Aanvullende bijlage 1 - tekst bestemmingsplan
Tekst van het document
Dit Groen-blauw raamwerk van de stad bepaalt het gezicht van de stad en de aantrekkelijkheid van uiteenlopende woon- en recreatiemilieus. Het gaat daarbij om de waarden vanuit landschap, cultuurhistorie, ecologie, water en recreatief gebruik op gemeente en op particuliere terreinen. Specifieke opgave voor het centrum (stadskern) is het vergroenen van de openbare ruimte en de gebouwen (verkoeling) en het versterken van het leefgebied van doelsoorten: gierzwaluw, huiszwaluw, huismus, zwarte roodstaart, gewone dwergvleermuis, oranjetipje, dagpauwoog en bijen, inclusief inheemse vegetatie (Natuurvriendelijke stad). De visie zorgt voor een actualisatie van de Arnhemse regels met betrekking tot groencompensatie. In de 30
Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
Groenvisie zijn nu de actuele Arnhemse regels groencompensatie 2017 opgenomen. Uitgangspunt blijft dat de totale groenbalans in de stad neutraal moet blijven of toeneemt. Moet er toch groen verdwijnen, dan wordt dat gecompenseerd. Eerst kwantitatief, dan kwalitatief en als laatste financieel. Bij financiële compensatie wordt de waarde van het groen en de boomopstanden gestort in het Groenfonds. Bomenplan 2020 Het bomenplan is een uitwerking van de Groenvisie. Onderdeel van dit plan is het jaarlijks aanplanten van nieuwe bomen en bos. Deze nieuwe bomen leveren een belangrijke bijdrage aan het klimaatbestendiger maken van Arnhem. 4.6.2
Situatie plangebied
Toets aan Wet Natuurbescherming- Natura 2000-gebieden Mogelijk veroorzaakt het bouwen of gebruiken van de woningen stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden in de omgeving. In opdracht van de gemeente Arnhem heeft DGMR daarom onderzocht wat de stikstofdepositie is als gevolg van het plan op deze natuurgebieden (Woningplan Gaardenhage Arnhem, Onderzoek stikstofdepositie Wet natuurbescherming, M.2019.1208.10.R001, 28 februari 2021 ( Bijlage 3 Stikstofonderzoek). Het onderzoek gaat uit van een worst-case scenario waarbij nog geen rekening is gehouden met het meest actuele woningbouwprogramma. In het meest actuele woningbouwprogramma wordt uitgegaan van minder woningen. Het onderzoek gaat uit van meer woningen en kan daarom worden gebruikt voor de stikstofonderbouwing. De AERIUS berekening is na de terinzagelegging geactualiseerd aan de hand van de actuele rekenmethodes. Op 1 juli zijn de Wet en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De wet en het besluit maken een vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor de stikstofdepositie in de bouwfase. Door de invoering van het besluit zijn bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten waarvan de emissies tijdelijk en beperkt zijn, per 1 juli vrijgesteld van beoordeling.
Uit de berekening van de gebruiksfase volgt dat het gebruik van de woningen geen significant effect veroorzaakt op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving. De berekende stikstofdepositie voldoet voor de gebruiksfase aan de grenswaarde van afgerond 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kan op voorhand worden uitgesloten dat vanwege de gebruiksfase van het plan, significante effecten op een Natura 2000-gebied ontstaan. Op basis van bovenstaande analyse concluderen wij dat het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor het bestemmingsplan. Quickscan Flora en Fauna Uit de Quick scan Flora en Fauna (Quickscan flora en fauna, Gaardenhage, Arnhem, 11 februari, Ekoza, nr. 22.025 Bijlage 2) blijkt dat Gaardenhage in de nabijheid ligt van Natura2000-gebieden en in de nabijheid van het Natuur Netwerk Nederland. Dit levert geen beperkingen op voor de voorgestelde bestemmingsplanwijziging. Zowel het woongedeelte als de paardenwei is onderzocht. Woongebied Het gebied is onderzocht op soorten. Voor de meeste soorten zijn geen bijzonderheden te melden en zijn er geen ontheffingen nodig i.k.v. de Wet natuurbescherming. Uit het onderzoek volgen de volgende aandachtspunten. 1. De hagen zijn waarschijnlijk broed- en verblijfsplaatsen voor huismussen. Om dit te kunnen vaststellen is nader onderzoek nodig.
Dit onderzoek moet uitwijzen of de hagen gebruikt worden door huismus en er een ontheffing in het kader van de wet natuurbescherming nodig is. Bij de verplaatsing van de hagen dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van de huismus. Door de hagen te verplaatsen buiten het broedseizoen (periode half maart tot half juli) wordt voorkomen dat vogels zich nestelen in de te verwijderen hagen. 2. Het plangebied is leefgebied voor de sleedoornpage (vlindersoort). Nader onderzoek moet uitwijzen of de soort aanwezig is op de sleedoornstruiken die groeien in de hagen. Als de soort aanwezig is, en de hagen worden verwijderd, dan is ontheffing i.k.v. de Wet natuurbescherming nodig. Nader onderzoek moet plaats vinden in de winter periode zodat de takken van de Sleedoorn kunnen worden Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
31
geïnspecteerd op de aanwezigheid van eitjes. Dit nader onderzoek naar de aanwezige huismussen en de Sleedoornpage is uitgezet. Indien nodig wordt een ontheffing aangevraagd en worden mitigerende maatregelen getroffen. Volkstuin Gaardenhage Het gebied is onderzocht op soorten. Voor de meeste soorten zijn geen bijzonderheden te melden en zijn er geen ontheffingen nodig i.k.v. de Wet natuurbescherming. De volgende aandachtspunten worden meegenomen: - De solitaire boom en de struiken aan de rand zijn geschikt als nestlocatie voor vogels. Actieve nesten mogen geen negatief effect ondervinden. De boom en struiken dienen buiten het broedseizoen (half maart – half juli) verwijderd te worden om te voorkomen dat vogels zich nestelen in de te verwijderen boom en struiken. Indien het verwijderen niet plaats kan vinden buiten het broedseizoen, dienen de boom en struiken voor verwijdering te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van actieve nesten. - Het projectgebied is geschikt als habitat voor sleedoornpage. Nader onderzoek moet uitwijzen of deze soort daadwerkelijk aanwezig is en of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. In de winter wordt gezocht naar eitjes van de sleedoornpage op de aanwezige sleedoorns. De solitaire boom behoeft niet te worden gekapt voor de realisatie van de Tuinmaat.
