Rapport lage opkomst Adam final
Tekst van het document
Dat is waar je je op focust. En dan focus je je niet op zaken die mogelijk over vijftien jaar effect zullen resulteren. Dat is de discrepantie waar binnen wij moeten werken. De politiek wil snel resultaat boeken, ten opzichte van wat wij in de praktijk kunnen bereiken [met opkomstbevordering op lange termijn]. […] Wij worden een beetje met een onmogelijke opdracht het veld in gestuurd [opkomst bevorderen zonder daarbij politieke thema’s te mogen bespreken]. Ons advies ten aanzien van deze partij politieke discussie: als je iets wilt doen aan de participatieve ongelijkheid in de stad dan heb je een ongelijke investering nodig in het betrekken van achtergestelde groepen. Stimuleer hierbij langetermijndenken en breek met de koortsachtige focus van politieke partijen op de korte termijn. Inhoudelijke aandacht voor grotere maatschappelijke vraagstukken die langdurig spelen in de stad maakt de verkiezingen voor bewoners relevanter en kan hen helpen om de benodigde kennis op te doen om hun eigen standpunt te kunnen bepalen. Respondenten hebben in dit onderzoek aangegeven juist een gebrek aan inhoudelijke kennis over wat er politiek speelt te ervaren, of welke politieke beslissingen hen aangaan, waardoor ze ook minder interesse in de politiek ervaren.
Het inspelen op thematische betrokkenheid van verschillende kiezersgroepen in die delen van de stad waar de opkomst het laagst is zou juist kunnen zorgen voor het verkleinen van de participatieve ongelijkheid. Van Ostaaijen, Jacobs en van Zuydam (2019) 48 stellen op basis van systematisch literatuuronderzoek dat de belangrijkste factoren die aan de (lage) opkomst ten grondslag liggen (interesse in politiek, kennis van politiek, vertrouwen in politiek en tevredenheid over de politiek), ‘structureel’ zijn. Dat zijn factoren die op korte termijn lastig te beïnvloeden zijn, denk hierbij bijvoorbeeld aan de opleidingsniveau of de leeftijdssamenstelling van de bevolking. Dat geldt ook voor politieke factoren zoals politieke interesse of het vertrouwen in de politiek. Overheden zouden zich alleen met opkomstbevordering moeten bezighouden als ze bereid zijn deze onderliggende redenen van een lage opkomst structureel aan te pakken. Als ze daar niet toe bereid zijn is het beter om helemaal niet te investeren in opkomst bevorderende campagnes.
van Ostaaijen, J., Jacobs, D., & van Zuydam, S. (2018). De zin en onzin van opkomst (bevordering). Beleid & Maatschappij, 46(1), 181-185. 48
41
Als je als overheid geen dwang wilt uitoefenen op de opkomst (door bijvoorbeeld een opkomstplicht in te voeren, de enige maatregel waarvan bewezen is dat het op korte termijn iets doet aan zowel lage opkomst als aan participatieve ongelijkheid 49) zal je dus een structurele en lange termijn aanpak moeten hanteren. Een structurele aanpak die zich richt op de specifieke factoren die er voor zorgen dat stembereidheid onder specifieke kiezersgroepen laag is. Om dit te bereiken moet de gemeente en de lokale politiek de lokale betrokkenheid vergroten vooral onder Amsterdammers die de grootste afstand ervaren met de overheid. Een van de ambtenaren opkomstbevordering verwoordt dat doel als volgt: De manier hoe ik opkomstbevordering interpreteer is dat dit een langdurig traject is, wat jaren kost, misschien wel generaties. […] We moeten het daarbij hebben over het functioneren van de democratie. We zien over de hele wereld van alles gebeuren en ook wat er gebeurt als mensen niet stemmen. Dus dat is ook nog een spectrum wat we kunnen meenemen. En wat ik belangrijk vind als ik iets mee geef aan de mensen die wij spreken: wat gebeurt er als onze democratie ter discussie komt te staan? Dat is op een meer macroniveau een aspect wat we moeten meenemen.
