CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Advies van de algemene bezwaarschriftencommissie

Politieke Avond 25 oktober 2023, gemeente ArnhemBij agendapunt: Vaststellen: Beslissen op het bezwaarschrift tegen het besluit om de Wet voorkeursrecht gemeente van toepassing te verklaren op Rijnpark4.874 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Advies van de algemene bezwaarschriftencommissie in de zaak van het bezwaarschrift van de heer A.G.H. Kokke, tegen het besluit van de gemeenteraad van Arnhem van 29 maart 2023, waarbij gronden in en nabij een gedeelte van het bedrijventerrein Rijnpark zijn aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26, van de Wet voorkeursrecht gemeenten van toepassing zijn. Deze procedure is bekend onder het zaaknummer 80335. Voorgeschiedenis Bij besluit van 9 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (hierna: het college) de gronden zoals weergegeven op de bij het besluit behorende kaart en vermeld in de perceellijst van de in de aanwijzing opgenomen percelen, voorlopig aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26, van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) van toepassing zijn. Dit besluit is bekendgemaakt in het Gemeenteblad van 9 januari 2023, nr. 12563 en is de dag daarna in werking getreden.1 Door dit besluit is onder meer een voorlopig voorkeursrecht gevestigd op het pand aan de Westervoortsedijk 67 in Arnhem, dat kadastraal bekend is als gemeente Arnhem sectie D, nummers 5249 en 5281 (hierna: het perceel). De heer Kokke (hierna: bezwaarmaker) is eigenaar van het perceel. Tegen het vestigen van dit voorlopig voorkeursrecht heeft bezwaarmaker een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 29 maart 2023 heeft de raad van de gemeente Arnhem (hierna: de gemeenteraad) overeenkomstig het voorstel van het college, het besluit van 9 januari 2023 bekrachtigd en de gronden zoals aangegeven op de bij het besluit behorende kaart en de lijst van percelen van de in de aanwijzing opgenomen gronden aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn. Dit besluit is door het college op 3 april 2023 bekendgemaakt in het Gemeenteblad 2023 nr. 143443 en is een dag daarna in werking getreden.2 Het bezwaar Voor de bezwaren wordt verwezen naar het bezwaarschrift van 14 januari 2023. Dit bezwaarschrift maakt deel uit van dit advies en dient hier als ingelast te worden beschouwd. Het verweer Voor het verweer wordt verwezen naar het verweerschrift van 10 juli 2023. Het verweerschrift maakt deel uit van dit advies en dient hier als ingelast te worden beschouwd. De procedure Het bezwaarschrift is behandeld in de hoorzitting van de algemene bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie) van 1 september 2023. Van de zitting is een geluidopname gemaakt die dient als digitaal verslag. Namens de gemeenteraad zijn de heer mr. S.A. Joosten, de heer mr. B. Hijlkema en de heer T. Nijs MSc verschenen. De heer A.G.H. Kokke is na afmelding niet verschenen.

De overwegingen van de commissie De commissie heeft de relevante wet- en regelgeving opgenomen als bijlage bij dit advies. Op basis van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, overweegt de commissie als volgt. Ontvankelijkheid van het bezwaarschrift Alvorens de commissie toekomt aan de inhoudelijke behandeling van het bezwaarschrift, moet zij de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift beoordelen. Bezwaarmaker heeft een bezwaarschrift ingediend tegen het collegebesluit van 9 januari 2023. Dit besluit is van rechtswege komen te