In het bestemmingsplan behoudt de boom bescherming door de bestemming 'Groen - Landschap en Park' waardoor een aanlegvergunning geldt. Groenvisie De ontwikkeling, het toevoegen van woningen en het verplaatsen van de volkstuin, past binnen de Groenvisie.De Tuinmaat is een biologische tuinbouwvereniging en heeft een eigen reglement t.a.v. het gebruik van meststoffen. Dit maakt dat ook de moestuinen van ecologische waarde zijn voor vogels en insecten. Niet het hele grasland wordt in gebruik genomen door de Tuinmaat, vandaar dat ook die ecologische kwaliteiten behouden blijven. De biodiversiteit van het gebied wordt verhoogd. Ook de volkstuin levert een bijdrage aan de natuurwaarde. De haag en de gewassen zullen geliefd zijn bij vogels, insecten en kleine zoogdieren. Het moestuinencomplex kan hierdoor voor een toename in biodiversiteit zorgen t.o.v. de huidige invulling van het perceel als paardenwei.. In de Groenvisie staat op blz. 23 geschreven: Wandelen, fietsen, paardrijden via recreatieve routes en stadslandbouw en natuurlijk spelen en sporten zijn de belangrijkste recreatievormen in de openbare ruimte. Landbouw (o.a. volkstuinen) vindt plaats met respect voor de natuur en landschap. Dit laatste doen wij door het gebied te omzomen met een biodiverse haag en voldoende ruimte over te laten voor kruidenrijk grasland. De hoogstamboomgaard staat ten zuiden van de Tuinmaat.
De ontwikkeling moet getoetst worden aan Spelregels groencompensatie 2017 (Groenvisie 2017). Uitgangspunten is dat het bestaande groen zoveel mogelijk behouden blijft, zo zuinig mogelijk wordt omgegaan met bestaande en potentiële kwaliteiten, op kansrijke plekken groen wordt aangeplant en versnippering wordt voorkomen. Bij veranderingen dient een groenbalans te worden opgesteld, waarin is aangegeven hoe de groencompensatieregels zijn toegepast. De groenbalans is op twee onderdelen beoordeeld namelijk de planologische effecten van het voornemen (juridische vergelijking) en de feitelijke situatie. Groenvergelijking In het bestemmingsplan wordt 'Verkeer-Verblijfsgebied' toegevoegd ten behoeve van de Tuinmaat. In het westen van het plangebied krijgt een gebied dat in het vorige bestemmingsplan de bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied' had een groenbestemming. Het bestemmen van het volkstuingedeelte met een bestemming met landschappelijke waarden is juist bedoeld om de groene en landschappelijke kwaliteiten van dit gebied beter te kunnen borgen. Het groen is zo beter beschermd dan bijvoorbeeld bij een bestemming recreatie. Binnen de bestemming groen is het wel toegestaan (beperkte) infrastructuur aan te brengen ter ontsluiting van de volkstuinen, maar is een overdaad aan verharding bijvoorbeeld weer niet toegestaan. 32
Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
Het areaal aan groen blijft zo (in ieder geval) juridisch gelijk. Verder investeren we in de kwaliteit van het groen (kwalitatieve groencompensatie) door het aanbrengen van gelaagdheid in de vorm van bomen en struiken. De huidige paardenweide met weinig (bio)diversiteit krijgt zo meer “lagen” groen. In de hagen en bomen kunnen insecten, vogels en kleine zoogdieren leefruimte vinden. De biodiversiteit neemt zo op termijn toe. Bomenbalans Er worden 24 bomen geplant om te zorgen voor een groene buffer tussen de Tuinmaat en de John Grosmanstraat
4.7
Water
4.7.1
Algemeen
Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 uit 2015. Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012 is water een onderwerp. Het gaat om de bescherming van de grondwaterkwaliteit en –kwantiteit, de bescherming en verbetering van de waterkwaliteit, een goede zoetwatervoorziening en voldoende ruimte voor waterveiligheid. Verder is klimaatbestendige (her)ontwikkelingen, met water als belangrijk aspect, een belangrijk onderwerp. In april 2011 hebben Rijk, provincies, gemeente, waterschappen, en drinkwaterbedrijven afgesproken om gezamenlijk maatregelen te nemen voor een doelmatiger waterbeheer; het Bestuursakkoord Water. De inzet ligt bij mooi, veilig, schoon, gezond en duurzaam beheer van watersysteem en waterketen. De kwaliteit moet omhoog tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.
In de Waterwet uit 2009 zijn onder meer de gemeentelijke watertaken opgenomen: de zorgplicht voor hemelwater indien de eigenaar van het terrein het hemelwater in alle redelijkheid niet op eigen terrein kan verwerken en de regierol van gemeenten bij de grondwaterzorgplicht. Beleidslijn grote rivieren Het uitgangspunt van de Beleidslijn grote rivieren is het waarborgen van een veilige afvoer en berging van rivierwater onder normale en onder maatgevende hoogwaterstanden. Tevens geldt dat het bieden van mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen, binnen de randvoorwaarden die de veiligheid stelt, van belang is voor het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het rivierbed. Voor de Beleidslijn grote rivieren gelden twee concrete doelstellingen: de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed behouden; ontwikkelingen tegen gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken. Provinciaal en regionaal beleid Het provincie is aanspreekpunt voor drie watergerelateerde zaken: onttrekkingen voor drinkwaterwinning; onttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen zoals koude- en warmte opslag (KWO); industriële onttrekkingen meer dan 150.000 m³ per jaar.
Beleid waterschap en gemeente De verantwoordelijkheid voor het stedelijk waterbeheer in Arnhem-Noord ligt bij het Waterschap Rijn en IJssel. Relevant beleid is opgenomen in het Waterbeheerplan (2016-2021) en de Keur en legger van het waterschap. Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
33
Het waterbeleid van de gemeente Arnhem is vastgelegd in de volgende beleidsplannen. Het geactualiseerde Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) vastgesteld op 14 november 2018. Het plan richt zich op een verbetering van de kwaliteit van het rioleringsstelsel door het verminderen van de vuiluitworp naar het oppervlaktewater, de bodem en het grondwater, op het voorkomen van overlast door klimaatverandering en op het vasthouden van schoon hemelwater in stedelijk gebied. Waterplan Arnhem (2009-2015). Door de gemeente Arnhem en haar waterpartners is dit Tweede Waterplan Arnhem opgesteld. De gemeenteraad heeft op 19 oktober 2009 het waterplan vastgesteld. Het waterplan is gebaseerd op 4 hoofddoelstellingen: 1. Arnhem aantrekkelijke waterstad; 2. Klimaatbestendig watersysteem en waterketen; 3. Goede kwaliteit water en waterbodem; 4. Bewustwording. Aanpak wateroverlast Arnhem-Noord (vastgesteld 2 november 2015). Het plan heeft tot doel om Arnhem en vooral Arnhem-Noord, beter waterbestendig te maken tegen zware regenbuien. Daarom zal over elk plan een waterscan worden gelegd. Tijdens werkzaamheden in de openbare ruimte worden ruimtelijke maatregelen genomen die wateroverlast verminderen dan wel beperken. Resumé Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente, waterschap en provincie is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer.
