CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein - 20221107 - geanonimiseerd

Politieke Avond 8 februari 2023, gemeente ArnhemBij agendapunt: 18.45 uur - 20.00 uur: Flexwonen Merwedeterrein4.381 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nader onderzoek ecologie

Merwedeterrein te Arnhem

Velp, 7 november 2022

Pagina |2

Colofon Titel Subtitel

: Nader onderzoek ecologie : Merwedeterrein te Arnhem

Projectnummer Datum

: 22.098 : 7 november 2022

Veldonderzoek Auteur(s)

: .................................................................... : ................

Collegiale toets

: ...............

Opdrachtgever Contactpersoon

: Gemeente Arnhem : ............

Bezoekadres Postcode Telefoon

: Kerkstraat 20 : 6883 HT Velp : 026-2001900

info@ekoza.nl www.ekoza.nl

Ekoza B.V. is lid van het Netwerk Groene Bureaus: www.netwerkgroenebureaus.nl

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

Pagina |3

Inhoudsopgave 1. 2.

Inleiding......................................................................................................................................4 Wettelijk kader ...........................................................................................................................5 2.1 Soorten ...............................................................................................................................5 3. Projectgebied .............................................................................................................................8 3.1 Gebiedsbeschrijving ............................................................................................................8 3.2 Voorgenomen ingreep ......................................................................................................10 4.

Onderzoeksmethode ................................................................................................................11 4.1 Marters .............................................................................................................................11 4.2 Alpenwatersalamander ....................................................................................................14 4.3 Teunisbloempijlstaart .......................................................................................................15 4.4 Uitwerking en rapportage .................................................................................................15 5.

Resultaten ................................................................................................................................16 5.1 Marters .............................................................................................................................16 5.2 Alpenwatersalamander ....................................................................................................16 5.3 Teunisbloempijlstaart .......................................................................................................17 5.4 Overige landzoogdieren ....................................................................................................17 5.5 Overige amfibieën en vissen .............................................................................................18 5.6 Overige ongewervelden ....................................................................................................18 6.

Conclusies .................................................................................................................................19 6.1 Marters .............................................................................................................................19 6.2 Alpenwatersalamander ....................................................................................................19 6.3 Teunisbloempijlstaart .......................................................................................................19 6.4 Overige soorten ................................................................................................................19 Bronnen ...........................................................................................................................................20 Rapporten ....................................................................................................................................20 Literatuur .....................................................................................................................................20 Websites ......................................................................................................................................20

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

Pagina |4

1.

Inleiding De gemeente Arnhem is voornemens om woningen te realiseren op het Merwedeterrein te Arnhem. Momenteel is dit (voorheen braakliggende) terrein in gebruik door kunstwerkplaats KW37 en is het openbaar toegankelijk als park. Bij de herinrichting van het terrein moet rekening worden gehouden met beschermde soorten. Eind 2021 is daarom een ecologische quickscan uitgevoerd door Ekoza B.V. (rapportnr. 21.330), waaruit naar voren is gekomen dat er mogelijk verblijfplaatsen en leefgebied van beschermde soorten op het terrein aanwezig zijn en door de ingreep worden verstoord. Het gaat hierbij om diverse soorten marterachtigen, de Alpenwatersalamander en de vlinder teunisbloempijlstaart. Nader ecologisch onderzoek is nodig om vast te stellen of deze dieren daadwerkelijk in/rond het projectgebied voorkomen. Indien tijdens het soortgerichte onderzoek beschermde diersoorten worden aangetroffen, beoordeelt Ekoza B.V. de effecten van de werkzaamheden op deze soorten. Als er negatieve effecten te verwachten zijn, volgt een afweging of een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. In hoofdstuk 2 staat het wettelijke kader uiteengezet, waaraan getoetst dient te worden. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de projectgebieden en de voorgenomen ingreep. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de onderzoeksmethodes die gebruikt zijn.

In hoofdstuk 5 worden de resultaten van het onderzoek besproken en getoetst aan de Wet natuurbescherming. Ten slotte zijn in hoofdstuk 6 de conclusies en aanbevelingen gegeven.

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

Pagina |5

2.

Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet (1998), de Boswet (1961) en de Flora- en faunawet (2002). Het bevoegd gezag voor het natuurbeleid ligt bij de provincies. De Rijksoverheid blijft echter verantwoordelijk voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het Rijk, zoals hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, delfstoffen, hoogspanningsleidingen, kustlijn, bepaalde visserij, etc. De Wet natuurbescherming is gericht op de bescherming van:  Natura 2000-gebieden;  Soorten;  Houtopstanden. Dit onderzoek heeft enkel betrekking op soorten (in dit geval zoogdieren, amfibieën en ongewervelden). In dit hoofdstuk is daarom ook alleen de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming uitgelicht.

2.1 Soorten Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes:  soorten van de Vogelrichtlijn;  soorten van de Habitatrichtlijn;  andere soorten.

Vogelrichtlijnsoorten Onder de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Ingevolge artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden om: 1. Opzettelijk vogels te doden of te vangen; 2. Opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen; 3. Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; 4. Opzettelijk vogels te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Habitatrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

Pagina |6

Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.5 (Bern bijl. II, Bonn bijl. I) verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Opzettelijk dieren te verstoren; 3. Opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen; 4. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 5. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.6 (Bern bijl. I en II, Bonn bijl. I) verboden om dieren of planten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden, tenzij het gaat om aantoonbaar gefokte of gekweekte dieren of planten.

Andere soorten Onder het beschermingsregime andere soorten vallen soorten waarvoor er geen Europese verplichting tot bescherming is. Dit zijn soorten die vanuit nationaal belang extra bescherming behoeven. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. In dit geval gaat het om de provincie Gelderland. Ingevolge de Wet natuurbescherming artikel 3.10 is het verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 3. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Zorgplicht Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor eenieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het betreft bovendien niet alleen dieren en planten van soorten waarvoor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn specifieke beschermingsmaatregelen eisen, maar alle in het wild levende dieren en planten.

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

Pagina |7

De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten:  dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,  indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of  voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Voor de bescherming van dieren en planten van soorten waarvoor geen specifiek beschermingsregime geldt op grond van hoofdstuk 3, heeft de zorgplicht zelfstandig betekenis. Op grond van de zorgplichtbepaling moeten schadelijke handelingen in beginsel achterwege worden gelaten dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

Pagina |8

3.

Projectgebied

3.1 Gebiedsbeschrijving Het Merwedeterrein is gelegen aan de Merwedestraat in Arnhem (provincie Gelderland), ten oosten van de splitsing tussen de spoorlijnen Arnhem – Zevenaar en Arnhem – Zutphen. In Figuur 1 is de globale ligging van dit gemeentelijke projectgebied weergegeven.

Velp Arnhem-Noord Merwedeterrein

Arnhem-Zuid

Westervoort

Figuur 1. Globale ligging van het projectgebied in de bebouwde kom van Arnhem. Aan de noord, oost- en westrand van het terrein bevindt zich een dichte groenstrook met diverse grote bomen. Voorbij deze groenstrook ligt aan de zuid- en westgrens van het terrein een sloot. Het centrale en oostelijke deel van het terrein zijn meer open, bestaande uit een kruidenrijke vegetatie met verspreid meerdere kleinere bomen en struiken. Momenteel is op dit openbaar toegankelijke terrein kunstwerkplaats KW37 gevestigd, waar kunstenaars zowel wonen en werken. Bebouwing op locatie bestaat uit een loods/werkplaats en enkele containers, stacaravans en kleine keten. De meeste van deze bebouwing bevindt zich op de zuidelijke helft van het terrein. Meer naar het oosten bevinden zich onder andere een beeldentuin, buitenpodium, moestuin en een manege (met enkele paarden). Het Merwedeterrein heeft, hoewel het buitenstedelijk oogt, een vrij centrale ligging in de stad. Wat betreft de verdere omgeving lopen er zowel ten noorden en zuiden van het terrein twee spoorlijnen die 400 meter naar het westen samenkomen. Hiertussen bevindt zich een autohandel. Ten oosten van het Merwedeterrein zijn onder andere een woonwagenkamp en een moskee te vinden, gevolgd door appartementencomplexen, rijtjeshuizen, perkjes en parken van de Arnhemse wijk Presikhaaf.

