CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapportage ontwikkeling monitor participatie.pdf

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 22 mei 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over het structureel monitoren van participatie in Amsterdam en oplevering van de eerste 0-meting van de Staat van Participatie (VN2024-005873)33.492 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bij de casusselectie voor de steekproef in hoofdstuk 5 zijn wel casussen gebruikt uit het sociaal domein, want ook binnen dit domein heeft wel degelijk participatie plaatsgevonden. Onderwerpen participatietrajecten Herinrichting Gebiedsontwikkeling Beleid Overig Onderhoud en vernieuwing Bewonersinitiatieven Bouwen Verkeer Duurzaamheid en recreatie Cultuur

53 35 21 20 14 12 11 8 7 2

Figuur 2 - Onderwerpen van de geregistreerde participatietrajecten. Bron: webarchief

22.

4.3. Werkvormen participatie Bewoners kunnen op verschillende manieren participeren. Fysiek of digitaal, door middel van bijeenkomsten, vragenlijsten, informatiemarkten, stemmen of inspraak leveren. Voor de 183 gevonden trajecten is geanalyseerd welke vormen er gebruikt zijn. In veruit de meeste trajecten is gebruikgemaakt van bijeenkomsten, zie ook figuur 3. Hieronder verstaan we bijvoorbeeld (online) bewonersbijeenkomsten en informatiebijeenkomsten. Inloopbijeenkomsten zijn los gecategoriseerd omdat die bijvoorbeeld over langere periodes (zoals meerdere dagen) georganiseerd worden en inhoudelijk vaak anders van aard zijn dan bewonersavonden. Binnen een aantal trajecten is een combinatie van methoden gebruikt (bijvoorbeeld zowel een vragenlijst als een bijeenkomst). Omdat de bijeenkomsten de meest gebruikte methode zijn, is daarop verder ingezoomd. Daarbij is gebleken dat bij trajecten waar bijeenkomsten zijn georganiseerd, er in de meeste gevallen één bijeenkomst georganiseerd is, zie figuur 4. Een specifieke vorm van participatie is het leveren van inspraak. De gemeente Amsterdam beschrijft inspraak als “de beperkte en formele variant van participatie” en “de gelegenheid tot het naar voren brengen van zienswijzen naar aanleiding van een beleidsvoornemen van een bestuursorgaan”.

Deze vorm van participatie is in de Algemene inspraakverordening vastgelegd en betekent dat er voorafgaand aan definitieve besluiten inspraak wordt gehouden over beleid en plannen. Inspraak kan op verschillende manieren geleverd worden, bijvoorbeeld in de vorm van een zienswijze. Omdat de gemeente Amsterdam inspraak beschrijft als een variant van participatie, is dit ook los meegenomen in de onderstaande figuur. Vorm participatietrajecten Bijeenkomst Inspraak Inloopbijeenkomst Enquête/vragenlijst Overig/onbekend (o.a. stemmen, loket) Reageren per mail/website Klankbordgroep/werkgroep Wandeling

95 49 29 21 21 9 8 6

Figuur 3 - Aantal participatietrajecten per werkvorm. Bron: webarchief

Aantal bijeenkomsten vs participatietrajecten 1 2 3 t/m 5 >5 N.v.t. Onbekend

85 21 15 11 35 16

Figuur 4 - Aantal participatietrajecten en het aantal bijeenkomsten in deze trajecten. Bron: webarchief 8. “Participatie”, Gemeente Amsterdam, https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/invloed/participatie/, geraadpleegd op 20 september 2023. 9. “Meedenken, meepraten en meedoen”, Gemeente Amsterdam, https://www.amsterdam.nl/bestuurorganisatie/invloed/, geraadpleegd op 20 september 2023.

23.

4.4. Participatieplannen De gemeente Amsterdam roept in het beleidskader bewonersparticipatie op tot het schrijven van een participatieplan aan start van een participatietraject. In het participatieplan wordt een passend participatieproces vastgelegd voor het traject. Onderdeel van deze stap is ook het besluiten over en publiceren van het participatieplan. Belangrijke onderdelen van het plan zijn het formuleren van het doel van de participatie, de mate van invloed, de voorwaarden, het proces en de uitvoering. Daarbij wordt aangegeven welke instrumenten worden ingezet. De gemeente raadt aan om dit plan voor te leggen aan deelnemers aan de verkennende versie van het participatietraject, indien dat heeft plaatsgevonden. Het participatieplan is een vertaling van de uitgangspunten in het beleidskader naar praktische uitvoering voor een traject. Analyse van de participatieplannen maakt daarmee meetbaar hoe de uitgangspunten vertaald worden. Op dit moment worden participatieplannen niet op een centrale plek geadministreerd of verzameld. Voor deze nulmeting is daarom door de gemeente een uitvraag gedaan onder ambtenaren om voor de 183 gevonden participatietrajecten de participatieplannen te vergaren. De respons op deze uitvraag is beperkt gebleven.

Van de 48 reacties (uit 183 participatie trajecten) die de gemeente heeft gekregen op de uitvraag, zijn er voor 27 trajecten participatieplannen opgesteld, en voor de overige 21 trajecten niet. Zowel in de interviews bij de steekproef als in het groepsinterview met ambtenaren, is gevraagd naar de participatieplannen en het al dan niet opstellen hiervan. Redenen die geïnterviewden geven om geen participatieplannen te maken, zijn onder andere dat er niet veel waarde aan gehecht wordt, omdat het moeilijk is om van tevoren een juiste inschatting te maken van het traject. Voor de gevonden participatieplannen is een aantal aspecten in kaart gebracht: mate van invloed, heldere formulering van doel en doelgroep, bestuurlijke betrokkenheid, ingezette instrumenten en het beleidsdomein. In alle 27 gevallen ging het om participatieplannen in het ruimtelijk domein. In algemene zin is de conclusie dat in de onderzochte participatieplannen goed wordt nagedacht over de bovenstaande aspecten. Er is in de meeste plannen duidelijk herleidbaar welke mate van invloed er is voor bewoners, het doel van de participatie wordt beschreven en de doelgroepen en stakeholders zijn bekend. Mate van invloed In de meeste participatieplannen (22 van de 27) worden bewoners betrokken op meerdere niveaus.

In vijf geanalyseerde participatieplannen is er een enkele mate van invloed gekozen, drie keer gaat het om meedenken, een keer om instemmen en een keer om raadplegen. Bij de participatie plannen waar meerdere mate van invloed waren, was dit bij zeven plannen afhankelijk van het deelproject. Indien er twee (of meerdere) maten van invloed waren, is het vaak een combinatie van meedenken en een andere vorm (bijvoorbeeld informeren of adviseren), of raadplegen en een andere vorm (bijvoorbeeld meebepalen of adviseren). Formulering doel In 21 van de 27 geanalyseerde participatieplannen is (zeer) helder geformuleerd welk doel de participatie had. Daarbij betekent (zeer) heldere formulering dat er gedetailleerde informatie in het plan staat over het doel, inclusief verantwoording of argumentatie voor de gemaakte keuzes, per doel uitgewerkt. In zes plannen was dit minder helder geformuleerd, waarbij bijvoorbeeld de verantwoording/argumentatie ontbrak of er geen helder doel is gespecificeerd.

24.

Formulering doel 14 7

zeer helder geformuleerd

4

helder geformuleerd

2

twijfelachtig geformuleerd

niet helder geformuleerd

Formulering doelgroep In 21 van de 27 geanalyseerde participatieplannen is (zeer) helder geformuleerd wie de doelgroep van het participatietraject is. Daarbij betekent (zeer) heldere formulering dat er gedetailleerde informatie in het plan staat over de doelgroep, inclusief verantwoording of argumentatie voor de gemaakte keuzes, per doelgroep uitgewerkt. In drie plannen was dit minder helder geformuleerd, waarbij bijvoorbeeld de verantwoording/argumentatie ontbrak of er geen heldere doelgroepen zijn gespecificeerd. In drie plannen is de doelgroep niet gespecificeerd.

