Rapport Meedoen zonder beperkingen
Tekst van het document
Meedoen zonder beperkingen De financiële problemen van jongeren met een beperking in de Wajong en Participatiewet
Rapportnummer: 2022/144 | Datum: 13 september 2022
Onderzoeksteam Chloë van Vliet, projectleider Paula Breedveld, onderzoeker Marije de Bruin, onderzoeker Thomas van Manen Kooij, trainee
Tekstopmaak Xerox/OSAGE Datum: Rapportnr:
13 september 2022 2022/144
Meedoen zonder beperkingen
2
Inhoudsopgave Voorwoord4 Samenvatting5 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
Inleiding Aanleiding onderzoeken naar sociale minima Aanleiding onderzoek jongeren met een beperking Doel- en vraagstelling Aanpak Reikwijdte Leeswijzer
8 8 9 10 10 11 11
2. 2.1 2.2 2.3 2.4
Wet- en regelgeving in het kort Inleiding Wettelijke uitgangspunten Werken in de Wajong en Participatiewet Toekomstige wijzigingen
13 13 13 14 17
3. 3.1 3.2 3.3 3.4
Knelpunten in de praktijk Inleiding Beperkte zelfredzaamheid Hoge drempels om te gaan werken Uitvoeringsproblematiek
19 19 19 22 26
4. 4.1 4.2 4.3
Conclusies en aanbevelingen Inleiding Conclusies Aanbevelingen
33 33 33 34
5.
Bijlage 1: behoorlijkheidsnormen
36
6.
Bijlage 2: wet- en regelgeving
37
Meedoen zonder beperkingen
3
Voorwoord Iedereen moet mee kunnen doen in onze samenleving. Voor mensen in een kwetsbare positie is dit soms lastig. Daarom besteed ik graag bijzondere aandacht aan de mensen die wel mee willen doen, maar dit niet kunnen. In dit onderzoek heb ik gezien wat dit betekent voor jongeren met een beperking. Deze jongeren hebben niet dezelfde mogelijkheden als ieder ander. Hun beperking bepaalt de mate waarin zij deel kunnen nemen aan de maatschappij. Het leven van jongeren met een beperking ziet er dan ook anders uit dan dat van hun leeftijdsgenoten. De overheid gaat ervan uit dat jongeren – al dan niet met hulp van hun ouders – financieel voor zichzelf kunnen zorgen als zij 18 worden. Het is de vraag of jongeren hier inderdaad klaar voor zijn op deze leeftijd. Immers, 18 jaar is een grens in de wet, niet in een leven. Bovendien kunnen jongeren met een beperking meestal niet genoeg verdienen om van te leven. Zij zijn daarom afhankelijk van de overheid. In mijn gesprekken met jongeren heb ik gehoord welke invloed de overheid heeft op hun welzijn en deelname aan de maatschappij. Jongeren geven aan dat werken naast de uitkering vaak niet loont, zij enorm moeten zoeken naar informatie en te maken krijgen met ondeskundige medewerkers. Ook ervaren zij soms weinig begrip vanuit de overheid voor een situatie waar ze zelf niet voor hebben gekozen.
De meeste jongeren met een beperking zijn – net als alle jongeren – intrinsiek gemotiveerd om wat van hun leven te maken. In hun visie beperkt de overheid hen echter in hun doen en laten. Zij hebben te maken met ingewikkelde wet- en regelgeving, grote administratieve lasten, onzekere financiën en weinig toekomstperspectief. Desondanks valt het mij op hoe zeer zij hun best doen, maar ook hoe laag het vertrouwen nog is in de overheid. Door hun ervaringen zijn zij dit vertrouwen kwijtgeraakt. Ik zie positieve ontwikkelingen rond wet- en regelgeving die jongeren met een beperking raakt. Het streven naar eenvoudigere regels en het borgen van bestaanszekerheid voor kwetsbare groepen in de samenleving ondersteun ik van harte. Ook de voorgenomen wijzigingen in de Participatiewet zijn hoopgevend. In deze plannen blijft de overheid echter denken vanuit de huidige bestaande systemen en te weinig vanuit het perspectief van de burger zelf. Ons sociale zekerheidsstelsel is zo georganiseerd dat er meerdere overheidsinstanties betrokken zijn bij één probleem: het hebben van te weinig of geen inkomen. Daardoor hebben jongeren met een beperking met vele loketten te maken. Dit lijkt geen onwil van de overheid, maar duidelijk is wel dat het niet werkt. Er is een fundamentele verandering nodig waardoor burgers niet meer door het ijs kúnnen zakken.
De overheid dient het sociale zekerheidsstelsel zo in te richten dat het uitgaat van de burger en wat die nodig heeft van de overheid. Als dat het uitgangspunt vormt, dan horen jongeren met een beperking die kunnen werken ook niet in de Participatiewet. Op dit moment zegt de overheid dat zij net als alle anderen mee moeten doen. Maar jongeren met een beperking zijn niet als alle anderen. Hun gezondheid belemmert hun mogelijkheden. Een dergelijke verandering in het stelsel is helaas niet op korte termijn te realiseren. In dit onderzoek doe ik daarom aanbevelingen waar de overheid direct werk van kan maken. Ik roep de betrokken bewindslieden en organisaties op om met mijn aanbevelingen aan de slag te gaan en in gesprek te gaan met jongeren met een beperking, zodat zij naar vermogen mee kunnen doen in de samenleving. Deze oproep geldt eveneens voor statushouders en jongeren in de bijstand, waar ik in mijn andere onderzoeken naar sociale minima aandacht voor vraag. Op basis van deze drie onderzoeken zal ik in het najaar van 2022 mijn visie publiceren op ons sociale zekerheidsstelsel met de burger als uitgangspunt. Den Haag, 13 september 2022 De Nationale ombudsman, Reinier van Zutphen
Meedoen zonder beperkingen
4
Samenvatting Aanleiding onderzoek In Nederland wonen twee miljoen mensen met een beperking. Het kan gaan om een lichamelijke of verstandelijke beperking of psychische problemen. De afgelopen jaren is er voor jongeren met een beperking veel veranderd op het gebied van wet- en regelgeving. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat zij het financieel niet makkelijk hebben. Jongeren zitten daarbij op een kritiek punt in hun leven door de overgang van jeugd naar volwassenheid. De Nationale ombudsman maakt zich dan ook zorgen over de financiële redzaamheid van deze jongeren. De Nationale ombudsman heeft besloten om aandacht te besteden aan de financiële problemen van verschillende groepen sociale minima. Deze groepen zijn financieel afhankelijk van de overheid en krijgen te maken met verschillende overheidsinstanties en complexe regelingen. Dit onderzoek naar jongeren met een beperking maakt deel uit van een reeks van drie onderzoeken. De andere onderzoeken gaan over statushouders en jongeren in de bijstand.
Jongere: “Het plannen van je eigen toekomst is nu heel erg lastig. Je wilt naast het ziek zijn en zorgen om financiën ook nog wel toekomen aan een leuk leven.”
Medewerker gemeente: “Van de gemeente wordt eigenlijk gevraagd om jongeren met een beperking te modelleren om mee te doen op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld via jobcoaching. Misschien zouden we de verwachtingen richting deze doelgroep moeten bijstellen. En ook op systeemniveau zijn veranderingen nodig. De jongeren hebben eigenlijk geen afstand tot de arbeidsmarkt, maar de arbeidsmarkt tot hen.”
Medewerker overheidsinstantie: “Wij zijn maar één onderdeel, een radertje in het geheel. Het komt allemaal samen bij de burger. Die heeft maar met één overheid te maken, maar ziet wel vijftien verschillende instanties. Dan loopt het wel eens vast.”
Doel- en vraagstelling onderzoek De Nationale ombudsman wil laten zien hoe wet- en regelgeving voor jongeren met een beperking die rond het sociaal minimum leven in de praktijk uitpakt, waar de knelpunten zitten en wat mogelijke oplossingsrichtingen zijn. De centrale vraag in dit onderzoek is: In hoeverre ervaren jongeren met een beperking financiële problemen door de uitvoering van wet- en regelgeving?
