Raadsdares evenwichtige geschiedschrijving.pdf
Tekst van het document
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
7 schoolgebouwen, maar er was geen tijd om alles te gelijk te doen, dus, toen ik begon een onderzoek in te stellen naar fabrieken, werd ik overgeplaatst en kon ik het onderzoek niet voortzetten. 29. V. Zijt gij niet twee volle jaren te Maastricht geweest? A. Ja, en ik meende, dat het tot mijne bevoegdheid en mijn plicht behoorde, zooveel mogelijk op school- en fabrieksgebouwen toe te zien. 30. De heer Ruys van Beerenbroek: Door u is gezegd, dat het eenige wat aan te merken viel op de fabriek van L'Hoeste was, dat er in het lokaal voor het sorteeren van lompen geene goede ventilatie was. Weet getuige ook, of er een ventilatietoestel was en welk? A. Ja, er was er een, maar het voldeed niet: het was eene inrichting om lucht op te zuigen. Ik herinner mij dat mij medegedeeld werd dat, als de ventilatie te sterk genomen werd, er veel meer stof verspreid werd Daarom werd er minder gebruik van gemaakt. 31. De Voorzitter: Van Maastricht zijt gij naar Zeeland gegaan? A. Ja. 32. V. Daar is het fabriekswezen van weinig aanbelang? A. Ja, maar ik heb in Vlissingen toch eene fabriek bezocht, die van de maatschappij De Schelde. 33. V. In Zeeland zijnde, hebt u een advies uit te brengen gehad over de materie, waarover wij nu handelen, aan den Commissaris des Konings, naar aanleiding van eene vraag van den Minister van Justitie. A. Ja. 34. V. Herinnert gij u nog den inhoud van het advies? A.
Ja wel, het betrof de vraag of het wenschelijk was, om bijzondere bepalingen te maken ten opzichte van kinderen, die in fabrieken arbeiden, tusschen 12 en 16 jaren. Daarop heb ik een onderzoek ingesteld, ook naar aanleiding en gebruik makende van het groote en bekende werk van de Commissie tot het instellen van een onderzoek naar den kinderarbeid, en heb dat verder aangevuld met statistische gegevens. Ik heb nagegaan, of werkelijk de statistiek leerde dat de sterfte grooter was in fabrieksdistricten dan op het platteland. Ik heb toen vergeleken de sterfte in sommige fabrieksplaatsen, zooals Maastricht, Tilburg, Almelo, Leiden, met die in de omliggende gemeenten. Ik ben toen tot de conclusie gekomen, dat de sterfte-statistiek geen aanleiding gaf te beweren, dat het werken in fabrieken per se ongezond was. Ik heb er eenige statistieke gegevens bijgevoegd. Die brief zal intusschen waarschijnlijk wel bij u bekend zijn. Ik heb toen gezegd, dat ik het niet wenschelijk achtte bijzondere bepalingen te maken ten opzichte van den kinderarbeid voor den leeftijd van 12 tot 16 jaar, dan alleen, dat de fabrieken zoo gezond mogelijk moeten worden ingericht, en dat 's nachts niet gewerkt zou mogen worden. 35. V.
Gij hebt geadviseerd, dat alleen moest bepaald worden, en meer niets, dat aankomende jongens en meisjes van 12 tot 16 jaar niet zouden mogen arbeiden 's ochtends voor zes uur en 's avonds na acht uur. En als ik het uit uwe mondelinge verklaring nu goed begrijp, dan steunde de conclusie van dat advies door u aan de Regeering gegeven, op weinig anders dan op statistische gegevens, uit boeken getrokken? A. Ja, op statistische gegevens betrekkelijk de sterfte, die volkomen betrouwbaar waren.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
36. V. Maar niet op serieuse en voortdurende eigen waarnemingen? Die ontbraken immers? A. Neen, die ontbraken geheel en al. 37. V. Ik maak deze opmerking, omdat dan de mededeeling van twijfelachtige waarde is. Bij den inspecteur van het geneeskundig Staatstoezicht gaat men van het denkbeeld uit, dat hij het regeeringsorgaan is, om juist uit eigen waarneming feiten te verzamelen en kennis te vergaren. A. Mag ik er nog bijvoegen dat ik ook in mijn rapport gezegd heb, dat ik uitsluitend in fabrieken, die per se ongezond waren, bijv. waar chemicaliën bereid worden, den arbeid van kinderen niet wenschelijk acht. 38. V. Dat zijn trouwens algemeenheden, die tamelijk wel zijn aan te nemen. Is uwe opinie op dit oogenblik nog dezelfde als toen in uw advies? A. Ja, ik heb geen reden gehad die te wijzigen. Ik heb ook nog in dat rap-
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
8 port gezegd, dat ik voornamelijk tot die conclusie kwam, omdat, wanneer men het voor de kinderen moeilijk maakt om in fabrieken te arbeiden, de kinderen wel eens thuis in een vertrekje op zolder aan het werk gezet worden, waar slecht geventileerd wordt en waar contrôle niet mogelijk is, omdat het geld, dat het kind verdient, in de huishouding niet gemist kan worden. 39. V. Dat geldt kinderen van twaalf tot veertien jaar? A. Ja, ik vind het beter, dat zulke kinderen in fabrieken onder contrôle werken, dan onder omstandigheden, die minder gunstig zijn. 40. V. Uw advies kwam en komt dus hierop neder, dat alleen voor kinderen van 12 tot 16 jaren bepaald zou dienen te worden dat zij niet vóór 's morgens 6 en na 's avonds 8 uren mogen arbeiden En gij schijnt het geheel verantwoord te achten als de Regeering het terrein der overblijvende 14 uren zonder beperking vrijlaat aan den arbeidgever? A. Zóó zou ik dat niet durven onderschrijven. 41. V. In uw advies maakt gij toch geen enkele reserve? Gij rept er niet in van eenigerlei andere bepaling dan die eene? A. Vrijheid voor ontspanning en verpoozing is wenschelijk, maar te veel beperking zou ik niet goed achten. 42 V. Maar in uw advies, verzocht juist met het oog op eene te maken wet, had het toch voor de hand gelegen omtrent dit punt cenigszins uitvoerig te zijn.
