Was wordt tabel Verordening Amsterdam Toelichting
Tekst van het document
Derde lid, onderdeel b: crisissituaties In crisissituaties kan soms niet gewacht worden met de inzet van specialistische jeugdhulp tot een integraal plan is opgesteld. In dit soort gevallen is het de jeugdhulpaanbieder toegestaan de spoedhulp te verlenen voordat een gesprek met het lokale team heeft plaatsgevonden en een integraal plan is opgesteld. NB het gaat dan om kortdurende inzet. Wanneer daarna langdurig specialistische jeugdhulp nodig is, dient alsnog een integraal plan opgesteld te worden.
Derde lid, onderdeel b: crisissituaties In crisissituaties kan soms niet gewacht worden met de inzet van specialistische jeugdhulp tot een integraal plan is opgesteld. In dit soort gevallen is het de jeugdhulpaanbieder toegestaan de spoedhulp te verlenen voordat een gesprek met het lokale team heeft plaatsgevonden en een integraal plan is opgesteld. NB het gaat dan om kortdurende inzet. Wanneer daarna langdurig specialistische jeugdhulp nodig is, dient alsnog een integraal plan opgesteld te worden.
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting Vierde lid, besluit na artsverwijzing specialistische jeugdhulp In dit lid wordt duidelijk gemaakt dat het college feitelijk een besluit tot inzet van specialistische jeugdhulp na een verwijzing van de huisarts, jeugdarts, of medisch specialist neemt op het moment dat de jeugdhulpaanbieder zich bij de gemeente meldt met een verzoek tot toewijzing van zorg.
Vierde lid, besluit na artsverwijzing specialistische jeugdhulp In dit lid wordt duidelijk gemaakt dat het college feitelijk een besluit tot inzet van specialistische jeugdhulp na een verwijzing van de huisarts, jeugdarts, of medisch specialist neemt op het moment dat de jeugdhulpaanbieder zich bij de gemeente meldt met een verzoek tot toewijzing van zorg.
Vijfde lid, artsverwijzing naar specialistische jeugdhulp Voor specialistische jeugdhulp waar sprake is van een hulpvraag op meerdere levensgebieden wordt ervan uitgegaan dat altijd – ook bij een artsverwijzing –een integraal plan nodig is. Het gaat in die gevallen immers bijna altijd om hoogcomplexe en veelomvattende / meervoudige jeugdhulp, waarbij een integrale aanpak en continuïteit van het hoogste belang zijn. Het plan kan ook door de jeugdhulpaanbieder worden opgesteld. Waar nodig wordt het lokale team betrokken. Het signaal betreft in de praktijk het bericht in het berichtenverkeer.
Vijfde lid, artsverwijzing naar specialistische jeugdhulp Voor specialistische jeugdhulp waar sprake is van een hulpvraag op meerdere levensgebieden wordt ervan uitgegaan dat altijd – ook bij een artsverwijzing –een integraal plan nodig is. Het gaat in die gevallen immers bijna altijd om hoogcomplexe en veelomvattende / meervoudige jeugdhulp, waarbij een integrale aanpak en continuïteit van het hoogste belang zijn. Het plan kan ook door de jeugdhulpaanbieder worden opgesteld. Waar nodig wordt het lokale team betrokken. Het signaal betreft in de praktijk het bericht in het berichtenverkeer.
Zesde lid, specialistische jeugdhulp door zorgteam Dit lid beschrijft de werkwijze van jeugdhulp door een zorgteam van een speciaal onderwijslocatie.
Zesde lid, specialistische jeugdhulp door zorgteam Dit lid beschrijft de werkwijze van jeugdhulp door een zorgteam van een speciaal onderwijslocatie.
Zevende lid, nadere regels toegangsproces De nadere invulling van het toegangsproces ligt niet vast in de verordening, maar in de nadere regels. Hiervoor is gekozen omdat de verwachting is het proces zich de komende jaren nog verder zal ontwikkelen en de nadere regels sneller aangepast kunnen worden.
Zevende lid, nadere regels toegangsproces De nadere invulling van het toegangsproces ligt niet vast in de verordening, maar in de nadere regels. Hiervoor is gekozen omdat de verwachting is het proces zich de komende jaren nog verder zal ontwikkelen en de nadere regels sneller aangepast kunnen worden.
Achtste lid Voor sommige specialistische jeugdhulp die niet bestaat uit een diagnose- of behandeltraject, maar een langdurig begeleidingstraject (in de regel vanwege de ernstige beperkingen van het kind) kan het gewenst zijn dat het lokale
Achtste lid Voor sommige specialistische jeugdhulp die niet bestaat uit een diagnose- of behandeltraject, maar een langdurig begeleidingstraject (in de regel vanwege de ernstige
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting team namens college periodiek herbeoordeelt of en zo ja welke voortzetting van hulp nodig is. De regels hierover liggen niet vast in de verordening zelf maar in de nadere regels.
beperkingen van het kind) kan het gewenst zijn dat het lokale team namens college periodiek herbeoordeelt of en zo ja welke voortzetting van hulp nodig is. De regels hierover liggen niet vast in de verordening zelf maar in de nadere regels. Artikel 3.5 Kwaliteit toeleiding Het college is op grond van artikel 2.3 eerste lid van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in het onderzoek geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bijvoorbeeld bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot: - opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; - opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; - taal- en leerproblemen; - somatische aandoeningen; - lichamelijke of verstandelijke beperkingen en; - kindermishandeling en huiselijk geweld.
Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak vereist dat professionals beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024,
Nieuw artikel n.a.v. uitspraak CRvB
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt dit artikel dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) professional zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht. Het college blijft – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of het advies concludent is. Dat wil zeggen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek. Artikel 3.5 Het gesprek en integraal plan Eerste lid: het gesprek Er wordt in de verordening (en nadere regels) niets vastgelegd over de wijze waarop het gesprek gevoerd wordt tussen lokaal team en jeugdige en/of zijn ouders (en eventuele andere betrokken). Dit zou de handelingsvrijheid van de jeugdige, zijn ouders én professionals te veel beperken.
