TKN 6 - Ruimtelijke Ordening (30) 2. Woonboten Oostenburgervaart.pdf
Tekst van het document
Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waardoor deze delen van de Monumentenwet 1988 ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Artikel.16 van de Erfgoedwet stelt dat de gemeenteraad een erfgoedverordening kan vaststellen (lid 1). Deze betreft het beheer en behoud van cultureel erfgoed dan van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis (lid 3). Burgemeester en wethouders zijn verplicht een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij te houden. De Provincie Noord-Holland en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hebben voor wat betreft het aspect archeologie, formeel een adviserende en toetsende rol op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Volgens de Erfgoedwet moeten (toevals)vondsten worden gemeld bij de minister. Deze verwittigt het Rijk. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld, zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.
Besluit ruimtelijke ordening Op grond van artikel 3.1.6 lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (d.d. 17 juni 2011, stbl 5 juli 2011, nr 339) dient per 1 januari 2012 in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In de toelichting staat dat dit betekent dat de gemeente een analyse moet verrichten van de cultuurhistorische waarden en aanwezige of naar verwachting aanwezige monumenten, en aangeven op welke wijze rekening is gehouden met deze waarden van de in het plan begrepen gronden. Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (PRV) In de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (PRV) zijn in de artikelen 20-22 regels opgenomen ten aanzien van enkele UNESCO werelderfgoederen, waaronder De Stelling van Amsterdam. Het gebiedVuurtoreneiland bij de IJdoornpolder in bij Durgerdam maakt deel uit van deze Stelling. Dit vloeit voort uit de verplichting in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), artikel 2.13.4, ten aanzien van enkele Unesco Werelderfgoederen. De PRV bepaalt dat in het bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 31
bestemmingsplan regels dienen te worden opgenomen ten behoeve van het behoud of versterking van de kernkwaliteiten van deze erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. De Verordening geeft daarnaast regels voor mogelijke ontwikkelingen aan in deze gebieden. De PRV geldt niet ten aanzien van het UNESCO-werelderfgoed De Grachtengordel van Amsterdam. De bescherming van de Amsterdamse Grachtengordel is namelijk al geregeld op basis van de Erfgoedwet en de Monumentenwet. Erfgoedverordening Amsterdam Op 16 december 2015 is de Erfgoedverordening Amsterdam vastgesteld. Deze stedelijke verordening geldt voor heel Amsterdam en beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam. Monumenten en Archeologie is in de Erfgoedverordening aangewezen als het stedelijk kennis- en expertisecentrum dat gemeentelijke diensten en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Amsterdam adviseert over de waarde van en de omgang met de onder- en bovengrondse cultuurhistorische waarden. De Erfgoedverordening regelt voorts de aanwijzing van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten en die van gemeentelijke monumenten.
In de artikelen 22 en 23 van de Verordening staat aangegeven welke beschrijvingen in de Toelichting van een bestemmingsplan dienen te worden opgenomen ten aanzien van bovengrondse cultuurhistorische waarden en ten aanzien van archeologische waarden. Daarnaast is opgenomen aan welke eisen het cultuurhistorisch- en archeologisch onderzoek dient te voldoen. Archeologie beleid Amsterdam Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing. De wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek.
Dit bureauonderzoek wordt in Amsterdam uitgevoerd door Monumenten & Archeologie en behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen. Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een
Gemeente Amsterdam
blz. 32
omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij recente verstoringen van de bodem (beleidsvariant 11). Bij bijvoorbeeld beleidsvariant 2 geldt dat slechts geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of ondieper dan 0,50 meter onder het maaiveld (Appendix: Beleidsvarianten en stroomschema, M&A).In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor. Cultuurhistorie beleid Amsterdam Bij het maken van bestemmingsplannen dient een beschrijving te worden opgenomen “van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten) rekening is gehouden” (artikel 3.1.6 lid 5 Besluit ruimtelijke ordening).
Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden. Bij cultuurhistorische waarden (bovengronds) gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of -gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken. Het is van belang dat cultuurhistorische waarden worden betrokken in de planvorming en worden meegewogen in de besluitvorming over de inrichting van een gebied. 5.2.2
Plangebied
Het plangebied van het bestemmingsplan Woonboten Oostenburgervaart bestaat uitsluitend uit de bestaande woonbootrakken in de Oostenburgervaart. Er zijn daarom geen gebouwen aanwezig met een cultuurhistorische waarde. Daarnaast worden met het bestemmingsplan Woonboten Oostenburgervaart geen bouwmogelijkheden toegevoegd, noch worden bodemwerkzaamheden uitgevoerd. Het is daarom niet noodzakelijk archeologisch onderzoek uit te voeren ten behoeve van dit plan. Om te zorgen dat archeologische waarden in het gebied zijn geborgd is in het bestemmingsplan de regeling uit het moederplan Stadswerf Oostenburg opgenomen ten aanzien van de archeologische bescherming. Ter plaatse van het plangebied geldt de regeling 'Waarde - Archeologie D'. Met deze regeling worden eisen gesteld ten aanzien van de bescherming van archeologische waarden, mits de werkzaamheden meer dan 500 m² oppervlakte en dieper dan de baggerdiepte bedragen. Conclusie Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 33
5.3
Natuurbescherming
5.3.1
Kader
Wet natuurbescherming Voor de bescherming van diersoorten is per 1 januari 2017 de Wet Natuurbescherming in werking getreden. In deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 98, Flora en faunawet en Boswet geïntegreerd tot één wet. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten zal rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten en diersoorten. Indien uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid c.q. activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing c.q. vergunning. Naast wettelijke regelgeving zijn er een aantal beleidskaders (die ten doel hebben de biodiversiteit te behouden en bijzondere soorten te beschermen. Het gaat bijvoorbeeld om landelijk- en provinciaals beleid zoals de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en de vertaalslag daarvan op Amsterdams niveau. In de Structuurvisie Amsterdam 2040 (2011) zijn de Ecologische structuur en Hoofdgroenstructuur voor Amsterdam vastgesteld. Het plangebied ligt volledig buiten de hoofdgroenstructuur. 5.3.2
Plangebied
Het plangebied is niet gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur van Amsterdam. Daarnaast wordt met het bestemmingsplan geen nieuwe bouwwerken of activiteiten mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan voorziet uitsluitend in een planologische wijziging van de maatvoering van woonboten. Om deze reden is het niet nodig een natuurtoets uit te voeren. Ten noorden van Amsterdam liggen voor stikstof gevoelige natuurgebieden. Het bestemmingsplan maakt echter geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, waardoor de toename van stikstofdepositie kan worden uitgesloten. Conclusie Natuur en de bescherming daarvan vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Gemeente Amsterdam
blz. 34
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 35
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische toelichting
Algemeen
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.
Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.
6.2
De bestemmingen
Artikel 3 Water De Bestemming Water is de enige enkelbestemming toegekend aan de gronden behorende bij het plangebied. Het plangebied bestaat dan ook uitsluitend uit de woonbootrakken in de Oostenburgervaart. Deze gronden zijn o.a. bestemd voor waterstaatkundige doeleinden en waterwegen. Binnen de bestemming is het mogelijk een drijvend bouwwerk op te richten ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaatsen'. Daarnaast is het mogelijk om bouwwerken, geen gebouwen zijnde op te richten in de vorm van plankieren en toegangsvoorzieningen ten behoeve van woonboten. Artikel 4 Waarde - Archeologie D (dubbelbestemming) Het gehele plangebied kent de dubbelbestemming Waarde - Archeologie D (dubbelbestemming). Met de
Gemeente Amsterdam
blz. 36
dubbelbestemming worden ter bescherming van mogelijke archeologische waarden restricties opgelegd aan de hoofdbestemming. Een omgevingsvergunning voor het bouwen, dan wel het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is vereist indien de grenswaarde ten aanzien van oppervlakte en/of diepte wordt overschreden. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen indien blijkt dat archeologische waarden aanwezig zijn. Artikel 5 Waarde - Landschap (dubbelbestemming) Ter plaatse van deze dubbelbestemming is het wenselijk dat waardevolle doorzichten op en van het water in stand worden gehouden. De regeling in artikel 5 waarborgd de bescherming of het herstel van deze doorzichten. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Deze standaardbepaling is bedoeld om te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie mogelijk is gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruik gemaakt. Artikel 7 Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de algemene gebruiksverboden, waaronder in ieder geval het gebruik van bebouwing of gronden ten behoeve van opslag van materialen en het gebruik van panden als souvenirwinkel en dergelijke.
Artikel 8 Algemene aanduidingsregels Vlak buiten het plangebied is een gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. De veiligheidszone, waarbinnen geen (beperkt) gevoelige objecten mogen worden gebouwd, maakt onderdeel uit van het plangebied. Deze veiligheidszone is door middel van een aanduiding opgenomen in het bestemmingsplan.
Artikel 9 Overgangsrecht Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor hoe de overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik in bestemmingsplannen dienen te luiden. Kort samengevat zijn hieronder de belangrijkste punten vermeld. Voor bouwwerken die aanwezig zijn op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan of die nog gebouwd kunnen worden op basis van een bouwvergunning en die afwijken van het bestemmingsplan geldt, dat deze gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd. De overgangsbepalingen voor bouwwerken bevat een calamiteitenregeling en een regeling op grond waarvan het bevoegd gezag eenmalig kan afwijken voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk dat onder de overgangsbepalingen valt met maximaal 10%. De overgangsregels voor het gebruik bepalen dat het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is, mag worden voortgezet. Het met het bestemmingsplan strijdige gebruik mag niet worden veranderd in een ander strijdig gebruik, tenzij daardoor de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Indien het strijdige gebruik langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten.
