Segregatiemonitor 2022-2023.pdf
Tekst van het document
-
Segregatiemonitor primair en voortgezet onderwijs 2022/’23 Onderzoek en Statistiek
1
In opdracht van: OJZD Projectnummer: 230482 Auteurs: Sara Rubingh, Merel van der Wouden, Shy-Ann Moehamatdjalil E-mailadres: S.Rubingh@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Telefoon: 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam onderzoek.amsterdam.nl Amsterdam, december 2023 Foto voorzijde: Aemstel Schooltuin aan de Kalfjeslaan, fotograaf Edwin van Eis (2018)
2
Inhoud
Samenvatting en conclusie
4
Inleiding
8
1 Primair onderwijs
9
1.1 Diversiteit 1.1.1 Ruim de helft van basisschoolleerlingen heeft hbo/wo opgeleide ouders 1.1.2 Aandeel leerlingen met lage sociaaleconomische status daalt 1.1.3 Zes op de tien leerlingen hebben een migratieachtergrond 1.1.4 Aandeel hbo/wo opgeleide ouders gestegen onder leerlingen met migratieachtergrond 1.2 Segregatie 1.2.1 Leerlingen met hbo/wo ouders niet gelijk verdeeld over de stad 1.2.2 Driekwart van de scholen is een afspiegeling van de buurt 1.2.3 Steeds meer scholen met veel leerlingen van hbo/wo opgeleide ouders 1.2.4 Scholen worden gemengder op basis van migratieachtergrond 1.2.5 Segregatie verschilt sterk naar onderwijsconcept 1.2.6 Relatief hoge segregatie in G4 steden 1.2.7 Vooral leerlingen met wo opgeleide ouders minder kans op ontmoeting
2 Voortgezet onderwijs
9 9 10 11 11 12 12 13 14 15 16 17 19
20
2.1 Diversiteit 20 2.1.1 Aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders blijft toenemen 20 2.1.2 Steeds meer leerlingen met hoge sociaaleconomische score 21 2.1.3 Meer leerlingen zonder migratieachtergrond en met een Europese migratieachtergrond 22 2.1.4 Aandeel hbo/wo opgeleide ouders zowel onder leerlingen met en zonder migratieachtergrond gestegen 23 2.2 Segregatie 23 2.2.1 Leerlingen met hbo/wo ouders niet gelijk verdeeld over de stad 24 2.2.2 Toename aandeel leerlingen op scholen met veel leerlingen van hbo/wo opgeleide ouders 24 2.2.3 Scholen steeds gemengder op basis van migratieachtergrond 25 2.2.4 Sterke verschillen in populatie tussen schooltypen 26 2.2.5 Relatief hoge segregatie in G4 steden 27 2.2.6 Vooral leerlingen met wo opgeleide ouders minder kans op ontmoeting 29
Bijlagen toelichting data en methodes
31
3
Samenvatting en conclusie
De gemeente Amsterdam vindt het belangrijk dat kinderen van diverse achtergronden elkaar ontmoeten op school (bron: Amsterdams Akkoord, 2022). Uit onderzoek blijkt dat de effecten van segregatie op onderwijsresultaten beperkt of nihil zijn, maar op scholen met een meer diverse leerlingenpopulatie scoren de leerlingen wel hoger op burgerschapsvorming (bron: KBA Nijmegen, Een grijs gebied, 2023). In opdracht van Onderwijs, Jeugd, Zorg en Diversiteit maakt Onderzoek en Statistiek de segregatiemonitor voor het primair en voortgezet onderwijs. In deze monitor wordt de stand van zaken omtrent onderwijssegregatie en de ontwikkeling hierin in het Amsterdamse onderwijs in kaart gebracht. Onderwijssegregatie betreft de ongelijke verdeling van leerlingen over scholen op basis van sociaaleconomische, etnische of andere kenmerken (bron: Ball, Class Strategies and the Education Market: The Middle Classes and Social Advantage, 2003). De volgende onderzoeksvragen staan centraal in de monitor: 1. Hoe ziet de diversiteit naar sociaaleconomische kenmerken (opleidingsniveau ouders en inkomen) en herkomst onder leerlingen in het Amsterdamse primair en voortgezet onderwijs eruit en hoe verhoudt zich dit tot de afgelopen tien jaar? 2.
Hoe ziet de onderwijssegregatie naar het opleidingsniveau van ouders en herkomst van de leerlingen in het Amsterdamse primair en voortgezet onderwijs eruit en hoe verhoudt zich dit tot de afgelopen tien jaar? 3. Hoe ziet onderwijssegregatie in Amsterdam eruit in vergelijking met de andere G4-steden? Aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders blijft stijgen In schooljaar 2022/’23 gingen er ruim 61.700 leerlingen in Amsterdam naar een basisschool voor het regulier of speciaal basisonderwijs (primair onderwijs, po) en 46.330 leerlingen naar een middelbare school (voortgezet onderwijs, vo). Zowel in het po als vo zien we het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders al geruime tijd stijgen. In schooljaar 2022/’23 had 55% van de leerlingen in het po en vo hbo/wo opgeleide ouders terwijl dit in schooljaar 2012/’13 44% was in het po en 38% in het vo. Een vergelijkbare ontwikkeling zien we als we kijken naar de sociaaleconomische status van de leerlingen: bij een combinatie van het opleidingsniveau van de ouders en het huishoudinkomen, zien we dat steeds meer leerlingen, zowel in het po als vo, een hoge sociaaleconomische score hebben. Zowel in het po als vo hebben zes van de tien leerlingen een migratieachtergrond. Vooral het aandeel leerlingen met een Europese migratieachtergrond is in de laatste tien jaar gegroeid.
Leerlingen zonder migratieachtergrond en leerlingen met een Europese migratieachtergrond hebben vaker hbo/wo opgeleide ouders dan leerlingen met een andere migratieachtergrond. In het po is het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders onder leerlingen met een migratieachtergrond gestegen, terwijl we bij leerlingen zonder migratieachtergrond een stabilisering zien. In het vo zien we het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders onder alle groepen leerlingen stijgen. 4
Meer scholen met veel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders De stijging van het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders in Amsterdam zien we terug in de samenstelling van de scholen. Om te meten in hoeverre leerlingen gesegregeerd naar school gaan is een absolute segregatiemaat berekend. Hiervoor zijn Amsterdamse po- en voscholen ingedeeld in groepen op basis van het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders. Vervolgens is gekeken hoe de leerlingenpopulatie over deze scholen is verdeeld. Er zijn steeds minder scholen met heel weinig leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders (20% of minder). Hierdoor zien we dat het totaal aantal leerlingen dat naar dit type gesegregeerde school gaat ook is gedaald, zowel in het po als in het vo. Kinderen van hbo/wo opgeleide ouders zijn daarentegen steeds meer gaan clusteren op scholen. Het aantal scholen in het po en vo waar heel veel leerlingen hbo/wo opgeleide ouders hebben (meer dan 80%) is toegenomen in de loop van de tijd. In 2022/’23 zat ongeveer een kwart van de leerlingen in de stad op dit type gesegregeerde school, terwijl het tien jaar eerder in het po om 12% en in het vo om 2% ging. Figuur S.1 Verdeling leerlingen over scholen naar aandeel kinderen met hbo/wo opgeleide ouders op school, schooljaar 2012/’13-2022/’23 (procenten)
primair onderwijs % leerlingen 100
12
17
21
20
20
scholen naar aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders
23
80
meer dan 80% (gesegregeerde scholen)
60
61-80% (gemengdere scholen)
40 20 0
41-60% (gemengde scholen) 32
2012/'13
26 2014/'15
23 2016/'17
21-40% (gemengdere scholen)
16
12
10
2018/'19
2020/'21
2022/'23
20% of minder (gesegregeerde scholen)
voortgezet onderwijs 100
% leerlingen 2
4
6
17
22
scholen naar aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders
25
80
meer dan 80% (gesegregeerde scholen)
60
61-80% (gemengdere scholen) 40 20 0
41-60% (gemengde scholen) 29 2012/'13
25 2014/'15
24 2016/'17
21-40% (gemengdere scholen)
18
15
11
2018/'19
2020/'21
2022/'23
20% of minder (gesegregeerde scholen)
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
5
De segregatie in het po hangt samen met het onderwijsconcept en denominatie. Met name de Vrije school en Montessorionderwijs springen eruit als concepten die veel leerlingen van hbo/wo opgeleide ouders trekken (zie figuur S.2). Scholen zonder concept zitten vaker op of onder het gemiddelde van de stad. Scholen met de denominatie Islamitisch of Protestants- Katholiek Christelijke samenwerking hebben juist weinig leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders. De segregatie in het vo hangt samen met de niveaus die op de scholen worden aangeboden. Met name op categorale vwo-scholen ligt het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders erg hoog (zie figuur S.3). De categorale vwo scholen in Amsterdam dragen volgens landelijk onderzoek, meer dan in de andere G4 steden, het meeste bij aan segregatie in het voortgezet onderwijs (bron: KBA Nijmegen, Een grijs gebied, 2023). Figuur S.2 Verdeling leerlingen over po-scholen naar aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders, naar concept basisschool, schooljaar 2022/’23 (procenten) Vrije school
