CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Staat van het Amsterdams funderend onderwijs 2026.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 17 juni 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van de “De Staat van het Amsterdamse funderend onderwijs 2026” en bijbehorende raadinformatiebrief (VN2026-007117)31.194 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Voor de vaardigheid rekenen haalt gemiddeld het kleinste aandeel leerlingen het streefniveau. Dit aandeel is de afgelopen jaren wel gestegen. In schooljaar 2021/’22 was het 42 procent, in 2024/’25 was het 47 procent. Dit aandeel ligt hoger dan in de rest van Nederland, waar gemiddeld 43 procent van de leerlingen het streefniveau voor rekenen haalt. 45 procent van de Amsterdamse leerlingen behaalde in 2024/'25 alleen het fundamentele niveau voor rekenvaardigheid.

26

rekenen

taal

lezen

Figuur 2.6 Basisschoolleerlingen in Amsterdam die de referentieniveaus halen per type vaardigheid 2021/’22-2024/’25 (procenten) 2024/'25

74

25

1

2023/'24

75

24

1

2022/'23

71

25

3

2021/'22

70

26

3

2024/'25

56

2023/'24

53

40

4

42

4

2022/'23

61

36

3

2021/'22

59

37

4

2024/'25

47

45

7

2023/'24

49

42

8

2022/'23

46

2021/'22 0%

45

42 10%

20%

streefniveau

9

48 30%

40%

50%

fundamenteel niveau

60%

70%

10 80%

90%

100%

lager dan fundamenteel niveau bron: DUO/O&S

Referentieniveaus per stadsdeel Het aandeel Amsterdamse leerlingen dat het streefniveau haalt, verschilt per stadsdeel. In Centrum en Zuid haalde het merendeel van de leerlingen het voor leesvaardigheid in 2024/’25. Dit aandeel is gestegen ten opzichte van 2021/’22. In Zuidoost en Nieuw-West werd het streefniveau voor leesvaardigheid door het kleinste aandeel leerlingen behaald. In Zuidoost nam dit aandeel wel toe van 46 procent in 2021/’22 naar 58 procent in 2024/’25. Figuur 2.7 Basisschoolleerlingen in Amsterdam die het streefniveau voor leesvaardigheid halen per stadsdeel 2021/’22-2024/’25 (procenten)

bron: DUO/O&S

27

Ook als het gaat om het streefniveau voor taal, dan is het aandeel leerlingen dat dit haalt, het hoogst in Centrum (70 procent). Ook in Zuid, Weesp, Noord en West haalde meer dan 60 procent van de leerlingen het streefniveau voor taal. In Zuidoost en Nieuw-West waren de aandelen het kleinst, respectievelijk 41 en 45 procent. In Nieuw-West is dit aandeel sterk gedaald: van 58 procent in 2021/’22 naar 45 procent in 2024/’25. In Centrum, Zuid, Oost en West haalde in schooljaar 2024/’25 meer dan de helft van de leerlingen het streefniveau voor rekenen. In Nieuw-West ging het om 37 procent van de leerlingen en in Zuidoost om 30 procent. In Zuidoost is dit aandeel sinds 2021/’22 toegenomen, toen haalde 21 procent van de leerlingen het streefniveau voor rekenen. Voorbeeld uit Londen: discipline en gemeenschapszin als motor voor leerprestaties In Wembley, Londen, staat de Michaela Community School. De media noemen dit wel de ‘strengste school van het Verenigd Koninkrijk’. De leerlingen komen voornamelijk uit sociaaleconomisch kwetsbare milieus en halen jaar in jaar uit de hoogste resultaten. Zo scoorde 97 procent hoger dan het streefniveau in de vakken rekenen en Engels. In heel Engeland haalt gemiddeld 45 procent dit niveau (GOV.UK, 2025).

Alle leerlingen die starten op Michaela maken hun schooltijd ook af, verwijzingen naar andere scholen of soorten onderwijs heeft directeur Katharine Birbalsingh al jaren niet bij de hand gehad. De directeur zegt in gesprek met het Samenwerkingsverband Amsterdam: “Er wordt gezegd dat we de strengste school zijn, maar besef dat streng zijn iets heel anders is dan onaardig zijn. Veel scholen vinden het moeilijk om streng te zijn, omdat ze medelijden hebben met kinderen. Ik vind het onaardig om kinderen laaggeletterd van school te laten gaan. Ik vind het juist getuigen van omzien naar elkaar als je bereid bent de lat hoog te leggen voor de kinderen.” Als Birbalsingh iets mee kan geven aan Amsterdam, is het: stel discipline en gemeenschapszin voorop. Dit heeft alleen zin als het consequent gedaan wordt. Schoolleiders hebben hierin een sleutelrol: “Je moet de kinderen meenemen in deze discipline, zodat ze begrijpen dat we om ze geven, dat we willen dat het goed met ze gaat.” 2.3.2 Leergroei op Amsterdamse basisscholen is hoger dan landelijk Naast de ontwikkeling in referentieniveaus onderzochten we ook de leergroei van leerlingen op de basisschool: hun vooruitgang in kennis en vaardigheden. Hiervoor keken we naar de groei in vaardigheidsscores vanaf de M-toets (M = midden in het jaar) in groep 5 tot en met de E-toets (E = einde schooljaar) in groep 7.

De leerlingen maken deze toetsen jaarlijks. We hebben 2 leerlingencohorten geanalyseerd: • Het eerste cohort: 3.390 leerlingen die in schooljaar 2024/’25 in groep 7 zaten • Het tweede cohort: 3.215 leerlingen die in 2023/’24 in groep 7 zaten Dit sluit aan op de cohorten waar de vorige Staat van het Amsterdamse primair onderwijs mee eindigde. In de huidige analyse gaat het om leerlingen van ongeveer 55 procent van alle Amsterdamse basisscholen. Het wisselt per stadsdeel hoeveel scholen er in de analyse konden worden behouden (zie het kader). In de beschrijving onder het kader hebben we de 2 leerlingencohorten samengenomen. De resultaten van de cohorten afzonderlijk verschilden namelijk weinig van elkaar.

28

Cito-toets als basis voor de analyse Scholen kunnen kiezen uit verschillende toetsaanbieders om de ontwikkeling van hun leerlingen te volgen. De meeste scholen in Amsterdam gebruiken de toetsen van Cito (zie ook paragraaf 5.1.3). De op 1 na meest gebruikte toetsen zijn van IEP. In de analyse konden alleen scholen worden meegenomen die de Cito-toetsen maken. Voor de IEP-toetsen bleven er te weinig volledige toetsdata over voor een representatieve analyse. In het cohort (2024/’25) namen wel 32 scholen de IEP-toets af in groep 7, maar zij lijken recent te zijn overgestapt op deze toetsaanbieder. Er werden nauwelijks leerlingen in groep 5 en 6 teruggevonden die een IEP-toets hadden gemaakt. Het wisselt per stadsdeel hoeveel scholen er in de analyse konden worden behouden. Op sommige scholen maakten leerlingen geen Cito-toetsen, soms ontbraken 1 of meerdere toetsresultaten of de leerlingen werden op een ander niveau getoetst. Het totaal aantal meegenomen scholen is het hoogst in West (89 tot 93 procent), gevolgd door Zuidoost (78 procent) en Weesp (63 procent). In Centrum, Noord en Oost kon de helft tot 60 procent van de scholen worden meegenomen. In Zuid (38 tot 44 procent) en Nieuw-West (39 tot 42 procent) liggen de aandelen het laagst.

Er is ook gekeken naar het schoolgewicht van de uitgevallen scholen, omdat dit iets zegt over het aantal leerlingen met een risico op onderwijsachterstand. Hierin zagen we geen patroon, dat wil zeggen dat onder de scholen die we niet konden meenemen zowel scholen waren met een hoog als met een laag gewicht. Voor de vergelijking met landelijke gegevens maakten we gebruik van de derde meting Masterplan basisvaardigheden van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (Van Vlugt et al., 2025). Deze meting is gebaseerd op Cito-vaardigheidsscores van toetsgegevens uit het leerlingvolgsysteem van ongeveer 2.600 Nederlandse basisscholen. Ieder domein heeft zijn eigen vaardigheidsscoreschaal. Hierdoor zijn de scores tussen de domeinen niet met elkaar te vergelijken. Omdat in de landelijke meting pas vanaf de E5-toets wordt gekeken, deden wij dit ook voor Amsterdam. De bijlage Data en Methoden bevat meer informatie. Amsterdamse leergroei als geheel hoger dan landelijk, ook voor begrijpend lezen en rekenen-wiskunde Amsterdamse leerlingen scoren gemiddeld op alle E-toetsen tussen groep 5 en groep 7 hoger dan landelijk. Voor de domeinen begrijpend lezen en rekenen-wiskunde is de leergroei van Amsterdamse leerlingen gemiddeld ook een paar punten hoger dan landelijk.

