CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

RAAD 26 januari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsadres van recreatieschap Twiske-Waterland inzake Rapportage Versterking Recreatief Netwerk Laag Holland VN2022-04588320.896 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie Samengevat zien we de volgende groei van de recreatiebehoefte die leidt tot een grote noodzaak voor investeringen in recreatieve structuren: • Bevolkingsgroei Laag Holland en Amsterdam 2019-2040: +19,4% (van 1.345.400 naar 1.606.100 inwoners). Alleen al de groei in het aantal eigen inwoners leidt in Zaanstreek-Waterland tot +800.000 buitenrecreatie-activiteiten en +700.000 sportieve activiteiten in de periode 2018-2030. • Toenemend aantal ouderen met tijd en middelen leidt tot meer buitenrecreatieactiviteiten en dus een toenemend gebruik van recreatieve structuren. • Toename van circa 325.000 woningen tot 2050 in de MRA, waarvan 175.000 voor 2030, leidt tot veel behoefte aan mogelijkheden voor recreëren in het groen aan de randen van de stad. • Forse autonome groei van behoefte aan buitenrecreatie door toenemend belang van buiten zijn, met name behoefte aan mogelijkheden voor recreatie in directe woonomgeving versterkt door corona. • Groei aantal verblijfstoeristen Zaanstreek Waterland 2019-2030 tussen de +23% en +39% en overnachtingen tussen +39% en +46%. Groei aantal unieke dag- en verblijfsbezoekers Amsterdam 2018-2030 tussen +21% en +38% (alhoewel waarschijnlijk vertraagd door corona). 4.4

Ook veranderend recreatiegedrag leidt tot noodzaak investeringen in recreatieve structuur Naast een toenemende recreatiebehoefte, zien we ook veranderend recreatiegedrag dat leidt tot de noodzaak voor extra investeringen in het recreatieve netwerk.

• Naast het ommetje rondom huis is ook het lange afstandswandelen populair. Nordic walking (wandelen met stokken) heeft een vast plekje veroverd op de wandelpaden en wordt alweer opgevolgd door XCO Walking en Smovey Walking. Daarnaast zijn powerwalking, fitwalking en brisk walking, Chi walking en meditatief wandelen in opkomst. Ook de wandeldate en wandelvergadering (‘weeting’ en ‘wandelbila’) worden steeds meer gemeengoed. • We fietsen meer, er zijn meer verschillende soorten fietsen en de snelheidsverschillen tussen fietsers zijn groter geworden. Op straat zien we, naast gewone en elektrische fietsen ook bakfietsen, transportfietsen, driewielers, speedpedelecs, velomobielen, ligfietsen, MTB-ers, gravelbikes, tijdrit- en racefietsen. Het stijgend aandeel van elektrische fietsen leidt tot het afleggen van langere afstanden en zorgt er voor dat (o.a.) ouderen langer en verder fietsen. Door het toegenomen gebruik van elektrische fietsen is het mogelijk om langere afstanden af te leggen en blijven (o.a.) ouderen langer en verder fietsen. • Ook na corona zal een groot deel van de Nederlanders een aantal dagen per week thuis blijven werken. Dit betekent dat we vaker gebruik gaan maken van de mogelijkheden voor ommetjes in de eigen woonomgeving. • De laatste 15 jaar is individueel sporten veel populairder geworden, ook in de buitenlucht.

Gravelbiken, hardlopen, trailrunnen, skeeleren en meer. • Watersport is terug van weggeweest. Het water biedt een belangrijke toegevoegde waarde voor recreanten, en is meer dan alleen varen. Het omvat ook kleine watersport, vissen, zwemmen en actieve sporten zoals (kite)surfen, suppen en waterskiën. Het overgrote deel van de recreatie en vrijetijdsbesteding buitenshuis heeft een routegebonden component: toeren, fietsen en wandelen en varen zijn ongekend populair, bij nagenoeg alle leeftijdsgroepen en lagen van de bevolking. Routegebonden recreatie en toerisme vormen een belangrijk deel van het toeristisch-recreatief product van een bestemming of streek. Het accommoderen van alle motieven (rust, ontspanning én activiteiten en voorzieningen) leidt echter tot botsende belangen van verschillende recreantengroepen. Er zijn investeringen nodig om al deze groepen met hun eigen voorkeuren op een veilige manier te bedienen en daarmee de toegenomen druk op routestructuren en steeds meer diverse en uiteenlopende wensen op te vangen. Ook zijn er specifieke onderdelen waaraan wel behoefte is, maar die Laag Holland maar beperkt biedt. Extensieve recreatie in de vorm van struinen door natuur of boerenland is daarvan een voorbeeld.

Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 28

Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 29

5

VOORSTEL VERSTERKING RECREATIEVE STRUCTUUR

Dit hoofdstuk beschrijft de versterkingen die we op basis van de analyse van beleidsstukken, ambities, visies en plannen en interviews hebben verzameld en in het kaartbeeld concreet hebben vertaald. Deze kunnen basis zijn voor uitvoeringsprogramma’s op relatief korte termijn. Hoofdstuk 5 beschrijft de genoemde aanvullende kansen, wellicht nog wat minder gedragen, maar wel bijdragend aan een sterke totaalvisie. Deze kunnen de basis zijn voor een inhoudelijke vervolgdiscussie over de positie van recreatie als onderdeel van een waardevol integraal landschap. 5.1 Zonering Belangrijke basis voor het versterken van de recreatieve structuur is een goede zonering. Dit om recreatie goed te spreiden en om bestaande natuur- en landschappelijke waarden niet of slechts beperkt door recreatie te laten verstoren.

Zoneringsprincipe eerdere Recreatieplannen

In dit rapport doen we een voorstel voor een geactualiseerd zoneringsprincipe ten opzichte van de eerdere recreatieplannen. Het zoneringsprincipe zoals eerder gehanteerd werkt nog altijd goed, maar recente ontwikkelingen maken actualisatie noodzakelijk. Onder andere de toegenomen actieradius van fietsrecreatie door electrische fietsen benadrukt de waarde van goed verbonden en doorgaande structuren. Daarnaast is er een toegenomen vraag naar recreatie in de vorm van ommetjes in de directe woonomgeving. Ook de bereikbaarheid van de recreatievestructuur vanuit de stad of regio via infrastructuur is belangrijker geworden. Via recreatieve poorten of knooppunten aan de auto- en OV-infrastructuur is het groen bereikbaar. Daarbij legt de ontwikkeling van ‘Buitenpoorten’ een belangrijke focus op de kwaliteit van deze poorten en op de recreatieve mogelijkheden direct daaraan gekoppeld. Ten slotte speelt een toenemende betekenis van recreatieve groengebieden als alternatief voor stedelijke parken. Dit laatste kan botsen met rust of natuurwaarden in diezelfde gebieden. In relatie daarmee hebben Staatsbosbeheer en RNH een aanvullend en nader genuanceerd zoneringsprincipe opgesteld, die wij hierbij overnemen. Zo ontstaat een geactualiseerd recreatief zoneringsprincipe voor Laag Holland.

Basis voor geactualiseerd Zoneringsprincipe Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 30

Stadsranden De stadsranden en dagrecreatiegebieden vormen hierin de belangrijkste vlakvormige gebieden. De stadranden worden goed en integraal ontwikkeld, bijvoorbeeld door toegankelijk maken van volkstuincomplexen en sportparken. Daarnaast zijn in de zonering de stadrandgebieden goed bereikbaar via een binnenstedelijke structuur van groene dooradering en recreatieve groene wiggen.

Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 31

Dagrecreatiegebieden Binnen de dagrecreatiegebieden speelt een genuanceerde recreatieve zonering, met een ‘dynamisch ontvangstgebied’, een zone van ‘gemoedelijke recreatie’ en een zone van ‘rustige natuur’. ‘Dynamisch ontvangstgebied’ bestaat uit een concentratie van druk bezochte groene ruimtes, voorzieningen, parkeerruimte en infrastructuur. ‘Gemoedelijke recreatie’ betekent een meer traditioneel parklandschap met een vrij dicht netwerk van paden en enkele voorzieningen. ‘Rustige natuur’ betekent een min of meer ongestoord natuurlandschap, met enkele paden en voorzieningen die niet of nauwelijks verstorend zijn, en afhangen van het type natuur. In het geval van het Alkmaarder- en Uitgeestermeer zien we het open water ook als ‘rustige natuur’.