Maar hoe doe je dat, de lokale betrokkenheid onder specifieke groepen verhogen in de context van het algemeen functioneren van de lokale democratie? We willen hier direct aansluiten op het ‘Plan van aanpak Opkomstbevordering verkiezingen 2021’ 50 waarin vijf specifieke punten worden genoemd die nodig zijn om de opkomst te verbeteren en participatieve ongelijkheid in de stad te bestrijden. Deze vijf punten komen goed overeen met de resultaten van dit onderzoek, met de toevoeging dat hierbij een expliciet doelgroepen benadering nodig is zoals hierboven besproken. We komen op basis van dat plan tot de volgende vijf stappen: 1. De relatie tussen politiek, bestuur en kiezers verbeteren; 2. Betere inhoudelijk informatie voor kiezers; 3. Inzet op politieke interesse; 4. Middelen en tijd voor een structurele aanpak; 5. Taakverdeling bij een structurele aanpak: maak gebruik van het bestaande maatschappelijk middenveld. We werken hieronder de vijf punten uit op basis van eerdere ideeën die daarbij genoemd worden met voorbeelden, elementen die wij tijdens focusgroepen en interviews opgehaald hebben met daarbij toegevoegd een gedifferentieerde aanpak voor specifieke kiezersgroepen.
Stap 1: De relatie tussen politiek, bestuur en kiezers verbeteren Uit onze focusgroepen blijkt dat er onder veel Amsterdammers behoefte is aan contact met lokale politici, bestuurders en ambtenaren. Men wil graag dat de politiek ‘haar gezicht laat zien’ buiten verkiezingen om. Dat geldt ook voor een terugkoppelingen van politici richting kiezers, wat is er gebeurd met de wensen van kiezers na de verkiezingen? Daarnaast gaven respondenten aan dat het belangrijk is, dat zij zich kunnen herkennen in het beleid, dat politici laten zien dat ze begrijpen dat het om de problemen van specifieke Amsterdammers gaat. Juist deze groepen kiezers verlangen van Ostaaijen, J., Jacobs, D., & van Zuydam, S. (2018). De zin en onzin van opkomst (bevordering). Beleid & Maatschappij, 46(1), 181-185. 50 https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/9881233/1/Plan+van+aanpak+opkomstbevordering+verkie zingen+2021 49
42
naar meer inzicht in hun leefwereld van politici die vaak geen gedeelde ervaringen met hen hebben, omdat ze zelf uit een andere sociale context komen. Politieke partijen worden ook opgeroepen om te investeren in doelgroepen, door met hen in gesprek gaan, vaker contact te zoeken en om ideeën uit te wisselen. Op die manier zouden politici en bestuurders beter weten wat de behoefte is van de doelgroep. Ook zouden partijen bij bijeenkomsten mensen moeten inschakelen die de taal van de doelgroep spreken (letterlijk en/of figuurlijk). Het landelijk onderzoek ‘De lokale niet-stemmer. Een analyse van de lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022’ 51 komt op basis van gesprekken met niet-stemmers in verschillende gemeenten tot dezelfde conclusie: ‘de politiek is aan zet’ om de opkomstcijfers bij de gemeenteraadsverkiezingen te verbeteren met als belangrijke aanbeveling: ‘laat als lokale politicus je gezicht vaker zien en luister écht naar bewoners en maak als lokale politicus je beloftes concreet en kom ze na’.