1 Artikel 7, eerste lid, van de Wvg. 2 Zie wederom artikel 7, eerste lid, van de wvg.

1

vervallen op het moment dat het raadsbesluit van 4 april 2023 in werking trad.3 Dit betekent dat het besluit waartegen bezwaarmaker het bezwaarschrift heeft gericht niet langer bestaat. De Wvg bepaalt echter dat bezwaarschriften die tegen het collegebesluit zijn ingediend ook worden geacht te zijn gericht tegen een vervangend raadsbesluit.4 Dit betekent dat het bezwaarschrift wordt behandeld of zij was gericht tegen het raadsbesluit van 29 maart 2023. Nu het bezwaarschrift en bezwaarmaker verder ook aan alle ontvankelijkheidseisen voldoen, acht de commissie zich bevoegd om kennis te nemen van de gronden van bezwaar. Eisen van artikel 5 en jurisprudentie daarover De commissie zal het bekrachtigde voorkeursrecht toetsen aan artikel 5, eerst lid, van de Wvg, waarop het bekrachtigde voorkeursrecht inhoudelijk gevestigd is. Uit dit artikel volgt dat het voorkeursrecht ook op gronden kan worden gevestigd indien er nog geen bestemmingsplan, instemmingsplan of structuurvisie is vastgesteld wanneer er aan twee cumulatieve eisen voldaan is: - aan de gronden waarop het voorkeursrecht wordt gelegd moet een niet agrarische bestemming worden toegedacht; en - de nieuw toegedachte bestemming moet afwijken van het huidige gebruik.

De commissie merkt in algemene zin op dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) blijkt dat uit de systematiek van de Wvg volgt dat op het moment dat het voorkeursrecht kan en dient te worden aangewend, veelal onzeker zal zijn of de geplande (her)ontwikkeling feitelijk zal kunnen worden gerealiseerd. Gelet op het doel van de wet, het verschaffen van voorrang aan gemeenten bij aankoop van gronden benodigd voor het realiseren van toekomstige planologische ontwikkelingen, staat de gestelde onzekerheid niet in de weg aan het gebruik van de bij wet gegeven bevoegdheid tot het vestigen van een voorkeursrecht. Dit geldt temeer bij toepassing van artikel 5 van de Wvg. Deze bepaling strekt er immers toe dat de gemeenteraad reeds voor aanvang van de procedure tot vaststelling van een bestemmingsplan, projectbesluit of structuurvisie een voorkeursrecht kan vestigen op gronden waaraan een niet agrarische bestemming wordt toegedacht die afwijkt van het huidige gebruik, zodat hij in een vroeg stadium slagvaardig kan optreden om te voorkomen dat de verwezenlijking van de toegedachte bestemming wordt belemmerd. Inherent aan de toepassing van artikel 5 van de Wvg is dat van de toekomstige bestemming nog slechts een globaal beeld bestaat. 5 Tegen deze achtergrond moeten de bezwaren volgens de commissie worden bezien.

Niet in geschil is dat de gemeenteraad in het bestreden besluit geen agrarische bestemming heeft toegedacht aan de percelen. Daarmee is aan de eerste van de twee cumulatieve eisen voldaan. Hierdoor resteert de vraag of de nieuw toebedachte bestemming een “ander gebruik” is dan het huidige gebruik. De commissie overweegt dat voor de vraag of het voorkeursrecht rechtmatig is gevestigd, ook al is er nog geen ruimtelijk plan, wel sprake moet zijn van een indicatie van een ruimtelijk plan, waarbij het huidige gebruik afwijkt van het toekomstige plan. Een dergelijk toekomstig plan hoeft in deze fase van het ontwikkelingsproces nog niet nader te zijn uitgewerkt. Wel moet duidelijk zijn dat de gemeente plannen heeft en deze nader wenst uit te werken. Uit het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken leidt de commissie af dat de gemeenteraad de gronden waarop het voorkeursrecht gevestigd is anders wil gebruiken dan nu het geval is. “Het gebied bestaat uit hele diverse bedrijvigheid. Van bedrijfsverzamelgebouwen, tot kantoren, industrie en opslag”, zo leest de commissie. De gemeenteraad wil de gronden in de toekomst gebruiken voor 3 Artikel 6, eerste lid, van de Wvg. 4 Artikel 6, derde lid, van de Wvg. 5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 december 2010, (ECLI:NL:RVS:2010:BO7340) en 22 oktober 2014,

(ECLI:NL:RVS:2014:3786).