86
Montessori
74
Ontwikkelingsgericht
66
Jenaplan
61
Dalton
60 0
20
40
%
60
80
100
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S Figuur S.3 Leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders per type vo-school, 2022/’23 (procenten) schoolgemeenschap (n=17.655)
50
categoraal vwo (n=6.000)
87
havo/vwo (n=9.595)
72
vmbo t en/of havo (n=5.015)
50
vmbo b/k/t (n=4.880)
23
vmbo b/k (n=1.085)
21
praktijkonderwijs (n=810)
16 0
20
40
60
80
100
%
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
De diversiteit naar migratieachtergrond onder leerlingen wordt in toenemende mate weerspiegeld op po en vo scholen. Zes op de tien po en vo leerlingen hebben een migratieachtergrond. Het aandeel gemengde scholen dat rond dit stedelijk gemiddelde ligt, is zowel in het po als in het vo toegenomen over de tijd. In schooljaar 2022/’23 ging bijna tweederde van alle leerlingen in het po (64%) naar deze gemengde scholen (tegenover 42% in schooljaar 2012/’13) en in het vo 47% (tegenover 41% in schooljaar 2012/’13). Het aantal po scholen met dit type populatie neemt dus sneller toe dan we in het vo zien, en ligt dus in het po meer dan in het vo in lijn met het streven van het college dat het van belang is voor de stad dat kinderen van diverse achtergronden elkaar ook binnen de school ontmoeten. 6
Segregatie in Amsterdam en G4 Om de mate van segregatie te vergelijken met andere delen van het land putten we uit een landelijk onderzoek uitgevoerd door een consortium van KBA Nijmegen, Kohnstamm Instituut, Oberon en SEOR in opdracht van het ministerie van OCW (Een grijs gebied, 2023). Er worden twee segregatiematen beschreven. De eerste is dissimilariteit, dat een beeld geeft van de mate waarin leerlingen binnen een gemeente evenredig verdeeld zijn over scholen. Dus in hoeverre de scholen een goede afspiegeling vormen van de samenstelling van de hele populatie in de gemeente (hierbij speelt de populatie binnen de betreffende gemeente dus een rol). De tweede maat is de index voor isolatie, die in beeld brengt hoeveel kans een leerling met een bepaalde achtergrond heeft om leerlingen met een andere achtergrond tegen te komen op school, we noemen dit de ontmoetingskans. Bij de index voor dissimilariteit betekent een hogere score dat er meer sprake is van onderwijssegregatie, en hoe lager de score hoe beter de leerlingen verdeeld zijn over de scholen. Bij de index voor ontmoetingskans is dit juist andersom, dus hoe lager de score hoe meer sprake er is van onderwijssegregatie en hoe hoger de score hoe groter de kans om een leerling met een andere achtergrond tegen te komen. Figuur S.4 Maten van segregatie gebruikt in OCW-onderzoek maat dissimilariteit
hoe hoger, hoe meer sprake van segregatie
isolatie
hoe lager, hoe meer sprake van segregatie
In de G4 steden ligt de segregatie zowel in het po als in het vo over het algemeen hoger dan gemiddeld in Nederland. Amsterdam scoort vergeleken met de andere steden in het po en vo redelijk gemiddeld. In het po zien we dat de segregatie in Amsterdam is afgenomen tussen 2017/’18 en 2021/’22, zowel als het gaat om de dissimilariteit als om de ontmoetingskans. De basisschoolpopulaties hebben dus vaker dezelfde verdeling als de gemeentepopulatie, en de kans wordt groter dat leerlingen met basisopgeleide ouders leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders tegenkomen op de basisschool. In de absolute segregatiemaat die O&S berekent zien we in dezelfde periode ook een stijging van het aandeel leerlingen dat naar een gemengdere basisschool gaat. Maar tegelijkertijd blijft het aantal leerlingen op sterk gesegregeerde scholen hoog. In het vo zien we alleen een afname van de segregatie bij de ontmoetingskans, de kans dat leerlingen met basisopgeleide ouders leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders tegenkomen op de middelbare school is toegenomen. De dissimilariteit is gelijk gebleven over de tijd, dus de verdeling van de vo leerlingen over de scholen is niet veranderd.
7
Inleiding
In het coalitieakkoord ‘Amsterdams Akkoord’ staat dat het college het belangrijk vindt dat kinderen in Amsterdam elkaar ontmoeten en van elkaar leren (bron: Amsterdams Akkoord, 2022). Het college ziet segregatie als een hardnekkig probleem dat niet makkelijk is opgelost, maar blijft zich inzetten om ouders en scholen te stimuleren tot ontmoeting. Uit onderzoek blijkt dat de effecten van segregatie op onderwijsresultaten beperkt of nihil zijn, maar op scholen met een meer diverse leerlingenpopulatie scoren de leerlingen wel hoger op burgerschapsvorming (bron: KBA Nijmegen, Een grijs gebied, 2023). In opdracht van Onderwijs, Jeugd, Zorg en Diversiteit (OJZD) brengt Onderzoek en Statistiek (O&S) elke twee jaar een monitor uit waarin de ontwikkeling van segregatie in het Amsterdamse primair en voortgezet onderwijs in beeld wordt gebracht. Onderwijssegregatie betreft de ongelijke verdeling van leerlingen over scholen op basis van sociaaleconomische, etnische of andere kenmerken (bron: Ball, Class Strategies and the Education Market: The Middle Classes and Social Advantage, 2003). In de monitor wordt ten eerste naar de diversiteit van de totale groep leerlingen in Amsterdam gekeken op basis van sociaaleconomische kenmerken en op basis van herkomst (onderzoeksvraag 1). Daarna bekijken we de diversiteit per school waarmee de schoolsegregatie in beeld komt.
Dit doen we met een absolute maat van segregatie, waarbij er wordt gekeken naar de samenstelling van scholen op basis van het opleidingsniveau van de ouders en herkomst van de leerlingen. Ook wordt er in het primair onderwijs naar een relatieve maat van segregatie gekeken door de segregatie op scholen te vergelijken met de samenstelling van woonbuurten in Amsterdam (onderzoeksvraag 2). Tot slot is er in deze monitor aandacht voor de vergelijking met de andere G4-steden (Rotterdam, Den Haag, Utrecht (onderzoeksvraag 3). Samengevat staan de volgende vragen centraal: 1. Hoe ziet de diversiteit naar sociaaleconomische kenmerken (opleidingsniveau ouders en inkomen) en herkomst onder leerlingen in het Amsterdamse primair en voortgezet onderwijs eruit en hoe verhoudt zich dit tot de afgelopen tien jaar? 2. Hoe ziet de onderwijssegregatie naar het opleidingsniveau van ouders en herkomst van de leerlingen in het Amsterdamse primair en voortgezet onderwijs eruit en hoe verhoudt zich dit tot de afgelopen tien jaar? 3. Hoe ziet onderwijssegregatie in Amsterdam eruit in vergelijking met de andere G4-steden? Leeswijzer In hoofdstuk 1 staan de resultaten voor het primair onderwijs centraal. In hoofdstuk 2 worden de resultaten voor het voortgezet onderwijs besproken.
8
1 Primair onderwijs
Dit hoofdstuk brengt de diversiteit onder leerlingen en de segregatie in het Amsterdamse primair onderwijs (po) in beeld, zowel voor de basisscholen (bo) als voor de scholen voor het speciaal basisonderwijs (sbo). Om de diversiteit in beeld te brengen wordt gekeken naar het opleidingsniveau van de ouders en de sociaaleconomische score van de leerlingen. Daarnaast kijken we naar de migratieachtergrond van leerlingen. Ook wordt de woonsegregatie in de stad in beeld gebracht en onderzoeken we hoeveel scholen een afspiegeling vormen van de wijk waarin zij staan. Vervolgens tonen we de segregatie op po-scholen op basis van het opleidingsniveau van ouders en naar migratieachtergrond van de leerlingen. Ook wordt er beschreven in hoeverre de leerlingenpopulatie verschilt naar denominatie en onderwijsconcept van een school. Tot slot vergelijken we de Amsterdamse situatie met Nederland en de andere G4-steden.