Stap 2: Betere inhoudelijke informatie voor kiezers Uit ons onderzoek blijkt dat er behoefte is onder een grote groep niet-stemmers (Nederlandstalig en niet-Nederlandstalig) aan meer inhoudelijke informatie over de Amsterdamse politiek op een laagdrempelige en toegankelijke manier. Dat heeft deels te maken met de taal, Nederlands voor sommige doelgroepen, maar ook voor Nederlandstalige doelgroepen informatie die aansluit bij de leefwereld en ervaringen van specifieke groepen Amsterdammers. Het gaat soms ook om de laagdrempeligheid van campagnes. Partijen zouden meer rekening moeten houden met taalachterstand of taalvaardigheid van sommige kiezersgroepen. Partijen zouden bijvoorbeeld de doelgroep zelf politici kunnen laten interviewen en daarbij meer gebruik maken van digitale informatievoorzieningen. Ten aanzien van niet-Nederlandstalige kiesgerechtigden moet serieus nagedacht worden over manieren waarop de informatievoorziening verbeterd kan worden. Hierbij kan gedacht worden aan het ondersteunen van Engelstalige debatavonden, bijeenkomsten en/of informatievoorziening. Volgens de EU richtlijnen zijn gemeenten bovendien verplicht accurate en toegankelijke informatie te verschaffen aan niet-Nederlandse talige kiesgerechtigden.
52 Een recent rapport geeft als aanbeveling dat alle informatie over gemeenteraadsverkiezingen die door lokale autoriteiten wordt verstrekt, in een taal moet zijn die kan worden begrepen door alle kiesgerechtigden en mag niet alleen in het Nederlands beschikbaar zijn (maar minimaal ook in het Engels). 53 In de niet-Nederlandstalige focusgroepen, maar ook tijden de focusgroep met ambtenaren was wel discussie over de vraag welke informatie er precies aangeboden zou moeten worden. In ieder geval informatie over de verkiezingen en de kiesprocedure. Maar uit de gesprekken die we gevoerd De lokale niet-stemmer. Een analyse van de lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/10/10/de-lokale-niet-stemmer 52 Zie bijvoorbeeld: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX%3A52021PC0733 ‘Proposal for a Council directive laying down detailed arrangements for the exercise of the right to vote and to stand as a candidate in municipal elections by Union citizens residing in a Member State of which they are not nationals (recast)’ waarin wordt gesteld: ‘Under Regulation (EU) 2018/1724, Member States are required to ensure that users have easy access on their national webpages to user-friendly, accurate, updated and sufficiently comprehensive information on participating in municipal elections’.
53 De Groot, D., & Vink, M. P. (2018). Report on political participation of mobile EU citizens: Netherlands. https://cadmus.eui.eu/handle/1814/60173. 51
43
hebben bleek dat niet-Nederlandstalige kiesgerechtigden vooral behoefte hebben aan inhoudelijke politieke informatie. En wat is hieromtrent de verantwoordelijkheid van de gemeente? Een van de ambtenaren was van mening dat als iemand stemrecht heeft, de lokale overheid er dan ook zoveel mogelijk aan moet doen om die persoon ook te betrekken bij de politiek en dat kan niet zonder informatie die begrijpelijk is voor deze personen: Ik denk dat de gemeente de plicht heeft om alle kiesgerechtigden even goed te informeren. En als dat betekent dat er kiesgerechtigden zijn die de Nederlandse taal niet machtig zijn, dan moet je daar iets voor bedenken. Het zijn ook Amsterdammers, of je het er nou mee eens bent of niet [dat zo veel niet-Nederlanders stemrecht hebben] en of ze nu wel of geen Nederlands spreken. […] Als je mag stemmen, dan moet jij dezelfde informatie krijgen als die anderen, anders doen we aan ongelijke behandeling. Een andere ambtenaar vraagt zich af of het altijd wel de moeite waard is om hier veel energie in te steken: Veel internationals stemmen niet, maar dan moet je je afvragen: moet je dan de hele informatie voorziening daar op aanpassen? Dat zou grote [kostbare] veranderingen vergen voor mensen die al zelfredzaam zijn.