Meedoen zonder beperkingen
5
Conclusies onderzoek Jongeren met een beperking lopen een hoog risico om langdurig financieel in de knel te komen. De conclusies uit dit onderzoek en daarbij behorende knelpunten zijn: Zelfredzaamheid is een illusie, want: • de wet- en regelgeving is ingewikkeld; • jongeren ervaren grote administratieve lasten; • hulp vanuit het sociale netwerk wordt door de overheid overschat. Onbeperkt meedoen lukt niet, want: • er zijn grote verschillen in uitgangspositie tussen jongeren; • jongeren ervaren weinig toekomstperspectief; • door verrekeningen loont werken niet altijd. Ondanks goede wil kan hulp beter, want: • de informatieverstrekking schiet tekort; • specifieke deskundigheid ontbreekt soms; • gemeenten ervaren een tekort aan tijd en geld; • de samenwerking in de keten is beperkt.
Reinier van Zutphen: “Alle regelingen bij elkaar zorgen ervoor dat jongeren telkens met hun beperking worden geconfronteerd. Dat is niet eerlijk. Wet- en regelgeving moet erop gericht zijn jongeren op weg te helpen en niet om ze te hinderen om mee te doen in de samenleving.”
Aanbevelingen De Nationale ombudsman roept de betrokken overheidsinstanties – het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en gemeenten – op om in gezamenlijkheid de in het onderzoek geconstateerde knelpunten op te lossen. Hierbij ziet de ombudsman een aansturende rol voor de minister van SZW, de minister voor Armoedebestrijding, Participatie en Pensioenen en de staatssecretaris van VWS. De Nationale ombudsman doet de volgende aanbevelingen: 1. Informeer jongeren – proactief – in begrijpelijke taal, al vóór de 18e verjaardag. 2. Zorg voor persoonlijke begeleiding. 3. Zorg dat werken van toegevoegde waarde is, ook in deeltijd. 4. Zorg voor financiële zekerheid. De ombudsman zal de opvolging van zijn aanbevelingen door overheidsinstanties monitoren.
Meedoen zonder beperkingen
6
Meedoen zonder beperkingen
7
1.
Inleiding 1.1
Aanleiding onderzoeken naar sociale minima
In 2021 heeft de Nationale ombudsman besloten om bijzondere aandacht te besteden aan de financiële problemen van sociale minima.1 Dit onderzoek is onderdeel van een reeks van drie onderzoeken. De andere onderzoeken gaan over statushouders2 en jongeren in de bijstand. Ook over ouderen in een kwetsbare positie heeft de ombudsman recent een rapport gepubliceerd.3 Sociale minima In Nederland heeft een grote groep burgers moeite om rond te komen.4 Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) leefden in 2020 iets meer dan 900.000 mensen in een huishouden onder de lage-inkomensgrens, waarvan 376.000 ten minste vier jaar achter elkaar.5 Een deel van deze groep is voor hun bestaanszekerheid afhankelijk van financiële ondersteuning van de overheid. Dit geldt ook voor jongeren met een beperking, die vaak leven van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) of de Participatiewet.
Verdrag van de Verenigde Naties (VN) inzake de rechten van personen met een handicap In Nederland geldt sinds 2016 het VN-verdrag Handicap. Het doel van dit verdrag is de positie van mensen met een beperking te verbeteren. In het verdrag staat wat Nederland moet doen om een gelijk recht op werk voor personen met een handicap te realiseren: “Dit omvat het recht op de mogelijkheid in het levensonderhoud te voorzien door middel van in vrijheid gekozen of aanvaard werk op een arbeidsmarkt en in een werkomgeving die open zijn, waarbij niemand wordt uitgesloten, en die toegankelijk zijn voor personen met een handicap.” Dit onderzoek van de Nationale ombudsman biedt meer inzicht in de mate waarin de overheid succesvol is in het verbeteren van de positie van mensen met een beperking.
Sustainable Development Goals (SDG’s) Nederland heeft zich gecommitteerd aan de SDG’s van de VN. Deze doelen moeten ervoor zorgen dat we in 2030 in een eerlijke en duurzame wereld leven. Met zijn onderzoeken naar de financiële problemen van sociale minima richt de Nationale ombudsman zich op SDG 1 en 10. SDG 1 staat voor de afname van armoede in al haar vormen. Daarbij gaat het zowel om financiële aspecten als de impact van armoede op het leven van mensen. Volgens SDG 10 is sociale samenhang onontbeerlijk voor het goed functioneren van de samenleving. Iedereen moet gelijke kansen krijgen om deel uit te maken van de arbeidsmarkt en sociale voorzieningen.6 De Nationale ombudsman ondersteunt de SDG’s en vraagt met dit onderzoek aandacht voor de financiële positie van jongeren met een beperking.
1
Zie de ombudsagenda 2021 van de Nationale ombudsman.
2
Nationale ombudsman: Een status met weinig armslag. Onderzoek naar de financiële knelpunten van statushouders rond het sociaal minimum, 25 april 2022 (nr. 2022/082).
3
Nationale ombudsman: Met te weinig genoegen nemen. Een onderzoek naar het niet benutten van inkomensvoorzieningen door ouderen in een financieel kwetsbare positie, 16 juni 2022 (nr. 2022/111).
4
Nederland heeft wettelijk vastgelegd welk bedrag iemand minimaal nodig heeft om van te kunnen leven, het zogenaamde sociaal minimum. De hoogte van het sociaal minimum bedraagt € 1.756,20 per maand (bruto wettelijk minimumloon per 1 juli 2022). De hoogte hangt af van de leeftijd en leefsituatie. Ministerie van SZW: Normenbrief 1 juli 2022, 2 juni 2022.
5
CBS: Opnieuw minder werkenden met armoederisico, 8 december 2021.
6
SDG Nederland: 17 doelen die de wereld verbeteren.
Meedoen zonder beperkingen
8
Afhankelijk van de overheid Sociale minima bevinden zich in een kwetsbare positie. Juist deze mensen zijn afhankelijk van de overheid om te kunnen voorzien in hun levensonderhoud. Hierdoor krijgen zij te maken met verschillende regelingen en instanties, die ieder hun eigen beleid en procedures hebben. Jongeren met een beperking hebben onder andere te maken met gemeenten als aanspreekpunt voor een bijstandsuitkering en bijzondere bijstand, maar ook voor kwijtschelding van lokale belastingen; met het UWV voor een Wajong-uitkering; het CAK voor de inning van de eigen bijdrage voor zorg en de Belastingdienst/Toeslagen voor huur- en zorgtoeslag. Gebruik van voorzieningen De Nationale ombudsman ontvangt veel klachten van burgers die financiële problemen hebben. Vaak blijkt dat zij recht hebben op bepaalde voorzieningen, maar daar geen gebruik van maken. Dit kan komen door onwetendheid, doordat ze verstrikt raken in de regels en verplichtingen die gelden of door angst om een aanvraag te doen. Als mensen wel gebruik maken van een voorziening, kan een foutje grote financiële gevolgen hebben. Bijvoorbeeld als iemand vergeet een verandering van zijn leefsituatie of inkomen door te geven. Dit leidt snel tot terugvorderingen en boetes. Uiteindelijk kan het inkomen door het niet of verkeerd gebruiken van voorzieningen onder het sociaal minimum komen.
Op die manier ontstaan of verergeren schulden. Dit is een groot probleem.7 Zowel voor de burger zelf, als voor de samenleving en de overheid. Immers, schuldhulpverlening kost de overheid – en dus de samenleving – geld. De burger kan het niet alleen Al langere tijd heeft de Nationale ombudsman aandacht voor burgers die financiële problemen hebben en afhankelijk zijn van de overheid.8 Hij benadrukt daarbij dat de overheid vaak te hoge verwachtingen heeft van de mate waarin burgers zich kunnen redden in het systeem.9 Burgers weten vaak niet waar ze recht op hebben, hoe ze daar achter kunnen komen en wie hen daarbij kan helpen. Door verschillende groepen sociale minima te onderzoeken hoopt de ombudsman lessen te trekken voor de overheid.