Formulering doelgroep 15 6

3

3 0

zeer helder geformuleerd

helder geformuleerd

twijfelachtig geformuleerd

niet helder geformuleerd

niet helder geformuleerd

Bestuurlijke betrokkenheid De bestuurlijke betrokkenheid is een aspect dat geen vaste plek heeft in participatieplannen. Uit de analyse blijkt dat er in circa de helft (14) van de participatieplannen bestuurlijke betrokkenheid wordt vermeld, en in 13 gevallen niet. Hieruit is niet te concluderen of de bestuurlijke betrokkenheid in deze trajecten er wel/niet is, maar de keuze wordt niet vastgelegd in het plan. Instrumenten Bij 6 van de 27 participatieplannen was nog niet beschreven welke instrumenten ingezet worden, omdat dit later wordt ingevuld en/of verschillend is voor de deelprojecten binnen het participatieplan. Indien de instrumenten al wel bepaald zijn, dat er in de meeste gevallen een combinatie van online en offline instrumenten wordt ingezet, bijvoorbeeld een combinatie van een bewonersavond en enquête. In vijf participatieplannen is gekozen voor alleen offline instrumenten (bewonersavonden, themasessies en/of een-op-een gesprekken).

25.

4.5. Stedelijk Team Participatie Het Stedelijk Team Participatie (STP) ondersteunt ambtenaren van de gemeente met advies over het ontwerpen en uitvoeren van participatietrajecten. Zo is er een website met het stappenplan voor participatie (de meest bezochte webpagina van het STP) en geven zij trainingen, presentaties op maat en ondersteuning bij het maken van een participatieplan. Ook houdt het STP wekelijkse spreekuren waar ambtenaren hun vragen kunnen stellen. Trainingen worden gegeven op basis- en mediorniveau, en zijn voor alle ambtenaren die iets te maken hebben met bewonersparticipatie. Dergelijke trainingen, zowel standaard als maatwerk, zijn inmiddels 25 keer gegeven (tot augustus 2023). Daarnaast gaf het STP 40 trainingen en ondersteunde het 20 keer door middel van een werksessie het maken van een participatieplan. Het STP evalueert zijn eigen werk door deelnemers aan de trainingen en bezoekers van het spreekuur te vragen hoe zij de trainingen en/of het spreekuur ervaren. De rapportages van deze evaluaties laten zien dat deelnemers aan de trainingen de trainingen als relevant en informatief ervaren.10 Bij de basistraining wordt het stappenplan doornemen als een positief onderdeel genoemd, bij de mediortraining het bespreken van de casus. Het bespreken van een casus/praktijkvoorbeeld wordt in de basistraining ook een aantal keer genoemd als verbetering.

De koppeling tussen theorie en praktijk lijkt daarmee een belangrijke toegevoegde waarde van de trainingen. Zes bezoekers van het spreekuur hebben een evaluatie ingevuld, zij waren alle positief over het spreekuur. De collega’s van het STP worden gezien als collega’s met de juiste expertise en alle respondenten geven aan dat ze zijn geholpen door het STP bij de vraag die zij in het spreekuur hebben gesteld. Naast de eigen evaluaties van het STP is in de verschillende interviews voor de steekproef en in het groepsgesprek met ambtenaren het STP ter sprake gebracht. Zowel de kennis over het bestaan van het STP als de ervaring met het STP is wisselend. Niet alle ambtenaren kenden het STP, of waren bij de start van het participatietraject niet op de hoogte van het bestaan. Door de deel nemende ambtenaren aan het groepsinterview werd het perspectief van het STP ervaren als abstract en op afstand, terwijl er ook behoefte is aan concrete hulp bij bijvoorbeeld avonden en/ of bepalen van mate van invloed bij de start van een participatietraject. Evengoed gaf een andere aanwezige aan juist een hele goede ervaring te hebben met concrete hulp van het STP en werd ook de TamTam pagina als informatief ervaren.

4.6. Bewoners over participatie Naast de cijfers over de verschillende trajecten, wordt ook op verschillende manieren aan Amsterdammers gevraagd hoe zij kijken naar de participatie in de stad. In dit onderzoek is geen eigen onderzoek uitgevoerd onder Amsterdammers, maar zijn inzichten uit eerdere onderzoeken verzameld. Daarvoor is gebruikgemaakt van de Burgermonitor 202111 en de inzichten uit de evaluatie van het Bestuurlijk Stelsel uit 2020. Er is gericht gezocht naar uitkomsten uit deze onderzoeken die iets zeggen over de waardering van Amsterdammers van het aantal, de onderwerpen en vorm van de participatie in de stad. Uit de burgermonitor blijkt dat circa 8% van de Amsterdammers heeft deelgenomen aan een participatie traject of buurtbudget.12 Ook hier zijn verschillen te zien tussen de stadsdelen. Vooral bewoners van de stadsdelen Nieuw-West en Centrum die hun mening hebben gegeven in de Burgermonitor, hebben relatief gezien vaker meegedaan aan een participatietraject of buurtbudget, terwijl bewoners uit Noord 10. De evaluatie van de basistraining is door 13 deelnemers ingevuld, de evaluatie van de mediortraining door 17. 11 De resultaten van de Burgermonitor 2023 waren tijdens dit onderzoek nog niet beschikbaar. Daarom zijn de resultaten van de Burgermonitor 2021 geanalyseerd. 12 In de vraagstelling is uitgegaan van een periode ‘het afgelopen jaar’, deze slaat op 2020.

26.

en Zuidoost relatief gezien minder vaak meedoen (zie figuur 5). Uit de analyse van de gevonden trajecten uit het webarchief bleek dat er relatief veel participatietrajecten in Noord worden geregistreerd, terwijl bewoners van dit stadsdeel relatief weinig deelnemen aan participatietrajecten, zo blijkt uit de Burgermonitor. Uit de beschikbare bronnen is op dit moment niet te achterhalen wat het verschil in deze twee analyses kan verklaren. Verdiepend onderzoek zou hier, in een vervolgmeting, interessant kunnen zijn. Deelname trajecten per stadsdeel Centrum West Nieuw-West Zuid Oost Noord Zuidoost

13 9 14 7 6 4 4

Figuur 5 - Deelname aan participatietrajecten per stadsdeel. Bron: Burgermonitor 2021

Naast het aantal participatietrajecten, is in zowel de burgermonitor als de evaluatie bestuurlijk stelsel gevraagd naar de beoordeling en wensen van onder andere de vormen van participatie. Uit de Burgermonitor blijkt dat ongeveer een derde van de Amsterdammers vindt dat er voldoende manieren zijn om hun mening te geven over de stand van zaken in de stad (zie figuur 6). In de evaluatie bestuurlijk stelsel is bewoners gevraagd te beoordelen of de gemeente hen specifiek voldoende manieren biedt om mee te denken en mee te beslissen. Daarover zijn bewoners iets kritischer, waarbij 24% het eens is dat er voldoende manieren zijn om mee te denken, en 12% aangeeft dat er voldoende manieren zijn om mee te beslissen (zie figuur 7). Uit de analyse van de steekproef blijkt dat ‘meebeslissen’ in maar een beperkt aantal participatietrajecten de vooraf gekozen mate van invloed is. Dat kan een verklaring zijn voor de mening van de Amsterdammers. Immers, als de ruimte er vanuit de gemeente niet is om bewoners te laten meebeslissen, zullen zij ook niet ervaren dat die ruimte geboden wordt.

27.

Er zijn op dit moment voldoende manieren voor burgers om duidelijk te maken wat hun mening is over de gang van zaken hier in de gemeente Amsterdam

22% 25%

22%

31% 25% 31%

23% 23%

Weet niet/ geen antwoord (helemaal) mee eens Niet eens, niet oneens (helemaal) mee oneens

Figuur 6 - Mening bewoners over het aantal manieren om hun mening duidelijk te maken. Bron: Burgermonitor 2021

De gemeentie biedt mij voldoende manieren om mee te denken

10%

10%

24%

24% 47%

20%

47% 20%

Weet niet/ geen antwoord (helemaal) mee eens Niet eens, niet oneens (helemaal) mee oneens

Figuur 7 - Mening bewoners over het aantal manieren om mee te denken in de stad. Bron: Evaluatie Bestuurlijk Stelsel 2020

De gemeentie biedt mij voldoende manieren om mee te beslissen

9%

9% 12%

15%

12% 63%

63% 15%

Weet niet/ geen antwoord (helemaal) mee eens Niet eens, niet oneens (helemaal) mee oneens

Figuur 8 - Mening bewoners over het aantal manieren om mee te beslissen in de stad. Bron: Evaluatie Bestuurlijk Stelsel 2020

Uit de bewonersconsultatie van de evaluatie bestuurlijk stelsel blijkt dat Amsterdammers hun ideeën en initiatieven op verschillende manieren onder de aandacht willen brengen bij de gemeente (zie figuur 9). De meeste respondenten geven aan dat zij een informatie- of inspraakbijeenkomst van het stadsdeel of de gemeente zouden bezoeken (respectievelijk 28% en 23%). Andere opties die voor Amsterdammers voor de hand liggen zijn het benaderen van een ambtenaar (25%), dagelijks bestuurder (22%) of een stadsdeelcommissielid (21%). De respondenten zouden met klachten vooral een ambtenaar van de gemeente benaderen (41%).