Dat gij dit niet hebt gedaan doet mij vermoeden, en dit is zeker de gunstigste opvatting, dat gij van oordeel zijt, dat er op dit punt niet veel moet vastgesteld worden? A. Omdat het, vooral met het oog op de vele takken van industrie, zoo moeilijk is, bepalingen op dit stuk te maken. Ik althans zou niet in staat zijn te zeggen, wat er al zoo in zulk eene wet zou nedergeschreven moeten worden. Terade gaande met de ondervinding en rekening houdende met de eischen der verschillende industrieën, zou ik het verkeerd achten, al te veel verband aan te leggen. 43. V. Gij hebt op dit stuk zeker de vreemde wetgevingen geraadpleegd? A. Ja, en de rapporten die in Duitschland over dit punt uitgebracht werden, bevestigen mijne meening. Ookin Duitschland is men, ofschoon erkennende dat vele zaken verkeerd zijn, doordrongen van de moeilijkheid om daarin verandering te brengen, omdat de kinderen daardoor dikwijls nog in slechter toestand zouden komen dan zij nu zijn. 44 V. Gij draagt dus zeker kennis van de Staatswetgevingen, bepaaldelijk in Engeland, Duitschland en Oostenrijk, en weet dus, hoe in Engeland alles vaksgewijze geregeld is? A. Daar weet ik zeer weinig van. 45. V.
Gij hebt dus de fabrieken niet onderzocht dan bij hooge exceptie, en hebt u niet opgewekt gevoeld, door hetgeen gij in Maastricht van de toestanden van de fabrieken en van de fabrieksbevolking hoordet, om daarvan een onderwerp van studie en gezet onderzoek te maken? A Neen, Mijnheer de Voorzitter! ik heb daar geen studie van gemaakt 46. V. Dan zal ik dit punt verder laten rusten. Sedert twee jaar zijt gij belast met het geneeskundig Staatstoezicht in Noordholland? A. Ja.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
47. V. Welke fabrieken in Noordholland, en bepaald in Amsterdam, komen, naar uwe meening, het meest in aanmerking voor het doel van onze enquête? A. In Amsterdam heb ik natuurlijk mijne aandacht gewijd aan fabrieken In den geneeskundigen raad is een voorstel gedaan om een onderzoek in te stellen naar alle fabrieken en werkplaatsen in Nederland. Dit voorstel is in handen van eene commissie gesteld, waarvan het gevolg is geweest, dat besloten is om het onderzoek alleen uit te strekken tot die fabrieken, waar met kwikzilver en lood gewerkt werd. Ik had eene andere wijze van werken gewenscht, maar men heeft anders besloten. Vooraf heeft men aan eene commissie opgedragen een schema voor het onderzoek vast te stellen. 48. V. Als ik het dus goed begrijp, is de zaak, zooals men dit noemt, commissoriaal gemaakt. Gij zijt dus een jaar in Amsterdam geweest, vóórdat gij iets aan deze zaak gedaan hebt?
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
9 A. De reden is, dat wij hebben moeten wachten op het rapport van de commissie. 49. V. Welke fabrieken hebt gij nu dit jaar en het vorige te Amsterdam bezocht? A. Nog geen een. 50. V. Geen enkele? A. Er zijn zooveel bezigheden, dat er geen tijd is om alles tegelijk aan te vatten. Als men in Amsterdam komt, begint men niet met de fabrieken. Men heeft niet alleen Amsterdam, maar de geheele provincie Noordholland, en daar zijn tal van zaken die voortdurende aandacht verdienen. Er moet dus gelegenheid en tijd zijn om met dat fabrieksonderzoek aan te vangen, dat niet de hoofdzaak is, Er moet in het oog gehouden worden, dat met de wetenschap die wij destijds hadden, wij wisten wel te kunnen onderzoeken en voorstellen te kunnen doen, maar het zou de vraag zijn, of dit tot verbetering zou leiden. Dit maakte de ambitie om te beginnen niet groot. Ik acht anders de zaak van groot belang, en nu de aandacht er op gevestigd is en er kans bestaat op verbetering, op eene wet, ligt het voor de hand, dat de aandacht op de zaak gevestigd blijft. 51. V. Mag ik al dadelijk vragen - wij zullen straks terugkomen op het zooeven behandelde - welke fabrieken hebt gij dan na 14 October 1886, toen deze Commissie in de wereld is gekomen, bezocht? A. Ik heb dadelijk toen ik den brief gekregen had, voorgesteld om een onderzoek te gaan instellen. 52 V.
Neen, ik vraag niet welk voorstel gij gedaan hebt, maar welke fabrieken gij bezocht hebt? Gij voert, als ik dit even mag releveeren, twee argumenten aan, waarom gij geen enkele fabriek in Noordholland en Amsterdam hebt onderzocht. In de eerste plaats, dat gij geen tijd hadt en in de tweede plaats, dat uwe ambitie zwak was wegens het vooruitzicht, dat het onderzoek toch niet tot feitelijke verbetering zou kunnen leiden. Daaraan nu knoopte ik vast de vraag: wat hebt gij gedaan na half October, toen deze Commissie in het leven was getreden en dus de vooruitzichten eenigszins verbeterd waren? Ik doe die vraag met te meer recht, omdat gij in de allereerste dagen van het optreden dezer Commissie door mij zijt aangezocht om haar behulpzaam te zijn. Nu herhaal ik mijne vraag derhalve: welke fabrieken hebt gij nu bezocht? Geen enkele? A. Ik heb nog geen fabriek onderzocht aangezien ik het voorstel had gedaan, om mij een machine-ingenieur toe te voegen, ten einde door zijne voorlichting te kunnen nagaan welke veranderingen noodig waren met het oog op de veiligheid der werklieden enz. Ik heb daarop het verzoek gekregen om nog geen werk van de zaak te maken, maar de bedoeling was om allereerst voorloopig na te gaan, welke fabrieken men zou onderzoeken.
