RIGO Evaluatie jongerencontract
Tekst van het document
Het aandeel alleenstaanden is iets kleiner onder degenen die er al wat langer wonen dan onder recent ingestroomde bewoners. Dit zal te maken hebben met relatievorming. Het aandeel huishoudens met kinderen is groter naarmate huurders er langer wonen.
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
25
figuur 17 Huishoudens in woningen met een jongerencontract, naar type en woonduur op het adres (situatie op 1 j anuari 2021)
2% 1% 11%
2% 2% 11%
5% 5% 10%
5% 5% 10%
3% 3% 10%
overig eenouderhh. 85%
82%
78%
78%
82%
stel met kind(eren) stel zonder kinderen alleenstaand
korter dan 1 jr.
1-2 jaar
2-3 jaar
woonduur op het adres
langer dan 3 jr. totaal
Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
Herkomst binnen of buiten Amsterdam Ongeveer de helft van de bewoners in woningen met een jongerencontract (situatie op 1 januari 2021) is in Amsterdam opgegroeid of heeft op zijn minst een woongeschiedenis in Amsterdam. Dat wil hier zeggen dat ze in 2010 ook al in Amsterdam woonden. Kijken we alleen naar hoofdbewoners (degene die zich als eerste op het adres heeft ingeschreven), dan gaat het zelfs om meer dan de helft. De overige bewoners zijn na 2010 in Amsterdam komen wonen of na 2010 geboren. Dat laatste kan ook op het adres met jongerencontract zijn gebeurd. Het aandeel ‘oorspronkelijke Amsterdammers’ is hoog als we bedenken dat van alle jongeren in Amsterdam (in de leeftijd 18 tot en met 27 jaar) slechts een minderheid (39%) in Amsterdam is opgegroeid en van alle uitwonende jongeren slechts 16%. Het aandeel ‘oorspronkelijke’ Amsterdammers is nagenoeg gelijk aan het aandeel dat is toegewezen op inschrijfduur (beide ongeveer de helft). Dit spoort met elk aar, aangezien vooral Amsterdammers kans zullen hebben gehad om zich op hun achttiende in te schrijven bij WoningNet. Jongeren van buiten zijn meer afhankelijk van loting en in geval van statushouders ook directe bemiddeling. Dat laatste wordt sinds 2020 veel toegepast.
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
26
figuur 18
Personen in woningen met een jongerencontract, naar voorgeschiedenis (situatie
o p 1 j a n u a r i 2 0 2 1 ) 12
16%
17%
7%
7%
35%
38%
14% 5%
10% 4%
15%
40%
46%
38%
6% medebewoners later in A'dam komen wonen of geboren **) medebewoners in A'dam opgegroeid *)
43%
38%
41%
40%
41%
hoofdbewoners later in A'dam komen wonen **) hoofdbewoners in A'dam opgegroeid *)
korter dan 1 jr.
1-2 jaar
2-3 jaar
woonduur op het adres
langer dan 3 jr. totaal
*) 10 jaar geleden al in Amsterdam, **) 10 jaar geleden nog niet in Amsterdam Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
Opleiding Het opleidingsniveau van de bewoners in woningen met een jongerencontract varieert. In figuur 19 is een driedeling gemaakt, conform de classificatie van het CBS. Op het eerste gezicht lijkt het aandeel hoger opgeleiden (HBO en WO) aan de hoge kant. De jongerencontracten zijn immers niet bedoeld voor studenten, hoewel het natuurlijk altijd mogelijk is dat bewoners een studie oppakken. Het gaat hier echter niet om studenten, maar om voltooide opleidingen van alle bewoners, met uitzondering van kinderen (leeftijd 0 -17 jaar). Deze bevinding is in lijn met de leeftijdsverdeling van de bewoners (veel ‘oudere jongeren’, dus al klaar met studeren). De verdeling over de opleidingsniveaus verschilt vrijwel niet naar gelang de woonduur. Onder de langst zittende bewoners zijn laag opgeleiden en bewoners met een onbekende opleiding iets meer dan gemiddeld aanwezig. Dit kan er op wijzen dat deze groepen er juist minder dan gemiddeld in slagen om snel uit te stromen.
12
Onder ‘in Amsterdam opgegroeid’ wordt verstaan dat de betreffende personen tien jaar geleden (op 1 januari 2010) ook al in Amsterdam woonden. Er is niet onderzocht hoe lang ze in Amsterdam hebben gewoond. Onder ‘later in Amsterdam komen wonen’ wordt verstaan dat verstaan dat de betreffende personen in 2010 nog niet in Amsterdam woonden. Dat geldt ook voor na die datum geboren kinderen (die per definitie ‘medebewoners’ zijn).
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
27
figuur 19 Bewoners in woningen met een jongerencontract, naar voltooide opleiding en woonduur op het adres (situatie op 1 januari 2021, exclusief inwonende kinderen)
10%
10%
13%
13%
11%
39%
37%
34%
36%
37%
onbekend hoog 40%
41%
41%
37%
40%
midden laag
11%
12%
12%
14%
korter dan 1 jr.
1-2 jaar
2-3 jaar
langer dan 3 jr.
woonduur op het adres
12%
totaal
Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
Inkomen De overgrote meerderheid van de bewoners in de woningen met een jongerencontract heeft een laag inkomen. Dat geldt voor degenen die nog maar kort (minder dan een jaar) op het adres wonen en ook voor bewoners die er al wat langer wonen. In figuur 20 is een driedeling gemaakt. De meeste bewoners behoren tot de zogeheten EU-doelgroep voor de sociale huur. Bewoners met inkomens van meer dan twee keer modaal treffen we niet veel aan, ook niet onder huurders die al wat langer op het adres wonen 13. Het feit dat ook degenen die al langer op het adres wonen (nog altijd) in meerderheid een laag inkomen hebben wijst er op dat deze ‘blijvers’ niet de inkomensgroei doormaken waarmee ze kans maken om door te stromen naar de marktsector. Dat is betekenisvol, want het gaat hier na drie tot vier jaar nog altijd om de meerderheid van de bewoners; van de hoofdbewoners uit 2017 is op 1 januari nog altijd 68% op het adres aanwezig. Het referentiebeeld dat veel jongeren een snelle inkomensgroei doormaken, een van de argumenten voor invoering van het jongerencontract, lijkt in ieder geval voor deze groep niet op te gaan. Tenzij deze bewoners alsnog een sprong maken in inkomen (of dat inmiddels hebben gedaan; het inkomen over 2021 is nog niet bekend) zullen ze zich bij uitstroom gee n koopwoning of dure huurwoning kunnen veroorloven.
13
Het gaat hier om het huishoudensinkomen van 2020. Kanttekening is dat lang niet alle bewoners over dat jaar al zelf aangifte deden. Sommigen woonden toen nog bij hun ouders. Aan slechts 64% van de bewoners kon een inkomen worden gekoppeld. De EU-grens in 2020 bedroeg €39.055 belastbaar inkomen, twee keer modaal in 2020 was €73.000 bruto.
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
28
figuur 20 Huishoudens in woningen met een jongerencontract, naar inkomensklasse en woonduur op het adres (situatie op 1 januari 2021)
5% 8%
6% 7%
5% 8%
6% 10%
5% 8%
86%
87%
87%
84%
86%
meer dan 2x modaal tot 2x modaal
EU-doelgroep
korter dan 1 jr.
1-2 jaar
2-3 jaar
woonduur op het adres
langer dan 3 jr. totaal
Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
Verandering in de verblijfsduur Een beoogd effect van het jongerencontract, naast uiteraard het kunnen huisvesten van jongeren, was het bevorderen van de omloopsnelheid van de betreffende woningen. De tijdelijkheid van het contract garandeert dat de woning na maximaal vijf jaar weer beschikbaar komt voor een nieuwe verhuring. Veronderstelling hierbij is dat de woningen met een contract voor onbepaalde tijd langer bewoond zouden blijven. Los van eventuele andere effecten, gewenst of ongewenst, is het zinvol te kijken of deze veronderstelling klopt en hoe veel het dan scheelt. Ideaal gesproken zouden we over een controlegroep beschikken met huurcontracten voor onbepaalde tijd. Bij gebrek hieraan vergelijken we woningen die in 2021 met een jongerencontract worden bewoond met dezelfde woningen in 2014, een jaar waarin het jongerencontract nog niet werd toegepast. Het gaat hierbij om exact dezelfde woningen. De vergelijking kon niet worden gemaakt met woningen die pas na 2014 aan de voorraad zijn toegevoegd (zoals de recent gebouwde ‘startblokken’). Op ruim 2.700 vergelijkbare adressen woonden in 2014 ongeveer even veel personen als in dezelfde woningen op 1 januari 2021. De leeftijdsverdeling was echter totaal anders (figuur 21). In 2014 was ruim de helft van de bewoners ouder dan 30 jaar.