Voor spelling/taalverzorging is de gemiddelde leergroei in Amsterdam nagenoeg gelijk aan het landelijk gemiddelde (44 punten versus 43 punten). Voor deze vaardigheid zien we de hoogste standaarddeviatie van het gemiddelde: de verschillen tussen leerlingen zijn binnen dit domein groter dan in de andere domeinen. Bij rekenen-wiskunde en spelling/taalverzorging maken leerlingen gemiddeld genomen een grotere groei door in groep 7 dan in groep 6. Bij begrijpend lezen zien we dit niet terug. Om de Amsterdamse leergroei met landelijk te vergelijken is dit berekend vanaf de E5-toets. In de analyses die hierna worden beschreven is dit berekend vanaf de M5-toets.

29

Figuur 2.8 Gemiddelde vaardigheidsscores en leergroei Amsterdam en Nederland voor begrijpend lezen, rekenen-wiskunde en spelling/taalverzorging, groep 7 cohort 2023/’24 en 2024/’25

bron: Parnassys, bewerking O&S

Gemiddelde leergroei verschilt per stadsdeel, startpositie zegt niets over de groei De leergroei van Amsterdamse leerlingen verschilt per stadsdeel. Voor begrijpend lezen halen leerlingen gemiddeld de meeste leergroei in stadsdeel Centrum en Zuid (49 punten). In stadsdeel Zuidoost halen ze gemiddeld de minste leergroei voor dit domein (44 punten). Voor rekenen-wiskunde wordt gemiddeld de meeste leergroei gehaald in Zuid (67 punten) en Zuidoost (66 punten). De minste leergroei halen leerlingen in West (59 punten). Tot slot laat Zuidoost de meeste leergroei zien voor spelling/taalverzorging (69 punten), Centrum haalt voor dit domein de minste leergroei (59 punten). Een hoge leergroei hangt niet samen met een hoge eindscore in groep 7. Een leerling kan relatief laag scoren op deze toets, maar toch een grote leergroei doormaken omdat zijn of haar startpositie relatief laag was. Zo groeien de leerlingen in Zuid en Zuidoost relatief het meest voor rekenen-wiskunde, maar hun vaardigheidsscore verschilt: in Zuid is deze gemiddeld 279, in Zuidoost gemiddeld 264. Leerlingen in Zuid scoren gemiddeld namelijk al hoger in groep 5 op de M-toets (die het uitgangspunt is voor de analyse) dan leerlingen in Zuidoost. Dit voorbeeld toont ook aan dat de startpositie van leerlingen geen voorspeller is van leergroei op stadsdeelniveau.

Leerlingen met een gemiddeld hoge startscore op de M5toets (in dit voorbeeld Zuid) groeien even hard als leerlingen met een gemiddeld lage startscore op de M5 (in dit voorbeeld Zuidoost). Tot slot is de spreiding van de gemiddelde groei in stadsdelen groot. In Zuidoost is het verschil tussen leerlingen het grootst en in Weesp het kleinst.

30

Figuur 2.9 Gemiddelde leergroei tussen de M5 en M7-toets per stadsdeel, groep 7 cohort 2023/’24 en 2024/’25

bron: Parnassys, bewerking O&S

Grote verschillen in leergroei tussen scholen met een vergelijkbare populatie Hoe de leerlingenpopulatie op een school eruitziet, is uitgedrukt in het schoolgewicht: hoe hoger het gewicht, hoe meer leerlingen met een risico op een onderwijsachterstand. De gemiddelde leergroei loopt het meest uiteen tussen scholen met een hoog schoolgewicht (en dus met relatief veel leerlingen die kans lopen op onderwijsachterstand). De grootste verschillen doen zich voor bij het domein spelling/taalverzorging. Zo zijn er scholen met een schoolweging van 35 of hoger die op dit domein een gemiddelde groei van 80 of meer punten halen. Er zijn ook scholen met deze weging die minder dan 60 punten groei laten zien. Doordat de leergroei tussen scholen met een vergelijkbaar gewicht zo verschilt, is er geen duidelijke samenhang te vinden tussen schoolgewicht en leergroei. Dit laten de vlakke regressielijnen in figuur 2.10 zien. Figuur 2.10 Gemiddelde leergroei tussen de M5 en M7-toets naar schoolgewicht, groep 7 cohort 2023/’24 en 2024/’25

bron: Parnassys, bewerking O&S

31

In dit figuur is iedere stip een school. De kleuren geven het betreffende domein aan. Het figuur toont de gemiddelde leergroei per school en per domein, afgezet tegen hun schoolgewicht. De regressielijnen tonen de samenhang tussen de gemiddelde leergroei per school en schoolweging.

2.4 Prestaties voortgezet onderwijs: wisselen tussen onderwijstypen Om de prestaties van leerlingen in het voortgezet onderwijs te kunnen beschrijven, baseren we ons in dit onderzoek op de resultaten aan het einde van de tweede klas uit het leerlingvolgsysteem van Stichting Cito. Specifiek kijken we naar Nederlandse leesvaardigheid, rekenen-wiskunde en Engelse leesvaardigheid. Daarnaast bekijken we het niveau in de derde klas van de middelbare school ten opzichte van het basisschooladvies. Tot slot betrekken we de eindexamenresultaten in onze bevindingen. 2.4.1 Leerprestaties tweedeklassers wisselen en wijken soms positief af van landelijk beeld Allereerst kijken we naar de toetsresultaten van Amsterdamse middelbare scholieren aan het einde van het tweede leerjaar. Het gaat om de ontwikkeling van de gemiddelde vaardigheidsscore voor Nederlands, rekenen-wiskunde en Engels in de periode 2018/’19 tot en met 2024/’25. Elke leerling maakt de toets (waarin de 3 domeinen zijn opgenomen) in principe aan het einde van het schooljaar, maar vanwege de Covid-19-pandemie is dit in schooljaar 2019/’20 nauwelijks gebeurd. Er zijn dus geen gegevens beschikbaar uit dat jaar. De gegevens uit 2018/’19 vormen de laatste meting vóór de pandemie.

Ook hier: Cito-toets als basis voor de analyse De gegevens over de vaardigheden van leerlingen komen uit het leerlingvolgsysteem van Stichting Cito en zijn gebaseerd op de Cito-vaardigheidstoetsen. Stichting Cito heeft ook de analyses uitgevoerd, de resultaten vatten we hier samen. Er zijn dus alleen gegevens beschikbaar van scholen die de Cito-vaardigheidstoetsen gebruiken, zij hebben toestemming gegeven voor het gebruik van hun toetsresultaten in dit onderzoek. De landelijke dataset bevat gegevens van 894 verschillende scholen (brin-vestigingen). Dit is 54 procent van alle Nederlandse scholen. De Amsterdamse dataset bevat toetsgegevens van 35 scholen, verdeeld over 6 schooljaren. Het wisselt per schooljaar welke scholen de Citotoetsen afnemen. De dataset bevat per schooljaar toetsgegevens van ongeveer 23 scholen, dit is ongeveer 20 procent van alle Amsterdamse vo-scholen. De groep Amsterdamse scholen in het onderzoek vormt een redelijke afspiegeling van de totale groep Amsterdamse scholen, maar er zijn wel verschillen. Daarnaast zijn er jaarlijks veranderingen in de samenstelling van de groep scholen in de dataset. Het is niet uit te sluiten dat veranderingen in de groep scholen leiden tot veranderingen in de resultaten door de tijd. Tot slot hebben minder havo- en vwo-leerlingen de toets gemaakt dan vmboleerlingen.

De resultaten voor havo- en vwo-leerlingen zijn dus gebaseerd op een kleinere groep scholen; leerlingen kunnen hierdoor meer schommelen in resultaten. De bijlage Data en Methoden bevat een uitgebreidere beschrijving van de data en methode. Nederlandse leesvaardigheid en woordenschat is verslechterd, behalve in het vwo De Nederlandse leesvaardigheid van Amsterdamse leerlingen is de afgelopen jaren verslechterd. De gemiddelde toetsscore is het sterkst gedaald onder leerlingen in het vmbob/k, gevolgd door leerlingen in het vmbo-g/t. Voor beide groepen is er een groot verschil met de scores in 2018/’19, het laatste toetsmoment vóór de Covid-19-pandemie. Ook

32

havoleerlingen scoren in 2024/’25 slechter dan voor de pandemie, maar het verschil is minder groot dan bij vmbo-leerlingen. Amsterdamse leerlingen in het vwo vormen een uitzondering. Hun scores op de Nederlandse leesvaardigheidstoets zijn de afgelopen jaren vrijwel stabiel gebleven. Landelijke cijfers (Seton et al., 2025) laten ongeveer dezelfde ontwikkeling zien: de toetsscores voor Nederlandse leesvaardigheid zijn de afgelopen jaren afgenomen. Dit geldt voor alle onderwijsniveaus, inclusief het vwo. Hiermee verschilt de landelijke trend voor vwoleerlingen van die in Amsterdam, hier zijn de scores van vwo’ers immers stabiel. Stichting Cito rekent toetsscores om naar referentieniveaus. Niveau 1F is het niveau dat leerlingen aan het einde van het basisonderwijs moeten beheersen (zie 2.3.1). In 2024/’25 heeft 46 procent van de Amsterdamse vmbo-b/k-leerlingen dit niveau nog niet gehaald aan het einde van het tweede leerjaar. Dit is bijna 2 keer zoveel ten opzichte van 2018/ ’19: toen had 26 procent niveau 1F niet gehaald. In het vmbo-g/t en op de havo zien we een vergelijkbare trend: minder Amsterdamse leerlingen haalden niveau 2F aan het einde van het tweede leerjaar. Niveau 2F is het minimale uitroomniveau voor het vmbo.

