CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Meedoen zonder beperkingen

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 2 november 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Wetten en regels hinderen jongeren met een beperkingNr. VN2022-03556717.916 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voorwaarden in de Participatiewet • Kostendelersnorm: deze norm houdt in dat bijstandsgerechtigden een lagere uitkering krijgen als zij samenwonen en hun woonkosten kunnen delen.31 De leeftijdsgrens van de kostendelersnorm wordt per 1 januari 2023 verhoogd van 21 naar 27 jaar. Dit betekent dat het aantal huisgenoten vanaf 27 jaar meetelt voor de hoogte van iemands bijstandsuitkering. • Partnertoets/gezamenlijke huishouding: voor het recht op bijstand wordt gekeken naar het gezinsinkomen. Als iemand samen met zijn partner een inkomen heeft dat gelijk of hoger is dan het voor hen geldende sociale minimum, bestaat er geen recht op bijstand. Ook als je een huisgenoot hebt met inkomsten heeft dit gevolgen voor je bijstandsuitkering.32 • Inkomenstoets: de bijstand vult het inkomen uit werk aan tot de bijstandsnorm. Als iemand bijstand ontvangt en daarnaast andere inkomsten heeft, trekt de gemeente deze af van de uitkering.33 • Vermogenstoets: er is geen recht op bijstand als het vermogen boven een bepaalde grens uitkomt. Per 1 januari 2022 is de vermogensgrens € 13.010 voor een gezin of alleenstaande ouder en € 6.505 voor een alleenstaande. Voorbeelden van vermogen zijn spaargeld en waardevolle bezittingen.34

Medewerker belangenorganisatie: “Het verschil in uitgangspositie is bijvoorbeeld goed te zien bij een stel waarbij de ene partner in de Wajong valt en de andere niet. Dan krijg je hele scheve verhoudingen in inkomen. De Wajong is al bepaald geen vetpot te noemen. Maar deze mensen krijgen een probleem zodra ze gaan samenwonen. Dit is frustrerend. Mensen met een beperking zijn hun hele leven al bezig om problemen op te lossen, denk aan medische kwesties en geen volledige uren kunnen werken. En dan kunnen deze mensen ook nog eens niet trouwen en samenwonen. Dit verslechtert de situatie immers financieel gezien.”

Verder zijn er jongeren met een beperking die geen recht hebben op een uitkering. Hier kunnen verschillende redenen voor zijn: bijvoorbeeld een partner die werkt of vermogen waarover de jongere beschikt. Niet-uitkeringsgerechtigden behoren tot de verantwoordelijkheid van gemeenten. Wanneer zij zich melden en aangeven behoefte te hebben aan arbeidsondersteuning, zijn gemeenten verplicht hen te helpen door onderzoek te doen naar de ondersteuningsbehoeften.35 De precieze invulling hiervan is aan gemeenten zelf. Uit de gesprekken met gemeenten blijkt dat zij deze groep niet of nauwelijks in beeld hebben. Een niet-uitkeringsgerechtigde moet eerst zelf contact opnemen voordat een gemeente kijkt welke instrumenten ze inzet.

31

Artikel 22a Participatiewet.

32 Artikel 3 Participatiewet. 33 Artikel 31, 32 en 33 Participatiewet. 34 Artikel 31 en 34 Participatiewet. 35 Artikel 7 lid 1 en artikel 10 Participatiewet.

Meedoen zonder beperkingen

23

Medewerker gemeente: “Er zal altijd een groep blijven die tussen wal en schip raakt. Als zij zichzelf niet kenbaar maken bij ons, dan wordt het echt heel lastig. Als ze zich melden, dan helpen we die jongeren uiteraard graag. In principe zijn alle instrumenten voor iedereen bedoeld. Wij helpen iedereen, ongeacht of iemand een uitkering heeft of niet.”

Medewerker overheidsinstantie: “Bij het UWV komen sommige jongeren niet in beeld omdat de eisen van de Wajong zo streng zijn. Bij de gemeenten komen ze niet in beeld omdat ze inkomen of vermogen hebben en dus geen uitkering ontvangen van de gemeente. Als die jongere zich dan ook niet als werkzoekende inschrijft en bijvoorbeeld geen docent heeft die een oogje in het zeil houdt, dan ben je bij UWV en gemeente niet in beeld.”

3.3.2 Weinig toekomstperspectief Jongeren met een beperking in de bijstand geven aan dat zij weinig toekomstperspectief zien. Zij hebben het gevoel dat ze vastzitten in de uitkering en hebben geen positief beeld van de toekomst. Het is voor hen niet of nauwelijks mogelijk om geld te sparen of een bedrag ineens te ontvangen. Jongeren moeten er rekening mee houden dat giften, extra inkomsten of andere financiële meevallers altijd gevolgen hebben voor hun uitkering. Zo bouwen ze niets op. Stress hierover werkt door op de fysieke en mentale gezondheid, waardoor klachten kunnen verergeren, zo geven jongeren aan.

Medewerker belangenorganisatie: “Er is een groep jongeren die eigenlijk net zo goed in de Wajong past, maar toch in de Participatiewet is beland. Deze groep is in staat om 5 tot 10 uur per week te werken, maar maakt dan zo weinig ontwikkeling door, waardoor ze dus eigenlijk de rest van hun leven stilstaan in de Participatiewet. De jongere met een beperking in de bijstand heeft hierdoor geen perspectief voor de toekomst.”

Ouder van een jongere: “Een belangrijk pijnpunt van mij is het feit dat mijn dochter geen toekomstperspectief heeft. Zij heeft al een beperking, maar daarnaast komen er zoveel zaken bij dat zij nooit de mogelijkheid heeft om te sparen of een toekomst op te bouwen. Ik heb nog een zoon. Hij woont nog thuis en werkt. Hij kan hierdoor wel sparen. Er is een te groot verschil tussen jongeren met een beperking en jongeren zonder een beperking. Jongeren met een beperking lopen al direct vanaf het 18e jaar een flinke achterstand op.”

Vanuit de Participatiewet gezien is het doel om bijstandsgerechtigden zo snel mogelijk aan het werk te krijgen, zodat zij geen beroep meer doen op een uitkering. Veel jongeren met een beperking werken echter in deeltijd en ze krijgen vaak een tijdelijk contract.36 Dit werkt voor jongeren niet motiverend. Een deeltijdbaan is meestal niet een eigen keuze. Een deel van deze groep kan vaak niet meer uren per week werken vanwege medische redenen. Jongeren geven aan dat zij graag willen werken, zodat zij de mogelijkheid krijgen om mee te doen in de maatschappij, zich te ontplooien en financieel onafhankelijk te worden. Gemeenten zetten hiervoor instrumenten in waarmee jongeren bepaalde vaardigheden kunnen aanleren. Het doel hiervan is dat jongeren zichzelf financieel kunnen redden, maar vaak is dit voor hen niet haalbaar.

36

SCP: Eindevaluatie van de Participatiewet, 19 november 2019.

Meedoen zonder beperkingen

24

Naast de problemen op de arbeidsmarkt ervaren jongeren ook nog andere obstakels wanneer zij in de Participatiewet zitten. Zo is het lastig om met een partner te gaan samenwonen in verband met de partnertoets.