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
29
figuur 21 Huurders in woningen met een jongerencontract, naar leeftijd, in 2021 en in dezelfde woningen in 2014 (situatie op 1 januari)
4% 8%
19%
34%
51% 28%
7%
64%
28-29 j,
7%
31%
38%
25% 16%
leeftijd bij instroom
6% 11% leeftijd op 1 januari 2014
leeftijd bij instroom
bewoners 2014
23-27 j. 18-22 j.
15%
12%
30-plus
6% 9%
9%
< 18 j.
leeftijd op 1 januari 2021
bewoners 2021
Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
Verblijfsduur bij vertrek In figuur 22 is de (links in de figuur) de woonduur weergegeven in woningen die momenteel (op 1 januari 2021) met een jongerencontract worden verhuurd, maar dan op 1 januari 2014. Om de vergelijking zo zuiver mogelijk te houden is daarbij uitsluitend gekeken naar hoofdbewoners die ooit als jongeren waren ingestroomd. Sommigen daarvan woonden op 1 januari 2014 langer dan 15 jaar in dezelfde woning. Rechts in de figuur staat de uiteindelijke verblijfsduur bij vertr ek. Dit loopt uiteen van enkele jaren tot meer dan vijftien jaar. Een aanzienlijk deel heeft er uiteindelijk langer dan vijf jaar gewoond. Belangrijk: het gaat hier om bewoners die ooit op jonge leeftijd waren ingestroomd. Sommigen stroomden na meer dan vijftien jaar uit. Bij hun vertrek waren dat dus geen jongeren meer. Een nadere analyse leert dat de gemiddelde verblijfsduur van jongeren (leeftijd 18-27 bij instroom) in de hier onderzochte groep 7,6 jaar bedroeg.
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
30
figuur 22 Woonduur op 1 januari 2014 en verblijfsduur bij vertrek van hoofdbewoners in woningen die momenteel (op 1 januari 2021) met een jongerencontract worden verhuurd ; bewoners die bij instroom 18 -27 jaar oud waren
8% 5% 15%
11% 11% langer dan 15 jr.
15%
29%
12%
10-15 jaar 5-10 jaar
25%
3-5 jaar 2-3 jaar
46%
14%
korter dan 2 jr.
11% woonduur op 1 januari 2014
verblijfsduur bij vertrek
Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
Een referentie voor het alternatief: een contract voor onbepaalde tijd Die gemiddelde verblijfsduur van 7,6 jaar mag worden beschouwd als indicatief voor verhuringen aan jongeren met een contract voor onbepaalde tijd. Het gaat hier om dezelfde woningen die thans met een jongerencontract worden verhuurd (voor zover die in 2014 ook al waren) en om de verblijfsduur van hoofdbewoners die er als jongeren waren komen wonen. Dichter bij een referentiegroep (controlegroep) kunnen we niet komen. De marktomstandigheden waren toen wel anders, dus dat maakt vergelijken lastig. Toch is het waarschijnlijk dat als dezelfde woningen (thans verhuurd met een jongerencontract) nu met een contract voor onbepaalde tijd aan jongeren zouden worden verhuurd, de gemiddelde verblijfsduur zeker niet korter dan 7,6 jaar zou uitvallen. Het is immers alleen maar lastiger geworden om door te stromen. Wat in 2014 overigens al wel uitmaakte binnen de hier onderzochte adressen (thans verhuurd met jongerencontract) was de grootte van de woning. Uit kleinere woningen (kleiner dan 50 vierkante meter) vertrokken jongeren relatief snel, namelijk na gemiddeld 6,1 jaar (tegen 7,6 jaar voor alle adressen). Het helpt dus om jongeren een niet te grote woning te verhuren. Dit vergroot de kans dat ze uit zichzelf (zonder verdere stok achter de deur) vertrekken.
Vertrekkers en hun lotgevallen De duur van een jongerencontract is vijf jaar, maar dat wil niet zeggen dat iedereen tot het laatste moment wacht met vertrekken. Er zijn er ook die veel korter in de woning verb lijven, soms niet meer dan enkele maanden. In de onderzoekspopulatie zijn de bewoners met jongerencontracten te volgen vanaf 2017. Van de instromers uit 2017 is op 1 januari 2021 nog 68% op het adres aanwezig, van de instromers uit 2020 nog 9 7% (hoofdbewoners).
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
31
Hierbij moeten we bedenken dat het om mensen gaat die zich in een turbulente levensfase bevinden, waarin veel in korte tijd kan veranderen. Jonge mensen verhuizen om allerlei redenen die vaak niets met de woningmarkt te maken hebben: werk, studie, re laties (aan / uit), avontuur. Een vertrek hoeft dus niet (of niet primair) ingegeven te zijn door de noodzaak om binnen vijf jaar door te stromen, noch door de wens of de kans om de woonsituatie te verbeteren. Verhuismotieven zijn met bevolkingsregistraties niet te achterhalen. Van 720 vertrokken hoofdbewoners kon aan de hand van de CBS Microdata wel worden vastgesteld wat er met ze is gebeurd. Het gaat om bewoners die in 2017, 2018, 2019 of 2020 zijn vertrokken. De meesten (80% van de onderzochte groep) vertrokken binnen twee jaar, de gemiddelde verblijfsduur was 1,9 jaar. Dat is een selecte groep. Het onderzoek komt te vroeg om in de registraties (Microdata) al gevallen te vinden van bewoners die langer dan vier jaar op een jongerencontract huren, laat staan om jongeren te vinden die bij afloop van het contract of kort daarvoor (al dan niet door tijdsnood afgedwongen) zijn vertrokken. Gemaakte stappen Wanneer wordt gekeken wat er met de vertrekkers is gebeurd, blijkt dat een deel Amsterdam heeft verlaten en een deel zelfs in het geheel niet meer in de Nederland is terug te vinden (figuur 23).
Daarbij speelde ongetwijfeld ook heel andere motieven mee dan de woningmarkt. Ruim één op de acht vertrokken hoofdbewoners (14%) is bij de ouders ingetrokken, in Amsterdam of elders in Nederland. figuur 23 Woonsituatie op de dag na vertrek uit de woning met het jongerencontract (hoofdbewoners, vertrokken 2017 tot en met 2020)
Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
Ruim een derde (36%) van alle vertrokken hoofdbewoners is opnieuw in een corporatiewoning in Amsterdam gaan wonen (niet die van hun ouders). Een kleine minderheid (5%) is terug te vinden in een koopwoning (niet die van hun ouders), 6% woont in een niet-woning. Dit laatste kan van alles zijn, van een woonboot tot antikraak in een bedrijfspand. Ook verhuizing naar een instelling (waarbij de betreffende persoon de status ‘lid van een institutioneel huishouden’ krijgt), bijvoorbeeld een huis van bewaring, valt in deze categorie. Ook dat komt voor.
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
32
Sommige vertrekkers hebben nog voor hun 28 ste verjaardag nogmaals gebruik gemaakt van de voorrangsregeling voor jongeren in de sociale huur. Nader onderzoek (niet in de figuur en tabellen weergegeven) leert dat 16% van alle vertrokken hoofdbewoners wederom een woning met een jongerencontract bewoont. Mutatiegraad Het onderzoek komt te vroeg om op grond van registraties te kunnen vaststellen hoe lang bewoners gemiddeld op een woning met jongerencontract verblijven. Op grond van het tempo van uitstroom en de lotgevallen van de vertrekkers tot nu toe kan wel een schatting worden gemaakt van de mutatiegraad die uiteindelijk zal worden bereikt. De bewoners uit 2017 die tot nu toe vertrokken hebben gemiddeld 1,9 jaar in de woning me t jongerencontract gewoond. Stel dat de resterende 68% de volledige vijf jaar vol maakt, dan komt de gemiddelde woonduur voor de gehele groep uit op 4 jaar. In de praktijk zullen niet alle resterende bewoners de volle vijf jaar uitzitten, waardoor het gemi ddelde wordt gedrukt. Daar staat tegenover dat een deel van de uitstromers (16% tot nu toe) opnieuw met een jongerencontract huurt, waardoor hun totale verblijf op een jongerencontract boven de vijf jaar kan uitkomen. Alles bij elkaar is een gemiddelde van verblijfsduur 4 jaar een goede ‘educated guess’. Dit komt neer op een mutatiegraad van 25%.