32 | Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

Recreatieve hoofdstructuur Opgenomen in de stadsranden en dagrecreatiegebieden is een samenbindende recreatieve hoofdstructuur, als bundel van sterke routes, met beperkte voorzieningen zoals bankjes en dergelijke. Deze hoofdstructuur volgt naast de genoemde gebieden vooral de contrasten in het landschap van Laag Holland. Zo is de Markermeerdijk de belangrijkste lijnvormige recreatieve hoofdstructuur met een grote kwaliteit en specifieke voorzieningen zoals verbrede kapen en recreatieve ‘dijkplaatsen’ die het verhaal van de dijk versterken. Daarnaast zijn verschillende lijnen met contrast tussen veenweidegebied en droogmakerijen van grote recreatieve betekenis. Overig landschap Laag Holland Deze zone van ‘rustige natuur’ passen we in de geactualiseerde zonering ook toe aan de buitenzijde van de stadsrand, met dien verstande dat het hier vooral gaat over cultuurlandschap met natuurwaarden. Dit sluit aan bij het algemene principe van recreatie in het landelijk gebied van Laag Holland. In alle gebieden is de afgelopen decennia gezocht naar passende manieren van recreatief beleefbaar maken van de specifieke kwaliteiten van het landschap. Soms door boerenlandpaden, soms door kano- en sloepenroutes, altijd met zo min mogelijk beïnvloeding of verstoring van het landschap zelf.

Dit heeft al een hoge kwaliteit, maar kan zeker nog verder worden uitgebouwd, bijvoorbeeld in combinatie met actuele maatschappelijke opgaven en -ontwikkelingen. Zo kan de transitie van de landbouw goed worden gecombineerd met versterking van informele recreatieve bestemmingen, toegankelijkheid en dooradering. Zodanig dat recreatie ook een deel vormt van een ander verdienmodel.

Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 33

Daarnaast is uit verschillende interviews de wens naar voren gekomen om minder sectoraal en meer integraal naar recreatie te kijken. Zo kunnen via gebiedsontwikkeling nieuwe natuurzones ontwikkeld worden, bijvoorbeeld ten behoeve van NNN, KRW, Klimaat (bos- en veenontwikkeling) of Stikstof, waarin recreatie direct verweven is. Ook deze zones zien we in het zoneringsprincipe als ‘rustige natuur’, zij het dat we deze alleen toepassen in het ambiteuzere recreatieve kaartbeeld. Zo kan de transitie van de landbouw goed worden gecombineerd met versterking van informele recreatieve bestemmingen, toegankelijkheid en dooradering. Totaal zoneringsprincipe recreatie Vanuit het gevarieerde landschap en de stedelijke concentraties als basis, en de verschillende hoofdzones als recreatieve schillen, ontstaat daarmee het hiernaast afgebeelde genuanceerde totaalbeeld voor de zonering van recreatie in Laag Holland.

5.2 Impressie zonering en Zoom-ins recreatieve typen Om meer duiding te geven aan deze recreatieve zonering is op de volgende pagina een beeld gegeven van de toepassingen van dit principe in de stadsrand van Amsterdam Noord. Daarnaast is een tweetal luchtige impressies gemaakt van verschillende recreatieve landschaps-zones. Totale geactualiseerde zonering Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 34

Impressie van zonering tov stadsrand

Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 35

Luchtige impressies van de zone van ‘Gemoedelijke recreatie’, en de zone ‘Recreatief Landelijk gebied’. Hierbij als legenda een opsomming van mogelijke recreatieve elementen, met daarbij een mogelijke maatvoering en materialisatie. Zoals bij de opgaven is beschreven, is er door veranderende doelgroepen, recreatieve vervoermiddelen en -snelheden de noodzaak om in het hele gebied Laag Holland bij grootschalig onderhoud van paden te beoordelen of de maatvoering en vormgeving nog past bij de huidige vereisten, die bijvoorbeeld door de opkomst van de e-bikes veranderd zijn.

Zoom-in Gemoedelijke Recreatie

Deze maatvoering dient te worden afgestemd met bijvoorbeeld de richtlijn Ontwerpwijzer Fietsverkeer CROW, maar ook met ervaringsgetallen van de recreatieschappen zelf. .

Zoom-in zone Recreatief landelijk gebied Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 36

5.3 Verbetering recreatief netwerk door gerichte toevoegingen Op basis van de analyse van stukken, het symposium Recreatie en Toerisme Laag Holland en de daarop volgende interviews, en de beschreven zonering, zijn een aantal concrete verbeteringen te benoemen waar een behoorlijke consensus over is. Deze gaan ten dele over versterking van een hoofdstructuur. - Versterking van de oost-west verbinding als zuidelijk deel van de hoofdstructuur: de as Twiske-Zaan-Westzaan-Omzoom-Oer-IJ. - Versterking van de oost-west verbinding als middendeel van de hoofdstructuur, vooral gebaseerd op landschappelijke contrasten: de as Edam-PurmerendBeemster-Starnmeer-Markenbinnen-Alkmaardermeer. - Versterking van de oost-west verbinding als noordelijk deel van de hoofdstructuur: de as Oeverdijk Hoornse Hop-de HulkMijzenpolder -Alkmaar - Versterking van de noord-zuid verbinding centraal in de hoofdstructuur, en vooral gebaseerd op landschappelijke contrasten: Zaan - Wormer- en Jisperveld – Eilandspolder- Schermerhorn-Noordrand Schermer-Alkmaar - Versterking van meerdere verbindingen tussen Laag Holland met het duingebied, via Oer-IJ – Assum/Heemskerk– Marquette/Geversduin en via Krommenie - Uitgeest – Limmen – Bakkum, in het noorden tevens Alkmaar-Heiloo-Egmond. Daarnaast gaat het over toevoegingen meer op detailniveau.

Deze zijn overgenomen vanuit eerdere recreatieplannen, als knelpunt, of als verbeterpunt uitgaande van de recreatiestructuur en de mogelijkheden voor recreatieve rondjes ten opzichte van bewoningsconcentraties of entreepunten. Deze voorstellen zijn in het proces als globale locaties voor versterking ingetekend en naderhand in detail bediscussieerd.

In de kaarten op de volgende pagina’s zijn deze voorstellen opgenomen. De eerste kaart toont de globale verbeterpunten in de vorm van verbindingspijlen en versterkings-gebieden. In de tweede kaart zijn deze globale wensen of indicaties concreet gemaakt als lijnvoorstel voor de hoofstructuur, voor recreatieve paden of voor vaarroutes. Uiteraard zijn dit grove voorstellen die hiermee ter discussie voorgelegd worden. Het toont vooral de zo ontstane nieuwe totaalstructuren. Na bediscussiering van deze kaartbeelden kunnen deze worden vertaald in een Groslijst verbeterpunten/ projecten.

Kaart vertaling van in divers beleid voorgestelde versterkingen Recreatief Netwerk Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 37

Kaart Voorstel Versterking Recreatief Netwerk in concrete lijnen Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 38

5.4 Ruimte voor een andere benadering van recreatie Naast de samenvatting van visies en plannen en vertaling daarvan in een aangepaste recreeatiestructuur, geven we ook een doorkijk naar naar een iets andere benadering van recreatie, mede gebaseerd op de interviews met de diverse stakeholders. Deze benadering gaat uit van een meer vanzelfsprekende meekoppeling van recreatie met een aantal maatschappelijke en landschappelijke transities. Daarmee verdwijnt het sectorale karakter van recreatie en daarmee verandert ook het hele vraagstuk van financiering en beheer. Mogelijk naar een breed gedragen (ook financieel) en meer integrale functie van het landschap als leef- en beweegruimte voor de mens. In de onderstaande kopjes wordt dit iets nader besproken, als aanzet voor nadere verdieping en discussie. Verbreding door meekoppeling met maatschappelijke ontwikkelingen Er zijn grote voordelen aan het meekoppelen van recreatief gebruik met maatschappelijke ontwikkelingen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld over landbouwtransitie. De huidige opgaven in het landelijk gebied, voor bijvoorbeeld beperking van stikstofuitstoot, beperken van CO2 uitstoot en bodemdaling, bevorderen biodiversiteit, overgang van dierlijk naar plantaardig, via tuinbouw en voedselbossen en de productie van bouwstoffen, biedt kansen voor een heel andere positie van recreatie.