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

Pagina |9

Figuur 2 geeft een impressie van het projectgebied en de directe omgeving.

Figuur 2. Impressie van het Merwedeterrein te Arnhem. Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

P a g i n a | 10

3.2 Voorgenomen ingreep Jaren geleden was de gemeente Arnhem voornemens om het Merwedeterrein te verkopen als bedrijventerrein. Door de vastgoedcrisis van 2008 is dit uiteindelijk niet geslaagd. Daarna is afgesproken om op deze locatie niet meer als bedrijventerrein te bestemmen. Het terrein kwam daardoor weer vrij voor ontwikkeling. Op het voorheen braakliggende terrein is inmiddels kunstwerkplaats KW37 tijdelijk gehuisvest na hun vertrek uit Schuytgraaf. Momenteel is de gemeente Arnhem van plan om het bestemmingsplan van het terrein aan te passen naar wonen. De opgave is om vanwege de woningcrisis versnel verplaatsbare woningen te bouwen voor een termijn van 15 jaar.

Figuur 3. Impressie van de toekomstige situatie. Voor de nieuwbouw worden de bomen en struiken op het centrale, meer open deel van het terrein gerooid. De dichte vegetatie met grotere bomen aan de noord-, zuid- en westkant van het terrein blijven echter behouden. De huidige planning is om dit project in 2023 te realiseren.

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

P a g i n a | 11

4.

Onderzoeksmethode Uit de voorgaande ecologische quickscan bleek dat het projectgebied mogelijk kan dienen als vast leefgebied van diverse soorten marterachtigen. Op het structuurrijke en gevarieerde terrein kunnen zowel verblijfplaatsen en jachtgebied aanwezig zijn. Daarnaast zijn er voor de Alpenwatersalamanders niet alleen de sloten, maar ook enkele ondiepe plassen en poeltjes aanwezig die gebruikt kunnen worden als voortplantingswater. Nabijgelegen structuurrijke vegetatie en rommelhoekjes kunnen hierbij dienen als schuilplek. Tot slot kan ook de vlinder teunisbloempijlstaart voorkomen rond de kruidige vegetatie op het Merwedeterrein. Voor al deze beschermde soorten(groepen) bestaat er het risico dat individuen en essentieel leefgebied door de ingreep worden aangetast. Daarom is het nodig om vooraf vast te stellen of deze dieren binnen het projectgebied voorkomen. Een overzicht van de beschermde soorten waarnaar onderzoek is verricht is gegeven in Tabel 1.

Tabel 1. Nader onderzochte soorten. Soort

Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoorten

Landzoogdieren Wezel Hermelijn Bunzing Steenmarter Amfibieën Alpenwatersalamander Ongewervelden Teunisbloempijlstaart

  

Andere soorten

Vrijgestelde soorten

X X X X X X

Alle marterachtigen in Nederland zijn nationaal beschermde soorten als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Ook de Alpenwatersalamander is een nationaal beschermde soort als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. De Teunisbloempijlstaart is Europees beschermd onder de Habitatrichtlijn. Hier valt ook essentieel leefgebied onder.

Elk van deze soorten behoeft een eigen methode van inventarisatie om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de betekenis van het Merwedeterrein voor deze soorten.

4.1 Marters Kleine marters (wezel, hermelijn en bunzing) komen voornamelijk voor in cultuurlandschap, maar regelmatig ook in natuur-, bos- en akkergebieden. Ook binnen bebouwd gebied kunnen deze marters voorkomen, mits er voldoende groen en dekking aanwezig is. Kleine marters jagen op amfibieën en kleine zoogdieren, maar ze kunnen bijvoorbeeld ook fruit eten. Het voortplantingsseizoen varieert per soort, maar loopt globaal van april tot september.