Veranderingen in het huishouden Vertrokken bewoners zijn niet alleen verhuisd, de verhuizing is ook in een substantieel aantal gevallen samengegaan met een verandering in het huishouden. Dit kon worden vastgesteld door de huishoudenspositie van de vertrekkers op de dag van vertrek te vergelijken met die op de dag na vertrek. Er blijken zowel bewoners te zijn gaan scheiden als te zijn gaan samenwonen (zie figuur 24) In dat laatste geval gaat het om een overgang van een alleenstaande of een alleenstaande ouder op het oude adres naar een partner in een meerpersoonshuishouden, al dan niet met kind(eren), op het nieuwe adres. Sommige bewoners zijn bij hun ouders ingetrokken, al dan niet in combinatie met een scheiding. Sommige veranderingen (of juist geen verandering) komen te weinig voor om ze nog apart te mogen onderscheiden. In de figuur zijn deze samengenomen onder ‘overig'. Hieronder vallen bijvoorbeeld eenouderhuishoudens (zowel voor als na verhuizing), bewoners die met een ander familielid dan de ouders of met anderen zijn gaan wonen en ook bewoners die ‘geïnstitutionaliseerd’ zijn, bijvoorbeeld in een huis van bewaring. Ook dat komt voor.
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
33
figuur 24 Ontwikkeling in huishoudenspositie van uit woningen met een jongerencontract vertrokken hoofdbewoners
100% 90%
80%
overig partner in meerpers. hh. gebleven
70% 60%
alleenstaand gebleven
overig partner in meerpers. hh. gebleven alleenstaand gebleven gescheiden
50% 40% 30%
gaan samenwonen
gescheiden
20%
gaan samenwonen
10%
bij ouders ingetrokken
0%
binnen A'dam gebleven
bij ouders ingetrokken
naar elders in NL verhuisd
Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
Alle vormen van verandering (of juist geen verandering) komen zowel voor bij mens en die in Amsterdam zijn gebleven als bij mensen die de stad uit zijn getrokken. Er zijn wel accentverschillen. Binnen Amsterdam zijn het naar verhouding meer alleenstaanden die ook na verhuizing wederom alleenstaand zijn. Mensen die bij hun ouders zijn in getrokken treffen we vaker aan onder degenen die de stad hebben verlaten.
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
34
Instroom van jongeren in corporatiewoningen De jongerencontracten vormen een onderdeel van een ruimer aanbod corporatiewoningen. En ook in het verleden boden corporaties huisvestin g aan jongeren. Teneinde meer inzicht te krijgen in de beschikbaarheid van corporatiewoningen in het algemeen, en voor jongeren in het bijzonder, wordt in de nu volgende analyse gekeken naar de ontwikkeling van de instroom in corporatiewoningen door de tijd. Ook worden jongeren door de tijd gevolgd, om te zien hoe hun huisvesting, en dan vooral het aandeel van de corporaties daarin, zich gedurende hun verblijf in Amsterdam ontwikkelt.
Ontwikkeling van de instroom Nadat in hoofdstuk 4 de huurders met een jongerencontract in beeld zijn gebracht, is het zinvol om weer een stukje uit te zoomen naar de instroom in corporatiewoningen als geheel en de ontwikkeling daarvan in de tijd. Naast jongeren van diverse leeftijden kijken we daarbij ook naar andere leeftijden. Op die manier krijgen we een indruk in hoeverre de totale instroom sinds de uitrol van het jongerencontract van omvang en samenstelling is veranderd. Ook kijken we naar de voorgeschiedenis van de jonge instromers: gaat het om ‘oorspronkelijke’ Amsterdammers of om jongeren die nog niet zo lang in de stad wonen? figuur 25 Hoofdbewoners met een woonduur korter dan een jaar in corporatiewoningen, gemeten op 1 januari van het betreffende jaar
aantal hoofdbewoners met woonduur korter dan 1 jaar
16.000 14.000
12.000 10.000
41%
38%
38%
8.000 6.000 4.000 2.000 -
21% 4% 20%
22%
20% 4%
4% 21%
35% 37% 19%
4%
20%
23%
39%
39%
38%
36%
35+
28-34 j. 27 j.
22%
19%
18%
20%
19%
5%
5%
7%
7%
7%
22%
21%
19%
19%
22%
13%
15%
17%
18%
14%
16%
17%
16%
15%
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
23-26 j. 18-22 j.
Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
In figuur 25 is de jaarlijkse instroom in alle corporatiewoningen weergegeven, inclusief studentenwoningen en vrije sector en inclusief ‘jongerencontracten’; die subsegmenten zijn in deze analyse niet afzonderlijk te onderscheiden. De woningen kunnen op heel uiteenlopende manieren zijn vrijgekomen: nieuwbouw, vertrek, overlijden, samenwonen en doorstroming. En in de tussentijd is ook de Amsterdamse populatie aan verandering onderhevig. Dit maakt interpretatie lastig. Niettemin zijn wel enkele relevante trends te constateren die (mede) gerelateerd kunnen worden aan het jongerencontract.
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
35
Onderscheid is gemaakt naar leeftijd van de hoofdbewoners op het moment van instroom. 14 Het gaat hier om alle ‘hoofdbewoners’ (inclusief studenten), de het afgelopen jaar op het adres zijn komen wonen, gemeten op 1 januari. Relatief constante dynamiek Uit de figuur zijn de volgende conclusies te trekken. Ten eerste blijkt dat de totale instroom in corporatiewoningen in de loop der tijd relatief constant is van omvang. Het aantal hoofdbewoners in corporatiewoningen met een woonduur korter dan een jaar schommelt rond de 13.000. Dit is de laatste jaren niet wezenlijk veranderd. De invloed van het jongerencontract op het totale aanbo d van corporatiewoningen is met 1.500 tot 2.000 verhuringen per jaar substantieel. Het is lastig te zeggen hoe de situatie zich had ontwikkeld zonder het jongerencontract. Tot nu toe zijn er nog zo weinig jongerencontracten beëindigd, dat het effect hiervan niet merkbaar doorklinkt in het totale aanbod (instroom in) corporatiewoningen. Er zijn nog maar weinig adressen al voor een tweede of volgende keer verhuurd met een jongerencontract. Andere ontwikkelingen, zoals vergrijzing in het huurdersbestand, liberalisaties en verkoop van woningen en gewijzigde marktomstandigheden, kunnen dit effect bovendien teniet hebben gedaan. Voordeel voor 27-jarigen Voorts blijkt dat de instroom naar leeftijd op het eerste gezicht relatief constant is in de tijd.
Rond de 42% van alle hoofdbewoners in corporatiewoningen met een woonduur korter dan een jaar is jonger dan 27 jaar. Dit is wel inclusief studenten; die zijn hier niet apart te onderscheiden. Jongeren zijn bovengemiddeld actief op de woningmarkt. Ter vergelijking: jongeren maken slecht 20% uit van alle volwassen inwoners in Amsterdam. Pas als we sterk inzoomen op afzonderlijke leeftijden, springt de leeftijd van 27 jaar er uit. Die groep stroomt de laatste jaren beduidend vaker in dan voorheen. Hierin is het effect van het jongerencontract te zien. Het is ook in lijn met het gegeven dat we vooral ‘oudere jongeren’ in woningen met een jongerencontract aantreffen. Daar staat tegenover dat jongeren in andere leeftijden niet vaker instromen dan in het verleden. De instroom van jongeren in de leeftijd 23 tot en met 26 is na een piek in 2016 juist afgenomen . Deze afname kan het effect van zijn van het einde van het experiment met jongerencontracten voor jongeren tot 22 jaar (gestart in 2011) en het feit dat sinds 2018 maximaal 25% mag worden verloot. Dit is niet verder onderzocht.
Voorgeschiedenis: in Amsterdam opgegroeid of later gevestigd Studenten zijn niet apart uit de data te halen, maar meer inzicht in de achtergrond van de instroom biedt het onderscheid tussen jonge instromers die in Amsterdam zijn opgegroeid en jongeren die pas op latere leeftijd naar Amsterdam zijn gekomen. Eerder (in paragraaf
14
Onder een hoofdbewoner wordt verstaan degenen die zich als eerste op een adres heeft ingeschreven. Bij gelijktijdige inschrijving (op dezelfde datum) van meerdere personen geldt de oudste. Bij doorsnede op 1 januari is er altijd precies één hoofdbewoner per adres. Het aantal hoofdbewoners met een woonduur korter dan een jaar is indicatief voor het aantal in het afgelopen jaar beschikbaar gekomen adressen. Alleen indien hetzelfde adres binnen het jaar meerdere keren is vrijgekomen is dit een onderschatting. Deze analyse betreft alle zelfstandige corporatiewoningen.