2

het realiseren van minimaal 2.400 woningen, voldoende wijkvoorzieningen, passende bedrijvigheid en een aantrekkelijke, groene en veilige leefomgeving. Ook de brug tussen het Rijnpark en Malburgen kent als uiteindelijk de totale gebiedsfinanciering is geregeld, door deze nieuwe inrichting een plek in de verdere gebiedsontwikkeling, leest de commissie eveneens. Onder meer met de brug streeft de gemeenteraad ernaar om het Rijnpark beter met het zuiden van Arnhem te verbinden. Ter zitting heeft de gemeenteraad toegelicht dat naast extra woningen onder meer gedacht wordt aan het vestigen van een school en het aanleggen van een park. De gemeenteraad wil om dit te realiseren onder meer de bestemming “Wonen” en de bestemming “Maatschappelijk” op delen van de gronden vestigen, waar dat nu niet het geval is. Een nadere uitwerking van deze plannen, in eerste instantie in de vorm van een gebiedsvisie, wil het college aan het eind van 2023 aan de gemeenteraad presenteren. Bovenstaande maakt dat de gemeenteraad voldoende heeft toegelicht dat er sprake is van een “ander gebruik”. Daarmee is ook aan de tweede van de cumulatieve eisen voldaan, waardoor de gemeenteraad het voorkeursrecht op grond van artikel 5 van de Wvg heeft kunnen vestigen.

Aan bovenstaande doet niet af dat bezwaarmaker in zijn bezwaarschrift heeft aangevoerd dat het gebied meer geschikt is voor industrie, omdat de bodem vervuild is en er sanering moet plaatsvinden. De gemeenteraad heeft uitgelegd dat het in de planontwikkeling rekening houdt met het feit dat sanering van de bodem (op sommige plaatsen) noodzakelijk zal zijn. De gemeenteraad zal in de planontwikkeling de ruimtelijke aspecten afwegen tegen de financiële aspecten en indien mogelijk een leeflaag in het gebied laten aanleggen, zodat bouwen mogelijk is. Naar het oordeel van de commissie heeft de gemeenteraad daarmee voldoende inzichtelijk gemaakt dat het “andere gebruik” op de aangewezen gronden bij voorbaat niet onmogelijk is. Belangenafweging Bezwaarmaker heeft in zijn bezwaarschrift aangevoerd dat het opleggen van het voorkeursrecht voor hem nadelige gevolgen heeft als eigenaar van het perceel. Hij heeft uitgelegd dat het verkopen van het perceel bemoeilijkt wordt en dat een marktconforme prijs voor hem nadelig is. Bezwaarmaker heeft er verder op gewezen dat het voor de huurder moeilijker wordt om zijn activiteiten te verkopen. De commissie overweegt als volgt.

Bij besluitvorming als de onderhavige, moeten gemeentelijke belangen in het besluit (de verstedelijkingsopgave en daarmee het realiseren van woningen) worden afgewogen tegen de belangen van de eigenaren en beperkt zakelijk gerechtigden, waaronder de financiële belangen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het vestigen van een voorkeursrecht slechts een betrekkelijk beperkte inbreuk maakt op in dit geval het eigendomsrecht. Bezwaarmaker wordt immers niet gedwongen om zijn perceel te verkopen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat in de Wvg niet een redelijk evenwicht is bereikt tussen het door de wet nagestreefde algemene belang en de belangen van bezwaarmaker. De vestiging van het voorkeursrecht heeft niet tot gevolg dat bezwaarmaker (in dit geval als eigenaar en verhuurder van het perceel) niet langer zijn toekomende rechten zou kunnen uitoefenen. Hij zal uitsluitend bij het overgaan tot verkoop eerst de gemeente in de gelegenheid moeten stellen het perceel te kopen.6 Het voorkeursrecht staat er dan ook niet aan in de weg dat de huurder van het pand zijn activiteiten kan verkopen.

