Zienswijze Atletiekunie Rapportage Bijlmersportpark_230817.pdf
Tekst van het document
MEMO DATUM
:
4 juli 2023
AAN
:
Stadsdeelbestuurder dhr. White; Wethouder Sport dhr. Mbarki
VAN
:
Atletiekunie
BETREFT
:
Zienswijze Rapportage Bijlmersportpark juni 2023
Geachte heer White, Geachte heer Mbarki, Allereerst bedankt voor de rapportage die in opdracht van de gemeente Amsterdam door ontwerp- en adviesbureau Sport en Ruimte is opgesteld. Via deze weg wil de Atletiekunie graag inhoudelijk ingaan op de rapportage. Dit wordt gedaan door middel van het ingaan op het parkmodel, het verenigingsmodel, en de rapportage in zijn algemeen. Atletiek Parkmodel Het Atletiek Parkmodel is een accommodatie zoals we die op dit moment niet kennen in Nederland. De combinatie van softbal, atletiek en verschillende trainingsvoorzieningen maakt het een unieke accommodatie die tot de verbeelding spreekt. Als we inzoomen op atletiek, zien we dat hier tot op bepaalde hoogte wedstrijden georganiseerd kunnen worden, maar dat het met name een trainingsaccommodatie is. De baan mist een aantal voorzieningen om lange werpnummers, zoals discuswerpen, kogelslingeren en speerwerpen veilig uit te voeren. Daarnaast is de capaciteit van dit model minder groot dan van het Verenigingsmodel omdat verschillende voorzieningen niet gelijktijdig gebruikt kunnen worden (zoals polsstokhoogspringen en verspringen). Daarnaast is de capaciteit voor verspringen, hinkstapspringen, hoogspringen, polsstokhoogspringen en kogelstoten minder groot dan bij de huidige lay-out. In plaats hiervan is gekozen voor een LTAD-zone en beeball-veld.
Interessante toevoegingen die met name gericht zijn op trainingsgebruik voor verschillende gebruikers en de accommodatie multifunctioneler maken. De Atletiekunie wil bij dit model haar zorgen uiten over de veiligheid. Een multifunctionele, openbare sportaccommodatie is een fantastisch uitgangspunt maar is niet zonder risico’s. Tijdens verenigingsuren kan de accommodatie (deels) afgesloten worden (p. 28), wat zorgt voor een overzichtelijke situatie. Ook zijn er tijdens deze uren trainers en begeleiders aanwezig om de veiligheid te waarborgen. De risico’s ontstaan met name buiten de verenigingsuren wanneer de accommodatie openbaar toegankelijk is en meerdere personen, kinderen én volwassenen, aan het bewegen, sporten of spelen zijn. Dit kan leiden tot onoverzichtelijke en gevaarlijke situaties. Tijdens de ontwerpsessies zijn wij uitgegaan van de veiligheidsrichtlijnen uit het wedstrijdreglement. Dit zijn echter reglementen die geschreven zijn in de context van atletiekgebruik. Wij willen met klem benadrukken dat veiligheid van de gebruikers te allen tijde voorop moet staan. Mocht de keuze gemaakt worden voor het Atletiek Parkmodel, dan is ons dringende advies om bij de verdere uitwerking van het ontwerp nadrukkelijk stil te staan bij de veiligheidsrichtlijnen voor de verschillende doeleinden van het Atletiek Parkmodel.