Medewerker gemeente: “Ons uiteindelijke doel is dat jongeren financieel zelfredzaam worden. Jongeren willen graag meedraaien in de maatschappij en hun eigen geld verdienen. Omdat ze in het doelgroepenregister zitten, hebben ze recht op ondersteuning en vaak ook langdurig, soms tot wel vijf jaar achter elkaar. Soms zitten deze jongeren dan niet meer in een uitkering. Het gaat dan om problemen op werk of dat jongeren een bepaalde vakvaardigheid of basale vaardigheden willen aanleren.”

Ook jongeren met een Wajong-uitkering kunnen door hun beperking noodgedwongen vaak maar een beperkt aantal uren per week werken. Net als bij jongeren met een beperking in de bijstand zijn zij vaak aangewezen op deeltijdbanen met tijdelijke contracten. Werken in deeltijd is voor hen geen keuze, maar noodzaak. Dit betekent dat hun financiële perspectief beperkt is: door te gaan werken gaan zij er in financieel opzicht vaak weinig op vooruit. Ze zullen altijd een inkomen op of rond het sociaal minimum houden. 3.3.3 Door verrekeningen loont werken niet altijd Jongeren met een beperking hebben te maken met verrekeningen als ze naast hun uitkering een inkomen uit werk hebben. Ze geven aan dat veel regelingen niet goed op elkaar zijn afgestemd. De veelheid aan regelingen en rekenregels en de onderlinge samenhang daarvan, leidt bij wisselende inkomsten tot ongewenste en onvoorziene situaties. Jongeren worden bijvoorbeeld gekort op hun uitkering of moeten teveel ontvangen bedragen terugbetalen. In de Wajong kun je door meer te verdienen mogelijk de kwijtschelding gemeentelijke belastingen en bijzondere bijstand verliezen. Verrekeningen kunnen leiden tot een stapeling van problemen. Jongeren met een beperking, die op of rond het sociaal minimum leven, hebben meestal geen financiële buffer. Ze leven daarom vaak in financiële onzekerheid.

Ook zijn ze bang voor nog meer verrekeningen, doordat ze niet goed weten wat er met hun uitkering gebeurt als er iets verandert in hun inkomen uit werk. Als iemand bij goed functioneren ieder jaar meer gaat verdienen, moet hij zelf berekenen wat dit voor gevolgen heeft voor zijn uitkering en eventueel andere voorzieningen. In de Participatiewet kan iemand vaak niet meer verdienen dan het voor hem geldende sociaal minimum.

Medewerker overheidsinstantie: “Er is een gedachte in de politiek in Nederland dat als iets precies is, dat dat dan eerlijk is. Dat zit veel oplossingen in de weg.”

Medewerker overheidsinstantie: “Deze groep heeft te maken met inkomsten vanuit veel verschillende hoeken van de overheid en ook overheidsinstanties die onderling nog verrekenen. Dat maakt het allemaal niet gemakkelijker en overzichtelijker en daarom helpen wij daarbij.”

Verder ontvangen werkende jongeren met een beperking hun uitkering vaak als voorschot. Pas als na enkele maanden hun inkomsten definitief zijn vastgesteld, ontvangen zij een eindafrekening van hun uitkering. Als dan blijkt dat zij teveel uitkering hebben ontvangen, moeten zij deze terugbetalen. Ook voor het UWV en gemeenten is het een lastige taak om op

Meedoen zonder beperkingen

25

tijd het juiste bedrag te berekenen en te betalen. De algemene bestaanszekerheid van mensen met een beperking staat daarmee onder druk: het is voor hen moeilijk om een inkomen boven het sociale minimum te verwerven, terwijl zij door hun beperking wel vaak hoge zorgkosten hebben. In financieel opzicht is het soms makkelijker om in de uitkering te blijven, dan vanuit de uitkering te gaan werken.

Jongere: “Het garantiebedrag voor zelfstandigen is nog niet vastgesteld. Hierdoor weet ik dit jaar pas hoe groot de naheffing of eventuele tegemoetkoming zal zijn over 2020. Stel dat ik “mazzel” heb en geld terug krijg, dan heeft dit weer effect op mijn zorg- en huurtoeslag en andere gemeentelijke regelingen en dat levert weer heel veel gedoe op waar niemand op zit te wachten.”

Jongere: “Ik wil werken zodra het loont. De voldoening haal ik al uit vrijwilligerswerk. Het is allemaal veel gedoe met werken naast een uitkering. De informatievoorziening is heel slecht. Hierdoor kom je als jongere overal te laat achter en dan lopen zaken mis.”

3.4

Uitvoeringsproblematiek

In dit onderzoek komen verschillende knelpunten naar voren in de dienstverlening van overheidsinstanties aan jongeren met een beperking. Deze paragraaf omschrijft eerst de ervaringen van jongeren en belangenorganisaties met de uitvoering van wet- en regelgeving (paragraaf 3.4.1 en 3.4.2). Daarna komen de knelpunten van overheidsinstanties aan bod (paragraaf 3.4.3 en 3.4.4). Tegelijkertijd ziet de Nationale ombudsman dat er in de praktijk ook goede initiatieven van instanties zijn, gericht op een betere ondersteuning van jongeren met een beperking. Deze zijn omschreven in een apart kader aan het eind van paragraaf 3.4. 3.4.1 Informatieverstrekking schiet tekort Jongeren met een beperking geven aan moeite te hebben met de informatieverstrekking door overheidsinstanties. Dit begint al bij de informatievoorziening op websites. Deze informatie is voor jongeren niet altijd even makkelijk te vinden.

Jongere: “Ik heb met verschillende instanties te maken, zoals het UWV, de gemeente en de Belastingdienst. De websites zijn niet altijd duidelijk en vaak verwarrend. Via bijvoorbeeld lotgenoten kom ik er vaak wel achter waar iets staat, maar dit zou makkelijker terug te vinden moeten zijn.”

Medewerker belangenorganisatie: “Het is soms voor een jongere die nog geen achtergrondinformatie heeft moeilijk in te schatten welke informatie op hem/haar van toepassing is. Dit maakt dat zij informatie foutief interpreteren of door de bomen het bos niet meer zien.”

Daarnaast geven jongeren aan dat de informatie niet altijd in begrijpelijke taal is geschreven. Vaak gaat het om informatie die voor hen van belang is om te weten waar zij recht op hebben. Wanneer je als jongere vervolgens weet waar je recht op hebt, volgt de aanvraag bij de betreffende instantie. Het is hen niet altijd duidelijk welke informatie zij bij de aanvraag moeten meesturen en waarom deze nodig is.

Meedoen zonder beperkingen

26

Jongere: “Het is lastig voor mij om elk jaar weer het formulier van de gemeente voor een aanvraag van bijzondere bijstand in te vullen. Er wordt ook gevraagd om bewijs mee te sturen waarom ik de bijzondere bijstand nodig heb. Ik moet mijn fysiotherapeut elk jaar opnieuw vragen om een verklaring voor mij op te stellen, zodat ik deze met mijn aanvraag kan meesturen. Hij is hier ook wel klaar mee. Mijn beperkingen veranderen toch niet?”

Jongere: “Ik loop vaak tegen onduidelijke teksten of formulieren aan op websites. Ik vul regelmatig een formulier in voor vrijwilligerswerk bij het UWV. Ik kom hier vaak niet helemaal goed uit. Maar ook de uitleg op de website van het UWV over de uitkomst van een aanvraag voor een indicatie banenafspraak is voor mij lastig om te begrijpen.”