Recreatie kan een standaard nevenfunctie van de agrarische sector worden, waarvoor ook vergoedingen betaald worden als onderdeel van een vitale verbrede landbouw. Dit past in de transitie naar ecologische landbouw, kleinschaliger en meer gericht op plantaardig voedsel. Ook past het in een andere algemene levenshouding, waarin gezondheid in het algemeen, met voedsel en bewegen als belangrijke aspecten belangrijker gaat worden. Het recente regeerakkoord biedt al een opening voor een dergelijke andere benadering, door de benoeming van zgn landschapsgronden, als nieuwe categorie tussen functionele landbouwgebieden en echte

natuurgebieden. Bovendien zijn hiervoor forse budgetten beschikbaar gesteld. Alleen zijn deze vooralsnog strak geoormerkt, waarbij recreatie buiten beeld blijft. Deze dubbele boodschap dient aan de kaak te worden gesteld, en de kansen concreet te worden vertaald naar realistische eerste stappen. Hoewel het dus feitelijk veel breder zou kunnen gaan spelen hebben we in onze kaart een tussencategorie toegevoegd als een dergelijke eerste stap. Vooralsnog vooral gekoppeld aan, en vanuit de veranderende recreatieve behoefte van de stedeling. Dit zou gezien kunnen worden als eerste zone met een meer informele recreatieve beleving van het landelijk gebied, dat zich vervolgens verder uitbreidt in het geheel Laag Holland..

Kaart voorstel Integrale zones van natuur+recreatie en recreatief landschap Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 39

Relatie recreatie en natuur (-> integrale natuur/recreatiezones) Een zelfde voordeel van meekoppelen geldt bij integreren van nieuwe natuur en recreatie in integrale natuur- en recreatiezones. Naast de eerder genoemde opgaven zal ook de huidige opgave vanuit het veranderend klimaat een forse impact op het landschap gaan hebben. Meer bos, meer veen, meer wetlands. In recente plannen van de regering, zoals bijvoorbeeld de Bossenstrategie, is dit al behoorlijk concreet gemaakt. Hierbij kunnen eerdere initiatieven, zoals robuuste ecologische verbindingszones en klimaatcorridors, weer opgepakt worden. Het is ons opgevallen dat deze corridors feitelijk gelijk vallen met de recreatieve hoofdstructuur zoals we die in Laag Holland zien ontwikkelen, eveneens vooral oost-west verbindingen tussen kust en kust. Door deze ontwikkeling van zowel natuur als recreatie niet sectoraal maar integraal aan te pakken, kan een zeer sterke en aantrekkelijke mix gerealiseerd worden van ecologische en recreatieve verbindingen. Een voorbeeld hiervan is het project ‘Schoonwatervallei’ zoals dat door Landschap NoordHolland boven Castricum wordt nagestreefd. Door deze ruimhartig op te pakken en in de natuurcompensatie ook een recreatieve structuur mee te nemen bouwen we effectief aan beide doelen die bovendien zeer veel gemeen hebben en feitelijk veel vaker gekoppeld zouden moeten worden.

Heroverweging belemmeringen natuur en recreatie Natuurwaarden vormen namelijk vaak ook een belemmering voor recreatieve beleving van het landschap. Dit speelt met name in de aangewezen IBP-VP gebieden van Amsterdam Wetlands, en dan vooral door de eenduidige en absolute aanwijzing van gebieden, bijvoorbeeld als weidevogelleefgebied. De huidige stand van weidevogels is echter zeer gedifferentieerd en veel minder goed dan de gebiedsaanwijzingen suggereren. Naast evidente weidevogelconcentratiegebieden, zoals Waterland-Oost ten oosten van het Goudriaankanaal, zijn

Kaart Natuurbeschermingscategoriën Landelijk gebied: Natura-2000, NNN, Weidevogelleefgebied Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 40

er ook gebieden met zeer geringe betekenis. Zie de onderstaande beelden waarin de neergaande trend en de huidige dichtheden van de grutto in Waterland-Oost zijn weergegeven. Het is noodzakelijk de discussie te openen over een hernieuwde afweging tussen recreatief belang en natuurbelang, of over een nuancering van de relatie recreatie/veenweidenatuur. De kaart van de recreatieve structuur ten opzichte van het weidevogelleefgebied laat zien dat die ruimere benadering essentieel is voor een goede recreatieve betekenis van Laag Holland. In dit kader hebben we in een aantal veenweidegebieden, zoals in Waterland-Oost nabij Holysloot, in het Oostzanerveld tussen het Twiske en de Wijde Wormer, en de Zeevang boven Edam, concrete padenvoorstellen ingetekend die het recreatieve

netwerk en beleving fors uitbreiden, en blijkend uit de monitoring nauwelijks weidevogels zullen verstoren. Een versterkte waardering van deze gebieden door toegenomen beleving kan bovendien het draagvlak voor specifiek beheer gericht op deze soorten, en het draagvlak voor instandhouding van Laag Holland in het algemeen vergroten. In de kaart op de volgende pagina zijn de voorstellen voor integrale recreatieve zones en verruiming van recreatiepaden in formeel weidevogelleefgebied beide opgenomen, als Recreatief Netwerk met hogere ambitie.

Negatieve trend weidevogels Waterland

Kaart kansen verdere Versterking Recreatief Netwerk tov Weidevogelleefgebieden Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 41

Kaart Voorstel en Kansen verdere Versterking Recreatief Netwerk Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 42

Totaalbeeld Recreatief Netwerk met landschappelijke kwaliteiten Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 43

4.6 Impressies Totaalbeeld Recreatif Netwerk Laag Holland Om een beeld te geven van deze totale recreatieve hoofdstructuur, de samenhang daarin en de relatie tot de stedelijke gebieden zijn vier vogelvluchtbeelden opgesteld. Laag Holland vanuit vier kanten bezien. De hoofdstructuur is hierin

beeld Laag Holland vanuit zuidoostelijke richting

beeld Laag Holland vanuit zuidelijke richting

opgelicht en gebieden zijn met namen geduid. In alle beelden zijn op de voorgrond ook zones Recreatief Landelijk gebied en aanvullende paden aangegeven, zoals in de zoneringsfilosofie en in de paragraaf over een hogere ambitie is beschreven.

beeld Laag Holland vanuit oostelijke richting

beeld Laag Holland vanuit noordwestelijke richting Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 44

Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 45

6

BEHEER EN ONDERHOUD RECREATIEVE STRUCTUUR

6.1 Huidige situatie Beheer Er zijn veel verschillende partijen betrokken bij het beheer van de recreatieve structuren in Laag Holland. In dit hoofdstuk geven we aan wie dit zijn en over welke middelen zij beschikken, en motiveren we dat er sprake is van een structureel beheertekort. 6.1.1

Beheer van gebieden en recreatieve infrastructuur in Laag Holland

Betrokken partijen Er zijn veel verschillende partijen die een rol spelen in het beheer van natuur- en recreatiegebieden en recreatieve infrastructuur. In Laag Holland zijn dit: • Recreatie Noord-Holland • Recreatieschappen • Landschap Noord-Holland • Staatsbosbeheer • Natuurmonumenten • Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier • Provincie Noord-Holland (beheerder van IJmeer-Markermeer en van provinciale infrastructuur, daarnaast deelnemer in de recreatieschappen) • Gemeenten (openbare ruimte, wegen etc.) • Boeren: - Regulier - Agrarisch natuurbeheer Al deze partijen dragen samen zorg voor inrichting en beheer van het landschap. Zij bepalen voor een belangrijk deel de kwaliteit en de beleving van het recreatieve netwerk in Laag Holland. Op een kleiner schaalniveau spelen ook bedrijven en burgers hierin een rol, omdat zij hun eigen kavel en opstallen onderhouden. Samenwerkingen De recreatieschappen zijn samenwerkings-organisaties (gemeenschappelijke regelingen) van gemeenten en provincie. Via erfpachtconstructies zijn de schappen ook verbonden met Staatsbosbeheer (die van veel gebieden het bloot eigendom heeft). Dit heeft recent geleid tot een gezamenlijke visie en een samenwerkingsovereenkomst tussen de Schappen en Staatsbosbeheer.