Of moet je de mensen die minder zelfredzaam [en die vaak ook niet goed Nederlands spreken, maar ook geen Engels] betere informatie bieden? Moeten we alles in vijf talen uitbrengen? Dan maken we dikke pakketten, maar we moeten dan wel zeker weten dat het werkt [dat de doelgroepen deze informatie ook tot zich nemen]. Het is duidelijk dat de sterke uitbreiding van het lokale kiesrecht onder niet-Nederlanders een snel groeiende en internationale stad als Amsterdam voor nieuwe uitdagingen stelt. Een groot deel van het Amsterdamse electoraat is hierdoor niet goed in staat de lokale politiek te volgen en kan daarom niet goed participeren. Deze groep zal de komende jaren naar alle waarschijnlijkheid blijven groeien en er zijn geen redenen te denken dat de gemiddelde Nederlandse taalvaardigheid zal verbeteren. De Amsterdamse politiek zal daarom in de komende jaren stappen moeten zetten om de informatievoorziening in het Engels sterk te verbeteren. Tegelijkertijd moeten er keuzes gemaakt worden over de investeringen ten aanzien voor informatievoorziening voor deze kiezersgroep. Niet alles is mogelijk en het betreft een zelfredzame groep die in principe juist wel politiek geïnteresseerd is (en dus ook gemakkelijker betrokken kan worden). Daarnaast moet de lokale politiek stappen zetten in het aanbieden van efficiënte en bruikbare online informatie.
Met name voor de jeugd, maar ook voor andere moeilijk bereikbare doelgroepen. Het inzetten van video’s met informatie over de verkiezingen en lokale politiek wordt door velen gezien als een belangrijk en onderbenut middel om te communiceren met Amsterdammers. Online video’s kunnen makkelijk verspreid worden en in verschillende talen ondertiteld worden. Video’s kunnen op verschillende manieren worden verspreid - via social media van organisaties (ook Whatsapp). Het inzetten van social media moet wel gebeuren op basis van kennis over het verschillend gebruik van social media per groep. Informatie kan ook via andere kanalen worden verspreid. Sommige kiezersgroepen luisteren relatief veel naar de radio en dan naar specifieke zenders. Dat geldt bijvoorbeeld voor specifieke groepen jongeren en voor sommige groepen Amsterdammers met een migratieachtergrond.
Stap 3: Inzet op politieke interesse Opkomst is een afgeleide van een breder vraagstuk, namelijk interesse in politiek in het algemeen. Als dat aangewakkerd kan worden, volgt stemmen ook. Een aantal ideeën op dit punt zijn: laat de 44
doelgroep zelf vertellen over politiek en verkiezingen; faciliteer het gesprek in de stad: organiseer debatten en dialoog en laat politici daarbij aanschuiven; zorg ervoor dat deze te volgen zijn op verschillende (sociale) media. Zo kunnen meer ‘oefenplekken’ gecreëerd worden waar Amsterdammers hun eigen politieke positie leren bepalen en daarover met anderen in gesprek kunnen gaan. Meer investeren in (democratie- en burgerschaps) onderwijs en de betrokkenheid van inwoners bij politiek en bestuur bijvoorbeeld. Dat vereist grote investeringen en zal de opkomst waarschijnlijk pas op de lange termijn (iets) verhogen. Maar daar ligt wel de sleutel tot succes. Een ambtenaar vertelt: We hebben ook in het onderwijs een pilot gedraaid bij een aantal mbo scholen. Die hebben een module gevolgd, daar zijn ook raadsleden geweest. Hebben ze een town hall georganiseerd onder mbo studenten. Dan konden mbo studenten, hun ideeën pitchen, hoorden ze meer over de politiek. Dat was heel interessant. Investeer dus in onderwijsmodules in de aanloop naar verkiezingen, maar investeer ook meer algemeen in burgerschapsonderwijs.