Verenigingsmodel De rapportage van het Verenigingsmodel is in vergelijking met het Atletiek Parkmodel vrij summier. Het Verenigingsmodel bestaat uit een atletiekbaan waarin een softbalveld is geïntegreerd, niet meer en niet minder. Echter, de wijze waarop voor beide sporten niet alleen trainingsmogelijkheden zijn gecreëerd, maar zelfs ook een wedstrijdaccommodatie is ingepast, is uniek en bewonderenswaardig. pag. 1 | 4
Wedstrijden zijn van groot belang voor een atletiekvereniging. Het creëert onderlinge betrokkenheid doordat atleten samen gericht trainen naar een wedstrijd en gezamenlijk uitkomen voor hun club. Daarnaast is het financieel interessant aangezien er uit een wedstrijd op de club inkomsten kunnen worden gegenereerd. Het soort wedstrijden dat een vereniging kan organiseren hangt samen met de voorzieningen en de capaciteit op de baan, maar ook met de ambities van een vereniging. U kunt zich voorstellen dat de organisatie van een lokale instuif een compleet andere inzet van de club vraagt dan de organisatie van de Nederlandse Kampioenschappen. De inrichting van een baan, en zo ook de atletiekbaan in het Bijlmersportpark, dient dan ook aan te sluiten bij het beleid en de mogelijkheden van de vereniging die gebruik maakt van de accommodatie. Wanneer de vereniging en haar accommodatie goed op elkaar zijn afgestemd, kan een optimale bezetting gerealiseerd worden met een florerende vereniging als resultaat. Het Verenigingsmodel sluit beter aan bij de huidige verenigingscultuur en het beleid van AV Feniks. Het Atletiek Parkmodel vraagt om een andere visie en ander beleid en daagt de vereniging uit tot een verandertraject waarvan op dit moment nog onduidelijk is wat de uitkomst zal zijn.
Begeleiding en ondersteuning vanuit de gemeente tijdens en na het keuzeproces voor één van beide modellen is ons inziens dan ook van essentieel belang. Rapportage Bijlmersportpark Naast onze visie op de beide modellen uit de rapportage, staan wij ook graag stil bij de wijze waarop de informatie is gepresenteerd. We hanteren hierbij drie kritiekpunten: 1. De presentatie van de modellen 2. Onjuiste vergelijkingen 3. Interpretatie van cijfers 1. De presentatie van de modellen Wat ons opvalt is dat de schrijver het Atletiek Parkmodel kleurrijk en uitgebreid weergeeft en hij zich bij het Verenigingsmodel beperkt tot een feitelijke beschrijving. Dit betekent dat het Atletiek Parkmodel uitgebreider wordt toegelicht met veelvuldig enthousiasmerende teksten en kleurrijke bijvoeglijke naamwoorden. Voorbeelden hiervan zijn ‘uitgekiende inrichting’ (p. 27), ‘met de sutu wall als alternatief wordt het enthousiasme voor werpsporten aangewakkerd’ (p. 6), ‘een unieke mogelijkheid om de modernste atletiekaccommodatie van Nederland te huisvesten in het stadsdeel dat de nadruk legt op brede ontwikkeling in plaats van de conventionele atletiekonderdelen’ (p.28), en ‘optimale en uitdagende motorische leeromgeving’ (p.29).
Vergelijk dit met een zin uit de omschrijving van het Verenigingsmodel, zoals ‘Binnen een afgesloten setting is een atletiekaccommodatie gerealiseerd die ruimte biedt aan alle atletiekdisciplines’ en het is duidelijk dat de toonzetting voor beide modellen onmiskenbaar anders is. Daarnaast wordt het Atletiek Parkmodel ook al eerder in de rapportage in een positiever daglicht gesteld da het Verenigingsmodel (p.19). De schrijver duwt de lezer hiermee al duidelijk in een bepaalde richting, nog voordat de modellen nader zijn toegelicht. 2. Onjuiste vergelijkingen Ten tweede worden vergelijkingen gemaakt die niet of niet volledig kloppen. Een voorbeeld hiervan is het open karakter van beide modellen. Bij het Verenigingsmodel wordt beweerd dat de focus op verenigingssport een minder ruime openstelling voor andere gebruikers met zich mee brengt (p. 34). Bij het Parkmodel wordt echter de indruk gewekt dat de openstelling ook tijdens verenigingsuren wordt gehandhaafd doordat delen van de accommodatie kunnen worden afgesloten. De wijze waarop de openstelling van de beide modellen beschreven wordt zorgt voor een duidelijke tegenstelling, maar wanneer je beide modellen naast elkaar legt, is duidelijk te zien dat de inrichting anders is, maar wat betreft de toegankelijkheid, zouden de verschillen niet groot (hoeven) zijn.