28.

Manieren om ideeën/initiatieven onder de aandacht van de gemeente te brengen Ik zou een informatie- of inspraak­ bijeenkomst van het stadsdeel bezoeken

28%

Ik zou een ambtenaar van de gemeente benaderen

25%

Ik zou een informatie- of inspraak­ bijeenkomst van de gemeente bezoeken

23%

Ik zou een dagelijks bestuurder van mijn stadsdeel benaderen

22%

Ik zou een stadsdeelcommisielid benaderen

21%

Ik zou een politieke partij benaderen

17%

Ik zou een gemeenteraadslid benaderen

16%

Ik zou een wethouder of de burgemeester benaderen

12% 16%

Ik zou iets anders doen 7%

Niet, ik ga zelf aan de slag Op geen van de bovenstaande manieren

5% 13%

Weet ik niet

Figuur 9 - Manieren om ideeën/initiatieven onder de aandacht te brengen. Bron: Evaluatie Bestuurlijk Stelsel 2020

In de burgermonitor zijn vragen gesteld over de ervaren mate van invloed op wat er in de stad wordt besloten. Het gaat dan niet om het participatieniveau van trajecten, maar over politiek (zelf) vertrouwen dat door Amsterdammers wordt ervaren. In het licht van de nulmeting is een opvallende uitkomst, dat bewoners die hebben deelgenomen aan een participatietraject, iets positiever zijn over de mate van invloed die zij hebben op wat er in de stad wordt besloten (18%) tegenover 12% van de bewoners die niet hebben deelgenomen.

Ik heb voldoende invloed op wat er voor de stad wordt besloten, naar deelname participatietraject Weet niet/ geen antwoord (helemaal) mee eens Niet eens, niet oneens (helemaal) mee oneens

5%

13% 12%

18% 28% 27%

Respondenten die deelgenomen hebben aan participatietrajecten

49% 49% respondenten zonder ervaring

Figuur 10 - Mate van ervaren invloed op wat er in de stad wordt besproken. Boven: respondenten die deelgenomen hebben aan participatietrajecten, rechts respondenten zonder ervaring. Bron: Burgermonitor 2021.

29.

Ervaringen bewoners steekproef In de steekproef (hoofdstuk 5) hebben we de bewoners die we spraken, gevraagd welk cijfer zij aan het traject waar zij bij betrokken zijn geweest, geven. De bewoners geven de trajecten gemiddeld een 7,2. Het laagste cijfer dat is gegeven is een 3 en het hoogste cijfer een 9. Hieruit blijkt dat betrokken deelnemers gemiddeld genomen positief op de participatie terugkijken. Een aantal nuances is belangrijk om dit resultaat te duiden. Voor 11 van de 16 trajecten hebben we externe betrokkenen (bijvoorbeeld individuele bewoners of vertegenwoordigers van bewonersgroepen, woningcorporatie of iemand van het ingehuurde participatiebureau) geïnterviewd, waarmee het een beperkt beeld geeft van de totale casussen. Daarbij is het ook zo dat mensen die aan een interview over een participatietraject meedoen, meer dan gemiddeld betrokken zijn. Ook is de selectie van de te interviewen deelnemers gemaakt in samenwerking met de betrokken ambtenaren, wat kan leiden tot een lichte bias naar positief gestemde bewoners. Dit resultaat kan dus zeker niet representatief genoemd worden, maar geeft wel enig inzicht in hoe deze specifieke personen de participatie ervaren hebben. Voor een van de casussen waarover we niet met bewoners hebben gesproken, gaf de betrokken ambtenaar zelf aan dat bewoners ontevreden waren over de participatie.

In het volgende hoofdstuk worden de casussen verder geëvalueerd, waarbij de bovengenoemde cijfers in perspectief worden geplaatst.

30.

5. Resultaten uit de nulmeting, deel 2: Bevindingen steekproef 1.

5.1. Uitgangspunt 1: ‘Participatie omdat’ is het vertrekpunt en richtsnoer bij het vervolg 5.1.1. Uitingsvorm 1 Niet participatie als instrument, maar wat de gemeente met participatie wil bereiken (het doel) is het vertrekpunt bij de daaropvolgende keuzes Bij alle 16 onderzochte trajecten in de steekproef is uit de stukken en/of gesprekken met ambtelijke betrokkenen gebleken dat er aan de start van het traject een doel is vastgesteld, op basis waarvan de keuzes zijn gemaakt voor het participatieproces dat doorlopen is (of in sommige casussen nog doorlopen wordt). 5.1.2. Uitingsvorm 2 Kennis van de behoefte van de burgers is essentieel om tot een gedragen en gemeenschappelijk doel te komen tussen gemeente en betrokken burgers. Indien de behoefte van de burgers ruimer of algemener wordt gedefinieerd, geeft de gemeente hier tot zover mogelijk ruimte aan in de doelbepaling Uit de gesprekken met betrokken ambtenaren blijkt dat het lastig is om (alle) ruimte te geven aan de behoeften van bewoners. Er wordt zowel in de gesprekken voor de casussen, als in het groepsinterview met ambtenaren, aangegeven dat de behoefte van bewoners vaak ruimer is dan de mogelijkheden die de ambtenaren hebben.

Zo geven meerdere ambtenaren aan dat de houding van bewoners vaak is ‘als je me vraagt om mee te doen, dan wil ik meebeslissen’, terwijl er niet in alle gevallen ruimte is om deze mate van invloed te bieden. Bij bijvoorbeeld de onderhoudswerkzaamheden dient het groot onderhoud volgens de Puccini-methode te worden vormgegeven. Hierdoor is er weinig ruimte voor bewoners om keuzes te maken, terwijl zij dit wel hadden gewild. Naast deze gemeentelijke afwegingen die beperkingen of randvoorwaarden kunnen bieden voor het bepalen van het participatiedoel, zijn ook tijd en geld bepalend voor de mogelijkheden die bewoners geboden kunnen worden. In een aantal casussen wordt een gebrek aan tijd als knelpunt gesignaleerd. Met meer tijd hadden de betrokken ambtenaren volgens henzelf meer tegemoet kunnen komen aan de behoeften van bewoners. 5.1.3. Uitingsvorm 3 De gemeente baseert zich bij het kiezen van een participatiedoel ook expliciet op (de inschatting van) de behoeftes van de (direct betrokken) Amsterdammer In alle casussen in de steekproef gaven de betrokken ambtenaren aan en/of bleek uit de stukken dat zij bij de start een inschatting gemaakt hebben van de behoeften van de bewoners. De manier waarop deze inschatting gemaakt is verschilt per casus.