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
36
4.2) bleek al dat ‘oorspronkelijke Amsterdammers’ onder de bewoners met een jongerencontract relatief sterk vertegenwoordigd zijn; ruim de helft van de hoofdbewoners is in A msterdam opgegroeid. Van alle jonge instromers (18-27 jaar, inclusief studenten) in alle corporatiewoningen (inclusief studentenwoningen en inclusief vrije sector) maken ‘oorspronkelijke’ Amsterdammers in 2020 30% uit. Daarmee is ook de corporatiesector als geheel voor jonge ‘oorspronkelijke’ Amsterdammers relatief belangrijk, want op alle in 2020 door jongeren betrokken adressen (niet alleen corporatiewoningen) is slecht 16% van de instromers in Amsterdam opgegroeid. Hieruit blijkt nog maar weer eens hoe invloedrijk de jonge instroom van buiten de stad is. In figuur 25 is de instroom van jongeren in corporatiewoningen (niet alleen jongerenwoningen) weergegeven met onderscheid in voorgeschiedenis en leeftijd. Tevens is de instroom in 2020 vergeleken met die in 2015. In 2020 zijn meer ‘oorspronkelijke’ Amsterdammers (opgegroeid in Amsterdam) ingestroomd dan in 2015: een toename in de leeftijd 23 -27 jaar en een lichte afname in de leeftijd 18-22 jaar. De instroom van jongeren die pas op latere leeftijd in Amsterdam zijn komen wonen nam af. figuur 26 Hoofdbewoners met een woonduur korter dan een jaar in corporatiewoningen, gemeten op 1 januari 2016 (instroom 2015) en op 1 januari 2021 (instroom 2020)
aantal instromers (hoofdbewoners)
18 t/m 22 j. bij instroom
23 t/m 27 j. bij instroom
3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 in A'dam opgegroeid later in A'dam komen in A'dam opgegroeid later in A'dam komen *) wonen **) *) wonen **)
instroom 2015
instroom 2020
*) 10 jaar geleden al in Amsterdam, **) 10 jaar geleden nog niet in Amsterdam Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
Het is zeer aannemelijk dat het toegenomen aantal (en aandeel) verhuringen aa n jonge ‘oorspronkelijke’ Amsterdammers mede te danken is aan het jongerencontract. Dit contract werkt door de manier van toewijzen (grotendeels op inschrijfduur) immers in het voordeel van woningzoekenden die zich op hun achttiende bij WoningNet hebben ingeschreven. De afname van de instroom ‘Amsterdammers van buiten’ is lastiger te duiden. Er zijn veel externe invloeden, zoals de invoering van het leenstelsel (de figuur is inclusief studenten) en de fluctuatie in het aantal statushouders. Wel is het opmer kelijk dat de instroom ‘Amsterdammers van buiten’ in corporatiewoningen is afgenomen, terwijl het totaal aantal ‘import-jongeren’ in Amsterdam is toegenomen.
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
37
Opmars van de particuliere huursector In het voorgaande is geconstateerd dat het totaal aantal jon geren in Amsterdam is toegenomen, dat de instroom van jonge hoofdbewoners in corporatiewoningen nagenoeg constant is en dat het marktaandeel van corporaties onder jongeren is afgenomen. Dit roept de vraag op waar de jongeren dan wel instromen. In het kader hiervan valt de toename van de particuliere huursector op. Dit segment is geen onderwerp van onderzoek, maar het is wel relevant om dit te constateren. In de particuliere huursector liggen de huren gemiddeld hoger dan in corporatiewoningen (63% valt in de vrije sector) en wordt steeds vaker gewerkt met tijdelijke contracten. 15 Dit zijn geen jongerencontracten maar huurcontracten van maximaal twee jaar. In figuur 27 is te zien dat de instroom in particuliere huurwoningen onder ‘oudere jongeren’ sterk is toegenomen, terwijl de instroom in corporatiewoningen door de jaren heen min of meer constant is gebleven. figuur 27 Hoofdbewoners in de leeftijd 18 -27 jaar (bij instroom) die het afgelopen jaar op het adres zijn komen wonen, naar segment (met in % het aandeel corporatiewoningen)
14.000 12.000 10.000 onbekend
8.000
koop
6.000
part. huur 32%
29%
27%
26%
24%
24%
2018
2019
2020
2021
31% 2015
2016
33%
2017
31% 2013
2014
2021 26%
2019 34%
18-22 jaar
2020 30%
2018 33%
2016 36%
2017 30%
-
2015 38%
2.000
2013 26%
4.000
2014 32%
aantal hoofdbewoners met een woonduur korter dan 1 jaar
16.000
corporatie
23-27 jaar
Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
Particulier huur vooral betrokken door ‘import’-Amsterdammers Wanneer voor alle sectoren onderscheid wordt gemaakt in enerzijds jongeren die in A msterdam zijn opgegroeid (tien jaar geleden ook al in Amsterdam woonachtig) en anderzijds jongeren die op latere leeftijd in Amsterdam zijn komen wonen, blijkt opnieuw het relatief grote belang van corporatiewoningen voor de ‘oorspronkelijke’ Amsterdammers (zie figuur 28). Jongeren die korter dan tien jaar in de stad wonen (en die dus overwegend na hun achttiende in de stad zijn komen wonen) betrekken juist relatief vaak een particuliere huurwoning. Tevens blijkt opnieuw de enorme en toegenomen dominantie van ‘import-jongeren’ in de gehele dynamiek, in het bijzonder in de particuliere huur. En voor zover jongeren koopwoningen betrekken zijn dat ook vooral jongeren ‘van buiten’.
15
Bron: Wonen in Amsterdam 2021 (Factsheet)
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
38
figuur 28 Hoofdbewoners in de leeftijd 18-27 jaar (bij instroom) die het afgelopen jaar op het adres zijn komen wonen, naar segment en voorgeschiedenis
20.000 18.000 16.000 14.000
12.000
onbekend
10.000 8.000
Koop
6.000
Particulier huur
4.000
Corporatie
2.000 opgegroeid in A'dam *)
later in A'dam komen wonen **)
instroom 2015
opgegroeid in A'dam *)
later in A'dam komen wonen **)
instroom 2020
*) 10 jaar geleden al in Amsterdam, **) 10 jaar geleden nog niet in Amsterdam Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
De corporatiewoning in de levensloop van jongeren In hoofdstuk 3 is geconstateerd dat het profiel van de Amsterdamse jongeren nogal wordt gekleurd door instroom van buiten. Dit maakt het lastig om iets over hun wooncarrière te zeggen. We kunnen wel constateren dat, bijvoorbeeld, 25-jarigen minder vaak bij hun ouders wonen dan 24-jarigen, maar die vergelijking is niet scherp vanuit het oogpunt van de wooncarrière. De 25-jarigen van nu zijn niet allemaal dezelfde personen als de 24 -jarigen van een jaar eerder. Daar zitten veel nieuwkomers bij, terwijl sommige 24 -jarigen van een jaar eerder de stad hebben verlaten.
5.2.1 Een generatie jongeren, gevolgd in de tijd Levensloop In de nu volgende analyse worden dezelfde Amsterdamse jongeren door de tijd gevolg d, voor zover ze zich nog in Amsterdam bevinden. Dit geeft voor een specifieke lichting jongeren een zo scherp mogelijk beeld van hun levensloop in het algemeen en hun wooncarrière in het bijzonder. Aan de hand van figuur 29 kan worden uitgelegd hoe dit werkt. In deze figuur zijn Amsterdamse jongeren vanaf hun 24 ste van jaar op jaar gevolgd, voor zover ze nog in Amsterdam woonden, te beginnen in het jaar 2012 en eindigend in het jaar 2021. Het gaat telkens om dezelfde personen (ook wel een ‘lichting’ of een ‘cohort’ genoemd). In 2012 waren zij 24 jaar oud en in 2021 dus 33. Allemaal zijn ze geboren in 1987 (niet per se in Amsterdam) en woonden ze in 2012, dus op hun 24 ste , in Amsterdam. De leeftijd van 24 is niet toevallig gekozen, zoals zal blijken in paragraaf 5.2.2.