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

P a g i n a | 12

Het leefgebied van kleine marters moet verschillende functies vervullen. In het territorium zijn vaak meerdere verblijfplaatsen aanwezig, die zich onder andere in holen, houtstapels, schuurtjes, strobalen en stapels puin kunnen bevinden. Ook jachtgebieden en voortplantingsplaatsen moeten binnen het territorium aanwezig zijn. Via lijnvormige landschapselementen verplaatsen kleine marters zich tussen rustplaatsen en overig leegbied. Deze lijnvormige elementen kunnen bestaan uit bosranden, groene oevers, hoge grasvegetatie, struweel en houtwallen. Kleine marters jagen vooral in en rond bosjes, hagen en overhoekjes. De steenmarter is een relatief grote marter en komt qua formaat het meest overeen met een kleine huiskat. Hij heeft de voorkeur aan steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals gebouwen. Meestal komt de steenmarter voor in bos- en parklandschap, maar soms ook in gebieden zonder veel bomen. Deze marter is een echte cultuurvolger en komt daardoor ook voor nabij dorpen, boerderijen en zelfs in grote steden. Zijn voorkeur gaat uit naar gebieden met kleinschalige landbouw, oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. De steenmarter is een omnivoor nachtdier en zoekt zijn voedsel in groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen. Verblijfplaatsen zijn ook vaak in de directe omgeving van deze plekken te vinden.

Zowel het mannetje als vrouwtje hebben een eigen territorium en leven buiten de paartijd solitair. De paartijd van de steenmarter loopt ongeveer van juni tot augustus.

Inventarisatie Het onderzoek naar (kleine) marters is uitgevoerd volgens de Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming, opgesteld door de Zoogdiervereniging (Bouwens, 2017). Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van losse wildcamera’s en een marterbox. Een marterbox is een gesloten kist toegankelijk via een buis. In deze kist zit een bewegingsgevoelige camera. Dieren zoals de wezel en hermelijn zijn erg nieuwsgierig naar nieuwe objecten binnen hun territorium. Om deze reden gaan ze deze verkennen en komen ze goed in beeld. Kleine marters zijn het gehele jaar door waar te nemen. Van maart tot en met augustus zijn de kleine marters het meest actief. In deze periode is 6 weken camera-onderzoek voldoende. Buiten deze periode is 12 weken onderzoek nodig is. Tijdens het onderzoek zijn 1 marterbox en 3 wildcamera’s geplaatst op kansrijke locaties verspreid over het terrein. Om de trefkans te verhogen zijn sardientjes en pindakaas als lokstof gebruikt. De gebruikte camera’s zijn van het type ‘Bushnell TrophyCam HD Agressor’ en ‘Browning Strike Force HD ProX’ (marterbox). Er is geen standaardprotocol voor het onderzoek naar de steenmarter. In de regel volstaat het om soortgelijk camera-onderzoek uit te voeren als voor de kleine marters. Daarnaast is het gebruikelijk om ook te zoeken naar sporen die duiden op steenmarters (o.a.

prooiresten, uitwerpselen, nestmateriaal, etc.). Tijdens meerdere veldbezoeken (Tabel 2) is hierop gelet.

Tabel 2. Bezoekdata en weersomstandigheden tijdens het marteronderzoek. Bezoek

Datum

1 2 3

8 apr 2022 6 mei 2022 23 mei 2022

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

Weersomstandigheden (temp, wind, bewolking) 8°C 3 Bft (ZW) 20°C 2 Bft (W) 22°C 2 Bft (Z)

half bewolkt half bewolkt zwaar bewolkt

P a g i n a | 13

De wildcamera’s zijn actief geweest van 8 april t/m 23 mei 2022 (ruim 6 weken binnen de optimale periode). Ongeveer halverwege het onderzoek zijn de camera’s verplaatst, om de spreiding (en dus de trefkans) te verhogen. In Figuur 4 staan de locaties waar de camera’s en de marterbox hebben gestaan. Eén van de wildcamera’s bevond zich in een buis met lokstof. • in lokbuis • marterbox • losse camera

Figuur 4. Het gebruik van camera’s op kansrijke plekken om marters op te sporen.