Dit betekent dat: negatieve verstoring van de grondwaterstanden en –stromingen niet toegestaan zijn om grondwateroverlast en/of verdroging op de locatie en het boven- en benedenstrooms gelegen gebied te voorkomen; maatregelen getroffen moeten worden ter voorkoming van (grond)watervervuiling; bij nieuwbouw het regenwater binnen het plangebied afgekoppeld moet worden van de riolering en worden verwerkt op eigen terrein; voldoende oppervlaktewater aanwezig is en op de goede locatie; het verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt wordt; het gebruik van uitloogbare materialen en chemische bestrijdingsmiddelen niet is toegestaan; ontwikkelingen moeten bijdragen aan het verminderen of beperken van wateroverlast; ontwikkelingen en herinrichtingen moeten klimaatbestendig en waterrobuust ingericht worden. Hemelwaterafvoer In Arnhem hanteren we het uitgangspunt dat voor afvoer van hemelwater van het dak verwerking op eigen terrein dient plaats te vinden (bv. middels infiltratie). Berging op het dak middels bijvoorbeeld een sedum-dak of vegetatiedak kunnen opties zijn. Echter is het een keuze van de eigenaar/ ontwikkelaar van de locatie zelf hoe dat wordt vorm gegeven. In Arnhem wordt als uitgangspunt een bui van ongeveer 40 mm in een uur gehanteerd. 4.7.2
Situatie plangebied
De oppervlaktewaterscheiding in het gebied wordt gevormd door de Huissense dijk in het noorden en de afvoer van hoofdzakelijk gebiedseigen neerslagwater vindt plaats via de kavelsloten. De noordzuid gelegen kleine watergangen voeren het water van de openbare ruimte in zuidelijke richting af naar de sloot langs de Mooie Weg, die het water verder transporteert richting Rijkerswoerd. De keuze voor niet permanent watervoerende watergangen komt voort uit het gedrag van het natuurlijke watersysteem, waarin permanente watervoerendheid slechts mogelijk is bij diep insnijdende sloten. Een niet permanent watervoerend systeem sluit beter aan bij het natuurlijk gedrag van het grond- en oppervlaktewater in het gebied en legt een minder grote claim op de openbare ruimte. Uit grondboorbeschrijvingen in het gebied worden roetsporen en gleyverschijnselen aangetroffen op meer dan 1m-mv., hetgeen duidt op een van nature relatief grote ontwateringsdiepte (het verschil tussen maaiveld en het grondwaterpeil). Voor de kavels is duurzaam omgaan met (regen)water een aandachtspunt. Hemelwater moet op het eigen terrein verwerkt worden. De eigenaar mag zelf bepalen hoe hij dit doet.
34
Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
Grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning Voor het plangebied gelden provinciale regels met betrekking tot de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning van het drinkwaterpompstation ir. H. Sijmons.
Uitsnede Geconsolideerde Provinciale verordening (maart 2021).
Het plangebied is gelegen binnen een intrekgebied grondwater, boringsvrije zone en koudeen warmteopslagvrije zone. Hiervoor zijn specifieke regels opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland (artikel 3.5, par. 3.2.4 en par. 3.2.5) ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning. Deze regels hebben onder meer betrekking op de aanleg van boorputten (waaronder sonderingen), grond- of funderingswerken en open of gesloten bodemenergiesystemen. Zo zijn bodemenergiesystemen verboden en is het verboden om boorputten op te richten. Tevens is het verboden om grond- of funderingswerkzaamheden uit te voeren op een diepte van 3 meter of meer onder het maaiveld. Deze verboden gelden niet indien wordt voldaan aan bepaalde voorschriften die opgenomen zijn in de verordening. Voorafgaand aan het oprichten van een boorput of het uitvoeren van grond- of funderingswerkzaamheden dieper dan 3 meter dient door degene die de activiteit onderneemt een melding te worden gedaan bij Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland. De boringsvrije zone levert geen belemmeringen op voor het gebruik als volkstuin. Voor drinkwaterwinning Ir H. Sijmons in Arnhem geldt een maximale boordiepte tot -15 m NAP. De gemiddelde maaiveld hoogt ter plaatsten is + 4 m NAP. De maximale boordiepte vanaf maaiveld is dan 19 m - mv.
Voor het aanbrengen van de bronnen dient een melding gedaan te worden bij de provincie Gelderland. Het aanbrengen van de bronnen dient gedaan te worden door een erkende bodem intermediair. Op de huidige locatie is tot 10 - 12 m diep geboord voor de waterpompen. De provincie heeft aangegeven dat voor het aanleggen van een waterpomp tot deze diepte een melding voldoende is.
4.8
Bodem
4.8.1
Algemeen
Gemeentelijk beleid Voor deze ontwikkellocatie is getoetst of de bodemkwaliteit (inclusief grondwater) de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen toelaat. Ook is getoetst of een eventuele bodemverontreiniging gevolgen heeft voor de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling. Als toetskader wordt gebruik gemaakt van de volgende bodemregelgeving:
Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
35
Wet Bodembescherming; Beleidsnota bodem 2012, Provincie Gelderland, gemeente Arnhem en gemeente Nijmegen, 1 december 2012; Besluit Bodemkwaliteit; Nota Bodembeheer, september 2011. 4.8.2
Situatie plangebied
Buro Ontwerp & Omgeving heeft in opdracht van de gemeente Arnhem een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem op de Nel Klaassenstraat te Arnhem (Bijlage 8) en een verkennend bodemonderzoek voor de verplaatsing van de Tuinmaat (Bijlage 9 ) uitgevoerd. Inventarisatie bodemgegevens Voor het bestemmingsplan is een inventarisatie uitgevoerd naar de bekende (mogelijke) gevallen van ernstige bodemverontreiniging in het betreffende plangebied. Daarnaast is een inventarisatie uitgevoerd naar alle beschikbare bodemkwaliteitgegevens en historische gegevens in het plangebied. Daarbij is gebruik gemaakt van het bodeminformatiesysteem van de gemeente Arnhem en zijn bodemrapporten/-documenten geraadpleegd. Uit deze inventarisatie is gebleken dat in het bestemmingsplangebied het volgende geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is geweest: Adres Mooieweg 33
BISnr. 0895.53.01
Omschrijving Grond functioneel gesaneerd
Gebruiksbeperkingen Verandering van gebruik groenstroken moet gemeld worden
Ligging gesaneerde locatie Mooieweg 33 functioneel gesaneerd, geschikt gemaakt voor extensief gebruikt groen In of direct aangrenzend aan het bestemmingsplangebied liggen voor zover bekend geen grondwaterverontreinigingen. Op basis van het uitgevoerde verkennend onderzoek zien wij geen milieuhygienische belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling (woningbouw). Beschrijving bodemkwaliteit
36
Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
In 2003 is het perceel Mooieweg 33 gesaneerd (zie bovenstaand figuur). Het betreft een voormalige boomgaard waar sterk verhoogde gehalten aan DDE/DDT/DDD zijn aangetroffen in de bovengrond (0-0,5 m-mv). Ter plaatse van de twee gepande bouwblokken heeft een volledige sanering plaatsgevonden. Ter plaatse van de rondom de bouwblokken geplande groenstroken is functioneel gesaneerd. Dat wil zeggen dat de bodemkwaliteit ter plaatse geschikt is voor het gebruik als extensief gebruikt groen, maar bij wijziging van functie is een melding nodig. Over het algemeen is in het plangebied, op basis van bodemonderzoek en/of de bodemkwaliteitskaart, licht tot matig verontreinigde grond (klasse wonen) te verwachten. Verdere informatie over de bodemkwaliteit in Arnhem kunt u vinden op de internetsite www.arnhem.nl/bodem. Bij functiewijziging of bij nieuwbouwplannen kan voor aanpassing van het bestemmingsplan en/of aanvraag van een (bouw)vergunning om een recent bodemonderzoek worden gevraagd. Conclusie De geïnventariseerde en getoetste bodemgegevens geven voldoende inzicht in de bodemkwaliteit van het plangebied. Voor de ontwikkeling van het terrein zijn geen sanerende maatregelen nodig. De kwaliteit van de bodem (inclusief grondwater) vormt geen gevaar voor de volksgezondheid bij de beoogde woningbouw in het plangebied.