In de verordening ligt alleen vast wat er in het gesprek aan de orde kan komen (indien van belang), niet welke methodiek of instrumentarium gebruikt moet worden of wie er precies bij betrokken dienen te zijn, of hoe vaak en hoe lang de gesprekken gevoerd worden. Natuurlijk gelden hierbij wel de eisen die de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet stellen aan de kwaliteit van de toegang.
Artikel 3.6 Het gesprek en integraal plan Eerste lid: het gesprek De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 3.7 verdisconteerd en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet.
Tweede lid: betrekken jeugdhulpaanbieder
Tweede lid: familiegroepsplan
Nummering aangepast Artikel is aangepast n.a.v. uitspraken CRvB Daarnaast is er in dit artikel een aantal tekstuele wijzigingen aangebracht. Aantal artikelen vervalt en volgorde is aangepast.
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting In het belang van efficiënte en doeltreffende jeugdhulp vindt er bij specialistische jeugdhulp overleg plaats tussen het lokale team en de jeugdhulpaanbieder. Op deze manier is er sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid en warme overdracht tussen verwijzer en aanbieder. Vanzelfsprekend worden de jeugdige en ouders hierbij betrokken. De manier van afstemming kan verschillen en is afhankelijk van de benodigde jeugdhulp.
Het kan voorkomen dat een ouder en/of jeugdige al een familiegroepsplan heeft opgesteld voordat hij/zij binnenkomt bij het lokale team. In dat geval wordt dit plan als uitgangspunt genomen voor het gesprek. Het is dus niet zo dat op basis van het familiegroepsplan alleen besloten wordt tot de inzet van aanvullende jeugdhulp.
Derde lid: familiegroepsplan Het kan voorkomen dat een ouder of jeugdige al zelf een familiegroepsplan heeft opgesteld voordat hij/zij binnenkomt bij het lokale team. In dat geval wordt dit plan als uitgangspunt genomen voor het gesprek. Het is dus niet zo dat op basis van het familiegroepsplan alleen besloten wordt tot de inzet van specialistische jeugdhulp.
Derde lid: betrekken jeugdhulpaanbieder In het belang van efficiënte en doeltreffende jeugdhulp vindt er bij de inzet van aanvullende jeugdhulp overleg plaats tussen het lokale team en de jeugdhulpaanbieder. Op deze manier is er sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid en warme overdracht tussen verwijzer en aanbieder. Vanzelfsprekend worden de jeugdige en ouders hierbij betrokken. De manier van afstemming kan verschillen en is afhankelijk van de benodigde jeugdhulp.
Vierde lid: het integraal plan Ook de inhoud van het integraal plan is in de verordening niet in detail beschreven. Wel dát de uitkomsten van het gesprek altijd in het integraal plan vastgelegd worden. De wederzijdse ondertekening is vooral bedoeld om het karakter van het integraal plan als gezamenlijk plan te bekrachtigen en zeker niet om het karakter van een privaatrechtelijk overeenkomst te geven. De ondertekening is de gebruikelijke manier waarop de instemming wordt vastgelegd. In bijzonder gevallen kan de instemming ook op een andere manier gegeven worden, wel moet deze altijd ondubbelzinnig zijn en worden vastgelegd. NB het besluit tot inzet van specialistische jeugdhulp wordt toegevoegd aan het integraal plan, maar is juridisch gezien een eenzijdige, publiekrechtelijke, beslissing van het college (de facto de gemandateerde professional van het lokale team). Het besluit wordt wel genomen op grond van het integraal plan.
Vierde lid: het integraal plan De inhoud van het integraal plan is in de verordening niet in detail beschreven. Wel dát de stappen in het onderzoek en de uitkomsten van het gesprek altijd in het integraal plan vastgelegd worden. De instemming met de hulpverlening moet altijd ondubbelzinnig worden vastgelegd. NB het besluit tot inzet van aanvullende jeugdhulp wordt toegevoegd aan het integraal plan, maar is juridisch gezien een eenzijdige, publiekrechtelijke, beslissing van het college (de facto de gemandateerde professional van het lokale team). Het besluit wordt wel genomen op grond van het integraal plan.
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting
Vijfde lid: evaluatie integraal plan In het integraal plan worden doelen (beoogde resultaten) geformuleerd: wanneer worden door wie welke resultaten behaald. De jeugdige en/zijn ouders kunnen in het integraal plan afspraken maken om na een bepaalde tijd de resultaten met het lokale team, de eventueel betrokken jeugdhulpaanbieders en/of anderen te bespreken en zo het integraal plan te evalueren. NB de jeugdhulpaanbieder is zelf verantwoordelijk voor de evaluatie van het opgestelde hulpverleningsplan en daarin opgenomen behandeldoelen. Wel kan met het lokale team samen bekeken worden hoe de in het integraal plan geformuleerde beoogde resultaten zich verhouden tot de behaalde resultaten op de later in het hulpverleningsplan geformuleerde doelen.
Vijfde lid: evaluatie integraal plan In het integraal plan worden doelen (beoogde resultaten) geformuleerd: wanneer worden door wie welke resultaten behaald. De jeugdige en/zijn ouders kunnen in het integraal plan afspraken maken om na een bepaalde tijd de resultaten met het lokale team, de eventueel betrokken jeugdhulpaanbieders en/of anderen te bespreken en zo het integraal plan te evalueren. NB de jeugdhulpaanbieder is zelf verantwoordelijk voor de evaluatie van het opgestelde hulpverleningsplan en daarin opgenomen behandeldoelen. Wel kan met het lokale team samen bekeken worden hoe de in het integraal plan geformuleerde beoogde resultaten zich verhouden tot de behaalde resultaten op de later in het hulpverleningsplan geformuleerde doelen.
Zesde lid: vastlegging integraal plan in administratie lokale team Het (ondertekende) integraal plan kan worden opgeslagen door het lokale team als onderbouwing en toelichting op het besluit om te komen tot de inzet van specialistische jeugdhulp, dan wel dat het in de vorm van een gespreksverslag of eigen ondertekende documentatie van het lokale team gebeurt die deze inhoud weergeeft. Het integraal plan blijft eigendom van het gezin en kan ook na toekenning aangepast en bijgesteld worden.