In het vwo was er een lichte daling van het aandeel Amsterdamse leerlingen dat aan het einde van het tweede leerjaar niveau 3F heeft gehaald – het minimale uitstroomniveau van de havo. Er zijn dus aan het einde van het tweede leerjaar minder leerlingen op niveau 3F dan voorheen, maar de gemiddelde vaardigheidsscore in het vwo is niet veranderd. Dit is mogelijk doordat leerlingen van wie het vaardigheidsniveau rond de grens tussen 2 referentieniveaus zit, al bij een iets hogere of iets lagere toetsscore onder een ander referentieniveau vallen. De ontwikkelingen op de toets voor Nederlandse woordenschat zijn ongeveer gelijk aan die van de leesvaardigheid. Figuur 2.11 Gemiddelde score Nederlandse leesvaardigheid van Amsterdamse leerlingen aan het einde van het tweede leerjaar per onderwijstype, 2018/’19 – 2024/’25 480 470

vwo 465

464

462

464

465

464 havo

460 450 440

448 444

446

vmbo-g/t

445 441

435

434

430 428

441 vmbo-b/k

434 431

428 424

423

431

428

422

421

2023/'24

2024/'25

420 410 2018/'19

2019/'20

2020/'21

2021/'22

2022/'23

bron: Stichting Cito, bewerking O&S

33

Scores rekenen-wiskunde dalen op vmbo-b/k/g/t, voor havo en vwo stijgen ze De ontwikkeling van de scores voor rekenen-wiskunde verschilt per onderwijstype. Leerlingen in het vmbo-b/k en vmbo-g/t scoren de afgelopen jaren steeds slechter. Het verschil tussen de scores vóór de Covid-19-pandemie en die in 2024/’25 is groot. Op de havo zijn de scores juist iets gestegen: in 2024/ ’25 ligt de gemiddelde score gematigd hoger dan voor de pandemie. In het vwo is de stijging nog sterker: daar ligt de gemiddelde score in 2024/’25 duidelijk hoger dan voor de pandemie. Ook landelijk dalen de toetsscores voor rekenen-wiskunde op het vmbo. De Amsterdamse en landelijke ontwikkeling gaan hierin ongeveer gelijk op. Dat geldt niet voor havo en vwo. Landelijk liggen de scores van zowel havo- als vwo-leerlingen in 2024/’25 lager dan vóór de pandemie, terwijl hun scores in Amsterdam juist (iets) gestegen zijn. Voor het vwo is het verschil met het landelijke beeld groter dan voor de havo. In Amsterdam stijgen de scores van vwo-leerlingen sinds 2021/’22; landelijk zien we alleen in het meest recente meetjaar 2024/’25 een lichte stijging ten opzichte van het voorgaande jaar. Figuur 2.12 Gemiddelde score rekenen-wiskunde van Amsterdamse leerlingen aan het einde van het tweede leerjaar per onderwijstype, 2018/’19 – 2024/’25

bron: Stichting Cito, bewerking O&S

De dalende toetsresultaten voor rekenen-wiskunde in het Amsterdamse vmbo-b/k/g/t betekenen dat steeds meer vmbo-leerlingen niveau 1F nog niet hebben bereikt aan het einde van het tweede leerjaar. Niveau 1F is het minimale niveau dat ze moeten hebben bij het verlaten van de basisschool. In 2018/’19 scoorde 45 procent van de leerlingen aan het einde van het tweede leerjaar in het vmbo-b/k lager dan niveau 1F. In 2024/’25 is dit gestegen naar 63 procent. In het vmbo-g/t steeg het percentage van 7 naar 22 in dezelfde periode. Op de havo is het aandeel leerlingen per referentieniveau redelijk stabiel. Maar ook hier is het aandeel leerlingen dat niveau 1F aan het einde van het tweede leerjaar nog niet heeft

34

gehaald, licht gestegen: van 2 procent in 2018/’19 naar 4 procent 2024/’25. Daar staat tegenover dat ook het aandeel havoleerlingen dat niveau 3F haalde iets is gestegen. In het Amsterdamse vwo gaat het niveau van rekenen-wiskunde juist omhoog: een steeds groter aandeel leerlingen haalt aan het einde van het tweede leerjaar niveau 3F. Dit is het minimale uitstroomniveau van de havo. In 2018/’19 haalde 30 procent van de vwo-leerlingen niveau 3F, in 2024/’25 is dit gestegen naar 50 procent. Engelse leesvaardigheid stabiel; woordenschat sterk verbeterd De Engelse woordenschat van leerlingen neemt sterk toe. De Engelse leesvaardigheid van Amsterdamse leerlingen aan het einde van het tweede leerjaar is redelijk stabiel. De gemiddelde score schommelt van jaar tot jaar, maar op alle onderwijsniveaus ligt hij in 2024/’25 ongeveer gelijk aan de score vóór de Covid-19-pandemie, of iets hoger. Onder vwo-leerlingen is de Engelse leesvaardigheid in 2024/’25 zelfs flink hoger dan vóór de pandemie, maar dit lijkt een uitschieter ten opzichte van de afgelopen jaren. Het is afwachten in hoeverre deze trend de komende jaren zal doorzetten. De ontwikkeling van Engelse leesvaardigheid in Amsterdam gaat voor alle onderwijsniveaus ongeveer gelijk op met de landelijke ontwikkeling.

Figuur 2.13 Gemiddelde score Engelse leesvaardigheid van Amsterdamse leerlingen aan het einde van het tweede leerjaar per onderwijsniveau, 2018/’19 – 2024/’25

bron: Stichting Cito, bewerking O&S

2.4.2 Afstroom derde klas neemt af In schooljaar 2024/’25 zat 8 procent van de Amsterdamse leerlingen in de derde klas op een lager niveau dan hun schooladvies uit groep 8. Dit is minder dan 10 jaar geleden, toen het om 15 procent ging (schooljaar 2015/’16) .

35

In schooljaar 2023/’24 was het aandeel afgestroomde leerlingen in de derde klas hoger dan in het jaar ervoor (9 procent tegenover 7 procent in 2022/’23). Deze stijging vond in bijna alle stadsdelen plaats, op Zuid na. In het jaar erna, in 2024/’25 is dit bijna overal weer gedaald, alleen niet in Weesp. Het aandeel leerlingen dat daar in de derde klas op een lager niveau zit dan hun basisschooladvies, is het hoogst van de stad (12 procent). In de stadsdelen Oost en Noord is dit aandeel in de afgelopen 10 jaar het sterkst gedaald. Het gaat hier om het stadsdeel waarin leerlingen wonen. Figuur 2.14 Leerlingen die in de derde klas op een lager niveau zitten dan hun basisschooladvies* per woonstadsdeel, schooljaar 2015/’16, 2023/’24 en 2024/’25 (procenten)

*Leerlingen met een dubbeladvies zijn afgestroomd als ze op een lager niveau zitten dan de 2 niveaus van het dubbeladvies. Een voorbeeld hiervan is een leerling met een havo/vwo advies die in de derde klas op het niveau vmbo-g/t zit. bron: CBS, bewerking O&S

2.4.3 Amsterdamse leerlingen halen vaker dan leerlingen elders geen diploma binnen 7 jaar In Amsterdam haalt 19 procent van de leerlingen binnen 7 jaar geen middelbareschooldiploma. Dit aandeel ligt relatief hoog ten opzichte van andere grote steden en ten opzichte van heel Nederland. In Rotterdam gaat het om 16 procent van de leerlingen, in Den Haag en Utrecht 14 procent en landelijk is het 12 procent (O&S, 2025d). Het verschil tussen Amsterdam en Nederland is het grootst onder de groep leerlingen met een advies voor havo of havo/vwo. Het aandeel leerlingen dat een lager, gelijk of hoger diploma dan het basisschooladvies haalt, is in alle 4 de steden en in heel Nederland redelijk vergelijkbaar. Over het algemeen halen 6 van de 10 Amsterdamse leerlingen een diploma op het niveau van het basisschooladvies, 8 procent haalt een hoger diploma dan geadviseerd en 12 procent een lager diploma.

