrein minder kwetsbaar en biedt meer flexibiliteit om in te spelen op veranderingen. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde initiatief in overeenstemming is met de ambities uit de structuurvisie van de gemeente Arnhem.
3.3.2 Voorontwerp omgevingsvisie Arnhem 2040 Het voorontwerp van de omgevingsvisie is op 3 mei 2021 gepubliceerd. Dit voorontwerp geeft een beeld van Arnhem in 2040. Het aantal inwoners in Arnhem neemt toe. Het aantal eenpersoonshuishoudens gaat groeien. Er is dus voldoende ruimte nodig om te werken, recreëren, sporten, ontmoeten én er moeten voldoende voorzieningen voor onderwijs en zorg zijn. Daarnaast is er ruimte nodig om de klimaatveranderingen op te vangen en om de transitie naar duurzame energie mogelijk te maken. De ruimte is beperkt. Hoe we als Arnhem tot 2040 met deze thema's omgaan in de ruimte, staat in de omgevingsvisie. Het voorontwerp van de omgevingsvisie laat zien dat Arnhem in 2040 een groene, vitale stad is met ruimte voor meer inwoners en bedrijvigheid. De stad is onderdeel van een sterke regio met een veelzijdig landschap, waardevolle wijken en krachtige knooppunten. Tegelijk is er veel veranderd op het gebied van klimaat, energie en leefbaarheid: de stad is duurzamer en stimuleert een gezonde leefstijl. En Arnhem is en blijft een creatieve stad. Er worden tevens afwegingsprincipes onderscheiden die helpen bij het maken van keuzes. Dit resulteert in de volgende vier voorwaarden die worden gesteld aan het ruimtegebruik in een groeiende stad: 1. 2.
De Arnhemse identiteit versterken Duurzaam en gezond ontwikkelen
16
3. 4.
Wijken versterken waarin iedereen mee kan doen Slim omgaan met ruimtegebruik
Planspecifiek De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling sluit aan bij deze vier voorwaarden. Zo wordt de groenstructuur behouden, voldoet het gebouw aan de duurzaamheidseisen en wordt gebouwd op een locatie die goed bereikbaar is met het openbaar vervoer. Daarnaast is het een meerlaags gebouw wat overal auto toegankelijk is zodat sprake is van efficiënt ruimtegebruik met een minimale footprint. Er kan gesteld worden dat er wordt aangesloten bij de voorontwerp omgevingsvisie Arnhem 2040. 3.3.3 New Energy Made in Arnhem 2020-2030 De doelstelling in het raadsprogramma ‘New Energy Made in Arnhem 2020 – 2030’ is om in 2030 34 kT CO2 reductie te realiseren met behulp van wind- en zonne-energie opwekprojecten binnen de eigen gemeentegrenzen. Hiermee wordt naar de ambitie om in 2050 klimaatneutraal te zijn toegewerkt. Hierbij wordt tevens specifiek het gebruik van zonneparken bij het behalen van deze doelstellingen benoemt. Het doel is om met zonnevelden alleen in 2023 18 MWp (circa 20 hectare) aan energie op te wekken en in 2030 42 MWp (circa 45 hectare) aan energie op te wekken. Planspecifiek Het nieuwe gebouw zal volgens de geldende duurzaamheidseisen gerealiseerd worden. Er wordt ca. 10.000 Wp aan zonnepanelen op het dak aangebracht. Daarmee kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling aansluit bij het raadsprogramma 'New Energy Made in Arnhem 2020 - 2030'.
