CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Staat van het Amsterdams funderend onderwijs 2026.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 27 mei 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de “De Staat van het Amsterdamse funderend onderwijs 2026” en bijbehorende raadinformatiebrief (VN2026-004830)31.194 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Auteurs: Onderzoek & Statistiek: Merel van der Wouden, Frederique van Spijker, Leyla Reches, Shy Moehamatdjalil, Renske Hoedemaker, Najib El Moussaoui, Mats Nagel, Ellen Lindeman Samenwerkingsverband PO Amsterdam-Diemen: Marjolein Bomhof, Anke Suijkerbuijk Samenwerkingsverband VO Amsterdam-Diemen: Alexander Röntgen, Wishal Sanchit Eindredactie: Willy Francissen Voor vragen naar aanleiding van deze publicatie: info@swvadam.nl Amsterdam, 8 april 2026

Inhoud

Inhoud

2

Samenvatting en conclusie

4

1

Het Amsterdamse onderwijsaanbod en huisvesting

7

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

7 10 13 15 19

2

Divers onderwijslandschap Minder leerlingen in het Amsterdamse onderwijs Leerlingen uit Centrum en West vaker naar school buiten het eigen stadsdeel Meer scholen met veel leerlingen van hbo/wo-opgeleide ouders Huisvesting: inclusieve voorzieningen en duurzaamheid op de agenda

Onderwijskwaliteit

20

2.1

Inspectie van het Onderwijs ziet ruimte voor verbetering 20 2.1.1 Inspectie oordeelt in Amsterdam vaker dan in de rest van het land dat het beter kan 21 2.1.2 Kwart van de besturen scoort onvoldoende 23 2.2 Tevredenheid van leerlingen komt overeen met landelijke cijfers 24 2.2.1 Leerlingen in het basisonderwijs geven hun school gemiddeld het rapportcijfer 8 24 2.2.2 Middelbare scholieren geven hun school gemiddeld het rapportcijfer 6,3 25 2.3 Prestaties in basisonderwijs stijgen, wel verschillen tussen scholen 26 2.3.1 Meer basisschoolleerlingen halen de streefniveaus voor lezen en rekenen 26 2.3.2 Leergroei op Amsterdamse basisscholen is hoger dan landelijk 28 2.4 Prestaties voortgezet onderwijs: wisselen tussen onderwijstypen 32 2.4.1 Leerprestaties tweedeklassers wisselen en wijken soms positief af van landelijk beeld 32 2.4.2 Afstroom derde klas neemt af 35 2.4.3 Amsterdamse leerlingen halen vaker dan leerlingen elders geen diploma binnen 7 jaar 36 2.4.4 Minder leerlingen slagen dan landelijk, verschil het grootst in vmbo-g/t en havo 38 2.4.5 Basisschooladvies, zittenblijven en opleidingsniveau ouders hebben effect op slagingskansen 40

3

4

Personeelstekort

42

3.1 3.2 3.3

42 46 48

Het lerarentekort daalt in Amsterdam Een derde van de leraren die uitstromen gaat buiten Amsterdam werken Verschillende factoren spelen een rol bij vertrek leraren

Integrale aanpak onderwijs, jeugd, veiligheid, welzijn en armoede

50

4.1

50

Leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs

4.1.1 2 procent van de po-leerlingen zit op een sbo-school en 2,9 procent op een so-school 50 4.1.2 3,6 procent van de vo-leerlingen zit op een vso-school 53 4.2 Instroom en uitstroom gespecialiseerd onderwijs 55 4.2.1 Kleine daling bij instroom sbo en so 55 4.2.2 Steeds meer leerlingen na het s(b)o naar het regulier vo 56 4.2.3 Initiatieven voor passende ondersteuning op reguliere scholen (inclusief onderwijs) 56 4.3 Thuiszittende leerlingen en leerplichtvrijstellingen 58 4.4 Armoede 61 4.4.1 23.000 Amsterdamse kinderen groeien op in minimahuishoudens 61 4.4.2 Krap wonende en dak- of thuisloze kinderen 62 4.5 Gezondheid en welzijn 63 4.5.1 Meiden zijn negatiever over hun mentale gezondheid dan jongens 63 4.5.2 Leerlingen in Zuidoost, Nieuw-West en Noord sporten minder 64 4.5.3 Middelengebruik is hoger onder meiden 65 4.5.4 20 procent meiden ervaart problematisch gebruik van sociale media 65 4.5.5 Discriminatie en racisme risico voor mentale gezondheid 66 4.5.6 Geboden jeugdhulp verschilt per stadsdeel 67

5

6

7

Doorstroom en aansluitingen

69

5.1

Overstap van primair naar voortgezet onderwijs 5.1.1 Resultaat doorstroomtoets bij 20 procent van de leerlingen hoger dan schooladvies 5.1.2 Vwo-advies wordt het vaakst gegeven 5.1.3 Minder scholen kiezen voor de Cito-toets 5.1.4 Voldoende plek in het vo, maar niet op alle scholen 5.2 Voortgezet onderwijs 5.2.1 Natuurprofiel populair op vwo, maatschappijprofiel op havo 5.2.2 Meer zittenblijvers vmbo-g/t en havo dan landelijk 5.2.3 Leerlingen in het vmbo-g/t stapelen het vaakst diploma’s

69

Aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt

79

6.1

Verzuim, startkwalificaties en voortijdig schoolverlaters 6.1.1 Verschillen tussen onderwijssoorten in verzuimcijfers 6.1.2 Aandeel nieuwe voortijdig schoolverlaters hoger dan landelijk 6.2 Loopbaan- en oriëntatiebegeleiding

79 80 80 81

Literatuurlijst

83

70 71 72 74 74 74 76 77

3

Samenvatting en conclusie

De staat van het Amsterdamse funderend onderwijs 2026 Hoe gaat het met de leerlingen en leraren op de 327 scholen in het Amsterdamse funderend onderwijs (het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs)? Om die vraag te beantwoorden, brengt dit onderzoek veel verschillende bronnen bij elkaar. De thema’s volgen de Onderwijs Ambities Amsterdam 2023-2027, zoals opgesteld door de schoolbesturen en de gemeente: onderwijsaanbod en huisvesting, onderwijskwaliteit, personeel, integrale aanpak (van onderwijs, jeugdzorg, veiligheid, welzijn, armoede), doorstroom en aansluiting op vervolgonderwijs en arbeidsmarkt. De resultaten uit dit onderzoek zijn samen te vatten in 5 hoofdlijnen: 1. Het onderwijs is divers, maar gesegregeerd naar opleidingsniveau van ouders 2. Het lerarentekort neemt af, maar blijft urgent 3. Leerprestaties stijgen op basisscholen, op middelbare scholen is het beeld wisselend 4. Onderwijsuitkomsten zijn ongelijk verdeeld over de stad 5. Er zijn zorgen over het welzijn van meiden en thuiszittende leerlingen 1. Het onderwijs is divers, maar gesegregeerd naar opleidingsniveau van de ouders Amsterdam heeft een groot aantal scholen. In schooljaar 2025/’26 heeft de gemeente 232 scholen voor primair onderwijs (po) met ruim 62.000 leerlingen. Het gaat om regulier basisonderwijs (bo), speciaal basisonderwijs (sbo) en speciaal onderwijs (so).

Daarnaast zijn er in het voortgezet onderwijs (vo) 79 scholen met ruim 47.000 leerlingen en 16 scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (vso) met ruim 1.700 leerlingen. Het Amsterdamse gespecialiseerd onderwijs is in omvang vrij stabiel. Het aandeel leerlingen in het speciaal basisonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs is lager dan in de rest van Nederland, in het speciaal onderwijs is het aandeel ongeveer gelijk aan de landelijke cijfers. Wel daalt recentelijk de nieuwe instroom. Ook stromen er steeds meer leerlingen na het afronden van het speciaal (basis)onderwijs door naar het reguliere voortgezet onderwijs. Verder daalt het aantal leerlingen in cluster 4 van het voortgezet speciaal onderwijs. Deze ontwikkelingen passen bij inspanningen van scholen om inclusief onderwijs vorm te geven. Het aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders blijft stijgen. Inmiddels heeft 56 procent van de leerlingen minimaal 1 ouder met een hbo- of wo-diploma. Deze leerlingen gaan steeds vaker vooral met elkaar naar school. In het basisonderwijs gaan kinderen van hbo/wo-opgeleide ouders vaker naar montessorischolen en scholen voor vrijeschoolonderwijs. In het voortgezet onderwijs is er met name op categorale vwo-scholen en havo/vwo-scholen (dus scholen die alleen deze niveaus aanbieden) een sterke concentratie van leerlingen met hbo-/wo-opgeleide ouders. 2.