In de ontwerpsessies is bij beide modellen gesproken over het (gedeeltelijk) verwijderen van het hekwerk, en hangt het openbaar toegankelijk zijn van de accommodatie eerder af van een persoon die het hek opent/sluit dan van de inrichting. Daarnaast wordt op pagina 24 de mogelijkheid om het sportpark af te sluiten onderstreept wegens veiligheidsredenen. Dit is opvallend aangezien de mate van openbaarheid als belangrijk punt gebruikt wordt in de rapportage om de modellen met elkaar te vergelijken. Dan voelt het statement dat het sportpark ‘te allen tijde’ afsluitbaar moet zijn tegenstrijdig en het argument oneerlijk. Deze onjuiste manier van vergelijken wordt ook toegepast op het breed motorisch ontwikkelen. Atletiek is een sport waarbij alle basisbewegingen centraal staan. Dit is een vanzelfsprekendheid en wordt niet verder belicht in het Verenigingsmodel. In het Parkmodel daarentegen wordt dit als één van de belangrijkste argumenten voor dit model ingezet (p. 27 & 28). pag. 2 | 4
Beide modellen worden zo op verschillende wijze gepresenteerd waardoor het niet meer mogelijk is een eerlijke vergelijking te maken. 3. Interpretatie van cijfers In de rapportage wordt slechts in beperkte mate of op een selectieve manier gebruik gemaakt van een concrete of cijfermatige onderbouwing. Enkele voorbeelden hiervan zijn: ‘De atletiekaccommodatie wordt in verhouding tot de voetbalvelden minder gebruikt’ (p. 4), intensief gebruik en minder intensief gebruik (p. 9), ‘het honk- en softbalveld mag niet te dicht liggen bij woningen’ (p. 11). In het onderdeel ‘Atletiek in Amsterdam’ (p. 21) wordt vermeld dat van alle grote steden Amsterdam over de meeste atletiekbanen in Nederland beschikt. In absolute zin is dit correct. Relatief gezien heeft Utrecht echter de grootste dichtheid aan atletiekbanen. Het beschikken over voldoende capaciteit en het ontbreken van wachtlijsten is ons inziens voornamelijk te danken aan de inrichting van de baan, de vereniging en de aanwezigheid en creativiteit van trainers. Op een atletiekbaan kunnen namelijk meer sporters van verschillende disciplines tegelijkertijd actief zijn door de verschillende voorzieningen en de wijze waarop trainers daarmee omgaan. Op pagina 22 wordt de sportdeelname bij AV Feniks en in het stadsdeel Zuidoost beschreven. Hier worden op een opmerkelijke manier een aantal feiten gepresenteerd.
Allereerst wordt vermeld dat AV Feniks een groot en dichtbevolkt verzorgingsgebied heeft, maar dat de vereniging voor Amsterdamse begrippen een kleine atletiekvereniging is. Vervolgens wordt in de volgende alinea’s beschreven dat Amsterdams onderzoek (waarvan de cijfers ontbreken in deze rapportage) uitwijst dat de sportdeelname in Zuidoost het laagst is van alle stadsdelen. En dat het aandeel inwoners in Zuidoost dat lid is van een sportvereniging ruim onder het Amsterdamse gemiddelde ligt. In deze context is het niet vreemd dat AV Feniks minder groot is dan andere atletiekverenigingen in Amsterdam, en zou het eerder een prestatie zijn wanneer dit wel zo was. Met name het gebruik van de uitkomsten van de afgenomen enquête is opvallend. In de rapportage wordt benoemd dat slechts 250 van de 50.000 respondenten de vragenlijst hebben ingevuld. De respons is dus slechts 0,5%. Vervolgens worden de resultaten wel gebruikt in de rapportage en wordt op basis van de enquête geconcludeerd dat ‘bewoners’, ‘Amsterdammers’ en ‘mensen’ het Nelson Mandelapark op een bepaalde manier willen gebruiken. Dit soort statements lijkt ons niet betrouwbaar als het onderzoek niet representatief is. Afsluitend benoemen we ook graag nog twee zaken die op pagina 27 vermeld staan. Deze staan los van de modellen, maar verdienen aandacht.