De kwaliteit van de bodem (inclusief grondwater) vormt geen belemmering voor de verplaatsing van de Tuinmaat en voor de financiële uitvoerbaarheid daarvan.
4.9
Cultuurhistorie & archeologie
4.9.1
Algemeen
Rijksbeleid Erfgoedwet Cultuurhistorische objecten die zeldzaam of schaars zijn en die voor mensen in hoge mate het beeld van Nederland bepalen, worden aangewezen als monumenten. In de Erfgoedwet (de opvolger van de Monumentenwet 1988) is vastgelegd hoe monumenten van bouwkunst en archeologie en stads- en dorpsgezichten moeten worden beschermd. Deze wet is het belangrijkste instrument voor de bescherming van het cultuurhistorisch erfgoed in Nederland. Besluit ruimtelijke ordening Cultuurhistorie moet op basis van de gewijzigde Bro (art 3.1.6 ) goed in bestemmingsplannen verankerd worden. Dit behelst niet alleen een beschrijving van de aanwezige en te verwachten cultuurhistorische waarden, maar ook een waardering ervan en een advies over toekomstige omgang ermee, gelet op de ruimtelijke opgave die in het bestemmingsplan aan de orde is. Aangegeven moet worden hoe met de cultuurhistorische waarden rekening is gehouden in het bestemmingsplan. Verdrag van Valletta en de Wet op de archeologische monumentenzorg De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ontwikkeling is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valletta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag.
De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn: archeologische waarden dienen zoveel mogelijk (in situ) in de bodem bewaard te blijven en beheermaatregelen dienen genomen te worden om dit te bewerkstelligen; vroeg in de ruimtelijke ordening dient al rekening gehouden te worden met archeologie; bodemverstoorders betalen het archeologisch (voor)onderzoek wanneer behoud in situ niet mogelijk is. In 2007 is het verdrag vertaald in de Monumentenwet 1988 en maakt thans deel uit van de Erfgoedwet. Provinciaal beleid Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
37
Uitgangspuntennotie Cultuur en Erfgoed De Uitgangspuntennotitie Cultuur en Erfgoed is vastgesteld in 2020. De uitgangspunten van de notitie zijn: 1. Verbinden, verwonderen en bewaren. Cultuur en erfgoed dragen bij aan de verbinding en ontmoeting tussen mensen. Erfgoed is van belang voor het historisch besef en benadrukt onze gezamenlijke identiteit. Als drager van het verleden verdient het bescherming. 2. Streven naar duurzame toegankelijkheid. Cultuur en erfgoed komen ten goede aan de inwoners en bezoekers van Gelderland - nu en in detoekomst. Dat betekent dat cultuur en erfgoed toegankelijk moeten zijn en blijven voor het publiek. Er is ook nog een andere definitie van duurzaamheid. We denken daarbij aan de maatregelen voor het verduurzamen van gebouwen en evenementen, een gezonde financiering of het aansluiten bij andere provinciale duurzaamheidsdoelstellingen 3. Ruimte voor de regio. De provincie heeft aandacht voor de wensen en kansen die bij een regio horen en streeft hierbij naar maatwerk: soms is onze inzet geschikt voor de hele provincie, soms is de uitwerking verschillend per regio of gemeente. Daarbij is er aandacht voor culturele netwerken en bovenlokale initiatieven. De inzet is gericht op versterking van de regio, maar daarbij wil men versnippering van de Gelderse cultuur- en erfgoedsector vermijden.
Gemeentelijk beleid Erfgoedagenda 2017-2019 Het Arnhems erfgoedbeleid richt zich op: - behoud en versterking van aanwezige cultuurhistorische waarden en helpt hiermee bij te dragen aan een aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken, te winkelen en te recreëren; - duurzame bescherming van het cultuurhistorische erfgoed, waar de kwetsbaarheid dit noodzakelijk maakt (bijvoorbeeld plantoetsing, vergunningverlening); - (her-)bestemming van cultuurhistorisch erfgoed door dit erfgoed een duurzame bestemming te geven en daardoor voor de stad te behouden (bijvoorbeeld steenfabriek Elden, Eusebius); cultuurhistorie als inspiratiebron op te nemen in ontwerpopgaven en gebiedsprocessen, hieraan vorm te geven in (ruimtelijke) plannen en projecten, waardoor cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar wordt gemaakt (bijvoorbeeld Meinerswijk, omgeving John Frostbrug); - het toegankelijk maken van de kennis over het Arnhemse erfgoed om daarmee het publieksbereik en draagvlak voor het behoud van cultuurhistorisch erfgoed te vergroten (bijvoorbeeld advisering, frontoffice ('Archeohotspot') archeologie, erfgoedpublicaties). Archeologische verwachtingenkaart Archeologie is een integraal onderdeel van het erfgoedbeleid en als zodanig opgenomen in de erfgoednota. In de nota wordt voortgeborduurd op de uitgangspunten van het Verdrag van Malta.