Niets zou mij liever zijn dan te beginnen, maar ik moet mij doen begeleiden van een machine-ingenieur, die in staat is, om mij op verschillende dingen attent te maken, die wijziging behoeven. Ik heb geen verstand van machines. Ik weet niet welke ventilatie - middelen zij eischen en zoo meer. Daarom vond ik het noodig dat dit onderzoek geschiedde in gezelschap van een machine-ingenieur, die mij voorlichten kon. 53. V. Wanneer ik u dus goed begrijp acht gij u, terwijl gij sinds eene reeks van jaren al inspecteur van het geneeskundig Staatstoezicht zijt, niet bekwaam om een onderzoek in te stellen in eene fabriek of werkplaats naar de quaestie of daar voldoende aan de eischen van de hygiène is voldaan? A. Daartoe acht ik mij zeer goed bekwaam.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
54. V. Waarom hebt gij het dan niet gedaan? A. Omdat ik, geen verstand hebbende van machinerieën, ten opzichte van het onderzoek naar de veiligheid der werklieden van een deskundig oog dien vergezeld te zijn. Toen ik het antwoord kreeg dat het niet de bedoeling was om voorloopig de fabrieken te gaan onderzoeken, hetgeen ik voorgesteld heb, heb ik gewacht. 55. V. Ik moet u doen opmerken dat gij in dwaling zijt door te zeggen: ‘toen ik dat antwoord kreeg.’ Dat antwoord luidde, dat er geen termen waren, om in gezelschap van een machine-ingenieur dat onderzoek te doen plaats hebben; maar men verwachtte wel degelijk een
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
10 opgaaf van u met aanwijzing van die fabrieken, welke voor ons onderzoek in aanmerking zouden kunnen komen, een opgaaf, die op uw weg ligt, geheel afgescheiden van de inrichtingen, die u uit het oogpunt van de veiligheid wenschte te onderzoeken, namelijk omtrent den gezondheidstoestand in de fabrieken en werkplaatsen. Zulk een onderzoek acht gij toch noodig, niet waar? A. Zeer zeker. 56. V. Waarom hebt gij het dan niet gedaan? A Om verschillende redenen. 57. V. Dus gebrek aan tijd? A. Neen dit niet, maar het is eene zaak die niet in eene maand onderzocht kan worden. Daarvoor heeft men jaren noodig. 58. V. Ik spreek niet over het onderzoek van eene enkele fabriek. A. Het kan toch niet de bedoeling zijn om over eene enkele fabriek advies te geven. 59. V. Zoudt u niet denken dat bij alles het maken van een begin noodzakelijk is, dat men dus ook met eene fabriek moet beginnen? Hebt gij nooit gehoord van speciale fabrieken in Amsterdam die, terecht of ten onrechte, in een slechten naam stonden? A. Zeker! Maar ik heb den brief zoo opgevat, dat men eerst eene algemeene opgave wenschte te ontvangen, om daarna, begeleid door een ingenieur, speciale fabrieken te bezoeken. 60. V. Ik heb u niet in de rede willen vallen, maar u hebt niet op mijne laatste vraag geantwoord.
Die was, of u nooit gehoord hebt van speciale fabrieken in Amsterdam, die terecht of ten onrechte in een kwaden naam stonden? A. Ik heb die vraag niet goed gehoord. Van zulke fabrieken heb ik nooit iets gehoord. 61. V. U zijt belast met het geneeskundig Staatstoezicht in Amsterdam. In de twee jaren die u daar zijt, hebt u dus nooit iets gehoord of gelezen van wat op dien tak van uwen dienst betrekking heeft? Hebt gij nooit klachten vernomen, of in bladen of geschriften gelezen, dat de toestand hier of daar niet was zooals het behoorde? A. Daarvan heb ik nooit iets gehoord of gelezen. 62. V. Een vreemdeling in uw eigen stad dus! Hebt gij nooit de waskaarsenfabriek in Amsterdam bezocht? A. Nooit gezien. 63. V. Ik heb er de reis voor gemaakt. Maar u, die daar woont en inspecteert, u is er nooit geweest? A. Zooals ik zeide. U weet trouwens dat ik in mijn laatsten brief verklaard heb..... 64. V. Laat ons liever niet in herhalingen treden en die briefwisseling laten rusten. Ik zou anders misschien moeten klagen over eene weinig voorkomende opvatting van uwe taak. Ik heb u, weken geleden, vriendelijk verzocht om eene opgave der fabrieken, waarop aanmerkingen vallen, maar tot op den huidigen dag geen antwoord ontvangen. Gij zijt dus nooit in de bedoelde waskaarsenfabriek geweest. A. Ik ben daar niet geweest. 65. V.
Ook niet in de Koninklijke Fabriek voor stoomwerktuigen of in eenige andere? A. Ik heb geen fabrieken bezocht.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
66. V. In twee jaren niet! Dan eene andere vraag. In 1885 is in den geneeskundigen raad, blijkens het laatste jaarverslag aan den Koning, de aandacht gevestigd op den toestand der fabrieken hier te lande, in verband met de gezondheid en de veiligheid der arbeidersbevolking. Is dat denkbeeld van u uitgegaan? A. Neen, dit is een voorstel van den heer Van Hamel. 67. V. Dus juist van het niet-geneeskundig lid? A. Zoo is het. 68. V. Dus, gij hebt geen reden gevonden, om dat punt zelf in den raad ter sprake te brengen. Dit laat zich trouwens verklaren uit het feit, dat gij nooit gehoord hebt van eenigen misstand bij de fabrieken of werkplaatsen, niet alleen te Amsterdam maar zelfs in geheel Noordholland Het denkbeeld is dan uitgegaan van den heer Van Hamel. Maar daar heeft dan toch zeker in den raad eene gedachtenwisseling over plaats gehad? A. Ja, maar er is toen niets te berde gebracht van eenig belang. Men vond
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
11 dat voorstel goed, men vond het zeer wenschelijk. 69. V. Wenschelijk? Meende men dan inderdaad dat er iets was dat er toe leidde? A. Men meende dat het zeer wenschelijk was, dat de aandacht er eens op gevestigd werd en dat eene algemeene enquête plaats vond omtrent den toestand der fabrieken. 70. V. Was dat uwe, meening ook? A. Dat het wenschelijk was? Zeer zeker. 71. V. Gij vond dus wenschelijk eene algemeene enquête; maar op de plaats waar gij zelf geroepen waart een begin te maken met een onderzoek, heeft niets uwe aandacht getrokken? A. Naar aanleiding van het voorstel moest worden afgewacht op welke wijze de enquête zou plaatshebben. Men kon toch niet dat onderzoek reeds instellen, terwijl later misschien een ander schema zou worden aangenomen. Dat heeft lang getraineerd. Dit was mijne bedoeling niet; ik dacht dat het spoedig zou gebeuren. Als ik mijn zin had gehad zou er spoedig een begin gemaakt zijn. Het zou mijn idee geweest zijn te beginnen met alle fabrieken te onderzoeken. Ik heb in de inspecteursvergadering zelf voorgesteld alle fabrieken in elke plaats te onderzoeken; maar men meende dat het niet ging, want dat er 6000 in het geheele land waren, en het dus niet zou kunnen.