36

Figuur 2.15 Niveau diploma t.o.v. het basisschooladvies in de G4-steden en de rest van Nederland van leerlingen die zijn gestart in schooljaar 2011/’12 en 2017/’18 (procenten)

bron: CBS, bewerking O&S

Wanneer we per niveau van het basisschooladvies kijken hoeveel leerlingen geen diploma halen binnen zeven jaar, valt op dat dit het sterkst is toegenomen onder de groep leerlingen met een advies voor havo en vwo (O&S, 2025d). We vergelijken hiervoor de leerlingen die in schooljaar 2011/’12 en in schooljaar 2017/’18 op een Amsterdamse middelbare school zijn gestart. Onder leerlingen met een havo-advies is het aandeel dat binnen 7 jaar geen diploma haalt, gestegen van 20 naar 24 procent. Onder leerlingen met een vwo-advies steeg het van 14 naar 17 procent. Ook onder leerlingen met een advies voor vmbo-g/t/havo en havo/vwo is het aandeel dat geen diploma haalt binnen 7 jaar licht gestegen. Onder leerlingen met een advies voor vmbo-b/k en vmbo-k daalde het juist. Desondanks halen relatief veel leerlingen met een advies voor vmbo-b of vmbo-b/k halen binnen 7 jaar geen diploma. Dit komt doordat een groot deel van hen zonder diploma verder gaat op het mbo en daar een diploma haalt. Het aandeel leerlingen dat een lager diploma haalt dan het basisschooladvies, is afgenomen. Deze daling is het sterkst onder leerlingen met een advies voor vmbo-k en vmbo-g/t. Leerlingen met een advies voor vmbo-k halen vaker een diploma op het niveau van het schooladvies. Leerlingen met een vmbo-g/t-advies halen daarnaast ook vaker een diploma op een hoger niveau.

37

Figuur 2.16 Niveau diploma t.o.v. het basisschooladvies van Amsterdamse leerlingen die zijn gestart in schooljaar 2011/’12 en 2017/’18 (procenten)

bron: CBS, bewerking O&S

2.4.4 Minder leerlingen slagen dan landelijk, verschil het grootst in vmbo-g/t en havo In schooljaar 2023/’24 waren de slagingspercentages in Amsterdam het hoogst in het vmbob en vmbo-k (beide 94 procent). Ze waren het laagst op de havo (80 procent). In vergelijking met heel Nederland liggen de slagingspercentages in Amsterdam lager op alle niveaus. Het verschil in het aandeel geslaagden in Amsterdam en landelijk is het grootst in vmbo-g/t en havo: respectievelijk 81 procent geslaagd en 92 procent. Voor de havo was het 80 procent geslaagd (Amsterdam) en 88 procent (landelijk). Het aandeel geslaagden in vmbo-g/t en op de havo daalt in Amsterdam al een aantal jaren, landelijk zien we deze ontwikkeling niet terug (O&S, 2025d). In Den Haag en Rotterdam komen de slagingspercentages meer overeen met het landelijk gemiddelde. In Utrecht slagen relatief minder vmbo-b, vmbo-k en vmbo-g/t leerlingen dan landelijk. In schooljaar 2022/’23 legden eindexamenkandidaten voor het eerst sinds 3 jaar weer een regulier eindexamen af. In de 3 jaren daarvoor (schooljaar 2019/’20, 2020/’21 en 2021/’22) golden soepelere regels vanwege de coronapandemie. Een voorbeeld was de duimregeling waardoor een leerling een extra onvoldoende mocht halen. Een ander voorbeeld was de mogelijkheid tot een extra herkansing. De slagingspercentages waren in 2022/’23 beduidend lager dan vóór de pandemie.

De daling was op de niveaus vmbo-b, vmbo-g/t en havo sterker dan gemiddeld in Nederland. In het schooljaar daarna, in 2023/’24, namen de slagingspercentages in Amsterdam weer toe. Het slagingspercentage voor vmbo-k lag zelfs hoger ten opzichte van vóór de pandemie. Desondanks blijft het aandeel geslaagde leerlingen in Amsterdam lager dan gemiddeld in Nederland.

38

Figuur 2.17 Slagingspercentages eindexamenkandidaten per onderwijsniveau, Amsterdam (wonend) en Nederland schooljaar 2018/’19, 2022/’23 en 2023/’24

bron: CBS Statline, bewerking O&S

Als we de slagingspercentages per schoolstadsdeel vergelijken, dan zien we dat in 2023/’24 de meeste leerlingen slaagden in Weesp (96 procent) en Centrum (92 procent). Het slagingspercentage ligt het laagst in Nieuw-West (76 procent) en Zuidoost (80 procent). In bijna alle stadsdelen is het slagingspercentage in 2023/’24 gestegen ten opzichte van het jaar ervoor, behalve in Centrum en Oost. Figuur 2.18 Slagingspercentages eindexamenkandidaten per schoolstadsdeel, schooljaar 2022/’23 en 2023/’24

bron: DUO, bewerking O&S

39

2.4.5 Basisschooladvies, zittenblijven en opleidingsniveau ouders hebben effect op slagingskansen Zoals we in de vorige paragraaf hebben kunnen zien zijn de slagingspercentages in Amsterdam dus lager dan gemiddeld in Nederland. Het verschil is het grootst onder vmbog/t en havoleerlingen. Om dit te kunnen duiden, hebben we onderzocht of dit samenhangt met bepaalde kenmerken van Amsterdamse leerlingen en hun schoolloopbaan. De methode om het effect van bepaalde kenmerken op de schoolloopbaan te onderzoeken We hebben met een logistische regressieanalyse gekeken wat het effect is van 3 variabelen op de kans op zakken voor het eindexamen: het basisschooladvies, eerder blijven zitten en het stapelen van diploma’s. Daarnaast is gecontroleerd voor het opleidingsniveau van ouders en geslacht. Er zijn 2 aparte modellen geanalyseerd voor: • Amsterdamse vmbo-g/t en havo-eindexamenkandidaten • Nederlandse vmbo-g/t en havo-eindexamenkandidaten We hebben de effectgroottes tussen het Amsterdamse en het Nederlandse model met elkaar vergeleken. De analyses betreffen alle eindexamenkandidaten uit schooljaar 2022/’23 en 2023/’24. De examenjaren met soepeler examenregels vanwege de Covid-19-pandemie (2019/’20 tot en met 2021/’22) zijn uit de analyse gelaten. Bij de resultaten moet worden opgemerkt dat slechts een beperkt aantal indicatoren van de schoolloopbaan in beeld zijn gebracht.

Factoren die nu niet zijn meegenomen kunnen ook een rol spelen, net als factoren die samenhangen met schoolkenmerken, zoals de onderwijskwaliteit en het personeelsverloop. Vmbo-g/t Amsterdamse eindexamenkandidaten vmbo-g/t die in groep 8 een (naar boven) bijgesteld advies of een overadvies kregen, hebben een grotere kans om te zakken dan kandidaten van wie het basisschooladvies niet is veranderd (zie paragraaf 5.1 voor een uitgebreide uitleg over de totstandkoming van het basisschooladvies in groep 8). In de rest van Nederland geldt dit ook, maar lijkt het effect aanmerkelijk kleiner dan in Amsterdam. Daarnaast hebben zittenblijvers zowel onder Amsterdamse als onder Nederlandse eindexamenkandidaten vmbo-g/t een grotere kans om te zakken. Dit effect is ongeveer even groot in Amsterdam als in de rest van Nederland. Er is in de modellen ook gekeken of er effect was van geslacht en opleidingsniveau van ouders. Hieruit blijkt dat leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders een kleinere kans hebben om te zakken dan leerlingen met basisopgeleide ouders. Het effect van het ouderlijk opleidingsniveau is voor Amsterdamse leerlingen groter dan voor leerlingen in de rest van Nederland.