3.3.4 Strategie Klimaatadaptatie Arnhem In de Strategie Klimaatadaptatie Arnhem wordt beschreven welke ambities de gemeente Arnhem heeft voor de komende 10 jaar. Door het veranderende klimaat neemt de kans op overstromingen, wateroverlast, hitte en droogte toe. Daardoor ontstaan risico's voor de veiligheid, gezondheid en economie. Er gebeurt al veel om Arnhem aan te passen maar er moet meer gebeuren om deze stad klimaatbestendiger te maken. Men moet dus in de versnelling. De focus ligt op vier aspecten die in de strategie worden toegelicht:
• • • •
Wateroverlast Hitte Droogte Overstromingen
Planspecifiek Uit de wateroverlastkaart en de hitte-attentiekaart behorende bij de strategie klimaatadaptatie blijkt dat het plangebied in klimaatzone geel gelegen is. Hier geldt behoud van de bestaande situatie. Daarmee kan gesteld worden dat er geen aanvullende maatregelen met betrekking tot wateroverlast of hitte benodigd zijn. In de strategie wordt aangegeven dat de maatregelen om wateroverlast en hitte tegen te gaan ook helpen tegen droogte. Door meer groen en water vast te houden in de stad, duurt het langer voor droogte tot problemen gaat zorgen. Voor dit gebied zijn ook voor droogte en overstromingen geen aanvullende maatregelen benodigd. Het hemelwater van het verhard oppervlak van het plan wordt middels een bodempassage afgevoerd naar naastgelegen oppervlaktewater en zo binnen het gebied geïnfiltreerd. 3.3.5 Groenvisie Arnhem 2017-2035 Op 5 maart 2018 heeft de gemeenteraad van de gemeente Arnhem de Groenvisie 2017-2035 vastgesteld. De Groenvisie gaat over het Groen-blauw raamwerk, de stedelijke hoofdgroenstructuur, vertaald in doelen, ambities en ontwikkelopgaven. Dit Groen-blauw raamwerk van de stad bepaalt het gezicht van de stad en de aantrekkelijkheid van uiteenlopende woon- en recreatiemilieus. Het gaat daarbij om de waarden vanuit landschap, cultuurhistorie, ecologie, water en recreatief gebruik op gemeente en op particuliere terreinen.
17
Aan groen worden de laatste jaren steeds meer waarden en kwaliteiten toegekend. Zo ook aan het Arnhemse groen. Daarbij valt te denken aan gezondheid, klimaat (verminderen van hitte en van wateroverlast), milieu (verbeteren luchtkwaliteit), stadslandbouw, dierenwelzijn, toerisme en sport en bewegen. Het groen biedt ruimte voor een gezonde, leefbare, aantrekkelijke en daarmee ook toekomstbestendige woon- en werkomgeving. De Groenvisie legt niet alleen het groen-blauw raamwerk vast, dus de stedelijke hoofdgroenstructuur, maar geeft ook richting aan het belang van groen in de wijken, zodat initiatieven de waarden van het groen (landschap, biodiversiteit, gezondheid, waterbuffering, koelte) niet aantasten maar juist versterken. Zij vormt daarmee een basis voor de vertaling naar de (planologische) bescherming van waardevolle gebieden en waardevolle bomen in de bestemmingsplannen. De visie zorgt voor een actualisatie van de Arnhemse regels met betrekking tot groencompensatie. In de Groenvisie zijn nu de actuele Arnhemse regels groencompensatie 2017 opgenomen. Uitgangspunt blijft dat de totale groenbalans in de stad neutraal moet blijven of toeneemt. Moet er toch groen verdwijnen, dan wordt dat gecompenseerd. Eerst kwantitatief, dan kwalitatief en als laatste financieel. Bij financiële compensatie wordt de waarde van het groen en de boomopstanden gestort in het Groenfonds.