1.1 Diversiteit De diversiteit van de leerlingen in het primair onderwijs wordt in beeld gebracht aan de hand van het opleidingsniveau van de ouders, de sociaaleconomische score van de leerlingen en de migratieachtergrond van leerlingen. Voor een verdere verdieping wordt de diversiteit naar migratieachtergrond ook gecombineerd met het opleidingsniveau van de ouders.
1.1.1 Ruim de helft van basisschoolleerlingen heeft hbo/wo opgeleide ouders In schooljaar 2022/’23 gingen er ruim 61.700 leerlingen in Amsterdam naar een basisschool voor het regulier of speciaal onderwijs. Het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders blijft stijgen en betreft nu ruim de helft van de leerlingenpopulatie. In tien jaar tijd is dit met 11%-punt toegenomen, van 44% in schooljaar 2012/’13 naar 55% in 2022/’23. Het aandeel leerlingen met basisopgeleide ouders (geen startkwalificatie, dus alleen de basisschool, een vmbo of mbo-1diploma) daalt in de stad en is in dezelfde periode afgenomen met 10%-punt, van 27% naar 17%. Ongeveer drie op de tien leerlingen hebben ouders die een mbo (2-4), havo of vwo-diploma hebben. Dit aandeel is in de afgelopen tien jaar nauwelijks veranderd. De ontwikkeling die we in Amsterdam zien, namelijk van steeds minder leerlingen met ouders zonder startkwalificatie en steeds meer leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders, zien we ook landelijk terug en in de andere G4 steden (bron: KBA Nijmegen, Een grijs gebied, 2023).
9
Figuur 1.1 Opleidingsniveau ouders van kinderen in het primair onderwijs in Amsterdam, schooljaar 2012/’13-2022/’23 (procenten)
2022/'23 2021/'22 2020/'21 2019/'20 2018/'19 2017/'18 2016/'17 2015/'16 2014/'15 2013/'14 2012/'13
55
28
17
27
44
29
0
20
basisschool
vmbo/onderbouw h/v
basisopgeleid
40 mbo-2 en 3/havo
80
100 %
hbo
wo en hbo-master
60 mbo 4/vwo
hbo, wo opgeleid
havo, vwo, mbo opgeleid
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
1.1.2 Aandeel leerlingen met lage sociaaleconomische status daalt De sociaal economische score (SES) wordt berekend door te kijken naar een combinatie van het huishoudinkomen en het opleidingsniveau van ouders. Omdat deze statistiek nieuw is kan iets minder lang worden teruggekeken in de tijd dan voor ouderlijk opleidingsniveau (vanaf schooljaar 2016/’17) (zie ook onze website). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een lage, midden en hoge sociaaleconomische score. In schooljaar 2022/’23 hadden ruim vier op de tien leerlingen een hoge sociaaleconomische score. Dit zijn leerlingen met (minimaal één) hbo/wo opgeleide ouder(s) uit de middelste tot hoogste inkomensgroepen en leerlingen met ouders die maximaal een mbo (2-4), havo of vwo-diploma hebben uit de hoogste inkomensgroep. Iets meer dan een kwart van de leerlingen valt in de middelste groep en weer een kwart van de leerlingen had een lage sociaaleconomische score. De laagste groep zijn basisopgeleide ouders uit de laagste tot middelste inkomensgroepen en kinderen met ouders die maximaal een mbo (2-4), havo of vwo-diploma hebben met een minimum inkomen. Het aandeel kinderen met een lage sociaaleconomische score is in de afgelopen jaren iets gedaald, van 30% in schooljaar 2016/’17 naar 25% in schooljaar 2022/’23.
10
Figuur 1.2 Sociaaleconomische score (opleidingsniveau ouders en inkomen) van kinderen in het primair onderwijs in Amsterdam, schooljaar 2016/’17-2022/’23 (procenten) 2022/'23 2021/'22 2020/'21 2019/'20 2018/'19 2017/'18 2016/'17
25
27
42
30
0
28
20 laag
41
40
60
midden
%
80
hoog
100
onbekend
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
1.1.3 Zes op de tien leerlingen hebben een migratieachtergrond Wanneer we de diversiteit onder basisschoolleerlingen naar migratieachtergrond in beeld brengen, zien we dat zes op de tien leerlingen in Amsterdam een migratieachtergrond hebben. Vier op de tien leerlingen hebben geen migratieachtergrond, dit aandeel is eerder licht gestegen maar is nu al enkele jaren stabiel. Het aandeel leerlingen met een Marokkaanse, Turkse of Surinaamse migratieachtergrond is in de afgelopen tien jaar gedaald. Zo zien we bij leerlingen met een Marokkaanse migratieachtergrond een daling van 19% in schooljaar 2012/’13 tot 14% in 2022/’23. Het aandeel leerlingen met een Europese migratieachtergrond is ten opzichte van tien jaar geleden gegroeid, van 9% naar 14%. Recent is zowel bij het CBS als bij O&S de indeling naar herkomst aangepast (zie ook onze website). Vanwege de overstap naar een nieuwe indeling naar herkomst, wordt de verdeling van 2022/’23 vergeleken met vijf jaar en tien jaar eerder. Figuur 1.3 Migratieachtergrond kinderen in het primair onderwijs in Amsterdam, schooljaar 2012/’13, 2017/’18, 2022/’23 (procenten) 2022/ '23
39
14
6
14
5
7
9
6
2017/'18
2012/'13
36
9
8
19
9
7
7
5 %
0
20 geen migratieachtergrond
40
60 Europa
80
Turkije
Marokko
Suriname
Afrika (zonder Marokko)
Azië (zonder Turkije)
Amerika en Oceanië (zonder Suriname)
100
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
1.1.4 Aandeel hbo/wo opgeleide ouders gestegen onder leerlingen met migratieachtergrond Het opleidingsniveau van ouders verschilt per migratieachtergrond. Onder vrijwel alle groepen leerlingen met een migratieachtergrond is het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders 11
gestegen. Leerlingen zonder migratieachtergrond of met een Europese migratieachtergrond hebben het vaakst hbo/wo opgeleide ouders (respectievelijk 71% en 70%). De groep leerlingen met een Marokkaanse migratieachtergrond heeft gemiddeld het laagste aandeel hbo/wo opgeleide ouders (24%). Wanneer we kijken naar de laatste tien jaar dan zien we dat het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders onder leerlingen met een Aziatische migratieachtergrond en met een migratieachtergrond uit Amerika en Oceanië (zonder Suriname) het sterkst is gestegen, namelijk beide met 14%-punt. Figuur 1.4 Aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders in het primair onderwijs in Amsterdam naar migratieachtergrond, schooljaren 2012/’13, 2016/’17, 2022/’23 (procenten) %
80 70 60 50 40 30 20 10 0
69
71
70 62
62 53
48
39 26
24
13
14
2012/'13
2017/'18
23
30
27
28
2022/'23
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
1.2 Segregatie Voordat we ingaan op segregatie op scholen, kijken we eerst in hoeverre leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders verspreid wonen over de stad. Zoals we namelijk in paragraaf 1.1 zagen is het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders fors gestegen, maar het is de vraag of dit voor alle delen van de stad geldt. Ook wordt in kaart gebracht hoeveel scholen een afspiegeling zijn van de wijk waarin zij staan. Segregatie op scholen wordt in deze rapportage beschreven op basis van het opleidingsniveau van de ouders en migratieachtergrond van de leerling. Tot slot wordt er een vergelijking gemaakt met Nederland en de andere G4-steden.