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 37
De overgangsbepalingen zijn niet van toepassing op bestaande bouwwerken die zijn gebouwd zonder vergunning en bestaand gebruik in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Artikel 10 Slotregel Deze regeling bevat de titel onder welke het plan aangehaald kan worden.
Gemeente Amsterdam
blz. 38
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 39
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het bestemmingsplan maakt geen bouwplan in de zin van afdeling 6.4 van de Wro mogelijk, waardoor het vaststellen van een exploitatieplan niet is vereist.Extern is een planschaderisicoanalyse opgesteld. De gemeente kan het risico dat uit de analyse naar voren komt dragen. Het plan is economisch uitvoerbaar.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 41
Hoofdstuk 8 8.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voortraject
De gemeenteraad heeft op 18 december 2019 het Voorbereidingsbesluit Woonboten Oostenburgervaart vastgesteld. Met dit voorbereidingsbesluit heeft de raad kenbaar gemaakt dat een bestemmingsplan wordt voorbereid en moeten omgevingsvergunningaanvragen worden aangehouden totdat het nieuwe bestemmingsplan Woonboten Oostenburgervaart in werking is getreden, mits binnen een jaar na vaststelling van het voorbereidingsbesluit het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd.
8.2
Inspraak
Ingevolge de Algemene Inspraakverordening van de gemeente Amsterdam hoeft geen inspraak te worden verleend. Het bestemmingsplan zal volgens de wettelijke procedure worden voorbereid. Dit betekent dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd met de mogelijkheid voor een ieder om gedurende zes weken een zienswijze naar voren te brengen. De ingebrachte zienswijzen worden betrokken bij de verdere besluitvorming. Hierna zal het plan ter vaststelling worden aangeboden aan de gemeenteraad.
8.3
Vooroverleg
Het plan is in het kader van het vooroverleg is het ontwerpbestemmingsplan verzonder aan Waternet. Waternet heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het ontwerpbestemmingsplan. Naar het oordeel van burgemeester en wethouders is verder geen sprake van gemeenten, diensten van de provincieen en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Het overleg kan dan ook achterwege blijven.
8.4
Zienwijzen
Van xx tot en met xx ligt het ontwerpbestemmingsplan, gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage. Gedurende deze periode kunnen zienswijzen worden ingediend. In de nota van beantwoording zienswijzen worden de zienswijzen samengevat en beantwoord. Daarbij wordt aangegeven of en hoe de zienswijze heeft geleid tot een wijziging van het bestemmingsplan.
Gemeente Amsterdam
blz. 42
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 43
Bijlagen bij de toelichting
Gemeente Amsterdam
blz. 44
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 45
Bijlage 1
Toelichting als PDF
Gemeente Amsterdam
blz. 46
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 47
Regels
Gemeente Amsterdam
blz. 48
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels Begrippen
plan
het bestemmingsplan Woonboten Oostenburgervaart met identificatienummer NL.IMRO.0363.A1908BPSTD-OW01 van de gemeente Amsterdam; 1.2
bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5
aanduidingsvlak
Een op de verbeelding aangegeven vlak met eenzelfde aanduiding; 1.6
aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit
een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie; 1.7
alternatieve ligplaats
beschikbare ligplaats binnen de op de verbeelding aangeduide zones 'specifieke vorm van water ligplaatsen'; 1.8
archeologisch rapport
Rapportage waarin de archeologische waarde van het terrein waarop de aanvraag betrekking heeft, wordt vastgesteld die naar het oordeel van burgemeester en wethouders/ het dagelijks bestuur voldoet aan de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie als bedoeld in de Regeling archeologische monumentenzorg, zoals deze geldt op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan; 1.9
archeologische waarde
Waarden waarvan de aanwezigheid bekend is in de vorm van fysieke overblijfselen in de bodem;
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 49
1.10
automatenhal
iedere besloten ruimte waarin meer dan drie speelautomaten of andere mechanische toestellen in de zin van artikel 30 van de Wet op de Kansspelen zijn opgesteld ten behoeve van het publiek; 1.11
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.12
Bed & Breakfast
een bedrijf, dat met behoud van de woonfunctie door ten minste de hoofdbewoner in een woning wordt uitgeoefend en die voorziet in het verstrekken van nachtverblijf voor maximaal 4 personen voor korte tijd, waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten ondergeschikt is; 1.13
bedrijf
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; 1.14
bedrijfsvaartuig (niet varend)