Zo bleek bij de beide casussen in het sociale domein dat de behoefte van bewoners vooral wordt opgehaald via vertegenwoordigers: bijvoorbeeld partners in de uitvoering en adviesraden. In het geval van het Beleidskader Sociale Basis was daarnaast in de inspraakreactie ruimte voor bewoners om een reactie te geven. Het is op basis van de verzamelde data beperkt mogelijk om aan te geven in hoeverre de inschatting van de behoeften van de Amsterdammer overeenkomt met de daadwerkelijke behoefte van de Amsterdammer, omdat er binnen het onderzoek te weinig bewoners zijn gesproken om hier algemene uitspraken over te doen. In de meeste casussen waarin we betrokken bewoners hebben gesproken,

31.

geven ze aan tevreden te zijn over de participatie, en dat deze aansloot bij hun behoefte. In een aantal casussen werd duidelijk dat de behoeften van de betrokken bewoners en het participatiedoel niet op elkaar aansloten. Zo is door de betrokken ambtenaren en de initiatiefnemers van het traject Windmolens in de interviews aangegeven dat het doel van de participatie was het bespreken van de ruimtelijke inpassing van de windmolens, terwijl bewoners de behoefte hadden te praten over de vraag óf er windmolens zouden komen. In de casus Ketelmakerij gaven de betrokken ambtenaren en de bewoner die geïnterviewd is aan dat het doel (interventie in de openbare ruimte om overlast te voorkomen) niet overeenkwam met de verwachting van de bewoners. De bewoners gaven aan dat ze wilden dat er breder gekeken werd naar de sociale problematiek. 5.1.4. Uitingsvorm 4 Bij het bepalen van het doel worden door de gemeente relevante politieke afwegingen en gemeentelijke belangen die van invloed (zullen) zijn op de uiteindelijke keuze expliciet naar voren gebracht in het vraagstuk dat wordt voorgelegd In 13 van de 16 casussen wordt expliciet aangegeven welk(e) gemeentelijk beleid, belangen en (politieke) keuzes spelen rondom het specifieke participatietraject.

De casus Aanpak Volkshuisvesting is een voorbeeld waarbij dit duidelijk is gemaakt, omdat het traject juist draait om de belangen en afwegingen waarover een politieke keuze wordt gemaakt in het beleidsstuk waarover geparticipeerd wordt. Ook bij de casus Wildemanbuurt is vooraf helder gemaakt welke factoren beïnvloedbaar zijn, en welke factoren vaststaan bij de vernieuwing. In drie casussen (Onderhoudswerkzaamheden Kalverstraat e.o., Parkeren Reigerbos en Natuurspeeltuin West) zijn bij de bepaling van het doel van de participatie (of het participatietraject in algemene zin) geen relevante afwegingen en gemeentelijke belangen naar voren gebracht. 5.1.5. Uitingsvorm 5 Indien het doel gaandeweg wijzigt, wordt dit helder gemarkeerd en besproken met alle betrokkenen en consequent door vertaald in een herziene aanpak In één van de casussen is duidelijk vastgesteld dat het doel van de participatie in de loop van het traject is gewijzigd. Voor de andere trajecten geldt dat het doel gedurende het proces (nog) niet is gewijzigd. In de betreffende casus, Dichtersbuurt, was het oorspronkelijke plan om met een klankbordgroep in gesprek te gaan over de uitgangspunten van de vernieuwing. Het doel van het project was het vernieuwen van de bebouwing met respect voor cultuurhistorische waarden.

Na een interne discussie en over de keuze tussen behouden van erfgoed en realiseren van de verdichtingsopgave, is besloten om het besluit aan de bewoners te laten. Naar aanleiding van deze verandering van het doel, is ook besloten om andere werkvormen in te zetten en bewoners door middel van onder andere hofbijeenkomsten te informeren en te betrekken. Uiteindelijk hebben de bewoners zelf de keuze gemaakt tussen sloop en (gedeeltelijke) renovatie.

32.

2.

5.2. Uitgangspunt 2: Bewuste en expliciete afweging, gevolgd door bestuurlijke betrokkenheid op kritieke momenten 5.2.1. Uitingsvorm 1 Het participatieplan wordt vroeg in het proces met de verantwoordelijke bestuurder(s) expliciet besproken en vastgesteld In 11 van de geselecteerde casussen was sprake van een participatieplan (in verschillende verschijnings vormen, zie uitgangspunt 3) en kan worden bepaald of deze met de verantwoordelijke bestuurder is besproken en vastgesteld. Tegelijkertijd kan er in de praktijk ook zonder een participatieplan aan de voorkant van het traject bestuurlijke betrokkenheid zijn, bijvoorbeeld door het bespreken van uitgangspunten voor participatie. Er is voor de analyse van deze uitingsvorm dan ook breder gekeken dan alleen het bespreken en vaststellen van het participatieplan. Voor zes trajecten geldt dat uit de stukken en/of de gesprekken met betrokken ambtenaren blijkt dat de verantwoordelijke bestuurders voorafgaand aan het traject betrokken zijn. We zien bij twee casussen dat de participatie bij een bestuurder is gestart: bij Sumatraplantsoen is de wethouder een initiërende factor geweest; in dit geval van het samenpakken van een herinrichting en het opbouwen van een langlopende samenwerkingsrelatie tussen bewoners en de gemeente.

Het traject in de Ketelmakerij is gestart naar aanleiding van signalen van bewoners richting het stadsdeelbestuur. Het stadsdeelbestuur heeft in het voortraject gesprekken gevoerd met bewoners over de problematiek en het plan van aanpak vastgesteld. In zeven casussen is aangegeven dat er voorafgaand geen bestuurlijke betrokkenheid is geweest. Een verklaring die in meerdere casussen door betrokken ambtenaren werd gegeven, is dat het project te klein was voor actieve bestuurlijke betrokkenheid vooraf, en de plannen vielen binnen het mandaat van de projectmanager zelf. 5.2.2. Uitingsvorm 2: De voor de uitgangspunten verantwoordelijke bestuurder is (in ieder geval op kritieke momenten in het participatieproces) betrokken Op basis van de steekproef kan geen eenduidige lijn geschetst worden over wanneer er wel en geen bestuurlijke betrokkenheid bij een participatieproces is. Wat dit bemoeilijkt, is dat in het beleidskader niet is gedefinieerd wat er precies met ‘kritiek moment’ wordt bedoeld. Er is daarom in de gesprekken met betrokken ambtenaren telkens gevraagd of volgens hen de verantwoordelijke bestuurders op de belangrijke momenten betrokken waren, zowel in het interne proces als zichtbaar richting bewoners. In het merendeel van de trajecten (10) is of zijn betrokken bestuurders op momenten betrokken en/ of zichtbaar geweest tijdens het participatietraject.

Dat kan zijn door aanwezigheid bij bijeenkomsten, of door het zelf in gesprek gaan met bewoners (bijvoorbeeld in casus Windmolens). Voor de vijf casussen waar bestuurders geen zichtbare betrokkenheid hadden in het traject, geldt dat dit trajecten zijn waarbij de bestuurder ook aan de voorkant niet betrokken is. In twee casussen zijn de bestuurders, ondanks dat de bestuurlijke betrokkenheid aan de voorkant beperkt was, tijdens het traject wel zichtbaar geweest, door bijvoorbeeld aanwezig te zijn bij een startbijeenkomst (Joodse Stad), of was de bestuurlijke betrokkenheid alleen intern (Sport en Spelen Noordzijde Museumplein).

33.

3.

5.3. Uitgangspunt 3: Meer duidelijkheid, transparantie en eenduidigheid bij keuze voor participatie 5.3.1. Uitingsvorm 1: Er is een participatieplan opgesteld Uit de steekproef blijkt dat voor 11 casussen een vorm van een participatieplan is opgesteld. Dat wil zeggen dat in deze gevallen er expliciet en bewust een afweging is gemaakt over doel, mate van invloed en inzet van instrumenten. Tegelijkertijd is de uitwerking van deze participatieplannen verschillend. In drie gevallen bleek het niet te gaan om een participatieplan an sich, maar was het onderdeel van bijvoorbeeld een projectplan, plan van aanpak en/of communicatieplan. Bij vier trajecten is geen participatieplan (of een uitwerking van het ‘hoe’ van de participatie) gevonden. Voor de casus Sumatraplantsoen is door de betrokken ambtenaren aangegeven dat er niet gewerkt is met een vooropgesteld plan, maar wel gebruikgemaakt van een globale planning. Deze casus was een voorbeeld van een ‘democratiseringsproject’, waarbij ingezet is op een langdurige samenwerkingsrelatie met de bewoners. Volgens de betrokken ambtenaren hebben zij telkens stapsgewijs bepaald wat de volgende stap in het plan moest zijn, in samenspraak met de bewoners. In het groepsinterview gaven ambtenaren aan dat het vastleggen van participatie in een plan naast duidelijkheid, ook als beperking wordt ervaren.