1.2.1 Leerlingen met hbo/wo ouders niet gelijk verdeeld over de stad Gemiddeld heeft 55% van de Amsterdamse leerlingen in het primair onderwijs hbo/wo opgeleide ouders. Deze leerlingen wonen niet verspreid over de stad, maar concentreren zich voornamelijk in de woonwijken in stadsdelen Zuid, Centrum en Oost. De woonwijken met relatief weinig leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders liggen voornamelijk buiten de ring in de stadsdelen Zuidoost, Noord en Nieuw-West. In de meeste woonwijken in Nieuw-West en Noord zien we een gemiddelde toename van het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders en in een aantal ook een bovengemiddelde groei. Dit is vooral het geval in stadsdeel Noord. Ook in West valt de 12
zeer grote toename van leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders in veel woonwijken op. In stadsdeel Zuidoost is het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders minder sterk gestegen. In de wijken waar het aandeel hbo/wo opgeleide ouders al hoog was, zien we juist een kleine afname. De grootste afname is te zien in de wijk Burgwallen-Oude Zijde van 68% hbo/wo opgeleide ouders in 2012/’13 naar 62% in 2022/’23. Figuur 1.5 Aandeel hbo/wo opgeleide ouders van Amsterdamse leerlingen in het primair onderwijs per woonwijk in schooljaar 2022/’23 en de verandering hierin sinds schooljaar 2012/’13
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
1.2.2 Driekwart van de scholen is een afspiegeling van de buurt Het aandeel scholen voor primair onderwijs dat een afspiegeling vormt van de wijk wat betreft het opleidingsniveau van de ouders is al jaren redelijk stabiel. Ruim driekwart van de scholen heeft maximaal 20%-punt meer of minder leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders dan dat er in de wijk wonen. In andere onderzoeken wordt vaak ook een nauwere definitie gehanteerd door te onderscheiden hoeveel scholen in samenstelling 10%-punt meer of minder afwijken van de wijk. Deze definitie wordt bijvoorbeeld gebruikt in het toelatingsbeleid van Boston in de Verenigde Staten, waarin wordt nagestreefd dat scholen maximaal 10%-punt afwijken van het stedelijk gemiddelde. Wanneer we deze definitie op Amsterdam toepassen zien we dat 43% van de scholen een afspiegeling is van de wijk. Op zeventien procent van de scholen zitten veel minder leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders dan dat er in de wijk wonen (<-20%) en op zeven procent van de scholen veel meer dan dat er in de wijk wonen (>+20%).
13
Figuur 1.6 Amsterdamse po-scholen met minimaal 100 leerlingen die al dan niet een afspiegeling van de wijk zijn naar opleidingsniveau ouders, 2012/’13-2022/’23 (procenten)
2022/'23
aandeel kinderen van hbo/wo-opgeleide ouders op scholen t.o.v. de wijk
76%
2021/'22 2020/'21 2019/'20
veel minder (<-20%)
2018/'19
afspiegeling (-11% tot -20%)
2017/'18 2016-'17
-10% tot +10%
2015/'16
afspiegeling (+11 tot +20%)
2014/'15
veel meer (>+20%)
2013/'14
79%
2012/'13 0
20
40
60
% 80
100 bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
1.2.3 Steeds meer scholen met veel leerlingen van hbo/wo opgeleide ouders De stijging van het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders in Amsterdam zien we terug in de samenstelling van de scholen. Om te meten in hoeverre leerlingen gesegregeerd naar school gaan is een absolute segregatiemaat berekend. Hiervoor zijn Amsterdamse po-scholen ingedeeld in groepen op basis van het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders (zie figuur 1.7). Vervolgens is gekeken hoe de leerlingenpopulatie over deze scholen is verdeeld. Figuur 1.7 Indeling van scholen naar aandeel leerlingen met ouders met een hbo of wo opleiding
Er zijn steeds minder scholen met heel weinig leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders (20% of minder). Hierdoor zien we dat het totaal aantal leerlingen dat naar dit type gesegregeerde school gaat ook is gedaald. In schooljaar 2012/’13 ging nog bijna een derde van alle leerlingen naar deze scholen (32%), in schooljaar 2022/’23 betreft dit 10%. Kinderen van hbo/wo opgeleide ouders zijn daarentegen steeds meer gaan clusteren op scholen. Het aantal scholen waar heel veel leerlingen hbo/wo opgeleide ouders hebben (meer dan 80%) is toegenomen in de afgelopen tien jaar. Dit zien we ook terug in het aandeel leerlingen op deze scholen. In schooljaar 2012/’13 ging 12% van alle leerlingen naar dit type gesegregeerde school en in schooljaar 2022/’23 betreft dit bijna een kwart van de leerlingen (23%).
14
Figuur 1.8 Verdeling leerlingen over po-scholen naar aandeel kinderen met hbo/wo opgeleide ouders, schooljaar 2012/’13-2022/’23 (procenten) % leerlingen 100
12
17
21
20
20
scholen naar aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders
23
80
meer dan 80% (gesegregeerde scholen)
60
61-80% (gemengdere scholen)
40 20 0
41-60% (gemengde scholen) 32
2012/'13
26 2014/'15
23 2016/'17
21-40% (gemengdere scholen)
16
12
10
2018/'19
2020/'21
2022/'23
20% of minder (gesegregeerde scholen)
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
Het aandeel leerlingen op een gemengde(re) school nam in de loop van de tijd toe maar is sinds schooljaar 2020/’21 redelijk stabiel. Ruim de helft van alle kinderen gaat in schooljaar 2022/’23 naar gemengdere scholen (met 21-40% of 61-80% leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders) en 14% gaat naar een gemengde school waar het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders rond het stedelijk gemiddelde ligt (41-60%).
1.2.4 Scholen worden gemengder op basis van migratieachtergrond De diversiteit onder leerlingen naar migratieachtergrond wordt in toenemende mate weerspiegeld op de scholen. In paragraaf 1.1.3 zagen we dat 61% van de leerlingen een migratieachtergrond heeft. Het aandeel gemengde scholen met een populatie rond dit stedelijk gemiddelde (41-60% en 61-80% kinderen met een migratieachtergrond) neemt toe, steeds meer leerlingen gaan naar een gemengde school. In schooljaar 2022/’23 ging bijna twee derde van alle leerlingen in het po (64%) naar deze gemengde scholen, in schooljaar 2012/’13 ging het nog om 42%. Daarbij is het van belang te benoemen dat scholen met veel leerlingen met een migratieachtergrond nog steeds divers kunnen zijn. Leerlingen kunnen immers verschillende migratieachtergronden hebben. Ook wanneer we kijken naar leerlingen met een migratieachtergrond van buiten Europa, die minder vaak hbo/wo opgeleide ouders hebben (zie figuur 1.4), zien we dat scholen steeds gemengder worden. Sinds 2012/’13 is het aandeel leerlingen dat naar gemengdere scholen gaat met 40%-80% kinderen met een migratieachtergrond van buiten Europa gestegen van 59% naar 88% in schooljaar 2022/’23.
