CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Schriftelijke bijdrage Café De Heeren van Aemstel en Café Leentje inzake agendapunt 6

Raadscommissie Algemene Zaken 27 maart 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Inspreekmoment Publiek1.674 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Schriftelijke bijdrage ten behoeve van de bespreking van het nieuwe horecabeleid (Horecabeleid 2025) – namens Café De Heeren van Aemstel en Café Leentje. Amsterdam, 25 maart 2025 Geachte commissieleden, Als eigenaar van Café De Heeren van Aemstel en Café Leentje aan het Thorbeckeplein maak ik graag gebruik van deze gelegenheid om een aantal zorgen en bezwaren te uiten omtrent het voorgestelde nieuwe horecabeleid (Horecabeleid 2025). Woord vooraf De Amsterdamse horeca lijkt de afgelopen jaren structureel in het verdomhoekje te zijn geraakt. Waar horecaondernemers jarenlang hebben geïnvesteerd in hun bedrijf, personeel en hun rol als sociale spil van de stad, zie ik een tendens waarin met een kaasschaafmethode telkens weer nieuwe, ogenschijnlijk subtiele maar in de praktijk verstrekkende, beperkende regels worden ingevoerd. De administratieve en financiële druk op horecaondernemers wordt stelselmatig opgevoerd, vaak zonder dat daar een duidelijke visie of evenwichtige belangenafweging tegenover staat. Daar komt bij dat er nu al sprake is van een ernstig capaciteitsgebrek bij de handhaving op bestaande wet- en regelgeving. In de praktijk betekent dit dat nu al veel overtredingen onbesproken blijven, terwijl die wellicht onder huidige kaders in combinatie met adequate en voldoende handhaving bestreden zouden kunnen worden.

Indien er dan wél (handhavend) wordt opgetreden en een ondernemer bezwaar maakt, blijkt ook de juridische toetsing ervan vast te lopen op capaciteitsproblemen binnen de gemeente. Hierdoor duurt het maanden, soms jaren, voordat duidelijkheid ontstaat over de rechtmatigheid van het handhavend optreden en/of de kaders daarvan. Daarmee wordt niet alleen de geloofwaardigheid van de handhavingsinstrumentaria ondermijnd, maar ook het rechtsgevoel van ondernemers die zich willen verweren. Wat in het gehele beleidskader schrijnend ontbreekt, is een gevoel van saamhorigheid tussen het gemeentebestuur en de horecaondernemers. De horeca is niet slechts een economische sector. Deze sector vormt het sociale hart van de stad. Al 750 jaar lang is Amsterdam mede groot geworden dankzij haar levendige cafés, bruine kroegen, muziekpodia, eethuizen en nachtclubs. De horeca creëert ontmoetingsplekken, draagt bij aan sociale cohesie en is een essentieel onderdeel van de Amsterdamse identiteit en aantrekkingskracht. Uiteraard is het aan de gemeente om de balans te vinden in de stad, maar dit nieuwe beleid ademt echter een sfeer van wantrouwen richting de bedrijven en ondernemers in deze sector en laat weinig blijk zien van samenwerking, vertrouwen of gezamenlijke verantwoordelijkheid.

In plaats van te erkennen dat horecaondernemers partners zijn in het creëren van een bruisende, veilige en leefbare stad, worden zij in een keurslijf van rigide regels en vergunningseisen gedwongen. Dat ondermijnt niet alleen het ondernemerschap, maar ook het wederzijds vertrouwen dat nodig is om gezamenlijk verantwoordelijkheid te kunnen nemen en tot gedragen oplossingen te komen. Er wordt door het college van B&W namelijk veelvuldig gesproken over integrale wet- en regelgeving. In theorie een nobel streven. In de praktijk worden ondernemers echter geconfronteerd met een onoverzichtelijke en versnipperde beleidsstructuur, namelijk: de Algemene Plaatselijke Verordening, de Handhavingsstrategie Horeca, de Handhavingsstrategie Muziekgeluid en het toekomstige Omgevingsplan. Al deze kaders veranderen regelmatig, spreken elkaar soms tegen en zijn niet altijd even toegankelijk voor de gemiddelde ondernemer. Dit leidt tot een onwerkbare situatie waarin de verantwoordelijkheid en risico’s eenzijdig bij de horecaondernemer worden gelegd.