Zesde lid: vastlegging integraal plan in administratie lokale team Het (ondertekende) integraal plan kan worden opgeslagen door het lokale team als onderbouwing en toelichting op het besluit om te komen tot de inzet van specialistische jeugdhulp, dan wel dat het in de vorm van een gespreksverslag of eigen ondertekende documentatie van het lokale team gebeurt die deze inhoud weergeeft. Het integraal plan blijft eigendom van het gezin en kan ook na toekenning aangepast en bijgesteld worden.
Zevende lid: delen integraal plan met de jeugdhulpaanbieder Het integraal plan is van de jeugdige en/of zijn ouders. Als er tot de inzet van specialistische jeugdhulp besloten is, is het wel van het grootste belang dat de aldus betrokken jeugdhulpaanbieder weet heeft van de gezinssituatie en afspraken en doelen (beoogde resultaten) zoals vastgelegd in het integraal plan. De relevante informatie uit het integraal plan kan door de jeugdige en/of zijn ouders zelf of door het
Zesde lid: delen integraal plan met de jeugdhulpaanbieder Het integraal plan is van de jeugdige en/of zijn ouders. Als er tot de inzet van aanvullende jeugdhulp besloten is, is het wel van het grootste belang dat de aldus betrokken jeugdhulpaanbieder weet heeft van de gezinssituatie en afspraken en doelen (beoogde resultaten) zoals vastgelegd in het integraal plan. De relevante informatie uit het integraal plan kan door de jeugdige en/of zijn ouders zelf of door het
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting lokale team aan de betrokken jeugdhulpaanbieder overgedragen worden. De ouders/jeugdige zijn hier in eerste instantie zelf de verantwoordelijke partij voor. Natuurlijk gelden bij het delen van het integraal plan de privacyregels zoals die onder andere vastgelegd zijn in de Jeugdwet zelf (zie § 7.3 rond dossiervorming). Ouders worden niet gedwongen privacygevoelige informatie te delen. Het is aan de ouders om in samenspraak met het lokale team (of arts) te bepalen welke informatie in het integraal plan terecht moet komen en gedeeld moet worden met de jeugdhulpaanbieder om een effectieve ondersteuning mogelijk te maken. Bij verschil van inzicht tussen de jeugdige en/of zijn ouders aan de ene kant en het lokaal team (of arts) aan de andere kant over de noodzaak om bepaalde informatie te delen dient het recht op privacy en het belang van het kind tegen elkaar afgewogen te worden. De principes van subsidiariteit (kan het doel ook op een andere manier bereikt worden), noodzakelijkheid en proportionaliteit (staat het doorbreken van het recht op privacy in verhouding tot het doel: effectieve hulp) staan daarbij centraal. In de privacy protocollen van de uitvoerders (lokale teams) zal hieraan aandacht besteed worden.
lokale team aan de betrokken jeugdhulpaanbieder overgedragen worden. De ouders/jeugdige zijn hier in eerste instantie zelf de verantwoordelijke partij voor. Natuurlijk gelden bij het delen van het integraal plan de privacyregels zoals die onder andere vastgelegd zijn in de Jeugdwet zelf (zie § 7.3). Het is aan de ouders om in samenspraak met het lokale team te bepalen welke informatie in het integraal plan terecht moet komen en gedeeld moet worden met de jeugdhulpaanbieder om een effectieve ondersteuning mogelijk te maken. Bij verschil van inzicht tussen de jeugdige en/of zijn ouders aan de ene kant en het lokaal team aan de andere kant over de noodzaak om bepaalde informatie te delen dient het recht op privacy en het belang van het kind tegen elkaar afgewogen te worden. De principes van subsidiariteit (kan het doel ook op een andere manier bereikt worden), noodzakelijkheid en proportionaliteit (staat het doorbreken van het recht op privacy in verhouding tot het doel: effectieve hulp) staan daarbij centraal. In de privacy protocollen van de uitvoerders (lokale teams) zal hieraan aandacht besteed worden.
Achtste lid Dit lid biedt de mogelijk aan het college om nadere regels te stellen met betrekking tot het gesprek en door wie dat op welke wijze gevoerd wordt.
Achtste lid Dit lid biedt de mogelijk aan het college om nadere regels te stellen met betrekking tot het gesprek en door wie dat op welke wijze gevoerd wordt.
Artikel 3.7 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Algemeen
Dit artikel is toegevoegd n.a.v. uitspraken door de CRvB
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting Artikel 2.3 van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er met eigen mogelijkheden niet uitkomen. De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders staan voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet het college hulp bieden. De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen.
Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362). De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel in de beoordeling wordt betrokken. Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen. Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3 van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er met eigen mogelijkheden niet uitkomen. De wetgever formuleert het als volgt: “(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn.
Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136). Eerste lid De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt.. Het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt uitgevoerd op de in artikel 3.6, beschreven wijze. Bezien wordt daarbij of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt en dat deze hulp in uitgangspunt ook geleverd kan worden.
Uit onderzoek kan blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van: a. geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; c. er sprake is van een zeer zware zorgbehoefte waarvoor geen wlz-aanspraak bestaat; d. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Het onderzoek wordt gedaan op basis van een objectieve methodiek/instrument. Tweede lid Op de in artikel 3.6 van de verordening beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient het college een voorziening te treffen.
Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil of opvattingen over de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting Artikel 3.6 Criteria en afwegingsfactoren
Artikel 3.8 Criteria en afwegingsfactoren bij de besluitvorming
In de verordening worden de criteria en afwegingsfactoren bij de beoordeling tot toekenning van specialistische jeugdhulp alleen in algemene termen beschreven. In het tweede lid is een kan-bepaling opgenomen. Criteria kunnen uitgewerkt worden in nadere regels.