Het provinciale beleid met betrekking tot groencompensatie heeft betrekking op bos binnen het Gelderse Natuurnetwerk. Daar waar de provinciale compensatieregels gelden treden de gemeentelijke terug. Planspecifiek In de huidige situatie is er een beperkte hoeveelheid groen aanwezig binnen het plangebied. Zoals blijkt uit de foto's van de huidige situatie in paragraaf 2.2 zijn er voornamelijk struiken en gras aanwezig, van kwalitatief groen is geen sprake. Er zijn geen bomen aanwezig binnen het plangebied. In de nieuwe situatie voorziet het inrichtingsplan in groen met enkele boomgroepen. Het kwalitatief groen zal bijdragen aan de biodiversiteit. De groenbalans is daarmee positief, er is in de toekomstige situatie meer(kwalitatief) groen aanwezig dan in de huidige situatie. 3.3.6 Bomenplan 2020 Het bomenplan is een uitwerking van de Groenvisie. Onderdeel van dit plan is het jaarlijks aanplanten van nieuwe bomen en bos. Deze nieuwe bomen leveren een belangrijke bijdrage aan het klimaatbestendiger maken van Arnhem. Planspecifiek In het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Het Bomenplan is dan ook niet specifiek van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Wel kan opgemerkt wordt dat het inrichtingsplan voorziet in enkele boomgroepen. Het aantal bomen in het gebied zal daarmee toenemen waarmee een bescheiden bijdrage wordt geleverd aan de ambitie zoals verwoord in het bomenplan.
3.3.7 Welstandsnota Arnhem 2015 Op 13 juli 2015 heeft de gemeenteraad van Arnhem de nieuwe welstandsnota vastgesteld. Arnhem is een aantrekkelijke stad om te wonen en te verblijven. Het uiterlijk van de stad draagt daar aan bij. De gemeente wil dat zo houden. De gemeente wil dat nieuwe bouwwerken in zijn algemeenheid passen in hun omgeving. De bestaande stad is dus het referentie- en inspiratiekader. Voor de meest voorkomende bouwwerken zijn verder in deze nota gebiedsgerichte criteria opgenomen. Deze criteria zijn per gebied ('géén toets', 'lichte toets' en 'zware toets') anders. Voor grootschalige (her)ontwikkelingen is een aparte werkwijze voor de totstandkoming van plannen opgenomen. Bij dergelijke complexe opgaves is het noodzakelijk om de kwaliteitsbewaking goed te organiseren. Kwaliteitsteams zijn daarvoor een gewaardeerd middel. Complexe plannen worden vaak over een langere periode tot stand gebracht en gerealiseerd. Deze langere termijnen vereisen een flexibele houding ten opzichte van (de invulling van) de opgave. Door het proces rondom kwaliteit te organiseren en niet de criteria vooraf vast te leggen wordt in deze opgaven maximaal de ruimte geboden voor creativiteit
18
terwijl goed blijft toegezien op de kwaliteit van de plannen voor de stad. Door de inbreng van een kwaliteitsteam kan de regievoering op de kwaliteit van plannen en de samenhang tussen de deelprojecten en de samenhang met de omgeving /openbare ruimte gewaarborgd worden. Planspecifiek Het projectgebied is gelegen in een gebied waar geen welstandstoets voor geldt. Het toetsingskader is in dit geval het Beeldkwaliteitsplan van IJsseloord 2. Het laatste ontwerp is op 17 juni 2021 door de Supervisor van IJsseloord 2 goedgekeurd en op 1 november vervolgens door de welstandscommissie goedgekeurd. Het toekomstige gebouw blijft strak en eenvoudig, met een eenduidige ritmiek van dichte panelen en transparante gevels, die door hun kleur dicht bij de uitstraling van de panelen komen. Er is slechts één logo aanwezig op de buitenzijde. De enige verwijzing naar de huiskleur, rood/oranje, is bij de laad en los deuren aan de zuidzijde. De krachtige eenvoud, ook in zijn detaillering, draagt bij aan de abstractie van het gebouw. Door haar uitstraling en oriëntatie past het gebouw bij de groep gebouwen die gesitueerd zijn aan het einde van de Delta van IJ2 en is zij een goede overgang richting de kantooreenheden verderop aan de Meander. Er is ditmaal extra aandacht geschonken aan de invulling van de openbare ruimte.
