TKN 9 - Grondzaken (31) Bijlage 5 - Beeldkwaliteitsplan.pdf
Tekst van het document
Circulaire identiteit en kwaliteit Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2 Amsterdam, 02 november 2020 www.must.nl
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 1
Inhoud
Inleiding Beeldkwaliteitsplan 1. Het stedebouwkundig plan 2. De spelregels
BPAO FASE 2 Beeldkwaliteitsplan
3 4 7
Hoofdeis 1 9 Circulariteit en duurzaamheid zijn de vormgevingsthema’s voor de architectuur. Hoofdeis 2 12 Focus op een beperkt aantal levendige plekken met een publiek karakter. Hoofdeis 3 15 Eenheid en harmonie door eenvoudige vormen en ritme in de architectuur en een zorgvuldige detaillering. Hoofdeis 4 20 Overzichtelijk en sociaal veilige inrichting van het bedrijvenpark en vormgeving van de gebouwen. Hoofdeis 5 23 Technische installaties zijn integraal onderdeel van de ontwerpopgave.
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 2
Circulaire identiteit en kwaliteit INLEIDING Beeldkwaliteitsplan
Voor de ontwikkeling van de tweede fase van het Bedrijvenpark Amsterdam Osdorp is het bestaande stedenbouwkundige plan deels herzien. Enerzijds om beter aan te sluiten op de hedendaagse eisen voor een goed functionerend bedrijvenpark. Anderzijds om in te spelen op een aantal nieuwe ontwikkelingen in de omgeving. Maar de belangrijkste reden is de wens om een bedrijvenpark te realiseren dat maximaal inzet op de transitie naar een circulaire economie.
Dit beeldkwaliteitsplan maakt integraal onderdeel uit van het nieuwe stedenbouwkundig plan d.d. 2 november 2020, en omschrijft de randvoorwaarden voor het ontwerp van de gebouwen en de inrichting van de kavels. Het maakt deel uit van de overeenkomst bij kaveluitgifte en is ook het toetskader voor Welstand. Het navolgende document bestaat uit twee delen. In het eerste deel worden de belangrijkste uitgangspunten van het
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 3
stedenbouwkundig plan toegelicht. Het tweede deel bevat de Spelregels voor de kaveluitgifte. Dit zijn de feitelijke toetskaders voor het ontwerp en de realisatie van de bebouwing en de inrichting van het private terrein.
Zorgvuldig ingepast in de omgeving 1 Het stedenbouwkundig plan
Het nieuwe bedrijvenpark ligt middenin de Lutkemeerpolder. Het is de laatste grote transformatie in deze polder. Het stedenbouwkundig plan is dus vooral een passtuk. De ontwikkeling moet goed aansluiten op de omgeving en de verschillende deelgebieden goed met elkaar verbinden. Zorgvuldige inpassing in de omgeving is dus het leidende motief.
van de nieuwbouw af te stemmen op de specifieke kwaliteiten van de omgeving en de aangrenzende openbare ruimte. De hoofdopzet van het stedenbouwkundig plan en de inrichting van de openbare en publieke ruimte bestaat uit zes concrete bouwstenen (zie ook de aanduidingen op de kaart op de volgende pagina):
op de gevels zoveel als mogelijk afschermen. Langs de bomenrij ligt een watergang die het bedrijventerrein scheidt van het akkerland.
Dit wordt bereikt door zowel de inrichting van de onbebouwde ruimte als inpassing Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
1. Aan de kant van de Wijsentkade is het beeld van het open polderlandschap dominant en de bebouwing aan het zicht onttrokken. Een smalle strook beplanting tegen de achterzijde van de uit te geven kavels krijgt hoogopgaande bomen en onderbegroeiing die in alle seizoenen het zicht
MUST 4
6.
Wijsentkade
Groene As
1.
Lu
tk
em ee
rw
eg
4.
2. os
tra
at
5.