15
Figuur 1.9 Verdeling leerlingen over po-scholen naar aandeel kinderen met een migratieachtergrond, schooljaar 2012/’13, 2016/’17, 2022/’23 (procenten)
scholen naar aandeel leerlingen met migratieachtergrond
% leerlingen
100 13
22
40% of minder (gesegregeerde scholen)
80 60 40 20 0
36
25
41-60% (gemengdere scholen)
17
36
2012/'13
2016/'17
28
61-80% (gemengdere scholen)
23
meer dan 80% (gesegregeerde scholen)
2022/'23 bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
1.2.5 Segregatie verschilt sterk naar onderwijsconcept In paragraaf 1.1.1 zagen we dat in schooljaar 2022/’23 ruim de helft van de leerlingen (55%) in het Amsterdamse primair onderwijs hbo/wo opgeleide ouders had. Dit percentage verschilt echter per denominatie en onderwijsconcept van de basisschool. Op scholen voor algemeen bijzonder onderwijs ligt het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders het hoogst met 73%. Bij basisscholen met een islamitische denominatie, Samenwerking PC en RK en de overig religieuze scholen ligt dit aandeel het laagst met respectievelijk 31%, 34% en 37%. Bij scholen met een Rooms-Katholieke, openbare, Joods/Hindoeïstische en Protestants-Christelijke denominatie ligt het aandeel hbo/wo opgeleide ouders rond het stedelijk gemiddeld met respectievelijk 58%, 56%, 53% en 49%. Figuur 1.10 Aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders, naar denominatie basisschool (excl. sbo), schooljaar 2022/’23 (procenten) Algemeen bijzonder
73
Rooms-Katholiek
58
Openbaar
56
Joods, Hindoeistisch
53
Protestants-Christelijk
49
overig religieus
37
Samenwerking PC, RK
34
Islamitisch
31 0
20
40
60
80
100 %
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
16
Als we de verdeling van leerlingen over de scholen bekijken naar de onderwijsconcepten dan springen met name de Vrije school en Montessorionderwijs eruit als onderwijsconcepten die veel leerlingen van hbo/wo opgeleide ouders trekken. Op de Vrije scholen in de stad heeft gemiddeld 86% van de leerlingen hbo/wo opgeleide ouders en op Montessorischolen gaat het om 74%. Figuur 1.11 Aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders, naar concept basisschool (excl. sbo), schooljaar 2022/’23 (procenten) Vrije school
86
Montessori
74
Ontwikkelingsgericht
66
Jenaplan
61
Dalton
60 0
20
40
60
% 80
100
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
1.2.6 Relatief hoge segregatie in G4 steden Om de mate van segregatie te vergelijken met andere delen van het land putten we uit een landelijk onderzoek dat is uitgevoerd door een consortium van KBA Nijmegen, Kohnstamm Instituut, Oberon en SEOR in opdracht van het ministerie van OCW (Een grijs gebied, 2023). In dit onderzoek wordt segregatie behandeld op basis van drie achtergrondkenmerken, namelijk het inkomen van de ouders, het opleidingsniveau van de ouders en de migratieachtergrond van de leerlingen. De indeling die wordt gebruikt voor het opleidingsniveau van de ouders sluit het best aan bij de andere analyses binnen dit rapport en wordt daarom hier behandeld. Het enige verschil zit in de groep basisopgeleiden. In dit onderzoek vallen ouders zonder startkwalificatie in deze groep, dus die maximaal basisschool, vmbo of mbo-1 hebben afgemaakt. In het onderzoek van OCW worden ook ouders met maximaal een mbo-2 opleiding in deze groep ingedeeld. Er worden twee segregatiematen beschreven. De eerste is de index voor dissimilariteit, dat een beeld geeft van de mate waarin leerlingen binnen een gemeente evenredig verdeeld zijn over scholen. Dus in hoeverre de scholen een goede afspiegeling vormen van de samenstelling van de hele populatie in de gemeente. Deze maat controleert dus voor de samenstelling van de gemeente.
De tweede maat is de index voor isolatie, die in beeld brengt hoeveel kans een leerling met een bepaalde achtergrond heeft om leerlingen met een andere achtergrond tegen te komen op school. Wij refereren naar deze maat als de ontmoetingskans. Bij de index voor dissimilariteit betekent hoe hoger de score hoe meer sprake er is van onderwijssegregatie, terwijl het bij de index voor ontmoetingskans juist andersom is, dus hoe lager de score hoe meer sprake er is van onderwijssegregatie.
17
Figuur 1.12 Maten van segregatie gebruikt in OCW-onderzoek maat dissimilariteit
hoe hoger, hoe meer sprake van segregatie
isolatie
hoe lager, hoe meer sprake van segregatie
In de G4 steden ligt de segregatie over het algemeen hoger dan in Nederland gemiddeld. Zowel als we kijken naar de dissimilariteit als naar de ontmoetingskans dan zien we dat de segregatie in Amsterdam is afgenomen. In paragraaf 1.2.3 zagen we deze afname niet. Dit heeft te maken met de peiljaren. Voor deze monitor kijken we naar de afgelopen tien jaar. In het onderzoek van OCW zijn twee peiljaren vergeleken (2017/’18 en 2021/’22). Tussen deze twee jaren zien we ook in ons onderzoek een toename in het aandeel leerlingen dat naar een gemengdere school ging. Vergeleken met de andere G4 scoort Amsterdam redelijk gemiddeld. Als we kijken naar de index voor dissimilariteit dan zijn de scholen hier iets minder gesegregeerd dan in Den Haag, en vergelijkbaar met scholen in Rotterdam en Utrecht. Als we kijken naar de ontmoetingskans dan zijn de scholen in Amsterdam minder gesegregeerd dan in Den Haag en Rotterdam, maar meer dan in Utrecht. Figuur 1.13 Segregatie naar opleidingsniveau ouders in het basisonderwijs (excl. sbo) in de G4, schooljaar 2017/’18, 2021/’22 dissimilariteit 1 0,9 0,8 0,7 0,6
0,59
0,65
0,59
0,64 0,55
0,56
0,55
0,53
0,5
0,40
0,38
0,4 0,3 0,2 0,1
0
2017/'18
ontmoetingskans 1
2021/'22 Amsterdam
Den Haag
Utrecht
Rotterdam
Nederland
0,40
0,40
0,9 0,8 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3
0,38
0,36 0,29
0,33 0,26
0,24
0,23
0,21
0,2 0,1
0
2017/'18 Amsterdam
2021/'22 Den Haag
Utrecht
Rotterdam
Nederland
bron: KBA Nijmegen, Een grijs gebied, 2023
18
Uitgesplitst naar denominatie zien we in Amsterdam dat de algemeen bijzondere scholen, de klein religieuze scholen en de openbare scholen het meest gesegregeerd zijn (KBA, Nijmegen, Een grijs gebied,2023). De protestants-christelijke scholen zijn juist relatief gemengd en verkleinen hierdoor de gemiddelde segregatie. In vergelijking met de andere G4 steden is het opvallend dat in Amsterdam als enige grote stad de openbare scholen de gemiddelde onderwijssegregatie in de stad vergroten.
1.2.7 Vooral leerlingen met wo opgeleide ouders minder kans op ontmoeting Voor dit onderzoek hebben we de isolatiemaat ook nog op een andere manier berekend. In paragraaf 1.2.6 zagen we dat de isolatiemaat (ontmoetingskans) in Amsterdam in schooljaar 2021/’22 0,33 betrof. De referentiegroep zijn hier leerlingen met basisopgeleide ouders, dit betekent dat de kans voor deze leerlingen om op school een leerling met hbo/wo opgeleide ouders te ontmoeten 33% is. Voor Amsterdam hebben we de maat ook apart berekend voor leerlingen met hbo opgeleide ouders en voor leerlingen met wo opgeleide ouders. Dan zien we dat de kans op het ontmoeten van leerlingen met een andere achtergrond het laagst ligt voor leerlingen met wo opgeleide ouders. Deze leerlingen hebben 30% kans om leerlingen te ontmoeten die geen hbo/wo opgeleide ouders hebben. Leerlingen met hbo opgeleide ouders hebben een iets grotere kans om leerlingen van basis/mbo opgeleide ouders te ontmoeten (41% kans op ontmoeting). Dit terwijl in de stad 45% van de leerlingen geen hbo/wo opgeleide ouders heeft. Figuur 1.14 Segregatie op basis van de isolatiemaat naar opleidingsniveau ouders in het primair onderwijs, referentiegroep leerlingen met basisopgeleide ouders, schooljaar 2022/23
1,0 0,9 0,8 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 0,1 0,0
0,30
0,41
leerling met wo opgeleide ouders ontmoet leerling met hbo opgeleide ouders ontmoet leerling met ouders basis of middelbare leerling met ouders basis of middelbare opleiding opleiding bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
19
2 Voortgezet onderwijs
In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de diversiteit onder leerlingen en de segregatie in het Amsterdamse voortgezet onderwijs. Om de diversiteit in beeld te brengen kijken we naar het opleidingsniveau van de ouders en de sociaaleconomische score van de leerlingen. Daarnaast brengen we de migratieachtergrond van leerlingen in beeld. Daarna wordt er gekeken in hoeverre de leerlingen verspreid wonen over de stad, de zogenaamde woonsegregatie. Vervolgens tonen we de segregatie op middelbare scholen op basis van het opleidingsniveau van ouders en migratieachtergrond. Daarnaast wordt per schooltype het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders in beeld gebracht. Daarbij is speciaal aandacht voor scholen die een brede brugklas aanbieden. Tot slot wordt er een vergelijking gemaakt met Nederland en de andere G4-steden.
2.1 Diversiteit De diversiteit van de leerlingen in het voortgezet onderwijs wordt in beeld gebracht aan de hand van het opleidingsniveau van de ouders, de sociaaleconomische score van de leerlingen en de migratieachtergrond van leerlingen, ook in combinatie met het opleidingsniveau van de ouders.