Wanneer een jongere de aanvraag niet volledig indient, is de kans groot dat er vertraging ontstaat in de afhandeling van de aanvraag. Dit kan voor jongeren vervelende financiële gevolgen hebben, waardoor ze (verder) in de problemen komen. Een aanvraag voor een uitkering kan een instantie bijvoorbeeld buiten behandeling stellen. Daardoor ontvangt een jongere (nog) geen uitkering of andere financiële voorziening en moet hij opnieuw een aanvraag indienen. De jongere moet zich dan in de tussentijd financieel zelf zien te redden. Na de toekenning van een uitkering of voorziening ontvangen jongeren regelmatig berichten van instanties. De inhoud van deze berichten kunnen jongeren met een beperking niet altijd goed volgen. Ze geven aan dat brieven niet begrijpelijk genoeg zijn geschreven. Dit heeft tot gevolg dat jongeren contact moeten opnemen met de betreffende instantie om duidelijkheid te krijgen. In deze contacten met instanties kunnen opnieuw onduidelijkheden ontstaan. Veel overheidsinstanties werken niet met vaste contactpersonen. Hierdoor moeten jongeren met een beperking hun situatie telkens opnieuw uitleggen. Wanneer een jongere contact opneemt met bijvoorbeeld het UWV krijgt hij vaak iemand aan de telefoon die niet bekend is met de situatie. Hierdoor kan het voorkomen dat een instantie onjuiste informatie verstrekt, welke uiteindelijk financiële gevolgen kan hebben.

Bijvoorbeeld een terugvordering op grond van de Wajong of het terugbetalen van huur- of zorgtoeslag. De jongeren die de Nationale ombudsman heeft gesproken geven aan dat het hen helpt als ze bij instanties een vaste contactpersoon zouden hebben, die met hen meedenkt en hen bij de hand neemt.

Jongere: “Ik heb geen vaste contactpersoon bij het UWV. Je spreekt telkens iemand anders. Het mag allemaal wel wat menselijker. Ik voel mij eigenlijk nooit klant bij het UWV. Ik voel mij bijna eerder een zeurpiet en dat zou niet zo moeten zijn. De jobcoach zou eigenlijk weer terug moeten komen, maar dat moet dan weer worden aangekaart bij de arbeidsdeskundige van het UWV. Zo blijf je steeds bezig.”

Jongere: “Je kunt alleen maar contact opnemen met je BSN. Het UWV pakt dan direct je dossier erbij en dat kan grote gevolgen hebben. Het kan bijvoorbeeld leiden tot een herkeuring als je bepaalde vragen stelt. Dit werkt erg demotiverend.”

Meedoen zonder beperkingen

27

3.4.2 Specifieke deskundigheid ontbreekt soms Dienstverlening aan jongeren met een beperking vergt de nodige expertise. Het gaat dan om kennis van het systeem van regelingen, inzicht in de kwaliteiten, mogelijkheden en drijfveren van deze jongeren en zicht op hun sociale en maatschappelijke netwerk. Jongeren met een beperking laten weten dat ze van medewerkers van overheidsinstanties niet altijd goede voorlichting krijgen over hun rechten en plichten. Zo kwamen we een voorbeeld tegen waarbij een jongere bij de gemeente aanklopte voor een aanvraag voor studietoeslag. De medewerker die haar te woord stond, bleek niet goed op de hoogte te zijn van de regeling en verwees door naar DUO. Dit terwijl de studietoeslag onder de Participatiewet valt.37 De jongere bleek dus wel degelijk aan het juiste loket te zijn bij de gemeente.

Medewerker belangenorganisatie: “Het lijkt wel alsof eisen soms worden bedacht. Jongeren met een beperking krijgen soms te horen dat regelingen alleen zijn bedoeld voor laagopgeleiden. De beleidsvrijheid van gemeenten lijkt te ver te zijn doorgeschoten.”

Jongere: “De arbeidsdeskundige wordt inmiddels haast onderwezen door mij, omdat ik de materie beter begrijp. Het kan zijn dat dit een lokaal probleem is, maar het is wel vervelend. De arbeidsdeskundigen hebben naar mijn idee een beperkte kennis van hetgeen zij moeten kunnen uitleggen over wet- en regelgeving.”

Jongeren met een beperking geven aan dat ze wisselende ervaringen hebben met contacten met overheidsinstanties. Zij missen soms begrip en erkenning voor hun situatie en vinden dat de bejegening vanuit de instanties beter kan. Het gevolg hiervan is dat jongeren met een beperking minder snel de neiging hebben om contact op te nemen met instanties en daardoor mogelijk ondersteuning en voorzieningen mislopen.

Jongere: “Ik zou het wel fijn vinden als mijn arbeidsdeskundige bij het UWV wat vriendelijker zou zijn. Ik durf eigenlijk niet goed naar haar toe te gaan.”

Jongere: “Instanties kunnen beter letten op taalgebruik en de manier waarop ze jongeren bejegenen. Zelf nam ik op mijn 16e voor het eerst contact op met het UWV. De UWVmedewerker die ik sprak, zei, zonder verdere inleiding: ‘Jij had zelf toch ook wel bedacht dat je nooit fulltime zou kunnen gaan werken?’ Voor mij voelde dat op mijn 16e als een klap in mijn gezicht.”

Het is voor gemeenten soms lastig om contact te houden met jongeren. Hun leven speelt zich vooral online af. Ook weten jongeren de weg naar de gemeente niet zo makkelijk te vinden. Ze zijn hiervoor meestal afhankelijk van hun ouders of hulpverleners. Jongeren geven aan dat er over het algemeen weinig contact is met gemeenten. Van hun kant proberen gemeenten de toegang voor de jongeren zo laagdrempelig mogelijk te houden.

37

Artikel 36b Participatiewet.

Meedoen zonder beperkingen

28

Medewerker gemeente: “Wij krijgen veel positieve berichten vanuit jongeren en ouders die oprecht blij zijn dat wij aanbellen en echt die aandacht en connectie houden met het kind in kwestie.”

Medewerker gemeente: “De gemeente onderhoudt via Whatsapp contact met jongeren, omdat dit een medium is dat zij veel gebruiken. Uitnodigingen voor een gesprek met de gemeente gaan via Whatsapp. Als een jongere uit beeld dreigt te verdwijnen, kan een medewerker eventueel bij de jongere thuis langs gaan.”

3.4.3 Gemeenten ervaren tekort aan tijd en geld Als gevolg van de decentralisatie in 2015 zien gemeenten steeds meer taken op zich afkomen. Het budget dat het Rijk daarvoor ter beschikking stelt, is volgens gemeenten niet evenredig meegegroeid met de extra taken. Door de wijziging van de Wajong in 2015 melden zich steeds meer jongeren met een beperking bij de gemeente voor een uitkering op grond van de Participatiewet. In de gesprekken tussen de Nationale ombudsman en gemeenten, gaven medewerkers aan dat goede begeleiding van jongeren met een beperking de nodige tijd kost. Doordat het aantal te begeleiden jongeren toeneemt, hebben medewerkers ieder jaar minder tijd beschikbaar per jongere.

Medewerker gemeente: “De groep wordt alleen maar groter, maar onze capaciteit niet. Na de plaatsing van iemand ben je als gemeente gewoon niet klaar. Het blijft een kwetsbare groep. Het is eigenlijk best zonde dat de Wajong voor hen is afgeschaft. Er moet een structurele oplossing komen voor deze groep en dat zijn wij niet. Wij kunnen nog wel het financiële vangnet zijn, maar in termen van ontwikkeling en perspectief kan er beter naar een andere oplossing worden gekeken. We doen ons best, maar dit houden wij niet jaren vol op deze manier. De groep die valt onder de verantwoordelijkheid van de Participatiewet groeit alleen maar door.”