Br
om
Westgaarde
3. Et
na
str
aa
t
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 5
2. Opgaand groen vormt een visuele buffer naar de kavels aan de Lutkemeerweg. Hierdoor worden de bedrijfskavels voor de aanwonenden aan het zicht onttrokken. Struiken en bomen vormen samen met de watergang een groene buffer die in alle seizoenen het zicht op het achterliggende bedrijfskavel wegneemt. Deze buffer heeft ook ecologische waarden. 3. De kant van de Etnastraat sluit aan op de route naar het natuurgebied. Tussen de Etnastraat en de kavels ligt een brede watergang met natuurvriendelijke oevers. De bebouwing aan deze zijde heeft groene gevels aansluitend op de ecologische oevers en geven het bedrijvenpark een groene uitstraling richting het natuurgebied van de Groene As.
4. Opgaand groen en een ecologische zone vormen een buffer naar het natuurgebied. Deze zijde van het bedrijvenpark wordt begrensd door een waterzone met ophogingen waarop bomen zijn geplant die de bedrijven zoveel als mogelijk aan het zicht onttrekken. 5. Het Waterpark is een nieuw landschap in het hart van het bedrijventerrein. Het vormt een belangrijke recreatieve en ecologische verbinding tussen de Lutkemeerweg en de natuur bij de Ringvaart. Het is ook de ontmoetingsplek voor werknemers en bezoekers van het bedrijvenpark. Zo is er bijvoorbeeld ruimte om een gezamenlijk lunchpaviljoen te realiseren dat ook door niet-werknemers bezocht kan worden. Tenslotte speelt het Waterpark een belangrijke rol in het bufferen en zuiveren van regenwater.
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 6
6. Voet- en fietsroutes door het bedrijvenpark leggen aantrekkelijke verbindingen naar bestemmingen in het gebied en de omgeving. De routes sluiten goed aan op bestaande en toekomstige recreatieve routes van en naar bestemmingen in de omgeving. Bij de inrichting van het bedrijvenpark en de organisatie en vormgeving van de bebouwing wordt er nadrukkelijk rekening gehouden met het bevorderen van de levendigheid en sociale veiligheid langs deze routes. Dit kan bijvoorbeeld door het situeren van de entrees van de bedrijfspanden, de vormgeving van de gebouwen, de inpassing van de erfafscheidingen, het realiseren van voorzieningen voor werknemers en/of bezoekers, etc.
Borging van essentiele waarden
Deze onderverdeling biedt ruimte aan architect en ontwikkelaar om voor sommige onderliggende regels gelijkwaardige of betere alternatieven te ontwikkelen. Mits deze voldoen aan de bovenliggende hoofdeis. Hoofdeisen 1. Circulariteit en duurzaamheid zijn de vormgevingsthema’s voor de architectuur.
2 De spelregels
2. Eenheid en harmonie door eenvoudige vormen en ritme in de architectuur en een zorgvuldige detaillering.
De spelregels zijn de randvoorwaarden voor architectonische uitwerking binnen de kaders van het stedenbouwkundig plan. De spelregels zijn zodanig geformuleerd dat de essentiële kwaliteiten van het stedenbouwkundig plan en de architectonische verschijningsvorm geborgd zijn. Binnen de spelregels wordt een onderscheid gemaakt tussen hoofdeisen en onderliggende regels.
De stedenbouwkundige visie voor de ontwikkeling van BPAO fase 2 is vastgelegd in een beperkt aantal hoofdeisen voor de architectonische uitwerking. Deze vormen de essentie van de spelregels. Om de hoofdeisen nader te verduidelijken en te concretiseren zijn er ook onderliggende regels geformuleerd. Deze onderliggende regels beschrijven de wenselijke stedenbouwkundige en architectonische eisen die bijdragen aan de hoofdeisen.
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 7
3. Focus op een beperkt aantal levendige plekken met een publiek karakter. 4. Overzichtelijke en sociaal veilige inrichting van het bedrijvenpark en vormgeving van de gebouwen. 5. Technische installaties vormen een integraal onderdeel van de ontwerpopgave voor de gebouwen en de onbebouwde ruimte.
Spelregelkaart
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 8
Hoofdeis 1 Circulariteit en duurzaamheid zijn de vormgevingsthema’s voor de architectuur.
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 9
Circulariteit en duurzaamheid zijn belangrijke thema’s die het beeld van de gebouwen en terreinen op het bedrijvenpark bepalen. Daarbij ligt de nadruk op het zichtbaar en beleefbaar maken van ecologie, voedselproductie en watercirculatie.
Onderliggende regels:
groene gevel mag hiervan worden afgezien.