Eerste lid Uit het eerste lid volgt een aantal meer algemeen geformuleerde criteria voor toekenning van een individuele voorziening. Het onderzoek (dat conform het door de Centrale Raad van Beroep geformuleerde stappenplan verloopt) zal inzichtelijk maken of aan de criteria wordt voldaan.
Aangepast aan begrip aanvullende jeugdhulp. Aangevuld n.a.v. uitspraken CRvB
Tweede lid Gelet op de verantwoordelijkheden van ouders (o.a. op grond van het Burgerlijk Wetboek) is de inzet van een individuele voorziening tijdelijk van aard en zoveel mogelijk gericht op het vergroten van de draagkracht. Derde lid Zie in dit verband artikel 3.7. Vierde lid Er is sprake van een bewezen effectieve voorziening als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut, de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden of de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). Artikel 3.9 Toegangsproces algemeen Eerste lid In dit eerste lid is als algemene regel geformuleerd dat de toegang verloopt via het gesprek dat het lokale team met de jeugdige en zijn ouders heeft opgesteld (en het integraal plan dat daar een weerslag van is).
Verplaatst vanuit 3.4. Daarnaast is het artikel geactualiseerd. O.a. vanwege het gebiedsgericht werken.
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting Tweede lid, onderdeel a: artsverwijzing naar aanvullende jeugdhulp Huisarts, jeugdarts en medisch specialist hebben op grond van de Jeugdwet de eigenstandige bevoegdheid om toegang te verlenen tot alle jeugdhulp. Uitgangspunt bij een artsverwijzing naar aanvullende jeugdhulp is dat de afstemming met een lokaal team niet nodig is als er geen sprake is van een hulpvraag op meerdere levensgebieden. Huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen verwijzen naar basishulp of aanvullende jeugdhulp. Dit doen ze via de gebiedsknooppunten. Hiermee geeft de gemeente invulling aan haar taak om een volledig en samenhangend jeugdhulpstelsel te realiseren, waarbij vanuit een nauwe samenwerking met een beperkt aantal partijen de benodigde jeugdhulp wordt geboden. Alleen in die gevallen waarin de verwijzer zwaarwegende redenen heeft, wordt hiervan afgeweken. Dit is het geval als het door de gemeente gecontracteerde aanbod inhoudelijk niet toereikend en daarmee niet passend is. NB jeugdartsen van het Ouder- en Kindteam voeren wel gewoon als professional van een lokaal team het gesprek met de jeugdige en zijn/haar ouders en leggen afspraken vast in een integraal plan.
Omdat de huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen een zelfstandige bevoegdheid hebbenom te verwijzen op grond van de Jeugdwet wordt er door de gemeente geen beschikking aan de jeugdige of ouders afgegeven. Tweede lid, onderdeel b: crisissituaties In crisissituaties kan soms niet gewacht worden met de inzet van aanvullende jeugdhulp tot een integraal plan is opgesteld. In dit soort gevallen is het de jeugdhulpaanbieder toegestaan de spoedhulp te verlenen voordat een gesprek met het lokale team heeft plaatsgevonden en een integraal plan is opgesteld.
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting NB het gaat dan om kortdurende inzet. Wanneer daarna langdurig aanvullende jeugdhulp nodig is, dient alsnog een integraal plan opgesteld te worden. Derde lid Voor aanvullende jeugdhulp waarbij sprake is van een hulpvraag op meerdere levensgebieden wordt ervan uitgegaan dat altijd – ook bij een artsverwijzing – een integraal plan nodig is. Het gaat in die gevallen immers bijna altijd om hoogcomplexe en veelomvattende/meervoudige jeugdhulp, waarbij een integrale aanpak en continuïteit van het hoogste belang zijn. Het plan kan ook door de jeugdhulpaanbieder worden opgesteld. Waar nodig wordt het lokale team betrokken. Vierde lid Het kan voorkomen dat ouders en/of de jeugdige niet willen dat het lokaal team wordt betrokken. In die gevallen ondersteunt de jeugdhulpaanbieder de ouders en jeugdige bij het organiseren van ondersteuning op de andere levensgebieden. Vijfde lid Jeugdhulp is ook toegankelijk via een zorgteam van een speciaal onderwijslocatie. Dit lid beschrijft de werkwijze van jeugdhulp door een zorgteam van een speciaal onderwijslocatie. Het OKT (lokaal team) neemt deel in het zorgteam en neemt het besluit tot inzet van aanvullende jeugdhulp.
Zesde lid: betrekken van expertise In dit lid is opgenomen dat verwijzers en aanbieders nauw samenwerken in de toeleiding naar hulp, bijvoorbeeld als dat nodig is bij het bepalen van de hulpvraag.
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting Paragraaf 3: Toegang dyslexiezorg Artikel 3.7 Toegang tot dyslexiezorg Eerste lid
Paragraaf 3: Toegang dyslexiezorg Artikel 3.10 Toegang tot dyslexiezorg Eerste lid
Het besluit tot toekennen van een individuele voorziening voor dyslexiezorg geeft recht op diagnostisch onderzoek door een erkende (gecontracteerde) dyslexiebehandelaar. Wanneer op basis van het onderzoek vastgesteld wordt dat het inderdaad om ernstige enkelvoudige dyslexie gaat, kan de dyslexiebehandelaar ook gelijk verder met de behandeling. Hiervoor is dan geen tweede besluit nodig. Bij ernstige enkelvoudige dyslexiezorg gaat het om hardnekkige problemen bij het leren lezen en/of schrijven (spellen), die ook met extra ondersteuning in de klas niet verholpen kunnen worden. ‘Enkelvoudig’ slaat op het feit dat er geen sprake dient te zijn van een algemene ontwikkelingsachterstand (verstandelijke beperking) of ernstige gedragsproblematiek, die de behandeling van de ernstige dyslexie onmogelijk maken.
Het besluit tot toekennen van een individuele voorziening voor dyslexiezorg geeft recht op diagnostisch onderzoek door een erkende (gecontracteerde) dyslexiebehandelaar. Wanneer op basis van het onderzoek vastgesteld wordt dat het inderdaad om ernstige dyslexie gaat, kan de dyslexiebehandelaar ook gelijk verder met de behandeling. Hiervoor is dan geen tweede besluit nodig. Bij ernstige dyslexiezorg gaat het om hardnekkige problemen bij het leren lezen en/of schrijven (spellen), die ook met extra ondersteuning in de klas niet verholpen kunnen worden.