1.2
Aanleiding onderzoek jongeren met een beperking
In Nederland wonen twee miljoen mensen met een beperking. Het kan gaan om een lichamelijke of verstandelijke beperking of psychische problemen.10 Een deel van hen is afhankelijk van hulp van de overheid. Dit onderzoek gaat specifiek in op de groep jongeren met een beperking.11 De afgelopen jaren is er voor jongeren met een beperking veel veranderd op het gebied van wet- en regelgeving. Deze ontwikkelingen komen aan de orde in hoofdstuk 2. De belangrijkste wijziging is dat de Wajong sinds 2015 niet langer toegankelijk is voor mensen met arbeidsvermogen.12 Zij vallen sindsdien onder de Participatiewet. Dit geeft hen dezelfde plichten als iedere andere bijstandsgerechtigde. Het gaat echter om een groep jongeren met een beperking die daarmee een andere uitgangspositie heeft.
7
De cijfers van het CBS laten zien dat in 2020 ongeveer één op de vijf huishoudens (1,4 miljoen) geldzorgen heeft. Daarvan hebben ruim 600.000 huishoudens geregistreerde problematische schulden. Dat is bijna 8% van alle huishoudens. CBS: Aantal huishoudens met problematische schulden niet toegenomen, 30 juni 2021.
8
Nationale ombudsman: Invorderen vanuit het burgerperspectief. Onderzoek naar knelpunten die burgers ervaren bij het invorderen van schulden door de overheid, 9 februari 2019 (nr. 2019/005); Vrouwen uit de knel? Het vervolg. Onderzoek naar de stand van zaken rond de eerder door de Nationale ombudsman gesignaleerde knelpunten die vrouwen ervaren in de vrouwenopvang, 14 mei 2019 (nr. 2019/022); Hindernisbaan zonder finish. Een onderzoek naar de knelpunten in de toegang tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen, 11 juni 2020 (nr. 2020/010).
9
Nationale ombudsman: Burgerperspectief op schuldhulpverlening. Een onderzoek naar de ervaringen van burgers met gemeentelijke schuldhulpverlening, 11 mei 2016 (nr. 2016/050); WRR: Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid, 24 april 2017.
10
Rijksoverheid: VN-verdrag Handicap, 13 december 2006.
11
De Nationale ombudsman gaat uit van de leeftijd van 18 tot 30 jaar.
12
Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) indien hij a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie; b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt; c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.
Meedoen zonder beperkingen
9
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat jongeren met een beperking het financieel niet makkelijk hebben.13 Daarbovenop komen de huidige inflatie, hoge energie- en woonlasten die voor extra financiële onzekerheid zorgen. Jongeren zitten daarbij op een kritiek punt in hun leven door de overgang van jeugd naar volwassenheid. De Nationale ombudsman maakt zich dan ook zorgen over de financiële redzaamheid van deze jongeren. Deze zorgen worden versterkt door de klachten die de Nationale ombudsman ontvangt. Bijvoorbeeld van mensen met een Wajonguitkering die klagen over verrekeningen van het UWV die ze niet goed begrijpen. De ontwikkelingen in wet- en regelgeving, de klachten die de Nationale ombudsman ontvangt en de zorgen die hij heeft over de groep jongeren met een beperking, zijn aanleiding om de financiële situatie van deze jongeren te agenderen en nader te onderzoeken.
1.3
Doel- en vraagstelling
Het onderzoek richt zich op de (samenloop van) wet- en regelgeving en de vraag in hoeverre de uitvoering van die wet- en regelgeving aansluit op de dagelijkse praktijk van jongeren met een beperking. De achterliggende vraag daarbij is of de dienstverlening aan jongeren met een beperking door de overheid behoorlijk is (zie onderstaand kader). Te denken valt aan de informatieverstrekking over en toegankelijkheid van voorzieningen en de (financiële) begeleiding van jongeren met een beperking. De Nationale ombudsman wil met het onderzoek laten zien hoe wet- en regelgeving voor deze groep in de praktijk uitpakt en waar de knelpunten zitten. Ook doet hij aanbevelingen om de geconstateerde knelpunten weg te nemen. De hoofdvraag van dit onderzoek is: In hoeverre ervaren jongeren met een beperking financiële problemen door de uitvoering van wet- en regelgeving?
Behoorlijkheidsnormen De Nationale ombudsman vindt dat overheden bij de uitvoering van hun taken op een behoorlijke manier moeten omgaan met burgers en hun belangen. De ombudsman heeft daarom behoorlijksheidsnormen opgesteld. Deze normen helpen overheden om goed om te gaan met burgers en hun belangen.14 De volgende normen zijn in dit onderzoek van belang: goede informatieverstrekking, luisteren naar de burger, fatsoenlijke bejegening, samenwerking met andere (overheids-)instanties en professionaliteit (zie bijlage 1). De Nationale ombudsman gebruikt deze behoorlijkheidsnormen als basis voor het formuleren van zijn aanbevelingen.
1.4
Aanpak
Voor dit onderzoek hebben onderzoekers van de Nationale ombudsman gebruik gemaakt van relevante beleidsdocumenten, Kamerstukken, verslagen, regelingen en onderzoeksrapporten over de problematiek van jongeren met een beperking. Vervolgens hebben zij gesprekken gevoerd met medewerkers van de gemeenten Heerenveen, Bergen op Zoom, Deventer, Alphen aan den Rijn en Maastricht. Bij de selectie van deze gemeenten hebben de onderzoekers rekening gehouden met de grootte en geografische spreiding. De Nationale ombudsman hecht er waarde aan te vermelden dat hij niet significant meer of minder klachten of signalen over specifiek deze gemeenten heeft ontvangen. Verder hebben de onderzoekers gesproken met jongeren met een beperking en hun familie, medewerkers van Ieder(in), JongPIT, Movisie, de Landelijke Cliëntenraad, FNV Wajong groep, Emma at Work, het UWV, het CAK, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het ministerie van 13
Verwey-Jonker Instituut: Een actueel perspectief op kinderen en jongeren met een chronische aandoening in Nederland, april 2019; Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP): Eindevaluatie van de Participatiewet, 19 november 2019; UWV: Eindrapport ‘Als verrekenen een beperking is’, februari 2021; Sociaal-Economische Raad: Werken zonder armoede, september 2021.
14
Nationale ombudsman: Behoorlijkheidswijzer, juni 2019.
Meedoen zonder beperkingen
10
SZW en het ministerie van VWS. De Nationale ombudsman organiseerde op 28 en 30 juni 2022 twee digitale rondetafelbijeenkomsten. Hier bespraken onderzoekers van de Nationale ombudsman de uitkomsten van het onderzoek en mogelijke oplossingsrichtingen met jongeren met een beperking, hun familie en met vertegenwoordigers van overheidsinstanties en belangenorganisaties.
1.5
Reikwijdte
Dit onderzoek gaat in op de ervaringen van jongeren met een beperking die moeite hebben om rond te komen. Zij zijn financieel afhankelijk van de overheid en ontvangen een Wajong- of bijstandsuitkering. Als zij werken en daaruit een klein inkomen ontvangen, zijn zij aangewezen op de overheid voor een aanvulling op hun inkomsten uit werk. We concentreren ons op de financiële problematiek waar deze groep mee te maken kan krijgen. De Nationale ombudsman is bevoegd om zich uit te spreken over de gedragingen van overheidsinstanties, zoals gemeenten, het UWV en het CAK. De Nationale ombudsman is niet bevoegd om te oordelen over wet- en regelgeving. Wel ziet hij het als zijn taak om te signaleren wanneer wetten en regels in de uitvoering leiden tot ongewenste of onredelijke effecten voor burgers. Het is vanuit deze taakopvatting dat hij in dit rapport aandacht vraagt voor de knelpunten die hij in wet- en regelgeving en de uitvoering daarvan is tegengekomen. Zoals aangegeven heeft de Nationale ombudsman voor dit onderzoek gesprekken gevoerd met jongeren met een beperking. Dit rapport toont hun verhalen en laat zien waar zij tegenaan lopen. De ombudsman realiseert zich echter ook dat hij niet iedereen kan spreken. Hij hoopt dat dit rapport een stem geeft aan de jongeren wiens verhaal hij niet heeft gehoord en moedigt hen aan om mee te praten.