1.1 Groene gevels. Alle gevels die gericht zijn op een landschappelijke rand of de kavels met woningen langs de Lutkemeerweg worden uitgevoerd als een groene gevel, conform de aanduidingen op de Spelregelkaart. Op de Spelregelkaart is een zone van twintig meter aangeduid, gemeten vanaf de kavelgrens, waar alle gevels die gericht zijn op de omgeving uitgevoerd moeten worden als een groene gevel.
Groene gevels dragen bij aan de reductie van de hittestress in het bedrijvenpark, ze bufferen de regenwaterafvoer en vormen een natuurlijke temperatuurbuffer voor de gebouwen zelf, waardoor er minder gekoeld hoeft te worden. De gevelbeplanting dient onderdeel van het gebouw te zijn en zo gekozen te worden dat ook in de winterperiode een goed dekkende gevel wordt verkregen. Het ‘verbergen’ van gevels achter een groen scherm is niet toegestaan.
Een groene gevel bestaat uit verticaal geplaatste modules of panelen waarin beplanting wordt aangebracht. De modules worden door middel van een ophangsysteem bevestigd aan een bouwwerk, of zijn een zelfdragend onderdeel van de gevel. De modules worden ook bij de dakrand of op het dak geplaatst zodat hangplanten ook naar beneden kunnen groeien. Alleen als aangetoond kan worden dat de gevelorientatie ongeschikt is voor een
1.2 Ecologie maakt integraal onderdeel uit van het ontwerp. De voorgeschreven groene gevels hebben niet alleen een esthetische maar ook een ecologische waarde. Daarnaast zijn specifieke ecologische voorzieningen, zoals nestkasten, ecologische verbindingen en voorzieningen voor bijvoorbeeld vleermuizen nadrukkelijk mee ontworpen in het ontwerp van de bebouwing en de inrichting van de terreinen.
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 10
1.3 Het zichtbaar samenhangende systeem voor watercirculatie is een sturend ontwerpthema voor de architectuur van de bebouwing en de inrichting van de terreinen. Daarbij gelden de navolgende principes: - Hemelwater van de daken wordt onafhankelijk van de waterafvoer van het verhard terrein afgevoerd. De afvoer van beide waterstromen loopt zichtbaar over eigen terrein naar de in de Spelregelkaart aangegeven locaties. - Het centraal gelegen Waterpark is de belangrijkste plek op het bedrijvenpark waar het regenwater dat in het gebied valt zoveel mogelijk wordt opgevangen.
Hemelwaterafvoer bij gebouwen aan middengebied (links) en niet grenzend aan middengebied (rechts).
- Waterroutes vormen een beeldbepalend ontwerpthema voor het dak- en gevelontwerp. Het stromend water is zoveel als mogelijk zichtbaar door bijvoorbeeld open hwa’s in het gevelvlak, dakspuwers en aquaducten. Stilstaand water moet vermeden worden om overlast van muggen te voorkomen. - Waterroutes op maaiveld vormen een dankbaar ontwerpthema voor de inrichting van het maaiveld. De voorkeur gaat uit naar open afvoerroutes waardoor het stromend water goed zichtbaar is. Als deze afgedekt moeten worden moet het tracé duidelijk zichtbaar zijn door een goed vormgegeven rooster. Duikers en ondergrondse afvoerpijpen dienen zoveel mogelijk vermeden te worden.
Waterafvoer verwerkt in de verharding en in het groen
1.4 Benutting van de grote dakoppervlakken voor de opwekking van zonne-energie is een beeldbepalend thema voor de architectuur van de gebouwen. Daarbij gelden de navolgende principes: - Zonnepanelen maken integraal onderdeel uit van de architectuur van het gebouw, zowel op het dak als (indien van toepassing) in de gevel. - Eventueel noodzakelijke hulpconstructies voor de zonnepanelen op het dakvlak vormen een aanleiding voor de ontwikkeling van een specifieke architectonische beeldtaal. - Het aanzicht van de zonnepanelen en de bijbehorende hulpconstructies is van alle zijden vormgegeven. 1.5 Inrichting terrein is (waar mogelijk) gericht op circulaire- en ecologische waarden en voorkomen van hittestress. Door toepassing van circulaire materialen wordt bijgedragen aan duurzaam materiaalgebruik. Als het mogelijk is draagt het toepassen van waterdoorlatende
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 11
Zonnecollectoren zijn zichtbaar onderdeel van de architectuur.
verharding, open verharding of halfverharding bij aan klimaatadaptatie en de reductie van hittestress. Bovendien nemen dan de kansen voor ecologische waarden toe.