Verder hebben gemeenten de ervaring dat jongeren met een beperking minder arbeidsmogelijkheden hebben dan jongeren zonder beperking en daarom langer in de Participatiewet blijven. Ook komt het voor dat jongeren met een beperking wel uitstromen naar werk, maar slechts een tijdelijk dienstverband krijgen. Als het werk eindigt, kloppen jongeren opnieuw aan bij de gemeente voor een uitkering.

Medewerker gemeente: “Sinds ik in 2018 begon als jongerenconsulent is mijn caseload wel steeds iets gegroeid. Het enige wat werkt is jongeren aan het werk houden. Ze blijven bij ons in begeleiding. Alleen als een jongere echt zelf aangeeft het zelf te kunnen dan nemen we soms wel afscheid. Of als een jongere een loonwaarde38 heeft van 100% en dat twee jaar achter elkaar. Dan zijn ze er ook klaar voor het zelf aan te kunnen, maar zelfs dan komen ze na een jaar alweer bij ons terug.”

38 Loonwaarde is de waarde – uitgedrukt in euro’s – van de arbeid die iemand kan uitvoeren. Als een werknemer bijvoorbeeld twee keer zoveel tijd nodig heeft, dan heeft hij een loonwaarde van 50%.

Meedoen zonder beperkingen

29

Medewerkers bij gemeenten merken dat jongeren met een beperking vaak behoefte hebben aan regelmatig contact gedurende een langere periode. Dit betekent dat jongerenconsulenten veel tijd investeren en soms tijd tekort komen. Ze geven aan daarom een hoge werkdruk te ervaren.

Medewerker gemeente: “Als er meer budget beschikbaar zou zijn, dan gaat de werkdruk omlaag. We krijgen dan minder caseload en dat betekent meer aandacht voor de jongeren. Als we meer budget krijgen dan zou je als medewerker sneller op de fiets stappen richting een jongere en gewoon aanbellen en vragen wat er speelt. Of gewoon ter plekke de papieren invullen met de jongeren.”

3.4.4 Beperkte samenwerking in de keten Jongeren met een beperking geven aan er last van te hebben dat de verschillende loketten waar zij zich moeten melden, onderling slecht of soms helemaal niet op elkaar zijn afgestemd. Ook belangenorganisaties en overheidsinstanties zelf geven aan dat de samenwerking in de keten en de onderlinge afstemming tussen verschillende overheidsloketten beter kan. Tijdens het onderzoek kwam de ombudsman een goed voorbeeld tegen van samenwerking tussen een gemeente en het UWV. De betreffende gemeente heeft rechtstreeks contact gezocht met het UWV, zodat het UWV jongeren direct kan doorverwijzen naar de juiste plek binnen de gemeente.

Medewerker gemeente: ‘’De gemeente zet zich in voor een warme overdracht vanuit het UWV, omdat we erachter kwamen dat 70% van de jongeren met een Wajong-afwijzing of na het einde van hun WW-uitkering zich niet bij ons melden. Dit heeft er wellicht mee te maken dat deze jongeren maar kort bij het UWV in beeld zijn. De gemeente heeft toen contact gezocht met het UWV om ervoor te zorgen dat het UWV deze jongeren direct doorverwijst naar het gemeenteloket.’’

Dit voorbeeld is echter meer uitzondering dan regel. Het UWV geeft dit ook aan in een Knelpuntenbrief van 17 juni 2022 aan de minister van SZW.39 Eén van de knelpunten die het UWV daarin noemt is het gebrek aan een warme overdracht van afgewezen Wajongers aan gemeenten. Zij moeten zich na een afwijzing van het UWV zelf melden bij de gemeente voor de Participatiewet of andere voorzieningen. Het UWV raadt de afgewezen burgers wel aan om zich bij hun gemeente te melden, maar het is wettelijk niet mogelijk om hierover informatie uit te wisselen met gemeenten. De Participatiewet is namelijk een zogenaamde aanspraakwet. Dit betekent dat gemeenten pas persoonsgegevens mogen ontvangen en verwerken na een aanvraag of hulpvraag van een burger. Juist in de groep afgewezen Wajongers zitten veel mensen die moeite hebben om hun zaken zelf te regelen.

Best practices Naast bovengenoemde knelpunten kwam de Nationale ombudsman in zijn onderzoek ook voorbeelden tegen van goede initiatieven van overheidsinstanties. Deze zijn gericht op een continue verbetering van dienstverlening aan jongeren in het algemeen en jongeren met een beperking in het bijzonder. De gemeenten die de ombudsman sprak, werken met een jongerenteam, een jongerenloket of een jongereninformatiepunt. Daar kunnen jongeren terecht met allerlei vragen over inkomen, werk, dagbesteding, huisvesting of schulden. Er werken jongerenconsulenten vanuit verschillende afdelingen samen (bijstand, Wmo, onderwijs).

39 UWV: Knelpuntenbrief UWV 2022, 17 juni 2022.

Meedoen zonder beperkingen

30

Zij houden nauw contact met onderwijsinstanties, schuldhulpverleners en andere maat­ schappelijke organisaties. Door korte lijntjes tussen de gemeente en andere betrokken organisaties blijven jongeren in beeld en kunnen problemen beter worden aangepakt. Een gemeente kijkt dan niet alleen naar de inkomenssituatie, maar bijvoorbeeld ook naar onderwijsmogelijkheden, begeleiding naar werk, medische zaken en eventuele schulden­ problematiek. Dit lijkt goed te werken, zo geven gemeenten aan.

Medewerker gemeente: “De casemanager van een jongere bij het jongereninformatiepunt heeft telkens de regie, ook als er een hulpvraag uitstaat bij een andere afdeling van de gemeente of bij een externe samenwerkingspartner van de gemeente. De ervaring is vaak dat pas na verloop van tijd nadat een jongere zich heeft gemeld duidelijk wordt dat het gaat om een jongere met een beperking.”

Medewerker gemeente: “Wij hebben geluk met bepaalde collega’s die veel achtergrondkennis en ervaring hebben en daardoor echt het grotere geheel kunnen overzien. We beschikken zodoende over veel expertise en het is aan ons om die kennis door te geven in de gehele keten.”

Jongeren kunnen soms ook terecht bij maatschappelijk werk, bijvoorbeeld via een sociaal wijkteam. En sommige gemeenten zetten vrijwilligers in om te helpen bij het doen van de administratie of bijvoorbeeld het aanvragen van een DigiD. Verder kunnen jongeren gebruik maken van cliëntondersteuning.40 Dit is een gemeentelijke voorziening bestemd voor iedereen die vragen heeft over levensdomeinen zoals zelfstandig leven, zorg en ondersteuning, participatie, wonen, onderwijs en werk en inkomen. De ombudsman ontving echter signalen dat overheidsinstanties soms terughoudend zijn met het doorverwijzen naar cliëntondersteuning, ook als deze beschikbaar is. Uit onderzoek blijkt dat de helft van de cliënten en professionals niet goed op de hoogte zijn van de mogelijkheid van cliëntondersteuning.41 Ook uit ons onderzoek blijkt dat niet alle medewerkers van gemeenten op de hoogte zijn van het bestaan van cliëntondersteuning. Het verschilt uiteindelijk per gemeente welke mogelijkheden er zijn qua ondersteuning en in welke mate gemeenten hulp aanbieden. Verder hebben gemeenten verschillende manieren om informatie af te stemmen op de doelgroep. Bijvoorbeeld door klantmanagers in te zetten die zich specifiek richten op jongeren met een beperking of door zogenaamde stress-sensitieve dienstverlening.