40

Figuur 2.19 Gemiddelde marginale effecten* van een bijgesteld advies en overadvies (t.o.v. een gelijk advies) en hbo/wo-opgeleide ouders (t.o.v. basisopgeleide ouders) op de kans voor vmbo-g/t eindexamenkandidaten om niet te slagen, eindexamenjaren 2022/’23 en 2023/’24 25 20 15 10 5

12,9

9,6 2,1

0

2,1 -7,4

-5

-15,3

-10

-15 -20 -25

Amsterdam onderadvies, bijgesteld

Amsterdam Amsterdam Nederland overadvies ouders hbo/wo onderadvies, opgeleid bijgesteld

Nederland Nederland overadvies ouders hbo/wo opgeleid

* statistisch significant (p < 0.05) bron: CBS, bewerking O&S

Havo Onder Amsterdamse havo-eindexamenkandidaten zien we ook dat de leerlingen die in groep 8 een bijgesteld advies of een overadvies kregen, een grotere kans hebben om te zakken. Landelijk geldt een vergelijkbaar effect. Dit is dus anders dan in het vmbo-g/t, waar het effect van de veranderde adviezen in Amsterdam groter is dan landelijk. Daarnaast zien we ook op de havo een effect van het opleidingsniveau van ouders. Havo leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders hebben een minder grote kans om te zakken dan leerlingen met basisopgeleide ouders. Ook dit effect is vergelijkbaar met de rest van Nederland. Blijven zitten of het stapelen van diploma’s heeft in Amsterdam geen significant effect op de slagingspercentages op de havo, in de rest van Nederland wel. Dit kan ook te maken hebben met de kleinere leerlingenpopulatie in het Amsterdamse model, waardoor het minder statistische kracht heeft. De volledige regressieanalyses zijn terug te vinden in de bijlage Data en Methoden. Figuur 2.20 Gemiddelde marginale effecten* van een bijgesteld advies en overadvies (t.o.v. een gelijk advies) en hbo/wo-opgeleide ouders (t.o.v. basisopgeleide ouders) op de kans voor havoeindexamenkandidaten om niet te slagen, eindexamenjaren 2022/’23 en 2023/’24 25 20 15 10 12,9 5 9,6 2,1

0

2,1 -7,4

-5

-15,3

-10

-15 -20 -25

Amsterdam onderadvies, bijgesteld

Amsterdam Amsterdam Nederland overadvies ouders hbo/wo onderadvies, opgeleid bijgesteld

* statistisch significant (p < 0.05)

Nederland Nederland overadvies ouders hbo/wo opgeleid

bron: CBS, bewerking O&S

41

3 Personeelstekort

Het lerarentekort in Amsterdam nam af in alle onderwijssoorten in de afgelopen 2 jaar. De tekorten zijn wel ongelijk verdeeld over de scholen in de stad. In het Amsterdamse po is het tekort lager dan in de vier andere grote steden. Alleen in Utrecht is het nog lager. In Amsterdam is het nog wel hoger dan gemiddeld in Nederland. En in het sbo is het tekort in Amsterdam nog relatief hoog. Een factor die mogelijk bijdraagt aan de daling van het tekort in het po is de daling van het aantal leerlingen, waardoor scholen minder leraren nodig hebben. Een andere factor die een mogelijke rol heeft gespeeld is de inzet vanuit de Amsterdamse Lerarenagenda. De verwachting is echter dat het lerarentekort in het basisonderwijs over een paar jaar weer toeneemt, mede doordat het leerlingenaantal weer gaat toenemen en doordat meer leraren met pensioen gaan. In het voortgezet onderwijs is het lerarentekort gedaald tot op hetzelfde niveau als het Nederlandse gemiddelde. De tekorten zijn wel ongelijk verdeeld over de vakken. Ze zijn het grootst voor de vakken Nederlands, Wiskunde en Engels. Van de leraren die uitstromen uit het Amsterdamse onderwijs gaat een groot deel werken in een onderwijsfunctie buiten de stad. Belangrijke redenen hiervoor zijn de woningmarkt, de reisafstand tussen huis en school en de reiskosten.

Voor leraren die het onderwijs helemaal verlaten, spelen de volgende factoren een rol: werkdruk, gebrek aan uitdaging en afwisseling, gebrek aan flexibiliteit en de schooldirectie. Extra hulp in de klas kan bijdragen aan het verminderen van de werkdruk. Er is wel steeds meer onderwijsondersteunend personeel gekomen in het Amsterdamse onderwijs in de afgelopen jaren.

3.1 Het lerarentekort daalt in Amsterdam Het lerarentekort in het Amsterdamse onderwijs nam voor het tweede jaar op rij af in alle onderwijssoorten. Om het aan te pakken, stelden verschillende partijen in het po en vo de Amsterdamse Lerarenagenda 2023-2027 samen (Gemeente Amsterdam et al, 2023). Deze agenda omvat actielijnen gericht op: het verhogen van de lerareninstroom en het behoud van onderwijsprofessionals, sterke schoolleiders, het omgaan met langdurige tekorten en extra voorzieningen voor het Amsterdamse onderwijs (Gemeente Amsterdam, 2025). Primair onderwijs (incl. vso) Uit cijfers van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap blijkt dat voor het tweede jaar op rij het lerarentekort in het Amsterdamse basisonderwijs is afgenomen, van 15,5 procent in 2024 naar 12,2 procent in 2025 (Centerdata, 2025). Ook in het sbo is een daling te zien, maar hier blijft het tekort onverminderd hoog. Het ging van 23,7 procent naar 21 procent. In het Amsterdamse (v)so is eveneens een daling te zien van 13,2 procent naar 7 procent. Aan het onderzoek van het ministerie namen 98 procent van het totaal aantal scholenvestigingen in Amsterdam deel (waar 99 procent van de leerlingen naartoe gaat). De verwachting is dat het lerarentekort in het primair onderwijs vanaf 2029 weer gaat toenemen (ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, z.d.).

42

Figuur 3.1 Lerarentekort Amsterdam naar onderwijssoort, peildatum 1 oktober 2021-2025 (procenten) 40%

30%

31,0 30,7

26,2

23,7

20% 15,3

17,6

21,0

18,7

16,5 15,4

15,5

10%

14,8

12,2

13,2 7,0

0%

bo

sbo 2021

2022

2023

(v)so 2024

2025

bron: Centerdata, bewerking O&S

Het lerarentekort in het Amsterdamse po is hoger dan in de rest van Nederland. In vergelijking met de andere 4 grote steden valt op dat het Amsterdamse lerarentekort in het basisonderwijs lager is (12,2 procent) dan in Rotterdam (15,8 procent). In eerdere jaren was het hoger of gelijk. Het tekort in Almere en Den Haag is hoger dan in Amsterdam, in Utrecht is het juist lager. In het sbo valt op dat het tekort in Amsterdam (21 procent) en Almere (33,4 procent) hoger is dan in de rest van Nederland (7 procent) en in de andere grote steden. Het (v)so kent in Amsterdam een lerarentekort van 7 procent. Ook dit is hoger dan landelijk (5,6 procent), maar lager dan in de andere grote steden. Figuur 3.2 Lerarentekort naar onderwijssoort voor de G5-steden en Nederland, peildatum 1 oktober 2025 (procenten)

bron: Centerdata, bewerking O&S

43

Het lerarentekort is niet gelijk verdeeld over de Amsterdamse stadsdelen. In het reguliere basisonderwijs is het op 1 oktober 2025 het grootst in Nieuw-West (17,8 procent), gevolgd door Zuidoost (16,6 procent), Weesp (12,7 procent) en Noord (12,4 procent). Het lerarentekort is het kleinst in Centrum (4,6 procent) en Zuid (7,1 procent). Ten opzichte van een jaar eerder nam het lerarentekort in alle stadsdelen iets af. De grootste daling zagen we in Zuidoost. Figuur 3.3 Lerarentekort regulier basisonderwijs per stadsdeel, peildatum 1 oktober 2023-2025 (procenten)

bron: Centerdata, bewerking O&S

Elk jaar krijgt elke school in het basisonderwijs een schoolweging (Inspectie van het Onderwijs, z.d.3). Scholen met een hoog gewicht hebben een groter aandeel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand. Op scholen met een (zeer) hoog schoolgewicht is het lerarentekort hoger dan op scholen met een (zeer) laag of gemiddeld schoolgewicht. Wel zien we een daling van het lerarentekort bij scholen met een zeer hoog schoolgewicht: van 15,4 procent naar 11,6 procent. Voortgezet onderwijs Het lerarentekort in het Amsterdamse voortgezet onderwijs is, net als in het po, gedaald. Hier ging het van 6,5 procent in 2024 naar 3,5 procent in 2025, zo blijkt uit de cijfers van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Centerdata, 2025b). Aan het onderzoek deden 52 Amsterdamse middelbare scholen mee (61 procent van het totaal aantal scholen, waar 66 procent van de leerlingen heen gaat). De verwachting is dat het lerarentekort in het voortgezet onderwijs vanaf 2026 weer toeneemt (ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, z.d.). Het lerarentekort in het Amsterdamse vo is daarmee gelijk aan dat van het gemiddelde in Nederland. In vergelijking met de andere 4 grote steden in Nederland is het tekort in Amsterdams het laagst. Met name in Utrecht en Almere is het een stuk hoger.