Gelet op het ontwerp en de situering voldoet het bouwplan, op zichzelf en in samenhang met de omgeving, aan redelijke eisen van welstand. 3.3.8 Mobiliteit en parkeren De gemeente Arnhem heeft haar verkeersbeleid op hoofdlijnen verwoord in de Structuurvisie Arnhem 20202040 (vastgesteld 2012). Voor mobiliteit biedt het structuurplan een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief. Arnhem streeft naar een duurzame bereikbaarheid in een aantrekkelijke en veilige stad. Vooral in de bestaande stad geldt daarbij het principe: eerst de bestaande verkeersruimte beter benutten en pas daarna zoeken naar mogelijkheden tot uitbreiding van de (auto)verkeersruimte. De inzet van slim ruimtegebruik, voor versterking van fiets en openbaar vervoer, aangevuld met spitsmijdende maatregelen moet Arnhem de komende jaren bereikbaar houden. De Accentnota Fiets is in januari 2020 vastgesteld en gebruikt de Beleidsnota Fietsverkeer uit 2012 als fundament voor een vernieuwde fietsambitie, met volop ruimte voor nieuwe ontwikkelingen, nieuwe accenten en aanscherping van beleid. Nieuwe ontwikkelingen die gaan over de richting waarin de stad zich ontwikkelt, de betekenis van de fiets in de stad van de toekomst en over de vertaling van de grote stedelijke opgaven. De doelen van deze fietsambitie zijn:
• • • • • •
meer fietsgebruik betere ontsluiting van stedelijke bestemmingen voor alle inwoners van de stad de binnenstad beter bereikbaar en aantrekkelijker maken voor fiets inspelen op de trend van toenemende stedelijke verdichting en urbanisatie het verduurzamen en toekomstvast maken van het stedelijk vervoersnetwerk het beïnvloeden van duurzaam stedelijk verplaatsingsgedrag.
In mei 2013 is de beleidsnota openbaar vervoer 'De reiziger centraal' vastgesteld. Deze nota is eveneens een uitwerking van de Arnhemse structuurvisie en heeft als doel het in stand houden van betaalbaar en kwalitatief goed openbaar vervoer en het doorgroeien naar emissie-loos openbaar vervoer. Het openbaar vervoer wordt toekomst bestendig door een kwaliteitsslag met als maatregelen:
• • • •
een hoogwaardig openbaar vervoernetwerk; de reiziger centraal stellen; een mobiliteit bieden voor iedereen; een emissie-loos openbaar vervoer.
Voor het onderdeel parkeren gelden beleidsregels en Arnhemse parkeernormen.
19
Planspecifiek Bij dit project wordt voor de ontsluiting gebruik gemaakt van een bestaande ontsluiting. Verder wordt voldaan aan de parkeernorm, zoals onderbouwd in paragraaf 4.10. De locatie is ook met de fiets en het openbaar vervoer zeer goed bereikbaar. Via een fietstunnel onder de N325 is het bedrijventerrein bereikbaar. Op het bedrijventerrein zelf zijn vrijliggende fietspaden aanwezig. Met het openbaar vervoer is de locatie te bereiken via één van de drie bushaltes op het bedrijventerrein. De toekomstige inrichting van de planlocatie is uitgewerkt in samenhang met de parkeerbehoefte binnen het bedrijvenpark. Dit is in paragraaf 4.10 verder uitgewerkt. Daarmee doet de herontwikkeling van de locatie niet af aan de gestelde doelen en ambities.
20
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend initiatief valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 of meer. De voorgenomen ontwikkeling omvat de ontwikkeling van een bedrijfspand met een bedrijfsvloeroppervlakte van ca. 10.545 m² en is daarmee niet m.e.r-plichtig. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van
21
het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen voor een gewogen besluit omtrent dit uitwerkingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Derhalve zal opstellen van een milieueffectrapportage geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.