Dit betekent dat brieven, folders en formulieren worden aangepast voor jongeren, door in jongerentaal te communiceren en veel illustraties te gebruiken. Ook richten gemeenten zich op het praktijkonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (Pro/VSO-scholen). In samenwerking met scholen komen jongeren met een beperking al voor hun 18e jaar in beeld. Zodoende kunnen gemeenten gerichte informatie geven over de mogelijkheden na het 18e jaar.

Medewerker gemeente: "De gemeente komt bij de scholen om te kijken wie er 18 jaar wordt en wie er ondersteuning nodig heeft. Deze proactieve houding van de gemeente lijkt te werken."

40 Cliëntondersteuning bestaat uit ‘informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van mensen.’ Artikel 1.1.1 en 2.2.4 Wmo. 41

RIVM: Monitor cliëntondersteuning 2020, cijfers en ervaringen, 2021.

Meedoen zonder beperkingen

31

Medewerker gemeente: "Onze klantmanagers gaan twee keer per jaar langs bij de scholen om de lijsten door te nemen en dan zien we welke leerlingen minder in beeld zijn. Soms is een keer bellen al genoeg, maar soms moet er wel meer op worden ingezet."

Medewerker gemeente: "Er zijn overstapcoaches bedacht om mensen te ondersteunen en te zorgen voor een warme overdracht naar vervolgonderwijs of naar ondersteuning bij een gemeente. In onze gemeente hebben wij bedacht om echt bij de scholen zelf te gaan zitten. Dat werkt goed voor ons".

Meedoen zonder beperkingen

32

4.

Conclusies en aanbevelingen 4.1

Inleiding

De persoonlijke verhalen die de Nationale ombudsman tijdens dit onderzoek heeft gehoord, staan niet op zichzelf. Er zijn vele jongeren zoals Esther en Anouk met een uitkering op grond van de Wajong of Participatiewet en daarmee ook velen die tegen dezelfde knelpunten aanlopen. Dit beïnvloedt hun leven en daarmee hun mogelijkheden om mee te doen in de maatschappij. In dit onderzoek stelde de ombudsman zich de vraag in hoeverre jongeren met een beperking financiële problemen ervaren door de uitvoering van wet- en regelgeving. Hij maakt zich zorgen om deze jongeren. Ondanks de goede intenties die de ombudsman ziet bij overheidsinstanties, toont dit onderzoek aan dat jongeren vele financiële problemen ervaren waarbij de oorzaak ligt in de wet- en regelgeving en de uitvoering hiervan. De Nationale ombudsman vindt dat jongeren – die het door hun beperking al niet makkelijk hebben – meer mogen verwachten van de overheid. In dit hoofdstuk omschrijft de ombudsman de conclusies die hij heeft getrokken op basis van de knelpunten uit hoofdstuk 3. Vervolgens doet hij aanbevelingen aan de verantwoordelijke bewindslieden en organisaties.

4.2

Conclusies

Uit de vele gesprekken die de Nationale ombudsman voor dit onderzoek heeft gevoerd, blijkt dat het sociale zekerheidsstelsel voor jongeren met een beperking ingewikkeld en onoverzichtelijk is. De overheid kijkt steeds meer naar wat burgers zelf kunnen bijdragen. Uit het onderzoek blijkt dat het de meeste jongeren met een beperking geenszins ontbreekt aan de wil om mee te draaien in de maatschappij. Door de wet- en regelgeving is dit voor hen in de praktijk echter lastig, wat demotiverend werkt. De overheid zal moeten leren om meer te denken vanuit de burger om ervoor te zorgen dat écht iedereen mee kan doen. Om dit te bewerkstelligen, is een verandering nodig van ons sociale zekerheidsstelsel. In het huidige stelsel heeft de burger met meerdere overheidsinstanties te maken voor sociale zekerheid of participatie. Deze versnippering is een gevolg van de vele keuzes die de overheid in het verleden heeft gemaakt. De uitgevoerde en geplande wijzigingen in het stelsel vormen telkens een oplossing voor dat wat niet goed werkt, maar pakken niet de structuur van het stelsel aan. Dat is wel nodig om de situatie van mensen echt te veranderen, ook de situatie van jongeren met een beperking. De overheid dient te heroverwegen wat de juiste manier is om jongeren met een beperking betaald werk te laten verrichten. De huidige arbeidsmarkt lijkt hiervoor genoeg mogelijkheden te bieden.

Op dit moment gaat de overheid ervan uit dat deze jongeren op dezelfde manier als alle andere mensen deel uit kunnen maken van de maatschappij. De gezondheidsproblemen waar zij mee kampen, zorgen er echter voor dat hun mogelijkheden niet hetzelfde zijn. Dit maakt ook dat jongeren met een beperking eigenlijk niet thuishoren in de Participatiewet. De overheid dient hiermee rekening te houden. Een verandering van het stelsel is niet van de ene op de andere dag gerealiseerd. Daarom doen wij aanbevelingen om de huidige situatie te verbeteren van Esther, Anouk en al die andere jongeren met een beperking die zich graag verder willen ontwikkelen. 1. Zelfredzaamheid is een illusie Jongeren met een beperking kunnen zich niet altijd redden in een maatschappij die dat wel van hen verwacht. Zij willen gebruik maken van de regelingen die de overheid hen biedt, omdat ze dat geld nodig hebben om van te leven. De regelingen waar ze aanspraak op kunnen maken zijn echter dermate complex dat het voor jongeren met een beperking lastig is om hier wegwijs in te worden. Ook is het voor hen niet makkelijk om een uitkering of voorziening aan te vragen en in de gaten te houden of zij het juiste bedrag ontvangen, ook bij veranderingen in hun leven. Gaat dat niet goed, dan bestaat de kans dat ze geld moeten terugbetalen.

Dit zorgt voor een hoop regelwerk en een administratie die zo maar een aantal uur in de week in beslag kan nemen. Sommige jongeren met een beperking lukt het om dit zelf te regelen, maar vaak is hulp vanuit hun sociale netwerk nodig. Van deze hulp wordt nogal wat gevraagd. Niet alle jongeren hebben

Meedoen zonder beperkingen

33

iemand in hun netwerk die hun administratie op zich kan en wil nemen. Dit maakt de kans groter dat zij fouten maken of de regelingen niet ten volle benutten, wat grote gevolgen kan hebben voor hun financiële situatie. 2. Onbeperkt meedoen lukt niet Het idee achter de participatiemaatschappij dat iedereen meedoet en kan werken, blijkt voor jongeren met een beperking in de praktijk vaak te hoog gegrepen. Zij willen graag meedoen, maar ervaren drempels om aan het werk te komen en te blijven. De jongeren die de Nationale ombudsman sprak willen graag iets bijdragen en een zo normaal mogelijk leven leiden. Maar zodra jongeren vanuit de uitkering aan het werk gaan, krijgen ze te maken met verrekeningen. De mate waarin hun inkomsten worden verrekend, hangt af van de uitkering die zij ontvangen, Wajong of Participatiewet. De verrekeningen zorgen voor onzekerheid over hun financiële situatie, voordat ze aan het werk gaan en als ze aan het werk zijn. Ook is het door hun beperking over het algemeen moeilijk om werk te vinden en kunnen zij vaak alleen in deeltijd werken. Verder krijgen zij veelal flexibele contracten.