Het lerarentekort neemt af, maar blijft urgent Het lerarentekort is zowel in het Amsterdamse primair onderwijs als in het voortgezet onderwijs afgenomen. Het is in vergelijking met de andere grote steden laag. Alleen in het speciaal basisonderwijs is het nog relatief hoog. In het voortgezet onderwijs doet het grootste tekort zich voor in de 3 kernvakken: Nederlands, Wiskunde en Engels. Daarnaast zijn

4

de verschillen tussen scholen en stadsdelen groot. In Zuidoost en Nieuw-West is het tekort ondanks een daling nog steeds het hoogst. Een factor die mogelijk bijdraagt aan de daling in het primair onderwijs, is de daling van het aantal leerlingen. Scholen hebben daardoor minder leraren nodig. Ook is het mogelijk dat de inzet vanuit de Amsterdamse Lerarenagenda helpt. Het afnemende lerarentekort is een positieve ontwikkeling, maar de verwachting is dat het over een paar jaar weer toeneemt. Het aantal leerlingen in het basisonderwijs neemt namelijk toe en er gaan meer leraren met pensioen. 3. Leerprestaties stijgen op basisscholen, op middelbare scholen is het beeld wisselend Als we kijken naar de leerprestaties in het basisonderwijs in de afgelopen jaren, dan zien we een stijging van het aandeel leerlingen dat het streefniveau haalt voor de basisvaardigheden lezen en rekenen. Voor taal is een lichte daling te zien. Deze ontwikkelingen komen overeen met het landelijke beeld. De leergroei (vooruitgang in kennis en vaardigheden) die leerlingen tussen groep 5 en 7 doormaken in lezen, taal en rekenen, is hoger dan landelijk. Maar de verschillen tussen Amsterdamse basisscholen blijven groot. Met name onder scholen die veel leerlingen hebben met een risico op onderwijsachterstand, zijn er sterke verschillen.

Dat is zorgelijk, omdat de school juist voor deze leerlingen veel kan betekenen. Er zijn wel verbeteringen in Zuidoost: hier maken leerlingen gemiddeld de meeste leergroei door voor rekenen en spelling. Ook is hier het aandeel leerlingen dat het streefniveau voor lees- taalen rekenvaardigheid haalt, gestegen. Maar kijkend naar de hele stad halen de leerlingen uit Zuidoost samen met de leerlingen uit Nieuw-West het minst vaak de streefniveaus voor de basisvaardigheden. Op de Amsterdamse middelbare scholen zien we geen verbetering in de leesvaardigheid. Tweedeklassers in het vmbo scoren in alle leerwegen (basis, kader, gemengd, theoretisch) – net als landelijk – steeds slechter op Nederlandse leesvaardigheid en woordenschat. Hetzelfde geldt voor rekenen-wiskunde. Bijna de helft van de vmbo-b/k-leerlingen heeft niveau 1F voor Nederlandse leesvaardigheid nog niet gehaald aan het einde van het tweede leerjaar. Dit is het niveau dat ze eigenlijk aan het einde van het basisonderwijs moeten beheersen. Voor rekenen-wiskunde haalt 63 procent van deze groep dit niveau niet. Het aandeel leerlingen in vmbo-g/t dat niveau 1F niet haalt, is ook gestegen, namelijk naar 22 procent. Ook op de havo gingen de Nederlandse leesvaardigheid en woordenschat achteruit in de afgelopen jaren, zowel in Amsterdam als landelijk.

Voor rekenen-wiskunde verbeterden de scores van Amsterdamse havisten iets, terwijl die scores landelijk daalden. De ontwikkeling van Amsterdamse vwo-leerlingen wijkt ook af van het landelijke beeld. Hun scores zijn stabiel voor Nederlands en verbeterd voor rekenen-wiskunde. Landelijk zijn de scores gedaald. De Engelse leesvaardigheid en woordenschat zijn voor alle onderwijstypen de afgelopen jaren juist stabiel gebleven of verbeterd, net als gemiddeld in Nederland. Kijkend naar de slagingspercentages zien we ook verschillen per niveau. Het vmbo-b en vmbo-k hebben de hoogste slagingspercentages, het vmbo-g/t en de havo de laagste. Voor deze laatste 2 niveaus is het verschil met heel Nederland het grootst: er slagen hier dus minder leerlingen dan in de rest van het land. Op deze 2 niveaus blijven in vergelijking met

5

het landelijke beeld ook meer leerlingen zitten in het voorlaatste jaar van de middelbare school. Voor vmbo-g/t neemt dit aandeel toe. 4. Onderwijsuitkomsten zijn ongelijk verdeeld over de stad De verschillen in onderwijsuitkomsten in de stad zijn groot en ongelijk verdeeld. Scholen in de meer welvarende delen van de stad (Centrum en Zuid) hebben het minste last van het lerarentekort. De meeste leerlingen krijgen hier een advies voor het vwo. In het vwo is de leesvaardigheid stabiel en verbeteren de rekenresultaten. Er blijven weinig leerlingen zitten en een hoog percentage van de eindexamenkandidaten slaagt. Wel zijn er zorgen over het welbevinden van de leerlingen, met name over dat van meiden op de havo en in het vwo. Ook over het hoge middelengebruik bestaan zorgen. In de minder welvarende gebieden in de stad zien we een opeenstapeling van ongunstige uitkomsten. Het lerarentekort is nog steeds het hoogst in Zuidoost en Nieuw-West, ondanks de eerdergenoemde daling. In deze stadsdelen halen leerlingen het minst vaak de streefniveaus voor de basisvaardigheden lezen, taal en rekenen. Leerlingen in Noord, Zuidoost en Nieuw-West krijgen het vaakst een advies voor vmbo-b tot en met vmbo-g/t. Juist op die niveaus zien we in het voortgezet onderwijs de resultaten voor lezen, woordenschat en rekenen dalen.

Ook blijven in deze stadsdelen de meeste leerlingen zitten en is het slagingspercentage het laagst. Deze uitkomsten zijn zorgelijk. In deze stadsdelen groeien in vergelijking met de rest van de stad de meeste kinderen op in armoede. Voor deze leerlingen zou de school juist een groot positief verschil kunnen maken. 5. Er zijn zorgen over het welzijn van meiden en over thuiszittende leerlingen Zorgelijk zijn ook de cijfers over het welzijn van meiden in de stad. In 2022 kaartte ‘De staat van het Amsterdamse voortgezet onderwijs’ dit al aan. Meiden ervaren vaker dan jongens psychische klachten en meer stress door school of huiswerk. Ze voelen zich vaker eenzaam en scoren slechter op indicatoren voor weerbaarheid. Ze hebben vaker suïcidale gedachten dan jongens. Daarnaast ligt het genotmiddelengebruik in de vierde klas hoger onder meiden dan onder jongens. De meiden geven vaker voor zichzelf aan dat ze risico lopen op problematisch gebruik van sociale media. De meiden op de havo en in het vwo vallen in negatief opzicht extra op als het gaat om psychische klachten en stress door school of huiswerk. Dit geldt voor elk stadsdeel. Daarnaast zijn er zorgen over het aantal thuiszittende leerlingen. Tussen 2020/’21 en 2024/’25 is hun aantal verdubbeld in zowel het primair onderwijs als het voortgezet onderwijs. Thuiszitten komt voornamelijk voor in de middelbare schoolleeftijd.

Tot slot neemt het aantal leerplichtvrijstellingen op 2 gronden toe. De eerste is lichamelijke of psychische gronden (artikel 5a) en de tweede vanwege schoolgaand in het buitenland (artikel 5c). De meeste vrijstellingen worden afgegeven voor 4- en 5-jarigen.

6

1 Het Amsterdamse onderwijsaanbod en huisvesting

Amsterdam heeft een divers onderwijslandschap. De scholen bieden een breed aanbod van onderwijstypen, niveaus en clusters voor het speciaal onderwijs. Naar de 232 scholen voor het primair onderwijs gaan ruim 62.000 leerlingen. Naar de 95 scholen voor voortgezet (speciaal) onderwijs gaan ruim 48.000 leerlingen. De prognose is dat het aantal leerlingen in het Amsterdamse onderwijs in de komende jaren afneemt als gevolg van een lager geboortecijfer. In het basisonderwijs wordt een daling verwacht tot schooljaar 2031/’32. Daarna wordt verwacht dat de verwachting dat het aantal leerlingen weer gaat stijgen. In het voortgezet onderwijs daalt het aantal leerlingen vanaf het huidige schooljaar. Deze daling zal naar verwachting langer doorzetten. Het aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders blijft stijgen. Zij komen steeds meer samen op een deel van de scholen. Dat zorgt voor segregatie: scheiding van groepen leerlingen op basis van het opleidingsniveau van hun ouders. In het (speciaal) basisonderwijs gaan kinderen van hbo/wo-opgeleide ouders vaker naar montessorischolen en scholen voor vrijeschoolonderwijs. In het voortgezet onderwijs hangt de onderwijssegregatie samen met de niveaus die de scholen aanbieden. Met name de havo/vwo-scholen en de categorale vwo-scholen hebben een toegenomen concentratie van leerlingen met hbo/wo-opgeleide opgeleide ouders.