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
39
figuur 29 Levensloop in Amsterdam van het cohort inwoners, geboren in het jaar 1987, naar positie in het huishouden (in percentage het aandeel dat bij hun ouders wo ont)
16.000 institutioneel
14.000 12.000
lid meerpersoonshuishouden met kind(eren)
10.000
lid meerpersoonshuishouden zonder kinderen
8.000
6.000 alleenstaand
4.000 2.000
19% 18% 17%
-
inwonend kind
15% 14% 12% 11% 11%
10% 9%
2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
De figuur levert verschillende inzichten. Ten eerste blijkt dat de groep ieder jaar kleiner is geworden. Op hun 29 ste (na vijf jaar, dus in 2017) woonde nog 61% van de oorspronkelijke groep in de stad. De rest woont niet meer in Amsterdam. Dat is een heel contrast met de toename per leeftijd uit figuur 1. Verder blijkt dat, voor zover ze nog in de stad wonen, het aandeel dat bij hun ouders woont is afgenomen, namelijk van 19% in 2012 naar 9 % in 2021. Op hun 33 ste woont dus toch nog 9% nog altijd (of wederom) bij hun ouders. Dat is veel in vergelijking met 4% onder alle 33-jaringen in Amsterdam in 2021. Tot slot blijkt dat naarmate de groep ouder wordt, er steeds meer een huishoudens met kind eren vormen. Op de leeftijd van 33 is dat dan weer niet zo vreemd. figuur 30 Huisvesting in Amsterdam van het cohort inwoners, geboren in het jaar 1987, naar segment, exclusief bij ouders of in een instelling inwonend (in percenta ge het aandeel woonachtig in een corporatiewoning).
14.000 12.000 10.000 onbekend
8.000
koop 6.000
part. huur
4.000
corporatie
2.000
30%
31%
32%
32%
32%
31%
31%
32%
32%
33%
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
-
2012
Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
40
Wooncarrière Van de ‘lichting 1987’ is in figuur 30 weergegeven hoe ze (voor zover nog in Amsterdam) zijn gehuisvest qua segment. Het gaat hier om degenen die niet bij hun ouders wonen en ook niet institutioneel. Te zien is dat in 2012, dus op de leeftijd van 24, een groot deel in een huurwoning van een particulier woonde. Op latere leeftijd verschuift het accent en vinden we naar verhouding een steeds groter deel van de slinkende groep in een koopwoning. Het aandeel dat in een corporatiewoning woont schommelt rond de 31%. Voor alle duidelijkheid: het gaat hier om aantallen personen, niet om woningen.
5.2.2 Trends in wooncarrières In de vorige paragraaf is de ‘lichting 1987’ (geboren in 1987) vanaf hun 24 ste in de tijd gevolgd. Deze mensen waren 24 jaar oud toen ze in 2012 in Amsterdam woonden en hebben dus de uitrol van het jongerencontract gemist. In 2016 waren ze 28, te oud om er nog van te kunnen profiteren. Voor de lichtingen die daarna kwamen was dit niet het geval. Wie in 2014 24 was, was in 2016 26 en had in beginsel de juiste leeftijd om nog twee jaar aanspraak te kunnen maken op een woning met jongerencontract (althans wat leeftijd betreft). Wie in 2018 24 jaar oud was, had in beginsel nog langer kans. De vraag dient zich op of hier ook wat van te zien is in de cijfers. Deze vraag is onderzocht door achtereenvolgende lichtingen Amsterdamse 24 -jarigen te volgen in de tijd, vanaf het jaar dat ze 24 waren en voor zover ze nog in Amsterdam aanwezig waren. Daarbij is gekeken naar twee indicatoren: het aandeel dat (nog) bij de ouders woont en het aandeel dat in corporatiewoningen woont. figuur 31 Aandeel Amsterdammers dat no g bij hun ouders woont, op de leeftijd van 24 jaar en (voor dezelfde personen) in de daarop volgende jaren
20%
aandeel bij ouders wonend
leeftijd 24 18% 16%
leeftijd 24 leeftijd 24
25
25 26
26
25
28 14% 12% 10%
27
26
27
geboortejaar 1987
28
27
geboortejaar 1990
29 30
28 31
geboortejaar 1992
29 32
30 leeftijd 33
8% 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
Wanneer wordt gekeken naar het aandeel dat nog bij de ouders woont ( figuur 31) is er weinig verschil te zien tussen achtereenvolgende lichtingen 24 -jarigen. Dit aandeel neemt af, maar die afname is voor de verschillende lichtingen ongeveer gelijk. In de figuur is met bolletjes aangegeven wanneer de verschillende lichtingen 27 en 28 jaar ou d waren.
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
41
figuur 32 Aandeel Amsterdammers dat woont in een huurwoning van een corporatie, op de leeftijd van 24 jaar en (voor dezelfde personen) in de daarop volgende jaren (exclusief bij oud e r s o f i n e e n i n s t e l l i n g w o n e n d ) 16
aandeel woonachtig in een corporatiewoning
34% 32%
30% leeftijd 24
26
27
28
25
25
29
30
26
27
31
leeftijd 33
32 30
28
29 28
leeftijd 24
28%
25 leeftijd 24
27
geboortejaar 1987 geboortejaar 1990
geboortejaar 1992
26
26% 24% 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021
Bron: CBS Microdata, bewerking RIGO
Kijken we naar het aandeel in corporatiewoningen, dan is er wel verschil te zien tussen de achtereenvolgende lichtingen 24-jarigen. In figuur 32 is met bolletjes aangegeven het jaar waarin de diverse lichtingen 27 respectievelijk 28 jaar oud waren. In de lichting 1992 (24 jaar in 2017, 27 jaar in 2020, 28 jaar in 2021) is een duidelijke toename te zien tussen 2020 en 2021. Die toename is niet te zien in voorgaande lichtingen, toen zij deze leeftijd hadden. Of deze toename bij de jongste generaties te danken is aan het jongerencontract is uit deze cijfers niet ondubbelzinnig op te maken. Het is wel een aannemelijke verklaring. We zagen immers al dat het vooral 27-jarigen zijn die instromen met een jongerencontract en dat veel verhuringen de laatste tijd plaatsvonden op inschrijfduur (en voorheen vaker door middel van loting). Bij verhuring op inschrijfduur zijn de 27 -jarigen in het voordeel. Wel blijkt ook dat het aandeel dat in corporatiewoningen woon t onder de achtereenvolgende lichtingen jongeren over de hele linie gedaald is. De jongste lichting maakte op hun 27 ste een inhaalslag.
16
Leesvoorbeeld: Personen geboren in 1987 waren in het jaar 2012 24 jaar oud. In 2015 waren zij 27 jaar oud. Degenen van deze oorspronkelijke groep 24-jarigen die nog in Amsterdam woonden (en niet bij hun ouders of in een instelling), waren in dat jaar voor 32% woonachtig in een corporatiewoning. Een jaar later waren zij 28 jaar oud. Degenen die toen nog altijd in Amsterdam woonden waren nog altijd voor bij 32% (om precies te zijn 31,7%) woonachtig in een corporatiewoning.
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
42
Ervaringen en beleving van (ex-) huurders Dit hoofdstuk richt zich op de ervaringen en beleving van de huurders en ex-huurders met een jongerencontract. Er is een enquête ingevuld door 1.623 respondenten (19,8% respons) en daarnaast zijn er focusgroepen en interviews gehouden met 16 jongerencontractbewoners en een aantal corporatiemedewerkers. Met deze onderdelen zijn er varingen, dilemma’s en beweegredenen van huurders met een jongerencontract in beeld gebracht. De ervaringen van (ex-)bewoners lopen uiteen. Dat is niet zo gek, gezien het grote verschil in leeftijd tussen de jongste en oudste bewoners op een jongerencontract en de variatie aan levensfases waarin twintigers en begin dertigers zich in het algemeen bevinden. Desondanks zijn er ook tal van overeenkomsten en tellen de bevindingen uit de diverse bronnen op tot een congruent beeld. In dit hoofdstuk gaan we achtereenvolgens in op de ervaringen bij het begin van het jongerencontract, tijdens het wonen, en tegen/na afloop van het contract.