Het onderzoek en de behandeling dient plaats te vinden conform de professionele (landelijk) standaard voor dyslexiezorg (zie onder ander het Masterplan dyslexie). Hierover worden afspraken gemaakt in de contracten met de aanbieders. Tweede lid Een door het college (in samenspraak met het onderwijs) aangewezen poortwachter is verantwoordelijk voor de controle van het leerling-dossier. Indien dit niet volledig is, koppelt de poortwachter dit terug naar de verwijzende school, zodat zij alsnog passende extra begeleiding kunnen inzetten. Indien het leerling-dossier op orde is, geeft de poortwachter goedkeuring aan de doorverwijzing en kunnen ouders en school contact leggen met een gecontracteerde dyslexieaanbieder naar keuze. Daarnaast spreekt de poortwachter scholen aan op het
Het onderzoek en de behandeling dient plaats te vinden conform de professionele (landelijk) standaard voor dyslexiezorg. Hierover worden afspraken gemaakt in de contracten met de aanbieders.
Vernummering Tekstuele aanpassing.
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting moment dat zij signaleren dat er veel onvolledige dossiers worden aangeleverd. Derde lid De poortwachter werkt volgens de landelijke, professionele, standaard voor dyslexiezorg. Met dit derde lid wordt de mogelijkheid opgehouden dat college (kern)elementen van deze standaard ook vastlegt in nadere regels. Paragraaf 4. Toegang overige individuele voorzieningen jeugdhulp Artikel 3.8 Toegang overige individuele voorzieningen jeugdhulp In dit artikel wordt de toegang beschreven tot het aanbod van niet door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en de landelijke raamcontracten. Bij niet gecontracteerd aanbod neemt het college een besluit tot inzet van jeugdhulp door een niet gecontracteerde aanbieder op basis van een aanvraag van het lokale team of een andere bevoegde professional (bijvoorbeeld arts of gecertificeerde instelling). De gemeente heeft hiervoor een aanvraagformulier en procedure opgesteld, die niet vastliggen in de verordening zelf.
Artikel 3.11 Toegang overige individuele voorzieningen jeugdhulp In dit artikel wordt de toegang beschreven tot het aanbod van niet door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en de landelijke raamcontracten. Bij niet gecontracteerd aanbod neemt het college een besluit tot inzet van jeugdhulp door een niet gecontracteerde aanbieder op basis van een aanvraag van het lokale team of een andere bevoegde professional (bijvoorbeeld arts of gecertificeerde instelling). De gemeente heeft hiervoor een aanvraagformulier en procedure opgesteld, die niet vastliggen in de verordening zelf.
Bij het landelijke aanbod liggen afspraken over de toegang vast in de landelijke raamcontracten. Deze afspraken komen erop neer dat de betreffende jeugdhulpaanbieder de cliënt accepteert op basis van een verwijzing (van arts of andere bevoegde professional) en de aanbieder de gemeente na het opstellen van een hulpverleningsplan op de hoogte stelt van de start zorg. Deze jeugdhulpaanbieders hoeven dus niet te wachten met het starten van de zorg totdat het college een besluit heeft genomen.
Bij het landelijke aanbod liggen afspraken over de toegang vast in de landelijke raamcontracten. Deze afspraken komen erop neer dat de betreffende jeugdhulpaanbieder de cliënt accepteert op basis van een verwijzing (van arts of andere bevoegde professional) en de aanbieder de gemeente na het opstellen van een hulpverleningsplan op de hoogte stelt van de start zorg. Deze jeugdhulpaanbieders hoeven dus niet te wachten met het starten van de zorg totdat het college een besluit heeft genomen.
De route naar overige individuele voorzieningen verloopt over het algemeen hetzelfde als die voor specialistische jeugdhulp.
De route naar overige individuele voorzieningen verloopt over het algemeen hetzelfde als die voor aanvullende jeugdhulp.
Vernummering en specialistische jeugdhulp vervangen door aanvullende jeugdhulp.
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting Dit houdt onder meer in dat het in het geval van betrokkenheid van het lokale team er een integraal plan wordt opgesteld. Paragraaf 5: Persoonsgebonden budget Artikel 3.9 Het Pgb-plan Het Pgb-plan vormt een aanvulling op het integraal plan, maar vervangt deze niet. Hulpvraag en doelen (beoogde resultaten) liggen vast in het integraal plan. Alleen de details met betrekking tot de uitvoerder van de Pgb-zorg liggen vast in het Pgb-plan.
Paragraaf 5 Aanvullende regels persoonsgebonden budget Artikel 3.12 Het Pgb-plan Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden.
Aangepast n.a.v. actueel pgb proces.
Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 3.16 van de verordening. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn. Het pgb-plan wordt in het integraal plan opgenomen. De financieringsvorm van de hulp is het sluitstuk van de besluitvorming en maakt daar dus onderdeel van uit. Artikel 3.10 Onderscheid formele en informele hulp Eerste lid
Artikel 3.13 Onderscheid formele en informele hulp Eerste lid
Tekstuele aanpassingen
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting Voor de bepaling van het Pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere Pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd.
Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere pgb-tarief. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd.
Tweede lid Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er). Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad van de budgethouder. Overigens kunnen niet alle professionals (zoals vrijgevestigde vaktherapeuten) binnen de jeugdhulp zich registeren bij het SKJ.
Tweede lid en derde lid Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staat van de in de wet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft.
