Voorstellen bestuurlijk stelsel VVD-fractie Amsterdam Nieuw-West (def)
Tekst van het document
VVD-FRACTIE AMSTERDAM NIEUW-WEST
Voorstellen bestuurlijk stelsel d.d. 8 januari 2021
Inleiding Voor de vergadering van de stadsdeelcommissie Amsterdam Nieuw-West op 26 januari 2021 is de evaluatie van het bestuurlijk stelsel geagendeerd. Alle fracties kunnen schriftelijke adviezen uitbrengen. Deze schriftelijke adviezen zullen aan de gemeentelijke raadscommissie worden overgebracht. Ook zal de stadsdeelcommissie (SDC) in de vergadering besluiten welke adviezen door een meerderheid kunnen worden ondersteund. De fractie van de VVD Amsterdam Nieuw-West maakt van deze gelegenheid gebruik om het eigen standpunt te verduidelijken en op basis daarvan 26 adviezen uit te brengen.
Algemene analyse Leden uit onze fractie hebben alle of bijna alle bestuurlijke stelsels in Amsterdam NieuwWest vanaf 1986/1990 van dichtbij meegemaakt, als stadsdeelraadslid, lid van de bestuurscommissie en als lid van de huidige stadsdeelcommissie, of anderszins. Als we kritisch kijken naar de drie stelsels, dan is er op alle stelsels wel iets aan te merken. De wens was en is dat de politiek dichter bij de burger staat, met als uitgangspunt dat Amsterdam te groot is om alleen vanuit de gemeenteraad te worden bestuurd. In alle stelsels is ingebouwd dat de gemeenteraad òf afstand doet van een aantal bevoegdheden en/òf zich laat adviseren door lagere bestuurslagen. Dit ging nooit van harte omdat het afstand doen van macht niet paste in de Amsterdamse politieke cultuur. Ook worden er terecht vraagtekens geplaatst bij de democratische legitimiteit van de gemeenteraad als gekozen orgaan voor de gehele stad, met een bepaalde meerderheid en een bepaald politiek programma. Als vastgelegde beleidspunten namelijk door een mandaat aan lagere bestuursorganen, geheel of gedeeltelijk kunnen worden aangepast, verwateren hoofdpunten van het beleid van de gemeenteraad en kunnen er onder invloed hiervan ongewenste beleidswijzigingen ontstaan. Het is dan wel de vraag of dit zo erg is, omdat de kern van het stedelijke beleid in stand blijft.
Daarnaast kan dit probleem van de democratische legitimiteit wel worden opgelost door met een gekozen vertegenwoordiging op een lager niveau te werken, waarbij de gemeenteraad eindverantwoordelijk blijft.
1
Wij vinden dat veel door het college en/of de gemeenteraad vastgesteld beleid te weinig flexibiliteit vertoont om in voldoende mate tegemoet te kunnen komen aan lokale situaties. Kortom: het stedelijk beleid op basis van een dichtgetimmerd coalitieakkoord is te star en vraagt om op de stadsdelen afgestemde wijzigingsmogelijkheden, die uiteraard door het college en/of de gemeenteraad moeten worden goedgekeurd. De bestuurlijke hiërarchie binnen de stad moet altijd gewaarborgd blijven, waarbij de eindverantwoordelijkheid bij de gemeenteraad moet blijven. Het is echter iedere keer de vraag hoe dat in de praktijk geregeld moet worden. De landelijke politiek heeft in 2014 ingegrepen, met als gevolg dat de instelling van lagere bestuursorganen, zoals de Amsterdamse stadsdelen, niet meer mogelijk werd gemaakt. Op basis van voortschrijdend inzicht en de ervaringen van de laatste jaren, vinden wij dat de bestuurlijke vrijheid om in een gemeente een stelsel in te richten dat aan de lokale cultuur en aan de eisen van lokale participatie voldoet, door de landelijke wetgeving te veel is ingeperkt. De mogelijkheden voor onze stad vinden wij nu dus te beperkt en een landelijke lobby voor meer vrijheid in dezen is ons inziens noodzakelijk. Het zoeken naar oplossingen binnen de huidige wetgeving zal altijd leiden tot een onevenwichtig en minder werkbaar stelsel.