4.2 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente, waterschap en provincie is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer. Dit betekent dat: − negatieve verstoring van de grondwaterstanden en –stromingen niet toegestaan zijn om grondwateroverlast en/of verdroging op de locatie en het boven- en benedenstrooms gelegen gebied te voorkomen. − maatregelen getroffen moeten worden ter voorkoming van (grond)watervervuiling. − bij nieuwbouw het regenwater binnen het projectgebied afgekoppeld moet worden van de afvalwaterriolering. − voldoende oppervlaktewater aanwezig is en op de goede locatie. − het verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt wordt. − het gebruik van uitloogbare materialen en chemische bestrijdingsmiddelen niet is toegestaan. − ontwikkelingen moeten bijdragen aan het verminderen of beperken van wateroverlast. Bij toename van verhard oppervlak is de aanleg van extra waterberging van belang om te voorkomen dat wateroverlast ontstaat. Het waterschap bepaalt aan de hand van normbuien hoeveel waterberging nodig is.
De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. Voor plannen met een toename aan verharding (tot 5.000 m² in stedelijk gebied) geldt de vuistregel: 436 m³ per hectare toegenomen verharding. Planspecifiek Binnen het plangebied is reeds sprake van een gescheiden rioolsysteem wat hemelwater vervoert naar verschillende retentiewateren. Naast het plangebied is een van deze retentiewateren gelegen. De voorgenomen ontwikkeling zal middels een bodempassage aansluiten op dit hiervoor bedoelde oppervlaktewater. Het watersysteem zoals aangelegd voor het bedrijvenpark ging reeds uit van het plangebied als zijnde een te bergen oppervlakte. Er vindt daarom geen toename aan verharding plaats en watercompensatie is daarom niet aan de orde. Waterkering Het plangebied ligt niet binnen 20 meter van een waterkering. De ontwikkeling vindt niet in de beschermingszone van de waterkering plaats maar wel voor een deel in de buitenbeschermingszone. In deze zone gelden verboden voor handelingen die de stabiliteit van de waterkeringen kunnen aantasten. Oppervlaktewater Binnen het plangebied wordt geen oppervlaktewater gerealiseerd. Grondwater Bij het ontwerpen/realiseren van de nieuwe bebouwing zal rekening worden gehouden met mogelijke hoge grondwaterstanden.
De bebouwing krijgt geen kelders. Daardoor heeft de ontwikkeling geen effect op de grondwaterstanden of -stromingen.
22
Afvalwatersysteem en hemelwater Het nieuwe gebouw wordt voor het afvalwater aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Voor de afvoer van het hemelwater wordt aangesloten op het bestaande gescheiden rioolsysteem en het naastgelegen retentiewater via een bodempassage. Conclusie De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de waterhuishouding.
4.3 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Om het aspect archeologie te beoordelen is de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Arnhem geraadpleegd.
Uitsnede archeologische verwachtingskaart gemeente Arnhem (bron: gemeente Arnhem)
Uit deze verwachtingskaart blijkt dat er een hoge verwachtingswaarde geldt voor het plangebied. Dit zou betekenen dat er bij een ontwikkeling met een oppervlakte groter dan 200 m² en dieper dan 40 cm een onderzoek uitgevoerd moet worden. Een nieuwe verwachtingskaart is momenteel in ontwikkeling en hierop zal de verwachtingswaarde voor het plangebied verdwijnen. De reden hiervoor is dat het bodemarchief al grotendeels verloren is gegaan. Dit is het gevolg van saneringen en grootschalige kleiwinning die heeft plaatsgevonden in de voorgaande eeuwen. Daarom wordt uitgegaan van een lage verwachtingswaarde en wordt archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Wel blijft de melding van toevalsvondsten van kracht conform art. 5.10 van de Erfgoedwet.
23
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen vormen voor de beoogde ontwikkeling. Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden gevonden dan dienen dergelijke toevalsvondsten direct gemeld te worden bij de bevoegde overheid.
4.4 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een wijziging in gebruik is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de wijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Voor het aspect bodem is de bodeminformatiekaart van de gemeente Arnhem geraadpleegd.