Dit is ook een belangrijk uitgangspunt uit het VN-verdrag Handicap: ‘Nothing about us, without us’, wat inhoudt dat de doelgroep wordt betrokken bij het maken van beleid. Zij weten immers het beste welke drempels er zijn en hoe deze kunnen worden weggenomen.
1.6
Leeswijzer
In dit rapport geeft de Nationale ombudsman in hoofdstuk 2 aan welke uitgangspunten hij ziet in de wet- en regelgeving waarmee jongeren met een beperking te maken hebben en waar jongeren rekening mee moeten houden als ze gaan werken met een Wajong- of bijstandsuitkering. Hoofdstuk 3 beschrijft de knelpunten die effect hebben op de financiële situatie van jongeren met een beperking. In hoofdstuk 4 geeft de ombudsman aan welke conclusies hij op basis van deze knelpunten heeft getrokken en welke aanbevelingen hieruit volgen. In bijlage 1 volgen de behoorlijkheidsnormen en in bijlage 2 staat een samenvatting van de wet- en regelgeving. De verwijzingen naar de geraadpleegde literatuur staan in de voetnoten op de betreffende pagina’s. In het rapport staan citaten van jongeren met een beperking, hun familie, belangenorganisaties en overheidsinstanties. Deze citaten illustreren de verschillende zienswijzen en perspectieven van de personen die de Nationale ombudsman in het kader van dit onderzoek heeft gesproken. Ook laat de ombudsman in de verhalen van twee jongeren zien waar zij tegenaan lopen in de Wajong en de Participatiewet. Overal waar ‘hij’ staat bedoelt de ombudsman álle jongeren met een beperking.
Meedoen zonder beperkingen
11
Het verhaal van Esther* Aanvraag Wajong werd eerst afgewezen Vanwege een hoge spierspanning heb ik bijna altijd pijn en weinig energie. Ik zit in een rolstoel. Mijn aandoening is niet progressief. De klachten die ik ervaar zijn dat wel. In 2008 heb ik een Wajong-uitkering aangevraagd bij het UWV. Deze werd afgewezen. Volgens het UWV kon ik 40 uur per week werken en daarom kreeg ik geen uitkering. Ik ging studeren en merkte dat fulltime werken niet zou lukken. Voor mijn opleiding moest ik namelijk 40 uur per week studeren. Dat ging niet. Ik heb langer over mijn studie gedaan en te veel van mijn lichaam en hoofd gevraagd. In 2013 vroeg ik opnieuw een uitkering aan. Door mijn ervaringen in mijn studietijd kon ik het UWV duidelijk maken dat ik niet fulltime kan werken. Mijn tweede Wajong-aanvraag werd toegekend. Volgens het UWV kan ik 20 uur per week werken. Aan het werk: 12 uur per week In 2014 studeerde ik af aan het hbo. Ik wilde graag aan het werk. Met hulp van een jobcoach vond ik een werkervaringsplaats en later mijn huidige baan bij een hogeschool. Ik werk 12 uur per week. Dat is voor mij het maximaal haalbare. Toen ik op zoek was naar een baan had ik gelukkig een goede jobcoach. Hij hielp mij bij contacten met mijn werkgever, het UWV en bij administratieve dingen. Maar nu ik een vaste werkplek heb, moet ik me zonder jobcoach zien te redden.
Het regelen van mijn financiële zaken en contacten met instanties geeft mij veel stress. De financiële verantwoordelijkheid die bij mij ligt, vind ik te groot. Door stress krijg ik meer pijnklachten en spasmen. Werken loont (bijna) niet In 2021 steeg mijn salaris doordat ik een nieuwe functie kreeg. Door mijn hogere salaris gaan de huur- en zorgtoeslag en mijn Wajong-uitkering omlaag. Netto houd ik er weinig aan over: € 30 per maand. Maar het grootste probleem is de zorgverzekering via de gemeente. Door de zorgpolis van de gemeente heb ik een lagere premie en geen eigen bijdrage en eigen risico. Als mijn inkomen te hoog is, mag ik daar geen gebruik meer van maken. Door de extra kosten die ik dan heb, is werken niet meer lonend. Ik ga er financieel zelfs zoveel op achteruit dat ik beter kan stoppen met werken. Ik vind werken belangrijk, omdat het mij structuur geeft en sociale contacten, maar voor het geld hoef ik het niet te doen. Met vrijwilligerswerk zou ik mij net zo nuttig kunnen maken en dat geeft ook structuur en sociale contacten. Het scheelt mij bovendien het vele werk en de bijkomende stress over geldzaken. Mijn verhaal heb ik in 2021 voorgelegd aan de staatssecretaris. Ik kreeg het advies om mijn manager te vragen of ik minder mocht verdienen, zodat ik mijn toeslagen en de zorgverzekering via de gemeente zou behouden. Dat is wat mij betreft geen goede oplossing.
* Niet de echte naam.
Meedoen zonder beperkingen
12
2.
Wet- en regelgeving in het kort 2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk volgt allereerst een beschrijving van de wettelijke uitgangspunten die de Nationale ombudsman ziet in de wet- en regelgeving waarmee jongeren met een beperking te maken hebben. Vervolgens beschrijft dit hoofdstuk waar jongeren op kunnen rekenen als zij gaan werken vanuit de Wajong of de Participatiewet. Tot slot volgen mogelijke toekomstige wijzigingen in wet- en regelgeving. Een meer uitgebreide beschrijving van de wet- en regelgeving staat in bijlage 2.
2.2
Wettelijke uitgangspunten
De overheid biedt jongeren met een beperking waar nodig inkomens- en arbeidsondersteuning. Voor inkomensondersteuning zijn er grofweg twee mogelijkheden: jongeren met een beperking hebben recht op een uitkering op grond van de Wajong of de Participatiewet, afhankelijk van het arbeidsvermogen. De Nationale ombudsman ziet een drietal uitgangspunten in de wet- en regelgeving waarmee jongeren met een beperking te maken hebben. 2.2.1 Uitgangspunt 1: burgers kunnen zich redden De overheid vindt het belangrijk dat iedereen mee kan doen en waar mogelijk de regie heeft over zijn leven. Het uitgangspunt is om eerst te kijken naar wat iemand zelf kan. Dat wordt zelfredzaamheid genoemd. En als de burger zichzelf niet kan redden, verwacht de overheid dat hij met hulp van anderen zijn weg kan vinden. Burgers mogen pas een beroep doen op de overheid als blijkt dat zij het zelf of samen met anderen niet redden. Redzaamheid is de laatste jaren steeds zwaarder gaan wegen bij het vaststellen van het sociale beleid. Vanaf het 18e levensjaar komt er veel op jongeren met een beperking af. Voor de wet vindt dan de overgang naar meerderjarigheid plaats. Jongeren vallen dan bijvoorbeeld niet meer onder de Jeugdwet (JW), maar onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), Wet langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw).
De overheid verwacht dat jongeren met een beperking zelf hun zaken regelen of daarvoor hulp kunnen vinden in hun omgeving, bij ouders, vrienden, kennissen of hulpinstanties als sociaal raadslieden of maatschappelijk werk. Net als andere jongeren worden zij geacht vanaf hun 18e financieel verantwoordelijk te zijn en zelf een zorgverzekering af te sluiten. 2.2.2 Uitgangspunt 2: iedereen doet mee In de ontwikkeling van wet- en regelgeving voor jongeren met een beperking is er in de loop der jaren een verschuiving geweest van inkomensondersteuning naar activering. De nadruk is meer komen te liggen op begeleiding en toeleiding naar werk. Door een grotere instroom in de Wajong zette de wetgever steeds meer in op re-integratie. Dit leidde in 2008 tot het wetsvoorstel Wijziging van de Wajong.15 Dit wetsvoorstel vormt de uitwerking en omslag in beleid en denken over jongeren met een beperking. Voorheen stond voorop wat jongeren niet kunnen. Voortaan kwam de nadruk te liggen op wat jongeren wel kunnen. Het belangrijkste doel van het wetvoorstel was om jongeren met een beperking te ondersteunen bij het vinden en behouden van een baan bij een reguliere werkgever. De gedachte hierachter is dat dit bevorderlijk is voor de emancipatie en integratie van jongeren met een beperking in de samenleving. Alle jongeren moeten gelijk worden behandeld en gelijke kansen krijgen.