44

Figuur 3.4 Lerarentekort voortgezet onderwijs voor de G5-steden en Nederland, peildatum 1 oktober 2025 (procenten) 15% 11,7 10,1

10%

5%

7,8

6,9 6,56,5

5,5

5,2 4,0

4,5

Den Haag

Rotterdam

3,5

0%

Amsterdam

Almere

7,6

7,0 7,0 6,1

6,5

2022

6,0 4,8

5,8 5,1 3,5

2023

2024

Utrecht

Nederland

2025

bron: Centerdata, bewerking O&S

In het voortgezet onderwijs is op 1 oktober 2025 het lerarentekort het grootst in stadsdeel Noord (9,9 procent), gevolgd door Nieuw-West (6,5 procent). Het is het kleinst in Zuid (1,5 procent) en Weesp (2,9 procent). Ten opzichte van een jaar eerder nam alleen in Noord het tekort toe, in West bleef het gelijk en in de andere stadsdelen nam het af. Figuur 3.5 Lerarentekort voortgezet onderwijs per stadsdeel, peildatum 1 oktober 2023-2025 (procenten) *Geen data omdat er 1 school in het stadsdeel heeft deelgenomen aan de tekortmeting 20%

15% 12,2

12,1 10,8

9,8

10%

9,9 8,5

7,0

6,5 4,2 4,2 3,2

5%

4,6

3,8 2,8

7,0 4,9

4,0

2,9

3,9

3,0

1,5

0%

Centrum*

West

Nieuw-West

Zuid 2023

Oost 2024

Noord

Weesp

Zuidoost

2025

bron: Centerdata, bewerking O&S

In het voortgezet onderwijs zijn de tekorten ongelijk verdeeld over de vakken. In het vmbo, havo en vwo is het grootste gebrek aan leraren in de vakken Nederlands (14 fte), wiskunde (10 fte) en Engels (6 fte).

45

3.2 Een derde van de leraren die uitstromen gaat buiten Amsterdam werken Basisonderwijs Als we naar de in- en uitstroom van Amsterdamse leraren willen kijken, dan kan dit met de data tot en met schooljaar 2022/’23. In schooljaar 2022/’23 werkten op basisscholen in Amsterdam 4.475 leraren, 315 schoolleiders en 1.655 personen met een onderwijsondersteunende functie. Onder het onderwijsondersteunend personeel vallen medewerkers die geen lesgevende taken hebben, zoals onderwijsassistenten, intern begeleiders en ondersteuningscoördinatoren. De aantallen zijn bij benadering doordat we van enkele schoolvestigingen geen data hebben. In schooljaar 2022/’23 was van de leraren 86 procent al langer werkzaam in het Amsterdamse basisonderwijs. 14 procent (635 leraren) is tussen 2021/’22 en 2022/’23 nieuw ingestroomd. Eveneens 14 procent (635 leraren) is uitgestroomd. Hierdoor is het aantal leraren tussen schooljaar 2021/’22 en 2022/’23 stabiel gebleven. Van de leraren die instroomden in 2022/’23 kwam 37 procent van een onderwijsfunctie buiten Amsterdam. Ook kwam 18 procent vanuit een andere onderwijsfunctie in de stad. Dit laatste aandeel is verdubbeld ten opzichte van 2017/’18. De groep die instroomt vanuit de opleiding is met de jaren juist afgenomen: van 23 procent (in 2017/’18) naar 11 procent (in 2022/’23).

Van de leraren die uitstroomden uit het Amsterdamse basisonderwijs in 2022/’23 ging 35 procent werken in een onderwijsfunctie buiten Amsterdam. In 2017/’18 gebeurde dit vaker (42 procent). Het aandeel leraren dat uitstroomt in verband met pensioen is over tijd toegenomen van 14 procent (in schooljaar 2017/’18) naar 17 procent (in 2022/’23).

uitstroom

instroom

Figuur 3.6 In- en uitstroom leraren Amsterdams bo 2017/’18 en 2022/’23 (procenten) 2022/'23

2017/'18

18

9

37

30

2022/'23

14

2017/'18

13

0%

16

16

35

20%

23

11

42

60%

11

23

23

9 40%

18

17

22

14 80%

100%

andere onderwijsfunctie in Amsterdam

onderwijsfunctie buiten Amsterdam

werkzaam buiten onderwijs

overig

pensioen

opleiding

Bron CBS/SEO

Ruim de helft van de leraren die instroomden in schooljaar 2022/’23 was tussen de 25 en 44 jaar. Jongere instromers, tussen de 17 en 24 jaar zijn er steeds minder. Wel neemt het aandeel instromers van 55 jaar en ouder toe.

46

De helft van de leraren die uit het Amsterdamse onderwijs uitstroomde was ook tussen de 25 en 44 jaar. Het aandeel leraren van 65 jaar en ouder dat uitstroomt neemt toe over tijd van 6 procent (in 2017/’18) naar 14 procent (in 2022/’23). Daarnaast zien we dat een kwart van de leraren die al langer in het onderwijs werkt, 55 jaar of ouder is. Deze groep bereikt in de aankomende jaren de pensioenleeftijd en zal uitstromen uit het onderwijs. Gespecialiseerd onderwijs In schooljaar 2022/’23 waren er in het gespecialiseerd onderwijs (sbo, so, vso) 735 leraren, 74 schoolleiders en 670 personen met een onderwijsondersteunende functie werkzaam. Van de leraren was in schooljaar 2022/’23 83 procent al langer werkzaam in het Amsterdamse onderwijs, 16 procent (115 leraren) was nieuw ingestroomd. 14 procent (95 leraren) is uitgestroomd, een lager aantal dan in eerdere jaren. Hierdoor nam het aantal leraren tussen schooljaar 2021/’22 en 2022/’23 iets toe. Van de leraren die nieuw instroomden in 2022/’23, kwam 35 procent van een andere onderwijsfunctie in Amsterdam en 30 procent van een onderwijsfunctie buiten de stad. Er stroomden dat jaar geen (minder dan 5) leraren in vanuit de opleiding. Het aandeel van deze instromers is voor het speciaal onderwijs over alle jaren laag.

Van de leraren die tussen 2021/’22 en 2022/’23 uitstroomden, ging het grootste deel (31 procent) werken in een onderwijsfunctie buiten Amsterdam. Het aandeel leraren dat uitstroomt uit het gespecialiseerd onderwijs voor een andere onderwijsfunctie binnen Amsterdam, is toegenomen van 14 procent (in 2017/’18) naar 26 procent in (2022/’23). Voortgezet onderwijs In schooljaar 2022/’23 werkten er op Amsterdamse middelbare scholen in totaal 4.365 leraren, 98 schoolleiders en 950 personen met een onderwijsondersteunende functie. In schooljaar 2022/’23 nam het aantal nieuwe leraren sterk toe in vergelijking met het jaar ervoor. Dat komt voor een groot deel doordat Weesp sinds maart 2022 onder de gemeente Amsterdam valt – al is de toename ook zichtbaar zonder de leraren in Weesp mee te rekenen. De verwachting is dat het aantal leerlingen in het Amsterdamse vo de aankomende jaren gaat afnemen (zie paragraaf 1.2). Van de leraren was (in schooljaar 2022/’23) 79 procent al langer werkzaam in het Amsterdamse onderwijs. 21 procent (915 leraren) van het onderwijsgevend personeel is tussen 2021/’22 en 2022/’23 nieuw ingestroomd en 15 procent (625 leraren) is uitgestroomd. De verdeling op basis van geslacht in het vo is ongeveer gelijk: 55 procent is vrouw en 45 procent man. Dit verschilt aanzienlijk met de andere onderwijssoorten (bo en so) waar meer vrouwen voor de klas staan.

De leraren in het voortgezet onderwijs zijn ook jonger dan die in de andere onderwijssoorten: 30 procent was onder de 35 jaar in schooljaar 2022/’23. Daarnaast is er een vrij grote groep die 55 jaar of ouder is (24 procent). Van de leraren die in 2022/’23 instroomden in het voortgezet onderwijs kwam 42 procent van een onderwijsfunctie buiten Amsterdam. Een groot deel hiervan bestaat uit de leraren die werken in Weesp. Van de leraren die uitstroomden ging 37 procent werken in een onderwijsfunctie buiten Amsterdam. Daarnaast stroomde 11 procent van de leraren uit omdat ze met pensioen gingen. Dit aandeel is afgenomen over tijd. Het aandeel leraren dat uitstroomt vanwege een onderwijsfunctie buiten Amsterdam is juist toegenomen over tijd. Net als het aandeel leraren dat uitstroomt omdat ze stoppen met werken in het onderwijs.