Men wenschte derhalve rubrieken te maken, eerst van de fabrieken waar vergiftige stoffen werden vervaardigd, vervolgens van de andere fabrieken, om zoodoende langzamerhand te komen tot een geheel. Volgens dat plan, zou het onderzoek niet afgeloopen zijn dan over een jaar of drie, en dat was mijne bedoeling niet. Ik wenschte het achtereenvolgens te doen. Daar heb ik op moeten wachten. 72. V. Daarom wensch ik eene vraag te doen. De zaak is deze. De geneeskundige raad is bijeen geweest in 1885. Één lid heeft het voorstel gedaan, de aandacht te vestigen op den toestand van de fabrieken en het denkbeeld geopperd, daarnaar een groot stelselmatig onderzoek te provoceeren over het geheele land. Dat denkbeeld heeft steun gevonden en men heeft besloten, dat het ter kennis van den Minister van Binnenlandsche Zaken zou gebracht worden. Omdat dat nu heeft plaats gehad in eene vergadering van den geneeskundigen raad, rekent gij u dáármede ontheven van verdere inspectiezorg op het stuk van de fabrieken in uwe inspectie? Ik verzoek u goed te letten op mijne vraag. Omdat een voorstel gedaan wordt door één lid in den geneeskundigen raad, beschouwt gij u daarom ontheven van de inspectiezorg in uwe inspectie? Begreept gij, dat gij toen kondt stilzitten? A. Ik meende, dat ik zoo lang moest stilzitten totdat bepaald was, op welke wijze het onderzoek zou plaats hebben. 73. V.
Meendet gij niet, dat uit artt. 1 en 2 der geneeskundige wet uw plicht voortvloeide, om fabrieken en werkplaatsen te inspecteeren? A. Ja. 74. V. Hoe hebt gij dien plicht betracht in die twee jaren? A. Er is zooveel te doen dat de noodige tijd ontbrak voor onderzoek. 75. V. Dus gebrek aan tijd was oorzaak dat er geen onderzoek plaats had? A. Ja, men kan niet alles tegelijk doen. 76. V. Als gij zegt, dat ambtsbezigheden u verhinderd hebben, dan mag ik dit bezwaar niet waardeeren. Ik ben genoopt het aan te nemen als een feit. Maar dan stel ik deze vraag: moet dan uit dat feit de Commissie niet deze conclusie trekken, dat gedurende de laatste twee jaren op het gebied van fabrieken en werkplaatsen uit een
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
hygiènisch oogpunt in Noordholland en met name in Amsterdam, ten eenenmale alle Staats toezicht heeft ontbroken? A. Geneeskundig Staatstoezicht is niet uitgeoefend. 77. V. Het is dus mogelijk dat in fabrieken en werkplaatsen in uw district, met name te Amsterdam, ergerlijke misstanden bestaan zonder dat die aan daartoe aangewezen regeeringsorganen ter kennis zijn gekomen? A. Ja, wanneer er geen klachten kwamen had er geen onderzoek plaats. 78. V. Uwe houding was dus eene volkomen passieve; kwamen er geene klachten, dan werd er ook geen onderzoek ingesteld?
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
12 A. Neen, volstrekt niet. 79. V. Wat hebt gij dan gedaan? A. Dat zoolang het onderzoek achterwege is gebleven, is alleen daaraan te wijten, dat de zaak commissoriaal is gemaakt. Men moest eerst afwachten op welke wijze het onderzoek zou plaats hebben ten einde niet twee malen hetzelfde werk te doen. 80. V. Ik heb u gewezen op de artt. 1 en 2 der wet van 1865, en op mijne vraag, of het commissoriaal maken der zaak u naar uwe meening dan onthief van de naleving der wet, hebt gij daar straks bevestigend geantwoord. Het is dus een feit dat het Staatstoezicht geheel heeft ontbroken, en dat alles wat bouwstoffen zou moeten leveren, gelijk de wet bedoelt, bouwstoffen, die men verkrijgt door eigen waarneming van de inspecteurs van het geneeskundig Staatstoezicht, ten aanzien van Noordholland en met name aangaande Amsterdam, geheel ontbreekt? A. Ja. 81. V. Mag ik dan nog ééne vraag doen? De Commissie heeft aan het slot van haren brief van 11 November jl. gewezen op den spoed, waarmede zij tot haar eigen leedwezen deze zaak moet aanvatten. Wij moesten bij brief van 11 December, dus eene maand later, eerstgemeld schrijven aan U herinneren, en toen werd door u den 13den December geantwoord.
In den brief van 11 November verzochten wij u, onder meer, eene opgaaf van de doctoren en chirurgen, die zich meer bepaald bezighouden met de praktijk onder de arbeidende klassen; herinnert gij u dit? A. Ja. 82. V. Tot nu toe hebben wij die op gaaf niet ontvangen: kunt gij ze thans misschien nog geven? A. De meeste werklieden zijn in ziekenfondsen. 83. V, Was het niet aangewezen dan eens te vragen, wie de doctoren en chirurgen dier fondsen zijn? Daar immers kwam onze vraag C van 11 November op aan? A Ik heb eenen anderen weg ingeslagen, en eene circulaire gericht tot alle geneeskundigen, houdende verzoek om opgaaf van de voorgekomen ziektegevallen. 84. V. Dwaal niet af. Waar nu door u over gesproken wordt, is een ander punt, punt A, van den brief, en is het werk ook van de gemeentebesturen. Wij hebben u gevraagd eene opgaaf van doctoren en chirurgen, die zich meer bepaald ophouden in de kringen van arbeiders en hunne gezinnen. De strekking der vraag kon voor u wel niet onduidelijk zijn; maar wij hebben geen antwoord ontvangen. Kunt gij nu de verlangde namen opgeven? A. Ik heb één geneesheer opgegeven, die geattacheerd is aan de fabriek voor werktuigen. 85. V. Gij hebt opgegeven omtrent de waskaarsenfabriek, dat gij meendet dat daar twee doctoren waren. Bij den eenen hebt gij geene voorletters gegeven, en van dien naam waren er twee, drie in het jaarboekje.