Hoofdeis 2 Focus op een beperkt aantal levendige plekken met een publiek karakter.
De levendigheid op het bedrijvenpark, (zowel voor werknemers als bezoekers en recreanten) wordt bepaald door drie langzaam verkeersroutes die belangrijke bestemmingen in de directe omgeving verbinden met aantrekkelijke routes en plekken op het bedrijvenpark. Om het levendige karakter van deze routes en plekken te versterken hebben de aangrenzende bedrijfsgebouwen hier ook de representatieve hoofdentree. Voor het centraal gelegen Waterpark zijn nog extra aanvullende eisen die de levendigheid moeten versterken. De bedrijven hebben de representatieve hoofdentree aan het Waterpark en als er ook publieksfuncties in het gebouw aanwezig zijn (zoals een ontvangsthal, bezoekerscentrum of een conferentieruimte) dan zijn deze ook aan het Waterpark gesitueerd. Ten slotte is er langs de Etnastraat een bijzondere locatie gereserveerd voor een publieke voorziening op de rand van het natuurgebied.
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 12
Onderliggende regels: 2.1 Situering hoofdentree en publieke voorzieningen aan Waterpark. Centraal in het bedrijvenpark ligt het Waterpark. Dit is de levendige ontmoetingsplek voor werknemers van de verschillende bedrijven, maar ook de plek voor bezoekers en recreanten. Voor de bebouwing aan het Waterpark gelden de navolgende regels: • De bedrijven die grenzen aan het Waterpark hebben bij het Waterpark ook de formele hoofdentree (conform Spelregelkaart) zodat er zoveel mogelijk levendigheid ontstaat. • Publieke voorzieningen van de bedrijven (zoals ontvangstruimten, vergadercentra of bezoekerscentra) zijn gesitueerd aan het Waterpark. • Hoofdentrees voor het personeel en de bezoekers worden gerealiseerd in de voorgevelzone die is aangeduid op de Spelregelkaart, bij voorkeur op een hoekpunt van het bouwvolume, indien mogelijk. Zo is de entree van twee richtingen in het plangebied zichtbaar.
De hoofdentree is dan vormgegeven als een hap die uit de hoek van het bouwvolume is genomen. Als het kavel geen verplichte voorgevelzone heeft dient de hoofdentree georiënteerd te zijn op de entree van het terrein en goed zichtbaar te zijn vanaf de openbare ruimte. Ook in dit geval is de entree vormgegeven als een hap uit het volume. 2.2 Verplichte voorgevelzone. Om te voorkomen dat de belangrijkste voetgangersroutes en publieke plekken gedomineerd worden door achterkanten zijn in de Spelregelkaart de locaties aangewezen waar het verplicht is om de representatieve voorgevels te realiseren. Op deze aangewezen locaties moet de gevel op de rooilijn staan, met een minimale gevellengte van 50% van de afmeting van de kavel aan deze zijde. Hierdoor grenst het gebouw direct aan de openbaar toegankelijke ruimte en zijn erfafscheidingen niet nodig. Op de plekken waar geen gevel in de rooilijn staat mag in de voorgevelzone wel een erfscheiding
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 13
Het Waterpark is het representatieve hart van het bedrijvenpark. Hier liggen ook de entrees die als een hap uit de gevel zijn genomen.
2.4 Een markante publiekstrekker
geplaatst worden, mits deze ten opzichte van de rooilijn minimaal 15 centimeter is teruggeplaatst zodat het gebouw optisch los komt te staan van het hekwerk.
langs de Etnastraat. Het voorzieningenkavel aan de Etnastraat grenst direct aan het omliggende natuurgebied. Hier komt een markant gebouw met een voor passanten uitnodigende publieke uitstraling. Het gebouw is markant door de synergie tussen natuur en architectuur. teaCirculaire principes, zoals hergebruik van hemelwater, zijn duidelijk zichtbaar in het ontwerp.