Een verzoek aan de regering om een herziening van de inmiddels door de realiteit ingehaalde wetgeving te realiseren, ligt in deze situatie voor de hand. Maar wij willen uiteraard ook reëel blijven, waarbij wij in ogenschouw nemen dat wijziging van het landelijke beleid dat moest leiden tot een beperking van binnengemeentelijke decentralisatie, niet eenvoudig zal zijn. Mocht het verzoek worden gehonoreerd, dan zal een dergelijke wetswijziging wel enige tijd vragen en hoogstwaarschijnlijk nog niet voor de verkiezingen van 2022 gereed zijn. Toch vinden wij het met het oog op toekomst van het Amsterdamse bestuur van belang om te verzoeken de wet te gaan aanpassen. Het huidige bestuurlijke stelsel gaat in feite in tegen de uitgangspunten van het in 2014 vastgestelde landelijke beleid en zolang dit landelijke beleid blijft bestaan zal onze binnengemeentelijke organisatie, welk stelsel er ook gaat komen, een onvolmaakt geheel blijven.
Algemene adviezen 1) Onderzocht moet worden, of besluiten die door het college en/of de gemeenteraad worden genomen, een hardheidsclausule moeten krijgen, waarvan gezien lokale omstandigheden door stadsdelen kan worden afgeweken, welke besluiten daaronder vallen en hoe deze mogelijkheid tot afwijken kan worden doorgevoerd. 2) De wethouder voor de lokale democratie wordt verzocht een strategie te ontwikkelen om contact op te nemen met de minister van Binnenlandse Zaken, of anderszins (zoals de Burgemeester en/of het college of via de VNG), waarbij verzocht wordt een wetswijziging voor te bereiden die ertoe leidt dat een gemeenteraad meer vrijheid bij de inrichting van binnengemeentelijke decentralisatie zal verkrijgen.
2
Analyse huidige bestuurlijk stelsel Is dit stelsel nu in zijn geheel dusdanig mislukt, dat we pleiten voor afschaffing? Of zien we toch mogelijkheden, mocht de landelijke lobby voor meer vrijheid niet tot het gewenste resultaat leiden, om van dit stelsel nog een werkbaar geheel te maken? Ons uitgangspunt is: “iets is beter , dan niets”. Maar dat “iets” zal meer moeten voorstellen dan nu het geval is. Wij zien een aantal verbeterpunten die wij hieronder als adviezen zullen presenteren. Het belangrijkste punt is hoe bewoners te betrekken bij het besluitvormingsproces. De huidige leden van de stadsdeelcommissie Nieuw-West doen hun best om meer dan in het verleden, zich door bewoners, bedrijven en organisaties te laten informeren, teneinde goede adviezen uit te kunnen brengen. Van dit “ogen-en-oren-principe” wordt redelijk goed gebruik gemaakt en dit principe moet zeker als waardevol worden gekenschetst. Enerzijds is het een eer om als gekozen buurtvertegenwoordiger en lid van een politieke partij je maatschappelijke verantwoordelijkheid waar te mogen maken, anderzijds vloeien er veel verplichtingen uit voort die een behoorlijk beslag leggen op het privéleven. Tegenover deze ongemakken staan er terecht ook faciliteiten, zoals ondersteuning vanuit het stadsdeel en een financiële tegemoetkoming.