1.1 Divers onderwijslandschap Het Amsterdamse onderwijslandschap heeft een groot aanbod aan scholen. In schooljaar 2025/’26 zijn er in de gemeente Amsterdam 232 scholen voor het primair onderwijs waar ruim 62.000 leerlingen naartoe gaan. Het gaat om regulier basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs. Naar de 95 scholen voor voortgezet (speciaal) onderwijs gaan ruim 48.000 leerlingen. Figuur 1.1 Aantal scholen in het Amsterdamse onderwijs, schooljaar 2025/’26

205

basisscholen

10

79

middelbare scholen

16

scholen voor speciaal basisonderwijs

17

scholen voor speciaal onderwijs

scholen voor voortgezet speciaal onderwijs

bron: DUO/O&S

7

Primair onderwijs Van de 232 Amsterdamse basisscholen zijn er 205 regulier basisscholen. Dit aantal is de afgelopen 3 jaar vrij stabiel gebleven: er zijn 10 scholen gesloten en 5 nieuwe gestart. De basisscholen die zijn gesloten, hadden allemaal een leerlingenaantal onder de ophefnorm. Bijna de helft van de basisscholen (94 scholen) is openbaar. Daarnaast zijn 24 scholen roomskatholiek en 30 protestants-christelijk. Ook hebben 23 scholen de denominatie algemeen bijzonder: zij geven geen les vanuit een religieuze overtuiging, maar wel vanuit een bepaalde levensovertuiging of visie op onderwijs. 34 scholen in de stad hebben een andere denominatie, bijvoorbeeld antroposofisch (vrijeschoolonderwijs), evangelisch, Hindoeïstisch, islamitisch en Joods. Scholen kunnen daarnaast een onderwijsconcept hebben. Ruim twee derde van de basisscholen (140 scholen) heeft geen specifiek onderwijsconcept. Het concept dat het meeste voorkomt is montessori (23 scholen), gevolgd door dalton (17 scholen) en ontwikkelingsgericht onderwijs (14 scholen). Er zijn 7 scholen voor vrijeschoolonderwijs in de stad, 3 scholen met een jenaplan en 1 school met het onderwijsconcept natuurlijk leren. De meeste basisscholen in de stad staan in de stadsdelen Nieuw-West (37 scholen), Zuid (34 scholen) en Noord (34 scholen). De minste scholen staan in Centrum (10 scholen) en stadsgebied Weesp (8 scholen).

De reguliere basisscholen in Amsterdam vallen onder 38 schoolbesturen. Daarvan zijn er 18 besturen waar maar 1 school onder valt. De rest heeft meerdere scholen onder zich. Het grootste schoolbestuur stuurt 26 reguliere basisscholen aan. Naast het reguliere basisonderwijs bestaat er het speciaal basisonderwijs (sbo) voor kinderen die moeilijk leren of gedrags- of opvoedkundige ondersteuningsbehoeften hebben. In schooljaar 2025/’26 volgen 1.236 leerlingen onderwijs op een van deze 10 scholen in Amsterdam (2 procent van alle leerlingen in het primair onderwijs). De scholen zijn gevestigd in de stadsdelen Nieuw-West, Zuid, Oost, Noord en Zuidoost. Er zijn 6 schoolbesturen in het Amsterdamse speciaal basisonderwijs. Amsterdam heeft in schooljaar 2025/’26 ook 17 scholen voor het speciaal onderwijs (so). Hier volgen 1.800 leerlingen onderwijs (2,9 procent van alle leerlingen in het primair onderwijs). Het speciaal onderwijs (en ook het voortgezet speciaal onderwijs) is er voor leerlingen die specialistische ondersteuning nodig hebben dat het reguliere onderwijs nog niet kan bieden.

Het is verdeeld in 4 clusters: - cluster 1 voor kinderen met een visuele handicap (1 school in Amsterdam) - cluster 2 voor dove of slechthorende kinderen of kinderen met een taal-of spraakontwikkelingsstoornis (5 scholen) - cluster 3 voor kinderen met een lichamelijke- en/of verstandelijke beperking en langdurig zieke kinderen (5 scholen) - cluster 4 voor kinderen met psychische stoornissen of gedragsproblemen (6 scholen) De meeste scholen voor speciaal onderwijs zijn gevestigd in de stadsdelen Nieuw-West en Zuid. De Amsterdamse scholen voor speciaal onderwijs vallen onder 6 schoolbesturen, waarvan 1 bestuur 1 school aanstuurt.

8

Figuur 1.2 Scholen voor primair onderwijs naar aantal leerlingen, schooljaar 2025/’26

bron: DUO/O&S

Voortgezet onderwijs In schooljaar 2025/’26 telt de gemeente Amsterdam 79 middelbare scholen en 16 scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (vso). Naar de middelbare scholen gaan ruim 47.000 leerlingen; naar de vso-scholen ruim 1.700. Het aantal middelbare scholen is in de afgelopen 3 jaar vrij stabiel gebleven: er zijn 2 nieuwe scholen gestart en is er 1 school gesloten. De scholen voor het voortgezet onderwijs vallen onder 23 schoolbesturen, daarvan zijn er 10 besturen met elk 1 school. Onder het grootste schoolbestuur vallen 19 middelbare scholen. Het voortgezet speciaal onderwijs heeft 6 schoolbesturen. Het Amsterdamse vo heeft een breed aanbod van niveaus en onderwijstypen. Er zijn 5 scholen voor praktijkonderwijs (pro), 19 scholen voor (pro/)vmbo-basis/kader(/theoretisch), 10 scholen voor vmbo-theoretisch en/of havo, 10 havo/vwo-scholen, 7 categorale vwoscholen en 25 scholengemeenschappen die vmbo-b of vmbo-g/t tot en met havo of vwo aanbieden. Daarnaast zijn er 3 internationale scholen. Onder de middelbare scholen zijn 5 scholen die kleinschalig ondersteunend voortgezet onderwijs (kovo) aanbieden. Dit zijn kleinschalige, reguliere middelbare scholen met extra ondersteuningsmogelijkheden.

In schooljaar 2025/’26 is er 1 school voor voortgezet speciaal onderwijs voor cluster 1, er zijn 2 scholen voor cluster 2, er zijn 5 scholen voor cluster 3 en 8 scholen voor cluster 4. De meeste middelbare scholen staan in de stadsdelen Zuid (24 scholen) en Oost (16 scholen). De minste scholen staan in Centrum (2 scholen) en stadsgebied Weesp (2 scholen). Er staat 1 school in Westpoort. De scholen voor vso staan vooral in de stadsdelen Zuidoost, Noord en Oost.

9

Figuur 1.3 Scholen voor voortgezet (speciaal) onderwijs naar aantal leerlingen en schooltype, schooljaar 2025/’26

bron: DUO/O&S

1.2 Minder leerlingen in het Amsterdamse onderwijs Basisonderwijs Het aantal leerlingen in het Amsterdamse regulier basisonderwijs daalt. In schooljaar 2025/’26 telt het 59.295 leerlingen. Dit is een afname ten opzichte van 3 jaar eerder (schooljaar 2022/’23): toen waren er 60.923 leerlingen. De leerlingenprognose laat de verwachting zien dat het aantal nog verder zal afnemen, met als verwacht laagste punt zo’n 55.000 leerlingen in 2031/’32. Dat is een daling van 7,4 procent ten opzichte van het huidige schoolhaar (O&S, 2025a). Vanaf schooljaar 2032/’33 stijgt het leerlingenaantal naar verwachting tot ongeveer 62.000 leerlingen in 2040/’41. De leerlingenprognose is gebaseerd op de bevolkingsprognose. Die liet in 2025 zien dat het aantal kinderen in de basisschoolleeftijd de komende jaren afneemt en vanaf 2033 weer langzaam stijgt. De daling in de bevolkingsprognose is het gevolg van een lager geboortecijfer. De stijging van het aantal kinderen in de basisschoolleeftijd vanaf 2033 komt doordat de woningvoorraad in Amsterdam in het volgende decennium verder toeneemt. Voor de berekening van de prognose gebruiken we de basisgeneratie: het aantal inwoners in de schoolgaande leeftijd. Voor het basisonderwijs zijn dat alle kinderen tussen 4 en 11 jaar, en 70 procent van de leerlingen van 12 jaar. Niet al deze kinderen in deze leeftijd gaan naar een Amsterdamse reguliere basisschool.