Voor zover bezwaarmaker vreest dat hij een onvoldoende hoge prijs voor de verkoop van zijn perceel ontvangt, overweegt de commissie dat het wettelijk stelsel – artikel 40b tot en met 40f van de Onteigeningswet – dusdanig in elkaar zit dat bezwaarmaker er in redelijkheid op kan vertrouwen dat hij een marktconforme prijs voor zijn perceel krijgt, waarbij tevens gekeken wordt naar de dan geldende marktomstandigheden.7 Zo kan bij een geschil over de verkoopprijs de rechtbank worden

6 Vergelijk de uitspraken van 4 maart 2009, (ECLI:NL:RVS:2009:BH4666) en 25 april 2012,

(ECLI:NL:RVS:2012:BW3871) en 22 oktober 2014, (ECLI:NL:RVS:2014:3786). 7 Dat deze artikelen gelden, volgt uit artikel 13, vierde lid, van de wvg.

3

verzocht om een taxatie te laten verrichten, waarbij de kosten van deze procedure in beginsel voor rekening van de gemeente zijn.8 Gelet hierop is de commissie van mening dat de gemeenteraad het algemeen belang zwaarder heeft mogen laten wegen dan de individuele belangen van bezwaarmaker. Zij is van mening dat de gemeenteraad terecht en op goede gronden deze afweging heeft gemaakt. Communicatie Ten slotte heeft bezwaarmaker in zijn bezwaarschrift opgemerkt dat hij overvallen werd door het vestigen van het voorlopige voorkeursrecht. Hij werd geconfronteerd met het voorkeursrecht en was daarvan van tevoren niet op de hoogte gesteld. Het voelt voor bezwaarmaker alsof hij de keuze heeft tussen slikken en stikken. Hoewel de commissie begrijpt dat bezwaarmaker overvallen werd door het vestigen van het voorlopige voorkeursrecht is dit geen reden om het bezwaarschrift gegrond te verklaren. Inherent aan het vestigen van een voorlopig voorkeursrecht is dat daaraan geen openbare voorbereidingsprocedure voorafgaat. Het voorkeursrecht is bedoeld om een eerste recht op koop te verkrijgen, zodra een eigenaar de woning wil verkopen. Hiermee tracht de gemeenteraad in een vroegtijdig stadium grip te krijgen op het aangewezen gebied om zo de regiefunctie stevig in handen te hebben.

Op deze manier gaat de gemeenteraad tegen dat er andere, verstorende ontwikkelingen in het aangewezen gebied kunnen plaatsvinden. Deze verstorende ontwikkelingen zouden wel kunnen plaatsvinden als vooraf kenbaar gemaakt wordt dat het college voornemens is een voorlopig voorkeursrecht te vestigen, bijvoorbeeld doordat er gespeculeerd wordt met gronden.9 Nadat het voorlopig voorkeursrecht is gevestigd, hebben het college en de gemeenteraad naar het oordeel van de commissie voldoende duidelijk gecommuniceerd. Er is op de website een speciale informatiepagina aangemaakt, er is een e-mailadres opengesteld, er is een telefoonnummer aangemaakt via welke vragen gesteld kunnen worden, er is een informatiebijeenkomst georganiseerd en belanghebbenden zijn middels brieven (inclusief bijlage met uitleg) op de hoogte gehouden. Ook zijn belanghebbende geïnformeerd over de mogelijkheid om rechtsmiddelen (bezwaar maken en een voorlopige voorziening in te dienen) aan te wenden. Naar het oordeel van de commissie is, hoewel het voor bezwaarmaker wel zo kan voelen, feitelijk geen spraken van slikken of stikken. Conclusie Gelet op hetgeen bovenstaand is overwogen, is de commissie van mening dat het bestreden besluit in stand kan blijven.

8 Artikel 13, eerste lid in samenhang gelezen met artikel 13, zesde lid, van de wvg. 9 De wettelijke basis kan gevonden worden in artikel 4:11, aanhef en onder C, van de algemene wet

bestuursrecht. Zie ook de uitspraak van de afdeling van 15 december 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO7340).