Derde en vierde lid Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in het tweede lid van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende Pgb-tarief. Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de
Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorggerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Een voorwaarde voor toekenning van een pgb is dat de hulpverlening die ingekocht wordt van goede kwaliteit is. Hiervoor gelden de kwaliteitseisen uit de wet. Eén van deze eisen is de verplichte registratie (artikel 4.1.6, vijfde lid, van de
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociaal netwerk. Bloedverwantschap ontstaat door geboorte, afstamming van dezelfde voorvader, erkenning, gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of adoptie. Bloedverwanten in de eerste graad zijn: (adoptie)ouders; (adoptie)kinderen. Bloedverwanten in de tweede graad zijn: grootouders; kleinkinderen; broers en zussen.
wet en paragraaf 5.1, van het Besluit Jeugdwet). Professionele hulpverleners die via een pgb hulpverlenen moeten dus in beginsel geregistreerd zijn, in het SKJ of BIG (register voor beroepen in de individuele gezondheidszorg). De inspectie controleert de kwaliteit van jeugdhulpverleners. Ook als het gaat om hulpverleners die ingekocht worden met een pgb. In bijzondere situaties kan de hulp verleend worden door een professional die niet geregistreerd is. De gemeente mag de hulp alleen door deze niet-geregistreerde professionals laten uitvoeren, als aannemelijk gemaakt kan worden dat de kwaliteit van de uit te voeren taak daardoor niet nadelig wordt beïnvloed (zie artikel 5.1.1, tweede lid, Besluit Jeugdwet). Vierde en vijfde lid Informele hulp is hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Bloedverwanten Bloedverwantschap ontstaat door: - geboorte; - afstamming van dezelfde voorvader; - erkenning; - gerechtelijke vaststelling van het vaderschap; - adoptie. Bloedverwanten zijn in de: Eerste graad: - (adoptie)ouders; - (adoptie)kinderen. Tweede graad: - grootouders; - kleinkinderen;
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting Artikel 3.11 Vaststellen hoogte persoonsgebonden budget Eerste lid Met jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten, zijn afspraken gemaakt over de tarieven voor de te leveren zorg. Voor jeugdhulpverleners die in het kader van een persoonsgebonden budget door ouders zelf betaald worden, gelden deze afspraken niet. De jeugdige en zijn ouders wordt gevraagd in goed overleg met het lokale team een inschatting te maken van de benodigde inzet, uitgedrukt in aantal uren, dagdelen of etmalen (afhankelijk van de aard van de zorg). Het lokale team maakt vervolgens een inschatting of het door de pgb-zorgverlener gevraagde aantal uren, dagdelen of etmalen en tarief reëel is en neemt hierover een besluit. Voor het berekenen van de maximale hoogte van het budget wordt uitgegaan van een vast tarief per zorgsoort. In een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 mei 2017 heeft de rechter in een zaak van de gemeente Emmen bepaald dat de essentialia van het voorzieningenpakket in de verordening dienen te worden vastgelegd. Hieronder valt ook de tariefdifferentiatie van het pgb. De rekentarieven zijn als gevolg van voornoemde uitspraak in de verordening opgenomen. De hier vastgelegde tarieven zijn rekentarieven die gebruikt worden om de hoogte van het Pgb te berekenen.
Het staat budgethouders vrij om een zorgverlener te contracteren die een hoger of lager tarief hanteert. Bij een hoger tarief dan het rekentarief dient de budgethouder zelf de extra kosten voor zijn/haar rekening te nemen (of genoegen te nemen met minder uren, dagdelen of etmalen inzet). Wanneer het tarief lager is dan het rekentarief heeft de budgethouder de vrijheid om meer uren zorg in te zetten.
broers en zussen.
Artikel 3.14 Vaststellen hoogte van het persoonsgebonden budget
Vernummering
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting
Tweede lid, onderdeel a, categorie I Onder formele hulp als het gaat om ambulante hulpverlening door inzet van praktische begeleiding en ondersteuning wordt verstaan: het (langdurig) aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen. Tweede lid, onderdeel a, categorie II Onder formele hulp als het gaat om ambulante hulpverlening door inzet van specialistische begeleiding wordt verstaan: specialistische begeleiding gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag. Tweede lid, onderdeel a, categorie III Onder formele hulp als het gaat om ambulante hulpverlening door inzet van specialistische behandeling wordt verstaan: (Kortdurende) GGZ-behandeling waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk. Tweede lid, onderdeel b, categorie I Onder formele hulp als het gaat om dagbehandeling of – begeleiding in groepsverband door inzet van praktische begeleiding en ondersteuning in groepsverband wordt verstaan: het in groepsverband (langdurig) aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen.
Tweede lid, onderdeel b, categorie II Onder formele hulp als het gaat om dagbehandeling of – begeleiding in groepsverband door inzet van specialistische
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting behandeling in groepsverband wordt verstaan: specialistische begeleiding in groepsverband gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag en/of waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk. Tweede lid, onderdeel c, categorie I Onder formele hulp als het gaat om verblijf met lichte begeleiding wordt verstaan: 24-uurs verblijf gericht op ontlasting van het gezin en op aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen. Inclusief begeleiding en/of persoonlijke verzorging. Tweede lid, onderdeel c, categorie II Onder formele hulp als het gaat om verblijf binnen een jeugdhulpinstelling door inzet van verblijf met specialistische begeleiding wordt verstaan: 24-uurs verblijf gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag, in groepsverband aangevuld met individuele begeleiding.
Tweede lid, onderdeel c, categorie III Onder formele hulp als het gaat om verblijf binnen een jeugdhulpinstelling door inzet van verblijf met specialistische behandeling wordt verstaan: 24-uurs verblijf voor jeugdigen met (ernstige) (lichamelijke) beperkingen waarbij specialistische kennis nodig is en/of medische handelingen uitgevoerd moeten worden waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting Tweede lid, onderdeel d Onder formele hulp als het gaat om vervoer van de jeugdige wordt verstaan: het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, voor zover naar het oordeel van het lokale team noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid (Jeugdwet artikel 2.3, tweede lid). Derde lid Voor informele hulp gelden lagere tarieven. Logeeropvang wordt gezien als een tegemoetkoming, waardoor geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, zie hiervoor de Regeling Jeugdwet. Vierde lid In dit lid is opgenomen dat de bedragen in het tweede lid jaarlijks worden geïndexeerd. Omdat de consumentenprijsindex (cpi) pas lopende het jaar bekend is, wordt gekeken naar de cpi van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar. Voor de indexatie van het jaar 2022 geldt dus de consumentenprijsindex van 2020.