Hierin is vastgelegd dat de verantwoordelijkheid voor alle groene recreatieve gebieden in de MRA die in eigendom zijn van Staatsbosbeheer of de provincie NoordHolland of de deelnemende gemeenten van de recreatieschappen samen gedeeld wordt. En dat wordt toegewerkt naar één werkwijze die daarbij past met een evenwichtige gedeelde financiering om zo zoveel mogelijk middelen te bundelen voor inrichting en beheer van die gebieden met instrumenten die daar het best bij passen. Om zo de kwaliteit van de gebieden voor natuur- en recreatieve doeleinden te verbeteren en samen voldoende middelen te hebben om dat te kunnen doen. PM Kaart gebiedsbeheerders 6.1.2

Middelen voor beheer

Geldstromen In figuur 4 is schematisch aangegeven hoe de belangrijkste geldstromen tussen consumenten, bedrijven, overheden en gebiedsbeheerders op dit moment lopen. Alhoewel deze figuur specifiek van toepassing is op boerenlandpaden, zijn de stromen voor het gehele recreatieve netwerk hiermee goed vergelijkbaar. Figuur 4. Model gewijzigd overgenomen uit de publicatie ‘Groene diensten en recreatie.’ Stichting Recreatie, Kennis- en Innovatiecentrum, Den Haag, 2003. A.J. van Golen, E. Tuunter * BLP contracten = Boeren land pad contracten ** Erfpacht: hier kan ook pacht, huur, bruikleen staan *** Particuliere fondsen zoals de Postcodeloterij en de Bankgiroloterij zijn in deze figuur niet meegenomen, maar spelen inmiddels ook een belangrijke rol in de financiering van natuur- en erfgoedbeheerders als Natuurmonumenten en Landschap Noord-Holland. 46 | Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

Middelen Overheden zijn op dit moment veruit de belangrijkste bron van middelen voor investeringen in en beheer van groen en landschap en recreatieve infrastructuur. De belangrijkste middelen komen op dit moment uit: • Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) voor gronden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of Natura2000, zie ook kader. De SNL bijdrage voor openstelling en recreatie is € 39 per ha per jaar, daarnaast is er een bijdrage voor toezicht, mede i.r.t. recreatie: € 18 per ha per jaar. Uitgaande van ca 10.870 hectare NNN -gebied in Laag-Holland, gaat het om een totaalbedrag van €424.000 per jaar voor recreatievoorzieningen en € 195.000 voor toezicht en handhaving (BOA’s). • Bijdrage van de recreatieschappen. Naar schatting gaat 75% van het operationele budget voor beheer van de terreinen naar beheer van de recreatievoorzieningen, wat neerkomt op 2,25 miljoen euro per jaar in dit gebied. Hiernaast besteden de schappen € 300.000 per jaar aan toezicht en handhaving t.b.v. het recreatief gebruik. Van de bijdrage van de recreatieschappen komt 80 tot 84% procent van de deelnemers en het andere deel (20 tot 16%) uit inkomsten van pacht, erfpacht, huur en inkomsten van recreanten. • Boerenlandpadregeling (openstelling) vanuit de provincie. Dit gaat om een relatief klein bedrag van ca 30.000 euro per jaar.

De belangrijkste middelen voor investeringen (toevoegen en vervangen van voorzieningen) in recreatie komen uit: • Investeringen vanuit de recreatieschappen (bijdragen deelnemers) • Gebiedsprogramma Laag Holland (heel bescheiden: ca € 0,3 mln/jaar) • Groen NH: wandelnetwerken & TOP’s • Provinciale subsidie Uitbreiden vaarnetwerk kleine pleziervaart Andere middelen voor investeringen in groen, water en landelijk gebied zijn: • Groen NH: weidevogelbiotopen • Provincie: Klimaatadaptatie uitvoering • Provinciale subsidie Bedrijfsverplaatsing en kavelruil Natuurnetwerk NoordHolland • Provinciale subsidie Investeringsbudget Landschapsversterking • Extra middelen Rijk: veenweide en stikstof • Mobiliteitsfonds: indien er een meekoppelkans is bij aanleg infrastructuur • Waterschappen en andere Rijksmiddelen water: meekoppelkansen • Giften, legaten etc van particulieren en bedrijven aan private TBO’s (Natuurmonumenten en Noord-Hollands landschap).

Uit eerder door Bureau BUITEN uitgevoerd onderzoek naar bestaande middelen voor het financieren van landschapsopgaven in de MRA blijkt het volgende: 1. Er zijn relatief veel middelen voor natuurontwikkeling in NNN en N2000 gebieden, veenweideopgaven en klimaatadaptatie. De belangrijkste financieringsbronnen voor deze opgaven zijn het stikstofbudget, het veenweidebudget, de budgetten voor klimaatadaptatie en de SNL-subsidies. 2. Er zijn relatief en absoluut weinig middelen die aangewend kunnen worden voor recreatieve beleving en benutting, verbetering van de landschapswaarde en natuurontwikkeling buiten NNN/N2000 gebieden. 3. Voor beheer van recreatievoorzieningen door natuurbeheerders zijn er wel middelen, maar die schieten in de ogen van beheerders tekort. De bijdragen dekken niet de kosten. Voor groen/natuur buiten NNN en N2000 bestaan er voor natuurbeheerders geen bijdragen voor beheer van recreatievoorzieningen (wanneer een recreatieschap beheerder is, worden de kosten door de deelnemers gedragen). 4. Er zijn op dit moment geen substantiële en kansrijke grootschalige financieringsbronnen voor verbetering van de recreatieve structuur. SNL-beheersubsidie onvoldoende, zeker bij recreatief medegebruik

Met name voor het natuurbeleid – voor het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en voor Natura2000-gebieden – zijn er langjarige geldstromen voor realisatie en subsidieregelingen voor het beheer (het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL)). Na de decentralisatie (2011) zijn de provincies hiervoor verantwoordelijk. De SNL-beheersubsidie dekte tot voor kort 75% van de standaardkostprijs. Dat percentage is inmiddels verhoogd naar 84%. Dat betekent dat terreinbeherende organisaties (TBO’s) en particuliere grondeigenaren de ontbrekende middelen zelf moeten aanvullen, of moeten bezuinigen op het beheer. Met name daar waar ook recreatief medegebruik is, is dat een reeds langer bestaand probleem. De TBO’s en de Federatie Particulier Grondbezit (FPG) wijzen reeds lang op het bestaan van dit beheertekort. Om goed recreatief beheer te kunnen plegen moet een beheerder extra middelen bovenop de SNL-subsidie hebben of kunnen genereren. Daar komt bij dat in de SNL-subsidie geen rekening wordt gehouden met periodieke vervaningsinvesteringen.

6.1.3

Beheertekort

Door het gebrek aan middelen enerzijds en hoge kosten anderzijds is sprake van een beheertekort, met name voor recreatieve voorzieningen en infrastructuur. We hebben geen specifieke getallen over het beheertekort in Laag Holland, maar wel een indicatie van het beheertekort op MRA-niveau. • In de MRA wordt jaarlijks circa € 110 mln uitgegeven aan landschapsopgaven, 47 | Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

waarvan € 68 mln aan beheer (prijspeil 2017) 1. • In eerder onderzoek van Bureau BUITEN wordt het beheertekort bij recreatieschappen en natuurbeheerders op MRA-niveau geschat op € 21 mln/jaar, waarvan € 16,5 mln voor beheer en € 4,5 mln voor vervangingsinvesteringen. Dit bedrag is nagenoeg geheel toe te schrijven aan een tekort voor het beheer en onderhoud van de recreatieve voorzieningen.2 • De benodigde investeringen in landschapsopgaven in de MRA in de periode 20202040 worden geschat op circa € 2 mrd oftewel circa € 100 miljoen per jaar. Grofweg gaat het om ca. € 900 mln. voor natuur (incl. recreatie), bijna € 550 mln. voor vernatting van het veen en ermee samenhangende kosten en ruim € 500 mln. voor recreatie.3 Er is bij dit beheertekort sprake van verschillen tussen de verschillende typen beheerders, recreatieschappen (gemeenschappelijke regelingen) en natuurbeheerorganisaties: • Voor gebieden die beheerd worden door de recreatieschappen is het beheer als volgt geregeld: recreatieschappen zijn verplicht om de kosten reëel te begroten en een sluitende begroting vast te stellen. De deelnemers aan de recreatieschappen zijn juridisch verplicht om eventuele tekorten te matchen. Dit neemt niet weg dat er veel discussie is over deze tekorten, met name als het investeringen betreft die op korte termijn vermeden kunnen worden maar op lange termijn wel een opgave opleveren.