een niet varend drijvend bouwwerk ten behoeve van de uitoefening van enig beroep of bedrijf dan wel voor de uitoefening van sociaal en/of culturele activiteiten; 1.15
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak; 1.16
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.17
bestaand
a. voor bebouwing: bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, dan wel mag worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde in of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (of de Woningwet); b. voor gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan met de daarbij behorende gebruiksregels; 1.18
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.19
bouwgrens
de grens van een bouwvlak;
Gemeente Amsterdam
blz. 50
1.20
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren is begrensd, bijzondere bouwlagen niet inbegrepen; 1.21
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.22
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel; 1.23
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.24
bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.25
drijvend bouwwerk
Een bouwkundige constructie van enige omvang die drijft, die op de plaats van bestemming direct of indirect met de grond verbonden is en bedoeld is om ter plaatse te functioneren, met uitzondering van een schip als bedoeld in artikel 1, lid 7, van de Woningwet; 1.26
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.27
geldwisselkantoor
een gelegenheid waarin de hoofdactiviteit of één van de activiteiten wordt gevormd door het bedrijfsmatig wisselen van geld of waardepapieren; 1.28
growshop
een detailhandelsvestiging waar in het bijzonder artikelen ten behoeve van het kweken van cannabis worden verkocht; 1.29
hoofdgebouw
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van het perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 51
1.30
headshop
een detailhandelsvestiging waar hoofdzakelijk artikelen worden verkocht voor het gebruik van drugs, maar waar in principe geen psychoactieve stoffen worden verkocht; 1.31
ligplaats
een plaats in het water bestemd of aangewezen om met een vaartuig dan wel drijvend bouwwerk af te meren; 1.32
minisupermarkt
een detailhandelsvestiging waar voedingsmiddelen en huishoudelijke artikelen worden verkocht. Een minisupermarkt onderscheidt zich van een supermarkt door het oppervlak. In de binnenstad spreken we van een minisupermarkt wanneer het bruto bedrijfsvloeroppervlak niet meer dat 400m2 bedraagt; 1.33
overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.34
pand
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.35
peil
het waterpeil; 1.36
prostitutiebedrijf
een ruimte waar prostitutie wordt bedreven, niet zijnde een raamprostitutiebedrijf; 1.37
seedshop
een detailhandelsvestiging waar in het bijzonder zaden van planten met een psychoactieve werking worden verkocht; 1.38
seksinrichting
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin handelingen of vertoningen plaatsvinden van erotische en/of pornografische aard. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: a. een prostitutiebedrijf: een bedrijfsmatige activiteit gericht op het verrichten van seksuele handelingen met anderen tegen een materiële vergoeding; b. erotisch getinte vermaaksfunctie: Een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van erotische/pornografische aard, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een erotische videotheek, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, wel of niet in combinatie met elkaar;
Gemeente Amsterdam
blz. 52
1.39
short stay
het structureel aanbieden van een zelfstandige woning voor tijdelijke bewoning aan één huishouden of voor maximaal vier personen indien deze personen deel uitmaken van meerdere huishoudens, voor een aaneensluitende periode van tenminste één week en maximaal zes maanden; 1.40
smartshop
een winkel waarin de hoofdactiviteit of een van de activiteiten wordt gevormd door detailhandel in psychotrope stoffen; 1.41
souvenirwinkel
een detailhandelsvestiging waarin de hoofdactiviteit of één van de activiteiten wordt gevormd door de handel in produkten die in het teken staan van nationale-, streek- of stadssymbolen en/of namen. Een detailhandelsvestiging is geen souvenirwinkel wanneer niet meer dan 5 % van het netto winkelvloeroppervlak wordt gebruikt voor de verkoop van producten die in het teken staan van nationale-, streek- of stadssymbolen en/of namen. Deze producten mogen uitsluitend achter in de vestiging worden uitgestald. Gespecialiseerde winkels die producten verkopen die weliswaar in het teken staan van nationale-, streek- of stadssymbolen worden niet gezien als souvenirwinkels. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan kaaswinkels, winkels gespecialiseerd in Delfsblauw aardewerk of bloemenzaken/ tuinierswinkels die tulpen(bollen) en klompen verkopen; 1.42
steiger