De keuze voor een jongerencontract (in het verleden) De beginperiode van het jongerencontract is veelal positief ervaren. Mensen waren erg blij, hadden lang gereageerd op woningen en kwamen uiteindelijk in aanmerking, of werden plotseling ingeloot. Het voelde voor velen als een hele mooie kans. In de enquête komt het beeld terug dat veel jongeren konden instromen in een jongerenwoning op 27-jarige leeftijd. Bijna 40% van de respondenten geeft aan bij hun eerste jongerencontract 27 jaar te zijn geweest. Nog eens ongeveer 40 % van de jongeren was tussen de 23 en 26 jaar bij aanvang van hun eerste jongerencontract. Dit is in lijn met de registraties op basis van de Microdata: het accent ligt op de ‘oudere jongeren’. De jongste groepen, respondenten die tussen de 18 en 22 jaar hun eerste jongerencontract kregen, maken zo ’n 20% van het totaal aantal respondenten uit. figuur 33
Leeftijd bij eerste jongerencontract, n = 1.623
700
37%
600 500 400
300 11% 11%
200 100
0%
0%
1%
1%
2%
4%
8% 10%
12%
3%
0%
0%
0%
0%
0%
-
Zowel uit de enquête als uit de focusgroepen en interviews blijkt dat jongeren het jongerencontract meestal ervaren als een negatieve optie (er is niets anders), en niet vaak in eerste
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
43
instantie als een positieve (ik kies deze optie uit alle opties). De enquête respondenten geven bijvoorbeeld het meest aan dat het de enige optie was waarvoor men volgens de wachtlijst in aanmerking kwam, en dat het de enige (betaalbare) optie was. Er werd niet v aak aangevinkt dat het ervaren wordt als iets dat bij de levensfase past. figuur 34
Reden keuze jongerencontract, meerkeuzevraag, n = 1.377
Het is het enige waarvoor ik volgens de wachtlijst in aanmerking kwam; 36% Het is de enige (betaalbare) optie bij gebrek aan een alternatief; 31% Het is een mooie kans om de eerste jaren betaalbaar zelfstandig te kunnen wonen; 16% Het geeft mij stabiliteit en rust om mijn leven en eventueel carrière op te bouwen; 10%
Het huren met een jongerencontract voelt als iets dat past bij de levensfase; 4% Ik heb er op dat moment niet over nagedacht; 2% Anders; 1% 0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
40%
Ook in alle gesprekken hebben we gevraagd hoe of waarom men had gekozen voor een jongerencontract, en daar kregen we veelal opgetrokken wenkbrauwen over het woord ‘keuze’. Het was in de ervaring van de respondenten veruit de beste of enige optie die ze hadden. Niemand kende iemand in de omgeving die niet in was gegaan op een aanbod van een j ongerenwoning. In bijgaande figuur is ook te lezen waar respondenten van de enquête dachten nu te wonen, als ze niet via een jongerencontract hadden gewoond; veelal bij familie, vrienden of op kamers. figuur 35
Woonlocatie zonder jongerencontract, n = 1.377
Bij mijn ouders of familie in Amsterdam; 23% Inwonend bij anderen (een gedeelde woning) of op kamers in Amsterdam; 18% Ik weet het niet; 17% Niet ingevuld; 15% Niet in Amsterdam; 14% In een andere sociale huurwoning in Amsterdam; 6% In een huurwoning in de vrije sector in Amsterdam; 4% Anders; 3% 0%
5%
10%
15%
20%
25%
In de interviews waren er wat positieve geluiden, vooral over de beginperiode (‘ik heb het heel positief ervaren dat ik een zelfstandige woning kreeg, ik ben er echt heel blij mee ’). De meeste geïnterviewden waren er in hun oordeel genuanceerder over:
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
44
‘Toen ik 27 was en veel vrienden hierover hoorde, dacht ik echt ‘wow fantastisch’. Voor mij was het de oplossing voor een betaalbare woning in Amsterdam, zo heb ik dat nog steeds in mijn hoofd. Het is een kans voor mij op een ei gen woning zonder dat ik daar een godsvermogen aan kwijt ben. Daarnaast ben ik heel blij met de ruimte, maar… toen ik met mijn vader de houten vloer ging leggen… je steekt wel tijd en energie in iets wat maar voor 5 jaar is. ’ Een alleenstaande ouder gaf in een interview aan: ‘Ik was eigenlijk blij dat het er was want sta sinds mijn 18 e ingeschreven bij woningNet, maar een woning krijgen is onmogelijk. En het was ook nog eens met woonduurbehoud, dat was top, dan kan je toch op jezelf en je woonduur behouden en ondertussen reageren. Dat ben ik blijven doen, dacht dat ik daarna wel een woning zou hebben, na die 5 jaar. Maar ik kom nog steeds absoluut niet in aanmerking.’ En iemand anders verwoordde het zo: ‘Op dat moment [bij aanvang] klinkt het ook heel mooi, voor nu is het echt een goede oplossing. Je stelt jezelf vrij van heel veel stress voor 5 jaar (denk je). ’ Ook bij een aantal andere geïnterviewden hoorden we een vergelijkbaar patroon. Bij aanvang was iedereen heel blij om iets gevonden te hebben, en lee k vijf jaar heel lang.
Veel respondenten hadden ook verteld gekregen dat ze na de vijf jaar waarschijnlijk wel genoeg inschrijftijd zouden hebben om door te kunnen stromen. Anderen dachten dat hun inkomen zou stijgen in de vijf jaar, en dat ze dan wellicht konden kopen of huren in de vrije sector. Het bleek echter dat vijf jaar snel korter ging voelen dan bij aanvang gedacht, en dat de einddatum steeds meer als een zwaard van Damocles boven de jongeren ging hangen. Veel geïnterviewden gaven aan dat het gevoel van tijd na gemiddeld twee jaar omsloeg.
Ervaringen tijdens het wonen op een jongerencontract We hebben uitgebreid gevraagd naar de ervaringen tijdens het wonen op het jongerencontract. We hebben geprobeerd te achterhalen of er een significant verschil in beleving is tussen jongeren in grotere en kleinere woningen, tussen tijdelijke complexen en woningen in een reguliere wijk, en of het hebben van een jongerencontract effect heeft op gevoelens van buurtbinding. Ook hebben we gevraagd wat er gebeurd is t ijdens corona, heeft dat de ervaring veranderd? De indruk is dat hier wel kleine verschillen in ervaring te ontdekken zijn, maar in vrijwel alle gesprekken en ook in de enquête leek het zo te zijn dat de tijdelijkheid van het contract deze andere zaken overschaduwt. Ontwikkeling in zelfstandigheid We hebben gevraagd hoe het jongerencontract de persoonlijke ontwikkeling, de zelfstandigheid heeft beïnvloed, en er werd in de gesprekken veel beaamd dat men dankzij het jongerencontract de mogelijkheid heeft gekregen om op zichzelf te gaan wonen. Je eigen elektriciteit aansluiten, leren omgaan met de buren, je eigen rustige veilige plek hebben, werden als positief ervaren. Veel geïnterviewden waren blij dat ze die kans hadden gekregen. Maar alle gespreksdeelnemers ervaarden nu wel een mate van vastzitten in de situatie. Omdat het contract tijdelijk is, had het bij veel mensen invloed op overige levenskeuzes.
In de enquête zie je dit ook goed terug. Respectievelijk 35% en 32% van de respondenten geeft aan dat de
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
45
tijdelijkheid invloed heeft op hun carrière en dat ze hun wens om een gezin te beginnen uitstellen. Dat geldt niet voor iedereen overigens; er waren ook respondenten die het zeer oneens waren met deze stelling en zich niet lieten tegenhouden door de onzekerh eid over de huisvesting. Meer dan 60% geeft wel aan dat de tijdelijkheid van het jongerencontract van invloed is (geweest) op hun gemoedsrust. figuur 36
Invloed tijdelijkheid jongerencontract, n = 1.623
Door de tijdelijkheid van het jongerencontract voel/voelde ik mij minder veilig Door de tijdelijkheid van het jongerencontract voel/voelde ik mij minder betrokken bij de buurt Door de tijdelijkheid van het jongerencontract voel/voelde ik mij minder thuis in de buurt De tijdelijkheid van het jongerencontract heeft invloed op mijn carrière (wel of niet van baan veranderen) Door de tijdelijkheid van het jongerencontract stel/stelde ik mijn wens om een gezin te beginnen uit Door de tijdelijkheid van het jongerencontract stel/stelde ik mijn wens om samen te wonen uit De tijdelijkheid van het jongerencontract heeft/had effect op mijn gemoedsrust Zeer eens
Eens
Niet eens, niet oneens
Oneens
12%
14%
16%
14%
29%
24%
14%
22% 23%
14%
20%
14%
28%
16%
19%
14%
23%
19%
13%
11% 11% 12% 32% Zeer oneens
9%
15%
21% 32%
8% 5%
15%
7% 5%
17%
7% 5%
14%
13% 5%
15%
29%
5%
15%
32%
5%
10% 10% 7% 8% 5%
Weet ik niet / n.v.t
Niet ingevuld
Specifiek aan statushouders is in de enquête gevraagd welke invloed het jongerencontract heeft (gehad) op het opbouwen van een zelfstandig leven in Nederland. Opvallend is dat een groot deel van de respondenten (45%) aangeeft dat het jongerencontract een belemmerende werking heeft gehad op de mogelijkheid om stappen te zetten in het leven, zoals het krijgen van kinderen, het vinden van werk of het volgen van een opleiding. Zo ’n 20% is juist het tegenovergestelde van mening: het jongerencontract heeft een positief effect gehad op de mogelijkheid tot het zetten van stappen in het leven van de respondent. Afwachten Alle jongeren die we spraken in de gesprekken waren in één of meerdere levensgebieden aan het afwachten totdat ze meer zekerheid of duidelijkheid hadden waar ze hierna kon den gaan wonen. Er was bijvoorbeeld een respondent die een onderneming aan het bouwen was dankzij de mogelijkheid van huurtoeslag om wisselend inkomen op te vangen, maar niet durfde te gaan samenwonen, voor het geval de relatie niet goed zou gaan, ‘dan heb je je gelukje van een jongerenwoning verspeeld en kan je geen kant op ’. Anderen waren aan het wachten tot ze hun eerste of volgende kind konden krijgen. ‘Over een jaar moeten we eruit, en we weten niet waar we naar toe kunnen.