• Terreinbeheerders met een primaire natuurdoelstelling zoals Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer, of een waterdoelstelling zoals het waterschap, hebben geen geld voor recreatiespecifieke doeleinden. Er zijn wel inkomsten uit recreatie (bijv. pacht of huur), maar die zijn onvoldoende om de kosten te dekken. Zij hebben echter wel te maken met een groeiend aantal recreanten in hun gebieden terwijl er eigenlijk geen geld is voor het onderhouden en periodiek vernieuwen van de recreatievoorzieningen. • Openbare recreatieve structuren buiten recreatie- en natuurgebieden zijn veelal in beheer bij gemeenten. Beheer, vervangingsinvesteringen en vernieuwing van deze voorzieningen is regelmatig onderwerp van bezuinigingen bij gemeenten.

Afbeelding 7: SBB moest de brug op het Schanszichtpad (Zaanse Schans) sluiten, als gevolg van het beheertekort. Bron: Mischa Faverey, De Orkaan

6.2

Financieringsparadox recreatieve infrastructuur

Het belang van recreatiemogelijkheden en de toenemende behoefte daaraan, staat haaks op het gebrek aan middelen voor beheer en onderhoud van recreatieve structuren. 6.2.1

Belang van recreatie

Aangezien de vraag naar recreatiemogelijkheden gaat toenemen en ook veranderend recreatiegedrag tot een noodzaak voor extra investeringen in het recreatieve netwerk leidt (H3), is het gebrek aan substantiële en kansrijke grootschalige financieringsbronnen voor verbetering van de recreatieve structuur een groot knelpunt voor de toekomst. Daarover in het volgende hoofdstuk meer.

Recreatie en toerisme vormen een essentieel onderdeel van het dagelijks leven en kunnen worden gezien als het cement voor de samenleving. Recreatie en toerisme zorgen voor ontmoetingen, contact, nieuwe inzichten, creativiteit en ontspanning, wat essentieel is voor welbevinden en productiviteit. Recreatievoorzieningen die goed aansluiten bij de behoeften van inwoners, zijn voor hen direct van waarde en zijn van invloed bij de keuze van een woonbestemming.

1 Investeringen en uitgaven aan MRA-landschap, Ecorys 2018

We zien de laatste jaren een toenemende aandacht voor preventieve gezondheidszorg en daardoor ook voor een gezonde leefomgeving. Recreatie en toerisme hebben namelijk een belangrijke gezondheidswaarde: recreatie-activiteiten in een groene omgeving hebben een belangrijk positief effect op de fysieke en mentale gezondheid 4. De aanwezigheid van een ‘beweegvriendelijke omgeving’, zoals sport-, spel- en recreatieve voorzieningen op loop- en fietsafstand, de aanwezigheid

2 Beheertekorten Metropoolregio Amsterdam, Bureau BUITEN 2019 3 INTENS/Opgaven en geld, Bureau BUITEN 2019 4 Zie verder: https://heatwalkingcycling.org/#homepage; www.gezondnatuurwandelen.nl; claiming_the_ health_dividend.pdf ; dr. ShaneOmara; https://groenvoorgezondbeleid.nl/; https://platform.groenkapitaal.nl/ de-kracht-van-natuur-voor-gezondheid-meer-inzetten/.

Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 48

van groen of water, een goede voetgangersinfrastructuur, veilige fietspaden en een aantrekkelijke en veilige buurt, daagt mensen uit om voldoende te bewegen 5 . Door corona is het belang van mogelijkheden om in de directe woonomgeving te kunnen recreëren bovendien nog verder toegenomen. 6.2.2

Economisch belang vrijetijdssector

Naast het feit dat recreatie bijdraagt aan de gezondheid en het welzijn, heeft de toeristisch-recreatieve sector ook een belangrijke economische waarde. In 2020 hadden in Laag-Holland hadden zo’n 13.500 mensen een baan in de toeristisch-recreatieve sector (LISA, 2021). De toeristisch-recreatieve sector is daarmee goed voor zo’n 6,7% van het totale aantal banen in de regio (zie tabel 2 en 3). Recreatie en toerisme spelen daarmee een grote rol in de welvaart en het welzijn van de regio en haar inwoners. Dit is ook terug te zien in de toeristische bestedingen en de toegevoegde waarde per baan (zie tabel 4).

Tabel 3 Banen in toeristisch-recreatieve sector als onderdeel van totaal, 2020 (bron: LISA, 2021)

Bovendien heeft Laag Holland te maken met afnemende agrarische mogelijkheden vanwege stikstof, veenproblematiek en vernatting. Economisch gezien kunnen toerisme en recreatie een deel van de oplossing zijn voor deze afnemende economische mogelijkheden. Tot slot levert de sector een belangrijke bijdrage aan het voorzieningenniveau. Tabel 4 Toegevoegde waarde en bestedingen toeristisch-recreatieve sector

Tabel 2 Vestigingen in toeristisch-recreatieve sector als onderdeel van totaal, 2020 (bron: LISA, 2021)

Toelichting op bovenstaande berekening • De toegevoegde waarde en bestedingen vanuit het toerisme en recreatie zijn bekend voor Amsterdam (bron CBS). https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/aanvullendestatistische-diensten/2021/toerismerekeningen-gemeente-amsterdam-2017-2019?onepage=true#:~:text=De%20toeristische%20bestedingen%20bij%20Amsterdamse,op%20 18%2C6%20miljard%20euro • We kunnen aan de hand hiervan inschatten hoe de toegevoegde waarde en de bestedingen in de sector in Laag Holland zijn, waarbij we er vanuit gaan dat Laag Holland 80% van de Amsterdamse arbeidsproductiviteit oplevert. • €7 miljard/ 82.910 toeristisch-recreatieve banen = €84.429 per baan. Dit bedrag per baan (€84.429) maal het aan toeristisch-recreatieve banen in Laag-Holland (13.520) = €1,1 miljard. Vervolgens is 80% van €1,1 miljard: €913 miljoen.

5 Bron: Rijksoverheid, gezondheid en zorg

49 | Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

6.2.3

Financieringsparadox

Het landschap en de recreatieve infrastructuur vormen een belangrijke basis van het toeristisch-recreatieve product van Laag Holland. Een basis voor inwoners om in eigen omgeving te kunnen recreëren en voor bezoekers om het gebied te ontdekken. Omdat recreatie bijdraagt aan gezondheid en welzijn, dragen recreatieve structuren die recreatie faciliteren daar dus ook aan bij. In Laag Holland vormt het landschap bovendien een belangrijk onderdeel van de identiteit en van het verhaal van het gebied. Het landschap en de recreatieve infrastructuur zijn daarmee een belangrijk onderdeel van het bestaansrecht van de toeristisch-recreatieve sector. Zoals blijkt uit de vorige paragraaf, gaat er in deze sector behoorlijk wat geld om en is de verwachting dat toerisme en recreatie ook de komende jaren weer verder gaan groeien waardoor de sector verder in belang zal toenemen. Ondanks het maatschappelijk belang van recreatie en het economisch belang van publieke toeristisch-recreatieve voorzieningen, is er onvoldoende geld voor de benodigde investeringen voor het opvangen van de verwachte groei. Daarnaast, en wellicht nog wel belangrijker, is er – buiten de gebieden van de recreatieschappen – onvoldoende geld voor het beheer, het in standhouden van de bestaande recreatieve structuur. Deze tegenstelling noemen we de financieringsparadox van de recreatie.