Deze ambtenaren, die aangeven dagelijks in de praktijk bezig te zijn met herinrichtingen in wijken, zien vooral ook meerwaarde in ‘doen wat nodig is’ op het moment dat de situatie daarom vraagt. In gesprek met de bewoners komen ze tot de juiste flexibele keuzes en kunnen zij maatwerk leveren. Het vooraf vastleggen van plannen past wat hen betreft daar niet goed bij. 5.3.2. Uitingsvorm 2: In het participatieplan: de bestuurder legt vooraf gemotiveerd vast aan welk participatiedoel, de mate van invloed (participatieniveau) en de scope van de vraag zij zich committeert, en op welke manier de participatie uitgevoerd wordt Deze uitingsvorm kent twee onderdelen: als eerste onderdeel het vastleggen van het hoe: participatiedoel, mate van invloed (participatieniveau), de scope van de vraag en uitvoering, en als tweede onderdeel het bestuurlijke commitment daarop. Zoals bij uitingsvorm 1 onder dit uitgangspunt is gebleken, is voor het merendeel van de casussen (een vorm van) een participatieplan opgesteld. Ook voor de casussen waar geen vorm van participatieplan is opgesteld, is in de interviews en uit de documenten te halen op welke manier de participatie is vormgegeven. Bij uitingsvorm 1 van uitgangspunt 1 is al gebleken dat voor alle onderzochte casussen geldt dat het doel vooraf is gesteld.

In de analyse is gebleken dat in de participatietrajecten acht keer is gekozen voor het participatieniveau ‘meedenken’, vijf keer voor ‘co-creatie’, en drie keer voor ‘meebepalen’. De scope van de vraag is een combinatie van het doel van de participatie en het participatieniveau waarvoor gekozen is: de vraag is het doel van de participatie (wat ligt voor bij bewoners) en de scope de reikwijdte van de mate van invloed van bewoners. Het tweede onderdeel van deze uitingsvorm is het bestuurlijke commitment. Dit komt terug in uitingsvorm 1 van uitgangspunt 3.

34.

4.

5.4. Uitgangspunt 4: Perspectief van de betrokkenen staat in de uitwerking, uitvoering én bijstelling centraal Zoals bij uitgangspunt 1, vorm 3 beschreven, is het beperkt mogelijk om op basis van de beschikbare data uit het onderzoek uitspraken te doen vanuit het perspectief van de bewoners van Amsterdam. Voor dit uitgangspunt bemoeilijkt dat het formuleren van bevindingen, omdat juist hier het perspectief van de Amsterdammer leidend is. De bevindingen zijn gebaseerd op de inschatting van ambtenaren in hoeverre voldaan is aan de uitingsvormen onder dit uitgangspunt. In de specifieke gevallen dat er bewoners zijn gesproken en zij hierover inzichten hebben gedeeld, is dit meegenomen. 5.4.1. Uitingsvorm 1: De gemeente communiceert helder en transparant over het doel, de mate van invloed en de precieze scope van de vraag die aan de betrokkenen wordt voorgelegd De betrokken ambtenaren geven in de interviews aan dat zij vooraf op heldere en transparante wijze gecommuniceerd hebben richting de betrokken bewoners/doelgroepen. In de meeste casussen waar ook externe deelnemers zijn gesproken, wordt dit beeld gedeeld.

In de casus Ketelmakerij leven er verschillende beelden: de betrokken ambtenaren geven aan dat in hun ogen de communicatie helder en transparant was, terwijl de betrokken bewoners aangeven dat ze andere verwachtingen hadden en het contact met de gemeente (te) beperkt vonden gedurende het proces. 5.4.2. Uitingsvorm 2: De gemeente geeft heldere en duidelijke informatie in begrijpelijke taal (afgestemd op de samenstelling van de deelnemers) over het proces en over wat er met de inbreng van de deelnemers gebeurt, respectievelijk is gebeurd. Wat is besproken komt herkenbaar terug in de stukken die met deelnemers worden gedeeld. Als er iets niet is overgenomen, wordt uitgelegd waarom. Continuïteit tot en met de besluit­of planvorming wordt geborgd Betrokken ambtenaren geven aan dat het duidelijk en helder informeren over het proces en het vervolg van het traject van groot belang is voor een succesvol participatietraject. In de interviews wordt aangegeven dat hier gedurende het proces aandacht voor is. Bij de Aanpak Volkshuisvesting wordt het genoemd als succesfactor voor de participatie, en geeft de betrokken ambtenaar aan dat ze dit ook teruggekregen hebben van bewoners.

In het democratiseringsproject in de casus Sumatraplantsoen geven bewoners aan dat ze, hoewel ze tevreden zijn over de samenwerking met de gemeente in het traject, niet altijd de juiste terugkoppeling kregen over het proces. Hierdoor werden zij soms verrast over de vervolgstappen of beslissingen. 5.4.3. Uitingsvorm 3: Deelnemers beschikken over voldoende (onafhankelijke) inhoudelijke en proces kennis. Wensen van deelnemers om hierin te worden gefaciliteerd (bijvoorbeeld om ondersteund te worden door een expert), worden serieus genomen. De gemeente staat open voor het (binnen de kaders) aanpassen van het participatieplan/proces Gezien de beperkingen van het onderzoek, kan er door de onderzoekers lastig een inschatting gemaakt worden in hoeverre deelnemers van de participatietrajecten over voldoende (onafhankelijke) kennis beschikten. Er zijn een aantal casussen waarin is gebleken dat er niet voldoende kennis was, bijvoorbeeld omdat deelnemers andere ideeën hadden over het doel van de participatie, of dat er gedurende het proces niet voldoende informatie met hen is gedeeld. Deze voorbeelden zijn

35.

eerder teruggekomen bij uitgangspunt 1 en hierboven bij uitgangspunt 4, uitingsvorm 2. Er is één casus waarbij gedurende het proces duidelijke aanpassingen hebben plaatsgevonden, zoals ook beschreven bij uitgangspunt 1. In de overige gevallen geven betrokken ambtenaren aan dat ze hun best doen om de informatie te delen met deelnemers. Het is onduidelijk of deelnemers ervaren dat zij voldoende informatie hebben. 5.4.4. Uitingsvorm 4: De uitvoerders van het traject hebben achtergrondkennis over de desbetreffende buurt, weten wat er speelt in de leefwereld en welke voorgeschiedenis er heeft plaatsgevonden. Ze maken hierbij gebruik van de kennis van de gebiedsteams en gebiedspools Uit alle gesprekken die gevoerd zijn voor de steekproef, komt naar voren dat de ambtenaren betrokken zijn bij de omgeving waarin zij opereren. Het weten wat er speelt en wie de bewoners zijn waarmee in gesprek gegaan wordt, voelen zij allemaal als essentieel onderdeel van de participatie. In de casussen zijn de betrokken ambtenaren vaak zelf degenen met de kennis van de gebieden waarin zij opereren, waardoor er door hen niet de behoefte gevoeld wordt om gebruik te maken van gebiedsteams en/of gebiedspools. Zeker het democratiseringsproject Sumatraplantsoen is een voorbeeld waarbij er extra geïnvesteerd is in het leren kennen van de buurt.

De eerste fase van het participatieproces heeft bestaan uit het observeren en in kaart brengen van behoeften en doelgroepen van het plantsoen. 5.4.5. Uitingsvorm 5: De gemeente maakt een bewuste afweging wie de belanghebbenden het beste vertegenwoordigt en welke individuele burgers, of organisaties uit het maatschappelijk middenveld, het beste actief betrokken kunnen worden Bij het schrijven van het participatieplan wordt ook bewust een afweging gemaakt wie de doelgroep is en welke belanghebbenden betrokken moeten worden in het traject. Zoals is gebleken in het onderzoek, wordt deze afweging vooraf gemaakt in alle casussen. In de interviews wordt door de ambtenaren aangegeven dat het evenwel erg lastig is om álle belanghebbende bewoners te betrekken. Bijvoorbeeld vanwege taalbarrières of door (gebrek aan) vertrouwen in de gemeente en de overheid. Een voorbeeld van een casus waarin de taalbarrières werden overwonnen, is het Sumatraplantsoen, waarin bewoners die veel contact hebben met andere bewoners die bijvoorbeeld een andere taal spreken van grote betekenis waren in het traject omdat zij mensen wél wisten te bereiken. Ook in het groepsinterview werd de complexiteit om een diverse groep bewoners te bereiken benoemd. Zo gaf een één van de aanwezigen het voorbeeld gaf van armoederegelingen.