4

Het advies van de commissie De commissie adviseert het bezwaarschrift van de heer A.G.H. Kokke, tegen het besluit van de gemeenteraad van Arnhem van 29 maart 2023 ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten. Dit advies is vastgesteld door mevrouw mr. M.W.M. Marée als voorzitter, de heer mr. R.A. Oosterveer en mevrouw mr. C. Hakbijl als leden, met ondersteuning van de heer mr. B. Roelen als secretaris,

13 september 2023

de secretaris,

de voorzitter,

de heer mr. B. Roelen

mevrouw mr. M.W.M. Marée

5

bijlage: wet- en regelgeving Wet voorkeursrecht gemeenten Artikel 2 De gemeenteraad kan gronden aanwijzen waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van toepassing zijn. Artikel 5 1. In afwijking van de artikelen 3, eerste lid en 4, eerste lid komen voor aanwijzing ook in aanmerking gronden die nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan of structuurviesie, maar waarbij in het besluit tot aanwijzing aan de betrokken gronden een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die bestemming. In het besluit tot aanwijzing wordt aangegeven of nadien nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van een structuurvisie. 2. Artikel 3, tweede en derde lid is van toepassing. Artikel 6 1. Burgemeester en wethouders kunnen gronden voorlopig aanwijzen, mits bij het hiertoe strekkend besluit aan die gronden een niet-agrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Het besluit vervalt van rechtswege drie maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing ingevolge artikel 3, 4 of 5 in werking treedt. 2. De artikelen 3, tweede en derde lid, 10 tot en met 15, 24 en 26 zijn van overeenkomstige toepassing. 3.

Indien bezwaar of beroep aanhangig is tegen een besluit tot voorlopige aanwijzing en dit besluit vervalt omdat een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing in werking is getreden, wordt het bezwaar of beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van de gemeenteraad. Artikel 7 1. Het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing wordt door het college van burgemeester en wethouders bekendgemaakt. Het besluit treedt in werking de dag na dagtekening van het gemeenteblad waarin het is bekendgemaakt. 2. Van het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing wordt door het college van burgemeester en wethouders mededeling gedaan aan ieder van de in het besluit vermelde eigenaren en beperkt gerechtigden. Artikel 10 1. Een vervreemder kan eerst tot vervreemding overgaan nadat de gemeente in de gelegenheid is gesteld het desbetreffende goed te verkrijgen. 2. Het bepaalde in het vorige lid geldt niet ingeval de vervreemding geschiedt ingevolge a. een overeenkomst tussen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn tot in de tweede graad of met een pleegkind. Onder pleegkind wordt verstaan degene, die duurzaam als een eigen kind is onderhouden en opgevoed; b. verdeling van een huwelijksgemeenschap of een nalatenschap; c. een uiterste wilsbeschikking; d.

een overeenkomst met de Staat, een provincie, een waterschap of een door Ons aan te wijzen publiekrechtelijk lichaam of in het openbaar belang werkzame rechtspersoon. Onze aanwijzing wordt in de Staatscourant bekendgemaakt; e. een verkoop krachtens wetsbepaling of bevel des rechters of een executoriale verkoop, met dien verstande dat ingeval van een onderhandse executoriale verkoop als bedoeld in artikel 3: 268, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek de voorzieningenrechter niet beslist omtrent het verzoek tot onderhandse verkoop zolang niet het bestuursorgaan in de gelegenheid is gesteld om, gelet op het gunstiger bod, een bod te doen; f. een overeenkomst, betrekking hebbende op gronden die zijn aangewezen bij een besluit als bedoeld in artikel 5 of 6 dan wel artikel 9a, eerste of tweede lid, in samenhang met artikel 5 of 6, gesloten met een pachter aan wie ten aanzien van deze gronden ten tijde van de inwerkingtreding van 6