2.1.1 Aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders blijft toenemen In tien jaar tijd is het aandeel leerlingen in het voortgezet onderwijs met hbo/wo opgeleide ouders flink toegenomen. In schooljaar 2022/’23 heeft 55% van de 46.330 leerlingen hbo/wo opgeleide ouders, terwijl dit in 2012/’13 nog 38% was. Het aandeel leerlingen met ouders die een mbo (2-4), havo of vwo-diploma hebben is in dezelfde periode licht gedaald van 30% naar 25%. Ongeveer een vijfde van de leerlingen heeft basisopgeleide ouders (geen startkwalificatie, dus alleen een basisschool, vmbo of mbo-1-diploma). Dit aandeel is in tien jaar tijd flink gedaald, van 32% naar 19%.
20
Figuur 2.1 Opleidingsniveau ouders van leerlingen in het voortgezet onderwijs in Amsterdam, 2012/’132022/’23 (procenten) 19
2022/'23 2021/'22 2020/'21 2019/'20 2018/'19 2017/'18 2016/'17 2015/'16 2014/'15 2013/'14 2012/'13
25
55
32 0
20
basisschool
vmbo/onderbouw h/v
basisopgeleid
38
30 40
60
80
mbo-2 en 3/havo
mbo 4/vwo
hbo
100
%
wo en hbo-master hbo, wo opgeleid
havo, vwo, mbo opgeleid
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
De ontwikkeling die we in Amsterdam zien, namelijk van steeds minder leerlingen met ouders zonder startkwalificatie en steeds meer leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders, zien we ook landelijk terug en in de andere G4 steden (bron: KBA Nijmegen, Een grijs gebied, 2023).
2.1.2 Steeds meer leerlingen met hoge sociaaleconomische score De sociaal economische score (SES) wordt berekend door te kijken naar een combinatie van het huishoudinkomen en het opleidingsniveau van ouders. Omdat deze statistiek nieuw is kan iets minder lang worden teruggekeken in de tijd dan voor ouderlijk opleidingsniveau (vanaf schooljaar 2016/’17) (zie ook onze website). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een lage, midden en hoge sociaaleconomische score. Vergelijkbaar met het primair onderwijs, hadden in schooljaar 2022/’23 ruim vier op de tien leerlingen (44%) een hoge sociaaleconomische score. Dit zijn kinderen met hbo/wo opgeleide ouders uit de middelste tot hoogste inkomensgroepen en kinderen met ouders die maximaal een mbo (2-4), havo of vwo-diploma hebben uit de hoogste inkomensgroep. Iets meer dan een kwart van de leerlingen (27%) viel in de middelste groep en een iets kleinere groep leerlingen (25%) had een lage sociaaleconomische score. In deze laatste groep vallen kinderen met basisopgeleide ouders uit de laagste tot middelste inkomensgroepen en kinderen met ouders die maximaal een mbo (2-4), havo of vwo-diploma hebben met een minima inkomen.
Net als we in het primair onderwijs zien is het aandeel kinderen met een lage sociaaleconomische score in het voortgezet onderwijs in de afgelopen jaren gedaald, van 31% in schooljaar 2016/’17 naar 25% in schooljaar 2022/’23. Het aandeel middelbare scholieren met een hoge sociaaleconomische score steeg in dezelfde periode van 39% naar 44%.
21
Figuur 2.2 Sociaaleconomische score van leerlingen in het voortgezet onderwijs in Amsterdam, schooljaar 2016/’17-2022/’23 (procenten) 2022/'23 2021/'22 2020/'21 2019/'20 2018/'19 2017/'18 2016/'17
25
27
44
31
0
29
20
laag
39
40
60
midden
%
80
hoog
100
onbekend
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
2.1.3 Meer leerlingen zonder migratieachtergrond en met een Europese migratieachtergrond Wanneer we de diversiteit onder leerlingen naar migratieachtergrond in beeld brengen zien we dat, net als in het primair onderwijs, zes op de tien leerlingen in het voortgezet onderwijs een migratieachtergrond hebben. Vier op de tien leerlingen hebben geen migratieachtergrond. De grootste verandering door de jaren heen zien we bij het aandeel middelbare scholieren met een Europese en Surinaamse migratie achtergrond. Het aandeel leerlingen met een Europese migratieachtergrond is toegenomen van 8% in 2012/’13 tot 12% in 2022/’23, bij leerlingen met een Surinaamse migratieachtergrond zien we een daling van 11% tot 6% in dezelfde periode. Recent is zowel bij het CBS als bij O&S de indeling naar herkomst aangepast (zie ook onze website). Vanwege de overstap naar een nieuwe indeling naar herkomst, wordt de verdeling van 2022/’23 vergeleken met vijf jaar en tien jaar eerder. Figuur 2.3 Migratieachtergrond leerlingen in het voortgezet onderwijs in Amsterdam, schooljaar 2012/’13, 2016/’17, 2022/’23 (procenten) 2022/'23
40
12
6
15
6
7
9
6
7
5
2016/'17
2012/'13
0
38
8
20
40
9
16
60
11
6
80
geen migratieachtergrond
Europa
Turkije
Marokko
Suriname
Overig Afrika
Overig Azie
Overig Amerika en Oceanië
% 100
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
22
2.1.4 Aandeel hbo/wo opgeleide ouders zowel onder leerlingen met en zonder migratieachtergrond gestegen Het opleidingsniveau van ouders verschilt per migratieachtergrond. Leerlingen zonder migratieachtergrond hebben het vaakst hbo/wo opgeleide ouders (77%), gevolgd door leerlingen met een Europese migratieachtergrond (70%). Bij leerlingen met een Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond ligt dit aandeel met 21% een stuk lager. Wanneer we kijken naar de afgelopen jaren zien we dat het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders onder alle groepen leerlingen is gestegen. Figuur 2.4 Aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders in het voortgezet onderwijs in Amsterdam naar migratieachtergrond, schooljaren 2012/’13, 2016/’17, 2022/’23 (procenten) %
90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
77 62
70 61
56
49 32 21
21
10
8
2012/'13
2016/'17
23
33 24
32
40
2022/ '23
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
2.2 Segregatie Net als in het hoofdstuk over primair onderwijs, kijken we eerst in hoeverre leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders verspreid wonen over de stad. Zoals we namelijk in paragraaf 2.1 zagen is het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders fors gestegen en het is de vraag of dit voor alle delen van de stad geldt. In tegenstelling tot de monitoring van de segregatie in het primair onderwijs, wordt er voor het voortgezet onderwijs niet gekeken in hoeverre scholen een afspiegeling zijn van de wijk waarin ze staan. De reden is dat er maar weinig leerlingen zijn die naar een school in eigen wijk gaan doordat de verdeling van de middelbare scholen over de stad anders is (veel scholen zijn in Zuid te vinden). De ontwikkeling wat betreft de segregatie op Amsterdamse middelbare scholen wordt beschreven op basis van het opleidingsniveau van ouders en migratieachtergrond. Daarnaast wordt per schooltype het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders in kaart gebracht. Tot slot wordt er een vergelijking gemaakt met Nederland en de andere G4-steden.
23
2.2.1 Leerlingen met hbo/wo ouders niet gelijk verdeeld over de stad Ruim de helft van de Amsterdamse leerlingen in het voortgezet onderwijs heeft hbo/wo opgeleide ouders. Deze leerlingen wonen niet verspreid over de stad, maar concentreren zich, net als we in het primair onderwijs zien, voornamelijk in de woonwijken in stadsdelen Zuid, Centrum en Oost. In de stadsdelen Zuidoost, Noord en Nieuw-West wonen juist relatief weinig vo-leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders. Vooral in delen van stadsdeel Nieuw-West en Noord heeft een toename van het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders plaatsgevonden. In stadsdeel Zuidoost is het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders nauwelijks veranderd. In sommige wijken is sprake van een lichte afname, zo rond de één procentpunt. Figuur 2.5 Aandeel hbo/wo opgeleide ouders (hbo of wo opgeleid) van Amsterdamse leerlingen voortgezet onderwijs per woonwijk in schooljaar 2022/’23 en de verandering hierin sinds schooljaar 2012/’13
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
2.2.2 Toename aandeel leerlingen op scholen met veel leerlingen van hbo/wo opgeleide ouders De stijging van het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders in Amsterdam zien we terug in de samenstelling van de scholen. Om te meten in hoeverre leerlingen gesegregeerd naar school gaan is een absolute segregatiemaat berekend. Hiervoor zijn Amsterdamse vo-scholen ingedeeld in groepen op basis van het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders (zie figuur 2.6). Vervolgens is gekeken hoe de leerlingenpopulatie over deze scholen is verdeeld.