Ik wil graag een tweede kind je maar verhuizen als je hoogzwanger bent zie ik ook niet zitten, hoe zou dat dan moeten? ’ Sommigen werkten extra hard om te proberen een vrije sector inkomen te krijgen, of om te sparen voor een koophuis. Anderen wilden graag weer aan het werk in de buurt na het krijgen van een kind, maar wisten niet in welke buurt ze terecht zouden komen. De statushouder die we spraken zei: ‘Misschien heb ik straks na de vijf jaar een nieuw huis. Nieuw huis, nieuw leven. Dan kan ik misschien ook aan de opleiding beginnen die ik graag wil doen.’
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
46
Een andere respondent woonde samen op een jongerencontract en raakte ongepland in verwachting. Voor corona keken ze naar koophuizen, maar als twee ondernemers viel bij het begin van de pandemie hun inkomen tijdelijk stil, en ondert ussen stegen de prijzen door. Het is nu buiten bereik. Hun huidige plan is om zo weinig mogelijk te verdienen, zodat ze kans blijven maken op sociale huur. ‘Sinds we een kindje hebben, je houdt eigenlijk alles vast omdat je niet weet waar je naartoe gaat. Zo klein mogelijk aanpakken, ik ben freelancer, ik maak veel kosten om te kunnen investeren. Maar het is belachelijk dat je elke maand moet uitrekenen of je deze maand de klus wel of niet kunt doen, of voor de helft van het geld of zwart of zo. Zwart ga ik ook niet doen want wil toch mijn administratie goed op orde hebben. Ook lastig om met opdrachtgevers te bespreken, ga ik dan vragen of ze het over een langere periode willen uitbetalen? Het is allemaal erg lastig. Je kunt gewoon niet groeien. Mijn vriend en ik moeten komende twee drie jaar echt soort voor een minimum gaan werken, terwijl we eigenlijk wel meer aan zouden kunnen.’
De invloed van de corona-pandemie De corona-pandemie heeft de ervaring volgens alle geïnterviewden niet veel meer stressvol gemaakt, het wonen op een jongerencontract was al stressvol. Corona leek niet veel invloed te hebben gehad op de algehele ervaring van het ‘je bevinden in een wachtstand’. Daar is in alle gesprekken uitvoerig over gesproken door de respondenten. Ook in de enquête is een viertal stellingen voorgelegd aan respondenten over de invloed van de corona-pandemie. De resultaten zijn te zien in onderstaande figuur. Wat opvalt is dat een groot deel van de respondenten (ruim 60%) aangeeft ondanks de corona-pandemie prettig te kunnen blijven wonen in eigen studio of appartement. Bijna de helft ervaarde wel extra stress door de combinatie van de corona-pandemie en de tijdelijkheid van het contract. figuur 37
Invloed van de corona-pandemie, n = 1.623
Tijdens Corona ervaarde ik minder concurrentie van andere 4% 9% woningzoekenden (bijv. buitenlandse studenten en expats) Tijdens Corona was het voor mij moeilijker om naar een andere woning te zoeken (bijvoorbeeld door beperkte bezichtigingen, veranderend aanbod)
20%
Vanwege Corona ervaarde ik extra stress door de tijdelijkheid van mijn jongerencontract
19%
Ondanks Corona ben ik prettig blijven wonen in mijn eigen studio/appartement
21%
Zeer eens
Eens
Niet eens, niet oneens
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
Oneens
15%
18%
21%
18%
17%
13%
15%
31%
15%
25%
43%
Zeer oneens
6%
Weet ik niet
20%
6%
6%
10% 7% 6%
10% 9% 6% 5% 6%
Niet ingevuld
47
Tijdelijke complexen versus gespikkelde woningen en buurtbinding Verschillen tussen tijdelijke complexen en woningen in een reguliere wijk zitten voornamelijk in de verbinding met de omgeving; op de tijdelijke complexen gaan bewoners vooral met elkaar om, wat ook kan komen door de ligging van de complexen en de opzet van de concepten (met community builders etc.). In de reguliere wijk lag het ook wat aan de levensfase; ouders met kinderen hebben veel buurtbinding, alleenstaande jongeren kenden een paar buren, maar niet iedereen. ‘Ik heb ook echt veel buren leren kennen sinds ik een kind heb, hiervoor zei ik ze gedag, nu ken ik ze echt goed. Dat is echt een groot verschil met als je geen kinderen hebt. Je gaat toch dingen doen buiten met je kind, je heb t veel meer aanspraak en maakt sneller een praatje met buren.’ Uit de enquête bleek dat de meningen uiteen lopen over het verband tussen de tijdelijkheid en de mate van binding met de buurt. Een deel van de bewoners voelde zich minder betrokken bij de buurt, maar een even groot deel kon zich juist niet vinden in deze stelling (zie ook figuur 36). Sommige geïnterviewden gaven aan dat je in het laatste jaar ‘afhaakt’. Iemand zei dat er afgelopen zomer weer een complex barbecue werd g ehouden na een onderbreking door de corona-pandemie, en dat hij daar niet meer naar toe was gegaan.
‘Je gaat toch al weg dus dan ga je geen moeite meer steken in je nieuwe buren leren kennen. ’ Veranderende huishoudenssamenstellingen Zoals ook bleek uit de Microdata, zijn sommige jongeren gaan samenwonen of begonnen aan kinderen gedurende hun jongerencontract. Anderen gaven aan dat dat in hun kleine woning (<30m2) niet past. figuur 38
Huishoudenssamenstelling begin jongerencontract , n = 1.623
Niet ingevuld; 1% Alleenwonend met kind(eren); 2%
Samenwonend zonder kind(eren); 9% Samenwonend met kind(eren); 2%
Alleenwonend zonder kind(eren); 86%
In de enquête is gevraagd wat de huishoudenssituatie was aan het begin van het contract, en op het moment van invullen. Het overgrote deel, 86 % van het totaal aantal respondenten, was alleenwonend zonder kind(eren) bij het begin van het jong erencontract. Ter verge-
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
48
lijking: uit de Microdata blijkt dat op 1 januari 2021 82% van de huishoudens in de jongerenwoningen alleenstaand was. Ongeveer één tiende van de respondenten woonde samen met een partner zonder kinderen bij het begin van het jongerencontract. Daarnaast woonde nog een klein percentage alleen met kind(eren) of samen met een partner met kind(eren) aan het begin van het jongerencontract. Op het moment van invullen van de enquête was het percentage alleenwonenden iets gedaald. Dan geeft 12,5% aan samen te wonen met hun partner, 4% met partner en kinderen en 3,5% alleen met hun kinderen. In totaal is dit 20%, wat betekent dat het percentage alleenwonenden zo’n 4% is gedaald na aangaan van het jongerencontract. We hebben in de interviews gevraagd wat men vond van de regel dat het eigenlijk niet de bedoeling is om samen te wonen of kinderen te krijgen op het jongerencontract. Deze twee situaties vonden de respondenten niet vergelijkbaar. Samenwonen op een jongerencontract leek iedereen een prima idee, als de woning groot genoeg is. Sommige respondenten woonden zelf samen: ‘Ik vind het goed als mensen gaan samenwonen, want dan komt er een extra huis vrij. Anders had mijn vriendin ergens anders een kamer gehuurd in Amsterdam, nu is die plek van mijn vriendin ergens anders beschikbaar.