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

P a g i n a | 14

4.2 Alpenwatersalamander De Alpenwatersalamander komt voor in heidegebied, agrarisch gebied, stedelijk gebied en op ruderale terreinen. Het voortplantingswater is vaak vrij van vegetatie, maar heeft wel een dikke laag dood blad op de bodem. Deze wateren zijn zowel beschaduwd als onbeschaduwd, maar beschaduwde wateren hebben de voorkeur. Vaak liggen de wateren dicht bij bos. De landhabitat van de Alpenwatersalamander bestaat voornamelijk uit (loof)bossen. Ook extensief beheerde graslanden met kleine landschapselementen met heggen en houtwallen als geleidend element worden vaak gebruikt. Een deel van de dieren overwintert in het water, maar het grootste deel doet dit op het land. Als schuilplaats worden allerlei vochtige en vorstvrije plekken gebruikt binnen het leefgebied. Hiervoor kunnen allerlei plekken dienst doen, zoals holten, houtwallen, overhoekjes, houtstapels, steenstapels en rommelhoekjes.

Inventarisatie Voor de Alpenwatersalamander bestaat momenteel (nog) geen Kennisdocument waarin een standaardprotocol voor het onderzoek is beschreven. Daarom is voor dit onderzoek gebruik gemaakt van het soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus. In de periode maart t/m augustus is tweemaal met behulp van een schepnet gezocht naar adulte en juveniele salamanders in het oppervlaktewater op en rond het terrein (Tabel 3). Daarbij is er op zicht gezocht naar zonnende exemplaren in het water. Ook zijn verspreid over het potentiële landhabitat ruim 30 herpetoplaatjes (tapijttegels als schuilplek) uitgelegd om de trefkans te vergroten. Matjes zijn geruime tijd vóór het veldonderzoek uitgelegd om dieren voldoende tijd te geven om ze te ontdekken (23 mei 2022). De plaatjes zijn op relatief vochtige en beschutte locaties tussen bomen en ruige vegetatie neergelegd. Behalve onder plaatjes is ook onder andere schuilgelegenheden (rommelhoekjes, etc.) gezocht naar individuen. Een impressie van de gebruikte onderzoekmethoden is gegeven in Figuur 5.

Tabel 3. Bezoekdata en weersomstandigheden tijdens het onderzoek naar de Alpenwatersalamander. Bezoek

Datum

1 2

21 jun 2022 28 jul 2022

Weersomstandigheden (temp, wind, bewolking) 20°C 2 Bft (NO) 22°C 3 Bft (NO)

half bewolkt half bewolkt

Figuur 5. Het gebruik van een schepnet en herpetoplaatjes om amfibieën op te sporen. Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

P a g i n a | 15

4.3 Teunisbloempijlstaart Het leefgebied van de teunisbloempijlstaart bestaat uit open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Het is een zwervende soort, die zich sinds 1996 vanuit het zuiden van Limburg aan het uitbreiden is door Nederland. De soort is vooral ’s nachts actief en legt haar eitjes op diverse kruidachtige waardplanten, waaronder teunisbloem, basterdwederik, harig wilgenroosje en grote kattenstaart (Fig. 6).

Figuur 6. Waardplanten zoals de teunisbloem (links) en grote kattenstaart (rechts) komen verspreid binnen het projectgebied voor. Inventarisatie Er bestaat geen standaardprotocol voor het onderzoek naar de teunisbloempijlstaart. Het is gebruikelijk om overdag te zoeken naar rupsen die aanwezig zijn op de waardplanten. De rups van de teunisbloempijlstaart is te vinden van eind juni tot september. In Tabel 4 zijn de weersomstandigheden ten tijde van het veldonderzoek weergegeven.

Tabel 4. Bezoekdata en weersomstandigheden tijdens het onderzoek naar de teunisbloempijlstaart. Bezoek

Datum

1 2

21 jun 2022 28 jul 2022

Weersomstandigheden (temp, wind, bewolking) 20°C 2 Bft (NO) 19°C 3 Bft (NO)

half bewolkt half bewolkt

4.4 Uitwerking en rapportage Als bepaald is welke soorten in het projectgebied voorkomen, en hoe het projectgebied door deze soorten wordt gebruikt, vindt een effectenbeoordeling plaats. Aan de hand van de ingreep worden de effecten van de activiteiten op de aanwezige soorten bepaald. Niet alleen de effecten op verblijfplaatsen en individuen zijn van belang, maar ook of het leefgebied blijvend kan voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten of te kunnen verblijven. Effecten kunnen zowel optreden tijdens de (tijdelijke) realisatiefase en de (permanente) gebruiksfase. Onderzocht wordt of de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden, een ontheffing noodzakelijk is en of daaruit voortvloeiende verplichtingen in de vorm van mitigatie of compensatie noodzakelijk zijn. Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

P a g i n a | 16

5.