In het wetsvoorstel staat het recht op arbeidsondersteuning centraal, en niet het recht op een uitkering. Dit leidde tot de invoering van de Wajong 2010. Tegelijkertijd werd de Wet op het passend onderwijs ingevoerd, ter verbetering van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt voor jongeren met een beperking.
15
Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning, 26 november 2008.
Meedoen zonder beperkingen
13
De inzet op arbeidsparticipatie van jongeren met een beperking was ook het uitgangspunt voor het wetsvoorstel Werken naar vermogen, dat leidde tot de invoering van de Wajong 2015 en de Participatiewet. Vanaf 1 januari 2015 hebben alleen jongeren met een beperking zónder arbeidsvermogen toegang tot de Wajong. Als je wel arbeidsvermogen hebt, kun je op grond van de indicatie banenafspraak terecht bij gemeenten. Ook kun je bij de gemeente een uitkering aanvragen op grond van de Participatiewet. De gedachte achter deze wet is dat mensen betaald werk kunnen en willen verrichten, mits dat onder de juiste omstandigheden gebeurt.16 2.2.3 Uitgangspunt 3: decentraliseren is beter voor de burger De afgelopen jaren heeft de Rijksoverheid meerdere taken overgedragen aan gemeenten. Sinds 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor jeugdzorg, werk/inkomen en zorg/ondersteuning thuis. De verwachting was dat zij burgers zo beter en sneller konden helpen. Ook was het streven om de regeldruk voor burgers te verminderen. De regels moesten zo eenvoudig mogelijk zijn. Gemeenten werden – nog meer dan voorheen – het eerste aanspreekpunt voor burgers bij problemen op het gebied van werk en inkomen. De decentralisatie had verder tot doel om het menselijke contact te bevorderen en kosten te besparen. Het kabinet heeft gemeenten beleidsvrijheid gegeven om de decentrale taken uit te voeren.
Gemeenten krijgen geld van het Rijk voor het betalen van uitkeringen en activering, begeleiding en re-integratie. Het budget voor de uitvoering van de Participatiewet is niet geoormerkt. De wet moet de regelgeving en ondersteuning voor bijstandsgerechtigden zo uniform mogelijk maken en moet leiden tot een integrale aanpak en meer maatwerk.
2.3
Werken in de Wajong en Participatiewet
Jongeren met een beperking die gaan werken, krijgen te maken met de voorwaarden en verplichtingen die hiervoor gelden in de Wajong of de Participatiewet. Door wijzigingen in de wet- en regelgeving in de afgelopen jaren zijn er verschillende Wajong-regimes die bepalend zijn voor de inkomsten van jongeren. In de Participatiewet zijn er nauwelijks mogelijkheden om meer te verdienen dan de bijstandsnorm. Wajong: werken kan lonen De hoogte van de uitkering is afhankelijk van het inkomen uit loon. De jongere die naast de Wajong-uitkering gaat werken mag een deel van zijn inkomen houden. Het idee hierachter is dat gaan werken of meer werken lonend moet zijn.
Wajong-regimes Door wijzigingen in de Wajong door de jaren heen bestaan er drie Wajong-regimes met verschillen in rechten, plichten en inkomensregelingen: de oude Wajong (oWajong), de Wajong 2010 en de Wajong 2015. Onder de zogenaamde oWajong vallen jongeren met een beperking die vóór 1 januari 2010 een Wajong-uitkering toegekend kregen en wel of geen arbeidsvermogen hebben. De Wajong 2010 is voor jongeren met een beperking die tussen 1 januari 2010 en 1 januari 2015 een Wajonguitkering kregen. Ook in de Wajong 2010 zitten mensen die wel of geen arbeidsvermogen hebben. De Wajong 2015 is voor jongeren met een beperking die vanaf 1 januari 2015 een Wajong-uitkering ontvangen. In de Wajong 2015 kunnen alleen jongeren met een beperking instromen die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. Met de wet vereenvoudiging Wajong zijn de rechten en plichten tussen de regimes nagenoeg gelijkgetrokken en wordt binnen de Wajong gesproken over twee groepen Wajongers: jongeren met een beperking die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben en jongeren met een beperking met arbeidsvermogen.
16
SCP: Eindevaluatie van de Participatiewet, 19 november 2019.
Meedoen zonder beperkingen
14
De groep die duurzaam geen arbeidsvermogen heeft ontvangt een uitkering van 75% van het wettelijk minimumloon. De groep met arbeidsvermogen ontvangt een uitkering van 70% van het wettelijk minimumloon en heeft re-integratieverplichtingen. Wanneer het totale (gezins)inkomen onder het sociaal minimum ligt, dan bestaat er mogelijk recht op een toeslag op grond van de Toeslagenwet.17
De Wajong kent sinds 1 januari 2021 een nieuwe inkomensregeling. Daarvoor gold in sommige gevallen dat de overheid het inkomen geheel met de uitkering verrekende. Werken loont dan niet. Vanaf 1 januari 2021 geldt dat maximaal 70% verrekend wordt. Dat betekent dat het totale bruto-inkomen van een Wajonger (inkomen uit werk plus de uitkering) 30 cent stijgt met elke euro die hij verdient. Het hangt af van de persoonlijke omstandigheden, belastingen, toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen wat er dan netto overblijft.18 Wajongers die werken met loondispensatie worden via de inkomensregeling gecompenseerd voor het lagere loon. Voor hen wordt minder dan 70% van het inkomen verrekend. Voor Wajongers die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben, maar toch een inkomen weten te vergaren wordt 75% van dat inkomen verrekend met de uitkering.
Vereenvoudigde Wajong sinds 1 januari 2021 • Over het algemeen houden Wajongers die werken 30 cent over van iedere euro die ze verdienen. Als ze kunnen werken is de uitkering 70% van het wettelijk minimumloon. • Wajongers die werken met loondispensatie19 houden meer dan 30 cent over van iedere verdiende euro. • Als een Wajonger met loondispensatie meer dan vier dagen werkt, dan is het inkomen minstens hetzelfde als het inkomen dat iemand zonder loondispensatie heeft. • Wajongers die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, houden 25 cent over van iedere euro die ze verdienen.20
Vrijwilligersvergoeding in de Wajong Het doen van vrijwilligerswerk is toegestaan binnen de Wajong, maar moet wel worden gemeld bij het UWV. Een vrijwilligersvergoeding wordt niet verrekend met de Wajonguitkering als het gaat om een bedrag dat niet hoger is dan € 180 per maand en € 1.800 per jaar.
Participatiewet: werken loont niet of nauwelijks Voor de bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet gelden landelijke uitkeringsbedragen. De hoogte van de uitkering is onder meer afhankelijk van leeftijd, samenlevingsvorm en inkomsten. De hoofdregel is dat het inkomen wordt aangevuld tot de geldende bijstandsnorm. Dus zolang bijstand en inkomen samen onder de bijstandsnorm blijven, wordt het inkomen verrekend. De bijstandsuitkering wordt dan verlaagd met het bedrag dat iemand heeft verdiend. Verdien je meer dan de bijstandsnorm, dan stopt de uitkering.
17
UWV: Toeslag van UWV.
18
Brief ministerie van SZW: Wajong en inkomensafhankelijke regelingen, 12 november 2021.
19
Heeft een werknemer een Wajong-uitkering, dan kan de werkgever loondispensatie aanvragen. De werkgever betaalt tijdelijk minder loon en het UWV vult het loon aan tot maximaal het bedrag dat de werknemer ontving voordat hij ging werken.