Het merendeel van de scholen volgt de stedelijke prognose en laat de komende jaren een (licht) dalende trend in leerlingenaantallen zien. Hierop zijn wel uitzonderingen: scholen

10

waarvan verwacht wordt dat ze groeien doordat ze in de afgelopen jaren al een grotere instroom van leerlingen hadden. Figuur 1.4 Leerlingenprognoses bo 2024/’25 en basisgeneratie po (aantallen) 70.000 68.000 66.000 64.000 62.000 60.000 58.000

56.000 54.000 52.000 50.000

feitelijke basisgeneratie

prognose basisgeneratie 2025

feitelijke leerlingenaantal

leerlingenprognose 2024/'25

bron: DUO/O&S

Gespecialiseerd onderwijs Het aantal leerlingen in het speciaal basisonderwijs in Amsterdam is relatief stabiel. In schooljaar 2025/’26 gaat het om 1.236 kinderen. Na een stijging tussen 2019/’20 en 2020/’21 nam het leerlingenaantal in schooljaar 2022/’23 iets af en daarna weer toe. De leerlingenprognose voor het sbo volgt in grote lijnen de bevolkingsprognose van kinderen in de leeftijd van het primair onderwijs, waarbij er een daling van het aantal kinderen wordt voorspeld tot 2032. De verwachte daling leidt tot 1.139 leerlingen in 2031/’32. Daarna zal het leerlingenaantal op het speciaal basisonderwijs naar verwachting toenemen. Het aantal leerlingen op scholen voor speciaal onderwijs in Amsterdam is het afgelopen jaar gestegen: van 1.670 leerlingen in 2024/’25 naar 1.800 leerlingen in schooljaar 2025/’26. De prognose laat een verwachte daling zien van het leerlingenaantal tot ruim 1.500 leerlingen in 2032/’33. Daarna zal het leerlingenaantal in het speciaal onderwijs naar verwachting toenemen tot ruim 1.700 leerlingen in 2040/’41. Voor de so-scholen wordt de bevolkingsprognose po gevolgd met daarin 4-tot 12-jarigen. Het aantal leerlingen op de scholen voor voortgezet speciaal onderwijs in Amsterdam is vrij stabiel en ligt in schooljaar 2025/’26 op 1.733 leerlingen. De prognose laat een verwachte daling zien van het leerlingenaantal tot zo’n 1.600 leerlingen in 2040/’41.

De leerlingenprognose voor het vso volgt in grote lijnen de bevolkingsprognose vo, met daarin 12- tot 18-jarigen. (O&S, 2025b). In deze prognoses zijn niet de effecten meegenomen van de beweging naar inclusief onderwijs. De overheid streeft ernaar dat in 2035 inclusief onderwijs de norm is, dat wil zeggen dat leerlingen met en zonder ondersteuningsbehoeften dezelfde kansen krijgen en onderwijs volgen op dezelfde scholen. Hoofdstuk 4 gaat nader in op inclusief onderwijs.

11

Figuur 1.5 Leerlingenprognoses sbo, so en vso 2024/’25 (aantallen) 2.000 1.800 1.600

1.400 1.200 1.000 800 600 400

feitelijk sbo feitelijk so feitelijk vso

prognose sbo 2024/'25 prognose so 2024/'25 prognose vso 2024/'25 bron: DUO/O&S

Voortgezet onderwijs In schooljaar 2025/’26 telt het Amsterdamse voortgezet onderwijs 47.039 leerlingen. De huidige prognose laat zien dat het leerlingenaantal het maximum heeft bereikt. Vanaf schooljaar 2025/’26 wordt een daling verwacht tot zo’n 42.800 leerlingen in 2039/’40. Dat is een afname van 9 procent ten opzichte van het huidige schooljaar (O&S 2025c). Deze afname komt door het verwachte vertrek van gezinnen met kinderen uit de stad. Het merendeel van de scholen volgt de stedelijke prognose en laat de komende jaren een dalende trend zien. Hierop zijn lotingscholen de uitzondering: scholen die in april 2024 bij de loting en matching 10 procent of meer eerste voorkeur aanmeldingen hadden dan capaciteit. Voor die scholen geldt dat zelfs bij een afnemende basisgeneratie het aantal leerlingen vrij stabiel blijft. Figuur 1.6 Leerlingenprognoses vo 2024/’25 en basisgeneratie vo (aantallen) 56.000 54.000 52.000 50.000

48.000 46.000 44.000 42.000 40.000

feitelijke basisgeneratie

prognose basisgeneratie 2025

feitelijke leerlingenaantal

leerlingenprognose 2024/'25

bron: DUO/O&S

12

De meeste Amsterdamse leerlingen gaan naar de havo of het vwo en dit aandeel blijft stijgen. In schooljaar 2024/’25 ging het om 16.310 leerlingen, terwijl het er 10 jaar eerder (in 2015/’16) 12.365 waren. In Utrecht is ook sprake van een forse stijging van het aantal havoen vwo-leerlingen; in Den Haag en Rotterdam is deze stijging minder sterk. Het aantal leerlingen dat naar het vmbo-b en vmbo-k gaat, is in dezelfde periode gedaald van 4.070 naar 2.780 leerlingen. In de andere grote steden zien we voor deze niveaus een vergelijkbare daling. Tot slot is er ook een daling van het aandeel leerlingen in het praktijkonderwijs, van 1.395 in 2015/’16 naar 1.130 leerlingen in 2024/’25. Dit zien we ook in Utrecht, maar niet in Den Haag en Rotterdam. Figuur 1.7 Amsterdamse leerlingen per niveau op middelbare scholen, 2015/’16 - 2024/’25 (aantallen)

bron: CBS Statline

1.3 Leerlingen uit Centrum en West vaker naar school buiten het eigen stadsdeel Basisonderwijs Gemiddeld gaat in Amsterdam 87 procent van de leerlingen naar een basisschool in het stadsdeel waarin ze wonen. In bepaalde stadsdelen is dit aandeel hoger. Zo gaan leerlingen die in Weesp wonen grotendeels in Weesp naar school (96 procent). Ook in Noord (94 procent), Zuidoost (91 procent) en Zuid (90 procent) ligt dit aandeel relatief hoog. Kinderen die in Centrum en West wonen gaan het vaakst naar basisscholen buiten het eigen stadsdeel (respectievelijk 23 procent en 21 procent). Voor kinderen in stadsdeel Centrum is dit deels te verklaren, omdat er weinig scholen zijn in dit stadsdeel. In West zijn relatief veel basisscholen, maar kiest 1 op de 5 ouders voor een basisschool in een ander stadsdeel. Deze kinderen gaan met name naar scholen in Nieuw-West, Zuid en Centrum.

13

Figuur 1.8 Leerlingen die in het stadsdeel waarin ze wonen naar de basisschool gaan, schooljaar 2025/’26 (procenten) Centrum

76

Nieuw-West

24 83

17

Noord

94

Oost

6

87

Weesp

13 96

West (incl. Westpoort)

4

79

21

Zuid

90

10

Zuidoost

91

9

0%

20%

40%

in woonstadsdeel naar school

60%

80%

100%

in ander stadsdeel naar school

bron: DUO/O&S

Specifiek kijkend naar het opleidingsniveau van de ouders, zien we weinig verschillen in het aandeel leerlingen dat in het eigen stadsdeel (woonstadsdeel) naar school gaat. Wel is er over de jaren een toename van het aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders dat in het woonstadsdeel naar school gaat (O&S, 2026a). Schoolwisselaars Van de achtstegroepers op reguliere basisscholen uit de schooljaren 2018/’19, 2019/’20 en 2020/’21 is gemiddeld 19 procent 1 of meer keer van school gewisseld. Van alle wisselingen kon 30 procent worden verklaard door verhuizingen. Andere verklaringen konden niet worden onderzocht met de aanwezige data. Van alle Amsterdamse leerlingen wisselden de kinderen in Zuidoost het vaakst van school: bijna 1 op de 3 heeft voor groep 8 op een andere school gezeten (28 procent). De schoolwisselingen in Zuidoost zijn minder vaak aan verhuizingen gerelateerd dan in andere stadsdelen. In stadsdeel Centrum wisselden leerlingen het minst vaak: 1 op de 10 wisselde tijdens de basisschooltijd minimaal 1 keer van school. Vooral leerlingen van ouders met havo/vwo/mbo-opgeleide ouders wisselden vaak van school (24 procent). Leerlingen met basisopgeleide ouders (20 procent) en met ouders met een hbo- of wo-opleiding (17 procent) wisselden minder vaak.

Van de leerlingen in het sbo die op een reguliere basisschool zijn gestart, is een kwart vaker dan 1 keer van school gewisseld. Deze leerlingen hebben naast de overstap van het regulier naar het speciaal onderwijs ook andere schoolwissels gehad. (O&S, 2022a) Voortgezet onderwijs Gemiddeld gaat in Amsterdam 50 procent van de leerlingen naar een middelbare school in het stadsdeel waarin ze wonen. Dit aandeel ligt veel lager dan in het basisonderwijs. De keuze voor een middelbare school lijkt daarmee minder vaak af te hangen van het woonstadsdeel. Ook voor het voortgezet onderwijs geldt dat leerlingen in stadsdeel Centrum en West het vaakst naar scholen buiten het eigen stadsdeel gaan (respectievelijk 92 procent en 83 procent). In beide stadsdelen staan relatief weinig middelbare scholen. Dat

14

geldt ook voor stadsgebied Weesp, dat maar 2 middelbare scholen telt. Toch gaat hier 84 procent van de leerlingen naartoe. Figuur 1.9 Leerlingen die in het stadsdeel waarin ze wonen naar de middelbare school gaan, schooljaar 2025/’26 (procenten) Centrum

9

91

Nieuw-West

57

43

Noord

51

49

Oost

49

51

Weesp West (incl. Westpoort)

84 18

82

Zuid

73

Zuidoost 0%

16

27

50 20%

50 40%

in woonstadsdeel naar school

60%

80%

100%

in ander stadsdeel naar school

bron: DUO/O&S

In alle stadsdelen gaan leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders het vaakst naar school in een ander stadsdeel. In totaal gaat de helft van de scholieren met hbo/wo-opgeleide ouders in Centrum/Zuid naar school. Dit is meer dan leerlingen met basisopgeleide ouders of met havo-vwo/mbo-opgeleide ouders, maar het is minder dan in 2018/’19 – toen was het 58 procent. Dat veel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders in Centrum/Zuid naar school gaan, is niet geheel onverwacht. Zij krijgen het vaakst een vwo-advies en hier staan de meeste vwo-scholen.