2.3 Transparante en translucente gevels. Op de plekken waar een verplichte voorgevelzone is aangeduid in de Spelregelkaart is het verplicht om een gevel met een hoogwaardige uitstraling te realiseren met minimaal 50% transparantie en/of translucentie. Aan deze zijde van het gebouw zijn ook zoveel mogelijk publieke en representatieve functies gesitueerd zodat het gebouw vanuit het gebruik een levendige uitstraling krijgt, gericht op de openbaar toegankelijke buitenruimte.
Hoofdentree als inham in hoofdvolume en deels transparante en translucente gevels.
Het kavel maakt in het beeld onderdeel uit van het natuurgebied. Erfafscheidingen hebben een groene uitstraling (houtwallen, hagen), ontsluitingsroutes zijn zo min mogelijk verhard en de noodzakelijke parkeerplaatsen zijn door groenelementen zoveel als mogelijk aan het zicht onttrokken, gezien vanaf de Etnastraat en het natuurgebied.
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 14
Hoofdeis 3 Eenheid en harmonie door eenvoudige vormen en ritme in de architectuur en een zorgvuldige detaillering. Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 15
De opbouw en geleding van de gevels ondersteunen de eenvoudige hoofdvormen van het gebouw. Lengte en hoogte van de gevels krijgen een geleding door een rustige ritmiek die de grote schaal van de bebouwing niet ontkent, maar wel terugbrengt naar een menselijke maat. Door extra aandacht voor de detaillering van de hoeken, entree’s, loading docks, dakranden, dakopbouw en gevelopeningen ontstaat er een harmonieus beeld, dat zichtbaar zorgvuldig is ontworpen.
Onderliggende regels:
3.2 Plint De bebouwing krijgt aan
3.1 Eenvoudig hoofdvolume. De gebouwen kennen een eenvoudig hoofdvolume, de eenduidige gevellijn domineert het beeld. De continuiteit van de daklijn en de plint speelt daarbij een belangrijke rol. Expressieve uitsteeksels, grote inkepingen of andere markante afwijkingen van het hoofdvolume zijn niet toegestaan, met uitzondering van de hoofdentree.
Eén hoofdvolume met daaraan subvolumes als één geheel.
Eén volume, ondanks verschillende materialen. Het gebouw oogt als één geheel.
alle zijde een plint die de rustige basis van het hoofdvolume vormt en tegelijkertijd de gevel beschermt tegen eventuele beschadigingen. Dit geldt niet voor het gebouwdeel waar de hoofdentree is gesitueerd en ter plekke van een transparante gevel met een achterliggende publieke functie. • De plint is rondom het gebouw van een gelijke hoogte, gemeten van het maaiveld en is minimaal 100 cm en maximaal 150 cm hoog. De hoogte wordt mede bepaald door de hoogte van de vloer van laaddocks • De plint bestaat uit donkergroen gepigmenteerde betonelementen. • De plint bevat een relief van ‘gebroken’ verticale cannelures waardoor deze goed bestand zijn tegen watersporen en kleine beschadigingen en in het beeld goed aansluiten op de •
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 16
groene gevels. Het is toegestaan om een specifiek patroon te ontwerpen voor de plint, als er de behoefte bestaat om de
•
•
•
merkidentiteit of logo’s in de plint te verwerken. Mits het patroon voldoende relief en verticaliteit heeft en goed bestand is tegen kleine beschadigingen en watersporen. Als een deel van het maaiveld is verlaagd ten behoeve van laad- en losperrons of dock shelters dan ‘zakt’ de onderlijn van de plint mee naar het verlaagde maaiveld en wordt het plintvlak dus groter. De naden tussen de betonplaten zijn zo gedimensioneerd dat ze wegvallen in het verticale ritme van de cannelures. Bij groene gevels hoeft er geen plint toegepast te worden.