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, te water die vast met de wal is verbonden en/of door middel van palen met de grond is verbonden, dat wellicht door de gekozen constructie verticaal met het water/ getij beweegt, maar de eigenschap mist om in horizontale richting te verplaatsen, niet zijnde waterstaatkundige werken; 1.43
telefoneerinrichting
een gelegenheid waarin de hoofdactiviteit of een van de activiteiten wordt gevormd door het bedrijfsmatig gelegenheid bieden tot het voeren van telefoongesprekken, waaronder mede begrepen het verzenden van faxen; 1.44
toegangsvoorziening
een bouwwerk dat een woonboot of bedrijfsvaartuig vanaf de wal toegankelijk maakt; 1.45
vaartuig
een constructie die als vervoermiddel te water gebruikt wordt of gebruikt kan worden; 1.46
verbeelding
de verbeelding (voorheen plankaart) van het bestemmingsplan;
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 53
1.47
vlot
een drijvende constructie, niet zijnde een bouwwerk of een vaartuig, die niet met constructieve voorzieningen met de ondergrond of met de wal verbonden is en daardoor de eigenschap heeft behouden om zich in horizontale richting te verplaatsen; 1.48
waterstaatsdoeleinden
voorzieningen ten behoeve van waterbeheersing en waterhuishouding in de ruimste zin; 1.49
woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.50
woonboot
een drijvend bouwwerk, hoofdzakelijk gebruikt of bestemd tot woonverblijf. Hieronder wordt begrepen, een: a. schip: boot met een scheepsromp, gekenmerkt door hoogteverschillen van de opbouw over de gehele lengte van het schip. b. vaartuig: een boot met een scheepsromp met daarop een opbouw. c. ark: een boot met een min of meer rechthoekige opbouw zonder noemenswaardige variatie in hoogte, gebouwd op een speciaal voor die boot gebouwd casco.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de hoogte van een drijvend bouwwerk
De afstand gemeten vanaf het peil tot het hoogste punt van het bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte onderdelen, zoals masten, schoorstenen, antennes, mastkoker en naar de aard daarmee gelijk te stellen onderdelen, mits de maximale toegestane bouwhoogte voor de ondergeschikte onderdelen met niet meer dan een meter wordt overschreden. Deze beperking geldt niet voor masten. 2.2
de breedte van een drijvend bouwwerk
De afstand gemeten daar waar de constructie van het bouwwerk, inclusief loopranden, stootranden, dakranden, zeemranden, goten en vergelijkbare constructies, het breedst is. Ondergeschikte delen die buiten de constructie steken, zoals zwaarden, fenders en eenvoudige demontabele voorzieningen, worden niet meegerekend. 2.3
de lengte van een drijvend bouwwerk
De afstand gemeten daar waar de constructie van het bouwwerk, inclusief loopranden, stootranden, dakranden, zeemranden, goten en vergelijkbare constructies, het langst is. Ondergeschikte delen die buiten de constructie steken, zoals rondhouten, roerbladen en boegsprieten en eenvoudig demontabele voorzieningen, worden niet meegerekend.
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 55
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels Water
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. waterberging, waterwegen, de waterhuishouding en waterstaatdoeleinden; b. ligplaatsen voor woonboten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water ligplaatsen', met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.2.1; c. steigers, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'steiger' op de verbeelding; d. tijdelijke (bouw)werken ten behoeve van walkantvernieuwing; e. ongebouwde afmeerplaatsen voor pleziervaartuigen; f. op- en afstapvoorzieningen. 3.2
Bouwregels
Op en onder de in artikel 3.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming met inachtneming van de volgende bepalingen: 3.2.1
Drijvende bouwwerk en
a. ter plaatse van het aanduidingsvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaatsen' mag ten hoogste het aantal ligplaatsen worden ingenomen door woonboten dat op de verbeelding is aangegeven met de aanduiding 'aantal'; b. ten aanzien van het op de verbeelding binnen de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaatsen' met de aanduiding 'maximum aantal' aangegeven aantal geldt het volgende: voor zover voor het maximum aantal geen omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder a Wabo, dan wel ligplaatsvergunningen zijn verleend worden de resterende beschikbare ligplaatsen aangemerkt als 'alternatieve ligplaatsen' als bedoeld in artikel 1.7 c. bij het innemen van ligplaatsen binnen de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaatsen' dienen de boten onderling op een afstand van ten minste 2 meter te worden afgemeerd, tenzij de bestaande afstand kleiner is. In dat geval geldt die kleinere afstand; d. bij het innemen van ligplaatsen binnen de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaatsen' dienen de op dat moment geldende doorvaartprofielen in acht genomen te worden, zodat boten niet in de doorvaart worden afgemeerd. Het bevoegd gezag wint daartoe advies in bij Waternet; e.