De tijd en energie die jongeren met een beperking investeren in het werken zelf en de bijbehorende administratie, wegen gevoelsmatig onvoldoende op tegen de maatschappelijke waarde van hun werk, hun welzijn, het inkomen dat zij verdienen en wat ze daar eventueel aan overhouden. Kortom, de kosten wegen voor hen niet altijd op tegen de baten. 3. Ondanks goede wil kan hulp beter De Nationale ombudsman heeft in zijn gesprekken met overheidsinstanties gemerkt dat medewerkers het beste voor hebben met de jongeren, maar ziet desondanks dat de hulp beter kan. De overgang van jeugd naar volwassenheid is een moment waarop er veel verandert in het leven van jongeren, zeker als zij een beperking hebben. Jongeren worden geacht hun financiële zaken zoveel mogelijk zelf te regelen, al dan niet met hulp van hun ouders. Door hun beperking lukt dit vaak niet. Het UWV en gemeenten voeren de regelingen uit waar jongeren met een beperking (een deel van) hun inkomen uit ontvangen. Jongeren nemen contact op met deze overheidsinstanties om informatie te krijgen over de mogelijkheden die zij hebben op het gebied van werk en uitkering, of kijken hiervoor op de website. De informatie op websites is voor hen echter niet altijd begrijpelijk, als ze de juiste informatie al kunnen vinden.

Medewerkers zijn niet altijd goed op de hoogte van de wet- en regelgeving, waardoor zij jongeren verkeerd kunnen informeren. Dat kan de nodige financiële gevolgen hebben. Dit geldt ook voor de manier waarop medewerkers jongeren te woord staan. De bejegening beïnvloedt de mate waarin jongeren vertrouwen hebben in de overheidsinstantie, en dus of zij makkelijk contact opnemen bij vragen. Verder is de onderlinge afstemming tussen verschillende overheidsinstanties beperkt. Al met al hebben jongeren behoefte aan goede ondersteuning. Gemeenten bieden op verschillende manieren begeleiding aan jongeren: bijvoorbeeld door een wijk- of jongerenteam. Daarnaast kunnen jongeren gebruik maken van cliëntondersteuning, maar gemeenten wijzen jongeren hier niet altijd op. Dit zorgt ervoor dat de hulp die jongeren krijgen per gemeente kan verschillen.

4.3

Aanbevelingen

De Nationale ombudsman roept de betrokken overheidsinstanties – het ministerie van SZW, het ministerie van VWS, het UWV en gemeenten – op om in gezamenlijkheid de in het onderzoek geconstateerde knelpunten op te lossen. Hierbij ziet de ombudsman een aansturende rol voor de minister van SZW, de minister voor Armoedebestrijding, Participatie en Pensioenen en de staatssecretaris van VWS. Op basis van de bevindingen uit dit onderzoek doet de Nationale ombudsman de volgende aanbevelingen:

1. Informeer jongeren – proactief – in begrijpelijke taal, al vóór de 18e verjaardag.

Meedoen zonder beperkingen

34

Overheidsinstanties dienen jongeren met een beperking actief en in begrijpelijke taal te informeren over hun rechten en plichten en de voorzieningen waarvan zij gebruik kunnen maken. Gemeenten kunnen scholen benaderen om jongeren met een beperking vroegtijdig in beeld te krijgen en hen te informeren over hun mogelijkheden. Maar ook na de middelbare school hebben jongeren met een beperking behoefte aan informatie. Het is belangrijk om informatie laagdrempelig aan te bieden via bijvoorbeeld sociale media. Daarnaast kunnen belangenorganisaties en gemeentelijke jongerenteams een waardevolle rol spelen in het verspreiden van informatie.

2. Zorg voor persoonlijke begeleiding.

Jongeren met een beperking hebben vaak hulp nodig bij hun administratie, het aanvragen van een uitkering en voorzieningen en contacten met instanties. Daarom is het belangrijk dat deze jongeren persoonlijke begeleiding krijgen. Deze begeleiding moet onafhankelijk zijn van de overheid en goed op de hoogte zijn van de wet- en regelgeving. Cliëntondersteuning vanuit de Wmo kan hierin voorzien. De cliëntondersteuner staat als persoonlijk begeleider naast de jongere en kan ondersteuning bieden bij hulpvragen op het gebied van onder meer werk, inkomen, welzijn, wonen en zorg. Deze persoon is op de hoogte van de ondersteuningsbehoefte van jongeren met een beperking, heeft contacten met instanties, weet de weg en zorgt ervoor dat informatie onderling wordt uitgewisseld. Indien gewenst kan de cliëntondersteuner optreden als intermediair tussen overheidsinstanties en jongeren. Ook hebben jongeren hierdoor de mogelijkheid een band op te bouwen met hun begeleider. Dit maakt dat ze makkelijker contact opnemen als ze vragen hebben. Het is dan ook belangrijk dat jongeren weten dat ze gebruik kunnen maken van cliëntondersteuning. Gemeenten dienen dit actief aan te bieden.

3. Zorg dat werken van toegevoegde waarde is, ook in deeltijd.

Werken met een uitkering brengt vaak een forse administratieve belasting met zich mee en geen of weinig financieel voordeel. Dit ontmoedigt jongeren met een beperking om aan het werk te gaan, terwijl werk hen veel kan bieden: zelfontplooiing, structuur, sociale contacten, beroepstrots, een eigen inkomen en een bijdrage aan de maatschappij. Jongeren met een beperking ervaren echter belemmeringen door allerlei administratieve drempels en doordat werken niet of nauwelijks loont. Op de lange termijn wegen de administratieve lasten, het uitblijven van een financieel voordeel en bijbehorende stress zwaarder dan de voordelen van werken. Door de administratieve lasten te verlichten en werken lonend te maken, zorgt de overheid ervoor dat de redenen die jongeren hebben om aan het werk te gaan, ook redenen zijn om aan het werk te blijven.

4. Zorg voor financiële zekerheid.

Zorg ervoor dat jongeren met een beperking weten waar ze aan toe zijn als ze gaan werken naast hun uitkering. De overheid moet deze jongeren meer zekerheid bieden over hun inkomen, ook als sprake is van een onregelmatig aantal arbeidsuren en wisselende inkomsten bij flexibele contracten. Het is voor hen immers belangrijk dat ze kunnen overzien wat de financiële gevolgen zijn van veranderingen in hun werkzame uren. Het verruimen van bijverdiengrenzen, direct verrekenen van inkomsten en het instellen van een bufferbudget kunnen hierbij helpen. Meer duidelijkheid over hun financiën betekent dat jongeren makkelijker de stap naar werk zetten en ook de stap om eventueel meer of minder te gaan werken, afhankelijk van hun belastbaarheid.

Meedoen zonder beperkingen

35

5.