Hoe kunnen we bereiken dat een lid van een SDC zijn werk graag blijft doen? Vooral de ondersteuning vanuit de stadsdeelorganisatie om dit werk goed te kunnen doen, schiet nu helaas tekort omdat er door een tekort aan personele inzet te weinig tijd voor beschikbaar is. De beperkte vergoeding voor de fractieondersteuning lijkt op dit moment voldoende, maar bij een uitgebreidere taakomschrijving zal dit moeten worden herzien. De financiële tegemoetkoming voor de leden van de stadsdeelcommissie laat te wensen over, omdat een lid van de stadsdeelcommissie normaliter (anders dan in de coronatijd) vele wekelijkse contacten heeft en veel voorwerk moet verrichten, dat niet allemaal in de vergaderingen van de SDC zichtbaar wordt. Zijn bezigheden zijn veelomvattender dan alleen het bijwonen van vergaderingen en zijn werk moet hoger worden gewaardeerd, ongeveer op het niveau van de eerdere tegemoetkomingen voor leden van stadsdeelraden. Hoewel het wellicht voor buitenstaanders om minder belangrijke of zelfs controversiële zaken gaat, willen wij toch eerst een aantal voorstellen doen die de facilitering voor de commissieleden betreffen.
Voorstellen verbeteringen 3) Er moet een heldere taakomschrijving komen voor de leden van stadsdeelcommissies, met daarin een opsomming van de werkzaamheden van leden van de stadsdeelcommissie, waaraan ieder commissielid zich bij de benoeming committeert. 4) De ondersteuning voor leden van de stadsdeelcommissies vanuit de organisatie van stadsdelen en/of de gemeente moet structureel worden geregeld, met wellicht een uitgebreidere rol voor bestuursondersteuning of een rol voor een apart secretariaat. 5) De tegemoetkoming voor de leden van de stadsdeelcommissies moet meer worden afgestemd op de hoeveelheid werk die gevraagd wordt. Dit zal betekenen dat de vergoedingen moeten worden herzien. 6) De tegemoetkoming voor leden van de stadsdeelcommissies zal bestaan uit twee bestanddelen. Het eerste bestanddeel is de presentie tijdens vergaderingen van de stadsdeelcommissie, het tweede bestanddeel is een vaste, maandelijkse tegemoetkoming.
3
De vaste tegemoetkoming is gebaseerd op het feit dat het merendeel van de werkzaamheden buiten vergadertijd plaats vindt. De invloed van bewoners op de besluitvorming moet meer structureel geregeld worden. Wij zijn van mening dat er voor iedere wijk of wijkcombinatie in Nieuw-West wijkcomités moeten worden gevormd. Zo’n wijkcomité bestaat uit afvaardigingen van alle wijkorganisaties, waaronder ook bewonersorganisaties (of bij loting aan te stellen bewonersvertegenwoordigers bij het ontbreken van bewonersorganisaties), ondernemers, welzijnsorganisaties, ambtelijke vertegenwoordigers zoals een buurtcoördinator, de wijkagent, de regiegroep e.d. Een wijkcomité vergadert bijvoorbeeld ieder kwartaal op uitnodiging van de SDC, in aanwezigheid van of onder leiding van de voor die wijk verantwoordelijke stadsdeelcommissieleden, waarbij zij de ingenomen standpunten bespreken en aan de stadsdeelcommissie doorgeven. Gedacht wordt aan bijvoorbeeld vier wijkcomités voor iedere buurt, in totaal dus 16 wijkcomités. Mogelijk kan ook geadviseerd worden over aanwezige wijkbudgetten of over de verdeling van gelden zoals voorgesteld door een regiegroep. De financiering en de verzorging van de vergaderruimtes, de digitale en ambtelijke ondersteuning hiervoor wordt door het stadsdeel geregeld, dat hiervoor een specifiek budget verkrijgt.