20 Ministerie van SZW: Vereenvoudigde Wajong per 1 januari 2021, 16 maart 2021.
Meedoen zonder beperkingen
15
Inkomstenverrekening in de Participatiewet De gemeente mag wettelijk eenmalig zes maanden lang 25% van de inkomsten vrijlaten, tot een maximum van € 226 per maand.21 Dat betekent dat de gemeente tijdens de vrijlatingsperiode niet 100%, maar 75% van het inkomen verrekent. De resterende 25% van het inkomen mag men dan zelf houden. Deze vrijlating mag iemand maar één keer inzetten in de periode dat hij een bijstandsuitkering krijgt. Zodra de vrijlatingsperiode is afgelopen, verrekent de gemeente alle inkomsten. Deze algemene vrijlatingsregeling geldt alléén voor bijstandsgerechtigden van 27 jaar of ouder. Voor mensen met een medische urenbeperking geldt een structurele vrijlating van 15% van de inkomsten.22 Deze structurele vrijlating is alleen beschikbaar voor mensen die door een arbeidsbeperking niet fulltime kunnen werken. Niet alle mensen met een arbeidsbeperking hebben daarom recht op deze structurele vrijlating. De vrijlatingsregeling voor mensen met een medische urenbeperking kan door de gemeente worden toegepast vanaf het 18e jaar. Het bovenstaande betekent dat voor jongeren met een beperking tot 27 jaar alle inkomsten uit werk worden verrekend met de bijstandsuitkering, tenzij ze inkomensvrijlating krijgen op grond van een medische urenbeperking.
Vrijwilligersvergoeding in de Participatiewet In principe mag iemand vrijwilligerswerk doen naast een bijstandsuitkering, mits je dit meldt bij de gemeente en de gemeente toestemming geeft. Je mag een vergoeding houden met een maximum van € 180 per maand en een maximum van € 1.800 per jaar. Voor jongeren tot 27 jaar wordt de vrijwilligersvergoeding gekort op de bijstandsuitkering.23 Dit geldt ook voor jongeren met een arbeidsbeperking. De reden hiervoor is dat de wetgever jongeren wil stimuleren om te werken in plaats van vrijwilligerswerk te doen.
Andere regelingen Jongeren met een beperking hebben niet alleen te maken met het UWV en de gemeente, maar met nog veel meer instanties. Van sommige instanties krijgen ze geld, aan andere instanties moeten ze juist geld betalen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het: • regelen en betalen van de zorgverzekering (via de zorgverzekeraar of de gemeente); • aanvragen van huur- en zorgtoeslag bij de Belastingdienst/Toeslagen; • aftrekken van zorgkosten bij de aangifte bij de Belastingdienst; • betalen van lokale belastingen aan de gemeente of het waterschap en het vragen van kwijtschelding hiervoor; • laten toepassen van heffingskortingen zoals de jonggehandicaptenkorting,24 algemene heffingskorting en arbeidskorting bij de Belastingdienst; • aanvragen van bijzondere bijstand bij de gemeente; • aanvragen van voorzieningen of beschermd wonen via de Wmo; • betalen van de eigen bijdrage aan het CAK; • aanvragen van studietoeslag25 bij de gemeente; • aanvragen van studiefinanciering bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO); • aanvragen van een indicatie vanuit de Wlz bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ); • vinden van passende zorg en de financiële afhandeling door het Zorgkantoor.
21
Het bedrag van € 226 per maand geldt per 1 juli 2022. Ministerie van SZW: Normenbrief 1 juli 2022, 2 juni 2022.
22 Artikel 31 lid 2 onder y Participatiewet. 23 Artikel 31 lid 5 Participatiewet. 24 In de Voorjaarsnota 2022 heeft het kabinet aangekondigd de jonggehandicaptenkorting in 2024 en 2025 te halveren. 25 De studietoeslag is een aanvulling van het inkomen voor studenten die door een medische beperking niet in staat zijn om naast hun studie bij te verdienen. De herziening van de studietoeslag is ingegaan per 1 april 2022.
Meedoen zonder beperkingen
16
2.4
Toekomstige wijzigingen
Op 21 juni 2022 stuurde minister Schouten een brief aan de Tweede Kamer over haar plannen voor de aanpassing van de Participatiewet.26 Uitgangspunt daarbij is de menselijke maat en meedoen naar vermogen, omdat de Participatiewet volgens de minister momenteel uit balans is. Er is volgens haar sprake van een ongelijke verhouding tussen beperkte ondersteuning, een streng sanctieregime en een complexe inrichting van de bestaanszekerheid. De minister wil deze balans herstellen door toe te werken naar een Participatiewet die eenvoudiger is en een toereikend bestaansminimum biedt, in passende arbeidsondersteuning voorziet en zinvolle en begrijpelijke rechten en plichten kent. Beleidsopties zijn onder meer: • Het automatisch verrekenen van inkomsten uit werk op basis van informatie uit de polisadministratie: dit zorgt ervoor dat mensen niet elke maand een loonstrook hoeven in te leveren en vermindert de administratieve belasting van zowel burgers als uitvoeringsinstanties. Daarnaast weten burgers eerder waar ze financieel aan toe zijn. • Het invoeren van een bufferbudget: met een bufferbudget kunnen schommelingen in inkomsten en verrekeningen worden gecompenseerd. Dit verhoogt de bestaanszekerheid en verlaagt de drempel naar werk. In een eerste spoor wil de minister de grootste knelpunten aanpakken.
Het gaat bijvoorbeeld om maatregelen die inkomensonzekerheid beperken en bijdragen aan bestaanszekerheid, participatie bevorderen en de integraliteit van de dienstverlening verder versterken. In een tweede spoor wil de minister de ingezette richting verder uitwerken samen met andere ministeries, gemeenten, de Sociale Verzekeringsbank, de sociaal ontwikkelingsbedrijven en andere betrokkenen. Over de toekomst van de Participatiewet gaat de minister verder in gesprek met de Tweede Kamer. In het najaar van 2022 wil zij de kamer verder informeren over het in te zetten wetstraject.
26 Kamerbrief: De Participatiewet in balans: uitkomsten beleidsanalyse, 21 juni 2022.
Meedoen zonder beperkingen
17
Het verhaal van Anouk* Geen fulltime baan door beperking Sinds mijn 10e heb ik lichamelijke klachten. Door deze klachten heb ik elke dag veel pijn, vooral in mijn nek en rug. Het is me gelukt een mbo-opleiding niveau 4 af te ronden. Maar door de pijn kan ik niet fulltime werken. Ik ging naar het UWV. Daar moest ik gekeurd worden. Na de keuring kreeg ik er een diagnose bij. Het UWV vond dat ik wel kan werken, maar dat ik niet het minimumloon kan verdienen door mijn beperking. Ik kwam in aanmerking voor een indicatie banenafspraak. Dan kan de gemeente helpen bij het vinden van werk. Op mezelf wonen en een bijstandsuitkering Ik kan zelf niet genoeg geld verdienen om van te leven. Daarom heb ik een uitkering nodig. Ik werd door het UWV naar de gemeente gestuurd. Bij de gemeente heb ik een uitkering aangevraagd op grond van de Participatiewet. Dit is ongeveer twee jaar geleden. Ik woonde toen bij mijn alleenstaande moeder. Dan past de gemeente de kostendelersnorm toe. Ik heb de gemeente gebeld. Mijn klantmanager bij de gemeente vertelde dat ik een uitkering van € 1580 zou krijgen als ik het huis uit zou gaan. Daarom ben ik op mezelf gaan wonen. Toen bleek dat ik recht had op € 1037. Ik denk dat ik een andere keuze had gemaakt als de gemeente mij goed had geïnformeerd. Werken loont niet Ik merkte al snel dat het enorm veel gedoe is om te werken naast een uitkering.
