RIB nieuwe armoededefinitie_24-10-24.pdf
Tekst van het document
Raadsinformatiebrief
Aan:
Portefeuillehouder(s): Behandeld door
De leden van de gemeenteraad van Amsterdam 24 oktober 20254 Armoedebestrijding en schuldhulpverlening Marjolein Moorman Directie Inkomen, bestuurszaken.wpi@amsterdam.nl
Onderwerp
Nieuwe landelijke armoedegrens
Datum Portefeuille(s)
Geachte leden van de gemeenteraad, Op 17 oktober jl. presenteerden het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) en het Nederlands instituut voor budgetvoorlichting (Nibud) een nieuwe methode om armoede in Nederland te meten. Waar er voorheen sprake was van 5 verschillende armoededefinities, is er door deze nieuwe meetmethode nu 1 landelijke beleidsmatige armoedegrens. Door de nieuwe methodiek vallen minder huishoudens onder de armoededefinitie. En in Amsterdam vallen in 2023 relatief meer mensen onder deze definitie dan in andere gemeenten. In deze raadsinformatiebrief informeren wij u over deze nieuwe armoedegrens en hoe deze zich verhoudt tot de Amsterdamse grenzen om in aanmerking te komen voor minimaregelingen. Veranderingen ten opzichte van eerdere methoden De nieuwe methode verschilt op een aantal punten van de voorheen gebruikelijke methoden om de omvang van armoedeproblematiek te bepalen. Zo worden de werkelijke kosten die mensen besteden aan wonen en energie meegenomen in plaats van gemiddelden. Daarnaast worden de minimale uitgaven meegenomen om volwaardig mee te kunnen doen in de samenleving. Tenslotte wordt gekeken of mensen een financiële buffer hebben waarmee zij tijdelijk (een jaar lang) een te laag inkomen op kunnen vangen.
De overwaarde van een eigen woning telt hierbij niet mee omdat deze niet snel te gelde kan worden gemaakt. Nieuwe cijfers, maar dezelfde problemen Volgens de nieuwe methode leefden in 2023 540.000 huishoudens in Nederland (3,1 procent van de bevolking) onder de armoedegrens. Dit zijn er aanmerkelijk minder dan volgens de oude berekening (820.000 huishoudens). Deels is er sprake van een reële daling t.o.v. 2022, maar de lagere cijfers zijn vooral het gevolg van de aangepaste definitie en daarmee vooral een verschuiving ‘op papier’. De realiteit van de mensen om wie het gaat is niet van de ene op de andere dag veranderd. Verder waren er in 2023 ook bijna 1,2 miljoen huishoudens met een inkomen tot 25 procent boven de armoedegrens en weinig tot geen financiële buffer. Zij zitten in een situatie die maar weinig beter is en waarin een relatief kleine financiële tegenslag grote gevolgen kan hebben. Circa 1 op de 3 minimahuishoudens leefden langdurig in armoede (langer dan 3 jaar). En hoewel het aantal huishoudens in armoede in 2023 is afgenomen, nam de ernst van de armoede toe. Waar
Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief
Datum 24 oktober 2024 Pagina 2 van 3
in 2018 huishoudens in armoede gemiddeld 10 procent minder dan de armoedegrens te besteden hadden, is dit vorig jaar opgelopen tot 16 procent. Volgens CBS, SCP en Nibud wordt dit veroorzaakt door een toename van het aandeel huishoudens met inkomen uit deeltijdwerk en zelfstandigen die weinig verdienen met hun zaak. In vergelijking met 2018 waren er vorig jaar (in absolute aantallen) meer werkenden arm dan mensen in de bijstand. Werkende armen kwamen volgens de nieuwe rekenmethode meer inkomen tekort dan mensen met een bijstandsuitkering. Op dit moment hebben we nog geen zicht op welke ontwikkelingen hierbij een rol hebben gespeeld. We verwachten hierover de komende tijd meer duidelijkheid te krijgen. Nieuwe rekenmethode leidt in 2023 tot relatief hoog armoedecijfer in Amsterdam Amsterdam is volgens de nieuwe definitie de gemeente met relatief en in absolute aantallen de meeste mensen in armoede. 6,6 Procent van de Amsterdammers leeft onder de armoedegrens. Dit wordt mede veroorzaakt doordat er in Amsterdam relatief veel sociale huurwoningen zijn, waar vaak huishoudens met een laag inkomen in wonen. Het percentage van 6,6% wijkt af van de cijfers op basis van de definitie van het Amsterdamse armoedebeleid, namelijk huishoudens met weinig vermogen en een inkomen tot 130% van het sociaal minimum. Jaarlijks wordt uw raad hierover geïnformeerd via de armoedemonitor van O&S.