Behoud van archeologische waarden is het uitgangspunt en als dat niet mogelijk is, volgt veiligstelling door archeologisch onderzoek. Om permanente aandacht voor deze vorm van erfgoed te krijgen, is ingezet op constante voorlichting en educatie. Sinds 2008 beschikt de gemeente over een archeologische verwachtingenkaart voor heel Arnhem. De verwachtingenkaart geeft al in een vroeg stadium van planvorming globaal inzicht in de mate waarin archeologische resten in een gebied aangetroffen kunnen worden. Conform de Erfgoedverordening geldt dat archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden als grondroerende werkzaamheden: in archeologisch waardevolle gebieden (buiten monumenten) dieper dan 40 cm-maaiveld reiken en groter zijn dan 30 m2; in gebieden met een hoge archeologische verwachting dieper dan 40 cm-maaiveld reiken en groter zijn dan 200 m2; in gebieden met een middelhoge archeologische verwachting dieper dan 40 cm-maaiveld reiken en groter zijn dan 500 m2;
38
Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
in gebieden met een lage archeologische verwachting dieper dan 40 cm-maaiveld reiken en groter zijn dan 2.000 m2. Voor archeologisch waardevolle gebieden zijnde beschermde gemeentelijke of rijksmonumenten, geldt maatwerk. Voor rijksmonumenten beslist de Minister van OC&W. Gebieden die reeds onderzocht zijn en/of zijn vrijgegeven, zijn vrijgesteld van onderzoek. Aan het archeologische beleid dat in de verordening is verankerd, ligt de archeologische maatregelenkaart als basis. Structuurvisie De Structuurvisie Arnhem (2011) biedt een strategisch kader voor ruimtelijke planning op stedelijk niveau voor de lange termijn. Uitgangspunt is het voortbouwen op de karakteristieken van de historisch gegroeide stad. In de cultuurhistorische hoofdstructuur zijn de ruimtelijke, historische elementen weergegeven, die essentieel zijn voor Arnhem als geheel. Per landschappelijke karakteristiek zijn de ambities weergegeven. Vervolgens is een selectie gemaakt van die cultuurhistorische belangen en structuren die kansen bieden bij nieuwe gebiedsontwikkelingen in de stad: de 'Cultuurhistorische Kansenkaart'. De rijkdom van de Arnhemse cultuurhistorie is kader en inspiratiebron bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad. 4.9.2
Situatie plangebied
Verwachtingskaart
Woongedeelte Op de archeologische maatregelenkaart staat plangebied Gaardenhage aangeduid als een gebied met een grotendeels hoge archeologische verwachting. Dit vanwege oeverafzettingen in de ondergrond waarop buiten Gaardenhage vanaf de Romeinse tijd werd gewoond. Het plangebied is in 1997 archeologisch onderzocht (zie Bijlage 5), toen nog in het kader van wat destijds het project 'de Groene Long' heette. Met behulp van karterende boringen zijn de oeverafzettingen aangetroffen, rustend op komklei met daar weer onder pleistoceen zand. Het onderzoek leverde één vindplaats op, een huisplaats uit de nieuwe tijd. Hiervoor is door het onderzoeksbureau van destijds geadviseerd beschermende maatregelen te nemen. Volkstuin Dit gedeelte van Gaardenhage is buiten het archeologische onderzoek gebleven dat in 1997 is uitgevoerd. Vanwege deze situatie is in 2021 alsnog archeologisch uitgevoerd, in de eerste plaats door
Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
39
middel van boringen (zie Bijlage 6). Deze boringen leverden voor het zuiden van het plangebieddeel archeologische indicatoren op in de vorm van leem en metaal. Speciale interesse ging uit naar aangetroffen grind, mogelijk een indicatie voor een Romeinse weg. Meer oostelijk in Huissen zijn uit de Romeinse tijd meerdere vindplaatsen bekend. Geadviseerd werd over te gaan tot een proefsleuvenonderzoek. Dit proefsleuvenonderzoek is in september 2021 uitgevoerd (zie Bijlage 7). Drie noordoost-zuidwest georiënteerde sleuven zijn gegraven, één ter hoogte van de locatie waar het grind werd aangetroffen in de boringen en twee ten zuiden daarvan. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is op een dieper niveau dan uit de boringen bleek een vegetatiehorizont/laklaag aangetroffen onderin een fragment Romeins aardewerk. Meer vondstmateriaal uit archeologisch relevant lagen is niet aangetroffen. Wat sporen betreft is een V-vormige greppel aangetroffen die vanwege de vorm een relatie met de Romeinse tijd kan hebben. Meer relevante sporen leverde het onderzoek echter niet op. Aanbeveling van het onderzoeksbureau is vrijgave voor verdere ontwikkeling. Conclusie De in 1997 onderzochte delen van Gaardenhage buiten de locatie van de vindplaats om, bevatten naar verwachting geen archeologische waarden.
Deze zones (aangeduid op de afbeelding hierboven binnen het kader met 'A') behoeven geen dubbelbestemming Waarde Archeologie in het bestemmingsplan met gerelateerde regels. Voor de vindplaats (bruine stip op de afbeelding hierboven) geldt dat dit archeologisch waardevol gebied is, als zodanig dubbel te bestemmen. In de regels moet vervolgens rekening worden gehouden met archeologisch onderzoek bij bodemverstoringen groter dan 30 m2 en die daarbij dieper reiken dan 40 cm-huidig maaiveld. Voor wat betreft het moestuindeel (aangeduid op de afbeelding hierboven met 'B') wordt de aanbeveling van het onderzoeksbureau overgenomen. Met uitzondering van de greppel zijn geen archeologische waarden aanwezig en de vondstloze greppel is voldoende in beeld gebracht. Hiervoor geldt verder geen vertaling meer naar de plankaart en opname in de regels van het bestemmingsplan. Op de afbeelding hierboven zijn buiten de onderzochte gebieden zones met een hoge archeologische verwachting en zones met een lage archeologische verwachting tot 1,5 m-huidig maaiveld en daaronder een middelhoge verwachting zichtbaar. Hier is aan- of afwezigheid van archeologische waarden nog niet getoetst en blijft de verwachting in stand.
Voor zones met een hoge verwachting geldt vertaling naar de plankaart en opname in de regels dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemverstoringen die groter zijn dan 200 m2 en die daarbij dieper reiken dan 40 cm-huidig maaiveld. Voor de gebieden met de gecombineerde lage en middelhoge verwachting kan wordt uitgegaan van een middelhoge verwachting, eveneens aan te geven op de plankaart en te vertalen naar de regels van het bestemmingsplan waarbij archeologisch onderzoek dan noodzakelijk is bij bodemverstoringen groter dan 500 m2 en die daarbij dieper reiken dan 40 cm-huidig maaiveld. Genoemde verstoringsgrenzen maken onderdeel uit van de Erfgoedverordening Gemeente Arnhem 2017.
4.10
M.e.r-toets
Artikel 19j, lid 2 van de Natuurbeschermingswet 1998 4.10.1 Toets Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, het gebied 'Rijntakken', is gelegen op een afstand van circa 2,4 kilometer van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.
40
Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
4.10.2 Drempelwaarden besluit m.e.r. Dit bestemmingsplan voorziet in directe eindbestemmingen voor wat betreft de binnen het plangebied geplande functies en voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Er is daarom in elk geval geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. 4.10.3 Vormvrije mer-beoordeling De vormvrije m.e.r.-beoordeling is gebaseerd op de beschrijving van het plan en de ten behoeve van de ontwikkeling uitgevoerde onderzoeken. 1.
Kenmerken van het project Het project betreft het toevoegen van woningen in de wijk Gaardenhage en de verplaatsing van de volkstuin De Tuinmaat. De omvang van het project is niet van zodanige aard dat reeds daarom sprake is van een bijzondere effecten op de omgeving. Ook zal er, gelet op de aard van de ontwikkeling geen bijzonder beroep gedaan worden op natuurlijke hulpbronnen, noch is het de verwachting dat er, in vergelijking met de omgeving, een disproportionele hoeveelheid afvalstoffen of verontreiniging ontstaan. Een bijzonder risico op ongevallen is eveneens niet aanwezig. De locatie maakt onderdeel uit van de bestaande wijk Gaardenhage. Er zijn in de directe omgeving geen andere ontwikkelingen. 3. Plaats van het project De plaats van het project betreft een stedelijke omgeving in Arnhem Zuid. Er zijn geen bijzonder relaties met gevoelige gebieden.Het beoogde grondgebruik als woonfunctie is passend in de omgeving. 4. Effecten van het project De te realiseren functie is grotendeels geluidgevoelig van aard, waarbij inkomend geluid van de omgeving zoals wegverkeerslawaai wel van invloed is. Uit paragraaf 4.2 blijkt dat deze effecten beperkt zijn. Voorts wordt op basis van de beoogde functie geen belangrijke negatieve effecten op de omgeving (overige woon- en groengebieden) verwacht. 5.