1.4 Meer scholen met veel leerlingen van hbo/wo-opgeleide ouders (Speciaal) basisonderwijs Het aandeel leerlingen op Amsterdamse (speciale) basisscholen met minstens 1 ouder met een hbo- of wo-diploma, blijft stijgen. In 2012/’13 ging het om 44 procent van de leerlingen, in 2024/’25 om 56 procent. Het aandeel leerlingen met basisopgeleide ouders (maximaal basisschool, vmbo of mbo-1-opgeleid) daalt. Het is in dezelfde periode afgenomen met 12 procentpunt: van 27 naar 15 procent.

15

Figuur 1.10 Opleidingsniveau ouders van leerlingen in het (speciaal) basisonderwijs in Amsterdam, schooljaar 2012/’13-2024/’25 (procenten) 2024/'25

7

9

13

15

19

37

2023/'24

7

9

13

16

19

37

2022/'23

8

9

13

15

19

36

2021/'22

8

9

14

15

19

35

2020/'21

9

10

14

15

18

35

2019/'20

9

10

14

15

18

35

2018/'19

10

10

14

15

18

34

2017/'18

11

10

14

14

18

33

2016/'17

12

10

14

14

17

32

2015/'16

13

10

14

14

17

32

2014/'15

13

11

14

2013/'14

15

11

15

2012/'13

16

12

15

0% basisschool

20% vmbo/onderbouw h/v

basisopgeleid

14 14

17

31

16

29

16

28

14 40% mbo-2 en 3/havo

60%

80%

mbo 4/vwo

havo, vwo, mbo opgeleid

hbo

100% wo en hbo-master

hbo, wo opgeleid bron: CBS/OJZ, bewerking O&S

De stijging van het aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders zien we terug in de samenstelling van de scholen voor (speciaal) basisonderwijs. Er gaan steeds meer kinderen naar scholen waarvan het overgrote deel van de leerlingen (meer dan 80 procent) hbo/woopgeleide ouders heeft. In schooljaar 2012/’13 ging 12 procent van alle leerlingen naar dit type gesegregeerde school en in schooljaar 2024/’25 ging het om bijna een kwart. De stijging vond vooral plaats tot en met schooljaar 2016/’17 en lijkt sindsdien te stabiliseren. Tegelijkertijd zijn er steeds minder scholen met heel weinig leerlingen met hbo/woopgeleide ouders (20 procent of minder). Hierdoor zien we dat het totaal aantal leerlingen dat naar dit type gesegregeerde school gaat, ook is gedaald. In schooljaar 2012/’13 was het nog bijna een derde van alle leerlingen; in 2024/’25 was het 8 procent. Figuur 1.11 Verdeling leerlingen over (s)bo-scholen naar aandeel kinderen met hbo/wo-opgeleide ouders, schooljaar 2012/’13-2024/’25 (procenten) 100% meer dan 80% 12 17 20 (gesegregeerde 20 21 23 24 scholen) 80% 61-80% 26 23 (gemengdere scholen) 25 23 27 27 26 60% 12 41-60% 15 15 (gemengde scholen) 16 16 14 15 18 40% 21-40% 19 19 (gemengdere scholen) 23 24 26 27 20% 32 20% of minder 26 23 16 (gesegregeerde 12 10 8 0% scholen) 2012/'13 2014/'15 2016/'17 2018/'19 2020/'21 2022/'23 2024/'25 bron: CBS/OJZ, bewerking O&S

16

Schoolkeuze speelt een belangrijke rol in onderwijssegregatie (Muskens et al., 2025; Zwier 2025). Verschillende ouders kunnen een voorkeur hebben voor verschillende typen scholen. Scholen voor algemeen bijzonder onderwijs en met een protestant-christelijke denominatie hebben het hoogste aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders. Bij basisscholen met een islamitische, oecumenische of (andere) levensbeschouwelijke denominatie is dit aandeel het laagst. Als we kijken naar de verdeling van leerlingen over de scholen naar onderwijsconcepten, dan is met name het vrijeschool- en montessorionderwijs in trek bij hbo/wo-opgeleide ouders. Op de scholen voor vrijeschoolonderwijs in de stad heeft gemiddeld 85 procent van de leerlingen hbo/wo-opgeleide ouders, terwijl dit in de hele stad geldt voor 56 procent van de leerlingen. Op montessorischolen gaat het om 75 procent (O&S, 2026a). Voortgezet onderwijs Ook in het vo blijft het aandeel leerlingen met ten minste 1 ouder met een hbo- of wodiploma stijgen. In 2024/’25 heeft 56 procent van de middelbare scholieren hbo/woopgeleide ouders, hetzelfde percentage als in het (s)bo. Dit is een toename van 17 procentpunt ten opzichte van 2012/’13 – toen was het 39 procent. Het aandeel leerlingen met basisopgeleide ouders (basisschool, vmbo of mbo-1 opgeleid) is in diezelfde periode gedaald met 15 procentpunt, van 33 procent naar 18 procent.

Figuur 1.12 Opleidingsniveau ouders van leerlingen in het voortgezet onderwijs in Amsterdam, schooljaar 2012/’13-2024/’25 (procenten) 2024/'25

9

9

12

14

19

37

2023/'24

9

9

13

13

19

36

2022/'23

10

9

12

13

19

37

2021/'22

10

10

13

13

18

36

2020/'21

12

10

13

13

18

35

2019/'20

12

10

13

13

2018/'19

13

11

14

2017/'18

15

10

14

13

17

30

2016/'17

16

10

14

14

17

29

2015/'16

17

11

15

14

17

27

2014/'15

18

11

15

14

17

26

2013/'14

19

11

2012/'13

21

12

0% basisschool

20% vmbo/onderbouw h/v

basisopgeleid

18

13

15

34

17

32

14

16

16

14

40% mbo-2 en 3/havo

24

16 60%

80%

mbo 4/vwo

havo, vwo, mbo opgeleid

23

hbo

100% wo en hbo-master

hbo, wo opgeleid

bron: CBS/OJZ, bewerking O&S

Ook hier zien we de stijging van het aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders terug in de samenstelling van de scholen. Er zijn steeds meer middelbare scholen in de stad met een leerlingenpopulatie met meer dan 80 procent hbo- of wo-opgeleide ouders. In schooljaar 2024/’25 zat 28 procent van de leerlingen op een school met dit type leerlingenpopulatie, vergelijkbaar dus met het (speciaal) basisonderwijs. Tegelijkertijd zijn er ook in het vo steeds minder scholen met heel weinig leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders (20 procent of minder). In 2012/’13 was dit 29 procent, in 2024/’25 was het 8 procent. Twee derde van de Amsterdamse leerlingen in het vo gaat naar een gemengde(re) school. Dit aandeel is iets afgenomen sinds 2012/’13, toen was het nog 70 procent.

17

Figuur 1.13 Verdeling leerlingen over vo-scholen naar aandeel kinderen met hbo/wo-opgeleide ouders, schooljaar 2012/’13-2024/’25 (procenten) 100% 2 4 meer dan 80% 6 17 (gesegregeerde 22 25 28 27 scholen) 30 80% 30 61-80% 22 (gemengdere scholen) 26 23 18 60% 23 18 41-60% 19 18 (gemengde scholen) 13 14 12 25 40% 23 21-40% 21 25 (gemengdere scholen) 25 27 29 20% 20% of minder 29 25 24 18 (gesegregeerde 15 11 8 0% scholen) 2012/'13 2014/'15 2016/'17 2018/'19 2020/'21 2022/'23 2024/'25 bron: CBS/OJZ, bewerking O&S

In het voortgezet onderwijs bestaat er een verband tussen het aangeboden onderwijsniveau en de leerlingenpopulatie op een school. Scholen die alleen praktijkonderwijs (16 procent) of vmbo-b/k/g/t aanbieden (21-24 procent), hebben minder leerlingen met hbo/woopgeleide ouders. Op categorale vwo-scholen en havo/vwo-scholen is het aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders juist een stuk hoger (respectievelijk 87 en 72 procent). De leerlingenpopulatie op scholengemeenschappen (scholen die minstens 3 niveaus aanbieden) en vmbo-t en/of havo-scholen ligt het dichtst bij het gemiddelde van de stad. Scholen met een brede brugklas – scholen met minimaal 3 onderwijsniveaus in de klas – hebben een aandeel van 58 procent leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders. Dit is rond het gemiddelde van de stad (56 procent). Amsterdam heeft 10 van zulke scholen (O&S, 2026a). Segregatie in Amsterdam en G4 De onderwijssegregatie is in de 4 grote steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) hoger dan gemiddeld in Nederland. We baseren ons hierbij op een landelijk onderzoek uitgevoerd in opdracht van het ministerie van OCW (door een consortium van KBA Nijmegen, het Kohnstamm Instituut en DUO, zie Muskens et al., 2025).