24
Figuur 2.6 Indeling van scholen naar aandeel leerlingen met ouders met een hbo of wo opleiding
Er zijn steeds meer scholen bijgekomen in de stad met heel veel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders (meer dan 80%). In 2012/’13 zat 2% van de leerlingen op een school met deze populatie, in 2022/’23 gaat het om 25%. Het andere uiterste zijn de scholen met maximaal 20% leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders. Het aantal leerlingen op scholen met deze samenstelling is gedaald van 29% in 2012/’13 naar 11% in 2022/’23. Het aandeel leerlingen op gemengdere (21-40% en 61-80% leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders) tot meest gemengde scholen (41-60% leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders) daalde tussen 2012/’13 en 2018/’19 van 69% naar 65% en schommelt sindsdien rond dat percentage. Figuur 2.7 Verdeling leerlingen over middelbare scholen naar aandeel kinderen met hbo/wo opgeleide ouders, schooljaar 2012/’13-2022/’23 (procenten) 100
% leerlingen 2
4
6
17
22
scholen naar aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders
25
80
meer dan 80% (gesegregeerde scholen)
60
61-80% (gemengdere scholen) 40 20 0
41-60% (gemengde scholen) 29 2012/'13
25 2014/'15
24 2016/'17
21-40% (gemengdere scholen)
18
15
11
2018/'19
2020/'21
2022/'23
20% of minder (gesegregeerde scholen)
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
2.2.3 Scholen steeds gemengder op basis van migratieachtergrond De diversiteit onder leerlingen naar migratieachtergrond wordt in toenemende mate weerspiegeld op de scholen. In paragraaf 2.1.3 zagen we dat 60% van de leerlingen een migratieachtergrond heeft. Wanneer we naar de verdeling kijken van de leerlingen met een migratieachtergrond over vo-scholen dan zien we dat het aandeel gemengde scholen dat rond het stedelijk gemiddelde ligt (met 41-60% en 61-80% kinderen met een migratieachtergrond) is toegenomen over de tijd. In schooljaar 2022/’23 ging 47% van alle leerlingen in het vo naar deze gemengde scholen, in schooljaar 2012/’13 ging het nog om 41%. Daarbij is het van belang te benoemen dat scholen met veel leerlingen met een migratieachtergrond nog steeds divers kunnen zijn. Leerlingen kunnen immers verschillende migratieachtergronden hebben.
25
Figuur 2.8 Verdeling leerlingen over vo-scholen naar aandeel leerlingen met een migratieachtergrond, schooljaar 2012/’13, 2016/’17, 2022/’23 (procenten) scholen naar aandeel leerlingen met een migratieachtergrond
% leerlingen 100 29
30
40% of minder (gesegregeerde scholen)
60
22
23
41-60% (gemengdere scholen)
40
19
24
61-80% (gemengdere scholen)
23
meer dan 80% (gesegregeerde scholen)
80
20 0
30 2012/'13
2016/'17
2022/'23
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
Ook wanneer we kijken naar leerlingen met een migratieachtergrond van buiten Europa, die minder vaak hbo/wo opgeleide ouders hebben (zie figuur 2.4), zien we dat scholen steeds gemengder worden. Sinds 2012/’13 is het aandeel leerlingen dat naar gemengdere scholen gaat met 40%-80% kinderen met een migratieachtergrond van buiten Europa, gestegen van 68% naar 84% in schooljaar 2022/’23.
2.2.4 Sterke verschillen in populatie tussen schooltypen Er bestaat in het voortgezet onderwijs een duidelijk verband tussen het onderwijsniveau dat wordt aangeboden en de leerlingenpopulatie op een school. Zoals in 2.1.1 beschreven heeft 55 procent van de leerlingen hbo/wo opgeleide ouders. De rode lijn in figuur 2.9 geeft dit gemiddelde weer. Scholen waarop enkel praktijkonderwijs (16%) of vmbo (21-23%) wordt aangeboden, hebben minder leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders, terwijl het aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders op categorale vwo-scholen (87%) en havo/vwo-scholen (72%) een stuk hoger ligt. De leerlingenpopulatie op deze laatste groep scholen is relatief groot: 35% van de Amsterdamse middelbare scholieren zit op een havo/vwo of vwo-school. Scholengemeenschappen (bieden minstens drie niveaus aan) en vmbo-t en/of havo-scholen liggen het dicht bij het gemiddelde van de stad.
26
Figuur 2.9 Leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders per type vo-school, 2022/’23 (procenten) schoolgemeenschap (n=17.655)
50
categoraal vwo (n=6.000)
87
havo/vwo (n=9.595)
72
vmbo t en/of havo (n=5.015)
50
vmbo b/k/t (n=4.880)
23
vmbo b/k (n=1.085)
21
praktijkonderwijs (n=810)
16 0
20
40
60
80
100
%
bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
Binnen de type scholen kunnen scholen onderling nog verschillen. Typen scholen met onderling weinig spreiding als het gaat om het opleidingsniveau van de ouders zijn de categorale vwoscholen. Deze scholen hebben dus allemaal een respectievelijk hoog aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders. De scholen voor praktijkonderwijs en de brede vmbo-scholen hebben ook weinig spreiding als het gaat om het opleidingsniveau van de ouders van hun leerlingen: deze scholen hebben allemaal een laag aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders. Scholen met een brede brugklas, dit zijn scholen waarbij leerlingen van minimaal drie onderwijsniveau samen onderwijs krijgen in de brugklas, lijken qua populatie op het gemiddelde van de stad. Bij scholen met een brede brugklas heeft namelijk 55% van de leerlingen hbo/wo opgeleide ouders.
2.2.5 Relatief hoge segregatie in G4 steden Om de mate van segregatie te vergelijken met andere delen van het land putten we uit een landelijk onderzoek dat is uitgevoerd door een consortium van KBA Nijmegen, Kohnstamm Instituut, Oberon en SEOR in opdracht van het ministerie van OCW (Een grijs gebied, 2023). In dit onderzoek wordt segregatie behandeld op basis van drie achtergrondkenmerken, namelijk het inkomen van de ouders, het opleidingsniveau van de ouders en de migratieachtergrond van de leerlingen. De indeling die wordt gebruikt voor het opleidingsniveau van de ouders sluit het best aan bij de andere analyses binnen dit rapport en wordt daarom hier behandeld. Het enige verschil zit in de groep basisopgeleiden. In dit onderzoek vallen ouders zonder startkwalificatie in deze groep, dus die maximaal basisschool, vmbo of mbo 1 hebben afgemaakt. In het onderzoek van OCW worden ook ouders met maximaal een mbo 2 opleiding in deze groep ingedeeld. In dit onderzoek worden twee segregatiematen beschreven. De eerste is dissimilariteit, dat een beeld geeft van de mate waarin leerlingen binnen een gemeente evenredig verdeeld zijn over scholen. Dus in hoeverre de scholen een goede afspiegeling vormen van de samenstelling van de hele populatie in de gemeente. Deze maat controleert dus voor de samenstelling van de gemeente.
De tweede maat is de index voor isolatie, die in beeld brengt hoeveel kans een leerling met een bepaalde achtergrond heeft om leerlingen met een andere achtergrond tegen 27
te komen. Bij de index voor dissimilariteit betekent hoe hoger de score hoe meer sprake er is van onderwijssegregatie, terwijl het bij de index voor isolatie juist andersom is, dus hoe lager de score hoe meer sprake er is van onderwijssegregatie. Figuur 2.10 Maten van segregatie gebruikt in OCW-onderzoek maat dissimilariteit
hoe hoger, hoe meer sprake van segregatie
isolatie
hoe lager, hoe meer sprake van segregatie
In de G4 steden ligt de segregatie over het algemeen hoger dan in Nederland gemiddeld. Waar we in het basisonderwijs zagen dat de segregatie in Amsterdam is afgenomen zowel op basis van de dissimilariteit als op basis van de ontmoetingskans, zien we dit in het voortgezet onderwijs alleen terug bij de ontmoetingskans. Vergeleken met de andere G4 scoort Amsterdam redelijk gemiddeld. Als we kijken naar de index voor dissimilariteit dan zijn de scholen hier iets meer gesegregeerd dan in Utrecht en Rotterdam. Als we kijken naar de ontmoetingskans dan zijn de scholen in Amsterdam ook meer gesegregeerd dan in Utrecht, maar vergelijkbaar met Den Haag en Rotterdam. In Amsterdam dragen vooral de categorale vwo-scholen bij aan de segregatie in het voortgezet onderwijs, dit zijn scholen met een hoog aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders (zie paragraaf 2.2.4). Ook in de andere G4 steden zien we een invloed van categorale vwo scholen op de segregatie, maar die invloed is in de andere steden een stuk lager dan in Amsterdam (KBA Nijmegen, Een grijs gebied, 2023). Daarnaast blijkt in Amsterdam dat de brede scholen die pro, vmbo, havo en vwo aanbieden, bijdragen aan de onderwijssegregatie, maar in mindere mate dan de categorale vwo scholen.