Bijlage 1: behoorlijkheidsnormen De behoorlijkheidsnormen van de Nationale ombudsman helpen overheden goed om te gaan met burgers en hun belangen. De volgende behoorlijkheidsnormen zijn van belang voor dit onderzoek:

Goede informatieverstrekking De overheid zorgt ervoor dat de burger de juiste informatie krijgt en dat deze informatie klopt en volledig en duidelijk is. Zij verstrekt niet alleen informatie als de burger erom vraagt, maar ook uit zichzelf. De overheid is verplicht de burger gevraagd en ongevraagd alle informatie te geven over handelingen en besluiten die de belangen van de burger kunnen raken. Zij is daarbij servicegericht en stelt zich actief op om de informatie die van belang is tijdig op eigen initiatief te geven.

Luisteren naar de burger De overheid luistert actief naar de burger, zodat deze zich gehoord en gezien voelt. De overheid heeft een open oor voor de burger. De overheid hoort wat de burger zegt, en ook wat hij niet zegt. Dit betekent dat de overheid de burger serieus neemt en daadwerkelijk geïnteresseerd is in wat hij belangrijk vindt.

Fatsoenlijke bejegening De overheid respecteert de burger, behandelt hem fatsoenlijk en is hulpvaardig. Medewerkers van overheidsinstanties zijn attent in de contacten met burgers en helpen hen zo goed mogelijk. Zij doen dit op respectvolle wijze en houden daarbij rekening met de persoon van de burger.

Samenwerking De overheid werkt op eigen initiatief in het belang van de burger met andere (overheids-) instanties samen en stuurt de burger niet van het kastje naar de muur. Een overheidsinstantie verschuilt zich niet achter een beperkte taakstelling, maar neemt steeds zelf het initiatief om samen te werken met andere instanties. De overheid biedt de burger één loket voor zijn vraag of probleem.

Professionaliteit De overheid zorgt ervoor dat haar medewerkers volgens hun professionele normen werken. De burger mag van hen bijzondere deskundigheid verwachten. Medewerkers van de overheid handelen volgens hun professionele normen en richtlijnen. Hun opstelling is in alle situaties gepast en deskundig.

Meedoen zonder beperkingen

36

6.

Bijlage 2: wet- en regelgeving Jongeren met een beperking hebben recht op een uitkering op grond van de Wajong of de Participatiewet. Het UWV en gemeenten voeren deze regelingen uit en hebben verschillende instrumenten om jongeren te stimuleren om aan het werk te gaan. Wajong Voor jongeren met een beperking is er de Wajong. Deze is bedoeld voor mensen die niet meer (volledig) kunnen werken door een ziekte of handicap. Iemand heeft recht op Wajong als hij voor zijn 18e jaar of tijdens zijn studie een ziekte of handicap heeft gekregen. De Wajonguitkering wordt uitgekeerd door het UWV. Men kan tot zijn pensioengerechtigde leeftijd een Wajong-uitkering ontvangen. Op 1 januari 2015 heeft de overheid een belangrijke wijziging doorgevoerd. Vanaf dat moment is de Wajong niet langer toegankelijk voor jongeren met een beperking die 18 jaar worden en arbeidsvermogen hebben. Zij vallen onder de Participatiewet. Jongeren met een beperking zonder arbeidsvermogen, die dus duurzaam arbeidsongeschikt zijn, kunnen na 2015 nog wel instromen in de Wajong. Als je op 1 januari 2015 Wajong ontving en arbeidsvermogen had, kon je je Wajong-uitkering houden.

Het UWV blijft verantwoordelijk voor activering van deze groep ‘oude’ Wajongers, van wie de laatste in 2068 (of later) de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.42 Het UWV zet hiervoor instrumenten in zoals loondispensatie, een no-riskpolis (die dekking biedt bij loondoorbetaling tijdens ziekte), premiekorting/loonkostenvoordeel en jobcoaches om werkgevers te stimuleren jongeren met een beperking in dienst te nemen. Sinds 1 januari 2021 zijn de regels voor de Wajong veranderd door de komst van de Wet Vereenvoudiging Wajong.43 Met de verandering krijgen Wajongers die (meer) gaan werken een hoger inkomen. Ook kunnen zij hun uitkering houden als zij een opleiding doen.44 Verder hoeven Wajongers minder bang te zijn om hun uitkering kwijt te raken. Bijvoorbeeld als ze aan het werk gaan, of als hun baan stopt. Ze kunnen namelijk altijd terugvallen op de Wajong als hun gezondheid weer verslechtert. Het idee achter deze wijzigingen is dat Wajongers makkelijker mee kunnen doen in de maatschappij. Door de Wet vereenvoudiging Wajong zouden Wajongers er niet in inkomen op achteruit mogen gaan. Sinds 1 januari 2021 berekent het UWV de uitkeringen van Wajongers echter op een andere manier.

Om te voorkomen dat de uitkering van werkende Wajongers lager uitvalt, is een garantiebedrag afgesproken (het minimumbedrag dat je krijgt met de regels van vóór 1 januari 2021).45 Het UWV vergelijkt de uitkering volgens de oude en nieuwe rekenmethode met elkaar en keert de hoogste van de twee uit.46 Je houdt het garantiebedrag zolang je inkomsten hebt naast een Wajong-uitkering. Maar als je na een jaar je baan verliest, kun je niet meer terugvallen op het garantiebedrag en dus op de (oude) Wajong.47 Sommige groepen zijn er door de verandering van de wet toch in inkomen op achteruit gegaan.48 Het UWV heeft diverse herstelacties uitgevoerd om dit op te lossen.

42 Ministerie van SZW: Beleidsdoorlichting SZW begrotingsartikel 4: Jonggehandicapten, 2017. 43 Wet van 27 mei 2020 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong, 18 juni 2020 (Staatsblad 2020, 173). 44 Wajongers met recht op Wajong 2015 behouden vanaf 1 september 2020 hun uitkering als ze gaan studeren. 45 Voor zelfstandigen kan het UWV het garantiebedrag nog niet berekenen. Zij ontvangen in 2022 een brief met het garantiebedrag. Dit komt doordat de inkomsten van zelfstandigen pas na afloop van 2021 bekend zijn. 46 Kamerbrief: Voortgang implementatie Wajong, 10 december 2021. 47 UWV: Wat is het garantiebedrag? 48 Kamerbrief: Herstellen garantiebedrag Wajongers, 5 juli 2021.

Meedoen zonder beperkingen

37

Participatiewet De Participatiewet is op 1 januari 2015 in werking getreden en vervangt de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) en een deel van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet. Iedereen die kan werken, maar het op de arbeidsmarkt zonder ondersteuning niet redt, valt onder de Participatiewet. Eén van de doelen van de wet is dat meer mensen werk vinden. Dit geldt ook voor mensen met een arbeidsbeperking. Sinds de inwerkingtreding van de Participatiewet zijn gemeenten voor een grotere groep mensen het eerste aanspreekpunt voor ondersteuning bij het vinden en het behouden van werk. Jongeren met een beperking zijn daarbij een nieuwe doelgroep voor gemeenten. Voor hen hebben gemeenten nieuwe ondersteuningsmogelijkheden gekregen, zoals structurele loonkostensubsidie, jobcoaches en beschut werk als re-integratievoorziening.49 Verplichtingen in de Participatiewet Voor alle bijstandsgerechtigden, met of zonder beperking, gelden op grond van de Participatiewet dezelfde verplichtingen. Zo gelden er arbeidsverplichtingen.50 Iedereen wordt geacht om betaald werk te vinden. Gemeenten moeten de bijstandsuitkering verlagen als een bijstandsgerechtigde niet voldoet aan de arbeidsverplichtingen. Daarnaast geldt er een kostendelersnorm.