Resultaten

5.1 Marters Tijdens de veldbezoeken is het terrein doorzocht naar plekken die potentieel geschikt zijn voor marters. Tijdens het onderzoek zijn nergens sporen van marters (vraatsporen, geur, uitwerpselen, etc.) aangetroffen. Ook op de camera’s zijn gedurende het onderzoek geen marters waargenomen. Ook is bij bewoners nagevraagd of er waarnemingen van marters bekend zijn. Op het terrein zelf waren deze niet bekend. Wel kwam er op 14 juni 2022 een melding van een aangereden steenmarter op de hoek van de Merwedestraat en de Eemslaan, ten noordoosten van het projectgebied (Fig. 7).

Figuur 7. Waarneming van een dode steenmarter in de omgeving van het projectgebied. Effectenbeoordeling Vanuit de voorgaande quickscan was al bekend dat de steenmarter regelmatig verspreid over het stedelijke gebied wordt waargenomen: soms als passant, soms als verkeersslachtoffer. De waarneming van de dode steenmarter nabij het Merwedeterrein is dus niet onverwacht. In de huidige vorm maakt het projectgebied zelf echter geen onderdeel uit van het functionele leefgebied van (steen)marters. Er bevinden zich geen verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of anderzijds essentiële leefgebieden op het terrein. De geplande werkzaamheden kunnen dus zonder verdere gevolgen voor marters plaatsvinden.

5.2 Alpenwatersalamander In en rond het projectgebied zijn geen Alpenwatersalamanders aangetroffen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat veel van de plasjes en poelen op het terrein gedurende het droge zomerseizoen volledig waren uitgedroogd. Het waterpeil in de sloot was wel constant.

Effectenbeoordeling De voorgenomen ingreep heeft geen negatieve gevolgen voor de Alpenwatersalamander. Functioneel leefgebied is niet aanwezig binnen het projectgebied. Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

P a g i n a | 17

5.3 Teunisbloempijlstaart Tijdens het onderzoek zijn alle aanwezige waardplanen van de teunisbloempijlstaart op het terrein onderzocht op (vraatsporen van) rupsen van deze soort. Hoewel de waardplanten vrij algemeen aanwezig waren (met name teunisbloem en grote kattenstaart), werden er echter nergens sporen van de teunisbloempijlstaart aangetroffen.

Effectenbeoordeling Het Merwedeterrein maakt geen onderdeel uit van het functionele leefgebied van de teunisbloempijlstaart. De werkzaamheden hebben geen gevolgen voor deze vlindersoort.

5.4 Overige landzoogdieren Gedurende het onderzoek zijn op de wildcamera’s geen marters, maar wel enkele andere algemene soorten vastgelegd (Fig. 8).

Figuur 8. Enkele op beeld vastgelegde zoogdieren: huiskat, geit, vos, huisspitsmuis, bruine rat en huismuis. Effectenbeoordeling  

 

De kat en geit zijn gedomesticeerd en ondervinden geen gevolgen van de ingreep. De vos is een nationaal beschermde (maar vrijgestelde) soort. Ook in stedelijk gebied met voldoende voedsel en dekking komt hij regelmatig voor. De vos is slechts enkele keren op beeld vastgelegd, en heeft binnen het projectgebied dus waarschijnlijk geen verblijfplaats. Wel gebruikt hij de dichte groenstrook rond het terrein als onderdeel van zijn foerageer- en jachtgebied. Deze groenstrook blijft behouden, waardoor er voor de vos dus geen negatieve effecten worden verwacht. Ook de huisspitsmuis is een vrijgestelde soort. Waarnemingen van deze soort zijn net als voor de vos enkel in de groenstrook aan de structuurrijke rand van het terrein gedaan. Negatieve effecten worden niet verwacht. De bruine rat en huismuis zijn in Nederland niet beschermd. Beide soorten komen behalve in de groenstrook ook meer rond de kleinschalige bebouwing voor. Hier gaan mogelijk (onbeschermde) verblijfplaatsen verloren.