De directe, incidentele contacten van en met bewoners blijven uiteraard bestaan. 7) Als aanvulling op de stadsdeelcommissies moet worden onderzocht of er structurele bewonersinvloed kan komen door het faciliteren van buurtcomités, al dan niet digitaal, waarbij de leden van de stadsdeelcommissie die verantwoordelijk zijn voor een bepaalde buurt een faciliterende rol krijgen en de vergaderingen bijwonen of voorzitten indien gewenst. De bevoegdheden van de leden van de stadsdeelcommissies zijn ontoereikend, zeker in vergelijking met de vroegere stadsdeelraden. Er klinkt in de notitie over de evaluatie vaak het verwijt door dat de huidige stadsdeelcommissies teveel gemeenteraadje willen spelen. Toch is het noodzakelijk voor een werkbaar stelsel dat de stadsdeelcommissies meer verantwoordelijkheden krijgen, waaronder ook een (beperkt) budgetrecht. Ook het toekennen van een te verdelen budget aan stadsdeelcommissies vinden wij logischer dan de toekenning van financiële middelen aan allerlei moeilijk te controleren organisaties. De Rekenkamer Metropoolregio Amsterdam heeft hier een aantal adviezen over uitgebracht1, die het waard zijn om nader te bestuderen en mogelijk in te voegen in een aangepast bestuurlijk stelsel.
Een ontwikkeling zoals het opnieuw uitwerken van een model dat lijkt op dat van de vroegere stadsdeelraden, is zonder een wetswijziging niet mogelijk, maar een toename van de bevoegdheden of mandatering lijkt goed mogelijk, indien de gemeenteraad de eindverantwoordelijke blijft en in staat is van enige directe invloed en macht af te zien. Indien binnen dit model meer bestuurlijke verantwoordelijkheid of beter nog, mandaten aan de SDC’s worden toegekend, kunnen de stadsdeelcommissies ook financiële adviezen geven over hoe prioriteiten moeten worden gedekt. Duidelijk is dat dan ook de stadsdeelcommissies inzicht moeten krijgen in de realisatie van begrotingen en wellicht ook kunnen adviseren over (beperkte) stadsdeelbegrotingen. De gemeenteraad besluit dan over de gegeven financiële adviezen.
1
https://publicaties.rekenkamer.amsterdam.nl/subsidies-maatschappelijke-en-bewonersinitiatievenonderzoeksrapport/index.html RMA
4
8) Onderzocht moet worden hoe de bevoegdheden van de stadsdeelcommissies kunnen worden uitgebreid, zonder afbreuk te doen aan de positie van de gemeenteraad als eindverantwoordelijke instantie. 9) Onderdeel van het onderzoek naar een uitbreiding van de bevoegdheden van de SDC’s dient te zijn hoe adviezen over de voor het stadsdeel geldende financiën kunnen worden ingevoerd. 10) Onderzocht moet worden of de adviezen over budgettering van de Rekenkamer Metropoolregio Amsterdam kunnen worden ingepast in een herzien bestuurlijk stelsel. Het buurtgericht werken, met daarbij als richtpunten de gebiedsagenda en de gebiedsplannen, is een goed product, voortgekomen uit een meer decentraal denken. De ambtelijke uitvoering onttrekt zich nu echter grotendeels aan het zicht van de SDC. Wij wensen dat de aansturing niet meer stedelijk, maar door de stadsdeelcommissies moet gebeuren, met de daarbij behorende tussentijdse voortgangsrapportages en managementsinformatie. Het opstellen en beoordelen van deze gebiedsplannen kunnen heel goed aan de SDC’s worden gemandateerd. Het initiatief ligt in deze opzet dus niet meer bij gemeentelijke instanties. Uiteraard zijn ook in deze nieuwe opzet gebiedscoördinatoren en verdere ambtelijke ondersteuning onmisbaar.