De administratie kost veel tijd. Ook loont het voor mij niet om te werken. Ik hou evenveel geld over, met of zonder baan. Ik ben daarom vrijwilligerswerk gaan doen. Dit heeft voor mij alleen maar voordelen. Ik ontvang een volledige uitkering én ik mag de vergoeding voor het vrijwilligerswerk houden. Ook voel ik mij maatschappelijk nuttig. En ik hoef niet alle wijzigingen in mijn inkomen door te geven aan de gemeente. Weinig vertrouwen in de overheid Voor bijzondere bijstand moet ik ook naar de gemeente. Dit heb ik nodig voor extra ziektekosten die ik heb door mijn beperking. De gemeente heeft mijn aanvraag voor bijzondere bijstand afgewezen. Het heeft mij veel moeite gekost om uit te zoeken hoe het zat. Ik heb bezwaar gemaakt en daarna toch gelijk gekregen. Dit gaat eigenlijk elk jaar zo. Ik word er soms moedeloos van en verlies langzaam het vertrouwen in de gemeente. Ook kost de administratieve rompslomp mij veel tijd en energie. Onzekere toekomst Ik vind het lastig om te denken aan een relatie. Een partner kan mij veel steun geven. Maar mijn situatie kan ook financiële gevolgen hebben voor mijn partner. Als mijn partner werkt, geldt de partnertoets. Als mijn partner meer verdient dan de bijstandsnorm, moet hij mij financieel onderhouden en raak ik mijn uitkering kwijt. Dit voelt niet prettig en vind ik oneerlijk. * Niet de echte naam.
Meedoen zonder beperkingen
18
3.
Knelpunten in de praktijk 3.1
Inleiding
De Nationale ombudsman sprak in de periode van februari tot en met juni 2022 jongeren met een beperking en hun familie. Zij vertelden over hun ervaringen met de overheid. Verder heeft de ombudsman gesprekken gevoerd met medewerkers van belangenorganisaties en overheidsinstanties. Zij deelden hun ervaringen met de uitvoering van wet- en regelgeving en de hulp en ondersteuning die zij bieden aan jongeren met een beperking. Al deze ervaringen staan centraal in dit hoofdstuk.
3.2
Beperkte zelfredzaamheid
Het uitgangspunt van wet- en regelgeving is dat burgers zichzelf, al dan niet met hulp van anderen, kunnen redden. Jongeren met een beperking bevinden zich echter vaak in een kwetsbare positie, zeker rond hun 18e jaar, tijdens de overgang van jeugd naar volwassenheid. Het lukt sommige jongeren met een beperking om zelfstandig of met hulp van ouders, vrienden of hulpverleners hun weg te vinden. Maar niet alle jongeren met een beperking zijn zelfredzaam of kunnen een beroep doen op hun netwerk voor hulp. 3.2.1 Ingewikkelde wet- en regelgeving Door de complexiteit van de wet- en regelgeving kost het jongeren met een beperking veel tijd en energie om wegwijs te worden in de regelingen die voor hen gelden. Het is voor hen vaak moeilijk te begrijpen wat hun rechten en plichten zijn en de wijzigingen hierin bij te houden. Dit terwijl kennis over hun rechten en plichten van belang is voor hun financiële situatie en voor eventuele begeleiding naar werk.
Jongere: “Ik keek eerst op de website van het UWV en herkende mij totaal niet in de geschetste situaties en dacht dus niet in aanmerking te komen voor bepaalde regelingen. Je denkt in eerste instantie dat je bij geen enkele groep hoort, totdat je hoort dat er toch iets beschikbaar is voor jouw situatie.”
Medewerker belangenorganisatie: “Als wetgeving is aangepast dan is het vaak lastig om jongeren hiervan bewust te maken. Wat zijn de nieuwe regels en waar hebben jongeren met een beperking dan in het vervolg recht op?”
Door de herzieningen van de Wajong en de invoering van de Participatiewet merken medewerkers van overheidsinstanties dat de wet- en regelgeving in de loop van de jaren steeds ingewikkelder is geworden. Hierdoor lopen zij bij de uitvoering tegen problemen aan.
Medewerker overheidsinstantie: “Het is lastig dat er kort op elkaar meerdere herzieningen zijn geweest de afgelopen jaren. Er zijn toen in korte tijd veel ontwikkelingen geweest. Dit veroorzaakte veel onrust, veel financiële problemen en onzekerheid.”
Medewerker gemeente: “De Participatiewet gaat ervan uit dat mensen kunnen overzien wat de gevolgen zijn van hun eigen handelen en dat gaat bij jongeren met een beperking vaak mis. Zij overzien dit niet altijd even goed. Als je als jongere je baan opzegt, dan staan daar vanuit de Participatiewet vrij forse maatregelen tegenover.”
Meedoen zonder beperkingen
19
Volgens belangenorganisaties kan de overheid jongeren eerder en beter informeren over de gevolgen van de overgang van jeugd naar volwassenheid. Op dat moment vinden er voor jongeren veranderingen plaats waardoor het voor hen niet altijd duidelijk is waar zij terecht kunnen of op welke regelingen zij aanspraak kunnen maken. Belangenorganisaties pleiten er daarom voor om jongeren met een beperking vóór het 18e levensjaar al te informeren over de mogelijkheden voor het doen van een aanvraag op grond van de Wajong en hen op weg te helpen wanneer zij geen recht hebben op een Wajong-uitkering. Ook zouden overheidsinstanties meer duidelijkheid moeten bieden over de rechten en plichten van een jongere en de gevolgen van een keuze voor een bepaalde regeling of voorziening. 3.2.2 Grote administratieve lasten De verschillende regelingen en instanties waar jongeren met een beperking mee te maken hebben, zorgen voor een flinke administratieve belasting. Over het algemeen kost het hun veel tijd en energie om goede informatie te krijgen, te zorgen dat zij krijgen waar zij recht op hebben en contacten te onderhouden met instanties. Dit gaat bijvoorbeeld om het aanvragen van een uitkering of voorziening, een herbeoordeling of het doorgeven van informatie of gewijzigde omstandigheden. Het komt voor dat jongeren met een beperking vele uren per week kwijt zijn aan hun administratie.
Dit geldt nog meer voor jongeren die uitkering en werk combineren: zij werken vaak een wisselend aantal uur per week, waardoor hun inkomsten variëren en zij te maken krijgen met verrekeningen.
Jongere: “Werken naast de uitkering brengt een hoop administratieve rompslomp met zich mee. Dit kost een hoop tijd. En dan hebben we het nog niet eens over alles wat ik moet regelen voor fysiotherapie, een kapotte rolstoel en gedoe rondom medicijngebruik.”
Jongere: “Ik heb deze ochtend al een aantal mails verzonden aan verschillende partijen. Ik ben hier zeker drie à vier keer in de week mee bezig.”
Jongeren geven aan dat instanties vaak geen oog hebben voor hun uitdagingen op administratief gebied. Het komt voor dat jongeren een aanvraag jaarlijks opnieuw moeten doen, terwijl hun situatie ongewijzigd is en veel gegevens al bij de instantie bekend zijn. Sommige gemeenten doen bijvoorbeeld jaarlijks een uitvraag voor bijzondere bijstand of de Wmo, terwijl de situatie van de jongere onveranderd is en veel informatie al eerder is gedeeld. Dit zorgt voor onnodige, extra administratieve belasting.
Jongere: “Aanvragen voor bijvoorbeeld bijzondere bijstand moet ik ieder jaar opnieuw doen, terwijl er in de stukken staat dat ik levenslang last houd van mijn aandoening. Ik heb het idee dat ik meer bezig ben met overleven dan met leven op zich.”
De formulieren die jongeren moeten invullen voor het aanvragen van voorzieningen zijn voor hen niet altijd duidelijk. Daarnaast moeten zij rekening houden met de verschillende criteria die gelden voor bijvoorbeeld de Participatiewet, Wajong, Toeslagen, aanvullende bijstand, Wlz, Wmo, kwijtscheldingen bij de gemeente en de zorgverzekering.
Meedoen zonder beperkingen
20
Medewerker belangenorganisatie: “Er is nog veel werk te verzetten met betrekking tot de formulieren die instanties gebruiken. Er wordt een enorme administratieve last gecreëerd. De reden is het controleren van de rechtmatigheid en te kijken of alles wel via de regels verloopt. En nou juist bij deze doelgroep is al die controle en het invullen van formulieren een heel lastig punt.”