Dit heeft mogelijk te maken de met de eerder genoemde spreiding binnen dit type school: er zijn zowel scholen met relatief veel hbo/wo opgeleide ouders als scholen met relatief weinig hbo/wo opgeleide ouders.
28
Figuur 2.11 Segregatie naar opleidingsniveau ouders in het voortgezet onderwijs in de G4, schooljaar 2017/’18, 2021/’22 dissimilariteit 1 0,9 0,8 0,7
0,61
0,62
0,63
0,61
0,61
0,6 0,5
0,60
0,55
0,56
0,41
0,40
0,4 0,3 0,2 0,1
0
2017/'18
ontmoetingskans 1
2021/'22 Amsterdam
Den Haag
Utrecht
Rotterdam
Nederland
0,9 0,8 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3
0,23
0,21
0,36
0,30
0,27
0,27
0,20
0,2
0,35 0,26
0,24
0,1
0
2017/'18 Amsterdam
2021/'22 Den Haag
Utrecht
Rotterdam
Nederland
bron: KBA Nijmegen, Een grijs gebied, 2023
2.2.6 Vooral leerlingen met wo opgeleide ouders minder kans op ontmoeting Voor dit onderzoek hebben we de isolatiemaat ook nog op een andere manier berekend. In paragraaf 2.2.5 zagen we dat de isolatiemaat (ontmoetingskans) in Amsterdam in schooljaar 2021/’22 0,27 betrof. De referentiegroep zijn hier leerlingen met basisopgeleide ouders, dit betekent dat de kans voor deze leerlingen om op school een leerling met hbo/wo opgeleide ouders te ontmoeten 27% is. Voor Amsterdam hebben we de maat ook apart berekend voor leerlingen met hbo opgeleide ouders en voor leerlingen met wo opgeleide ouders. Dan zien we dat de kans op het ontmoeten van leerlingen met een andere achtergrond het laagst ligt voor leerlingen met wo opgeleide ouders. Deze leerlingen hebben 29% kans om leerlingen te ontmoeten die geen hbo/wo opgeleide ouders hebben. Leerlingen met hbo opgeleide ouders hebben een grotere kans om leerlingen van basis/mbo opgeleide ouders te ontmoeten (39% kans op ontmoeting). Dit terwijl in de stad 45% van de leerlingen geen hbo/wo opgeleide ouders heeft.
29
Figuur 2.12 Segregatie op basis van de isolatiemaat naar opleidingsniveau ouders in het voortgezet onderwijs, referentiegroep leerlingen met basisopgeleide ouders, schooljaar 2022/23
1,0 0,9 0,8 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 0,1 0,0
0,29
0,39
leerling met wo opgeleide ouders ontmoet leerling met hbo opgeleide ouders ontmoet leerling met ouders basis of middelbare leerling met ouders basis of middelbare opleiding opleiding bron: CBS/OJZ, bewerking O&S
30
Bijlagen toelichting data en methodes
Leerlingenbestanden 2012/’13 t/m 2017/’18 Tot en met schooljaar 2017/’18 heeft O&S als basis de registratiebestanden van leerlingen van OJZD gebruikt (Erisa), hierna is overgestapt naar de registratiebestanden van DUO binnen de Microdata omgeving van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De registratie bevat alle Amsterdamse leerlingen die zowel binnen als buiten Amsterdam naar school gaan. Ook leerlingen die wonen in de stadsregio Amsterdam en in Amsterdam op school zitten zijn in dit bestand opgenomen. Er zijn zes aparte Erisa bestanden gebruikt van de schooljaren 2012/’13 t/m 2017/’18 (allen peildatum 1 oktober). Geselecteerd zijn leerlingen, met geregistreerd Burgerservicenummer, die op 1 oktober van het betreffende schooljaar op een Amsterdamse school voor het primair of voortgezet onderwijs zaten. Sinds 2017/’18 zijn een aantal scholen administratief onder één brin-nummer komen te vallen in de data in plaats van gesplitst. Hierdoor telt voor deze scholen de gemiddelde leerlingenpopulatie naar migratieachtergrond van de leerling en het opleidingsniveau van de ouders. Aan het leerlingenbestand is, waar deze informatie beschikbaar was, toegevoegd of een leerling een VVE-doelgroep leerling is of niet (op basis van gegevens van OJZ).
Vervolgens is in de Microdata omgeving van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) het leerlingenbestand verrijkt met gegevens over het opleidingsniveau van de ouder(s), het huishoudinkomen en de migratieachtergrond van de leerlingen. Er zijn verschillen tussen het Erisa bestand en de Basis Registratie Personen (BRP) als het gaat om gegevens over migratieachtergrond. Tot en met schooljaar 2015/’16 is alleen het Erisa bestand hiervoor gebruikt, voor schooljaar 2016/’17 en 2017/’18 wordt het BRP-bestand als basis aangevuld met gegevens uit Erisa. Leerlingenbestanden vanaf 2018/’19 Vanaf schooljaar 2018/’19 heeft O&S als basis het inschrijvingsbestand van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs van CBS Microdata gebruikt. Dit bestand heeft als belangrijkste voordeel dat het ook de leerlingen bevat die van buiten de regio komen. Geselecteerd zijn leerlingen, met geregistreerd Burgerservicenummer, die op 1 oktober van het betreffende schooljaar op een Amsterdamse (speciale) basisschool of middelbare school zaten. Vervolgens is dit leerlingenbestand verrijkt met gegevens over het opleidingsniveau van de ouder(s), het huishoudinkomen, de migratieachtergrond en het adres van de leerlingen. Beschikbare achtergrondinformatie De beschikbare informatie vanuit het CBS is voor alle kenmerken relatief hoog.
Van de leerlingen was over de jaren heen tussen de 89-90% bekend wie de vader is en van 98-99% wie de moeder is.
31
Multipele imputatie om ontbrekende gegevens over ouderlijk opleidingsniveau te schatten O&S wil graag het gemiddeld aandeel leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders per school berekenen. Het opleidingsniveau van ouders is echter niet van alle leerlingen bekend. Omdat de onderwijsregistraties nog niet zo heel lang bestaan, ontbreekt deze informatie in de registers helaas over veel oudere Nederlanders. Ook particuliere opleidingen vallen buiten het bereik van de onderwijsregisters. Daarnaast is van veel Nederlanders met een migratieachtergrond en een buitenlandse opleiding onvoldoende registerinformatie beschikbaar. Deze informatie wordt met behulp van enquête informatie (EBB) aangevuld. Hiervoor zijn de missende gegevens benaderd. Voor het po gaat het om 14 tot 11 procent van de ouders. Voor het vo ging het in schooljaar 2012/’13 nog om 22%. Inmiddels ligt dit percentage net als bij het po rond de 14 tot 11%. Met een multipele imputatie wordt voor elke missende waarde van het opleidingsniveau van de ouders vijf keer een realistische waarde geschat op basis van de beschikbare achtergrondgegevens. Dit gebeurt in een ‘fully conditional specification’, een Markov chain Monte Carlo (MCMC) methode. Omdat opleidingsniveau van de ouders een categorische variabele is (opgedeeld in 6 categorieën van basis tot hbo/wo opgeleid), wordt hiervoor een logistische regressie gebruikt.
Uiteindelijk benadert de verdeling van de nieuwe dataset de verdeling die in de originele dataset zit. Het voordeel van het hebben van vijf datasets met elke keer andere geïmputeerde gegevens is dat de variatie die in de originele dataset zit gewaarborgd blijft. Uiteindelijk gebruiken we deze vijf datasets samen om gemiddeldes en percentages per school en per buurt uit te rekenen. We publiceren geen gegevens over individuele scholen, of over buurten met minder dan 50 leerlingen. Sociaaleconomische Score De sociaaleconomische score is tot en met 2021 bekend. Hierdoor loopt deze score voor schooljaar 2022/’23 een jaar achter en is een groter aandeel onbekend. Deze groep onbekenden bestaat uit leerlingen die na 01-01-2021 naar Nederland zijn verhuisd.