3.3 Duurzaam en terughoudend materialenpalet. De materiaalkeuze sluit bij voorkeur ook esthetisch aan bij het circulaire en duurzame karakter van het bedrijvenpark. De gevelelementen kennen een verticale geleding. Panelen zijn dus verticaal geplaatst, waardoor er over de lengte van de gevel een sterk ritmisch effect ontstaat. Er mogen (afgezien van de belettering) maximaal drie verschillende materialen in de gevel toegepast worden, mits ze dezelfde kleur hebben. Uitlogende materialen (bijv. zink, koper, lood en Cortenstaal) zijn niet toegestaan in de buitengevels. 3.4 Eén kleur. Ieder gebouw heeft één zorgvuldig gekozen kleur, passend bij de kleurstelliing van de plint en de groene gevels. Het heeft de voorkeur dat de kleur bepaald wordt door de natuurlijke eigenschappen van het gevelmateriaal. Overige gevelelemten (zoals kozijnen, deuren, dakranden, etc) hebben dezelfde kleur als het gevelmateriaal. De gehele gevel is ‘ton-sur-ton’.
100 cm 150 cm
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 17
3.5 Hoeken en dakranden Hoeken en dakranden zijn zorgvuldig vormgegeven, passend bij de gekozen geveltechniek. Bij voorkeur worden er specifieke hoekelementen en dakrandelementen toegepast, gemaakt van hetzelfde materiaal en dezelfde kleur als de geveldelen die niet met een groene gevel zijn bedekt. 3.6 Ramen en deuren. Gevelopeningen zoals ramen en deuren, zijn teruggelegd in het gevelvlak. Kozijnen en puiconstructies zijn bij voorkeur weggedetailleerd waardoor de gevelopeningen zo eenvoudig en abstract mogelijk zijn. Het is toegestaan om de hoofdentree te markeren met een afwijkende kleur waardoor deze duidelijk herkenbaar is. Luifels, pergola’s zijn echter niet toegestaan. Als er behoefte is aan meer beschutting rondom de entree dan is het mogelijk om deze verder terug te leggen ten opzichte van het gevelvlak. Alleen bij loading docks is het toegestaan om een luifel te plaatsen.
3.7 Ritmische lijnvoering Gevelelementen en gevelopeningen zijn opgenomen in ritmische uitlijning op gebouwniveau. Willekeurige patronen, of incidentele verspringingen in de hoogte of breedte zijn niet toegestaan. Zo ontstaat er een eenvoudig, rustig en ritmisch gevelbeeld.
3.8 Reclame-uiting. Er is ruimte voor maximaal 1 reclame-uiting per gevel. Bij voorkeur wordt er gebruik gemaakt van losse letters die met afstandhouders op de gevel zijn geplaatst. De belettering wordt bij de bovenhoek van de gevel gepositioneerd, passend in het ritme
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 18
van de geleding van de gevel. De letterhoogte is gerelateerd aan de hoogte van de gevel, volgens de verhouding 1:6. Bij een gevel van 6 meter hoog zijn de letters 1 meter hoog. Bij een gevel van 12 meter zijn de letters 2 meter hoog. De letterhoogte is ook maatgevend voor de minimale afstand tot de hoek en de dakrand. Bij een letter van 1 meter hoog is de afstand tot de hoek en de dakrand minimaal 1 meter. Lichtbakken, mechanisch bewegende delen, lichtkranten, videoschermen etc. zijn niet toegestaan. Aanlichten van de belettering is wel toegestaan.
3.9 Stallingsgarage. Om de beschikbare ruimte efficiënt en duurzaam te gebruiken wordt, waar mogelijk, gestreefd naar meervoudig grondgebruik voor het parkeren van auto’s. Parkeerplaatsen worden gerealiseerd op en onder een verhoogd parkeerdek of een meerlaagse stallingsgarage. Het parkeerdek of de stallingsgarage wordt bij voorkeur vormgegeven als integraal onderdeel van het hoofdvolume van het hoofdgebouw met een identieke gevel en dakafwerking. Het is toegestaan om ter plekke van de stallingsgarage gevelopeningen te realiseren voor de noodzakelijke ventilatie en daglichttoetreding, mits deze leesbaar zijn als vensters in het gevelvlak en zijn vormgegeven conform de principes zoals beschreven in paragraaf 3.6.
hoofdgebouw, zodat er een duidelijk herkenbaar ensemble ontstaat. Parkeren op het dak is toegestaan, mits dit niet zichtbaar is vanuit de openbare ruimte, de omliggende natuur- en recreatiegebieden en de polders in de omgeving.