Wie zijn echter, daarop kwam het aan, de meer speciale doctoren in ziekenbussen voor arbeiders? A. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, zijn er geene bepaalde medici, behalve dr. Hesterman. 86. V. Is het denkbeeld niet bij u opgekomen om ons te helpen? A. Ik heb herhaaldelijk geïnformeerd, maar er is geantwoord dat er geene doctoren daarvoor waren.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
87. V. De vraag was niet of er doctoren aan fabrieken geattacheerd waren, maar wel luidde zij letterlijk om ons ‘de namen op te geven van die geneesheeren en chirurgen, die uit den aard hunner praktijk mochten gerekend worden meer dan andere ambtgenooten met den gezondheidstoestand der arbeiders en hunne gezinnen van nabij bekend te zijn’. Is bij de overweging dier vraag het denkbeeld niet eens bij u opgekomen om bij gebreke van eigen kennis, bij de apothekers te laten informeeren van wie de meeste recepten uit die kringen komen? A. Ik heb geïnformeerd o.a. bij dr. Zegers, directeur van het Binnen-gasthuis, die op de hoogte is der zaak. 88. V. Gij zijt aan het hoofd van het geheele Staatstoezicht; gij hebt relatiën en vertakkingen op het geheele gebied; had het dus niet voor de hand gelegen, dat gij ons in velerlei opzicht bij onzen
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
13 moeilijken arbeid hadt kunnen bijstaan? Maar ik zal op dit punt niet verder doorgaan. Daar geen van de heeren het woord verlangt, verklaar ik dit verhoor gesloten. Dr. DOZY.
Verhoor van den heer B. Hamers. 89. V. Welk is uw naam, woonplaats en betrekking? A. Bastiaan Hamers, gemeente-bouwopzichter te Amsterdam, woonachtig Haarlemmerweg, no. 17. 90. V. Zijt gij lang in dienst der gemeente? A. Negen en twintig jaar. 91. V. Wat zijn uwe functiën? A. Het toezicht houden op het bouwen en sloopen, het toezien op het naleven van de voorwaarden, die gesteld zijn voor het oprichten van fabrieken, ingevolge de wet van 1875. 92. v. Met brandgevaar enz hebt gij niets te maken? A. Niet direct. 93. V. Gij weet waarvoor deze Commissie hier bijeen is. Voor zoover het u niet van elders bekend was, zal u dit uit de u toegezonden stukken gebleken zijn. Kunt gij ons iets mededeelen over den arbeid van aankomende jongens en meisjes en vrouwen? A. Ja, maar dat is zeer oppervlakkig. 94. V. Gij hebt gezegd, dat gij slechts in zooverre in de fabrieken komt, als noodig is voor het toezicht op het bouwen en sloopen. Oefent gij geen toezicht uit op bestaande gebouwen? A. Als iemand eene fabriek opricht, vraagt hij daarvoor vergunning aan burgemeester en wethouders, ingevolge de wet van 1875, en daarop wordt ons advies ingewonnen. Krijgt dan de fabrikant vergunning, dan zijn wij gesteld om toe te zien, of de voorwaarden, waarop de vergunning verleend is, nageleefd worden. Wij bemoeien ons betrekkelijk minder met het personeel. 95. V.
Maar gij hebt uwe oogen en ziet het dus? A. Ja, en wij zien wel zaken, die wij minder goed vinden. Direct zou ik daarvan echter niets durven zeggen. 96. V. Dan indirect? A. Als mensch vind ik het niet prettig, dat in sommige fabrieken mannen en vrouwen door elkander aan het werk zijn. Soms werken zij afzonderlijk, maar dan loopen de lokalen toch in elkander uit. Zoo heb ik voor een paar jaren, toen dat ongeluk in de koffie-lezerij ‘Insulinde’ heeft plaats gehad, met den wethouder een onderzoek ingesteld. Het bleek toen, dat die vrouw zich naar eene zaal begeven had, waar zij niet behoorde. Zij is in aanraking gekomen met de as van een wiel, dat 50 à 60 centimeters van den grond eenige malen in de seconde ronddraaide. Zij is daarmede rondgeslingerd, en onmiddellijk doodgeslagen. Hare moeder, die haar wilde redden, werd op hare beurt gegrepen en ook doodgeslagen. 97. V. Dit ongeluk gebeurde, naar ons uit de stukken is gebleken, op eene zaal, waar de vrouwen niet mochten komen. Wij kunnen dit dus laten rusten.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
98. De heer Goeman Borgesius: Zijn u in die fabriek nog andere plaatsen bekend waar gevaar voor ongelukken is te vreezen? Zouden de luiken bijv. niet alle omsloten behooren te zijn met hekjes? A. Dat kan ik niet direct toegeven. Op de zaal waar de vrouw haar plaats was, kon zij geen ongeluk krijgen, maar als men zich bij de machinerieën begeeft, ja dan wordt het wat anders. Dat is juist ons punt van onderzoek geweest. De wethouder Ankersmit was van oordeel, dat de as behoorde om dekt te worden. Ik gaf dat toe, maar deed opmerken dat dit evenzeer gold voor de drijfriemen die door 2, 3 verdiepingen heenloopen. En zoo hebben wij nog wel 10 of 12 zaken opgenoemd, onder meer, de lift, die het gevaar oplevert, dat men door eenige verdiepingen heen kan vallen om beneden verpletterd te worden. De fabrikant had daartegen echter groote bezwaren. Hij kan die lift niet afsluiten, omdat zij den ganschen dag in gebruik is voor het ophalen en aflaten van balen, zoo ter rechter- als ter linkerzijde. Tijdens dat werk zou
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
14 het hek toch weggenomen moeten worden; het gat is dus toch van den morgen tot den avond open. Andere deelen, luchtkokers enz., zijn evenmin af te sluiten met het oog op brandgevaar. Het is inderdaad ondoenlijk om alle beweegbare deelen in eene fabriek zóó te maskeeren, dat ongelukken onmogelijk worden. 99. V. Ik constateer dus dat gij het, ook volgens het advies dat gij hebt gegeven, wenschelijk acht, ook drijfwielen en -riemen te omwinden en dat er voorzorgen worden genomen tegen het gevaar dat verbonden is aan die donkere luiken. Maar gij zijt tevens van meening dat de industrie bij de groote behoefte, die zij heeft aan vrijheid van beweging, moeilijk alle gevaren kan doen voorkomen? 100. De Voorzitter: Dus dat de gang van het werk dat soms belet? A. Ja. 101. V. Is het u wel eens opgevallen, dat jongens of meisjes lang of hard moesten werken? A. Neen, dat direct niet. 102. V. Is dit het geval ook niet op de kaarsenfabriek? A. Ik weet alleen dat er veel vrouwelijk personeel werkt. 103. V. Het werk van die vrouwen bestaat in het plakken van zakken, het gieten, rollen, afwrijven en pakken van kaarsen, niet waar? A. Ja. 104. V. Gij hebt verschillende fabrieken gezien, maar kunt ons omtrent het punt van den arbeid geen bijzondere nlichtingen geven? A. Neen. 105. V. Hebt gij geen klachten vernomen, die ons op het spoor zouden kunnen brengen van andere getuigen? A.