Bij het verbouwen en vervangen van drijvende bouwwerken dienen de daartoe geldende specifieke beperkende maatvoeringen uit de waterbeleidsregels in acht te worden genomen; f. ter plaatse van het aanduidingsvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaatsen' zijn ligplaatsen voor woonboten toegestaan met de volgende maximale maatvoering: a. voor een schip: lengte: 25 meter breedte: 5.00 meter hoogte: 2.50 meter b. voor een vaartuig: lengte: 22.50 meter
Gemeente Amsterdam
blz. 56
breedte: 5.00 meter hoogte: 2.5 meter c. voor een ark lengte: 20 meter breedte: 5.00 meter hoogte: 2.50 meter g. in afwijking van het bepaalde artikel 3.2.1 onder e mogen woonboten, die op het moment van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan reeds een ligplaatsvergunning met afwijkende maatvoering hebben, blijven liggen.
3.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Op of onder de tot 'Water' bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht ten dienste van de bestemming, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. voor woonboten is per woonboot één toegangsvoorziening toegestaan met een maximale afmeting van: 1. lengte: 2 meter; 2. breedte: 2 meter; 3. hoogte: 0,3 meter; met dien verstande dat de toegangsvoorziening de woonboot op de kortst mogelijke wijze vanaf de wal toegankelijk maakt; b. de maximale bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3 meter, dan wel de ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan bestaande hogere bouwhoogte;
3.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag is bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels 3.3.1
Toegangsvoorzieningen
a. het bepaalde in artikel 3.2.2 voor het realiseren van één toegangsvoorziening die de maximale afmetingen overschrijdt tot een maximum van 3 meter lengte en 2 meter breedte; b. het bepaalde in artikel 3.2.2 voor het realiseren van een tweede toegangsvoorziening ten behoeve van een woonboot, met dien verstande dat: 1. de breedte van de tweede toegangsvoorziening maximaal 1 meter mag bedragen; 2. de toegangsvoorziening noodzakelijk is vanuit brandveiligheidsoverwegingen. Het bevoegd gezag wint daartoe het advies in van de brandweer Amsterdam-Amstelland. 3.3.2
Maximale maten
het bepaalde in artikel 3.2.1 onder e tot een maximale breedte van 7 meter en een maximale hoogte van 6 meter voor woonboten.
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 57
Toepassing van de bevoegdheid mag niet tot gevolg hebben dat de karakteristiek van het stadsgezicht in onevenredige mate wordt aangetast en/ of aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied in onevenredige mate afbreuk wordt gedaan. 3.4
Specifieke gebruiksregels
Voor de in artikel 3.1 genoemde gronden gelden de volgende gebruiksregels: a. het gebruik van de gronden ten behoeve van een aan huis verbonden beroep of bedrijf is op woonboten toegestaan mits niet meer dan maximaal 40% van het woonoppervlak daarvoor wordt gebruikt met een maximum van 60 m2; b. ter plaatse van de aanduiding 'steiger' mag de steiger uitsluitend worden gebruikt als publieke of semipublieke verblijfsruimte; c. het gebruik van de tot Water bestemde gronden ten behoeve van evenementen en daarbij behorende noodzakelijke bouwwerken is toegestaan, met inachtneming van andere gemeentelijke regelgeving. d. de alternatieven ligplaatsen kunnen uitsluitend in gebruik worden genomen nadat het bevoegd gezag toepassing heeft gegeven aan zijn bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 3.5. 3.5
Wijzigingsbevoegdheid
Toepassing van een wijzigingsbevoegdheid mag niet tot gevolg hebben dat de karakteristiek van het stadsgezicht in onevenredige mate wordt aangetast en/of aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied in onevenredige mate afbreuk wordt gedaan en met in achtneming van artikel 4 en artikel 5. 3.5.1
Innemen alternatieven ligplaatsen
Aantal Het bevoegd gezag is bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro, het bestemmingsplan te wijzigen door ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaats' het aantal ligplaatsen aangeduid met de aanduiding 'aantal' te verkleinen dan wel te vergroten tot het in de aanduiding 'maximum aantal' aangegeven aantal. Voor het in de aanduiding 'maximum aantal' aangegeven aantal geldt dat indien ter plaatse een ligplaats wordt ingenomen door een schip als bedoeld in artikel 1, lid 7, van de Woningwet met een ligplaatsvergunning op grond van de Verordening op het Binnenwater, het aantal ligplaatsen niet kan toenemen. 3.5.2
Toepassingsvoorwaarden
a. Voor toepassing van de bevoegdheid onder artikel 3.5.1. geldt dat de som van het totaal aantal ligplaatsen dat is aangeduid met de aanduiding 'aantal' in het plangebied tezamen met het aantal ligplaatsen dat is aangeduid met de aanduiding 'aantal' in het plangebied van het bestemmingsplan Water niet mag toenemen: b. Voor toepassing van de bevoegdheid als bepaald onder artikel 3.5.1. geldt dat van de bevoegdheid pas gebruik mag worden gemaakt als daarmee wordt bijgedragen aan de realisering van een of meer van de volgende doelstellingen: 1. de wijziging is nodig om wegbestemde ligplaatsen een alternatieve ligplaats te bieden;