Uitsnede bodeminformatiekaart gemeente Arnhem (bron: gemeente Arnhem)
Het plangebied is tot 1964 als een stortplaats met huishoudelijk afval in gebruik geweest. Daarna is deze stortplaats multifunctioneel gesaneerd. Plaatselijk is er restverontreiniging aanwezig, te zien op de kaart als oranje vlakken. Net buiten de locatie waar de nieuwe ontwikkeling zal plaatsvinden is zo'n restverontreinigingscontour aanwezig. Deze ligt buiten het gebied waar ruimtelijke ingrepen zijn voorzien. Daarom wordt een bodemonderzoek niet nodig geacht. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
24
4.5 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft); andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet niet in de realisatie van geluidgevoelige objecten zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Er wordt tevens geen nieuw geluidgezoneerd industrieterrein, een nieuwe weg of een nieuwe spoorweg mogelijk gemaakt. Daarmee is de Wet geluidhinder in het onderhavige geval niet relevant en is een akoestisch onderzoek niet vereist. In toelichting paragraaf 4.8 is aandacht voor het aspect milieuzonering (industrielawaai). Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect geluid.
4.6 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 μg/ m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling van een opslagboxen met werkplekken complex met een stempel van ca. 3.515 m². Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk.
25
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2019 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 17,0 μg/m³, 10,0 μg/m³ en 24,0 µg/m³. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Met het voorliggende plan wordt het bouwvlak uitgebreid ten behoeve van de realisatie van een opslagboxen met werkplekken complex. In de huidige situatie is er slechts een parkeerterrein aanwezig op de locatie van het plangebied. Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, (GRAS Advies bv, Quickscan flora en fauna, 2021, zie bijlage 1). Soortenbescherming Uit het veldonderzoek is naar voren gekomen dat de aanwezige hagen aan de buitenrand van het plangebied geschikt zijn als verbindingsroute naar geschikt foerageergebied en schuilmogelijkheid voor kleine marterachtigen. Er zijn geen recente waarnemingen bekend van kleine marterachtigen in de directe omgeving van het plangebied. Indien tijdens de werkzaamheden de aanwezige hagen aan de buitenrand behouden blijven, of na de werkzaamheden opnieuw worden aangeplant, is er geen sprake van verlies van leefgebied voor de kleine marterachtigen. Deze tijdelijke verwijdering mag niet plaatsvinden in de kwetsbare periode voor kleine marterachtigen: 15 maart tot en met 1 september. Als de hagen blijvend verwijderd worden is aanvullend onderzoek nodig om het eventuele gebruik door kleine marterachtigen te bepalen. Er worden met de voorgenomen ontwikkeling geen hagen in de buitenrand verplaatst nog verwijderd. Voorgenoemde vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
Het projectgebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bomen en bosschages direct aangrenzend aan het projectgebied gebruiken als broedlocatie. Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien dat niet mogelijk is, kan verstoring voorkomen worden door de bosschages niet te beschadigen tijdens het broedseizoen en/of een broedvogelcheck door een deskundig ecoloog te laten uitvoeren. Het broedseizoen is globaal aan te geven tussen 15 maart en 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Wet natuurbescherming. De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: "De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe
26
leefomgeving. In praktijk betekent dit het a. voorkomen, b. beperken en c. ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur." Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Het plangebied ligt op een afstand van ca. 68 m van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie kan externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Uit de quickscan flora en fauna (bijlage 1) blijkt dat, gelet op de reeds aanwezige mate van verstoring en afhankelijk van de werkzaamheden, er geen sprake is van optische verstoring of verstoring door geluid of licht. Een vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening wordt wel noodzakelijk geacht. Stikstofdepositie Omdat de beoogde ontwikkeling gepaard gaat met de uitstoot van stikstof in de bouw- en de gebruiksfase moet er in beeld worden gebracht wat de mogelijke effecten van de ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. hiertoe is een stikstofberekening uitgevoerd (BJZ.nu, AERIUS-Berekening XL-box, Deltaweg, Arnhem, december 2021, zie bijlage 2).