Sommige respondenten uit onze focusgroepen zien hier een grote rol voor de gemeente weggelegd inzake uitleg op met name middelbare scholen met betrekking tot het belang in het algemeen van verkiezingen: verkiezingen oefenen, rollenspellen, studenten in politieke partijen opsplitsen. Doel: politiek relevant maken in het licht van het democratisch concept. Jongeren zouden meer les moeten krijgen op school in waar politieke partijen voor staan. Waarom ze bepaalde dingen doen om stemmen te winnen. Dat soort basisinformatie. In deze buurt [Zuidoost] zijn politieke partijen niet zo actief [dus leeft de politiek ook niet zo onder jongeren]. Voor mensen die al politiek actief zijn is het misschien niet zo nuttig, maar voor de rest van de mensen wel. […] Politiek moet je aangeleerd worden. Jongeren moeten weten hoe politiek functioneert en waar politiek over gaat. (man, praktisch op geleid, met Ghanese migratieachtergrond) Investeren in onderwijsmodules kan dus een belangrijk middel zijn om de structurele factoren achter lage politieke participatie te bestrijden. Het is hierbij wel belangrijk dat de modules verder gaan dan alleen praktische informatie over verkiezingen.
Het burgerschapsonderwijs op het VMBO en MBO gaat nog te vaak over hoe het politieke systeem en de procedures werken en wat er van je verwacht wordt en minder over hoe je je eigen mening kunt vormen, kritisch kunt leren denken en met elkaar in debat kunt gaan. Veel jongeren uit onze focusgroepen gaven aan dat ze nergens de benodigde vaardigheden leren om de politiek goed te kunnen volgen. Ook tijdens hun schooltijd leren ze het politieke systeem niet beter begrijpen en worden ze niet geholpen hun eigen weg hierin te vinden. Jongeren voelen zich daarom soms niet zeker genoeg over hun eigen visie op politiek en kunnen daarom bij verkiezingen geen weloverwogen keuze maken. In ons onderzoek merkten we dat jongeren juist behoefte hebben aan het ‘oefenen’ met nadenken en discussie over politieke onderwerpen.
Stap 4: Middelen en tijd voor een structurele aanpak Voor een structurele aanpak is tijd nodig. In de gesprekken met ambtenaren is hierover gezegd dat een traject voor opkomstbevordering niet met haast opgezet moet worden. Het zou een of twee jaar vóór de verkiezingen moeten starten. Groepen die relatief weinig stemmen zijn ook vaak moeilijk te bereiken. Toch vragen we meestal van hen om ergens te komen, ook voor het verstrekken van 45
informatie. Maar dat zou omgedraaid kunnen worden: de aanpak zou dan zijn om plekken te bezoeken waar mensen al samenkomen en ze daar te informeren, juist in de delen van de stad waar de opkomst het laagst is. Hiertoe kan samengewerkt worden met partners uit de sociale basis zoals het jongeren- en opbouwwerk, maar ook met sport- en cultuurverenigingen, scholen, kerken en moskeeën. Dat vraagt om inventarisatie en onderzoek om er achter te komen waar deze groepen te vinden zijn. Een andere insteek is om ervoor te zorgen dat mensen niet vergeten dat het verkiezingsdag is. Politiek is niet het belangrijkste in het leven van veel mensen. Een mogelijke aanpak is van de verkiezingsdag een vrije dag te maken. Op zo’n dag zou iedereen tijd hebben om zich te informeren, en niets anders hoeven te doen dan stemmen. Daarnaast zou deze dag ook een feestelijk karakter kunnen krijgen. Een belangrijke rol ligt hier bij de gemeenteraad. Politieke discussie over middelen voor een structurele (en doelgerichte) aanpak voor opkomstbevordering en de bestrijding van participatieve ongelijkheid strandden tot nu toe in de gemeenteraad. Politieke partijen moeten hier over hun schaduw heen stappen en inzetten op het verbeteren van de lokale democratie door meer Amsterdammers te betrekken bij de lokale democratie.
Deze discussie moet los staan van partij politieke belangen en de korte termijn effecten van een hogere opkomst onder specifieke kiezersgroepen.