Vierde, vijfde en zesde lid De in het tweede lid genoemde tarieven zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2025 en worden ieder opvolgend jaar geïndexeerd. De wijze van indexering is gelijk aan de indexering die van toepassing is op de door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieders.
Samengevoegd en aangepast aan nieuwe manier van indexeren.
Vijfde lid Het college draagt zorg voor de bekendmaking van de geïndexeerde bedragen.
Zevende lid Het college draagt zorg voor de bekendmaking van de geïndexeerde tarieven.
Vernummering
Artikel 3.12 Verstrekken persoonsgebonden budget formele hulp en informele hulp De formele zorgverlener dient te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet. Deze kwaliteitseisen gelden ook voor de formele zorgverleners die door middel van een Pgb worden ingezet.
Artikel 3.15 Verstrekken persoonsgebonden budget formele hulp en informele hulp De formele zorgverlener dient te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet. Deze kwaliteitseisen gelden ook voor de formele zorgverleners die door middel van een pgb worden ingezet.
Vernummering en aangepast en geactualiseerd n.a.v. proces pgb
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting In het jeugddomein komt het veelvuldig voor dat een persoonsgebonden budget gebruikt wordt om informele zorg, bijvoorbeeld geleverd door de ouder zelf, te bekostigen. Gemeenten mogen op grond van de Jeugdwet (artikel 8.1.1 derde lid) hieraan beperkingen stellen. De informele zorgverlener dient ook aan een aantal minimale kwaliteitscriteria te voldoen die horen bij de aard van de geboden ondersteuning. Dit betekent dat niet alle kwaliteitseisen die in de Jeugdwet gesteld worden aan jeugdhulpaanbieders onverkort voor de informele zorgverlener gelden, maar er wel basisvereisten zijn. Zo wordt geen registratie in een beroepsregister (SKJ of BIG) verwacht, maar kan de informele zorgverlener wel gevraagd worden aan te tonen over de juiste kennis en expertise te beschikken en/of ondersteuning door een professionele zorgverlener richting de informele zorgverlener goed geregeld te hebben.
In het jeugddomein komt het veelvuldig voor dat een persoonsgebonden budget gebruikt wordt om informele zorg, bijvoorbeeld geleverd door de ouder zelf, te bekostigen. Gemeenten mogen op grond van de Jeugdwet (artikel 8.1.1 derde lid) hieraan beperkingen stellen. De informele zorgverlener dient ook aan een aantal minimale kwaliteitscriteria te voldoen die horen bij de aard van de geboden ondersteuning. Dit betekent dat niet alle kwaliteitseisen die in de Jeugdwet gesteld worden aan jeugdhulpaanbieders onverkort voor de informele zorgverlener gelden, maar er wel basisvereisten zijn. Zo wordt geen registratie in een beroepsregister (SKJ of BIG) verwacht, maar kan de informele zorgverlener wel gevraagd worden aan te tonen over de juiste kennis en expertise te beschikken en/of ondersteuning door een professionele zorgverlener richting de informele zorgverlener goed geregeld te hebben.
Eerste lid, onderdeel a Zie de toelichting bij artikel 3.10.
Eerste lid, onderdeel a Zie de toelichting bij artikel 3.13.
Eerste lid, onderdeel b Het hulpverleningsplan is in overleg met de jeugdige en ouders opgesteld. Het geeft planmatig aan welke activiteiten worden ingezet om de in het integraal plan geformuleerde doelen (beoogde resultaten) te realiseren. Het moet aannemelijk zijn dat deze activiteiten uitgevoerd zullen worden zoals in het hulpverleningsplan voorgenomen en dat deze activiteiten adequaat zijn om de beoogde resultaten te realiseren. Eerste lid, onderdeel c De zorgaanbieder moet over een aantoonbaar werkzaam kwaliteitssysteem beschikken. Dit kan blijken uit een certificaat van de volgende keurmerken: ISO 9001, EN 15224, HKZ, Prezo of Kiwa (ZZP en kleine ondernemers). Een zorgaanbieder die niet over een certificaat beschikt moet op een andere manier
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting aantonen een werkend systeem te hebben voor het beheersen, bewaken, borgen en verbeteren van de kwaliteit van de hulpverlening. Eerste lid, onderdeel d Spreekt voor zich.
Eerste lid, onderdeel d In de jeugdhulp en jeugdbescherming wordt altijd gewerkt met professionals die over de juiste expertise beschikken, en die vakbekwaam zijn voor de taken waarvoor zij worden ingezet. Voor bepaalde taken betekent dit dat er geregistreerde professionals moeten worden ingezet. Het Kwaliteitskader Jeugd helpt om af te wegen welke taken door een geregistreerde dan wel een niet-geregistreerde professional uitgevoerd kunnen worden.
Eerste lid, onderdeel e In dit lid is opgenomen dat de hulpverlener die formele hulp verleent het mogelijk maakt dat een vertrouwenspersoon zijn taak uit kan voeren. Vertrouwenspersonen kunnen onafhankelijk informatie en advies geven aan jeugdigen en ouders die vragen hebben over de jeugdhulp. De vertrouwenspersoon kan jeugdigen en ouders ondersteunen bij het bespreekbaar maken van vragen, problemen of klachten en daarover helderheid te krijgen.