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

P a g i n a | 18

5.5 Overige amfibieën en vissen Gedurende het onderzoek naar de Alpenwatersalamander zijn alleen algemene amfibie- en vissoorten aangetroffen (Fig. 9). Zo werden onder de herpetoplaatjes enkele gewone padden gevonden. Daarnaast zijn met het schepnet vooral stekelbaarsjes en larven van algemene kikkers en padden (bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad) gevangen. Tot slot werden er ook enkele blankvoorns en marmergrondels gevangen.

Figuur 9. Aangetroffen algemene amfibieën en vissen. Effectenbeoordeling  

De gewone pad is op het land enkel tussen de structuurrijke vegetatie rond het terrein aangetroffen. Dit leefgebied wordt door de ingreep niet aangetast. Ook de sloten worden niet aangetast. Hier aanwezige soorten ondervinden geen hinder van de werkzaamheden.

5.6 Overige ongewervelden Tijdens het veldwerk voor de teunisbloempijlstaart zijn in de kruidenrijke vegetatie diverse algemene soorten vlinders waargenomen (Fig. 10).

Figuur 10. Veel voorkomende vlinders op het Merwedeterrein: Dagpauwoog, sint-jacobsvlinder en koolwitje. Effectenbeoordeling De bloemenrijke vegetatie op het centrale deel van het Merwedeterrein wordt gerooid. Functioneel leefgebied van algemene (niet-beschermde) bijen- en vlindersoorten gaat verloren.

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

P a g i n a | 19

6.

Conclusies De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van individuen en verblijfplaatsen is van belang, maar ook die van het functionele leefgebied. Daarnaast dient ment te allen tijde de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet.

6.1 Marters Er zijn geen verblijfplaatsen of functioneel leefgebied van marters aangetroffen binnen het projectgebied, waardoor een negatief effect van de werkzaamheden op marterachtigen is uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig voor deze soortengroep.

6.2 Alpenwatersalamander Er is geen leefgebied van de Alpenwatersalamander op het Merwedeterrein aanwezig, waardoor een negatief effect van de werkzaamheden op deze soort is uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig voor deze salamander.

6.3 Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart is binnen het projectgebied niet aangetroffen, waardoor een negatief effect van de werkzaamheden op deze vlindersoort is uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig voor de teunisbloempijlstaart.

6.4 Overige soorten De ruige groenstrook rond het projectgebied wordt door verschillende algemene zoogdieren (muizen, ratten, vos) gebruikt als leefgebied. Ook algemene amfibieën (zoals de gewone pad) zoeken hier hun schuilplek nabij het water. Deze groenstrook blijft behouden, waardoor er voor de hier aanwezige soorten geen negatief effect wordt verwacht. De vegetatie op het centrale deel van het terrein wordt gerooid om ruimte te maken voor nieuwe ontwikkelingen. Hoewel er geen wettelijke compensatieplicht is staat het men vrij om insectenvriendelijke voorzieningen in het ontwerp op te nemen, zoals groenstroken met bloemenrijke kruidenmengsels en insectenhotels (als natuur-inclusieve maatregelen). Tot slot – en zoals ook in de voorgaande quickscan staat beschreven – dient het verwijderen van groen buiten het broedseizoen van algemene vogels plaats te vinden, om te voorkomen dat actieve nesten worden verstoord. Alle actieve nesten zijn wettelijk beschermd, ongeacht de soort. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli.

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

P a g i n a | 20

Bronnen Rapporten 

Ekoza 21.330 – Quickscan flora en fauna – Merwedeterrein te Arnhem

Literatuur  

Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. 2017.32. Rapport van de Zoogdiervereniging. In opdracht van de provincie Noord-Brabant. Netwerk Groene Bureaus, 2021. Soortinventarisatieprotocollen. Versie juli 2017.

Websites       

https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/ https://wetten.overheid.nl/BWBR0038668/ https://www.openstreetmap.org/ https://geodata.nationaalgeoregister.nl/ https://www.zoogdiervereniging.nl/ https://www.vlinderstichting.nl/ https://www.ndff.nl/

Nader onderzoek ecologie Merwedeterrein te Arnhem

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=92051c60-e3c6-422c-bf61-abbaa19e4efa