Ik snap dat het niet de bedoeling is, de doorstroom wordt wel beperkt hierdoor, specifiek in de jongerenwoning zelf. Maar nu kunnen we wel sparen om iets te kunnen kopen. ’ Iemand anders was van mening: ‘Je tekent een contract voor 5 jaar, je leven moet niet ineens daardoor bepaald worden. Als je wilt samenwonen moet dat ook gewoon kunnen in die 5 jaar.’ Samenwonen met kinderen werd wel anders ervaren, zowel door mensen die zelf kinderen hadden als door anderen in andere gesprekken. Iemand die zelf geen kinderen heeft zei: ‘Ja, als er niks anders is. Maar voor kind en ouders is het qua stress niet verantwoord om een einddatum te hebben op een contract, onder geen enkele voorwaarde. Die ouders hebben veel stress denk ik en het kind neemt het stressgevoel van de ouders over, zorgt voor zo veel frictie. Dat is echt onverantwoord. ’ De respondenten met kinderen benadrukten dit stressgevoel allemaal, hoewel ze hele verschillende situaties hadden. ‘De kinderen komen ook naar ons toe: ‘wanneer gaan we nou weg’? Ze zijn echt gaan wennen aan de plek, ze voetballen ook bij lokale clubs. Alles is op één plek, alles is voor hun nu bekend. Zelfs zij maken zich zorgen over de volgende stappen, en dat kan echt niet vind ik.
Je wilt je kinderen een huiselijk gevoel geven, een gevoel van veiligheid.’ ‘Sinds ik uit huis ben, ben ik over de stad gaan zwerven, veel onderhuur en toen wilde ik een gezin maar we konden geen huis vinden en toen kwam dat jongerencontract. Ik sta ook sinds mijn 18 e ingeschreven, ik dacht van ‘ja dit jongerencontract is een oplossing voor tijdelijk, heb je in ieder geval voor 5 jaar iets, je kunt dan verder zoeken’, maar de markt is helemaal op hol geslagen eigenlijk en ik vind gewoon helemaal niks.’ ‘En dan heb je ook nog het probleem met scholen. Waar ga je je kinderen inschrijven? Want wij moeten dan bijvoorbeeld verhuizen op het moment dat ons kind de leeftijd heeft dat ze naar school gaat. Aangezien we nog niet weten
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
49
waar we gaan wonen, omdat er zo veel onzekerheid is, kunnen we nog nergens gaan inschrijven, maar er is wel een wachtlijst voor scholen en de gemeente adviseert je om twee jaar van tevoren in te schrijven. Hetzelfde geldt voor de kinderopvang.’ We hoorden tijdens de gesprekken over één situatie waar de ouders met kinderen het jongerencontract toegewezen hadden gekregen. Het is niet onderzocht hoe vaak dit is gebeurd. Wel bleek uit de Microdata dat in 6% van de huishoudens kinderen voorkomen, maar die kunnen ook op het adres geboren zijn. ‘We kregen gewoon een jongerencontract aangeboden, het hebben van kinderen stond als voorrangsregel op een jongerencontract. We waren beide 27 bij aanvang van het contract, we hadden toen drie kinderen en waren in verwachting van het vierde kind. Ik begrijp echt niet waarom ze in dit huis om de 5 jaar nieuwe bewoners willen? Het is een eengezinswoning met 3 verdiepingen . Aan de ene kant is het goed want dan heb je toch een onderdak, maar je moet er dan na vijf jaar weer uit, heel verwarrend en frustrerend. ’ De andere ouders beaamden dit: ‘Het zou niet moeten kunnen, maar er zou een andere oplossing moeten zijn en die is er niet.’ ‘Het wordt op je afgeschoven dat het je eigen schuld is, ik denk ik ga toch niet 5 jaar wachten en beginnen met kinderen.
Een keer toen ik be lde hebben ze letterlijk gezegd dat het toch mijn eigen keuze was om kinderen te krijgen. ’ ‘Ja inderdaad, dan zeggen ze ‘je hebt meerdere kinderen in een éénkamer woning, je eigen keuze om kinderen te nemen’. Maar je wilt toch iets maken van je leven? Dan kan je 50 jaar wachten tot je kinderen moet nemen. Hoelang moet je wachten? 13 jaar wachten?’ De duidelijkheid van de voorwaarden Het was voor alle geïnterviewden vanaf het begin duidelijk dat het contract af zou lopen, en ook in de enquête gaf slechts 2% aan hiervan niet op de hoogte te zijn. In de enquête is specifiek aan uitstromers uit Maatschappelijke Opvang hier een extra vraag over gesteld, en ook zij waren merendeels vanaf het begin goed op de hoogte. Eén geïnterviewde zei hierover: ‘Het was duidelijk, alleen ik had helemaal geen realistisch beeld van de woningmarkt toen ik 22 was. Ik dacht echt dat ik wel zou kunnen doorstromen, maar zo werkt het helaas niet. Dat weten we allemaal.’ Er werd in veel gesprekken gesproken over hoe snel en hoe vaak je e r aan wordt herinnerd door de corporatie dat je contract afloopt, en hoe vervelend dat voor sommigen voelt, omdat ze hard zoeken naar iets anders. ‘Ik dacht aan het begin, vijf jaar is heel lang, dat komt goed. Ik was net getrouwd met mijn man en we woonden goed.
Maar precies na twee jaar kregen we al een eerste brief op de mat, let op: je hebt nog drie jaar, je moet nu al beginnen met zoeken. En dan gaat het spelen in je hoofd. Ik denk er echt elke dag aan en probeer oplossingen te bedenken.’ Een ouder van twee kleine kinderen zei daarover:
Evaluatie jongerencontract Amsterdam
50
‘Ik ben ook gewoon op Facebook aan het zoeken en vragen, of mensen daar weten wat ik het beste kan doen. Ik heb echt veel stress en ik word er heel benauwd van. Steeds maar weer als je reageert, kom je weer op plek 400 nog wat. Ik had gebeld [naar de corporatie] en toen zeiden ze ‘ga maar briefjes in de AH hangen, koekjes bakken en in de buurt uitdelen zodat je contacten maakt en mensen je misschien kunnen helpen. Ga nog maar even proberen en bel over een paar maanden terug.’ Ook iedereen wist dat je tijdens het wonen op het jongerencontract de inschrijfduur behoudt. Er was echter niemand die aangaf dat ze het idee hadden dat dat ze nu zou helpen bij het zoeken op vervolghuisvesting. Velen noemden een nummer, ze komen nu ‘steeds op plek …’ als ze reageren. Het laagste wat we hoorden was plek 80. Op de vraag: ‘wat vinden jullie ervan dat de corporaties jongerencontracten hanteren? ’ kregen we vaak het antwoord dat het natuurlijk zeker beter is om een jongerencontract te hebb en, dan helemaal niks, of in de vrije sector kamermarkt te blijven hangen. ‘Het is een korte termijn oplossing voor een select, mazzel, groepje mensen. Ik support het nog steeds, ja ik ben er nog steeds heel blij mee. Ik heb daardoor heel veel mogelijkheden gekregen die ik anders echt niet had gehad nu. Dan had ik echt nog veel depressiever thuis gezeten. Maar vijf jaar is korter dan ik had gedacht.’
Twee jaar verlengen? De huurovereenkomst eindigt niet automatisch. De verhuurder moet de overeenkomst opzeggen en zich daarbij houden aan de wettelijke opzegtermijn. In de huurovereenkomst moet expliciet worden vermeld dat het om woonruimte gaat die bestemd is voor jongeren en dat de woonruimte na beëindiging opnieuw zal worden verhuurd aan een jongere. De verhuurder kan het na afloop ook verhuren aan studenten of promovendi. Huisvesting voor studenten, promovendi en jongeren is in deze regeling uitwisselbaar. Als de verhuurder het contract na vijf jaar niet opzegt, ontstaat automatisch een huurcontract voor onb epaalde tijd. Verlenging met ten hoogste twee jaar is wettelijk mogelijk. De verhuurder is echter niet verplicht om het contract te verlengen. Corporaties mogen zelf bepalen wanneer ze twee jaar verlengen. De praktijk moet zich nog uitkristalliseren. In de prestatieafspraken met de gemeente en de FAH is hier niets over opgenomen. Corporaties lopen niet te koop met het feit dat deze mogelijkheid überhaupt bestaat, mogelijk om geen valse hoop te wekken. Op de website van De Key over de volgende woonstap bijvoorbeeld wordt de mogelijkheid niet genoemd.