De stedelijke diensten werken vaak op dusdanige afstand, dat zowel het DB als de stadsdeelcommissies niet op de hoogte zijn van het beleid en de uitvoering. Beleid dat gestoeld is op stedelijke aannames voldoet vaak niet aan het gewenste maatwerk dat voor stadsdelen noodzakelijk is. De uitvoering is vaak al ver of voltooid, waarna de leden van de stadsdeelcommissie moeten reageren op signalen uit de buurt. Dan is het vaak al te laat. Dit moet voorkomen worden. 11) De aansturing van het buurtgericht werken op basis van de gebiedsagenda en het gebiedsplan, moet allereerst vanuit de stadsdeelcommissies gebeuren, met daarbij voldoende instrumenten en informatie voor de leden van de stadsdeelcommissie om ook tussentijdse sturing mogelijk te maken. 12) Onderzocht moet worden of een mandatering aan de SDC’s met betrekking tot het opstellen van de gebiedsagenda’s, gebiedsplannen en de uitvoering daarvan, mogelijk is binnen een herzien bestuurlijk stelsel. 13) Stedelijke diensten moeten verplicht worden de leden van de stadsdeelcommissies en de DB’s te informeren over voorgenomen beleid en de planning van de uitvoering, met de mogelijkheid om hierover nadere adviezen te geven. Adviezen van de stadsdeelcommissies moeten, anders dan nu het geval is, op een vast te stellen korte termijn terugkoppeling krijgen. Dit betreft zowel gevraagde als ongevraagde adviezen.
Het ligt voor de hand dit structureel te regelen via ruimte op de behandelingsflap van zaken in voorbereiding of direct als te agenderen punten bij de betreffende raadscommissies. Dus niet als ingekomen stukken, maar als documenten bij reeds geagendeerde punten of als nieuw te agenderen punt. Directe contacten tussen de betreffende raadscommissies en de stadsdeelcommissies zijn er op dit moment niet. Het zou goed zijn dit ook structureel te regelen over die punten die voor een SDC van belang zijn. Daarnaast moeten de agenda’s van de stadsdeelcommissies en de gemeenteraad of gemeenteraadscommissies, beter op elkaar worden afgestemd, waardoor de tijdsduur in verband met de voorbereiding van de behandeling niet te kort wordt. Ook moeten er geen stedelijke activiteiten op bijvoorbeeld de dinsdagavonden worden georganiseerd, wanneer de stadsdeelcommissies vergaderen. De terugkoppeling van gevraagde en ongevraagde adviezen schiet op dit moment, zowel inhoudelijk als procesmatig, tekort. Het afwijzen van adviezen moet gemotiveerd gebeuren, maar dit gebeurt 5
lang niet altijd voldoende onderbouwd. Algemene afwijzingen in de trant van “Het past niet in het vastgestelde beleid” zijn te algemeen en dienen beter onderbouwd te worden door meer rekening te houden met de specifieke situatie binnen een stadsdeel. Bij een betere onderbouwing van hoe er met de adviezen wordt omgegaan, krijgen deze een meer serieuze lading en betekenis als zwaarwegende adviezen. Afwijkingen van stedelijk beleid moeten mogelijk zijn, indien er in een stadsdeel een andere situatie aanwezig is dan in bijvoorbeeld de gebieden binnen de ring. 14) De informatievoorziening, de behandeling en de terugkoppeling van gevraagde en ongevraagde adviezen moet meer structureel geregeld worden, door bijvoorbeeld een directe agendering bij de betreffende raadscommissie(s), een vaste plek in het besluitvormingsproces en schriftelijke terugkoppeling aan de stadsdeelcommissies. 15) Structureel overleg over punten die voor een stadsdeel van belang zijn, moet vanuit de raadscommissies worden geregeld, bijvoorbeeld halfjaarlijks. 16) De agenda’s van gemeenteraad, gemeentelijke commissies en de stadsdeelcommissies moeten beter op elkaar worden afgestemd, zodat er haalbare tijdslimieten zijn.