Gemeente Amsterdam
blz. 58
2. de wijziging is nodig om een verplaatsing vanuit het plangebied van het bestemmingsplan Water met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergingsgebied' mogelijk te maken; 3. de wijziging is nodig om een verlaging van de dichtheid in de volgende grachten van het plangebied van het bestemmingsplan Water te bereiken: Brouwersgracht, Lijnbaansgracht, Prinsengracht en Keizersgracht; 4. de wijziging is nodig voor het realiseren van een vrije afstand tot historische bruggen in het plangebied van het bestemmingsplan Water door het verplaatsen van woonboten; 5. de wijziging is nodig om de dubbelbestemming ' Waarde - Landschap' in het plangebied en het plangebied van het bestemmingsplan Water ter plaatse van zichtlijnen te realiseren door arken te verschuiven dan wel te verplaatsen; 6. de wijziging draagt bij aan de ordening op het water / efficient watergebruik; 3.6
Nadere eisen
Bij omgevingsvergunning kunnen nadere eisen gesteld worden aan de situering en afmetingen van het drijvende bouwwerk indien dit noodzakelijk is vanwege: a. de veiligheid op het water; b. de cultuurhistorische omgevingswaarden; c. de ruimtelijke structuur in de zin van zichtassen; d. zichtlijnen en open ruimten Met nadere eisen wordt gedoeld op de eisen zoals opgenomen in de vastgestelde waterbeleidsregels welke van toepassing zijn op het moment van de aanvraag van de omgevingsvergunning.
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 59
Artikel 4 4.1
Waarde - Archeologie D (dubbelbestemming)
Bestemmingsomschrijving
a. De gronden aangewezen voor 'Waarde - Archeologie D (dubbelbestemming)' zijn naast de op de verbeelding aangegeven andere bestemming tevens bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden (waterbodem met een hoge archeologische verwachting). b. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie D (dubbelbestemming)' is primair ten opzichte van de andere aan deze gronden toegekende bestemmingen. 4.2
Bouwregels
a. De aanvrager van een omgevingsvergunning waarvan bodemverstorende werkzaamheden deel uitmaken, dient in geval de oppervlakte van het project meer dan 500 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan de baggerdiepte plaatsvinden, een archeologisch rapport te overleggen. b. Als baggerdiepte geldt de maximale maatvoering ten opzichte van de waterlijn zoals die voor de betreffende locatie in Bijlage 1 van de regels is aangegeven. c. Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder a. kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het dagelijks bestuur bij de vergunning te stellen kwalificaties. 4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, bodemverstorende werken, niet zijnde bouwwerken, en werkzaamheden, niet zijnde bouwwerkzaamheden, uit te voeren, in geval de oppervlakte van het project meer dan 500 m2 betreft en de werken of werkzaamheden dieper dan de baggerdiepte plaatsvinden. b.
Als baggerdiepte geldt de maximale maatvoering ten opzichte van de waterlijn zoals die voor de betreffende locatie in Bijlage 1 van de regels is aangegeven. c. De aanvrager om een omgevingsvergunning als bedoeld onder a. dient een archeologisch rapport te overleggen. d. Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder a. kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische 2. waarden in de bodem worden behouden; 3. de verplichting tot het doen van opgravingen; 4. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. e. In afwijking van het bepaalde onder a, is geen omgevingsvergunning nodig voor: 1. bodemverstorende werken, die het normale onderhoud betreffen; 2. bodemverstorende werken die al in uitvoering zijn genomen ten tijde van het van kracht worden van het plan.
Gemeente Amsterdam
blz. 60
4.4
Nadere eisen
Bij omgevingsvergunning kunnen nadere eisen worden gesteld ten aanzien van de situering, de inrichting en het gebruik van gronden aangewezen voor 'Waarde - Archeologie D (dubbelbestemming)', indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse archeologische waarden zoals bedoeld in artikel 4.1 aanwezig zijn, ter bescherming van de in artikel 4.1 genoemde archeologische waarden. 4.5
Wijzigingsbevoegdheid
Het bevoegd gezag is bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en met inachtneming van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, het plan te wijzigen in die zin dat de verbeelding wordt gewijzigd door één of meer bestemmingsvlakken (of gedeelten daarvan) met 'Waarde - Archeologie D (dubbelbestemming)' van de verbeelding te verwijderen of te verkleinen, indien: a. uit nader onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan voorziet in bescherming van deze waarden.