Luchtkwaliteit Ten aanzien van luchtkwaliteit geldt dat het geringe aantal woningen en de bijbehorende vervoersbewegingen vallen binnen de niet in betekenende mate regeling. Het plan draagt niet bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. 6. Bodem De geïnventariseerde en getoetste bodemgegevens geven voldoende inzicht in de bodemkwaliteit van het plangebied. Voor de ontwikkeling van het terrein zijn geen sanerende maatregelen nodig. De kwaliteit van de bodem (inclusief grondwater) vormt geen gevaar voor de volksgezondheid bij de beoogde woningbouw in het plangebied. De kwaliteit van de bodem (inclusief grondwater) vormt geen belemmering voor de verplaatsing van de Tuinmaat en voor de financiële uitvoerbaarheid
Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
41
daarvan. 7. Water Het hemelwater wordt op eigen terrein verwerkt. Omdat gekozen is om het hemelwater op eigen terrein te verwerken is geen watercompensatie nodig. Er zijn voorts geen negatieve effecten op de omgeving te verwachten. 8. Natuur Het gebied bevat geen bijzondere ecologische waarden, noch worden er als gevolg van de ontwikkeling bijzondere gevolgen voor de omgeving verwacht (zie 4.6). 4.12.3 Conclusie Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan op zich en in samenhang met andere plannen geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied zelf, voor de directe omgeving en voor gevoelige gebieden in de omgeving. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet noodzakelijk
4.11
Kabels, leidingen en straalpaden
Binnen het plangebied zijn er geen kabels en leidingen die vragen om een planologische verankering in het bestemmingsplan. Tevens lopen er over het plangebied geen straalpad(en) die beperkingen aan de bouwhoogte stellen.
42
Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
Hoofdstuk 5 Planbeschrijving en -verantwoording 5.1
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.
5.2
Opzet van de regels
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende plankaart waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze plankaart kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De plankaart en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingen); Overgangs- en slotregels.
5.2.1
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: 1. Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. 2. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Op de plankaart zijn bouwhoogten en soms bebouwingspercentages aangegeven. Als er geen percentages zijn aangegeven, mag het hele bouwvlak worden bebouwd. De aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen, liftopbouw en dergelijke). Uitgangspunt is dat alleen gebouwd mag worden binnen de bouwgrenzen. 5.2.2
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels van de regels bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de plankaart is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in o.a.: 1. Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan (wonen, bedrijvigheid
Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
43
etc.); 2. Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage etc.); 3. Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels; 4. Verboden gebruik: welke vormen van gebruik zijn uitgesloten. In paragraaf 5.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. Daarnaast wordt, indien gekozen wordt af te wijken van de bestemming uit het geldende bestemmingsplan, aangeven waarom daarvoor is gekozen. 5.2.3
Algemene regels
Hoofdstuk Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: 1. Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Deze regel bepaalt dat er niet twee keer voor eenzelfde locatie een bouwplan kan worden ingediend. 2. Artikel 9 Algemene bouwregels Hierin zijn de algemene bouwregels opgenomen zoals de verplichting tot het bouwen binnen het bouwvlak en de uitleg van het bebouwingspercentage. 3. Artikel 10 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels mert betrekking tot het gebruik van de gronden en opstallen in het plangebied opgenomen. Hierin is aangegeven welke functies in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan. 4. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de voorwaarden beschreven waaronder kan worden afgeweken van een bestemmingsregel. Deze afwijkingen kunnen worden toegepast op alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De afwijkingen die uitsluitend gelden voor een bepaalde bestemming zijn in het betreffende artikel van die bestemming opgenomen. 5. Artikel 12 Overige regels In dit artikel staan de algemene regels over parkeren. 6. Artikel 13 Woningsplitsing en verkamering en Artikel 14 Strijdig gebruik kamergewijze bewoning Hierin zijn de regels over woningsplitsing en verkamering opgenomen. 5.2.4
Overgangs- en slotbepalingen
In Hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In de overgangsbepalingen is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan.
5.3
Verantwoording van de regels
5.3.1
Algemeen
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. De bestaande situatie is hierbij het uitgangspunt. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Deze situatie kan gaandeweg de planperiode wijzigen, bijvoorbeeld door veranderd stedenbouwkundig inzicht, functiewijziging veranderingen in gebruik. Ook ruimtelijke ontwikkelingen en vernieuwing van o.a. ruimtelijk, economisch, verkeerskundig en milieubeleid dragen bij aan de veroudering van geldende bestemmingsplannen.
44
Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
Om recht te doen aan een goede ruimtelijke ordening binnen het plangebied wordt daarom aangegeven in welke situaties de bestemming wordt gekozen gelijk aan de oude bestemming (na strijdige situatie te hebben gewraakt) en in welke situaties een nieuwe bestemming wordt gegeven (positief bestemmen), waarmee de strijdige situatie wordt gelegaliseerd. Daarnaast wordt, indien van toepassing, aangegeven wanneer een strijdige situatie onder het overgangsrecht wordt gebracht. In deze paragraaf worden de keuzes die zijn gemaakt nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. 5.3.2
Afzonderlijke bestemmingen
In de volgende subparagrafen worden de afzonderlijke bestemmingen die voorkomen in het bestemmingsplan besproken. Per bestemming wordt ingegaan op: welke gronden zijn zo bestemd; wat houdt de bestemming in; eventuele aanduidingen of andere bijzonderheden; vergelijking vigerend bestemmingsplan zowel qua functie als qua bebouwing. 5.3.3
Groen
In het plangebied is veel groen aanwezig en dat is bestemd als 'Groen' (artikel 3). In het Groenplan is voor de groenvoorzieningen een onderscheid gemaakt tussen structureel groen en snippergroen. De groenstroken die structuurbepalend zijn op wijkniveau, zijn bestemd als 'Groen'. Binnen deze bestemming is het toegestaan om groen in de breedste zin (grasvelden, struiken, speelvelden) aan te leggen en in stand te houden. Daarnaast zijn de belangrijkste waterlopen en waterpartijen opgenomen in deze bestemming. Het aanleggen van voetpaden, fietspaden en voorzieningen voor bestemmingsverkeer zijn eveneens toegestaan. Ook zijn in-en uitritten voor woningen toegestaan. Bij snippergroen wordt afhankelijk van de locatie gekozen voor de groenbestemming of de bestemming Verkeer-verblijfsgebied. Dit hangt af van de grootte van de groenzone en de ligging. Bebouwing binnen de groenbestemming is uitsluitend toegestaan indien dit binnen de bestemming past zoals speeltoestellen en verlichting met een maximumbouwhoogte van 4 meter. 5.3.4
