CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening WIOR 2024.docx

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 26 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Nieuwe verordening en Nadere Regels WIOR 2024 (VN2024-011752)11.901 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Er is dan voldoende tijd om de werkzaamheden te programmeren en tot een goede projectstructuur te komen waarbinnen initiatiefnemers samenwerken en afspraken maken om de werkzaamheden zo efficiënt en effectief mogelijk uit te voeren tegen zo laag mogelijke (maatschappelijke) schade en waarmee de doelstellingen van deze verordening gehaald kunnen worden. Bedacht moet worden dat de doorlooptijden van het WIOR-proces daarmee niet gelijk zijn aan de wettelijke doorlooptijden van vergunning en instemmingsbesluit. In het WIOR-proces wordt namelijk ook de samenwerking (coördinatie) en afstemming vormgegeven. Deze duurt langer dan de wettelijke termijnen voor vergunning of instemming, maar zonder samenwerking en afstemming zouden de kosten van de (maatschappelijke) schade neerdalen op de vele solo uitgevoerde projecten en de gemeenschap. Denk alleen al aan de kosten van de verminderde bereikbaarheid, het telkens opnieuw herstellen van het maaiveld en de omzetderving van ondernemers in de omgeving. Na de gezamenlijke voorbereiding en afstemming kan direct de vergunning of het instemmingsbesluit worden afgegeven. Alle elementen zijn immers al in de gezamenlijke voorbereiding al aan de orde geweest.

21

Niet alle werkzaamheden hoeven gezamenlijk (gecombineerd) te worden uitgevoerd. Solo werkzaamheden doorlopen ook het WIOR-proces, maar de regie op deze werkzaamheden kan wel binnen de gestelde termijnen worden vormgegeven en opgenomen in vergunning en instemmingsbesluit. Ondanks het verschil in omvang en voorbereiding worden als richtsnoer de volgende minimale doorlooptijden aangegeven voor gecombineerde projecten: voor een ‘groot WIOR-werk’ 11 maanden en voor een ‘middelgroot WIOR-werk 6 maanden. Kleine werkzaamheden kunnen drie dagen voor start worden aangemeld. Ondanks de bovengenoemde termijnen blijft het adagium ‘zo vroeg mogelijk aanmelden’. Hoe vroeger aangemeld hoe groter de kans dat de werkzaamheden voortvarend verlopen. Het is aan de projecten zelf om dit in te vullen en hierin verantwoordelijkheid in te nemen. Lid 3. De aanvraag voor vergunning of instemming geschiedt doorgaans door of ten behoeve van de opdrachtgever van de werkzaamheden. De opdrachtgever is degene die zeggenschap heeft over de infrastructuur die aangebracht moet worden of die juridisch bevoegd is om opdracht te geven tot de werkzaamheden. Veelal betreft het de netbeheerder of gemeente (assetmanager), of de gemachtigde aannemer(s). Lid 4 & 5 .

Zowel voor werkzaamheden die plaatsvinden op basis van alleen de aanmelding, als voor werkzaamheden waarvoor ook vergunning en instemming zijn vereist, geldt dat ook een kennisgeving moet worden gedaan vlak vóór de aanvang van de werkzaamheden en kennisgeving direct na afloop van de werkzaamheden. Zo weet de gemeente waar en wanneer gewerkt wordt en kan het schadeherstel (herstraten) efficiënt plaatsvinden. Artikel 11. Lid 1. Aanmelding geschiedt op basis van een bij het Coördinatiestelsel aangemaakt account. Op basis van het account kunnen alle werken aangemeld worden. Bedrijfsgegevens hoeven daarmee maar éénmaal te worden verschaft. Hoe beter de informatie bij de aanmelding, hoe effectiever en efficiënter het voorbereidingsproces verloopt, Op basis hiervan kunnen de eigenaren van assets beter inschatten in hoeverre de werkzaamheden gevolgen hebben voor hen en kan de gemeente inschatten wat de impact van het werk is en stappen binnen het WIOR-proces en de uitvoering bepalen. Onvoldoende of slechte informatie leidt bijna altijd tot faalkosten zowel voor het eigen initiatief als voor andere netbeheerders en betrokkenen. Ook kan bij de aanmelding worden aangeven of het een calamiteit betreft of betrof. Op basis daarvan kan dan een aangepast (spoedeisend) proces worden gevolgd. Lid 2.

De aanvraag voor en vergunning is gebaseerd op de afspraken en documenten (Tracéakkoord en het BLVC-plan) die binnen het WIOR-proces zijn gemaakt. Als het WIOR-proces goed is doorlopen hoeven geen aanvullende gegevens te worden verschaft. Lid 3. Ook de kennisgeving van start en eind werkzaamheden geschiedt op basis van het Coördinatienummer en de daaronder opgeslagen gegevens. Wel dienen ten behoeve van het

22

herstel van het maaiveld gegevens te worden verschaft over het te herstellen oppervlak en materiaal. Artikel 12 Lid 1. Het komt geregeld voor dat voor werkzaamheden, of om die werkzaamheden uit te kunnen voeren, ook nog andere vergunningen nodig zijn, zonder welke het geenszins vaststaat of de werkzaamheden doorgang zullen vinden. Dit artikel biedt de mogelijkheid om een aanvraag in een dergelijke situatie aan te houden. Het gaat om een procedurele afstemming met andere vergunningen. De afstemming gaat niet zover dat een vergunning geweigerd kan worden als bijvoorbeeld ook een omgevingsvergunning nodig is en deze geweigerd is. Het is aan de aanvrager om zich in een dergelijk geval te beraden in hoeverre zijn aanvraag nog zinvol is. Het aanhouden is uitdrukkelijk een bevoegdheid. Indien planning van de werkzaamheden moeilijk is omdat het niet zeker is of de werkzaamheden wel doorgaan, kan het aanhouden van de aanvraag uitkomst bieden. Bedacht moet worden dat het goed mogelijk is dat degene die verantwoordelijk is voor de benodigde vergunning op basis van deze verordening of het instemmingsbesluit, niet altijd dezelfde (rechts)persoon is die bijvoorbeeld verantwoordelijk is voor de omgevingsvergunning.

Door de aanhoudingsmogelijkheid in deze bepaling wordt de aanvrager van een vergunning of indiener van een melding wel verplicht al in een vroeg stadium na te denken welke vergunningen er nodig zijn om de werkzaamheden daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. Lid 2. Na aanmelding of kort voor de aanvraag kunnen zich onverwachte (maatschappelijke) ontwikkelingen voordoen (demonstraties, ernstige weersomstandigheden etc) waardoor er grote risico’s aan de uitvoering van de werkzaamheden verbonden zijn. In dat geval kan het college vergunning en instemmingbesluit aanhouden. Artikel 13. Dit artikel bevat de gronden waarop een vergunning geweigerd kan worden. De weigeringsgronden zullen zich niet gauw voordoen indien de aanvrager voldaan heeft aan van artikel 4 en paragraaf 2 (artikelen 9, 10, 11, 12 en 13) en de overlegorganen van het Coördinatiestelsel positief hebben geadviseerd. Op grond van die artikelen behoort het Coördinatiestelsel tijdig geïnformeerd te worden over voorgenomen werkzaamheden, zodat de werkzaamheden aan de overlegorganen voorgelegd kunnen worden. In de overlegorganen wordt aandacht geschonken aan de meeste aspecten die verlening van de vergunning in de weg zouden kunnen staan. Indien binnen de overlegorganen goede afspraken worden gemaakt, mag de aanvrager er in beginsel dus van uitgaan dat er geen gronden zijn om de vergunning te weigeren. Artikel 14. Lid 1.

Wat specifiek is voor bepaalde werkzaamheden kan door middel van voorschriften of beperkingen aan de vergunning of het instemmingsbesluit worden gereguleerd. Vanzelfsprekend kunnen deze voorschriften uitsluitend worden opgelegd op grond van de belangen genoemd in dit artikel. Lid 2. Dit lid bevat de voorschriften die in ieder geval aan een vergunning of een instemmingsbesluit verbonden worden. De woorden “in ieder geval” brengen tot uitdrukking dat ook andere voorschriften gegeven kunnen worden. 23

Lid 3. Tevens is voorzien in de mogelijkheid om een financiële zekerheid te verlangen ter bevordering van de in de vergunning of het instemmingsbesluit, dan wel in de nadere regels gestelde verplichtingen, bijvoorbeeld ten aanzien van het herstel van de openbare ruimte. Het vragen van een financiële zekerheid is redelijk, gezien de schade die door het niet in acht nemen van de gestelde regels en voorschriften voor de gemeente kan ontstaan. Artikel 15. Degene die op basis van de aanmelding kleine werkzaamheden verricht, de vergunninghouder of de houder van een instemmingsbesluit moeten zorgen dat de algemene en bijzondere uitvoeringsvoorschriften worden nageleefd. Doorgaans zal het om een rechtspersoon gaan. Uiteraard handelt die rechtspersoon niet zelf doch laat ze zich door natuurlijke personen vertegenwoordigen. Indien bijvoorbeeld een medewerker van een telecombedrijf werkzaamheden verricht, doet hij dat namens de rechtspersoon. Bij geschillen wordt dan ook niet de medewerker, maar de vergunninghouder of de houder van een instemmingsbesluit aangesproken. Indien een voorschrift van een vergunning of instemmingsbesluit wordt overtreden, kan naast de vergunninghouder of de houder van een instemmingsbesluit ook de feitelijke overtreder aangesproken worden. Wie als overtreder kan worden aangemerkt is afhankelijk van de omschrijving van de geschonden norm. Artikel 16.

Dit artikel bevat de gronden waarop een vergunning of instemmingsbesluit ingetrokken kan worden. De weigeringsgronden zullen zich niet gauw voordoen indien de aanvrager de juiste gegevens heeft verstrekt en zich houdt aan de uitvoeringsvoorschriften op grond van artikel 6 en de voorschriften die aan de vergunning of het instemmingsbesluit zijn verbonden. Hooguit onvoorziene omstandigheden die de uitvoering risicovol maken kunnen leiden tot intrekking. Ook kan een vergunning, instemming (of kabels en leidingen die liggen op basis van een aanmelding) worden ingetrokken als het netwerk niet langer de functie heeft waarop de toestemming voor klein werk, vergunning en instemming zijn verstrekt. Ook bij het ruimen van kabel- en leidingnetwerken worden vergunning, instemming en toestemming ingetrokken. Artikel 17. Lid 1. Het is van groot belang dat het College op de hoogte is als er sprake is van rechtsopvolging. Rechtsopvolging kan immers gevolgen hebben voor de rechtsverhouding tussen de vergunninghouder en het College. Zie de toelichting bij artikel 19. Lid 2. Deze bepaling is noodzakelijk omdat de gedoogplicht uitsluitend betrekking heeft op openbare netwerken. De aanleg van particuliere netwerken kan worden verboden, althans een vergunning daarvoor kan, als het algemeen belang zich daartegen verzet, worden geweigerd. Artikel 18.

Uit deze bepaling volgt dat bij rechtsopvolging een vergunning of een instemmingsbesluit wordt overgeschreven. De vergunning of het instemmingsbesluit (en de daarbij behorende rechten en plichten) gaat dan over op de rechtsopvolger. Daarmee komt een einde aan de rechtsverhouding tussen College en de oorspronkelijke vergunninghouder, en ontstaat een rechtsverhouding tussen College en degene op wiens naam de vergunning of het instemmingsbesluit is overgeschreven. Hoofdstuk 4 24

Dit hoofdstuk omvat de bepalingen over het herstel van de openbare ruimte nadat werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Naast een beginselplicht tot het herstellen van de openbare ruimte zijn artikelen opgenomen over de wijze waarop de kosten worden berekend en voor wiens rekening ze komen. Verder is geregeld onder welke omstandigheden kabel- en leidinginfrastructuur verplaatst moet worden en wie de kosten hiervoor draagt. Artikel 19. Lid 1. De openbare ruimte hoeft niet in een betere staat te worden gebracht dan voordat de werkzaamheden werden uitgevoerd. Om die reden wordt in beginsel uitgegaan van de “aangetroffen staat” van de aanwezige infrastructuur. Dit ligt evenwel anders indien de werkzaamheden plaats vinden in een gebied waar de openbare ruimte minder dan vijf jaar geleden is ingericht of volledig is vernieuwd. Wanneer het om wat voor reden ook toch noodzakelijk is om binnen vijf jaar opnieuw de betreffende openbare ruimte op te breken gelden er extra eisen aan het herstel. Dit kan zelfs inhouden dat de volledige straat of stoep over de lengte waarin een sleuf is gegraven opnieuw aangestraat dient te worden in plaats van alleen de sleuf, teneinde het ‘nieuwe’ uiterlijk te behouden en bijvoorbeeld ‘littekenweefsel’ te voorkomen. Met andere woorden, het herstellen in aangetroffen staat.

Vlak voor de aanvang van de werkzaamheden wordt daarom een schouw (nulmeting) uitgevoerd van de plaats waar de werkzaamheden plaats zullen vinden. Dit om te voorkomen dat later niet meer duidelijk is hoe de staat van de openbare ruimte was. Na beëindiging van de werkzaamheden moet zo spoedig mogelijk wederom een schouw worden uitgevoerd, om eventuele schade aan de infrastructuur vast te kunnen stellen. Herstel van de bestaande infrastructuur reikt, gelet op de beschrijving van infrastructuur in artikel 2, verder dan het herstel van het wegdek. Bij ingravingen in plantsoenen dient het groen weer hersteld te worden. Dit houdt in het herstel van gazons, gerooide struiken, vaste planten, enz. In de Nadere regels WIOR is het proces van het schadeherstel nader uitgewerkt. . Lid 3. De opdrachtgever van werkzaamheden zal doorgaans een rechtspersoon zijn die bevoegd is opdracht te geven tot de werkzaamheden, bijvoorbeeld een kabel- en leidingbeheerder of een stadsdeel. In beginsel worden kosten toegerekend aan degene in wiens naam de werkzaamheden worden uitgevoerd. Het is evenwel goed mogelijk - en veelal ook wenselijk - dat werkzaamheden gecombineerd worden uitgevoerd. In principe is dan iedere partij aansprakelijk voor de kosten voor of ten gevolge van zijn aandeel in de uitvoering van werkzaamheden in de openbare ruimte. In de Nadere Regels is dit onderwerp nader uitgewerkt. Lid 4.

Omdat al op voorhand bekend is dat er, ook bij goed herstel van de openbare ruimte, toch sprake is van een blijvende kwaliteitsachteruitgang wordt bij de berekening van de kosten rekening gehouden met degeneratie en extra onderhoud. Daarnaast worden beheerkosten in rekening gebracht, dat zijn de kosten die de gemeente maakt voor de administratieve afhandeling en het toezicht op de kwaliteit van het herstel. Onder degeneratie wordt verstaan de achteruitgang van de levensduur van de wegverharding als gevolg van graafwerkzaamheden. De degeneratie is mede afhankelijk van de bodemgesteldheid.

25

De doorberekening van degeneratie, extra onderhoud en beheer moet in principe zodanig zijn dat over een langere periode beschouwd, de kosten die de gebiedsbeheerder als gevolg van de schade aan de infrastructuur moet maken, door deze doorberekening gedekt worden. De woorden “tenzij dat niet redelijk is” betekenen dat per keer bezien moet worden of het wel redelijk is dat met – alle – kostenaspecten rekening wordt gehouden. Zo is het bijvoorbeeld niet redelijk dat met degeneratie-effecten rekening wordt gehouden als een wegdek geheel, dat wil zeggen van trottoir tot trottoir respectievelijk van gevel tot gevel wordt vernieuwd. Artikel 20. Dit artikel geldt slechts voor vergunninghouders en niet voor telecomaanbieders. De Telecommunicatiewet voorziet reeds in een regeling voor het opruimen van kabels waarop geen gedoogplicht meer rust. Uit de Telecommunicatiewet volgt dat de gedoogplicht voor nieuwe kabels eindigt wanneer kabels gedurende tien jaar geen onderdeel meer uitmaken van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Dit is het geval bij kabels waarvan de (glasvezel)verbinding niet actief is. Voor die tijd kunnen telecomaanbieders natuurlijk wel op basis van vrijwilligheid of op basis van een redelijk verzoek van de gemeente besluiten om niet meer in gebruik zijnde kabels op eigen kosten te verwijderen, wanneer de grond ter plaatse vanwege werkzaamheden toch open ligt.

Lid 1. Teneinde de – vaak schaarse – ondergrond zo efficiënt mogelijk te kunnen gebruiken is het niet wenselijk dat zich hierin ongebruikte en nutteloze kabel- en leidinginfrastructuur bevindt. Daarom is bepaald dat melding moet worden gedaan van het niet meer in gebruik zijn van kabelen leidinginfrastructuur. In de praktijk wordt tijdens de ontwerpfase van werkzaamheden in kaart gebracht of er zich op de betreffende locatie niet meer in gebruik zijnde kabel- en leidinginfrastructuur bevindt. Lid 2. Dit lid voorziet in de mogelijkheid de vergunninghouder te verplichten zijn niet meer in gebruik zijnde kabel- en leidinginfrastructuur op eigen kosten te verwijderen. Het kan hierbij in het belang van de gemeente als wegbeheerder zijn dat oude kabels niet onmiddellijk worden verwijderd; daarvoor moet immers de straat worden opengebroken. Het ligt voor de hand dit pas te doen op het eerstvolgende moment dat de weg wegens andersoortige werkzaamheden toch moet worden opengebroken. Indien de vergunninghouder zijn oude kabels wil vervangen door nieuwe kan aan de vergunning een voorschrift inzake de opruiming worden verbonden. Artikel 21. Ook dit artikel geldt expliciet alleen voor een vergunninghouder en niet voor een telecomaanbieder.

De verplichting van een aanbieder om zijn kabels, al dan niet voor eigen rekening, te verplaatsen is namelijk al geregeld in artikel 5.8 van de Telecommunicatiewet. Het eerste lid regelt de verplichting van de vergunninghouder om ten aanzien van zijn kabel- en leidinginfrastructuur op eigen kosten maatregelen te nemen indien dit nodig is voor het uitvoeren van gemeentelijke werkzaamheden. In de meeste gevallen gaat het dan om verplaatsing van kabels en leidingen, maar soms is het aanbrengen van beschermende voorzieningen ook voldoende. In Amsterdam wordt sinds vele jaren geen vergoeding (precario) gevraagd voor het hebben van kabel- en leidinginfrastructuur in de grond. In een dergelijke situatie is het reëel toepassing te geven aan het beginsel: “liggen om niet, verleggen om niet”. Vandaar dat de maatregelen op eigen kosten moeten worden genomen.

26

Lid 2. Er kunnen zich situaties voordoen waarin het niet redelijk is om de kosten van de maatregelen voor rekening te laten komen van de vergunninghouder. In de Nadere Regels worden die situaties omschreven waarin op voorhand duidelijk is dat een andere verdeling van de kosten gerechtvaardigd is en de vergunninghouder dus recht heeft op zogenaamde nadeelcompensatie. Artikel 22. Het gaat in dit artikel bijvoorbeeld om riolering, lichtmasten, straatmeubilair zoals afvalbakken, bankjes of fietsrekken en om groenvoorzieningen zoals bomen. Vanwege de aanleg van kabel- en leidinginfrastructuur kan het nodig zijn deze zaken te verplaatsen of om (beschermings)maatregelen te nemen. Artikel 23. Over de wijze waarop de openbare ruimte hersteld wordt, de wijze waarop de berekening van de kosten hiervoor plaatsvindt én de verdeling van de projectkosten als bedoeld in de begripsomschrijvingen, artikel 1 onder u, heeft het College in de Nadere Regels een verdeelsleutel opgesteld. Hoofdstuk 5 Artikel 24. De Verordening werken in de openbare ruimte is een zogenoemde strafverordening. Dat betekent dat de overtreder in de gevallen genoemd in dit artikel strafrechtelijk kan worden vervolgd. Voor de vraag wie als overtreder aangemerkt kan worden, is niet beslissend aan wie de toestemming voor klein werk, een vergunning of een instemmingsbesluit (ooit) is verleend.

Degene die de verboden activiteit verricht kan worden aangesproken als – zoals uit de jurisprudentie blijkt – de verdachte/overtreder het in zijn/haar (feitelijke en juridische) macht heeft om de overtreding te laten beëindigen. Artikel 25. Het toezicht op de naleving wordt uitgebreid geregeld in de Algemene wet bestuursrecht, afdeling 5.2. Op basis van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht zijn burgemeester en wethouders bevoegd bestuursdwang aan te zeggen of een last onder dwangsom op te leggen, als in strijd met een bij of krachtens een wettelijk voorschrift gestelde verplichting wordt gehandeld. Volgens vaste jurisprudentie dient een aanzegging bestuursdwang of een lastgeving onder dwangsom gericht te worden tot degene die het in zijn macht heeft aan de aanschrijving of lastgeving te voldoen. Indien nu een vergunninghouder voor de uitvoering van werkzaamheden een aannemer in dienst neemt die zich niet aan de vergunningvoorschriften houdt, kunnen zowel de vergunninghouder als de aannemer worden aangeschreven. Beiden hebben het immers in hun macht om een einde te maken aan de situatie. De vergunninghouder kan via de privaatrechtelijke verhouding de aannemer opdracht geven de onwettige situatie te beëindigen. De aannemer kan de mensen die het werk daadwerkelijk uitvoeren opdracht geven aan de aanschrijving te voldoen. Artikel 26.

Dit artikel maakt het mogelijk om in individuele gevallen, waarin toepassing van deze verordening (gegeven het doel en de strekking ervan) een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren, een onderdeel van deze verordening buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Hoofdstuk 6 27

Artikel 27. Deze nieuwe verordening gaat uit van onmiddellijke werking. De verordening is niet alleen van toepassing op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, maar ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen. Alle verleende vergunningen en instemmingsbesluiten (en de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen) die verleend zijn voor het inwerkingtreden van deze gewijzigde verordening, worden beschouwd als te zijn verleend op basis van de (gewijzigde) Verordening Werken In de Openbare Ruimte (WIOR). Omdat de gewijzigde Verordening werken in de openbare ruimte voor het grootste deel steunt op de voorgaande versie (en de feitelijke gang van zaken in hoofdlijnen ongewijzigd blijft) bestaat er geen beletsel tegen onmiddellijke inwerkingtreding.

28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14519671/1