dit besluit een voorkeursrecht toekwam als bedoeld in artikel 378 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. 3. Voorts geldt het bepaalde in het eerste lid niet ingeval de vervreemding geschiedt ingevolge een overeenkomst betreffende een onroerende zaak, dan wel een overeenkomst behelzende een verplichting van de vervreemder betreffende een onroerende zaak, voor zover: a. vervreemding geschiedt aan een in die overeenkomst met name genoemde partij, en een tegen een in die overeenkomst met name genoemde prijs, dan wel tegen een volgens die overeenkomst bepaalbare prijs, en b. de overeenkomst is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, voordat een besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing in werking is getreden, en c. de vervreemding geschiedt binnen zes maanden na de dag van de inschrijving van de overeenkomst in de openbare registers als bedoeld onder b. 4. Een overeenkomst als bedoeld in het derde lid, aanhef, kan worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in het derde lid, mits deze is vervat in een akte. De inschrijving heeft het rechtsgevolg dat voor de vervreemder niet de verplichting zoals bedoeld in het eerste lid ontstaat, voor zover is voldaan aan de in het derde lid, onder a, b en c, genoemde vereisten. 5.

Het derde lid is telkens gedurende een periode van drie jaar op een overeenkomst als bedoeld in dat lid met betrekking tot een bepaalde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, en de daarin met name genoemde vervreemder of verkrijger, slechts één maal van toepassing. De periode van drie jaar vangt aan op de datum van eerste inschrijving in de openbare registers. Onder verkrijger wordt in dit geval verstaan de partij waarmee een overeenkomst is gesloten. 6. Het eerste lid geldt eveneens niet indien burgemeester en wethouders op aanvraag van een vervreemder op grond van door die vervreemder aannemelijk gemaakte gewichtige redenen daartoe besluiten. Zij kunnen daarbij beperkingen opleggen. Artikel 11 1. Ter voldoening aan artikel 10, eerste lid, bericht de vervreemder aan burgemeester en wethouders bij aangetekende brief dat hij in beginsel bereid is over te gaan tot vervreemding van het desbetreffende goed aan de gemeente tegen nader overeen te komen voorwaarden. 2. De opgave, bedoeld in het eerste lid, bevat een opgave van het goed dat onderwerp uitmaakt van de voorgenomen vervreemding alsmede ten aanzien van de desbetreffende onroerende zaken: a. de kadastrale aanduiding; b. de grootte van elk van de desbetreffende percelen volgens de kadastrale registratie; c. de grootte van een perceelsgedeelte, indien het aanbod betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak. 3.

Indien de opgave betrekking heeft op onroerende zaken die slechts ten dele in de aanwijzing of voorlopige aanwijzing zijn opgenomen maar een samenhangend geheel vormen, kan de vervreemder onverminderd afdeling 11 van titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, eisen dat dit geheel van onroerende zaken wordt betrokken in de mogelijke vervreemding aan de gemeente. 4. De vervreemder kan eisen dat in de vervreemding wordt betrokken het bedrijf of de onderneming waarin de onroerende zaken als onderdeel daarvan worden geëxploiteerd. Artikel 12 1. Burgemeester en wethouders besluiten binnen zes weken na ontvangst van de opgave of de gemeente al dan niet in beginsel bereid is het goed tegen nader overeen te komen voorwaarden te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen. 2. Indien burgemeester en wethouders binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, beslissen niet bereid te zijn het goed te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen heeft de vervreemder gedurende drie jaar na die beslissing de vrijheid tot vervreemding aan derden voorzover het betreft het in zijn aanbod vermelde goed.