Eerste lid, onderdeel e In dit lid is opgenomen dat de hulpverlener die formele hulp verleent het mogelijk maakt dat een vertrouwenspersoon zijn taak uit kan voeren. Vertrouwenspersonen kunnen onafhankelijk informatie en advies geven aan jeugdigen en ouders die vragen hebben over de jeugdhulp. De vertrouwenspersoon kan jeugdigen en ouders ondersteunen bij het bespreekbaar maken van vragen, problemen of klachten en daarover helderheid te krijgen. Eerste lid, onderdeel g Voor de inrichting van de klachtenregeling gelden vanuit de Jeugdwet een aantal vereisten (zie artikel 4.2.1 van de wet). Eerste lid onderdeel h In dit lid is opgenomen dat de hulpverlener die formele hulp verleent het mogelijk maakt dat een vertrouwenspersoon zijn taak uit kan voeren. Vertrouwenspersonen kunnen onafhankelijk informatie en advies geven aan jeugdigen en ouders die vragen hebben over de jeugdhulp. De vertrouwenspersoon kan jeugdigen en ouders ondersteunen bij
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting het bespreekbaar maken van vragen, problemen of klachten en daarover helderheid te krijgen. Tweede lid, onderdeel a De sociale nabijheid van de informele hulpverlener staat – daar waar het om daghulp gaat – kwalitatieve zorg in de weg nu de vereiste professionele afstand dan niet geboden kan worden.
Tweede lid onderdeel a Met dit artikel wordt de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor informele zorg beperkt in verband met de vereiste professionele afstand die nodig is bij het bieden van jeugdhulp.
Tweede lid, onderdeel b Deze bepaling is een uitwerking van artikel 8.1.1 derde lid van de Jeugdwet dat de gemeenteraad de bevoegdheid geeft te bepalen onder welke voorwaarden de Pgb-houder de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
Tweede lid onderdeel b, c en d Deze bepalingen zijn een uitwerking van artikel 8.1.1 derde lid van de Jeugdwet dat de gemeenteraad de bevoegdheid geeft te bepalen onder welke voorwaarden de pgb-houder de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
Tweede lid, onderdeel c, categorie i Spreekt voor zich.
Tweede lid onderdeel e Onder i In dit onderdeel is opgenomen dat de informele hulpverlener beschikt over een geldige verklaring omtrent het gedrag (VOG). Uitzondering hierop is als de informele hulpverlener een ouder is, zoals bedoeld in de Jeugdwet. De verlener van informele hulp is verplicht de VOG desgevraagd te overhandigen aan het lokale team. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden.
Tweede lid, onderdeel c, categorie ii In dit lid is opgenomen dat de informele hulpverlener beschikt over een geldige verklaring omtrent het gedrag (VOG). Uitzondering hierop is als de informele hulpverlener een ouder is, zoals bedoeld in de Jeugdwet. De verlener van informele hulp is verplicht de VOG desgevraagd te overhandigen aan het lokale team. De Jeugdwet maakt voor de geldigheid van de VOG onderscheid tussen wel en niet onder een rechtspersoon werkende jeugdhulpverleners. De Jeugdwet bepaalt dat voor niet onder een rechtspersoon werkende jeugdhulpaanbieders (en vertrouwenspersonen) de VOG niet ouder mag zijn dan drie jaar. De gedachte die daar achter zit is de volgende:
Onderdelen ii en iii. Deze bepalingen zijn opgenomen om te waarborgen dat de hulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder.
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting Lid 4 (art. 4.1.6) regelt dat ook een jeugdhulpaanbieder die solistisch jeugdhulp verleent, dient te beschikken over een VOG van zichzelf. Het lijkt niet nodig om voor te schrijven dat een jeugdhulpaanbieder die solistisch jeugdhulp verleent de VOG steeds ongevraagd moet tonen aan elke jeugdige of ouder aan wie hij jeugdhulp verleent. Wel kan een jeugdige of ouder, bijv. bij de keuze voor een zzp’er, naar de VOG vragen en dan zal de zzp’er hem uiteraard een VOG moeten kunnen tonen. Het zou te ver gaan van de solistisch werkende jeugdhulpaanbieder te verlangen dat hij bij iedere nieuwe opdracht die hij aanneemt, een nieuwe VOG aanvraagt en anderzijds moet worden voorkomen dat de VOG veroudert zonder dat er iemand is die zich vergewist van de geschiktheid van de zzp’er voor zijn werk. Om die reden is opgenomen dat de VOG niet ouder mag zijn dan drie jaar. Voor rechtspersonen geldt dat de VOG vóór aanvang van de werkzaamheden in bezit moet zijn van de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling. De VOG mag daarom op het moment dat de betrokkene gaat werken voor de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling niet ouder zijn dan drie maanden. Tweede lid, onderdeel c, categorie iii Spreekt voor zich.
Tweede lid, onderdeel c, categorie iv In dit lid is opgenomen dat de informele hulpverlener calamiteiten direct meldt aan het lokale team. Meer informatie hierover is te vinden in de meldplicht calamiteiten, de richtlijn van de Inspectie voor de Gezondheidzorg en Jeugd. Tweede lid, onderdeel c, categorie v Spreekt voor zich.
Verordening Amsterdam Algemene Toelichting Tweede lid, onderdeel d Deze bepaling is opgenomen ter voorkoming van overbelasting van de informele hulp. De overbelasting wordt getoetst aan de arbeidstijdenwet. Verricht een informele hulpverlener ook betaalde arbeid dan mag hij in totaal gemiddeld 48 uur per week werken, conform de Arbeidstijdenwet. Het Pgb kan in deze gevallen (deels) geweigerd worden om zo overbelasting te voorkomen. Derde lid In dit lid is opgenomen dat als uit de toepassing van het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling blijkt dat hulp geboden moet worden door een geregistreerde professional, dit de inzet van iemand uit het sociaal netwerk uitsluit.
Derde lid Artikel 8.1.1 tweede lid aanhef en onder a van de wet stelt – voor zover van belang – als voorwaarde voor het verstrekken van een pgb dat de cliënt naar het oordeel van het college met hulp van zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het betreft onder andere taken als het aangaan van een overeenkomst, het aansturen van de hulpverleners en het bijhouden van een administratie. Als een hulpverlener het pgb beheert waaruit hij tevens bekostigd wordt, kan dit leiden tot belangenverstrengeling. Dit is ongewenst, omdat het belang van de hulpverlener niet boven dat van de cliënt mag gaan. Opgemerkt wordt dat het in gevallen denkbaar is dat de dubbelrol onvermijdelijk is. Zie de uitzonderingen onder a en b.