De nieuwste versie van deze monitor bevat cijfers over het jaar 2022 en zal in januari aan uw raad worden toegezonden. Uit de voorlopige cijfers van de armoedemonitor 2022, blijkt dat in Rotterdam de omvang van de armoedeproblematiek het grootst is (23%). De omvang van de problematiek in Amsterdam ongeveer gelijk aan Den Haag is (21%) en hoger dan Utrecht (15%). Dit beeld was de afgelopen jaren min of meer stabiel. Mogelijke oorzaken voor de verschillen tussen deze cijfers zijn 1) een hoog aandeel zzp-ers die relatief vaker onder de nieuwe armoededefinitie vallen dan huishoudens met bijvoorbeeld een uitkering, 2) meer werkenden met een laag inkomen en hoger vermogen die onder de nieuwe definitie niet meer tot de doelgroep worden gerekend en 3) in de nieuwe definitie wordt uitgegaan van daadwerkelijke kosten in plaats van een gemiddelde. Mogelijk speelt mee dat met name woonlasten in Amsterdam hoger liggen. Ook de wijze waarop we de energietoeslag in 2022 en 2023 hebben uitbetaald heeft invloed gehad. € 500 van de energietoeslag 2023 is al in 2022 uitbetaald, omdat inkomensondersteuning door de hoge energieprijzen hard nodig was. Daarmee was de energietoeslag in 2022 € 1.800 en in 2023 € 800. Hierdoor zag het inkomensplaatje van Amsterdamse huishoudens in armoede er in 2022 beter uit dan in gemeenten die dit niet hebben gedaan, en in 2023 minder gunstig.
In 2024 is er geen energietoeslag uitgekeerd en zal dit verschil wegvallen. Tot slot Amsterdam heeft een ruimhartig minimabeleid en de gemeentelijke armoederegelingen hebben een hoog bereik. Afgezien van de energietoeslag zijn de effecten van het lokale armoedebeleid op het inkomen niet meegenomen in de berekeningen van CBS, SCP en Nibud. De effecten van regelingen zoals de stadspas, het kindtegoed, de Pc-regeling voor scholieren of Gratis OV voor ouderen zijn dus niet meegewogen in de analyse. Het relatief hoge armoedecijfer in Amsterdam zegt daarmee niets over de effectiviteit van het Amsterdamse Armoedebeleid. Integendeel, dit benadrukt juist de noodzaak van lokale minimaregelingen. Eerdere Minima Effect Rapportages
Een routebeschrijving vindt u op amsterdam.nl
Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief
Datum 24 oktober 2024 Pagina 3 van 3
laten zien dat mede door het Amsterdamse minimabeleid bijna alle huishoudtypen over voldoende middelen kunnen beschikken voor basisuitgaven en sociale participatie1. Het college blijft er daarom ook in de komende periode op inzetten om huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum te ondersteunen met een uitgebreid pakket minimaregelingen. Voor minimaregelingen voor kinderen ligt deze grens tot medio 2025 op 150 procent van het sociaal minimum. Binnenkort ontvangt u ook de nieuwe Armoedemonitor en de Minima Effect Rapportage waarbij we een nadere duiding van de cijfers geven. Aan de hand hiervan ga ik graag met u in gesprek.
Met vriendelijke groet, Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
Marjolein Moorman Wethouder armoedebestrijding en schuldhulpverlening
Bijlage: 1. CBS, NIBUD, SCP (2024) De nieuwe methode om armoede in Nederland te meten
1 Hierbij wordt in de MER uitgegaan van drie belangrijke voorwaarden: 1. Goed met geld kunnen omgaan, 2. Alle
inkomensondersteuning aanvragen en 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben.
Een routebeschrijving vindt u op amsterdam.nl