De vervreemding betreft alle in de opgave vermelde goederen tezamen, met inbegrip van het gedeelte en van het bedrijf of de onderneming, waarvan de vervreemder bij het verstrekken van die opgave ingevolge artikel 11, derde of vierde lid, heeft geëist dat het mede in de verkoop zou worden betrokken. 7

3. Bij overschrijding van de termijn, genoemd in het eerste lid, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de in dat lid genoemde periode van drie jaar aanvangt na verloop van die termijn. Artikel 13 1. Indien burgemeester en wethouders en de vervreemder in onderhandeling zijn getreden ter bepaling van de vervreemdingsvoorwaarden en gehandeld is overeenkomstig de artikelen 11 en 12, eerste lid, kan de vervreemder aan burgemeester en wethouders verzoeken om binnen vier weken de rechter te verzoeken een oordeel over de prijs te geven. 2. Bij hun verzoekschrift overleggen burgemeester en wethouders een gewaarmerkt afschrift van het verzoek van de vervreemder. 3. Bij overschrijding van de in het eerste lid genoemde termijn of indien burgemeester en wethouders schriftelijk weigeren een verzoekschrift in te dienen, is artikel 12, derde lid, van overeenkomstige toepassing. 4. De rechtbank benoemt een of meer deskundigen die zo spoedig mogelijk aan de rechtbank advies over de prijs uitbrengen. Bij het ten behoeve van het advies uit te voeren onderzoek wordt onder meer de ligging en de gesteldheid van de desbetreffende onroerende zaak betrokken. De rechtbank oordeelt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet. 5.

De rechtbank doet binnen zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift bij beschikking uitspraak. Van de beschikking van de rechtbank staat uitsluitend beroep in cassatie open. 6. De kosten van de rechterlijke procedure, het deskundigenadvies alsmede de redelijkerwijs door de vervreemder voor rechtsbijstand en andere deskundige bijstand gemaakte kosten komen ten laste van de gemeente. Indien de rechter daartoe termen vindt in de omstandigheden van het geval, is deze bevoegd de kosten geheel of gedeeltelijk te compenseren. 7. Indien door schriftelijke intrekking van het verzoek door burgemeester en wethouders de procedure tussentijds wordt beëindigd, heeft de vervreemder gedurende drie jaar na de intrekking de vrijheid tot vervreemding aan derden voorzover het betreft het in zijn opgave vermelde goed. De rechter beslist dan bij beschikking over de kosten, bedoeld in het zesde lid. Artikel 14 Indien de vervreemder binnen drie maanden, te rekenen van de dag van onherroepelijk worden van de beschikking, bedoeld in artikel 13, vijfde lid, bij aangetekende brief aan de gemeente verlangt dat deze het betrokken goed verkrijgt, is de gemeente verplicht haar medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een notariële akte tot levering aan haar van het betrokken goed tegen betaling aan de vervreemder van de bij onherroepelijke rechterlijke beschikking bepaalde prijs. Artikel 15 1.

De vervreemder kan de rechtbank verzoeken te bepalen dat de gemeente wegens de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de vervreemder gehouden is medewerking te verlenen aan de overdracht tegen een door de rechtbank vast te stellen prijs van het goed, dat is vervat in de opgave, bedoeld in artikel 11, eventueel met inbegrip van de ingevolge het derde en vierde lid van dat artikel mede in die opgave vermelde bestanddelen. 2. Het met redenen omkleed verzoekschrift kan worden gedaan binnen twee maanden te rekenen van de dag: a. waarop burgemeester en wethouders de termijn, bedoeld in artikel 13, eerste lid, hebben overschreden of indien zij schriftelijk weigeren een verzoekschrift in te dienen; b. waarop de intrekking, bedoeld in artikel 13, zevende lid, van het verzoek ter griffie is ontvangen. 3. De rechtbank doet binnen zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift bij beschikking uitspraak over het verzoek en bij toewijzing daarvan tevens over de prijs. Zij beoordeelt of het redelijk is dat vervreemding aan de gemeente, gezien de bijzondere persoonlijke omstandigheden die terzake van belang kunnen zijn, achterwege zou blijven. Van de beschikking staat uitsluitend beroep in cassatie open. 4.