Hoe de verschillen tussen Amsterdam en de andere grote steden eruitzien, hangt af van naar welk achtergrondkenmerk je kijkt (opleidingsniveau, inkomen of migratieachtergrond) en de onderzochte onderwijssector (basisonderwijs of voortgezet onderwijs). Voor nu nemen we alleen de segregatie naar opleidingsniveau van de ouders mee, omdat dit aansluit bij de andere resultaten in deze paragraaf. Dan zien we dat de segregatie in het basisonderwijs in Amsterdam laag is vergeleken met de andere 3 grote steden. Het is dus wel hoog in vergelijking met het landelijk gemiddelde. De segregatie naar opleidingsniveau in het voortgezet onderwijs is hier juist aan de hoge kant vergeleken met die in Rotterdam, Den Haag en Utrecht.

18

1.5 Huisvesting: inclusieve voorzieningen en duurzaamheid op de agenda De schoolbesturen en de gemeente Amsterdam willen dat alle kinderen en jongeren in de stad toegang hebben tot passende, duurzame en aantrekkelijke onderwijsvoorzieningen. Voor kinderen tot 12 jaar moet dit aanbod in de buurt van hun woning zijn. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt daarnaast: 'Schoolgebouwen moeten toegankelijk zijn voor het schoolteam, ouders en de kinderen. [..] Alle voorzieningen moeten bereikbaar, begrijpelijk en comfortabel zijn voor iedereen zodat iedereen in het gebouw zo zelfstandig en gelijkwaardig mogelijk kan deelnemen aan activiteiten' (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2024). De definitie en het beleid van inclusieve onderwijshuisvesting is nog volop in ontwikkeling. Zo is er geen vaste definitie voor activiteiten waaraan een ‘integraal kindcentrum’ moet voldoen om deze naam te kunnen voeren. Ongeveer 1 op de 7 reguliere basisscholen in Amsterdam noemt zich een (integraal) kindcentrum of een kindercampus. In het voortgezet onderwijs spelen trajectvoorzieningen een belangrijke rol om schoolgebouwen inclusiever te maken. Meer informatie hierover is te vinden in 4.1.

Uit interne data van de afdeling Onderwijshuisvesting van de gemeente Amsterdam blijkt dat het merendeel van de onderwijsaccommodaties in het Amsterdamse funderend onderwijs tussen 1951 en 2000. Het gespecialiseerd onderwijs heeft relatief de meeste nieuwe onderwijsaccommodaties (gebouwd vanaf 2000). In januari 2025 is de wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting voorgesteld. Deze wet verplicht gemeenten een Integraal Huisvestingsplan (IHP) vast te stellen voor het onderwijs. Het plan omvat meerjarige plannen, budgetten en actuele schoolgebouwgegevens (zoals bouwjaar, vloeroppervlakte, energieverbruik en duurzaamheid). De gemeenteraad stelt het plan op samen met schoolbestuurders. De gemeente Amsterdam werkt al met een IHP, maar de wet bevat een aantal nieuwe specifieke voorwaarden. Ook krijgen schoolbesturen de verplichting om een meerjarenonderhoudsplan (MJOP) op te stellen. De wet is nog in behandeling en dus nog niet aangenomen. Pilot monitoring energieverbruik Amsterdamse scholen De gemeente Amsterdam is economisch eigenaar van ongeveer 350 schoolgebouwen en gymzalen. In januari 2026 startte de gemeente met een aantal schoolbesturen een pilot om het energieverbruik van hun scholen te meten. Dit gebeurt door het uitlezen van slimme meters die onder andere het gasverbruik, stroomverbruik en de stroomopwekking meten.

In 2 dashboards houden 2 monitoringsbureaus de gegevens bij. In totaal doen 50 scholen aan de pilot mee. Na afloop van de pilot wordt een definitieve keuze gemaakt voor een van deze bureaus. De in deze pilot verkregen inzichten kunnen de verduurzamingsopgave ondersteunen en helpen bij het maken van keuzes voor de toekomst. Denk aan vaststelling van de volgorde waarin gebouwen voor verduurzaming in aanmerking komen, het afstoten van gebouwen, of aanvullend onderzoek doen naar gebouwen met een opvallend verbruik.

19

2 Onderwijskwaliteit

Van alle Amsterdamse scholen krijgen die in het s(b)o en vso het vaakst een voldoende van de onderwijsinspectie. Daarna volgt het basisonderwijs. Scholen in het voortgezet onderwijs ontvangen het minst vaak een voldoende. Als we kijken naar de leerprestaties in het basisonderwijs in de afgelopen jaren, dan is het aandeel leerlingen dat het streefniveau haalt voor de basisvaardigheden lezen en rekenen gestegen. Voor taal is dit licht gedaald. Deze ontwikkelingen komen overeen met het landelijke beeld. De leergroei (vooruitgang in kennis en vaardigheden) die leerlingen tussen groep 5 en 7 doormaken, is hoger dan landelijk. Maar de verschillen tussen Amsterdamse basisscholen blijven groot. Met name onder scholen die veel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand hebben, zijn er grote verschillen. Dat is zorgelijk, omdat de school juist voor deze leerlingen veel kan betekenen. In Zuidoost en Nieuw-West wordt het streefniveau voor lees- taal- en rekenvaardigheid het minst vaak gehaald, maar in Zuidoost is dit aandeel wel gestegen in de afgelopen jaren. Daarnaast maken leerlingen in Zuidoost gemiddeld de meeste leergroei voor rekenen en spelling. In het vo scoren tweedeklassers in het vmbo-b/k/g/t steeds slechter op Nederlandse leesvaardigheid en woordenschat, en ook op rekenen-wiskunde. Landelijk is dit ook zo.

Bijna de helft van de vmbo-b/k leerlingen heeft niveau 1F voor Nederlandse leesvaardigheid nog niet behaald aan het einde van het tweede leerjaar. Dit is het niveau dat leerlingen aan het einde van het basisonderwijs zouden moeten beheersen. Voor rekenen-wiskunde geldt dit voor 63 procent van deze groep. Ook op de havo ging de Nederlandse leesvaardigheid en woordenschat achteruit, zowel in Amsterdam als landelijk. Maar de score van Amsterdamse havisten voor rekenen-wiskunde verbeterde iets, tegen de landelijke trend in. De ontwikkeling onder Amsterdamse vwo-leerlingen wijkt ook af van het landelijk gemiddelde. Hun scores zijn stabiel voor Nederlandse leesvaardigheid en hoger voor rekenen-wiskunde, terwijl dit landelijk is gedaald. De Engelse leesvaardigheid en woordenschat zijn voor alle onderwijstypen de afgelopen jaren juist verbeterd, net als gemiddeld in Nederland. Steeds minder Amsterdamse leerlingen zitten in de derde klas op een lager niveau dan hun basisschooladvies. Voor het eindexamen slagen relatief de meeste leerlingen in het vmbo-b en vmbo-k. In vergelijking met heel Nederland liggen de slagingspercentages in Amsterdam op alle niveaus lager. Dit verschil tussen de landelijke en Amsterdamse slagingspercentages is het grootst in het vmbo-g/t en op de havo. De slagingspercentages wisselen ook per schoolstadsdeel.

Ze zijn het hoogst in Weesp en Centrum, het laagst in Zuidoost en NieuwWest.

2.1 Inspectie van het Onderwijs ziet ruimte voor verbetering De Inspectie van het Onderwijs onderzoekt regelmatig scholen door ze een bezoek te brengen. Tijdens een inspectiebezoek oordelen inspecteurs over onderwijs- en schoolkwaliteit op grond van verschillende criteria, zoals schoolveiligheid, pedagogisch-

20

didactisch handelen en onderwijsresultaten. Voor iedere onderwijssector bestaat een eigen onderzoekkader. Op basis van een inspectiebezoek ontvangt een school een eindoordeel. Dat kan zijn ‘voldoende’, ‘onvoldoende’ of ‘(zeer) zwak’. 2.1.1 Inspectie oordeelt in Amsterdam vaker dan in de rest van het land dat het beter kan In de periode januari 2023 tot en met december 2025 heeft de inspectie 47 van de 205 basisscholen bezocht. In het basisonderwijs ontving 72 procent van de onderzochte scholen een voldoende en 27 procent een onvoldoende of een ‘zwak’. In het speciaal (basis)onderwijs zijn 12 van de 27 scholen onderzocht. Daarvan kreeg 92 procent een positief en 8 procent een negatief oordeel. In het voortgezet onderwijs onderzocht de inspectie 37 van de 79 scholen. De toezichthouder oordeelde positief over 62 procent van de onderzochte scholen, terwijl 38 procent een onvoldoende of een ‘zeer zwak’ kreeg. Op 1 school zijn de vmbo-gt/havo en vwo-afdelingen tijdens aparte inspectiebezoeken beoordeeld. In het voortgezet speciaal onderwijs kwamen de inspecteurs langs op 8 van de 16 scholen en kreeg 88 procent een positief en 12 procent een negatief oordeel. Vanwege de kleine steekproefgrootte in enkele stadsdelen konden we geen analyses op stadsdeelniveau uitvoeren.