Als zelfs deze regelingen niet altijd de volledige doelgroep bereiken, hoe kun je dan verwachten dat bewoners komen meepraten over bijvoorbeeld een beleidskader? Specifiek voor de twee casussen uit het sociaal domein blijkt dat de belangen van de doelgroep niet alleen door hen direct, maar met name door gevestigde gesprekspartners worden behartigd, zoals de diverse adviesraden, Cliëntenbelang en de maatschappelijke partners die in het sociaal domein actief zijn.

36.

6. Conclusies en aanbevelingen over participatie, op basis van de nulmeting Op basis van de bevindingen uit de nulmeting formuleren we een zestal conclusies over participatie in Amsterdam. Hier volgen vier aanbevelingen uit.

6.1. Overkoepelende conclusie 1.

In de uitvoering van participatie gaat er al veel goed in Amsterdam, maar ambtelijke plannen sluiten niet altijd aan op de uitvoering We zien dat er al veel goed gaat in Amsterdam. De uitgangspunten uit het beleidskader zitten in ieder geval tot op zekere hoogte tussen de oren, er zijn concrete tools om mee aan de slag te gaan, en er zijn cases waarin ambtenaren en bewoners enthousiast zijn over het doorlopen traject Daarnaast wordt er veel werk gemaakt van de werkwijzen rondom participatie. Het maken van een participatieverordening, het uitwerken van een stappenplan, het experimenteren met netwerkparticipatie, de inrichting van het STP: op allerlei manieren en op verschillende niveaus werkt Amsterdam aan ‘participatie’. Of eigenlijk: aan het mét de Amsterdammers werken aan de stad. In dat laatste zit meteen de crux. Juist de ambtenaren die veel op straat zijn en weten wat er speelt in een wijk of buurt, kunnen niet altijd overweg met een heel procesgerichte benadering van participatie. Hoe de bestuurder betrokken moet worden of hoe er vooraf een plan moet worden opgesteld, wordt dan als minder relevant ervaren. De uitdaging is om deze twee werelden samen te blijven brengen. Hier komen we bij de aanbevelingen op terug. 2.

De meeste uitgangspunten uit het beleidskader zijn bekend, maar dit betekent niet dat ze zo expliciet worden nageleefd. Uit de documenten en interviews blijkt dat de terminologie uit het beleidskader vaak terugkomt. De uitgangspunten zijn bekend (al wordt er soms een net iets andere formulering of uitvoering aan gegeven). Er wordt binnen de gemeente zoveel mogelijk gewerkt binnen ‘de geest van’ het beleidskader. Toch zien we ook, zowel in de eerdere evaluaties als in de steekproef, dat het niet altijd lukt om de uitgangspunten centraal te stellen. Dit hebben de onderzoekers per uitgangspunt verder uitgewerkt in de conclusies hieronder.

6.2. Conclusie per uitgangspunt 3.

Uitgangspunt 1: ‘Participatie omdat’ is het vertrekpunt en richtsnoer bij het vervolg

Participatiedoel meestal benoemd; vooruitgang ten opzichte van eerdere onderzoeken Uit de steekproef blijkt dat er bij vrijwel alle onderzochte casussen over een participatiedoel wordt nagedacht en dat dit meestal ook wordt vastgelegd. Men verdiept zich in de bewoner om het juiste doel te bepalen en er is oog voor beperkende kaders (tijd, geld, bestaand beleid vanuit de gemeente). Dit is een opvallende bevinding, want in het rekenkameronderzoek naar de Participatieparagraaf bleek dat uit die paragrafen vaak niet duidelijk wordt wat het doel van een traject is. Hier lijkt dus vooruitgang te zijn geboekt. In 13 van de 16 casussen wordt daarnaast expliciet aangegeven welk(e) gemeentelijk beleid, belangen en (politieke) keuzes spelen rondom het specifieke participatietraject. Dat draagt bij aan de helderheid over het doel.

37.

4.

Uitgangspunt 2: Bewuste en expliciete afweging, gevolgd door bestuurlijke betrokkenheid op kritieke momenten Afweging over bestuurlijke betrokkenheid wordt niet altijd vooraf gemaakt Het expliciet maken van de bestuurlijke betrokkenheid bij een participatietraject is belangrijk maar gebeurt niet altijd. De bestuurlijke betrokkenheid is onder andere afhankelijk van de omvang van het traject en het initiatief van de portefeuillehouder. Dat is geen problematische constatering: het is wenselijk om per traject te bekijken welke bestuurlijke betrokkenheid nodig of handig is. Het is wel belangrijk om vooraf expliciet te maken hoe de bestuurlijke betrokkenheid er uit komt te zien. Dit dient afgestemd te worden met de portefeuillehouder. Zo is vooraf voor iedereen helder welke rol het bestuur speelt. 5.

Uitgangspunt 3: Meer duidelijkheid, transparantie en eenduidigheid bij keuze voor participatie Wel planvorming, niet altijd in het sjabloon voor participatieplannen In het beleidskader wordt het vastleggen van een participatieplan of een beschrijving van de wijze van participeren als uitgangspunt genomen. Uit de monitor blijkt dat er niet altijd met een participatieplan wordt gewerkt (in 11 van de 16 casussen is er een plan in enigerlei vorm gemaakt). En soms worden er wel plannen gemaakt, maar niet in de vorm van het participatieplan zoals dat eerder is ontwikkeld door het STP. 6.

Uitgangspunt 4: Perspectief van de betrokkenen staat in de uitwerking, uitvoering én bijstelling centraal Weerbarstige werkelijkheid beperkt centraal zetten perspectief van betrokkenen Uit de nulmeting kunnen we concluderen dat er bij ambtenaren die participatietrajecten ‘trekken’ aandacht is voor het gesprek met bewoners. De ambtenaren die we in het kader van de steekproef hebben gesproken verdiepen zich in wat er speelt in de buurt van een project en in wat bewoners vinden. Zij hebben goede contacten en zijn regelmatig op straat te vinden. Dat draagt bij aan het goed kunnen formuleren van een doel en het maakt dat er meerdere momenten en mogelijkheden zijn om voor het voetlicht te brengen ‘waarom’ de participatie plaatsvindt. Het principe om het perspectief van de bewoner centraal stellen, kent in de praktijk begrenzingen. De ambitie van de gemeente Amsterdam is om Amsterdammers centraal te stellen in het werk. Beleid, tools en de uitvoering van participatie zijn daarop gericht. Tegelijkertijd is dit een ambitie die niet grenzeloos is. Ook tijd, geld en bestaande kaders zijn bepalende factoren voor het doel en de mogelijkheden bij participatie. Daarnaast is het betrekken van álle betrokkenen in de praktijk een uitdaging. Niet alle bewoners die onderdeel zijn van de betrokkenen en/of doelgroepen, zijn in staat om of willen participeren.

6.3. Aanbevelingen voor bewonersparticipatie 1.

Houd ruimte voor flexibiliteit bij het inrichten van en bijsturen op participatietrajecten Het is nuttig, relevant en zelfs belangrijk om een participatieplan op te stellen. De belangrijkste reden om een plan op te stellen is dat het betrokkenen houvast geeft en iets om op terug te vallen als afspraken onduidelijk zijn. Door te werken met een plan, maakt de gemeente navolgbaar wat er gebeurt in het participatieproces. Dit stimuleert het denken aan het begin van een participatieproces over het doel en op welke wijze belanghebbenden het beste betrokken kunnen worden. Ook kunnen afspraken over bestuurlijke betrokkenheid worden geëxpliciteerd. Een participatieplan moet het doel niet voorbij schieten: bij het maken van een plan is het goed om flexibel te kunnen inspelen op veranderingen tijdens het proces. Voor sommige ambtenaren geldt dat zij hun werk graag doen door veel en laagdrempelig contact te hebben, waarmee zij snel inspelen op

38.

de behoeften van bewoners. Wat nodig is, is de mogelijkheid voor ambtenaren om gaandeweg het traject keuzes te maken op basis van hun kennis en ervaringen in de buurt – binnen de vooraf vastgestelde kaders. 2.