Groen - Landschap Park
'Groen - Lanschap Park' (artikel 4) is een zwaardere bestemming dan Groen omdat hieraan een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is gekoppeld. Dat betekent dat binnen de functie een omgevingsvergunning noodzakelijk is om bepaalde werkzaamheden uit te voeren zoals het aanleggen van verharding en het kappen van bomen. Binnen de functie parkgebied is geen bebouwing toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin' is tevens een volkstuin toegestaan. Om het groene karakter van de volkstuin te benadrukken heeft de volkstuin een groenbestemming met landschappelijke waarden.Binnen de functie volkstuin is parkeren toegestaan. Binnen het vlak is maximaal 60m2 aan kassen en één verenigingsgebouw toegestaan. Er zijn maximaal 50 percelen toegestaan binnen de aanduiding 'volkstuin'. 5.3.5
Verkeer
De bestemming verkeer is opgedeeld in een drietal 'sub-bestemmingen' te weten: 1. Verkeer - Railverkeer; 2. Verkeer - Verblijfsgebied (artikel 5); 3. Verkeer - Wegverkeer. In het plangebied komt alleen de bestemming 'Verkeer-verblijfsgebied' voor. Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' geldt voor woonerven, woonstraten, parkeerplaatsen, voet- en Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
45
fietspaden, speelplaatsen en buurtgroen. Dit zijn dus voornamelijk wijken (30 km/uur zones) waar de verblijfsfunctie belangrijker is dan de verkeersfunctie. De inrichting van de wegen is hierop afgestemd. 5.3.6
Wonen
Functie Alle woningen in het plangebied zijn bestemd als 'Wonen' (artikel 6). Binnen deze bestemming passen verscheidene woonvormen zoals gezinsbewoning, bejaardenhuizen, kamerbewoning (tot maximaal 4 personen), serviceflats, etc. Er is geen onderscheid gemaakt tussen vrijstaande-, halfvrijstaande-, aaneengesloten- en gestapelde woningen. Bijzondere woonvormen, niet specifiek gericht op therapeutische behandeling, passen ook binnen deze bestemming. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn in principe beroepsmatige activiteiten toegestaan. Om hinder voor de directe omgeving te voorkomen is hieraan wel een aantal voorwaarden verbonden. In de eerste plaats mag slechts een gedeelte van de woning, inclusief de bijgebouwen (maximaal 1/3 van de totale vloeroppervlakte van de woning) worden gebruikt als praktijkruimte door de bewoner. Is er meer dan 1/3 van de woning in gebruik voor het uitoefenen van een beroep, dan is er geen sprake meer van een 'beroep aan huis' en derhalve strijd met het bestemmingsplan. Voorts mag door dit gebruik geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat (bijvoorbeeld beperkte reclamemogelijkheden) noch een onevenredige parkeerdruk ontstaan.
Tot slot zijn er vormen van beroepsuitoefening expliciet uitgezonderd, omdat ze te veel overlast voor de omgeving veroorzaken (detailhandel, prostitutie, horeca-activiteiten en beroepen die milieuoverlast veroorzaken). In de bestemming 'Wonen' zijn woonwagens en woonschepen niet inbegrepen. Deze vormen van wonen zijn, indien van toepassing, in een specifieke vorm van de woonbestemming opgenomen. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' mag uitsluitend een parkeerterrein worden gebouwd. Bebouwingsmogelijkheden Binnen de bestemming 'Wonen' zijn twee zones te onderscheiden: de bouwzone en de onbebouwbare zone. De bouwzone omvat het eigenlijke woongebouw met, daar waar mogelijk en gewenst, uitbreidingsmogelijkheden. Als geen bebouwingspercentage is vermeld, mag deze gehele zone worden bebouwd in de aangegeven bouwhoogte, mits aan andere vereisten (bijvoorbeeld welstand) is voldaan. De onbebouwbare zone is bedoeld voor tuinen, buurtgroen, speelplekken, woonstraten, trottoirs en parkeerplaatsen ten behoeve van de woonfunctie. Voor een groot deel van de onbebouwbare zone geldt een bouwaanduiding 'bijgebouwen'. Deze gronden met deze aanduiding zijn bedoeld voor garages, schuren en beperkte uitbreidingen aan het woonhuis, zoals serres. Binnen de bestemming 'Wonen' wordt tevens natuurinclusief bouwen verplicht gesteld.
Dit houdt in dat een bouwvergunning voor een nieuwe woning uitsluitend wordt verleend indien voldoende natuurinclusieve maatregelen worden getroffen. De beleidsregels natuurinclusief bouwen, inclusief Maatregelencatalogus en invulformulier, zijn terug te vinden op officielebekendmakingen.nl. U dient dan te zoeken op 'Beleidsregels Natuurinclusief Bouwen Arnhem' in het Gemeenteblad. In het plangebied komen verschillende type woningen voor waarvoor verschillende beeldkwaliteitsregels gelden. Alle woningen moeten voldoen aan de beeldkwaliteitsregels uit het 'Beeldkwaliteitsplan Gaardenhage'. Dit verankeren we op verschillende manieren: - Het Beeldkwaliteitsplan bevat een aantal bepalingen die standaard worden opgenomen in bestemmingsplan. Het gaan dan om waar mag worden gebouwd en aan welke stedenbouwkundige eisen (zoals hoogte, max oppervlakte, volume en dakvormen) moet worden voldaan. Deze bepalingen zijn opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. - Daarnaast bevat het beeldkwaliteitsplan regels over het uiterlijk van de bouwwerken (ook wel welstandsregels). Op grond van de Crisis- en herstelwet kunnen we regels over het uiterlijk van bouwwerken opnemen in het bestemmingsplan. We doen dit door het beeldkwaliteitsplan op te nemen als bijlage bij de regels. In de regels wordt dan ten aanzien van het uiterlijk van bouwwerken verwijst naar deze bijlage. 46
Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
- Om de bescherming van de hagen te borgen wordt een voorwaardelijke verplichting toegevoegd. Het instandhouden van de hagen geldt dan als voorwaarde voor wonen. Op deze manier wordt planologisch verankerd dat bijvoorbeeld het kappen van de hagen verboden is. Voor de locaties en hoogtes van de hagen wordt tevens verwezen naar het beeldkwaliteitsplan . Specifieke bouwaanduiding 1 Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding 1' worden de kleine kavels (zie 3.2.5) mogelijk gemaakt. Voor de kleine kavels geldt dat het oppervlak van aan- en of bijgebouwen per woning maximaal 6m2 bedraagt. Deze gebouwtjes hebben een maximale bouwhoogte van 2,5 m. Uit de verbeelding volgen de volgende eisen voor de woningen: - de maximale bouwhoogte van de woningen is 6 meter, - de inhoud bedraagt 180m3 en de oppervlakte 50m2. Specifieke bouwaanduiding 2 Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding 2' worden de kavels gehalveerd ten opzichte van het oorspronkelijk plan (zie 3.2.3). Voor deze kavels geldt dat de voorgevel moet worden gebouwd in de op de verbeelding aangegeven gevellijn. Deze gevel moet minimaal 4 meter breed zijn. Verder mogen de woningen ofwel worden gebouwd in één bouwlaag met zadeldak ofwel in twee bouwlagen zonder kap. Indien wordt gekozen voor één bouwlaag met zadeldak bedraagt de maximale goothoogte 4 meter en de bouwhoogte 8,5 meter.