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 61
Artikel 5 5.1
Waarde - Landschap (dubbelbestemming)
Bestemmingsomschrijving
a. De gronden aangewezen voor 'Waarde - Landschap (dubbelbestemming)' zijn naast de op de verbeelding aangegeven andere bestemming(en) tevens bestemd voor de bescherming en het herstel van doorzichten vanuit straten op het water en vanaf het water op de wal, alsmede voor het herstel van het zicht op het water en vanaf het water op de wal; b. De dubbelbestemming 'Waarde - Landschap (dubbelbestemming)' is primair ten opzichte van de bestemming 'Water'. 5.2
Specifieke gebruiksregels
Op de tot 'Waarde - Landschap (dubbelbestemming)' bestemde gronden gelden de volgende specifieke gebruiksregels: a. Voor zover er op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan binnen de aanduidingen 'specifieke vorm van water - ligplaatsen' woonboten zijn gelegen die gekwalificeerd kunnen worden als 'arken', zoals bedoeld in artikel 1.50 onder c mogen deze arken gehandhaafd blijven; b. Indien de ark vervangen wordt, mag dat uitsluitend gebeuren door een schip zoals bedoeld in artikel 1.50 onder a; c. Het casco van een ark mag niet geheel of in delen worden voorzien van een nieuwe opbouw, uitgezonderd het reguliere onderhoud; d. Voor zover er op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan geen woonboten zijn gelegen binnen de op de verbeelding als zodanig aangeduide vlakken 'specifieke vorm van water ligplaatsen', geldt dat binnen deze functieaanduidingsvlakken uitsluitend door een schip als bedoeld in artikel 1.50 onder a ligplaats kan worden ingenomen.
Gemeente Amsterdam
blz. 62
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 63
Artikel 7 7.1
Algemene gebruiksregels
Algemeen gebruiksverbod
De in dit plan begrepen gronden en bebouwing mogen uitsluitend worden gebruikt met inachtneming van de volgende bepalingen: a. het is verboden de gronden en bebouwing te gebruiken dan wel laten te gebruiken in strijd met de bestemming. b. onder verboden gebruik wordt in elk geval begrepen het gebruik, dan wel laten gebruiken van gronden en bebouwing ten dienste van: 1. telefoneerinrichting of belhuis, automatenhal, prostitutiebedrijf, seksinrichting, geldwisselkantoor, smartshop, souvenirwinkel, minisupermarkt, massagesalon, head-, seed- en growshop; 2. de opslag en/of stalling van kampeermiddelen, voer- of vaartuigen, schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond en bodemspecie, puin- en vuilstortingen, en aan hun gebruik onttrokken machines, behoudens gebruik dat strekt tot realisering van de bestemming en gebruik dat voortvloeit uit het normale dagelijkse gebruik en onderhoud dat ingevolge de bestemming is toegestaan; 3. inrichting en bedrijf als aangewezen in bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht;
Gemeente Amsterdam
blz. 64
Artikel 8
Algemene aanduidingsregels
8.1
Veiligheidszone - bevi
8.1.1
Aanduidingsomschrijving
De gronden ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven aanduiding 'veiligheidszone - bevi' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichting in verband met gevaarlijke stoffen. 8.1.2
Bouwregels
In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mogen ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - bevi' geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd. 8.1.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.1.2 voor de bouw van beperkt kwetsbare objecten ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - bevi' indien de ontwikkeling om zwaarwegende redenen plaatsvindt en uit oogpunt van het groepsrisico verantwoord wordt geacht. 8.1.4
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat: a. de aanduiding 'veiligheidszone - bevi' wordt verwijderd, mits de betreffende risicovolle inrichting/activiteit niet meer aanwezig is; b. de omvang en de situering van de aanduiding 'veiligheidszone - bevi' wordt gewijzigd indien: 1. de hoedanigheid van de betreffende risicovolle functie is gewijzigd; 2. de ligging van de zone is afgestemd op de risicocontouren ingevolge de van toepassing zijnde wettelijke regels. 8.1.5
Voorwaarden wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen toepassing geven aan het bepaalde in artikel 8.1.4 bedoelde wijzigingsbevoegdheid indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van personen en er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de (aangrenzende) gronden.
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 65
Hoofdstuk 4 Artikel 9 9.1
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 9.2
Overgangsrecht gebruik
a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, als bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Gemeente Amsterdam
blz. 66
Artikel 10
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Woonboten Oostenburgervaart'.
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 67
Bijlagen bij de regels
Gemeente Amsterdam
blz. 68
Bijlage 1
Baggerdieptekaart
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 70
Bijlage 2
Verbeelding als PDF
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (ontwerp)
blz. 71
Bijlage 3
Regels als PDF
Gemeente Amsterdam