Maak altijd voorafgaand aan het traject keuzes over de bestuurlijke betrokkenheid, met de portefeuillehouder In het beleidskader wordt terecht aandacht besteed aan de bestuurlijke betrokkenheid bij participatietrajecten. Dit vraagt om een aanscherping: over de betrokkenheid van de bestuurder zouden vooraf afspraken gemaakt moeten worden. Dergelijke trajecten kunnen snel politiek gevoelig worden en de betrokkenheid van de bestuurder kan een belangrijke signaalwaarde hebben. Voorafgaand aan de start van ieder participatieproces vastleggen hoe de bestuurlijke betrokkenheid wordt vormgegeven voorkomt verrassingen achteraf. Uitkomst van dit overleg kan overigens ook zijn dat er geen bestuurlijke betrokkenheid nodig is, bijvoorbeeld omdat het een traject betreft waarbij de scope van de vraag binnen het mandaat van de betrokken ambtenaren ligt. Denk daarbij aan de keuze voor speeltoestellen bij de herinrichting van een bestaande speelplaats. 3. Maak de bestaande kaders voor een participatietraject zichtbaar voor bewoners De gemeente Amsterdam stelt zoveel mogelijk het bewonersperspectief centraal. In een participatietraject worden de wensen van de bewoners desondanks -logischerwijs- begrensd door de bestaande kaders, zoals staande afspraken over het straatbeeld. Duidelijke communicatie hierover is van belang. Kaders zijn vaak lastig te doorgronden of bevatten vooral ambtelijke taal.

Een volgende ontwikkeling is dan ook om de kaders op een publieksvriendelijke manier te communiceren bij de start van een participatietraject. Maak steeds een publieksversie van wat er al vast ligt en welke ruimte er nog is. Dit zou de gemeente op één A4 moeten kunnen vatten. 4. Zet de participatieplannen in als middel, niet als doel op zich De gemeente gaat ervan uit dat er bij ieder participatietraject een participatieplan wordt gemaakt. Maar wat is essentieel om vast te leggen bij de start van een participatietraject? De beelden daarover lopen uiteen. Binnen de ambtelijke organisatie is hier eerder over nagedacht, wat heeft geleid tot het sjabloon voor participatieplannen. Maar een ambtenaar in de uitvoering heeft er soms andere beelden bij. Dit is waar spanning tussen beleid en praktijk kan ontstaan. Het format voor een participatieplan wordt niet altijd gebruikt. Accepteer dat dat zo is, en bekijk opnieuw: over welke zaken moeten er altijd afspraken worden gemaakt bij een participatietraject? Soms zal het participatie plan daar de juiste vorm voor zijn. De crux is om ook in het geval dat dat niet zo is, duidelijkheid te kunnen bieden over wat er vast moet liggen.

Wat de onderzoekers betreft gaat dat in ieder geval om 1) de bestaande kaders/randvoorwaarden, zowel inhoudelijk als qua tijd en budget 2) het doel, 3) de bestuurlijke betrokkenheid en 4) de mate van invloed van bewoners. 5. Investeer in diversiteit en representativiteit van bewonersparticipatie Voor het betrekken van een diverse en representatieve groep bewoners zijn kennis, kunde en middelen nodig. Bestuurders en ambtenaren die de haarvaten van wijken en buurten kennen en een breed instrumentarium aan participatie- en communicatiemiddelen tot hun beschikking hebben – online en offline. En geduld, want op een veelkleurige stad als Amsterdam is geen one size fits all toepassing te maken. Creëer en behoud hiervoor ruimte in de participatieverordening die op dit moment tot stand komt, zodat de ambitie om een zo divers en representatief mogelijke groep bewoners te betrekken centraal blijft staan.

39.

7. Aanbevelingen voor eventuele volgende versies van de monitor Het opstellen van de participatiemonitor is gelijktijdig uitgevoerd met de eerste meting van de monitor. Dit leidt ertoe dat er, naast inhoudelijke conclusies en aanbevelingen over participatie, ook aanbevelingen zijn te formuleren over de monitor zelf, om het monitoren van participatie in de toekomst te verbeteren. 1. Scherp de aspecten waarop je monitort met elkaar aan In de nulmeting zijn de uitgangspunten uit het beleidskader participatie leidend geweest. Bij de uitvoering van het onderzoek is gebleken dat deze uitgangspunten en de uitingsvormen die in het beleidskader staan, niet 1 op 1 aansluiten bij de werkelijkheid van participatie. Het beleidskader, en daarmee de uitgangspunten, zijn talig van aard en verschillende aspecten van participatie komen in meerdere uitgangspunten aan bod (bijvoorbeeld het perspectief van de bewoners). Voor een goede monitoring van de staat van participatie, is het zinvol om met elkaar de set aspecten waarop je monitort, aan te scherpen. We adviseren om daarbij zoveel mogelijk aan te sluiten bij de praktijk, door aan te sluiten bij aanbeveling 4 uit de nulmeting, en te monitoren of de daar genoemde onderdelen telkens aan bod komen. Daarnaast adviseren we om het bewonersperspectief in de monitoring een grotere plek te laten innemen, zie daarvoor ook onze volgende aanbeveling. 2.

Betrek het bewonersperspectief bij de meting Participatie draait om bewoners. Zowel in bewonersparticipatie, netwerkparticipatie als overheidsparticipatie gaat het om de samenwerking tussen overheid en bewoners. Voor het goed monitoren van de participatie, is het dus essentieel om het bewonersperspectief te laten terugkomen. In de nulmeting is het perspectief van bewoners beperkt teruggekomen. Er is in de steekproef een aantal bewoners gesproken, en er is verzameld wat er uit eerdere onderzoeken over dit perspectief te zeggen is. Om een goede inschatting te kunnen maken van het succes van en de tevredenheid met de staat van participatie in Amsterdam, is het van essentieel belang om ook bewoners hierop te bevragen. Dit kan bijvoorbeeld door de steekproef te verdiepen, en voor de geselecteerde casussen meer bewoners te bevragen. Daarnaast adviseren de onderzoekers om in een vervolgmeting ook breder aan Amsterdammers te vragen hoe zij kijken naar participatie in de stad door middel van een breed uitgezette bewonersconsulatie. Wat gaat er volgens hen goed, en op welke manier willen zij eigenlijk betrokken zijn bij wat er in hun stad gebeurt? 3. Administreer participatie op een centrale plek De participatiemonitor is een instrument dat een actueel beeld moet geven van de staat van participatie in Amsterdam.

Bij het opstellen van de monitor en het uitvoeren van de eerste meting hebben we geconstateerd dat de data die nodig zijn om dit beeld te vormen niet volledig aanwezig zijn, dan wel niet volledig terug te halen zijn. Om in de toekomst de participatiemonitor op een uniforme manier te kunnen ‘vullen’, is het relevant om de participatietrajecten die plaatsvinden op een centrale plek te administreren. Zonder deze complete informatie is het niet mogelijk om de precieze staat van participatie in Amsterdam te meten en om de metingen met elkaar te vergelijken om trends en ontwikkelingen te analyseren. Aandachtspunt hierbij is het voorkomen van een te grote extra administratieve druk op de ambtelijke organisatie, dus een centrale administratie moet vooral gericht zijn op de essentiële informatie (bijvoorbeeld aan de hand van de aspecten zoals genoemd bij aanbeveling 4 voor bewonersparticipatie).

40.

4. Onderzoek de verschillende vormen van participatie In de nulmeting heeft bewonersparticipatie centraal gestaan, waarbij vooral trajecten binnen het fysieke domein zijn geanalyseerd. Participatie in Amsterdam is veel breder dan in deze steekproef aan bod is gekomen. Het verdient daarom aanbeveling om bij de volgende metingen aandacht te hebben voor andere typen participatie en trajecten. Het doel van de participatiemonitor is het bevorderen van kennis en kunde over participatie in Amsterdam en bijdragen aan een lerende organisatie. De verschillende perspectieven en praktijken van participatie in andere domeinen en vanuit andere initiatiefnemers, kunnen hieraan bijdragen.

41.