47

uitstroom

instroom

Figuur 3.7 In- en uitstroom leraren Amsterdams vo 2017/’18 en 2022/’23 (procenten) 2022/'23

5

42

2017/'18

8

2022/'23

8

2017/'18

12

14

29

20

37

0%

19

20%

20

23

17

33

27

13

40%

20

11

29

60%

13

80%

100%

andere onderwijsfunctie in Amsterdam

onderwijsfunctie buiten Amsterdam

werkzaam buiten onderwijs

overig

pensioen

opleiding

Bron CBS/SEO

Een derde van de leraren (34 procent) die instroomden in het Amsterdamse voortgezet onderwijs in schooljaar 2022/’23 was 45 jaar of ouder. Deze groep neemt over tijd iets toe (het was 27 procent in schooljaar 2017/’18). Het aandeel leraren van 65 jaar en ouder dat uitstroomt, neemt over tijd juist af naar 7 procent (een jaar eerder was dit 12 procent).

3.3 Verschillende factoren spelen een rol bij vertrek leraren Onderzoek naar vertrek en behoud van leraren in het Amsterdamse (speciaal) basisonderwijs laat zien dat hier verschillende factoren een rol spelen. Ze hangen vaak met elkaar samen (O&S, 2024a). Er zijn 4 factoren die een belangrijke rol spelen bij het vertrek van leraren: werkdruk, gebrek aan uitdaging en afwisseling, gebrek aan flexibiliteit en de rol van de directie. Daarnaast komen factoren naar voren die bijdragen aan het behoud van leraren in het onderwijs: plezier in werken met kinderen, relaties met en steun van collega’s, inspraak op school en in de klas, en (ook hier) de rol van de directie. Verder zijn er enkele factoren die er specifiek voor zorgen dat leraren het Amsterdamse onderwijs verlaten: de krappe woningmarkt en de niet toereikende reiskostenvergoeding. Factoren van belang bij vertrek uit het onderwijs De hoge werkdruk is de belangrijkste reden voor leraren in het basisonderwijs om te stoppen. Ook huidige leraren vinden de werkdruk hoog, omdat zij continu ‘aan moeten staan’. Er zijn weinig rustmomenten. Daarnaast is de hoeveelheid werk groot. Van invloed op de werkdruk zijn aspecten als: het klassenmanagement, gedragsproblemen van leerlingen, het lerarentekort, de beschikbaarheid van onderwijsondersteunend personeel, persoonlijke omstandigheden en taken naast het lesgeven.

Het gebrek aan uitdaging en afwisseling in het werk speelt ook een rol bij het vertrek uit het onderwijs. Leerkrachten in het sbo geven aan dat lesgeven een routine kan worden. De voormalige leerkrachten hadden behoefte aan iets nieuws en wilden zich verder ontwikkelen. Een diverse leerlingenpopulatie kan voor extra uitdaging en afwisseling zorgen.

48

Aan de andere kant kan een ‘uitdagende’ leerlingenpopulatie juist ook zorgen voor meer werkdruk. Sommige voormalige leraren verlieten het onderwijs omdat ze vinden dat er te weinig flexibiliteit is. Zo staan de werktijden vast. Vaak beïnvloeden persoonlijke omstandigheden, zoals het hebben van jonge kinderen, die behoefte aan flexibiliteit. Zo geven sommige voormalige leraren aan dat ze niet genoeg tijd hadden om hun eigen kinderen naar school te brengen. Factoren voor behoud van leraren Door aandacht te besteden aan werkdruk, afwisseling en flexibiliteit kunnen scholen bijdragen aan het behoud van leraren. Ook zijn er factoren waar (voormalige) leraren vooral positief over zijn. Ze noemen goede relaties met collega’s die het werkplezier vergroten. Goede samenwerking met collega’s is belangrijk, ook om steun aan elkaar te hebben en niet het gevoel te hebben er alleen voor te staan. Wel zet het lerarentekort de samenwerking met collega’s onder druk, omdat er veel wisselingen zijn van collega’s. Dat maakt het lastiger om een fijn en stabiel team neer te zetten. Plezier in het werken met kinderen zorgt ook voor werkgeluk. Dit geldt voor zowel de huidige als voor de voormalig leerkrachten. Tot slot is het belangrijk dat leraren inspraak hebben op wat er op school en in de klas gebeurt.

Leraren vinden het fijn hun mening te geven over de stand van zaken op school en dat daarnaar wordt geluisterd. Rol voor de directie De rol van de directie is belangrijk bij verschillende factoren die bijdragen aan het vertrek én het behoud van leraren. De directie kan bijdragen aan het behoud van leraren als die een positieve houding heeft, hulp biedt bij problemen, het team meeneemt bij keuzes, vertrouwen geeft en waardering uitspreekt. Daarnaast is het voor leraren belangrijk dat de directie een heldere visie op het onderwijs heeft. Ook de ervaren kwaliteit van het leiderschap is voor leraren belangrijk. Een autoritaire houding wordt over het algemeen niet gewaardeerd, maar een directie die alle verantwoordelijkheid bij de leraar legt, evenmin. Tot slot helpen veel wisselingen in de leiding niet bij het opbouwen van een band. Vertrek uit het Amsterdamse onderwijs Geïnterviewde leraren die zijn vertrokken uit het Amsterdamse onderwijs en nu elders werkzaam zijn als leraar, waren veelal tevreden met hun baan in Amsterdam. Voor deze groep waren de belangrijkste redenen om weg te gaan uit Amsterdam: de krappe woningmarkt, de reiskosten en de reisafstand. Het was voor deze leraren lastig om een (ander) huis te vinden in de stad. De reisafstand en de reiskosten werden hoger, waardoor veel leraren na verloop van tijd toch voor een werkplek dichterbij huis kozen.

49

4 Integrale aanpak onderwijs, jeugd, veiligheid, welzijn en armoede

Het aandeel leerlingen in het sbo en in het vso is in Amsterdam lager dan in de rest van Nederland. In het so heeft Amsterdam ongeveer net zo veel leerlingen als het landelijk gemiddelde. Tegelijk daalt recentelijk de nieuwe instroom. Ook stromen er steeds meer leerlingen door naar het regulier voortgezet onderwijs na het afronden van het speciaal (basis)onderwijs. Verder daalt het aantal leerlingen in cluster 4 van het Amsterdamse vso, tegen de landelijke trend in. Deze ontwikkelingen passen bij de inzet van scholen om inclusief onderwijs vorm te geven. Toch is het aandeel leerlingen in het Amsterdamse sbo en so vrij stabiel. Het duurt namelijk even voordat een daling in de nieuwe instroom terug te zien is in de totale omvang van het gespecialiseerd onderwijs. Er is een wachtlijst in het so, dus een daling in de verwijzingen zal in eerste instantie leiden tot een minder lange wachtlijst. Zorgelijk is wel de ruime verdubbeling in 4 jaar tijd van het aantal bij Leerplicht gemelde thuiszittende leerlingen in het po en vo en het stijgende aantal kinderen met een leerplichtvrijstelling. Terwijl een steeds groter deel van de Amsterdamse kinderen hbo/wo-opgeleide ouders heeft en het gemiddeld besteedbaar huishoudinkomen hier elk jaar stijgt, is er ook een groep kinderen die opgroeit in armoede. In 2023 waren er zo’n 23.000 Amsterdamse kinderen in minimahuishoudens.

Zij wonen met name in Noord, Nieuw-West en Zuidoost. Verder staat het welzijn van Amsterdamse meiden blijvend onder druk. Zij rapporteren vaker dan jongens psychische klachten, hebben vaker stress door school of huiswerk, ervaren vaker problematisch gebruik van sociale media, rapporteren meer genotmiddelengebruik en sporten minder.

4.1 Leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs De Wet passend onderwijs uit 2014 had als doel om het gespecialiseerd onderwijs langzaam af te bouwen. De realiteit is echter weerbarstig: het aantal leerlingen dat naar het gespecialiseerd onderwijs gaat is landelijk gezien weer gelijk aan dat van 10 jaar geleden. Dit staat haaks op het – inmiddels aangescherpte – streven van de overheid om in 2035 de meeste scholen inclusief onderwijs te laten aanbieden. ‘Inclusief’ wil zeggen dat alle kinderen, ongeacht hun ondersteuningsbehoefte, samen naar een school in de buurt gaan. 4.1.1 2 procent van de po-leerlingen zit op een sbo-school en 2,9 procent op een so-school In schooljaar 2025/’26 volgen ongeveer 1.200 leerlingen onderwijs op een van de sboscholen in Amsterdam. Hierin worden ook leerlingen meegenomen die voor een Amsterdamse school kiezen, maar buiten de regio wonen. Dit is 2 procent van alle leerlingen in het po en lager dan het landelijke niveau (2,3 procent). Ook is het lager dan in Den Haag (2,6 procent) en Rotterdam (2,3 procent), maar hoger dan in Utrecht (1,6 procent). Het aandeel leerlingen in het Amsterdamse sbo daalde in eerdere jaren, steeg vervolgens iets,