Bij afwijzing van het verzoek heeft de vervreemder gedurende drie jaar na het onherroepelijk worden van de rechterlijke beschikking de vrijheid tot vervreemding aan derden voorzover betreft het 8

in zijn opgave, bedoeld in artikel 11, vermelde goed. De vervreemding betreft alle in de opgave vermelde goederen tezamen, met inbegrip van het gedeelte en van het bedrijf of de onderneming, waarvan de vervreemder bij het verstrekken van die opgave ingevolge artikel 11, derde of vierde lid, heeft geëist dat het mede in de verkoop zou worden betrokken. 5. De artikelen 13, vierde en zesde lid, en 14 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 24 1. De inschrijving in de in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare registers van een akte, behelzende een vervreemding anders dan aan de gemeente, vindt alleen plaats indien op het in te schrijven stuk is opgenomen een notariële verklaring, houdende dat op de betrokken onroerende zaak geen aanwijzing of voorlopige aanwijzing in de zin van deze wet van toepassing is, hetzij dat de vervreemding niet in strijd is met deze wet. 2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt met de daar bedoelde notariële verklaring gelijkgesteld de verklaring van een persoon bedoeld in artikel 91 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, die overeenkomstig het daar bepaalde een onderhandse akte tot levering heeft opgesteld. Artikel 26 1. Een gemeente kan de nietigheid inroepen van rechtshandelingen die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan haar in deze wet geregelde voorkeurspositie. 2.

Het verzoek moet worden gedaan binnen acht weken nadat de gemeente een afschrift heeft ontvangen van de akte waarin de desbetreffende rechtshandeling is vervat bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen de gemeente is gelegen. De gemeente is niet ontvankelijk in haar verzoek indien zij met de desbetreffende rechtshandeling schriftelijk heeft ingestemd. Onteigeningswet Artikel 40b 1. De werkelijke waarde van de onteigende zaak, niet de denkbeeldige, die de zaak uitsluitend voor de persoon van de rechthebbende heeft, wordt vergoed. 2. Bij het bepalen van de werkelijke waarde wordt uitgegaan van de prijs, tot stand gekomen bij een onderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper. 3. In bijzondere gevallen wordt de werkelijke waarde naar andere maatstaf bepaald. Artikel 40c Bij het bepalen van de schadeloosstelling wegens verlies van een onroerende zaak wordt geen rekening gehouden met voordelen of nadelen, teweeggebracht door 1°. het werk waarvoor onteigend wordt; 2°. overheidswerken die in verband staan met het werk waarvoor onteigend wordt; 3°. de plannen voor de werken onder 1° en 2° bedoeld. Artikel 40d 1. Bij het bepalen van de prijs van een onroerende zaak wordt rekening gehouden: a.

met ter plaatse geldende voorschriften en gebruiken betreffende lasten en baten, welke uit de exploitatie van de zaak of van een complex, waarvan zij deel uitmaakt, naar verwachting zullen voortvloeien en betreffende de omslag daarvan, voor zover een redelijk handelend verkoper en koper hiermee rekening plegen te houden; b. met alle bestemmingen die gelden voor zaken, die deel uitmaken van het complex, in dier voege dat elke bestemming van een zaak de waardering van alle zaken binnen het complex beïnvloedt. 2. Onder een complex wordt verstaan de als één geheel in exploitatie gebrachte of te brengen zaken. Artikel 40e Bij het bepalen van de werkelijke waarde van een zaak wordt de prijs verminderd of vermeerderd met voordelen of nadelen ten gevolge van 1°. bestemmingen die door het werk waarvoor onteigend wordt, tot uitvoering komen; 9

2°. bestemmingen, voor de feitelijke handhaving waarvan onteigend wordt, voor zover deze voordelen of nadelen ook na toepassing van artikel 40d redelijkerwijze niet of niet geheel ten bate of ten laste van de onteigende behoren te blijven. Artikel 40f Op de prijsvermeerdering bedoeld in artikel 40e komt in mindering de vergoeding welke te dier zake op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening is toegekend. Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:11 Het bestuursorgaan kan toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 achterwege laten voor zover: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, of c. het met de beschikking beoogde doel slechts kan worden bereikt indien de belanghebbende daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld.

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=3059e930-2549-4cd6-bc60-f6d1048ff55b