Mocht het alleen maar mogelijk zijn om het parkeergebouw of het parkeerdek los van het hoofdgebouw te realiseren, dan dient het architectonische beeld en de materialisering verwant te zijn aan
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 19
Hoofdeis 4 Overzichtelijke en sociaal veilige inrichting van het bedrijvenpark en vormgeving van de gebouwen. Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 20
Een bedrijvenpark is een kwetsbare omgeving als het gaat om sociale veiligheid. Daarom moet met de inrichting van de terreinen en de vormgeving en positionering van de gebouwen zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de consequenties voor sociale veiligheid. Belangrijk principe is het minimaliseren van hoge hekwerken door slim gebruik te maken van natuurlijke grenzen (zoals watergangen), groenelementen, het voorkomen van dode hoeken, goede verlichting en de positionering van de gebouwen.
Onderliggende regels:
hekwerk een spel gespeeld worden met
4.1 Zoveel mogelijk vermijden van hekwerken. Door gebruik te maken van natuurlijke erfscheidingen zoals watergangen en singels en gevels op de erfgrens worden hekwerken zoveel mogelijk voorkomen.
doorzicht, afhankelijk van de kijkrichting. De kleur van het hekwerk is identiek voor alle bedrijven: roestbruin, een kleur die mooi opgaat in de groene context. Het is toegestaan om het hekwerk een sculpturaal karakter te geven door het in de hoogte dan wel in de voetprint te laten golven, mits dit vloeiende lijnen zijn.
4.2 Groene erfscheidingen. Als erfscheidingen onvermijdelijk zijn dan heeft het de voorkeur dat deze zoveel als mogelijk uitgevoerd worden als groene erfscheidingen zoals grondwallen, houtwallen, zeeuwse hagen of blokhagen.
Belplateau’s, brievenbussen, merknamen of logo’s worden geintegreerd in het ontwerp van het hekwerk, bij voorkeur opgenomen in de lamellen van het hek. Als er een voorkeur is om de bedrijfsbenaming op een bord te zetten dient dit bord geintegreerd te worden in het ontwerp van het hek.
4.3 Het BPAO Lamellen hekwerk. Op plekken waar hekwerken onvermijdelijk zijn wordt het BPAO lamellenhekwerk toegepast, dat speciaal is ontworpen voor dit bedrijvenpark. Het hekwerk heeft een maximale hoogte van 2,5 meter en bestaat uit verticale lamellen die haaks op de kavelgrens staan met een afwijking van maximaal 20 graden naar beide zijden. Hierdoor kan er over de lengte van het Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
4.4 Zoveel als mogelijk gebruik maken van indirecte verlichting van het gevelvlak en verlichting vanuit het interieur van de gebouwen. Om het terrein zoveel als mogelijk vrij te houden van obstakels speelt het gebouw zelf een belangrijke rol voor MUST 21
de basisverlichting. Indirecte verlichting van het gevelvlak en verlichting door transparante en translucente gevelvlakken voorkomt donkere hoeken en versterkt de herkenbaarheid en identiteit van het bedrijf. Dit geldt overigens niet voor de groene gevels. Deze gevels zijn niet verlicht. De plaatsing van de armaturen voor de indirecte verlichting sluit aan op de ritmiek van het gevelontwerp. De armaturen passen bij het gevelontwerp en de bedrading is uit het zicht weggewerkt.
4.5. Lichtmasten en armaturen zijn op het hele bedrijvenpark identiek. Als het vanwege veiligheid onvermijdelijk is dat er ook losse lichtmasten op het terrein
geplaatst moeten worden dan zijn deze lichtmasten en armaturen identiek aan de masten en armaturen die in de openbare ruimte toegepast worden. Zo ontstaat er een rustig en eenduidig beeld voor het gehele bedrijvenpark. Lichtverstrooiing naar de omgeving moet zoveel als mogelijk vermeden worden. Dit betekent dat het de voorkeur heeft om de lichtmasten niet te hoog te maken en de armaturen uit te rusten met verlichting die goed gericht kan worden. 4.6 Inritten Het aantal inritten wordt tot het noodzakelijke minimum beperkt. Waar mogelijk worden in- en uitritten gecombineerd, tenzij dit met het oog op de verkeersveiligheid niet wenselijk is. Bij de situering van een inrit dient rekening gehouden te worden met randvoorwaarden ten behoeve van verkeersveiligheid en aanwezige elementen in het openbaar gebied, zoals lichtmasten, bomen, rioleringsputtten,
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 22
brandhydranten, etc. De kavel dient zo ingericht te worden dat de vrachtwagens en personenauto’s die het terrein op willen rijden niet in de openbare ruimte moeten wachten. Indien brede inritten noodzakelijk zijn (meer dan 10 meter), dienen maatregelen ten behoeve van de veiligheid van voetgangers en fietsers te worden genomen. 4.7 Terreininrichting. Bij de zonering van het eigen terrein wordt zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van beplanting en groenelementen. Betonnen en stalen verkeersgeleidende elementen worden zoveel mogelijk vermeden. Waar mogelijk worden materialen toegepast die hittestress reduceren en hemelwater op kunnen vangen. Denk aan de toepassing van groen, open verharding, lichte kleuren, versterkt gras, etc.