Stap 5: Taakverdeling bij een structurele aanpak: maak gebruik van het bestaande maatschappelijk middenveld Bij een structurele aanpak (richting en middelen) is, zoals gezegd, vooral de gemeente(raad) zelf aan zet, terwijl het maatschappelijk middenveld van professionals en organisaties bij de uitvoering een cruciale rol kan spelen. Denk hierbij aan sleutelfiguren, zelforganisaties en sociaal werk. Jongerenwerkers kunnen bijvoorbeeld een rol spelen door jongeren te laten vertellen over hun ervaringen met politiek, waarom ze stemmen, en jongeren te begeleiden in het vinden van eigen beweegredenen. Blijf als gemeente daarom investeren in zelforganisaties en sleutelfiguren (vooral in ondervertegenwoordigde stadsdelen), die hebben toegang tot de doelgroep. Erken hierbij dat organisaties ruimtes (lokalen) nodig hebben, zij vrijwilligers graag beloond zien. Erken bovendien dat deze organisaties autonoom zijn en geef hen ruimte en vertrouwen om zelf te bedenken wat bij de groepen die zij kennen past. Zet sleutelorganisaties en -personen in, maak gebruik van de vertrouwensnetwerken die zij met hun achterban/gemeenschap hebben. Met andere woorden: benut ‘geleend vertrouwen’. Neem de tijd om sleutelorganisaties en -personen goed te leren kennen, te informeren en hen instrumenten (informatiemateriaal, zowel flyers als digitaal) ter beschikking te stellen.
Kijk samen met deze organisaties aan welke materialen zij behoefte hebben als ze deze taak op zich nemen bij de uitvoering van deze taak. Zorg voor structureel overleg met deze organisaties en koppel periodiek terug wat het effect van hun inspanning is. Daarbij zou het goed zijn om in de samenwerking met sleutelorganisaties en -personen die geworteld zijn in de wijken, niet alleen in te zetten op de opkomstbevordering bij verkiezingen maar ook te investeren in andere vormen van politieke participatie die de interesse in en betrokkenheid bij politieke kwesties van bewoners zouden kunnen stimuleren. Inspraak kan immers op verschillende manieren tot stand komen en vaak weten sleutelorganisaties en -personen het beste op welke manier bewoners zich het meest vrij voelen om hun wensen en behoeftes te delen en wat wenselijke en haalbare manieren zijn voor hen om invloed op beleidsbeslissingen uit te oefenen. Aangezien opkomst bij 46
verkiezingen sterk samenhangt met politieke interesse en politiek vertrouwen kan het investeren in verschillende, lokale mogelijkheden voor inspraak of activiteiten die inspraak bevorderen ook bijdragen aan opkomstbevordering. Wees als gemeente bewust dat de band met een organisatie of sleutelfiguur ook kwetsbaar is. Stel samen de voorwaarden van deze samenwerking op en werk alleen samen als zowel de gemeente als de organisatie/sleutelfiguur dezelfde doelen nastreven. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan het opzetten van ‘huizen van de democratie’ in ondervertegenwoordigde stadsdelen. Dit kan ook een concrete manier zijn om het maatschappelijk middenveld een duidelijke rol te geven in opkomstbevordering, er zijn immers al veel informele ‘huizen van de democratie’ in die delen van de stad (denk aan debatcentra, jongerencentra, maatschappelijke organisaties, buurtcentra, etc.). De gemeente schetst het bredere kader (verbeteren van de kwaliteit van de lokale democratie in brede zin) en faciliteert met de benodigde middelen een samenwerking met deze partijen. Vanuit een dergelijk samenwerkingsverband kunnen in ondervertegenwoordigde stadsdelen programma’s worden opgezet ten behoeve van kennisbevordering, debat, ontmoeting met rolmodellen en campagnes met als doel het verbeteren van de lokale betrokkenheid van alle Amsterdammers bij de lokale politiek.
47