Inhoudelijk wil ik nog het volgende opmerken: 1. Het dansverbod als symptoom van beleid dat ontspoort Dat het college van B&W het noodzakelijk acht om het spontaan dansen in bijvoorbeeld een eetcafé of bar – zelfs als dit tussen tafels plaatsvindt – formeel te verbieden, is illustratief voor het type regeldrift dat als betuttelend kan worden bestempeld. Dit verbod is niet alleen disproportioneel. Het onderstreept dat de gemeente zich steeds verder verwijdert van de alledaagse realiteit van de horeca en haar bezoekers. Dit is beleid dat lijkt te zijn geschreven aan ambtelijke tekentafels waar men al jaren geen voet meer in een bruine kroeg heeft gezet. Let wel: een spontane actie van bezoekers, zoals een paar mensen die op vrijdagavond even dansen tussen de tafels, kan ertoe leiden dat de ondernemer zijn vergunning kwijtraakt of geconfronteerd wordt met een last onder dwangsom. Er kan nu wel geroepen worden dat dit nimmer zal gebeuren, maar ik zou er dan voor pleiten om deze absurde regel in te trekken. De Eerste Kamer heeft voor haar rol als toetser van wetgeving een aantal toetsingscriteria vastgesteld. Deze criteria dienen wat mij betreft ook op gemeentelijk niveau als richtinggevend te gelden bij de totstandkoming van beleid. De Eerste Kamer hanteert de volgende criteria om wetgeving te toetsen: doelmatigheid, rechtmatigheid en handhaafbaarheid.

Als ik kijk naar de voornoemde criteria, dan zijn de volgende onderdelen in het geding: Doelmatigheid Het beleid pretendeert overlast te beperken en rust te brengen, maar de praktijk zal het tegenovergestelde zijn. Door spontane vormen van vermaak te verbieden wordt een sfeer van wantrouwen gecreëerd. Handhaving zal selectief en willekeurig worden, met als gevolg frustratie bij ondernemers en bezoekers. Het dansverbod dient geen proportioneel doel en is niet doelmatig. Rechtmatigheid Het principe van subsidiariteit wordt hier met voeten getreden. Eveneens ontbreekt een deugdelijke belangenafweging, waarbij ondernemersvrijheid en het sociale karakter van horeca onderbelicht blijven. Dit maakt dat getwijfeld kan worden aan de juridische grondslag van deze bepaling. Handhaafbaarheid De gedachte dat handhavers moeten gaan beoordelen of een dansje tussen tafels onder "vermakelijkheden" valt, is volstrekt onwerkbaar. De grens tussen een enthousiast meedeinende gast en een 'dansende' gast is onduidelijk en oncontroleerbaar. Dit beleid vergroot de willekeur in de handhaving, wat de rechtszekerheid schaadt en handhavers in een onmogelijke positie brengt. 2. Onzekerheden bij overgang naar omgevingsplan en afschaffing bonus/malusregeling In de Nota van Beantwoording (p.

47) wordt gesteld dat het uitgangspunt is dat ondernemers die nu hun bedrijf voeren in overeenstemming met het bestemmingsplan, de daarin toegestane activiteiten kunnen blijven uitvoeren. Op papier klinkt dit geruststellend, maar in de praktijk blijft dit een toekomstig onzeker gegeven. De tekst suggereert een soort continuïteit, maar in dezelfde adem wordt toegegeven dat er wel degelijk aanpassingen

kunnen plaatsvinden in de openingstijden, en dat die aanpassingen zullen gelden na een overgangstermijn van twee jaar na vaststelling van het Omgevingsplan. Voor een horecaondernemer die langetermijnbeslissingen moet nemen (denk aan investeringen, personeelsbeleid en huurverplichtingen), biedt een overgangstermijn van slechts twee jaar volstrekt onvoldoende rechtszekerheid. Het gaat immers niet om een tijdelijke maatregel, maar om structurele wijzigingen die diepe impact hebben op de bedrijfsvoering. Zeker wanneer het gaat om sluitingstijden, die namelijk direct raken aan het verdienmodel van een horecazaak. Daar komt bij dat de specifieke regeling rondom openingstijden op het Rembrandtplein, de zogenoemde bonus/malus-regeling, komt te vervallen. Deze regeling – die voortvloeide uit een gezamenlijk gesloten convenant Gastvrij en Veilig Rembrandtplein (2015) – bood tenminste enige vorm van voorspelbaarheid en was een middel om goed gedrag te belonen, in plaats van de focus alleen op de mogelijkheden tot bestraffen te leggen. In plaats daarvan wordt ondernemers nu de mogelijkheid geboden om een maatwerkontheffing aan te vragen.