Bevolkingsgroei en andere trends illustreren de noodzaak voor investeringen in recreatieve infrastructuur en voorzieningen. Het ziet er vooralsnog niet naar uit dat de middelen voor investeringen in en het beheer van recreatieve infrastructuur die groei zullen bijbenen. De verwachting is dan ook dat de geconstateerdefinancieringsparadox de komende jaren nijpender wordt. De financieringsparadox van de recreatie: Het maatschappelijk en economisch belang van recreatie is evident, maar toch zijn er onvoldoende middelen voor uitbreidingsinvesteringen en voor beheer!

6.3

Mogelijkheden voor verwerven van extra middelen

We concludeerden dat met name het tekort aan middelen voor recreatieve infrastructuur en beheer daarvan nijpend is. In dit hoofdstuk gaan we op zoek naar mechanismen die kunnen bijdragen aan structurele oplossingen voor het beheervraagstuk. De grote stromen verblijfstoeristen en dagbezoekers in en rondom Laag Holland bieden, aangevuld met de eigen bevolking, potentie voor het genereren van extra middelen voor investeringen in het beheer van landschap, recreatieve structuren en voorzieningen. Grofweg zijn er mogelijkheden voor een extra bijdrage van recreanten, van bedrijven en van overheden.

6.3.1

Mogelijkheden voor extra bijdrage recreanten

Uit voorbeelden elders in het land blijkt dat recreanten best financieel willen bijdragen aan recreatieve voorzieningen. We moeten ze hiertoe wel de kans geven, en in veel gevallen moeten we ook goed kijken wat we de recreant dan bieden. Mogelijkheden die bezoekers de kans geven om financieel bij te dragen aan de recreatieve voorzieningen zijn: • Kaartverkoop of entreeheffing, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt op de Hoge Veluwe (zie voorbeeld in 3.5), de Waterleidingduinen en in het Noordhollands Duinreservaat. Het lastige is dat deze gebieden niet vergelijkbaar zijn met Laag Holland omdat het in die voorbeelden om min of meer afgeschermde gebieden gaat. Bovendien is het vanuit maatschappelijk oogpunt niet wenselijk om alle recreatievoorzieningen in Laag Holland uitsluitend toegankelijk te maken voor betalende bezoekers. • (Meer) betaald parkeren. Voor een aantal terreinen is dit al een belangrijke inkomstenbron en dit middel kan worden ingezet om meer inkomsten te genereren. Met marketing en informatievoorziening kunnen mensen naar de juiste plek geleid worden. Daarover in H7 meer. Ook kan bijvoorbeeld op een plek waar normaal geen sprake is van betaald parkeren, betaald parkeren worden ingevoerd tijdens een evenement of andere tijdelijke activiteit om zo extra inkomsten te genereren.

• Vignetten voor specifieke gebruikers en faciliteiten, dit gebeurt bijvoorbeeld op de Utrechtse Heuvelrug succesvol door middel van een mountainbikevignet en een ruitervignet (zie voorbeeld in 3.5). Dit is echter alleen een oplossing voor specifieke faciliteiten voor bepaalde doelgroepen. Wandelaars zijn minder bereid te betalen dan ruiters of MTB-ers. Samenwerking met de doelgroep zelf is nodig om een vignet tot een succes te maken. De faciliteiten waartoe het vignet toegang geeft, moeten van voldoende kwaliteit zijn. Achterstallig onderhoud moet eerst weggewerkt worden. • Vrijwilligers inschakelen voor uitvoeren van het beheer of als toeristisch-recreatieve activiteit. Voor wat betreft dat laatste zien we dat bezoekers steeds vaker een bijdrage willen leveren aan het behoud van het gebied. De Faeröer eilanden gingen een tijdje geleden een heel weekend dicht voor toeristen, behalve voor 100 gelukkige vrijwilligers die bereid waren mee te helpen met onderhoudsklussen. In ruil voor de geboden hulp kregen vrijwilligers het gehele weekend onderdak en eten, met op zondag een feestelijk afsluitingsmaal met locals en medevrijwilligers. • Bijdragen van deelnemers van activiteiten en (sport)evenementen. Voor veel terreinbeheerders is de organisatie van excursies al een belangrijke bron van inkomsten.

Daarnaast kan via S(up)port for Nature ook een bijdrage gevraagd worden van deelnemers van (door anderen) georganiseerde sportevenementen 6. Daarnaast is S(up)port for Nature ook een natuurzorgsysteem gericht op het voorkomen van schade aan de bodem en de natuur, het voorkomen van overlast voor bezoekers en omwonenden en het bevorderen van de veiligheid van het evenementen. • Gebiedsapp met verzoek om vrijwillige bijdrage voor beheer. Bezoekers ontvangen dan een bericht als zij het gebied binnenkomen. In de praktijk is dit lastig, met name vanwege privacy. Een alternatief is om met QR codes en informatiemateriaal 50 | Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

de mogelijkheid voor een vrijwillige bijdrage breed onder de aandacht te brengen. Het is wel onzeker wat dit concreet oplevert (welk percentage van de bezoekers doet daadwerkelijk een vrijwillige bijdrage, en om hoeveel geld gaat het dan?). • Giften, legaten, crowdfunding etc. Deze zijn op dit moment al een belangrijke bron van inkomsten voor TBO’s. Er zijn kansen om dit verder uit te breiden, waarbij het van belang is dat mensen zich verbonden voelen met het gebied en dat ze bij voorkeur bijdragen aan een concrete activiteit of ingreep zodat meteen duidelijk is waar het geld naartoe gaat. 6.3.2

Bijdrage voor een investering (incidenteel) of beheer (structureel)? Over het algemeen geldt: hoe meer ‘verplicht’ een bijdrage is (bijvoorbeeld parkeergeld of entree), hoe beter het voor beheer en onderhoud kan worden ingezet. Meer vrijwillige bijdragen (legaten, crowdfunding) zijn kansrijker als het gaat om een nieuw project waar gezamenlijk de schouders onder gezet moeten worden.

Mogelijkheden voor extra bijdrage bedrijven

Als landschap een belangrijke basis is voor het bestaansrecht van de sector, en er in de sector veel geld omgaat, is het dan niet logisch dat toeristisch-recreatieve bedrijven meebetalen aan het behoud van het landschap en van de recreatieve voorzieningen? Het klinkt logisch, maar in de praktijk is het mede-financieren van landschapsbeheer vanuit toeristisch-recreatieve bedrijvigheid weerbarstige materie. De zorg voor het landschap wordt door veel ondernemers primair gezien als een kerntaak van de overheid. Enkele voorbeelden van hoe ondernemers wél kunnen bijdragen: • Meer verdienmodellen in groen met huur/pacht of zelf uitbaten door gebiedsbeheerder. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld horeca, leisure, verblijfsrecreatie, evenementen (incidenteel) of landbouw. In Laag Holland maken veel gebieden echter onderdeel uit van Natura2000 of het Natuurnetwerk Nederland, het toevoegen van

Extra inkomsten door bedrijfsmatige aanpak TBO’s en eigenaren van monumenten, erfgoed en andere bouwwerken in het gebied kunnen extra financiering halen uit de exploitatie van de gebouwen, b.v. horeca, verblijf en diensten aan de zakelijke markt. Denk aan verkoop van (streek-)producten, museale diensten (al dan niet in bezoekerscentra), het faciliteren van vergaderzalen met catering en rondleidingen. Dit gebeurt al op grote schaal in Nederland. De groeimogelijkheden hiervoor moeten niet worden overschat.. Een ander voorbeeld zijn inkomsten uit parkeergelden. Vanaf 2020 heeft Natuurmonumenten betaald parkeren ingevoerd bij o.a. Kasteel Hackfort (Gelderland) en de Haarzuilens (Utrecht). Natuurmonumenten gebruikt het parkeergeld voor het onderhoud van fiets- en wandelpaden, routemarkering en bankjes. Leden van Natuurmonumenten hoeven niet te betalen: zij dragen immers al bij aan het beheer. Volgens Natuurmonumenten is 40-60% van de bezoekers aan de natuurgebieden geen lid, maar maakt wel gebruikt van de voorzieningen. Zo wil Natuurmonumenten de bijdragen tussen leden en niet-leden gelijker trekken. Toch ligt het innen van parkeergelden ook gevoelig. Staatsbosbeheer wil bijvoorbeeld vooralsnog geen parkeergeld vragen bij de entree van gebieden in hun eigendom.