In het algemeen staan de fabrieksmeiden en jongens in een slechten naam. Ik geloof niet, dat het op de fabrieken bijzonder kiesch toegaat. Naar men zegt was het ongeluk in de ‘Insulinde’ daaraan te wijten, omdat de vrouw zich naar een knecht had begeven om te stoeien. 106. V. Over het eerste punt kunt gij dus niet veel zeggen, hetgeen ook in uw betrekking volkomen verklaarbaar is. A. Neen. 107. V. Naar aanleiding van het tweede punt wensch ik te vragen of het u bekend is of er fabrieken en werkplaatsen zijn, die niet ingericht zijn zooals het behoort, waar de lokalen te warm, te koud, tochtig of vochtig zijn, waar water in de kelders staat, of waar te veel werklieden in een bedompt lokaal vereenigd zijn? A. De eene fabriek is rustiger dan de andere, maar ik kan mij niet herinneren, dat ik lokalen heb gezien, die nadeelig zijn voor de gezondheid. 108. V. Gij komt in bijna alle fabrieken? A. Wij zijn met ons vijven, ieder onzer heeft een deel van de stad, maar in den loop der jaren ben ik bijna in alle fabrieken geweest in de stad. 109. V. Dus wisselt ieders kring af? A. Neen, onze aanstelling luidt over de geheele gemeente, en als zoodanig werken wij samen, maar toch hebben wij de zaak verdeeld, en daarom ben ik in den loop der jaren in de meeste fabrieken geweest, in sommige er van echter niet in de laatste twee of drie jaren.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
110. V. Is er geen onder de fabrieken, die gij ons kunt opgeven, die het wenschelijk zou zijn dat wij onderzochten, omdat gij denkt dat de toestand er bijzonder erg of slecht is? A. Neen, dat geloof ik niet, dat zou ik niet durven zeggen. 111. V. Weet gij er dan ook geen enkele, die bijzonder goed is? A. Ja, er zijn er stellig wel, die bijzonder goed zijn. 112. V. Komt gij wel eens bij Van der Waal? A. Jawel. 113. V. Dat is goed niet waar? A. Ja, dat is heel goed. 114 V. Beschrijf die inrichting eens. A. Er is een onderstuk, waar de machines zijn, en dan op de tweede en derde verdieping zitten de naaisters. 115. V. Hoe werken die machines? Zijn het trapmachines? A. Neen, zij werken met stoom. 116. V. Juist, al die 200 of 300 machines worden door stoom gedreven.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
15 Hoe is de ventilatie? Vertel daar eens eene bijzonderheid van? A. Ja, in algemeene trekken kan ik.... 117. V. Neen, er is iets bijzonders in die fabriek, dat gij zeker weet. A. Aan de Keizersgracht.... 118. V. Neen, een deel van het dak kan immers weggeschoven worden? A. O ja. 119. V. Die inrichting is dus goed? A. Ja, die is heel goed 120. V. Noem nu nog eens eenige soortgelijke fabrieken, die gij denkt dat evenzeer flink zijn ingericht. A. Ja, de diamantslijperijen zijn nog al goed. 121. V. Welke b.v.? A. Die van Roos in de Zwanenburgerstraat. 122. V. Is die dan zoo goed? A. Ja, zij is niet nieuw, maar nog van vroegeren tijd. Die fabriek bestaat uit een gebouw, waarin de machines en stoomketel geplaatst zijn en dan twee gebouwen voor de slijpers, van vier verdiepingen hoog met langwerpige zalen, die men aan weerskanten verlaten kan en met licht en lucht aan beide zijden. 123. V. Zitten de werklieden daar goed en zonder gevaar voor de machinerieën? A. Zij zitten daar zonder gevaar. 124. V. Zijt gij wel eens in de diamantslijperij ‘Maatschappij’ geweest? A. Dat is reeds lang geleden; het is een gebouw in denzelfden vorm als het vorige, waarvan ik sprak. 125. V. Heeft daar nooit iets bijzonders uwe aandacht getrokken, namelijk de plaatsing van de jongens? Zitten daar niet jongens tusschen de riemen? A.