Deze norm houdt in dat bijstandsgerechtigden een lagere uitkering krijgen als zij hun woonkosten kunnen delen. Verder geldt er in de Participatiewet een partnertoets (ook wel bekend als gezamenlijke huishouding) en een inkomens- en vermogenstoets. De partnertoets betekent dat er voor het recht op bijstand wordt gekeken naar het gezinsinkomen. Als iemand samen met zijn partner een inkomen heeft dat gelijk of hoger is dan het voor hen geldende sociale minimum, bestaat er geen recht op bijstand. Dit leidt ertoe dat jongeren met een beperking tussen wal en schip kunnen vallen. Deze jongeren ontvangen geen Wajong, maar hebben ook geen recht op een bijstandsuitkering. De bijstand vult het inkomen uit werk aan tot de bijstandsnorm. Als iemand bijstand krijgt en daarnaast andere inkomsten heeft, trekt de gemeente deze af van de uitkering (inkomenstoets). Ook is er geen recht op bijstand als het vermogen boven een bepaalde grens uitkomt (vermogenstoets).51 De Rijksoverheid heeft stappen gezet om het systeem beter op elkaar te laten aansluiten en vooral om het geheel eenvoudiger te maken, bijvoorbeeld door het project Simpel Switchen in de Participatieketen.

Simpel Switchen is een gezamenlijk project van het ministerie van SZW en Divosa dat is gestart in 2019.52 Het project heeft verschillende doelen, zoals het makkelijker vanuit de uitkering gaan werken en weer terug in de uitkering te komen als werken toch (even) niet lukt, of het beter begrijpen wat de financiële gevolgen zijn van aan het werk gaan. Het gaat er om zoveel mogelijk drempels tussen uitkering en werk weg te nemen.53

49 De structurele loonkostensubsidie biedt werkgevers een compensatie voor de verminderde productiviteit van werknemers met een beperking. Aanvullend kan een jobcoach de nodige begeleiding bieden op de werkplek. Mensen met een beperking die meer begeleiding nodig hebben en in aangepaste werkomstandigheden kunnen werken komen in aanmerking voor een beschutte werkplek. Hiernaast bieden gemeenten verschillende re-integratievoorzieningen gericht op het leren van vaardigheden en het opdoen van werkervaring aan andere mensen, met en zonder bijstandsuitkering, met een afstand tot de arbeidsmarkt en die ondersteuning nodig hebben bij het vinden van werk. 50 Artikel 9 lid 1 Participatiewet. 51

Per 1 januari 2022 is de vermogensgrens € 13.010 voor een gezin of alleenstaande ouder en € 6.505 voor een alleenstaande.

52 Kamerbrief: Stand van zaken Simpel Switchen in de Participatieketen, 9 november 2020. 53 Door het project heeft een aantal gemeenten al wijzigingen doorgevoerd om de overgangen tussen werk en uitkering makkelijker te maken. Zo gaan de gemeenten Arnhem en Enschede inkomstengesprekken voeren en begint de gemeente Delft met het gebruiken van een tussenrekening (Surplus) om het verrekenen van inkomsten voor de klant makkelijker te maken. Ook zijn er gemeenten die het aanvraagproces hervormen, zoals de Sociale Dienst Drechtsteden en Werksaam Westfriesland. Kamerbrief: Stand van zaken Simpel Switchen in de Participatieketen, 9 november 2020.

Meedoen zonder beperkingen

38

Banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten De Wet banenafspraak en het quotum arbeidsbeperkten zijn in het leven geroepen om mensen met een arbeidsbeperking aan een baan te helpen bij een reguliere werkgever, zowel in de markt- als overheidssector.54 Binnen de wet hebben kabinet en werkgevers afgesproken om een bepaald percentage mensen met een ziekte of handicap in dienst te nemen of in te lenen. Dit is het quotum arbeidsbeperkten.55 Conform de banenafspraak moeten er in 2026 125.000 extra banen zijn ten opzichte van de nulmeting op 1 januari 2013. Instrumenten uit de Participatiewet zoals loonkostensubsidie en jobcoaches dragen bij aan deze doelstelling.

Banenafspraak: vrijwillige afspraak om de afgesproken banen te realiseren • Het kabinet heeft met sociale partners een afspraak gemaakt om extra banen te creëren bij reguliere werkgevers voor mensen met een arbeidsbeperking. • Het gaat om 125.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking in 2026 bij reguliere werkgevers ten opzichte van de nulmeting op 1 januari 2013, waarvan 100.000 in de marktsector en 25.000 in de overheidssector. Deze aantallen zijn verdeeld over de jaren. • Als één baan wordt geteld een baan van 25,5 verloonde uren per week. Banen groter of kleiner dan 25,5 uur per week tellen naar rato mee. • Alle werkgevers, groot en klein, kunnen de extra banen realiseren. • Monitoring of de doelstelling is gehaald, gebeurt landelijk per sector (markt en overheid), niet per individuele werkgever. • Pas als de banenafspraak te weinig banen oplevert, volgt mogelijk de activering van de quotumregeling.

Quotumregeling: • Vanaf januari 2018 geldt voor de overheidssector de quotumregeling, omdat de overheidswerkgevers de afgesproken aantallen over 2016 niet hebben gehaald. • Het quotumpercentage voor de sector overheid voor 2021 is 2,56% en geldt alleen voor individuele werkgevers met 25 of meer werknemers. Het gaat om werkgevers die per jaar meer dan 40.575 verloonde uren via de loonaangifte hebben verantwoord. • Het kabinet Rutte III heeft gewerkt aan een conceptwetsvoorstel om de Wet banenafspraak te vereenvoudigen. • De quotumheffing is tot 1 januari 2022 opgeschort, maar ook na deze datum worden geen heffingen opgelegd. De minister van SZW heeft de Belastingdienst en het UWV toestemming gegeven om de quotumheffing niet uit te voeren tot in elk geval 1 januari 2024. Het UWV en de Belastingdienst kunnen hierdoor anticiperen op de toekomstige wettelijke grondslag voor de verdere opschorting van de quotumheffing.

Doelgroep: • Mensen die onder de Participatiewet vallen en die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. • (Ex) Pro/VSO-leerlingen die zich schriftelijk, via het formulier ‘aanvraag beoordeling arbeidsvermogen’, hebben aangemeld bij het UWV. • Mensen met een Wsw-indicatie. • Wajongers met arbeidsvermogen.

54 De Wet Banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten is per 1 april 2015 in werking getreden. 55 UWV: Quotumregeling.

Meedoen zonder beperkingen

39

• Mensen met een Wiw-baan (voormalige Wet inschakeling werkzoekenden) of ID-baan (voormalig Besluit in- en doorstroombanen). • Mensen met een medische beperking die is ontstaan voor hun 18e verjaardag of tijdens hun studie, die met een voorziening werken en alleen dankzij deze voorziening het wettelijk minimumloon kunnen verdienen.56

56 Ministerie van SZW: Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten, kennisdocument, 7 november 2021.

Meedoen zonder beperkingen

40

Nationale ombudsman Postbus 93122 2509 AC Den Haag Telefoon 070 356 35 63 nationaleombudsman.nl Rapportnr: 2022/144 is een uitgave van de Nationale ombudsman, 13 september 2022

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11968076/1