17) Er moet rekening worden gehouden met de vergadermomenten van stadsdeelcommissies, zodat er zo min mogelijk stedelijke activiteiten worden gepland op vergadermomenten van de stadsdeelcommissies en andersom. 18) Afwijkingen van gegeven adviezen dienen uitvoerig gemotiveerd te worden teruggekoppeld aan de SDC’s, rekening houdend met de specifieke situatie binnen een stadsdeel. 19) Publicatie van adviezen van SDC’s en de terugkoppeling erop dient structureel zodanig te zijn, dat vooral de bewoners er eenvoudig kennis van kunnen nemen. De verkiezingen van de leden van de stadsdeelcommissies hinkten op twee gedachten. De leden van de commissie moesten vooral de bewoners vertegenwoordigen, maar zij konden ook een politieke achtergrond hebben. In de praktijk stonden de politieke idealen vaak op de voorgrond, maar het werken met gezond verstand werd wel door de bewonersinvloed afgedwongen. Die mix is in de praktijk wel werkbaar gebleken. Bij de komende verkiezingen zal de samenstelling van de kieslijsten toch weer op de uitsluitend politieke wijze moeten plaatsvinden, dus alleen via de politieke partijen, mede omdat er bij de vorige verkiezingen geen zelfstandige burgers zijn gekozen. Bewoners blijken zich namelijk meer te herkennen in de kandidaten van de politieke partijen.
Uiteraard blijft het bewoners vrij om een plaatselijke politieke partij op te richten en zich via die partij verkiesbaar te stellen. Het gedeeltelijke districtenstelsel, waarbij per buurt de kandidaten met de meeste stemmen in de stadsdeelcommissie kunnen komen, hoeft van ons niet te worden aangepast, omdat daarmee ook recht wordt gedaan aan de lokale bekendheid en het vertrouwen voor personen die in de buurten actief zijn. Daarnaast ontstaat er voor de gekozen vertegenwoordigers een morele verplichting om zich voor de buurt waarvoor ze gekozen zijn, extra in te spannen. Wel moet van meet af aan duidelijk zijn, dat ook de politieke idealen van kandidaten een belangrijke rol spelen. 20) Het systeem voor de verkiezingen van de leden van de stadsdeelcommissies dient zodanig te worden aangepast, dat kieslijsten slechts door politieke partijen kunnen worden ingediend. Er is afgesproken dat in de adviezen geen ruimte is om aandacht aan het DB te schenken. Op zich zijn we het er mee eens: wij moeten niet de pretentie hebben interne zaken, zoals de samenwerking college-DB, aan de orde te stellen. Hoewel het functioneren van het Dagelijks Bestuur niet de verantwoordelijkheid is van leden van de stadsdeelcommissie, moeten de leden wel goed kunnen 6
samenwerken met het Dagelijks Bestuur (DB). Dit hangt mede af van de positie die de leden van het DB in het stelsel innemen. Daar willen we wel aandacht aan besteden, omdat dit het functioneren van een SDC direct beïnvloedt. Het huidige verlengde van het stadsbestuur hinkt op twee gedachten, enerzijds is het een soort ambtelijke functie, anderzijds een getrapte politieke. Dit wekt bij iedereen, ook bij de bewoners verkeerde gedachten en verwarring op. Wij zijn van mening dat ook een DB zou moeten aansluiten bij de politieke verhoudingen in een stadsdeel, dus niet als een verlengd bestuur van het college. Als dit verlengde bestuur qua positie ongewijzigd blijft, ligt het meer voor de hand stadsdeelwethouders aan te stellen die direct samenwerken met enkele wethouders, met een kantoor in de Stopera, voortkomend uit de coalitiepartijen, ongeacht de politieke voorkeur van de stadsdeelbevolking. Deze wethouders rapporteren aan de gemeenteraad en de gemeenteraadscommissies en de SDC’s worden afgeschaft. Dit model vinden wij niet gewenst, omdat de afstand tot het dagelijkse gebeuren in het stadsdeel te groot wordt. Ook willen we een situatie vermijden in het geval het bestuurlijke stelsel in grote lijnen hetzelfde blijft, dat er portefeuillehouders komen die geen politiek draagvlak in de SDC hebben.
Wij willen niet nogmaals een situatie creëren dat er portefeuillehouders functioneren, zonder dat er in de SDC vertegenwoordigers van hun partij zitting hebben. Op dit moment zijn er twee portefeuillehouders in Nieuw-West actief, die lid zijn van de SP en D66, zonder dat er een vertegenwoordiging in de SDC is vanuit deze partijen. Dit zegt overigens niets over hun capaciteiten of over hun functioneren. Zakelijk gezien gaat een en ander wel naar behoren. In het huidige stelsel is een dergelijke samenstelling mogelijk, maar wij vinden dit op zijn minst ongeloofwaardig. Dit model vinden wij dus ook niet gewenst, omdat de afstand tot de politieke voorkeuren van de bevolking te groot wordt. Wij zien meer in een ontwikkeling die de andere kant op gaat. De minst vergaande vorm is dat het college een verlengd bestuur aanstelt in overleg met de leden van de SDC. Dat kan betekenen dat een stadsdeelbestuurder niet hoeft voort te komen uit een coalitiepartij en er meer rekening wordt gehouden met de politieke samenstelling van een SDC. Een verdergaand model is dat de SDC de leden van het DB voordraagt, òf uit hun midden, òf vanuit de in de SDC gekozen politieke partijen en het college of de gemeenteraad de voordracht overneemt.
Uiteraard kan een model, waarin het DB beschikt over een zeker politiek mandaat vanuit de bevolking, slechts functioneren, indien het DB kan beschikken over eigen bevoegdheden en voldoende mandaten om eigen beleid te kunnen voeren. De eisen voor de benoeming van DB-leden zullen nader moeten worden omschreven, in samenwerking met de huidige SDC’s. Een herziening van de mandaten van het DB ligt dus voor de hand, maar is slechts mogelijk indien ook de positie van de stadsdeelcommissies wordt verstevigd, zodat er ook een democratische controle op beleidspunten die door het DB aan de orde worden gesteld, mogelijk wordt. Het één kan niet los worden gezien van het andere. 21) Onderzocht moet worden, of het mogelijk is, indien de positie van stadsdeelcommissies kan worden verstevigd, ook de positie van de Dagelijkse Besturen te verstevigen. 22) De samenstelling van een DB moet zoveel mogelijk aansluiten bij de politieke verhoudingen binnen een stadsdeel. 23) De beschrijving van de benoemingseisen voor een DB-lid zal worden voorgelegd aan de SDC’s ter advisering. 24) Indien het DB een meer zelfstandige positie krijgt, zullen de te verstrekken mandaten gewijzigd worden, in samenspraak met de SDC’s.
7
25) De taken van de SDC worden aangevuld met de democratische controle op zelfstandige besluiten van een DB, die passen binnen het mandaat dat aan het DB is verstrekt. Deze democratische controle vindt plaats in de vorm van gevraagde adviezen. 26) De samenstelling van het Dagelijkse Bestuur van een stadsdeel of een tussentijdse wijziging daarvan, vindt plaats na overleg of op voordracht van de betreffende SDC. Op basis hiervan kan er een interne benoemingsadviescommissie uit de betreffende SDC worden geformeerd, indien gewenst. Wij nemen aan dat de gemeentelijke raadscommissie goed kennis neemt van onze aanbevelingen en adviezen. Hopelijk hebben wij vanuit onze ervaring op een creatieve wijze kunnen bijdragen aan de gedachtewisseling over verbeteringen van het bestuurlijke stelsel in Amsterdam, waarbij we de hoop uitspreken dat het college en de gemeenteraad de moed zullen hebben in te grijpen in het huidige stelsel en ervoor te zorgen dat de adviesfunctie van de stadsdeelcommissies meer gewicht zal krijgen.
Namens de VVD-fractie Amsterdam Nieuw-West Hans van der Straeten (fractievoorzitter)
8