Bij twee bouwlagen bedraagt de maximale bouwhoogte 7 meter. Specifieke bouwaanduiding 3 Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding 3' worden de 'generatiewoningen' mogelijk gemaakt (zie 3.2.2). Voor deze kavels geldt dat per bouwvlak maximaal twee hoofdgebouwen zijn toegestaan. Een hoofdgebouw is in dit geval een volume. In één hoofdgebouw kunnen dus twee woningen worden gerealiseerd. Voor deze kavels geldt dat de voorgevel moet worden gebouwd in de op de verbeelding aangegeven gevellijn. Deze gevel moet minimaal 4 meter breed zijn. Verder mogen de woningen ofwel worden gebouwd in één bouwlaag met zadeldak ofwel in twee bouwlagen zonder kap. Indien wordt gekozen voor één bouwlaag met zadeldak bedraagt de maximale goothoogte 4 meter en de bouwhoogte 8,5 meter. Bij twee bouwlagen bedraagt de maximale bouwhoogte 7 meter. Op de verbeelding is opgenomen dat het aantal woningen per kavel maximaal 3 bedraagt. Verder mag het oppervlak van de hoofdgebouwen samen maximaal 65% van het bouwvlak bedragen. Specifieke bouwaanduiding 4 De 'specifieke bouwaanduiding 4' geldt voor de oorspronkelijke kavels. Voor deze kavels geldt dat de voorgevel moet worden gebouwd in de op de verbeelding aangegeven gevellijn. Deze gevel moet minimaal 6 meter breed zijn. Verder mogen de woningen ofwel worden gebouwd in één bouwlaag met zadeldak ofwel in twee bouwlagen zonder kap.
Indien wordt gekozen voor één bouwlaag met zadeldak bedraagt de maximale goothoogte 4 meter en de bouwhoogte 10 meter. Bij twee bouwlagen bedraagt de maximale bouwhoogte 7 meter en beslaat de tweede bouwlaag maximaal 70% van het oppervlak van de beganegrondbouwlaag. Op de verbeelding is opgenomen dat het oppervlak de hoofdebouwing maximaal 65% van het bouwvlak bedraagt. Specifieke bouwaanduiding 5 Voor het CPO kavel (zie 3.2.4) geldt de specifieke bouwaanduiding 5. Voor deze kavel geldt dat de woningen ofwel worden gebouwd in één bouwlaag met zadeldak ofwel in twee bouwlagen zonder kap. Indien wordt gekozen voor één bouwlaag met zadeldak bedraagt de maximale goothoogte 4 meter en de bouwhoogte 8,5 meter. Bij twee bouwlagen bedraagt de maximale bouwhoogte 7 meter en beslaat de tweede bouwlaag maximaal 65% van het oppervlak van de beganegrondbouwlaag. Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
47
Per woning bedraagt het oppervlak van aan- en of bijgebouwen per woning maximaal 6m2 bedraagt. Deze gebouwtjes hebben een maximale bouwhoogte van 2,5 m. Uit de verbeelding volgen de volgende eisen voor de woningen: Uit de verbeelding volgt dat maximaal 12 woningen zijn toegestaan. Specifieke bouwaanduiding 6 De 'specifieke bouwaanduiding 6' geldt voor de John Grosmanstraat. Ter plaatse mag het oppervlak van de hoofdbebouwing met uitbouwen (dus zonder aan- en bijgebouwen) maximaal 250m2 bedragen. De hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd met één of meerdere schuine dakvlakken onder een minimale dakhelling van 35° met een nokrichting evenwijdig aan de John Grosmanstraat.De dakvorm moet het gehele hoofdgebouw bedekken. 60% van de voorgevel moet in de voorgevellijn worden gebouwd. Uit de verbeelding volgt de bouwhoogte van het hoofdgebouw minimaal 8,5 en maximaal 10 meter bedraagt. De goothoogte van het hoofdgebouw bedraagt minimaal 5,5 en maximaal 6,5 meter. Specifieke bouwaanduiding 8 De 'specifieke bouwaanduiding 8' geldt voor de Frida Heilstraat 2. De woning aan de Frida Heilstraat 2 heeft een hogere bouwhoogte dan is toegestaan op basis van dit bestemmingsplan. Ook bestaat de woning uit meer dan twee bouwlagen.
Om de bestaande rechten van deze woning te respecteren bedraagt de maximale bouwhoogte zonder zadeldak ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding 8' bij twee bouwlagen 8,5 m en wordt dan ook de eis van maximaal twee bouwlagen losgelaten. Verder wordt aangesloten bij de regels van de 'specifieke bouwaanduiding 4'. Parkeren Ter plaatse van 'specifieke bouwaanduiding 1' geldt een afwijkende parkeernorm van 1,3 per woning. 5.3.7
Dubbelbestemmingen
De SVBP 2012 geeft ook de mogelijkheid dubbelbestemmingen op te nemen. Dubbelbestemmingen zijn bestemmingen die liggen over meerdere enkelbestemmingen en daar iets over zeggen. In dit bestemmingsplan is één dubbelbestemmingen opgenomen: Artikel 7 Waarde - Archeologie (hoge verwachting).
5.4
Handhaving
Het bestemmingsplan is bindend voor overheid en burger. Enerzijds kan de gemeentelijke overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen (optreden tegen strijdig gebruik en/of bebouwing). Anderzijds vormt het bestemmingsplan ook het juridisch kader voor de burger waar deze uit af kan leiden wat zijn eigen bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, maar ook wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn van zijn buren en directe omgeving. Het bestemmingsplan geeft immers de gewenste planologische situatie voor het betreffende gebied aan. In de nota “beleidsuitgangspunten handhaving bestemmingsplannen” zijn de volgende uitgangspunten opgenomen: stringent beleid: als uitgangspunt geldt dat in principe elke overtreding wordt aangepakt; géén stilzwijgend gedogen; gewenste maar illegale ontwikkelingen zo mogelijk vooraf maar in ieder geval zo snel mogelijk legaliseren; gedogen van illegale gevallen alleen in uitzonderlijke gevallen, bij voorkeur alleen tijdelijk en met redenen omkleed. Handhavend optreden tegen overtredingen van bestemmingsplannen kan niet alleen plaatsvinden via publiekrechtelijke, maar ook via de strafrechtelijke weg. De opsporingsambtenaren van de gemeente of politie zullen in die gevallen proces-verbaal van de overtreding maken. Het (reguliere) bestuursrechtelijke
48
Bestemmingsplan "Chw Gaardenhage" (vastgesteld)
traject zal gelijktijdig worden ingezet.
5.5
Economische uitvoerbaarheid
De Wet Ruimtelijke Ordening schrijft voor dat er inzicht verkregen dient te worden in de uitvoerbaarheid van een nieuwbouwplan. Ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid van een plan is het van belang er voor zorg te dragen dat deze informatie volledig en zo veel mogelijk zonder voorbehouden wordt opgenomen in het vast te stellen plan. Voorkomen dient te worden dat de bestemmingsplannen onvolledig ter vaststelling worden voorgelegd aan de gemeenteraden. Ten aanzien van majeure projecten wordt het acceptabel geacht om in de economische uitvoerbaarheid een fasering aan te brengen. De paragraaf economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient inzicht te verschaffen in de wijze van de gemeentelijke dekking c.q. vertaalslag in begroting en meerjarenraming en in de gedeelde verantwoordelijkheden en risico's tussen gemeenten en eventuele derden. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 rust op de gemeente op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet de verplichting tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd.