Uitspraak rechtbank Amsterdam 22 feb 2022.pdf
Tekst van het document
Verder is de rechtbank van oordeel dat het uitgangspunt dat de oudste vergunning als eerste wordt omgezet niet discriminatoir is. Dit uitgangspunt sluit aan bij de periode dat een vergunninghouder profijt heeft kunnen hebben van de vergunning. Vergunninghouders met één vergunning zijn niet gelijk aan vergunninghouders met meerdere vergunningen. Laatstgenoemden hebben voordeel van het feit dat vergunningen per vergunninghouder per segment worden gespreid en van het feit dat zij eenmalig kunnen schuiven in hun volgorde van vergunningen. Die voordelen hebben vergunninghouders met maar één vergunning niet. Artikel 5, vierde lid van de Beleidsregels komt de vergunninghouders met één vergunning om die reden tegemoet. De rechtbank overweegt dan ook dat, in tegenstelling tot wat de reders betogen, artikel 5, vierde lid, van de Beleidsregels niet in strijd is met het evenredigheids- gelijkheids- en/of zorgvuldigheidsbeginsel. Verder overweegt de rechtbank dat het college aansluiting heeft kunnen zoeken bij de oude segmentindeling ten behoeve van de rangschikking. Aansluiting bij de nieuwe segmenten is immers nog niet mogelijk, omdat het college niet van te voren weet in welke segmenten vergunninghouders zich willen inschrijven. Tot slot overweegt de rechtbank over de rangschikking dat de keuzes van het college mogelijk ook anders hadden kunnen zijn.
Inherent aan een veelomvattend omzettingssysteem als hier is dat meerdere opties denkbaar zijn. Zo hebben de reders gewezen op de mogelijkheid van een loting en de mogelijkheid om aan te sluiten bij de datum dat een boot daadwerkelijk in de vaart wordt genomen. Voor zover deze methodes als reële alternatieven zijn te beschouwen, maakt dat echter niet dat het systeem waarvoor het college heeft gekozen de rechterlijke toets niet kan doorstaan.
Bieden de Verordening en de Regeling voldoende grondslag voor de omzettingen?
36. De reders hebben aangevoerd dat de Regeling en de Verordening onvoldoende grondslag bieden voor het college om het volume van de vergunningen vast te stellen op 550. 37. De rechtbank overweegt als volgt. Nog daargelaten dat de hoogte van het vergunningenplafond in deze procedure niet voorligt, is de rechtbank is, anders dan de reders aanvoeren, van oordeel dat artikel 3.1.1, eerste lid, van de Regeling en artikel 2.4.4, tweede lid, van de Verordening grondslag bieden voor het college om het volume van de vergunningen vast te stellen op 550. De intitulé, of het opschrift van de Regeling, waarover de reders op zichzelf juist hebben opgemerkt dat daarin alleen naar de artikelen 2.1.12 en 2.4.7 van de Verordening wordt verwezen, laat onverlet dat ook andere nadere regels dan in die artikelen genoemd in de Regeling mogen staan. Het opschrift is dus niet limitatief. De nadere regels in de Regeling die niet direct tot de in het opschrift genoemde artikelen zijn te herleiden, moeten wel vallen binnen de context van de regelgeving over het Amsterdamse binnenwater en moeten een eigen grondslag hebben. De nadere regel dat het volume is bepaald op 550 valt binnen die context en heeft zijn grondslag in de bepaling van de Verordening dat het college een maximaal aantal vergunningen vast kan stellen.
Het evenredigheidsbeginsel
38. De reders hebben verder aangevoerd dat het volumebeleid in strijd is met artikel 3.4, tweede lid, van de Awb, het evenredigheidsbeginsel. 39. De rechtbank overweegt dat de ratio van het evenredigheidsbeginsel niet is dat nadelige gevolgen van de besluitvorming moeten worden tegengegaan, maar dat onnodig nadelige gevolgen van de besluitvorming voorkomen moeten worden.66 Een besluit met ‘harde gevolgen’ is daarom niet per definitie een onevenredig besluit. Bij de evenredigheid spelen de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van een besluit een rol. Bij de beoordeling en de toetsing of een besluit evenredig is moeten de aard en het gewicht van de bij het besluit betrokken belangen en de ingrijpendheid van het besluit en de mate waarin het fundamentele rechten van de belanghebbende aantast worden betrokken.67 Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit niet onevenredig. De rechtbank betrekt hierbij al hetgeen hierboven is overwogen in het kader van het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en verwijst naar die overwegingen.
De individuele beroepsgronden van eiseres
40. Eiseres exploiteert 5 vaartuigen. Bij besluiten van verschillende data zijn aan eiseres exploitatievergunningen voor deze vaartuigen verleend. Het gaat om de volgende vaartuigen en data: -
Belle Epoque – 9 september 2003, bemand groot; Ivresse – 20 september 2003, bemand gesloten; Paradis – 16 juni 1997, bemand gesloten; Stern – 2 december 2014, bemand gesloten.
Bij besluit van 30 december 2013 is aan rederij Lieve een exploitatievergunning verleend voor het vaartuig “Lieve”, in het segment bemand gesloten. Bij besluit van 2 december 2019 is de op 30 augustus 2013 verleende exploitatievergunning van vaartuig Lieve overgezet naar eiseres.
- Klopt de uitgiftedatum van de Ivresse? 41. Eiseres heeft aangevoerd dat de Ivresse een nieuw vaartuig is dat bij vergunning van 4 maart
2008 het vaartuig “El Tigre” heeft vervangen. De uitgiftedatum moet dus 4 maart 2008 zijn en niet 17 december 2002. Dit heeft gevolgen voor de rangschikking. 42. De rechtbank overweegt dat op grond van de Beleidsregels onder de uitgiftedatum wordt verstaan de verlening van de vergunning of de overdracht van de vergunning aan een nieuwe vergunninghouder. Hierbij wordt het vervangen van een vaartuig expliciet niet genoemd. De rechtbank komt dit niet onredelijk voor. Het gaat immers om de periode dat de vergunninghouder profijt heeft kunnen hebben van de vergunning. Dat eiseres op een gegeven moment een nieuw vaartuig heeft gekocht en dat daardoor de overgangstermijn onredelijk kort kan zijn, is niet van belang voor de uitgiftedatum, maar zal eiseres in dat kader naar voren moeten brengen. - De overige gronden van eiseres 43. Ten aanzien van de gronden van eiseres dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen hospitalityvaartuigen en de overige vaartuigen en dat de rangschikking onzorgvuldig tot stand is gekomen, verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven is overwogen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzitter, en mr. M.F. Ferdinandusse en mr. S.D. Arnold, leden, in aanwezigheid van mr. J.C.E. Krikke en mr. T. van Soldt, griffiers. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2022.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
BIJLAGE I – OVERZICHT ZAAKNUMMERS
Gemachtigde: Adviesburo Monster, mr. J. Monster 21/776
Amsterdam Boattrips
21/777
Arviro b.v. en B.S.V. Amsterdam
21/778
Demi Trading B.V.
21/779
De Rederij c.v.
21/780
Elektrohaven
21/781
[naam 2]
21/782
Indysign B.V.
21/783
Luxe Boten B.V.
21/784
Rederij Mokum B.V.
21/785
Mokumboot B.V.
21/786
Mokumboot B.V.
21/787
[naam 3]
21/788
[naam 4]
21/799
R.K. Management Beheer B.V.
21/790
Starboard Boats B.V.
21/791
[naam 5]
21/792
[naam 6]
21/793
[naam 7] / [naam 8]
Gemachtigde: AKD, mr. E. Dans 21/1701
Stromma Holland B.V. Stromma Nederland B.V. Canal Bus B.V. Canal Rondvaart B.V. [naam 9] .
Gemachtigde: jhr. mr. A.R.Ph. Boddaert 21/1502
[naam 10]
Gemachtigde [naam 11] ., mr. C.W. Kniestedt, mr. A. Vegt 21/1699
[naam 12] [naam 13] [naam 14] [naam 15]
Gemachtigde: Duijn Bloem Voss Advocaten, mr. M.S.F. Loor
21/1767
[naam 16]
Gemachtigde: LNW advocaten, mr. P.A. Willemsen 21/845
Canal Affairs
21/846
Canal Motorboats
21/847
[naam 17]
21/848
Holy Boat
21/849
Sinta B.V. Lemstar (leemhuis) Electric Tours Atropa Belladonna Big boats Cafe de Sluyswacht Electric boats
Gemachtigde: ngnb advocaten, mr. A.B. Blomberg 21/1695
Stichting Behoud Salonboot Avanti
Gemachtigde: mr. P. Nicolaï 21/1642
Amsterdam Boat Events B.V.
21/1643
[naam 18]
21/1644
Rederij Amsterdam B.V. Amsterdam Boats B.V. RAAB B.V.
21/1645
[naam 19] Adeline B.V. Salonboot Dame van Amstel B.V. [naam 20]
21/1646
Rederij Belle B.V.
21/1647
Smidtje Holding B.V.
21/1648
Smidtje Beheer B.V.
21/1649
Rederij ’t Smidtje
21/1650
[naam 21] [naam 22]
21/1651
De Kleijn Amsterdam B.V. CBD
21/1652
[naam 23]
21/1653
De Muze B.V. CBD Holding
21/1654
[naam 24]
Gemachtigde: mr. C. Post 21/1523
[naam 25]
Gemachtigde: Six Advocaten, mr. I. van den Berg
21/1447
Rederij de Nederlanden
21/1448
[naam 26]
21/1449
Pure Boats
21/1450
Rederij Griffioen
21/1452
Rederij Aemstelland B.V.
21/1453
Paradis Private Boat Tours B.V.
21/1454
Amsterdamse Salonboot Rederij B.V.
21/1456
Stichting de Kalefater
21/1457
[naam 27]
21/1459
Edutecht
21/1460
[naam 28]
21/1461
[naam 29]
21/1462
Sop
21/1463
De Wolfsburght B.V.
Gemachtigde: Stek Advocaten, mrs. R. Elkerbout, Z. van den Bosch en L. Bremmer 21/1364
Algemene Amsterdamse Rederij Noord Zuid Dobber Amsterdam Canal Cruises Rederij Nassau B.V. Rederij de Jordaan Amsterdam bootverhuur B.V. Amsterdamse Rondvaart Maatschappij
Gemachtigde: Wieringa Advocaten, mrs. S. Levelt en L. Tellegen 21/1737
Amsterdamse Watertaxi Centrale Smidtje Exploitatie B.V. New Orange B.V. Rederij Lovers B.V.
21/1307
Boat2Go B.V.
Procedeert zelf 21/1770
Sloepdelen B.V. Adam’s Boats B.V.
21/1635
Boaty B.V.
BIJLAGE II – WETTELIJK KADER
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)
Artikel 49 In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat
zijn gevestigd. De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.
Artikel 56 In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing verklaren ten gunste van de onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en binnen de Unie zijn gevestigd.
Dienstenrichtlijn
Preambule
Punt 40 Het begrip dwingende redenen van algemeen belang, waarnaar in een aantal bepalingen van deze richtlijn wordt verwezen, is gaandeweg door het Hof van Justitie ontwikkeld in zijn rechtspraak betreffende de artikelen 43 en 49 van het Verdrag, en kan zich nog verder ontwikkelen. Dit begrip, zoals dit is erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie, omvat ten minste de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde; doelstellingen van het sociaal beleid; bescherming van afnemers van diensten; consumentenbescherming; bescherming van werknemers, met inbegrip van de sociale bescherming van werknemers; dierenwelzijn; handhaving van het financieel evenwicht van het socialezekerheidsstelsel; voorkoming van fraude; voorkoming van oneerlijke concurrentie; bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van stedelijke en rurale ruimtelijke ordening; bescherming van schuldeisers; waarborging van een deugdelijke rechtsbedeling; verkeersveiligheid; bescherming van intellectuele eigendom; culturele beleidsdoelen, met inbegrip van het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder ten aanzien van de sociale, culturele, religieuze en filosofische waarden van de maatschappij; de noodzaak om een hoog niveau van onderwijs te waarborgen,
behoud van de diversiteit van de pers en bevordering van de nationale taal; behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed; veterinair beleid.
Punt 56 Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie vormen volksgezondheid, consumentenbescherming, diergezondheid en bescherming van het stedelijk milieu dwingende redenen van algemeen belang. Dergelijke dwingende redenen kunnen een rechtvaardiging zijn voor de toepassing van vergunningstelsels en andere beperkingen. Deze vergunningstelsels of beperkingen mogen evenwel niet discrimineren op grond van nationaliteit. Voorts moeten de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid altijd worden geëerbiedigd.
Punt 62 Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden, moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure moet transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder moet de geldigheidsduur van de vergunning zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet in grotere mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de afschrijving van de investeringen en een billijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal. Deze bepaling belet de lidstaten niet het aantal vergunningen te beperken om andere redenen dan de schaarste van de natuurlijke hulpbronnen of de technische mogelijkheden. Op deze vergunningen zijn in elk geval de overige bepalingen van deze richtlijn inzake het vergunningstelsel van toepassing.
Artikel 4 Definities Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: 8. „ dwingende redenen van algemeen belang”: redenen die als zodanig zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie; waaronder de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid, staatsveiligheid, volksgezondheid, handhaving van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel, bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, eerlijkheid van handelstransacties, fraudebestrijding, bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, diergezondheid, intellectuele eigendom, behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid;
Artikel 9 Vergunningstelsels 1. De lidstaten stellen de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk van een vergunningstelsel, tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. het vergunningstelsel heeft geen discriminerende werking jegens de betrokken dienstverrichter; b. de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c. het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn. 2. In het in artikel 39, lid 1, bedoelde verslag beschrijven de lidstaten hun vergunningstelsels en geven zij de redenen aan waarom deze met lid 1 van onderhavig artikel verenigbaar zijn. 3. Deze afdeling is niet van toepassing op elementen van vergunningstelsels die direct of indirect geregeld zijn bij andere communautaire instrumenten.
Artikel 10 Vergunningsvoorwaarden 1. Vergunningstelsels zijn gebaseerd op criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen. 2. De in lid 1 bedoelde criteria zijn: a. a) niet-discriminatoir; b) gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
c) evenredig met die reden van algemeen belang; d) duidelijk en ondubbelzinnig; e) objectief; f) vooraf openbaar bekendgemaakt; g) transparant en toegankelijk. 3. De vergunningsvoorwaarden voor een nieuwe vestiging mogen gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen is, niet overlappen. De in artikel 28, lid 2, bedoelde contactpunten en de dienstverrichter staan de bevoegde instantie bij door over deze eisen de nodige informatie te verstrekken. 4. De vergunning biedt de dienstverrichter op het gehele nationale grondgebied het recht op toegang tot of uitoefening van de dienstenactiviteit, mede door de oprichting van agentschappen, dochterondernemingen, kantoren of bijkantoren, tenzij een vergunning voor elke afzonderlijke vestiging of een beperking van de vergunning tot een bepaald gedeelte van het grondgebied om dwingende redenen van algemeen belang gerechtvaardigd is. 5. De vergunning wordt verleend zodra na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan. 6.
Behalve in het geval van het verlenen van een vergunning, wordt elke beslissing van de bevoegde instanties, waaronder ook de weigering of intrekking van een vergunning, met redenen omkleed, en moet dit besluit voor de rechter of andere beroepsinstanties kunnen worden aangevochten. 7. Dit artikel doet geen afbreuk aan de toedeling van de bevoegdheden, op lokaal of regionaal niveau, van de instanties die in de betrokken lidstaat vergunningen verlenen.
Artikel 11 Vergunningsduur 1. Een aan een dienstverrichter verleende vergunning heeft geen beperkte geldigheidsduur, tenzij in gevallen waar: a. a) de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b) het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; of c) een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. 2. Lid 1 heeft geen betrekking op de maximale termijn waarbinnen de dienstverrichter na ontvangst van de vergunning daadwerkelijk met zijn activiteit moet beginnen. 3. De lidstaten verplichten een dienstverrichter ertoe het in artikel 6 bedoelde één-loket in kennis te stellen van de volgende wijzigingen: a. a) de oprichting van dochterondernemingen waarvan de activiteiten onder het vergunningstelsel vallen; b) wijzigingen in zijn situatie waardoor niet meer aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan. 4. Dit artikel laat de mogelijkheid van lidstaten onverlet om vergunningen in te trekken, wanneer niet meer aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan.
Artikel 12 Selectie uit diverse gegadigden 1. Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is door schaarste van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden, maken de lidstaten een selectie uit de gegadigden volgens een selectieprocedure die alle waarborgen voor onpartijdigheid en transparantie biedt, met inbegrip van met name een toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en afsluiting van de procedure.
2. In de in lid 1 bedoelde gevallen wordt de vergunning voor een passende beperkte duur verleend en wordt zij niet automatisch verlengd; evenmin wordt enig ander voordeel toegekend aan de dienstverrichter wiens vergunning zojuist is verlopen of aan personen die een bijzondere band met die dienstverrichter hebben. 3. Onverminderd lid 1 en de artikelen 9 en 10 mogen lidstaten bij de vaststelling van regels voor de selectieprocedure rekening houden met overwegingen die betrekking hebben op de volksgezondheid, de doelstellingen van het sociaal beleid, de gezondheid en de veiligheid van werknemers of zelfstandigen, de bescherming van het milieu, het behoud van cultureel erfgoed en andere dwingende redenen van algemeen belang, in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht.
Eerste Protocol bij het EVRM
Artikel 1 Bescherming van eigendom Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3.4 1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. 2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Verordening op het binnenwater, zoals die luidde ten tijde van het bestreden besluit
Hoofdstuk 1 Algemeen
Paragraaf 2 Algemene bepalingen omtrent vergunningen, ontheffingen en aanwijzingen
Artikel 1.2.6 Duur van de vergunning of ontheffing, voorschriften en beperkingen
1. Een vergunning of ontheffing kan voor bepaalde of onbepaalde tijd worden verleend. 2. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of de ontheffing is vereist. 3. Het is verboden te handelen in strijd met de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen. Hoofdstuk 2 Gebruik van openbaar water
Paragraaf 2 Vergunningen
Artikel 2.2.5 Verleningsduur 1. Het college bepaalt de duur waarvoor een vergunning wordt verleend. 2. In afwijking van het eerste lid wordt een vergunning als bedoeld in artikel 2.4.1 of 2.5.1, voor onbepaalde tijd verleend, tenzij bij regels als bedoeld in artikel 2.4.7, eerste lid, of 2.5.2 in samenhang met artikel 2.4.7, eerste lid anders is bepaald. 3. In afwijking van het tweede lid wordt een vergunning voor een door het college te bepalen duur verleend indien: a. het aantal vergunningen krachtens artikel 2.4.4, tweede lid, is beperkt, of b. een vergunning wordt verleend omdat een ander vaartuig waarvoor een vergunning is verleend tijdelijk niet kan worden gebruikt. 4. De duur, bedoeld in het tweede lid, kan verschillen voor verschillende categorieen vergunningen.
Artikel 2.2.6 Intrekking of wijziging van een vergunning 1. Het college kan een vergunning ambtshalve schorsen, intrekken of wijzigen indien: e. dit noodzakelijk is ter uitvoering van wettelijke, Europeesrechtelijke of andere internationale verplichtingen.
Paragraaf 4 Exploitatievergunning voor vervoer van personen
Artikel 2.4.1 Vergunningplicht voor vervoer van personen 1. Het is verboden zonder vergunning anders dan om niet: a. met een vaartuig of object personen te vervoeren of te laten vervoeren; b. een vaartuig of object ter beschikking te stellen vor het varen met een of meerdere personen.
Artikel 2.4.4 Aanvraagronde en beperkt aantal vergunningen 1. Het college kan bepalen dat een vergunning of een vergunning voor een bepaalde activiteit slechts kan worden verleend indien een aanvraag in een door hem vastgestelde periode is ingediend. 2. Het college kan bij het vaststellen van een periode als bedoeld in het eerste lid een aantal vergunningen vaststellen dat in die periode of in totaal ten hoogste wordt verleend. 3. Bij toepassing van het eerste en tweede lid kan het college onderscheid maken tussen
verschillende categorieën vaartuigen of objecten, of tussen verschillende tijdvakken of gebieden waarvoor de vergunning geldt.
Artikel 2.4.7 Nadere regels 1. Het college kan nadere regels stellen over: a. voorschriften en beperkingen die in ieder geval aan een vergunning worden verbonden; b. de duur waarvoor de vergunning wordt verleend;
Regeling op het binnenwater, zoals die luidde ten tijde van het bestreden besluit
Hoofdstuk 3 Exploitatievergunning voor vervoer van personen
Paragraaf 3.1 Uitgifte van schaarse vergunningen
Artikel 3.1.1 Systeem van schaarse vergunningen met uitgifterondes 1. Het college verleent ten hoogste 550 exploitatievergunningen voor vervoer van personen op het binnenwater. 2. De vergunningen worden verdeeld door middel van uitgifterondes, waarbij telkens een deel van de beschikbare vergunningen wordt verdeeld. 3. Een aanvraag die is ingediend buiten de aanvraagperiode als bedoeld in artikel 3.1.2 wordt afgewezen. 4. Een aanvraag die is ingediend voor een vaartuig waarvoor reeds een exploitatievergunningen voor vervoer van personen is verleend met een looptijd tot na de ingangsdatum van de aangevraagd vergunning wordt afgewezen.
1
Zie bijlage 1 – overzicht zaaknummers.
2
Zie bijlage 1.
3
Voor een overzicht van alle zaaknummers, zie bijlage 1.
Richtlijn 2006/123/EG van het Europese Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt 4
5
HvJEU, 1 oktober 2015, [naam arrest] en [naam arrest] , C-340/14 en C-341/14, via curia.europa.eu.
6
Hof van Justitie van de Europese Unie.
7
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8
ECLI:NL:RVS:2016:160.
9
Regeling Passagiersvaart Amsterdam 2013
10
ECLI:NL:RVS:2017:1520.
11
ECLI:NL:RVS:2018:2958.
12
Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent binnenwater. Gemeenteblad 2019, 129389 13
Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent vaststelling van nadere regels over het binnenwater. Gemeenteblad 2019, 312331. 14
Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels over het wijzigen van de duur van exploitatievergunningen voor vervoer van personen in vergunningen voor bepaalde tijd. Gemeenteblad 2020, 8649. 15
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452, rechtsoverweging 6 16
17
Zie ook de Afdeling, 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1910.
De omzetting vindt plaats of per 1 maart 2024, of per 1 maart 2026, of per 1 maart 2028 of per 1 maart 2030. 18
HvJEU, 1 oktober 2015, C-340/14 en C-341/14, rechtsoverweging 58. Zie ook de Afdeling, 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:160, rechtsoverwegingen 8 en 9. 19
20
Zie ook het [naam arrest] -arrest, rechtsoverweging 66.
Zie de conclusie van Advocaat-Generaal M. Szpunar, van 16 juli 2015, in de [naam arrest] -zaak, C340/14, rechtsoverweging 68. 21
Zie de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Widdershoven van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1421, rechtsoverweging 6.3. 22
Dit is vaste rechtspraak van het Hof. Zie onder andere het arrest Las, 15 april 2013, C-202/11. En het arrest [naam arrest] , 1 oktober 2015, C-340/14 en C-341/14. Zie onder andere rechtsoverwegingen 41 en 70. 23
Zie het Hof, 10 maart 2009, Hartlauer Handelsgesellschaft mbH, ECLI:EU:C:2009:141, en het arrest van 12 januari 2010, Domnica Petersen, ECLI:EU:C:2010:4. 24
25
Zie ook de Afdeling, 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1520, rechtsoverweging 11.
Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2856, rechtsoverweging 3.1. 26
Hof, 30 januari 2018, X en [naam arrest] , C-360/15 en C-31/16, bescherming leefbaarheid van de stad is een dwingende reden van algemeen belang in het kader van de bescherming van het stedelijk milieu, r.o. 134 en 135. 27
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:964, r.o. 7.3, 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1100, r.o. 6.2 en 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS;2021:1474, r.o. 13.7. 28
29
Zie Wolters’handwoordenboek Nederlands.
30
Hof, 30 januari 2018, X en [naam arrest] , C-360/15 en C-31/16.
Zie ook de Conclusie van de A-G M. Szpunar van 18 mei 2017, C-360/15 en C-31/16, overweging 147. De A-G overweegt daarin dat ‘Veeleer gaat het om een manier van leven in een stad en daarmee 31
bijna om cultuurbeleid, dat ook als een dwingende reden van algemeen belang is erkend in artikel 4, punt 8, van richtlijn 2006/123.’ 32
Afdeling, 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1075, r.o. 9.2.
Zie in dit respect ook de uitspraak van de rechtbank Amsterdam over de rondleidingen op de Wallen van 24 december 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:9755. 33
34
Hof, 18 november 2010, Commissie tegen Portugal, C-458/08, ro 89 e.v.
Het college verwijst onder andere naar een rapport van 1 februari 2020 ‘Onderzoek naar toeristische draagkracht van wijken, de invloed van toerisme op leefbaarheid.’ En naar het onderzoek ‘Wonen in Amsterdam’ dat tweejaarlijks verschijnt. Ook heeft verweerder verwezen naar het rapport van Mobycon. 35
Volgens het college zijn er 712 aanvragen gedaan voor 155 vergunningen. Een groot aantal reders heeft het maximum aantal vergunningen aangevraagd om zo meer kans te maken op een vergunningen en/of omdat zij hun vloot wensen uit te breiden. Bovendien hebben ook 51 nieuwe ondernemingen gezamenlijk 138 aanvragen ingediend. 36
Denk bijvoorbeeld aan het terugdringen van toeristische winkels in het centrum op basis van het Bestemmingsplan Winkeldiversiteit Centrum; de aanpak van vakantieverhuur; het (gedeeltelijke) rondleidingenverbod voor de Wallen; het beëindigen van het vergunningstelsel voor fietstaxi’s en paardenkoetsen en het onderzoek naar het Amsterdamse prostitutie- en coffeeshopbeleid. 37
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1910, rechtsoverweging 4.4. 38
Rapport ‘Wonen in Amsterdam, Leefbaarheid’, pagina 3. Hieruit blijkt dat het cijfer voor het stadsdeel centrum sinds 2011 daalt van een 8,1 naar een 7,8. 39
40
Buurtenquête Centrum 2019, Centrum-Oost en Centrum-West.
41
Buurtenquête Centrum 2019, Centrum-Oost, pagina 25.
42
Buurtenquête Centrum 2019, Centrum-West, pagina 23.
43
Buurtenquête Centrum 2019, Centrum-Oost, pagina 46, Centrum-West, pagina 44.
44
Volgens de Nota Varen – deel 1 zijn er ongeveer 7000 pleziervaartuigen.
45
Zie de Nota Varen - deel 1, maatregel 16
Zie bijvoorbeeld het arrest van 10 maart 2009, Hartlauer Handelsgesellschaft mbH, ECLI:EU:C:2009:141 en het arrest van 12 januari 2010, Domnica Petersen, ECLI:EU:C:2010:4. 46
Op 22 juni 2021 heeft de gemeenteraad ook de Verordening op toerisme in balans Amsterdam aangenomen, Gemeenteblad 2021, 238072, aangenomen. Hieruit volgt dat de gemeenteraad wil dat het college actief ingrijpt wanneer de balans van bewoners, ondernemers en bezoekers verstoord raakt of dreigt te raken. 47
48
Dit is de klassieke rondvaarttrip.
49
Dit zijn boottochtjes met lunch/diner en vaak in een groep.
Uit de Nota Varen – deel 1 blijkt dat op het moment van vaststellen 28% van de bezoekers aan de stad gebruik maakt van de passagiersvaart. Dat waren op het moment van vaststellen 5,5 miljoen bezoekers per jaar die gebruik maakten van de passagiersvaart. 50
51
Zie maatregel 2 van de Nota Varen - deel 1
Zie onder andere de volgende onderzoeken: Onderzoek gebruik Amsterdams binnenwater, Mobycon, juni/juli en augustus/september 2018 en Toetsing Doorvaartprofielen Amsterdam – Concept Eindrapport, Brolsma Advies, oktober 2018. 52
Zie het arrest van het Hof van 13 juni 2018, Deutscher Naturschutzring, ECLI:EU:C:2018:433, punt 49. 53
54
SEO: Impact van de bezoekerseconomie op Amsterdam, oktober 2017.
Het college doelt op uitgifteronden in het verleden voor bepaalde type vaartuigen (innovatief onbemand). Dit wordt hieronder nog nader besproken. 55
Zie het Hof, 23 december 2015, The Scotch Whisky Association e.a., ECLI:EU:C:2015:845, punt 55. Zie ook de Afdeling, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4195, rechtsoverweging 14.1. 56
57
Zie de Afdeling, 17 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1402, rechtsoverweging 9.2.
58
ECLI:NL:RVS:2017:1520.
59
Afdeling, 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2958.
Zie de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 april 2008, Megadat.com SRL tegen Moldavië, nr. 21151/04 (punt 63) en van 13 januari 2015, Vékony tegen Hongarije, nr. 65681/13 (punt 29). 60
61
Zie het arrest van het EHRM van 7 juli 1989, Tre Traktörer AB tegen Zweden, nr. 10873/84 (punt 55).
62
Zie de arrest van het EHRM in de zaak Vékony (punt 32).
63
Zie de uitspraak van het EHRM in de zaak Vékony (punt 35).
64
De oudste vergunning van eiseres dateert uit 1997.
65
Algemene wet bestuursrecht.
66
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS;2022:285, rechtsoverweging
7.4. 67
Zie voornoemde uitspraak, rechtsoverweging 7.9.