Op papier klinkt dit redelijk, maar ik voorzie dat dit in de praktijk gepaard zal gaan met substantiële administratieve lasten en kosten, terwijl er tegelijkertijd grote onduidelijkheid bestaat over de vraag of zo’n ontheffing daadwerkelijk wordt verleend (en op basis van welke criteria). Het ontbreken van een duidelijke beoordelingssystematiek maakt het aanvragen van een maatwerkvoorziening een riskante onderneming met onzekere uitkomst. Ook de aangekondigde omzetting van bestemmingsplannen naar het Omgevingsplan in de periode 2025 tot 2032 roept vragen op. Er wordt aangegeven dat dan zal worden gekeken naar welke zwaartecategorie passend is bij wat er nu ruimtelijk is toegestaan. Maar dit laat nog altijd ruimte voor interpretatie en herbeoordeling, waarbij het niet ondenkbaar is dat horecaondernemers na jaren van investeren plotseling geconfronteerd worden met beperkingen die hun bestaansrecht aantasten.

3. Afspraak is afspraak, convenant is convenant Een bijzonder zorgwekkend aspect van het nieuwe horecabeleid is de wijze waarop de gemeente omgaat met het hierboven genoemde convenant Gastvrij en Veilig Rembrandtplein uit 2015. Eén van de dragende elementen van dit convenant is de zogenoemde bonus/malusregeling, waarmee op constructieve wijze werd gewerkt aan gedragssturing en gezamenlijke verantwoordelijkheid. Dit systeem wordt nu eenzijdig door de gemeente afgeschaft zonder overleg of afstemming met de convenantpartners. Daarmee wordt een essentieel onderdeel uit het afsprakenstelsel gehaald, en dat ondermijnt niet alleen de effectiviteit van het convenant maar ook het vertrouwen in de gemeente als betrouwbare partner. Deze werkwijze staat in schril contrast met de verwachtingen die de gemeente stelt aan de convenantspartijen. Als horecaondernemers op eigen initiatief onderdelen van het convenant terzijde zouden schuiven, dan zou de gemeente hen daar ongetwijfeld op aanspreken. Dat diezelfde gemeente zich nu niet aan de wederkerige uitgangspunten houdt, is niet alleen teleurstellend maar ook bestuurlijk onverantwoord. Ik zou u ook specifiek op dit vlak extra willen oproepen in gesprek te gaan met alle betrokken partijen bij dit convenant, om samen verder te komen op de ingeslagen weg.

Tot slot De kern van mijn betoog is dat het nieuwe horecabeleid de suggestie wekt van rechtszekerheid en continuïteit, maar in werkelijkheid juist extra onzekerheden introduceert voor bestaande horecaondernemers. De sector heeft behoefte aan stabiliteit, duidelijke kaders en eerlijke communicatie. Wat nodig is, is een integrale, maar vooral ook consistente en transparante benadering, waarbij de gemeente niet alleen regels oplegt, maar ook samen met de sector oog houdt voor de praktijk en de belangen van horecaondernemers die al sinds het ontstaan van deze stad een positieve sociale en culturele bijdrage leveren. Het is dan ook extra wrang om te moeten constateren dat in het jaar waarin de 750e verjaardag van onze mooie stad wordt gevierd, ook het startschot lijkt te zijn gegeven om de horeca langzaam te doen vergeten in de stad. Met klem verzoek ik u dan ook om pas op de plaats te maken en het nieuwe beleid aan te houden. Terug naar de tekentafel, waarbij ik u wil vragen beleid op te stellen dat recht doet aan de stad waar wij allen zo veel van houden, en aan de sector die haar kleur geeft. Beleid dat onderkent dat overheid en ondernemers gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de stad. En beleid dat uitgaat van wederzijds vertrouwen, in plaats van het eenzijdig opleggen van telkens meer regels en beperkingen. Ik dank u voor uw aandacht. Met vriendelijke groet, Coen Kleipool

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15323544/1