Beperkingen voor recreatieschappen aan zelfexploitatie In het voorgaande kader wordt de mogelijkheid belicht van het creëren van extra inkomsten via bijvoorbeeld het zelf bedrijfsmatig exploiteren van een horecagelegenheid. Maar een recreatieschap is een publiekrechtelijke rechtspersoon. De Mededingingwet (en eerder de tijdelijk wet Markt en Overheid) stelt grenzen aan het optreden van een overheid als marktpartij.

https://www.visitfaroeislands.com/closed/why-were-closing-again/

Om dat te ‘omzeilen’ kan een vennootschap worden opgezet – zie bijvoorbeeld Leisurelands – die op afstand wordt geplaatst en meer vrijheid heeft. De vraag is overigens wel of in een dergelijk kader de publieke belangen wel in voldoende mate zijn gewaarborgd. Ook kan het niet de bedoeling zijn dat de overheid op die manier een private partij een gebiedsmonopolie verschaft. Er zijn dus de nodige kanttekeningen te plaatsen bij deze ‘oplossing’.

6 Zie www.supportfornature.nl/

51 | Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

activiteiten mag de natuur niet schaden. De natuurstatus maakt ontwikkelingen ook planologisch gezien uitdagend. • Vrijwillige CO2-compensatie. Grote, energie-intensieve bedrijven vallen onder het Europese Emissie Handelssyteem (ETS in het Engels) voor CO2-rechten. Kleinere bedrijven – en daar zijn er heel veel van in de MRA – niet. In toenemende mate zijn bedrijven in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen en/of in het kader van hun (toekomstige) jaarverslagverplichtingen geïnteresseerd in het compenseren van hun CO2-uitstoot. Er is een markt van intermediairs ontstaan die bedrijven daarbij helpen. Vaak gaat het daarbij om het stimuleren van bosaanplant in het buitenland. Maar vermoedelijk is de betrokkenheid en (betalings)bereidheid groter, als de mogelijkheid wordt gecreëerd bij te dragen aan regionale/lokale groenambities. Op heel lange termijn – als de economie volledig ‘carbonneutraal’ is geworden – zou deze geldstroom vervallen, maar voorlopig is het nog niet zo ver. De MRA zou in samenwerking met private partijen een dergelijk programma kunnen opzetten. • Streekproducten en arrangementen met ‘Laag Holland’-afdracht, op de Utrechtse Heuvelrug is bijvoorbeeld een streekproductenlijn in ontwikkeling, met kaas, bier, schapenwol, veldboeketen en meer. Een klein deel van de aankoopprijs komt ten goede aan het gebied.

• Sponsoring en giften vanuit bedrijven, bijvoorbeeld naar het voorbeeld van Nationaal Park de Alde Feanen (zie voorbeeld 3.5). Nationaal Park De Alde Feanen experimenteert bovendien met een groene factuur waarbij 2% van de omzet door recreatiebedrijven wordt afgedragen aan het gebied. In het verlengde hiervan liggen (relatief laagdrempelige) partnerschapsprogramma’s zoals landschapsabonnementen met bijvoorbeeld bronzen, zilveren en gouden ‘lidmaatschappen’ voor bijdragen aan landschapsbeheer met fysieke en digitale ‘plakkaten’ en oplopende tegenprestaties. • De introductie van een ‘Laag Holland’-keurmerk: jaarlijkse bijdrage van toeristischrecreatieve bedrijven in ruil voor ‘bord op deur/website/etc’. Om dit lucratief te laten zijn, moet het al snel gaan om een bijdrage in een ordegrootte van € 1.000 per jaar. Het is onzeker of en wanneer ondernemers bereid zijn om dit te betalen: er moet ook direct profijt duidelijk zijn. Bovendien zitten er ook kosten aan zo’n systeem. De schaalgrootte moet daarom groot genoeg zijn, om geld over te houden voor het gebied. Daarnaast loop je de kans op ‘free riders’ als je het te duur maakt, en levert het juist niks op als het te goedkoop is. • Samenwerking voor het ontwikkelen van arrangementen. Voorbeeld is de Laag Holland Trail, een actief en compleet verzorgd arrangement met overnachtingen in verschillende accommodaties.

Voorwaarde bij dit type inkomsten is dat er sterke samenwerking nodig is om de waarde van het gebied te gelde te maken (zie ook H7). Er moet een sterke identiteit zijn, en een goed merk. Dit draagt eraan bij dat ondernemers het gebied een warm hart toedragen, dat zij zich bewust zijn van het belang van het landschap en de recreatieve voorzieningen voor hun onderneming en activiteiten.

“Het is al lastig om ondernemers zo ver te krijgen dat ze een bijdrage leveren aan de gebiedsmarketing, laat staan aan het gebiedsbeheer.” (uit: interview voor dit onderzoek)

6.3.3

Mogelijkheden voor extra bijdrage overheden

Overheden zijn op dit moment de belangrijkste bron van middelen voor het landschap en recreatieve infrastructuur. Vanwege het publieke karakter ligt een rol van overheden ook voor de hand. Mogelijkheden om extra bijdragen van overheden te realiseren, zijn: • Inzet van extra (tijdelijke) middelen van het Rijk voor stikstof en veenweide. • Extra bijdrage van provincie en gemeenten zelf. Maar dit is een politieke keuze en er zijn weinig ‘knoppen’ om aan te draaien. • Verevening vanuit woningbouw. Er komen tot 2050 circa 325.000 woningen bij in de MRA en het lijkt kansrijk om de groenstructuur hiervan mee te laten profiteren door een deel van de marge af te romen en in groene inrichting rondom nieuwe wijken te investeren. Verevening of kostenverhaal vanuit gebiedsontwikkeling – o.a. woningbouw, kantoren, bedrijventerreinen – is staande praktijk in Nederland. Onder de Wro (Wet op de ruimtelijke ordening) gebeurt dat privaatrechtelijk anterieur of via publiekrechtelijk kostenverhaal. Het aldus financieren van buurtgroen, plantsoen of buurtpark en van de aansluiting op recreatieve wandel- en fietsinfrastructuur is gebruikelijk. De Omgevingswet biedt een interessant haakje om ook groen op enige afstand (dus voor voorzieningen met een betekenis die de gebiedsontwikkeling overstijgt) op deze manier (mede) te financieren.

In de praktijk zitten hier wel nog steeds de nodige haken en ogen aan. Kanttekening is daarnaast dat dit een incidentele oplossing is voor een structureel probleem. En dan is er nog de mismatch tussen stenen en landschap: gaan we extra rood toevoegen om groen te financieren? • Verevening vanuit toeristische bedrijven. Bijvoorbeeld door bij nieuwvestiging of uitbreiding van toeristisch-recreatieve bedrijvigheid een bijdrage voor investering/onderhoud van het landschap te vragen (anterieur of via kostenverhaal). In de provincie Zeeland zijn er meerdere gemeenten die hiermee werken. De kanttekeningen hierbij zijn hetzelfde als die voor verevening vanuit woningbouw: voor een incidentele investering is dit een oplossing, maar niet voor de structurele beheeropgave. • Toeristenbelasting gericht inzetten. De meeste gemeenten heffen toeristenbelasting. In 2020 werd in Laag Holland zo’n € 6,3 miljoen aan toeristenbelasting geïnd en in Amsterdam tussen de € 100-200 miljoen. Dat de toeristenbelasting geen doelheffing is, is ondernemers-(organisaties) een doorn in het oog. Het valt namelijk onder het (generiek) budgetrecht van de gemeenteraad. Toch zijn er gemeenten die afspraken hebben gemaakt over het inzetten van (een deel van) de toeristenbelasting voor toeristische doeleilanden. Daarnaast kan er bijvoorbeeld regionaal een verhoging worden afgesproken die hiervoor wordt ingezet.

Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 52

• Dagtoeristenbelasting heffen. Dit heet ook wel vermakelijkheidsretributie en is een manier om dagtoeristen bij te laten dragen aan het beheer en onderhoud van de recreatievoorzieningen waar zij gebruik van maken. Meer hierover in kader. Ook buitenlandse voorbeelden – zie bijvoorbeeld publicaties van Helen Toxopeus in het kader van het EU-project ‘Naturvation’ – kunnen inspirerend werken, al is ook daar geen sprake van een ‘gouden ei’ en zijn er altijd verschillen in (wettelijke) kaders en context. 6.3.4 Kansrijke mogelijkheden, maar er blijft een grote financiële rol voor overheden In de voorafgaande passages zijn suggesties gedaan voor het vergroten van de inkomsten voor gebiedsbeheerders via bijdragen van recreanten of bedrijven of het vergroten van de mogelijkheden voor bijdragen vanuit de overheid. Het meest kansToeristenbelasting voor dagrecreatie, hoe zit dat? Toeristenbelasting is bij de meeste bezoekers wel bekend. Een gemeente mag volgens de Gemeentewet toeristenbelasting heffen over verblijf van personen die niet woonachtig zijn in de betreffende gemeente. Aanbieders mogen deze belasting doorberekenen aan de gasten. Vormen en tarieven van toeristenbelasting verschillen per gemeente.

In Den Haag, Haarlem, Rotterdam en Amsterdam wordt sinds kort ook toeristenbelasting berekend over vakantieverhuur via Airbnb en waarvan de inning automatisch via het Airbnb-platform loopt.Toeristenbelasting is geen doelheffing en dus komen inkomsten in de algemene gemeentekas terecht. Sommige gemeenten romen een percentage af om een doelgericht fonds te vullen. Zo stopt de gemeente Wijdemeren 10% van de forensen- en toeristenbelasting in Reserve Recreatie & Toerisme, waarmee zij investeren in o.a. onderhoud van recreatieve paden. Veel drukke gebieden of attracties ontvangen met name dagrecreanten, denk aan de Zaanse Schans, Giethoorn en de Keukenhof. We zien steeds vaker dat hierop ook belasting wordt geheven. Op basis van de Gemeentewet (artikel 229c) mag een gemeente vermakelijkheidsretributie heffen om kosten te dekken van voorzieningen die zijn getroffen voor grote groepen bezoekers. De belasting op vermaak is niet nieuw en is in opkomst in steeds meer gemeenten. De gemeente Zaanstad heft bijvoorbeeld vermakelijkheidsretributie in een afgebakend gebied rondom de Zaanse Schans. Alle betaalde activiteiten die beginnen in het gebied vallen onder de heffing. Het tarief bedroeg in 2021 € 0,25 per bezoeker, per activiteit. Deze belasting mag worden verhaald op de bezoeker, bijvoorbeeld door het verhogen van de entreeprijs.

De belastingplichtige moet zelf per tijdsvak (kwartaal) aangifte doen. Omdat vermakelijkheidsretributie geheven wordt door gemeenten, is het lastig om direct te heffen voor kosten voor beheer van een gemeentegrensoverschrijdend gebied. Wellicht kan in samenspraak een verdeelsleutel worden afgesproken, waarbij een bijdrage naar een gebiedsfonds gaat. Vermakelijkheid is een breed begrip en activiteiten die onder deze regeling vallen worden in brede zin omschreven in de gemeentewet. Naar voorbeeld van de Zaanse Schans zou dit wel toepast kunnen worden op bijvoorbeeld rondleidingen, bootverhuur, musea en andere vormen van vermaak. De gemeente die deze belasting heft, mag geen winst maken op een heffing.

Grotere rol voor boeren in het beheer Naast het genereren van extra inkomsten kan ook gekeken worden naar manieren om de kosten van beheer te drukken. Een denklijn die daarbij regelmatig de revue passeert is om meer te doen via agrarisch beheer. Dat kan goedkoper zijn, omdat het voor de boer een nevenactiviteit is en er toch al op en aan het land moet worden gewerkt. Tegelijk zorgt het voor boeren voor extra inkomsten. Kansrijk is daarbij ook het realiseren van meer boerenlandpaden zodat de routestructuren fijnmaziger worden. Echter, de groei van het aantal inwoners en – post-corona – ook weer de aanwezigheid van bezoekers zijn van een dusdanige omvang dat zeker in de nabijheid van de grotere steden een tamelijk robuuste inrichting noodzakelijk is. Dat leent zich minder voor agrarisch beheer. Ook heeft de agrarische sector al te maken met een grote druk op het areaal door claims voor verstedelijking, energie en infrastructuur, wat de bereidheid om mee te werken aan paden over boerenland wellicht vermindert. Het kan dus een nuttige aanvulling vormen maar niet dé oplossing voor versteviging van de recreatieve infrastructuur, inhoudelijk/ruimtelijk noch financieel. Een interessante dubbelslag is mogelijk door meer fijnmazige toegankelijkheid over boerenland te combineren met een ruimere beheervergoeding voor boeren.

Dat voegt een meer informele toegankelijkheid – struinen in cultuurlandschap – toe aan het palet aan recreatiemogelijkheden tegen bescheiden kosten voor overheden en genereert extra inkomsten voor boeren. In het relatief natte Laag Holland vergt dat soms ook eenvoudige voorzieningen om slootjes te kunnen oversteken (‘plank’/trekpondje/polsstok).

rijk voor de korte termijn zijn acties die weinig coördinatie vragen in de uitvoering, en daardoor lage uitvoeringskosten hebben. Wij denken dan aan: • Meer betaald parkeren • Vignetten voor specifieke gebruikers en faciliteiten (bijv. skaters) • Bijdragen van deelnemers van activiteiten en (sport)evenementen • Meer verdienmodellen in het groen Voor de middellange tot lange termijn adviseren wij om in ieder geval onderstaande mogelijkheden verder te onderzoeken: • Vermakelijkheidsretributie • Vrijwillige CO2-compensatie • Streekproducten uitbreiden en hiermee directe en indirecte inkomsten voor het gebied genereren • Hoe beheer van het landschap en recreatieve benutting onderdeel kunnen worden van een duurzame agrarische bedrijfsvoering (zowel economisch, sociaal als ecologisch). Hierbij is koppeling aan GLB en vergroening denkbaar. Maar welke aanvullende opties ook worden benut, het laat onverlet dat er een belangrijke financiële rol voor de overheden is en blijft in de investeringen in en het beheer van het recreatief netwerk. De recreatieve basisinfrastructuur wordt door zowel bewoners als ondernemers gezien als onderdeel van de kerntaken van de lokale overheid. Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 53

6.3.3 Inspirerende voorbeelden Nationaal Park Hoge Veluwe Het Nationaal Park Hoge Veluwe is een uniek natuurgebied in de provincie Gelderland. Het National Park is het grootste actief beheerde particuliere landschapspark van Nederland. Het park voert vanaf 1935 een zelfstandige exploitatie. Uit het Meerjarenplan Fondsenwerving 2021-2025 van de Stichting Hoge Veluwe Fonds blijkt dat 8% van de inkomsten afkomstig is uit natuurbeheersubsidies, zoals SNL. De overige 92% is afkomstig uit entreegeld, horeca, winkel, houtverkoop, erfpacht en schenkingen. Bezoekers betalen in 2022 € 11,30 per volwassene (kinderen 6 t/m 13 jaar €5,65) en eventueel € 8,00 om de auto mee te nemen in het park. Buiten het hek geldt een parkeertarief van €4,00 per bezoek. Wie daarnaast het Kröller-Möller Museum wil bezoeken, betaalt € 12,00 extra. In het park staan 1800 witte fietsen die binnen het Park gratis mogen worden gebruikt door alle bezoekers. De stichting kent ook verschillende manieren van fondsenwerving. Bedrijven en particulieren kunnen op verschillende manieren bijdragen, bijvoorbeeld middels een eenmalige schenking, periodieke gift, nalatenschap of partnerschap. Vanaf 2018 wordt er gewerkt met een Vriend van de Hoge Veluwe-systeem. In ruil voor verschillende privileges worden drie pakketten aangeboden: brons (€200-€1000), zilver (€1.000€2.000) en goud (meer dan €2.000).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12357361/1