Allereerst staat hier vermeld dat de Atletiekunie een Young Athletics Model heeft. Dit is niet waar. Wij werken met een jeugdvisie en niet met een model. Dit is een wezenlijk verschil. Overigens wordt in de jeugdvisie wel verwezen naar het LTAD-model. Daarnaast staat in de tekst onder de titel ‘Aanvullend Parkmodel’ de volgende tekst: ‘Met deze toevoegingen krijgt de traditionele atletiek een nieuw karakter waarbij de focus ligt op het aanspreken van jeugd en jongeren. Dit is in lijn met de initiatieven die de atletiekunie zelf ontwikkeld.’ De Atletiekunie is inderdaad bezig met nieuwe initiatieven die iets verder weg staan van de traditionele atletiek en besteedt aandacht aan multifunctionele accommodaties. Maar met de zinsconstructie zoals deze in de rapportage staat, krijgt de lezer het idee dat al onze initiatieven hierop gericht zijn en dat is niet juist. Tot slot De Atletiekunie wil benadrukken dat het succes van de accommodatie uiteindelijk niet enkel en alleen afhangt van de inrichting. De gemeente Amsterdam streeft een beweegvriendelijke omgeving na, en zoals beschreven door Kenniscentrum Sport en Bewegen1 is hiervoor een combinatie van hardware (fysieke omgeving), software (het aanbod) en orgware (organisatie van het zichtbare aanbod) essentieel.
Hier wordt wel een start mee gemaakt door het ontwerpproces in samenwerking met de verenigingen te doen, maar dit is pas het begin. Een vereniging moet zowel op bestuurs- als op leden- en trainersniveau de potentie zien van haar accommodatie om hier optimaal gebruik van te maken. De vereniging moet in zijn geheel achter de te maken keuze staan. Wij verwachten dan ook van de gemeente om bij dergelijke ingrijpende wijzigingen de vereniging, en in dit geval ook de buurt en andere gebruikers, te ondersteunen. Op zowel sporttechnisch- als bestuurlijk gebied. Hoe maak je optimaal gebruik van deze nieuwe situatie, en hoe kunnen de verschillende sporten en sportverenigingen elkaar 1
https://tools.kenniscentrumsportenbewegen.nl/beweegvriendelijke-omgeving/tool/beweegvriendelijke-omgeving/ pag. 3 | 4
versterken? En in het openbaar toegankelijk maken van de accommodatie speelt juist niet de inrichting de grootste rol, maar een beheerder die het hek open, dan wel dicht doet. Alleen wanneer de hardware, orgware en software goed op elkaar afgestemd zijn kan de ruimte echt beweegvriendelijk worden genoemd. Overigens is een multifunctionele accommodatie niet zaligmakend. Als Atletiekunie weten we bij uitstek dat de beoefening van verschillende onderdelen binnen dezelfde kaders een uitdaging is. Daarnaast moet veiligheid te allen tijde voorop staan. Hiervoor vragen we binnen beide modellen dan ook nogmaals aandacht. Binnen de atletiek hebben we het wedstrijdreglement waarin de nodige regels staan om de veiligheid te waarborgen. Wanneer hier andere sporten zoals softbal en urban sports aan toegevoegd worden, vraagt dit om een extra toets die niet onderschat mag worden. Het waarborgen van de veiligheid tijdens het gebruik door verenigingen is één ding, maar wanneer de accommodatie openbaar toegankelijk is, wordt dit een stuk complexer. De Atletiekunie benadrukt nogmaals dat de gebruikers, gebonden én ongebonden, gefaciliteerd moeten worden in het gebruik van de accommodatie, én dat veiligheid boven alles gaat.
Met vriendelijke groet, ATLETIEKUNIE
Klik en tik afzender.
pag. 4 | 4