Bijlage 1. Casusbeschrijvingen steekproef Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting Omschrijving van het participatietraject De gemeente Amsterdam heeft de ambitie om wonen in Amsterdam de komende 20 jaar fundamenteel te veranderen. De gemeente Amsterdam wilde in de Aanpak Volkshuisvesting voorstellen doen voor het bieden en behouden van goede en betaalbare woningen. Hiervoor is een stadsbreed traject gestart waarin de gemeente betrokkenen om advies vraagt. Het participatietraject liep van september tot en met november 2022. De inspraak was van februari tot maart 2023. Met de aanbevelingen beoogt de gemeente de voorstellen te verbeteren waarmee de gemeente goede en betaalbare woningen wil bieden voor huidige en toekomstige bewoners van de stad. Deze voorstellen worden opgeschreven in de Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting. Bewoners van Amsterdam kunnen zo hun ideeën, meningen en suggesties meegeven. Dit heeft drie doelen: 1) verbeteren van de kwaliteit van de beleidsvoorstellen, 2) het verhogen van de mate van inclusiviteit in het proces van beleidsvorming en, 3) het versterken van het vertrouwen in de gemeente. Voor dit traject werden verschillende participatie-instrumenten ingezet. Zo werd er een interactieve website gemaakt en waren er publieksbijeenkomsten in ieder stadsdeel en stadsgebied (voor bewoners).

Ook waren er themabijeenkomsten (voor andere betrokkenen) - zoals ouderenhuisvesting, jongerenhuisvesting, woningkwaliteit en duurzaamheid. Er waren focusgroepen voor doelgroepen die de gemeente weinig spreekt, zoals economisch daklozen, forensisch jeugdigen en statushouders. Ook is er een online vragenlijst ingezet om Amsterdammers te bereiken, die liever niet via een digitaal platform of tijdens een bijeenkomst hun mening willen geven de mogelijkheid te bieden om mee te doen. Tot slot was er een grote bijeenkomst die diende als terugkoppeling alle betrokkenen. Feitelijke informatie Stadsdeel

Stadsbreed

Participatieniveau

Meedenken (raadplegen en adviseren)

Fase beleidscyclus

Beleidsvorming

Ingezette participatie-instrumenten

Stadsdeelgesprekken, themabijeenkomsten, focusgroepen, (online) vragenlijst

Aantal participatiesessies

8 stadsdeelgesprekken 6 themabijeenkomsten 4 focusgroepen 128 online reacties 490 invullers vragenlijst

Aantal deelnemers

1100 (500 live, 600 online)

42.

Uitvoering Er is van tevoren een duidelijk plan opgesteld voor het traject. Of het plan is opgesteld aan de hand van het beleidskader is niet helemaal zeker, maar de geïnterviewde ambtenaar vermoedt van wel. Het plan is tijdens het traject gevolgd zoals opgeschreven. Het effect van het vooropgestelde plan was dat het goed liep, maar er eigenlijk meer uitgehaald kon worden als er meer tijd was geweest. Er is geen gebruikgemaakt van het Stedelijk Team Participatie. Men kwam er namelijk pas tijdens het proces achter dat dit team bestaat. Betrokkenheid De betrokkenen bestonden uit de wethouder, het Team Aanpak Volkshuisvesting, de participatiecoördinator, woonorganisaties (in een adviesrol) en bewoners. De betrokken ambtenaar geeft aan dat de wethouder continu betrokken was. Zo vonden er met haar meerdere overleggen plaats over het participatieplan en werd ze actief meegenomen in het proces. De gemeente heeft veel gedaan om zoveel mogelijk mensen te betrekken. Bijvoorbeeld op papier, via WhatsApp-groepen, buurtkranten, buurtmakelaars en in wijken en stadsdelen. Toch wordt door de geïnterviewde ambtenaar aangegeven dat de boodschap ondanks de moeite niet aankomt bij bepaalde groepen, zoals jongeren en laaggeletterden. In dit traject zijn voornamelijk Amsterdammers die vaker participeren gesproken.

Wel is als leerpunt vastgesteld dat het bij een volgend traject behulpzaam kan zijn om bij de terugkoppeling over het project richting bewoners een enquête mee te sturen om te vragen naar hun ervaringen. Beleving Volgens een betrokken ambtenaar waren de reacties van externe deelnemers over het traject overwegend positief. De gemeente heeft hier geen klachten over gehad. Voor deze casus is er niet met bewoners gesproken, dus de beleving van de betrokken ambtenaren kan niet gespiegeld worden. Successen en knelpunten Volgens de geïnterviewden heeft participatie in dit traject bijgedragen aan de kwaliteit van het te bedenken beleid. Wat hier behulpzaam in was, was dat er alleen kaders waren en nog geen geschreven voorstellen. Ook was er openheid en duidelijkheid over wat mensen konden verwachten en wanneer en wat er zou gebeuren met hun inbreng. Dat dit goed ging, werd ook door deelnemers als punt teruggegeven aan de gemeente. Als laatste was de betrokkenheid van de participatiecoördinator een belangrijk succes en de geïnterviewde ambtenaar geeft dit mee als tip voor andere trajecten. In dit traject was de participatiecoördinator een externe persoon die werd ingeschakeld voor dit traject omdat de betrokken ambtenaren niet voldoende waren toegerust. Zij heeft het projectteam meegenomen in de participatie en het participatieplan ontworpen.

Een knelpunt in dit traject was de beperkte tijd die er beschikbaar was. Dit zorgde er bijvoorbeeld voor dat er minder mensen bereikt konden worden. Ook is tijd nodig om een betere relatie op te bouwen met deelnemers en meer aandacht te hebben voor de voortdurende terugkoppeling. Hier hadden volgens de geïnterviewde ambtenaar nog kansen gelegen in dit traject. Ook geeft de ambtenaar aan dat de organisatie wat meer lef moet tonen en waar nodig buiten de kaders moet treden. Daarnaast wordt er binnen de ambtelijke organisatie verschillend naar participatie gekeken. Dat helpt volgens de geïnterviewde niet mee in het consistent uitvoeren van participatietrajecten.

43.

Als laatste ziet de geïnterviewde ambtenaar dat er kansen liggen bij het Stedelijk Team P­ articipatie. Omdat dit team zich volledig richt op participatie is het beter toegerust dan p­ rojectteams. In het geval van losse projectteams zijn de kennis en deskundigheid te veel versnipperd. Gebruikte bronnen Documenten

Geraadpleegd op:

Geïnterviewden (functietitel)

Geïnterviewd op:

Participatieplan Amsterdamse ­Aanpak Volkshuisvesting

24-5-2023

Communicatie­ adviseur

05-06-2023

Verslag Meedenktraject Aanpak Volkshuisvesting

24-5-2023

Vragenlijst online participatie

24-5-2023

www.aanpakvolkshuisvesting. amsterdam.nl

24-5-2023

44.

Beleidskader sociale basis 2025-2032 Omschrijving van het participatietraject Voor de periode 2025-2032 wordt een nieuw beleidskader omtrent de sociale basis opgesteld. Het beleidskader definieert de sociale basis als ‘het fundament van ons stelsel voor zorg, ondersteuning en meedoen. […] In de sociale basis werken bewoners, vrijwilligers en professionals samen aan een breed, laagdrempelig en vrij toegankelijk aanbod van activiteiten en voorzieningen in de buurt. Dit aanbod is gericht op preventie, het versterken van zelfredzaamheid en het ontplooien van talent. De gemeente faciliteert de sociale basis rondom de sociale opgave in gebieden’. Het beleidskader wordt opgesteld in de context van een schaarste aan financiële middelen, krapte op de arbeidsmarkt en een stijgende zorgvraag. Dit vraagt om een verdere herinrichting van het sociaal domein met een focus op preventie en het verder verstevigen van de sociale basis. Op het moment van schrijven is het beleidskader in de periode van inspraak. Bij het opstellen van het beleidskader zijn er twee momenten van participatie. Ten eerste is er een fase van meespraak. Hier konden partners uit het veld meedenken over het beleidskader. Er zijn twee sessies van een dagdeel georganiseerd, waar deelnemers inbreng konden leveren over verschillende onderwerpen. Ten tweede wordt het beleidskader vrijgegeven voor inspraak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14134054/1