Het gebeurt wel dat de jongens aan de tegenovergestelde zijde van de bank zitten. 126. V. Vindt gij dit niet gevaarlijk? A. Ja. De jongens kunnen niet anders op hunne plaats komen zonder onder de bank of tusschen de riemen door te gaan, wat zeer gevaarlijk is. 127. V. Is dit op de fabriek van Roos ook? A. Dat geloof ik niet. 128. V. Herinnert ge u of het ook op nog andere fabrieken plaats heeft? A. Dat zou wel mogelijk zijn, ik geloof dat het ook op de fabriek van Berkey geschiedt. 129. V. Geschiedt het ook op de nieuwe fabrieken? A. Dat durf ik niet met zekerheid zeggen. 130. V. Er wordt zooveel kwaad gesproken van de zakkenplakkerijen en van de koffielezerijen. A. Daarvan is mij geen bijzonder kwaad bekend. Van laatstgenoemde zijn er zelfs eenige die bijzonder goed ingericht zijn, zooals die van Jonker en van Reinhardt. 131. V. Dat brengt het vak mede? A. Natuurlijk! 132. V. Kunt gij ons ook omtrent andere fabrieken inlichtingen geven, of is uw indruk over het algemeen niet ongunstig? A. Over het algemeen is mijn indruk niet ongunstig.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
133. V. Ge zijt 29 jaar in Amsterdam geweest, maar nooit buitenaf. Vergelijkingen kunt ge dus niet maken? A. Neen! Mijn indruk is, dat de fabrieken in Amsterdam over het algemeen tamelijk goed zijn ingericht. Natuurlijk verschilt de eene wel eens wat met de andere. 134. V. Wat toch niet belet dat er wel eens geklaagd wordt? A. Dat zal altijd wel zoo blijven. Er zijn altijd klaaglustige personen. Dezer dagen ben ik bij voorbeeld in de diamantslijperij van den heer Sjouwerman aan de Nieuwe Vaart geweest. Een der slijpers die wel begreep, dat ik met een doel eens kwam kijken, zeide mij, dat hij de fabriek zoo hoogst gevaarlijk vond bij het uitbreken van brand, omdat er slechts ééne trap, nog wel van hout, was die naar beneden voerde en waarlangs al het volk zich moest redden. Maar er wordt daarentegen in die fabriek bijna geen vuur gebezigd, alleen de lichtjes die de slijpers bij hun werk noodig hebben. Het machinegebouw is geheel van steen opgetrokken en staat op zich zelf. Eigenlijk is dus met de kachel hier het gevaar voor brand in deze zaal even groot. 135. V. Omtrent sigarenfabrieken kunt gij niets zeggen? A. Ik kom daar alleen bij de oprichting. Die fabrieken zijn in den regel
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
16 torenhoog, en leveren, mijns inziens, veel meer gevaar op bij brand dan diamantslijperijen. De sigarenfabriek van den heer Justus Van Maurik op het Damrak bij voorbeeld is, geloof ik, zes verdiepingen hoog, terwijl er ongeveer 150 personen werken. Het gevaar voor brand is daar veel grooter. 136. V. Door de droogkamer en de hoogte? A. De hoogte is echter het eenige gevaar. Maar dan kan men toch nog altijd in weinig tijd op straat komen. Daarbij moet men wel in aanmerking nemen, dat de werklieden wakker behooren te zijn. Er zou dan ook heel wat vreeselijks moeten gebeuren, wanneer er iemand in de vlammen omkwam. In het geheel is dit tweemaal gebeurd, zoolang ik mijn tegenwoordigen werkkring vervul, namelijk bij de suikerfabriek en bij de veerenfabriek. Bij dien laatsten brand is trouwens gebleken, dat van de 40 meisjes die op den zolder werkzaam waren, er 38 gemakkelijk langs de trap naar beneden zijn gekomen. Waarom zijn dan juist die twee verbrand? Waarschijnlijk zijn zij, in stede van naar beneden te loopen, angstig en zenuwachtig geworden en zijn toen voor de ramen: ‘Moeder! moeder!’ gaan roepen. Dat is de eenvoudigste verklaring 137. V. Dat wordt ook in het rapport gezegd. A. Er is naar aanleiding van dien brand bij burgemeester en wethouders een voorstel ingekomen van den commandant van de brandweer om de politieverordening te verscherpen.
Ik ben toen in de vergadering tegenwoordig geweest, omdat ik mij met het voorstel van den commandant om vluchtluiken op den zolder te laten maken, waardoor de meisjes langs het dak naar buiten zouden kunnen komen, niet kon vereenigen. Ik vertel dit eenvoudig om een denkbeeld te geven, hoe verkeerd men eene zaak soms kan voorstellen, en ik behoef er dan ook verder niets van te zeggen, dan dat ik mij niet kan begrijpen, hoe de commandant voor een zoodanig gelegen fabriek zulk een voorstel heeft kunnen doen. De fabriek grenst aan drie zijden aan den openbaren weg en aan de vierde zijde aan een pakhuis dat zeker 4 meters hooger ligt, zoodat voor de meisjes niets anders zou overblijven, dan zich op straat te laten vallen. 138. V. Gij spreekt van de fabriek van den heer Van Maurik. Heeft deze fabriek soms nog andere bezwaren in uw oog, dat zij bij voorbeeld niet ruim of luchtig genoeg aangelegd zou zijn? A. Neen, het is eene kapitale inrichting, goed geventileerd; ik constateer dan ook, dat ik die niet bedenkelijk vind. maar ik heb er op gewezen omdat het gebouw eene enorme hoogte bezit; en al wat hoog is, heeft zijne moeilijkheid. Oude lieden bijv., die op den hoogsten zolder misschien met het een of ander bezig zijn, zouden wellicht niet spoedig genoeg de trappen kunnen afkomen. 139. V. Zijn het houten of ijzeren trappen? A.
Houten; maar aan het idee van houten of ijzeren trappen hecht ik niet zwaar, want de menschen verbranden niet doordien de trap van hout is, maar doordien het trapgat eene geleiding van den rook is. Op den hoek van de Oudebrugsteeg, waar die vrouw met hare kinderen verbrand is, was het een vertrek van de afmetingen zoo ongeveer als hier; in den eenen hoek was eene deur waarmede men op de straat kwam en in den anderen hoek een trap die naar boven voerde, waar de kinderen sliepen. Toen de brand uitbrak, begaf de vrouw zich dadelijk naar boven om de kinderen te halen, maar doordat de trapdeur geopend werd sloeg de rook er in en verstikte de vrouw. Den volgenden dag zijn wij dienzelfden houten trap opgegaan.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
139bis. V. Gelooft gij niet, dat er veel ongelukken komen doordien er te veel sterke drank gebruikt wordt? A. Ik moet dit in het algemeen wel aannemen, doch kan geen bepaald geval aanwijzen. 't Is eene kwade zaak dat de werklieden zich dikwijls overgeven aan den sterken drank; zij weten zich dan zelf niet te redden en begeven zich ten laatste in gevaar waar zij niet noodig hebben. 140. De heer Heldt: Wanneer ik mij niet vergis, wordt niet op alle diamant-
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
17 slijperijen met behulp van gas gesoldeerd, maar geschiedt dit met den ouderwetschen vuurpot. A. Ik geloof dat er weinig diamantslijperijen zijn waar nog houtskolen worden gebruikt. Als regel kan men stellen dat met gas wordt gesoldeerd. 141. De heer Goeman Borgesius: Als ik wel heb, zijn vele fabrieken door u bezocht, maar hebt gij wat de inrichting betreft, weinig slechte aangetroffen. Ik heb ook eenige fabrieken gezien, maar mijn oordeel is niet zoo gunstig. Hebt gij ook de lettergieterij van den heer Tetterode op de Bloemgracht bezocht? A. Ja, maar dat is geruimen tijd geleden. 142. V. Dus gij kunt niet oordeelen over den tegenwoordigen toestand. Maar welke was uw indruk toen gij die inrichting bezocht? A. Dit is een oud gebouw, dat niet tot de beste behoort. Maar het is niet hoog van verdieping, zoodat het gevaar voor de arbeiders bij brand niet groot is. Wanneer er iets gebeurt, zijn de werklieden terstond op straat. 143. V. Het is ons niet uitsluitend te doen om te weten hoe de inrichting der fabrieken zijn met het oog op brandge vaar, maar in welken toestand die in het algemeen verkeeren. A.