50

maar is sinds schooljaar 2019/’20 gestabiliseerd rond de 2 procent. In de andere grote steden zoals in Den Haag en in Rotterdam en gemiddeld in Nederland is er ook een stabilisering te zien. De uitzondering is Utrecht: hier is sprake van een daling. Figuur 4.1 Leerlingen in het speciaal basisonderwijs naar schoolregio, 2011/’12-2025/’26 (procenten) 4%

3%

2%

1%

0%

Amsterdam

Den Haag

Rotterdam

Utrecht

Nederland

bron: DUO, bewerking O&S

In schooljaar 2025/’26 volgen 1.800 leerlingen onderwijs in Amsterdam op een so-school (zonder de leerlingen in het vso). Hierin worden ook leerlingen meegenomen die voor een Amsterdamse school kiezen, maar buiten de regio wonen. Dit is 2,9 procent van alle leerlingen in het Amsterdamse po. Het percentage is hoger dan landelijk (2,5 procent). Ook is dit aandeel hoger dan in Den Haag (2,5 procent), maar lager dan in Rotterdam (4,3 procent) en Utrecht (3,8 procent). Net als in het sbo zien we dat het aandeel leerlingen in het Amsterdamse so na een periode van daling weer steeg, om vervolgens sinds 2021/’22 te stabiliseren. In Rotterdam en in Den Haag zien we een stabiel aandeel leerlingen sinds schooljaar 2019/’20, en in Utrecht sinds schooljaar 2022/’23. Ook in Nederland als geheel is het aandeel leerlingen in deze onderwijssoort stabiel sinds schooljaar 2022/’23.

51

Figuur 4.2 Leerlingen in het speciaal onderwijs (exclusief vso) naar schoolregio, 2011/’12-2025/’26 (procenten) 6% 5% 4% 3%

2% 1% 0%

Amsterdam

Den Haag

Rotterdam

Utrecht

Nederland

bron: DUO, bewerking O&S

Als we de ontwikkeling in de laatste 4 jaar in het so (exclusief vso) bekijken per cluster, dan zien we dat het aantal leerlingen in cluster 1 stabiel is en in cluster 2 iets daalt. Het eerste cluster is voor kinderen met een visuele handicap, het tweede voor dove of slechthorende kinderen of leerlingen met een taal-spraakontwikkelingsstoornis. Daarnaast zien we een lichte toename van het aantal leerlingen in cluster 3 (voor kinderen met een lichamelijkeen/of verstandelijke beperking en langdurig zieke kinderen). Een mogelijke verklaring hiervoor is dat sinds 2024 steeds meer kinderen uit de gehandicaptenzorg worden ingeschreven op scholen. Voorheen hadden deze kinderen geen toegang tot onderwijs. Kinderen in zorgonderwijsgroepen en onderwijszorggroepen staan ingeschreven bij het so cluster 3 (zie paragraaf 4.1.5). Het aantal leerlingen in cluster 4 (voor kinderen met psychische stoornissen of gedragsproblemen) is stabiel. Doordat de verschillende clusters binnen het so specifieke doelgroepen bedienen, hebben deze scholen ook een regiofunctie. Zo ligt het aandeel leerlingen uit Amsterdam en Diemen per cluster tussen de 79 en 86 procent. We nemen leerlingen uit Amsterdam én Diemen samen, omdat de samenwerkingsverbanden po en vo zich voor kinderen uit beide gemeenten inspannen om passend onderwijs mogelijk te maken.

De overige plekken worden gevuld door leerlingen van buiten deze 2 gemeenten. Bij cluster 4 zien we een toename van het aandeel leerlingen uit Amsterdam en Diemen op de scholen en dus steeds minder leerlingen van buiten.

52

Figuur 4.3 Leerlingen per cluster in Amsterdamse so-scholen, 2022/’23-2025/’26 (aantallen) 1.000 900 800 700 600 500

400 300 200 100 0

cluster 1

cluster 2 2022/'23

2023/'24

cluster 3 2024/'25

cluster 4

2025/'26

bron: DUO, bewerking O&S

Voor cluster 3 en cluster 4 is er in het so sprake van een wachtlijst, waardoor kinderen niet meteen geplaatst kunnen worden. Deze wachtlijst was rond schooljaar 2021/’22 sterk gestegen, mogelijk door de na-effecten van de coronaperiode. Daarna is de wachtlijst licht afgenomen. In januari 2026 waren er 56 leerlingen die wachtten op een plek in cluster 3 en 116 leerlingen op een plek in cluster 4. 4.1.2 3,6 procent van de vo-leerlingen zit op een vso-school In het vso schommelt het aantal leerlingen in Amsterdam van jaar tot jaar tussen de 1.700 en 1.800 leerlingen. Hierin worden ook leerlingen meegenomen die voor een Amsterdamse school kiezen, maar buiten de regio wonen. Dit is 3,6 procent van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs. Het aandeel leerlingen is lager dan landelijk (4,1 procent). Ook is het lager dan in Rotterdam (6,3 procent) en in Utrecht (4,3 procent), maar iets hoger dan in Den Haag (3,3 procent). Het aantal leerlingen in het Amsterdamse vso is dus redelijk stabiel, maar het aandeel daalt licht sinds schooljaar 2018/’19. In Rotterdam, Den Haag en Nederland als geheel is het aandeel leerlingen de laatste jaren vrij stabiel. In Utrecht is sprake van een daling.

53

Figuur 4.4 Leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs (exclusief so) naar schoolregio, 2011/’122025/’26 (procenten) 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% 0%

Amsterdam

Den Haag

Rotterdam

Utrecht

Nederland

bron: DUO, bewerking O&S

In de laatste 4 jaar zien we op de scholen in het vso een afname van het aantal leerlingen in cluster 4 (dus voor kinderen met psychische stoornissen of gedragsproblemen). Het aantal middelbare scholieren in cluster 3 (voor kinderen met een lichamelijke- en/of verstandelijke beperking en langdurig zieke kinderen) neemt ook hier toe. Het aantal leerlingen in cluster 1 en 2 is vrij stabiel (respectievelijk voor leerlingen met een visuele handicap en voor dove of slechthorende kinderen of leerlingen met een taal-spraakontwikkelingsstoornis). Nog meer dan in het so hebben de scholen voor vso ook een regiofunctie. Zo ligt het aandeel leerlingen uit Amsterdam en Diemen per cluster tussen de 60 en 76 procent, dit is lager dan in het so. In de laatste jaren zien we hier geen grote verandering in. Figuur 4.5 Leerlingen per cluster op Amsterdamse vso scholen, 2022/’23-2025/’26 (aantallen) 1.000 900 800 700 600 500 400 300 200 100 0

cluster 1

cluster 2 2022/'23

2023/'24

cluster 3 2024/'25

cluster 4

2025/'26

bron: DUO, bewerking O&S

54

4.2 Instroom en uitstroom gespecialiseerd onderwijs Instroom in het gespecialiseerd onderwijs verloopt via een toelaatbaarheidsverklaring, die door scholen aangevraagd kan worden bij het samenwerkingsverband. Leerlingen kunnen op verschillende momenten het gespecialiseerd onderwijs instromen, net als dat ze op verschillende momenten (weer) de overstap kunnen maken naar het regulier onderwijs. 4.2.1 Kleine daling bij instroom sbo en so Tussen 2020/’21 en 2024/’25 was er sprake van een daling in de instroom van jonge kinderen (tot en met 5 jaar) uit Amsterdam en Diemen in het sbo en het so. De daling bedroeg ongeveer een derde, zo is te zien aan het aantal toegekende toelaatbaarheidsverklaringen. Ook is er een kleine daling in deze jaren zichtbaar in het aantal overstappers vanuit het regulier basisonderwijs naar het sbo en het so. Tegelijk zijn er 2 aandachtspunten. Ten eerste is sinds 2024/’25 de daling overgegaan in een lichte stijging in het aantal overstappers van reguliere basisscholen naar het sbo. Ten tweede is het aantal overstappers van het sbo naar het so na een tijdelijke dip weer toegenomen tot het oude niveau van voorgaande jaren. Als mogelijke verklaring geven de sbo-scholen aan dat zij vanwege de wachtlijsten voor het so vaker leerlingen opvangen die anders daarnaartoe zouden gaan.

Scholen zetten extra ondersteuning in om deze leerlingen op te vangen; een deel van de kinderen gaat later alsnog naar het so. Reguliere basisscholen met relatief veel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand, verwijzen meer leerlingen door naar het gespecialiseerd onderwijs dan scholen met weinig leerlingen met een risico op onderwijsachterstand. Figuur 4.6 Aantal toegekende toelaatbaarheidsverklaringen voor leerlingen die overstappen naar sbo en so, 2020/’21-2024/’25 (aantallen) 300 250

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17041423/1