Landelijk kreeg in 2023/’24 zo’n 80 procent van de onderzochte scholen in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs een voldoende van de inspectie. Dit is dus meer dan in Amsterdam. 20 procent van de scholen in heel Nederland ontving een onvoldoende. Er is hierin weinig verschil tussen de sectoren: in het po kreeg 83 procent van de onderzochte scholen een voldoende, in het vo 80 procent en in het (v)so 78 procent. Scholen kunnen na een inspectieoordeel ook herstelopdrachten krijgen, waarna maximaal een jaar later een herstelonderzoek volgt. Het inspectieonderzoek bestond in Amsterdam bij 81 scholen uit een kwaliteitsonderzoek, bij 23 scholen uit een herstelonderzoek. Het aandeel scholen dat als eindoordeel een goed of voldoende kreeg, is ongeveer gelijk bij kwaliteitsen herstelonderzoeken (respectievelijk 73 procent en 70 procent). Tabel 2.1 Eindoordelen bij onderzoeken op Amsterdamse scholen in het funderend onderwijs van 012023 t/m 12-2025 bo vo s(b)o vso n

%

n

%

n

%

n

%

goed

0

0%

0

0%

1

8%

0

0%

voldoende

34

72%

23

62%

10

84%

7

88%

onvoldoende

11

23%

11

30%

0

0%

1

12%

zeer zwak

2

4%

3

8%

1

8%

0

0%

158

-

42

-

15

-

8

-

niet beoordeeld

bron: Inspectierapporten Amsterdamse funderend onderwijs, bewerking swv po en vo

Pedagogisch-didactisch handelen kan beter op de meeste onderzochte scholen In het voortgezet onderwijs is het pedagogisch en didactisch handelen vaker als onvoldoende beoordeeld dan in het basisonderwijs (respectievelijk 24 en 4 procent van de onderzochte scholen). In de herstelopdrachten van de scholen met een oordeel ‘onvoldoende’ nam de inspectie vaak op dat het pedagogisch-didactisch handelen niet of onvoldoende bijdraagt aan een ononderbroken leerontwikkeling. Op een aantal scholen is het klassenmanagement niet op orde en leidt het handelen van de leraar niet tot een

21

stimulerend leerklimaat. Ook kan het zijn dat de docent zijn of haar handelen onvoldoende afstemt op de behoefte en voortgang van de leerlingen. Figuur 2.2 Oordelen per domein bij onderzoeken op scholen in het funderend onderwijs van 01-2023 t/m 12-2025 (aantal scholen)

bron: Inspectierapporten Amsterdamse funderend onderwijs, bewerking swv po en vo

Scholen bieden vrijwel altijd een voldoende veilige omgeving Slechts 1 school in het bo ontving het oordeel ‘onvoldoende’ voor het domein veiligheid. De inspectie constateerde dat deze basisschool geen veiligheidsbeleid had beschreven en geen meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling hanteerde. Op 1 basisschool werd het domein veiligheid als goed beoordeeld. Volgens de beoordeling stijgen op deze school het veiligheidsbeleid en de maatregelen uit boven de basiskwaliteit. Het beleid wordt duidelijk en preventief gehanteerd. Ook handhaaft de school het pedagogisch beleid goed. Daarnaast wordt de ervaren veiligheid periodiek gemonitord en geanalyseerd op school- en groepsniveau. In het vo en in het so zijn alle onderzochte scholen als voldoende beoordeeld op het domein veiligheid. Het schoolklimaat is weinig onderzocht Het domein schoolklimaat is op de meeste onderzochte scholen niet beoordeeld. In elk van de sectoren bo, vo en so heeft de inspectie slechts 1 school op dit domein een oordeel gegeven, dus 3 scholen in totaal. In het vo en so was dat het oordeel ‘goed’; in het bo het oordeel ‘voldoende’. De middelbare school met een goed schoolklimaat kenmerkt zich door consequent en voorspelbaar pedagogisch handelen.

Al het schoolpersoneel is pedagogisch vaardig, vertoont het gewenste voorbeeldgedrag en kent de leerlingen goed waardoor het (potentiële) onrust kan ondervangen of oplossen. Deze school geeft daarnaast leerlingen gericht ruimte om te oefenen met sociaal gedrag en burgerschapsvaardigheden.

22

Professionele uitvoering is vaak op orde, maar nog niet overal In het vo is het domein professionele uitvoering vaker als onvoldoende beoordeeld dan in het bo, namelijk op respectievelijk 31 en 9 procent van de onderzochte scholen. In de herstelopdrachten van de scholen met een onvoldoende zijn uiteenlopende tekortkomingen vastgesteld. Er werd onder andere geconstateerd dat er op meerdere scholen onbevoegde leraren voor de groep staan, de onderwijskwaliteit onvoldoende in beeld is, of het stelsel voor de kwaliteitszorg onvoldoende tot uitvoering gebracht wordt. Op de scholen waar de uitvoering en kwaliteitscultuur als goed is beoordeeld, komt in de inspectierapporten naar voren dat deze scholen onder andere worden gekenmerkt door een professionele en onderzoekende cultuur, waarbij het gehele team wordt meegenomen en doelen en ambities periodiek worden geëvalueerd en bijgesteld. Domein burgerschap is nog in ontwikkeling Het domein sociale en maatschappelijke vaardigheden en burgerschap is op veel scholen onderzocht, maar nog op weinig scholen beoordeeld door de inspectie. Veel inspectierapporten benoemen dat de standaard basisvaardigheden niet zijn beoordeeld, maar dat er wel een herstelopdracht wordt gegeven in het kader van burgerschapsonderwijs omdat een doelgericht en samenhangend curriculum aangepast op de leerlingenpopulatie ontbreekt.

In het so hebben 10 scholen een eindoordeel gekregen, waarvan 8 een voldoende en 2 scholen een onvoldoende. 2.1.2 Kwart van de besturen scoort onvoldoende In de periode januari 2023 tot en met december 2025 beoordeelde de inspectie ook 22 van de 60 Amsterdamse schoolbesturen in het po en vo beoordeeld. 17 besturen kregen een voldoende (77 procent), 5 een onvoldoende (23 procent). De verdeling was als volgt: • Besturen met alleen basisscholen: 7 voldoende, 3 onvoldoende • Besturen met alleen scholen voor s(b)o: 2 voldoende • Besturen met alleen middelbare scholen: 5 voldoende en 2 onvoldoende • Besturen met alleen scholen voor vso: 2 voldoende • Bestuur met zowel basisonderwijs als s(b)o: 1 voldoende Voor de kwaliteitscultuur ontvingen 18 van de 22 beoordeelde besturen een voldoende (82 procent) en 4 een onvoldoende (18 procent). Van de 5 besturen met een eindoordeel ‘onvoldoende’ ontvingen er 4 ook een onvoldoende voor kwaliteitscultuur. Er was 1 middelbare school met eindoordeel ‘onvoldoende’ die wel een voldoende ontving voor kwaliteitscultuur. De besturen met een voldoende voor kwaliteitscultuur kenmerken zich door goed zicht op hun scholen via de leerlingenresultaten, voortgangsgesprekken en audits. De besturen sturen de scholen (preventief) bij wanneer zij een risico signaleren.

Zo hanteert een schoolbestuur een schoolplan per school met periodieke gesprekken om risico’s en aandachtspunten te detecteren, gericht te monitoren en te evalueren. Het bestuur bespreekt ook op informele wijze de stand van zaken met scholen en dat draagt bij aan inzicht. Ook faciliteren deze besturen kennisdeling op hun scholen onderling. De besturen die een onvoldoende scoorden, konden risicoscholen niet signaleren omdat er geen of een incomplete monitoring was. Ook leken de besturen de scholen niet adequaat bij te sturen bij onvoldoendes. Verder waren de gehanteerde kwaliteitscriteria onduidelijk, leken interne toezichtkaders te ontbreken, werd de bekwaamheid van het personeel

23

onvoldoende geborgd en was er onvoldoende duidelijkheid over rollen binnen de organisaties. Tot slot leek het ontbreken van een gezamenlijke gedragscultuur de kwaliteitscultuur te belemmeren.