Hoofdeis 5 Technische installaties zijn integraal onderdeel van de ontwerpopgave.
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 23
Zowel voor de energievoorziening, de bedrijfsprocessen als de veiligheid is er op de bedrijfskavels veel ruimte nodig voor technische installaties, schakelkasten en onderstations. Omdat deze vaak erg beeldbepalend zijn vormen deze technische installaties een integraal onderdeel van de ontwerpopgave voor de gebouwen en de onbebouwde ruimte.
Onderliggende regels: 5.1 . Losse technische gebouwen of bouwwerken zijn niet toegestaan op het terrein. Portiersloges, fietsenstallingen, trafo’s, aggregaten, opslagruimtes voor energie, afvalbergingen, pompinstallaties, etc, moeten vormgegeven worden als integraal onderdeel van het hoofdvolume van het gebouw met een identieke gevel en dakafwerking. Als het om technische redenen vereist is dat een technisch bouwwerk los van het gebouw moet staan dan dient deze in ieder geval geclusterd te worden met vergelijkbare bouwwerken. Deze bouwwerken worden afgewerkt met een schil die identiek is aan de gevel en dakafwerking van het hoofdgebouw. 5.2. Losse overige objecten op het terrein dienen tot het noodzakelijke minimum beperkt te blijven. Losse vlaggenmasten zijn niet toegestaan. Als
een vlaggenmast gewenst is, dan dient deze geintegreerd te worden in het ontwerp van de gevel. Ook vrijstaande reclameuitingen zijn niet toegestaan. Logistieke aanwijsborden moeten zoveel als mogelijk opgenomen worden in het gevelontwerp. Als losse aanwijsborden onvermijdelijk zijn dan mogen deze niet hoger geplaatst worden dan 4 meter boven maaiveld en niet breder zijn dan 1,5 meter. Camera’s en zendmasten dienen eveneens opgenomen te worden in het gevel- en dakontwerp van de bebouwing. Als het vanwege de veiligheid of bedrijfsprocessen niet mogelijk is om de camera op het gebouw te monteren, dan dienen de camera’s zoveel als mogelijk gemonteerd te worden op verlichtingsmasten. Als dit ook niet mogelijk is, dan dient de losse cameramast identiek te zijn aan de lichtmasten op het terrein. Toegangsbeveiliging door een beweegbaar hek of slagboom is toegestaan. Daarbij dient zoveel mogelijk rekening te worden
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 24
gehouden met de vormgevingsprincipes en de kleur van het BPAO Lamellenhekwerk. Meldpalen, paslezers en detectoren staan op eigen terrein en zijn, waar mogelijk, zo ontworpen dat ze goed aansluiten op het hekwerk. Om te voorkomen dat beveiligingsmaatregelen opstopping geven op de openbare wegen of het voetpad blokkeren moeten (vracht)auto’s op eigen terrein kunnen wachten op doorgang.
Must Stedebouw Tea Hadzizulfic Wouter Veldhuis Alvise Moretti Bram van Ooijen Lutmastraat 191 G+H Postbus 16631 1001 RC Amsterdam T +31 (0)20 470 20 13 mail@must.nl www.must.nl Opdrachtgever GEM Lutkemeer Contactpersoon Salesmanager SADC info@sadc.nl
Beeldkwaliteitsplan BPAO fase 2
MUST 25