3.2.3 Hulp van het sociale netwerk door de overheid overschat Jongeren met een beperking zijn niet altijd zelf in staat om hun administratie op orde te houden of contacten met instanties te onderhouden. Soms hebben jongeren last van schaamte en durven ze daarom niet snel om hulp te vragen. Ook zijn er jongeren die sociaal minder vaardig zijn en daardoor moeite hebben om contacten met anderen aan te gaan en te onderhouden. Wantrouwen richting overheidsinstanties kan een reden zijn dat jongeren met een beperking contact liever vermijden. Het is voor deze jongeren belangrijk om begeleiding te krijgen om zaken met de overheid te regelen. Jongeren met een beperking weten echter vaak niet bij wie ze voor deze begeleiding terecht kunnen. In veel gevallen komen als eerste de ouders in beeld. In de gesprekken met de Nationale ombudsman geven sommige jongeren dan ook aan dat zij hulp krijgen van één of beide ouders bij het doen van aanvragen, of bij het invullen van formulieren en het verzamelen van de benodigde informatie. Volgens ouders zou er meer aandacht moeten komen voor de soms ongewenste druk die dit op hen legt.
Ouder van een jongere: “Ik ben veel tijd kwijt om zaken in goede banen te leiden. Mijn dochter had recht op een indicatie banenafspraak. Zij vond een baan, maar was vanwege haar beperkingen niet in staat om met bepaalde veranderingen bij de werkgever om te gaan. Ik ben regelmatig met de werkgever om tafel gaan zitten om naar een oplossing te zoeken. Uiteindelijk is dit niet gelukt. Ook had de instelling waar mijn dochter verbleef, aangegeven dat zij op zichzelf kon wonen met ambulante begeleiding. Het zoeken naar een instantie die gespecialiseerd was in de beperkingen van mijn dochter en de benodigde ambulante begeleiding kon bieden, heeft veel tijd en moeite gekost.”
Wanneer ouders niet de mogelijkheid hebben om jongeren te helpen, moeten jongeren in hun bredere sociale netwerk op zoek naar hulp. Uit de gesprekken komt naar voren dat zij geluk moeten hebben om hulp te krijgen van iemand die hen wil en kan helpen. Het gaat namelijk regelmatig om langdurige hulp en het vraagt van het netwerk een flinke tijdsinvestering. Ook is van belang dat er een klik is met de betreffende persoon. Soms vinden jongeren met een beperking steun bij lotgenoten en belangenorganisaties. Er zijn veel verenigingen waar men elkaar weet te vinden.
Medewerker belangenorganisatie: “De mate waarin jongeren met een beperking financieel zelfredzaam zijn is vaak afhankelijk van de ouders en het sociale netwerk. Ouders en een goed sociaal netwerk vormen het vangnet om de jongere heen.”
Medewerker gemeente: “Wij merken dat de overgang van 18- naar 18+ een grote stap is. Het verschilt heel erg per jongere. Het maakt bijvoorbeeld enorm uit als een jongere betrokken ouders heeft. Dat maakt echt een wereld van verschil. Er komt zoveel op deze jongeren af en zij kunnen het geheel gewoon lastig overzien. Jongeren geven bijvoorbeeld hun zorgtoeslag uit, voordat de zorgpremie is betaald. Dat zien we heel vaak.”
Meedoen zonder beperkingen
21
3.3
Hoge drempels om te gaan werken
De wetgever heeft verschillende instrumenten in het leven geroepen om jongeren met een beperking te helpen bij het vinden van werk, zoals de loonkostensubsidie,27 jobcoach en re-integratievoorzieningen. Hoewel de overheid steeds meer inzet op activering, is de praktijk dat hun beperkingen de mogelijkheden tot re-integratie voor jongeren in veel gevallen begrenzen. Daarnaast zijn jongeren met een beperking bij het vinden van een reguliere baan afhankelijk van de bereidheid van werkgevers om hen in dienst te nemen en te houden.
Aantal werkenden in de Wajong en Participatiewet In de Monitor Arbeidsparticipatie Arbeidsbeperkten 2021 van het UWV komt naar voren dat het aandeel werkende Wajongers in 2019 voor het eerst sinds 2012 afneemt.28 Volgens het UWV is een belangrijke factor daarbij de relatief forse daling van het aantal werkenden bij de sociale werkvoorziening in 2019. Volgens de cijfers van het UWV zijn er 111.700 Wajongers met arbeidsvermogen en 95.600 Participatiewetters in het doelgroepregister.29 Eind 2020 is 48,4% van de Wajongers aan het werk: 31,6% bij een reguliere werkgever en 16,8% bij een sociale werkplaats. Van de mensen met een arbeidsbeperking die onder de Participatiewet vallen én geregistreerd staan in het doelgroepregister is 45,3% eind 2020 aan het werk. Het aandeel werkgevers met een Wajonger of Participatiewetter uit het doelgroepregister in dienst blijft klein. Van de werkgevers heeft 5,3% tenminste één Wajonger en 5,4% tenminste één Participatiewetter uit het doelgroepregister in dienst. In de periode 2015 – 2019 werkten ongeveer 70.000 Wajong-gerechtigden bij een reguliere werkgever. Ongeveer driekwart van hen had in deze periode te maken met één of meer banen die eindigden. Jaarlijks zijn dit zo’n 20.000 banen. Een kwart stroomt direct door naar een volgende baan. Een half jaar later is ruim de helft gestart in een volgende baan. Na een jaar is dit 67%.
Het aantal Wajongers dat werk vindt neemt daarna nog geleidelijk toe en ligt vier jaar na baanverlies op 83%. Wajongers die op het werk werden begeleid door een jobcoach (ongeveer 20% van alle werkverliezers) verschillen wat betreft de van-werk-naar-werktransitie nauwelijks van Wajongers die om welke reden dan ook geen jobcoach hadden. Het probleem dat het bij de beëindiging van een baan vrij lang duurt voordat iemand een nieuwe baan heeft gevonden, speelt breed onder Wajongers.30
Ook geldt dat er allerlei administratieve zaken en verrekeningen gaan spelen zodra een jongere vanuit de uitkering aan het werk gaat. Daarbij krijgen jongeren te maken met regelingen die niet altijd goed op elkaar zijn afgestemd. Dit maakt dat de benodigde tijd en moeite van het regelen van financiële zaken, gevoelsmatig onvoldoende opwegen tegen het inkomen dat jongeren verdienen door te gaan werken. De kosten wegen voor hen, kortom, niet altijd op tegen de baten. 3.3.1 Grote verschillen in uitgangspositie tussen jongeren Sinds de wijziging van de Wajong en de komst van de Participatiewet in 2015 geldt dat jongeren met een beperking verschillende uitgangsposities hebben, afhankelijk van de uitkering die ze ontvangen en het moment dat ze zijn ingestroomd. In financieel opzicht hebben jongeren met een Wajong-uitkering het beter getroffen dan jongeren in de Participatiewet. In de Wajong gelden namelijk gunstigere regels dan in de Participatiewet, omdat inkomsten 27 Als een werkgever iemand uit de doelgroep van de banenafspraak in dienst neemt, kan hij bij de gemeente loonkostensubsidie aanvragen. 28 UWV: UWV Monitor arbeidsparticipatie arbeidsbeperkten 2021, 31 maart 2022. 29 Het doelgroepregister is een register waarin mensen staan die vallen onder de doelgroep van de banenafspraak.
De banenafspraak is een afspraak tussen het kabinet en werkgevers om te zorgen voor extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking. Dit zijn mensen die moeilijk werk vinden of behouden door bijvoorbeeld een ziekte of handicap. Het UWV beheert het doelgroepregister. 30 UWV: Onbeperkt aan het werk in de Wajong, 21 juni 2022.
Meedoen zonder beperkingen
22
uit werk niet volledig worden verrekend met de uitkering. Verder gelden in de Wajong geen kostendelersnorm, inkomens- en vermogenstoets en partnertoets. Hiernaast kan het zo zijn dat jongeren met een Wajong-uitkering in een vergelijkbare situatie zitten en toch een ander inkomen hebben. Dat is afhankelijk van het moment waarop ze zijn ingestroomd, namelijk vóór of na 1 januari 2015. Bij de uitvoering van de Participatiewet hebben gemeenten beleidsvrijheid. Dit maakt dat zij maatwerk kunnen toepassen bij voorzieningen, verplichtingen en handhaving. Dit kan leiden tot een verschillende behandeling van mensen in vergelijkbare situaties.