2.2 Tevredenheid van leerlingen komt overeen met landelijke cijfers Behalve de beoordelingen van de inspectie, kijken we in dit onderzoek ook naar de beoordeling van leerlingen van hun eigen school. Alle scholen in het funderend onderwijs zijn verplicht jaarlijks de sociale veiligheid te monitoren. Hiervoor bevragen ze hun leerlingen – allemaal via dezelfde gestandaardiseerde vragenlijsten – op algemene tevredenheid en op 3 domeinen van sociale veiligheid. Die domeinen zijn (hier vermeld met een voorbeeldvraag uit de vragenlijst): - Tevredenheid: welk rapportcijfer geef je de school? - Welbevinden op school: vind je het leuk om met de kinderen in jouw klas om te gaan? - Ervaring van sociale veiligheid: vind je de regels op school duidelijk? - Aantasting van sociale veiligheid: word je wel eens expres buitengesloten door kinderen op school? 77 basisscholen en 70 middelbare scholen hebben toestemming gegeven om deze vragenlijsten te analyseren voor dit onderzoek. 2.2.1 Leerlingen in het basisonderwijs geven hun school gemiddeld het rapportcijfer 8 Amsterdamse basisschoolleerlingen geven hun scholen in schooljaar 2024/’25 gemiddeld het rapportcijfer 8 voor tevredenheid. Welbevinden op school krijgt een 7,4. De verdeling over de stad is behoorlijk gelijk, alhoewel welbevinden op scholen in Noord en Zuidoost een paar decimalen lager uitvalt.

De ervaren sociale veiligheid krijgt ook gemiddeld een 8; alleen scholen in Nieuw-West, Noord en Zuidoost scoren hiervoor onder de 8. De cijfers voor aantasting sociale veiligheid zijn hoog, en betekenen dat leerlingen daar bijna nooit of nooit mee worden geconfronteerd. Tabel 2.3 Monitor sociale veiligheid Amsterdamse basisscholen naar stadsdeel (rapportcijfer) tevredenheid welbevinden ervaren aantasting op school veiligheid veiligheid Centrum (n=7)

7,8

7,5

8,1

8,6

Nieuw-West (n=9)

7,9

7,4

7,7

8,6

Noord (n=12)

7,9

7,1

7,8

8,7

Oost (n=7)

7,9

7,5

8,2

8,9

West (n=13)

8,1

7,5

8,2

8,8

Zuid (n=18)

8,1

7,6

8,3

8,9

Zuidoost (n=11)

7,8

7,2

7,6

8,6

eindtotaal (n=77) 8,0 7,4 8,0 8,7 bron: gebaseerd op data van de Vensters-vragenlijst leerlingtevredenheid 2024/2025

24

2.2.2 Middelbare scholieren geven hun school gemiddeld het rapportcijfer 6,3 De gemiddelde tevredenheid van middelbare scholieren komt uit op een 6,3. Alleen de scholen in Centrum scoren hoger dan een 7. Het welbevinden op school en de ervaren veiligheid liggen met gemiddeld een 7 en 6,7 iets hoger. Scholen in Centrum en in mindere mate in Zuid, steken hier verder bovenuit. De hoge cijfers voor aantasting sociale veiligheid betekenen dat leerlingen aangeven hier gemiddeld genomen zeker niet of meestal niet mee geconfronteerd te worden. Tabel 2.4 Monitor sociale veiligheid Amsterdamse vo scholen naar stadsdeel (rapportcijfer) tevredenheid welbevinden ervaren aantasting op school veiligheid veiligheid Centrum (n=2)

7,2

8,5

8,0

9,2

Nieuw-West (n=10)

6,2

6,8

6,6

8,8

Noord (n=14)

6,1

6,9

6,4

8,9

Oost (n=15)

6,4

7,0

6,6

8,9

West (n=5)

6,2

6,8

6,5

8,9

Zuid (n=20)

6,3

7,4

6,9

9,0

Zuidoost (n=4)

6,4

6,7

6,4

8,7

Amsterdam (n=70) 6,3 7,0 6,7 8,9 bron: gebaseerd op data van de Vensters-vragenlijst leerlingtevredenheid 2024/2025

Als we de cijfers verdelen naar onderwijssoort, zien we dat brugklasleerlingen en vwoleerlingen het welbevinden het hoogst beoordelen. Dit komt overeen met het landelijke beeld. Leerlingen in het vmbo-b/k/g/t geven de laagste cijfers voor ervaren veiligheid. Zij antwoorden minder positief op de volgende vragen: zijn de regels op je school duidelijk? Helpt de school je goed als je persoonlijke problemen hebt? Ben je tevreden met wat je school doet tegen pesten? Tabel 2.5 Monitor sociale veiligheid Amsterdamse vo scholen naar onderwijstype (rapportcijfer) tevredenheid welbevinden ervaren aantasting op school veiligheid veiligheid brugjaar (n=29)

6,5

7,4

6,9

8,9

havo (n=39)

6,0

7,1

6,6

9,0

pro (n=5) vmbo brugjaar (n=20)

-

7,1

7,4

9,3

6,7

6,9

6,9

8,7

vmbo-g/t (n=41)

6,1

6,8

6,4

8,8

vmbo-b (n=21)

6,3

6,6

6,4

8,7

vmbo-k (n=21)

6,1

6,5

6,1

8,7

vwo (n=39)

6,3

7,5

6,8

9,2

Amsterdam

6,3 7,0 6,6 8,9 bron: gebaseerd op data van de Vensters-vragenlijst leerlingtevredenheid 2024/2025

De resultaten komen nagenoeg overeen met de cijfers van schooljaar 2021/’22 (O&S, 2022b). Ook wijken deze uitkomsten per domein nauwelijks af van landelijke gemiddelden die de sectororganisaties (PO-Raad en VO-raad) bijhouden. Het verschil tussen het basis en voortgezet onderwijs in ervaren welbevinden op school is in lijn met landelijke cijfers (Trimbos Instituut, 2023).

25

2.3 Prestaties in basisonderwijs stijgen, wel verschillen tussen scholen Om de prestaties van leerlingen in het po te kunnen beschrijven, baseren we ons in dit onderzoek op verschillende analyses. We kijken naar de resultaten in groep 8 voor lezen, taal en rekenen, en naar de leergroei (de voortgang in kennis en vaardigheden) tussen groep 5 en 7. We gebruiken de doorstroomtoets die leerlingen in groep 8 maken en de verschillende (tussentijdse) Citotoetsen die ze in al deze groepen maken. 2.3.1 Meer basisschoolleerlingen halen de streefniveaus voor lezen en rekenen In het primair onderwijs toetst de doorstroomtoets de basisvaardigheden voor lezen en rekenen. Landelijk is vastgelegd wat leerlingen moeten kunnen als het gaat om lezen, rekenen-wiskunde en taal. Er zijn 2 niveaus: het fundamentele niveau en het streefniveau. Het fundamentele niveau is de basis die zo veel mogelijk leerlingen moeten beheersen. Het streefniveau is voor leerlingen die meer aankunnen. Bij de introductie van deze referentieniveaus is de ambitie geformuleerd dat minimaal 85 procent van alle leerlingen aan het einde van de basisschool het fundamentele niveau beheerst. Minimaal 65 procent zou het streefniveau moeten beheersen (Inspectie van het Onderwijs, z.d.1). De Inspectie van het Onderwijs hanteert dan ook voor alle scholen 85 procent als signaleringswaarde voor het te behalen fundamentele niveau.

Voor het streefniveau gebruikt de inspectie een signaleringswaarde die wordt afgestemd op de schoolweging, dus op de samenstelling van de leerlingenpopulatie (Inspectie van het Onderwijs, z.d.2). Nederlandse en Amsterdamse basisscholen maken de ambitie waar om 85 procent van de leerlingen het fundamentele niveau te laten halen. De doelstelling voor het streefniveau van 65 procent wordt gemiddeld zowel in Nederland als in Amsterdam alleen gehaald voor lezen. Het aandeel Amsterdamse leerlingen dat het streefniveau haalt, verschilt dus per type vaardigheid. Dat aandeel ligt het hoogst voor leesvaardigheid. In 2024/’25 haalde gemiddeld 74 procent van de leerlingen dit streefniveau, net als in de rest van Nederland. Dit aandeel is in Amsterdam gestegen ten opzichte van 2021/’22, toen was het gemiddeld 70 procent. Een kwart van de leerlingen behaalde in 2024/'25 alleen het fundamentele niveau voor leesvaardigheid. Het aandeel leerlingen dat het streefniveau voor taalvaardigheid haalt, is juist licht gedaald. In schooljaar 2024/’25 haalde 56 procent van de leerlingen dit streefniveau, 3 jaar eerder was dit 59 procent. In de rest van Nederland zien we een vergelijkbare daling: gemiddeld 55 procent haalt dit streefniveau. 4 op de 10 Amsterdamse leerlingen behaalden in 2024/'25 alleen het fundamentele niveau voor taalvaardigheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16942935/1