In de fabriek van den heer Tetterode zijn de werklieden aan de eene zijde geplaatst voor eene gloeiende machine en aan de andere zijde aan de brandende zon blootgesteld en ademen bovendien nog de stofdeelen van het lood in, zoodat iemand den indruk moet krijgen dat de toestand daar voor de werklieden verschrikkelijk is. 144. V. Dus gij meent dat uit het oogpunt der gezondheid de toestand in vele fabrieken te wenschen overlaat? A. Ja. Als ik in eene suikerraffinaderij kom, dan doe ik mij onwillekeurig de vraag: hoe houden de menschen het jaar in jaar uit in die inrichting uit? Trouwens de gevolgen openbaren zich ook wanneer zekere leeftijd bereikt is; men ziet dan al spoedig lieden met gebogen rug, doorweekt door stoom en suikerdampen. In die fabrieken heeft men in den regel onaangename uitdampingen en die acht ik niet zeer gezond. Denzelfden indruk ontving ik bij het bezoeken van bakkerijen, waar de knechts den ganschen nacht voor een heeten oven bezig zijn met het kloppen van deeg, terwijl zij dan den volgenden morgen die heete verblijven verlaten om met de wagens rond te loopen door de sneeuw. 145. V. Er zijn bedrijven waaraan uit den aard der zaak meer of minder gevaar verbonden is. Maar als men nu eene localiteit binnentreedt bespeurt men weldra dat iets is gedaan om dat gevaar eenigszins te verminderen.
Ik wijs op de lettergieterij te Haarlem, daar is uitstekend voor de ventilatie gezorgd, de lokalen zijn er luchtig en ruim. Maar in andere localiteiten krijgt men den indruk dat in het geheel geen maatregelen zijn genomen om bijv. de werklieden die aan hitte zijn blootgesteld tegen de zon te beschutten. Gij hadt meer het oog op brandgevaar, maar wij bedoelen de geheele omgeving, ook ten aanzien van de veiligheid. Gij hebt omtrent de fabriek Insulinde gezegd dat het wenschelijk ware sommige machinedeelen te omwinden. Hebt gij nu bij het bezoeken dier fabriek u niet afgevraagd waarom het daar niet is geschied? Te Amsterdam heeft het veelal in het belang der werklieden plaats Hebt gij met het oog op die zaak fabrieken bezocht? A. In de laatste dagen hebben wij daaromtrent meer speciaal een onderzoek ingesteld. Zoo zijn wij gekomen in eene diamantslijperij, waar de assen bedekt waren,
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
met hekjes daaromheen. In elke zaal was gelegenheid om het toestel van elken werkman onmiddellijk te doen stilstaan. 146. V. Daaruit maak ik op, dat, wanneer men ernstig wil, er meer kan gedaan worden? A. Er kan meer gedaan worden, ook wat goede ventilatie betreft. Er zijn fabrieken waar geen tocht is geoorloofd, bijv. suikerraffinaderijen. Daar krijgt een werkman soms groote boete als hij niet zorgt dat de luiken dicht zijn. Soms slaat daar een werkman een ruit stuk om toch maar wat versche lucht te krijgen. 147. V. Gij bezoekt waarschijnlijk minder kleine fabrieken. Er zijn in Amsterdam houten loodsen met 3, 4 zolders
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
18 boven elkaâr, zoo bijv. Haarlemmerhouttuinen, no. 92, kastenmakerswerkplaatsen, waar des avonds ook met petroleum gewerkt wordt. Is dit volgens de bouwverordeningen veroorloofd? A. Ja. Het is ook niet gevaarlijk, want al vloog de loods in brand, dan verbrandt de werkman niet, wanneer hij bij de hand is, tenzij hij, door den schrik bevangen, niet weet te handelen. In die meeste inrichtingen is een gang aan weêrszijden van de werkplaats en boven twee à drie werkplaatsen voor kastenmakers en soortgelijke ambachtslieden. 148. V. De trappen zijn daar niet alleen van hout, maar zoo slecht niet waar, dat men er haast geen gebruik van kan maken? A. Ja. 149. De Voorzitter: Is op den Zeedijk no. 32 niet een dergelijke toestand. Zijn daar niet vier verschillende meubelmakerijen in een pand boven elkaar? A. Ja. 150. V. En is daar naast niet eene vleeschkokerij? A. Dat kan wel, maar ik weet niet precies hoe het er uit ziet. 151. De heer Goeman Borgesius: De bouwverordening is in Amsterdam in den laatsten tijd herzien, niet waar, en met zeer strenge bepalingen vermeerderd, ook met het oog op de fabrieken? Is daarin niet eene bepaling opgenomen houdende dat bijzondere zorg moet worden gedragen voor afleiding van rook en damp? A. Dit was van te voren reeds bij de wet van 1875 bepaald. Juist door dat dit in die wet bepaald is zijn die bepalingen uit de verordening vervallen. 152.
De heer Beelaerts van Blokland: Getuige heeft in den aanvang medegedeeld dat men verder zou kunnen gaan met de bedekking van de deelen van machines, ware het niet dat daardoor het brandgevaar zou worden vermeerderd en wel door de kokers waarmede men de werktuigen bedekte. Bij welke gelegenheid is gebleken dat de brandweer daartegen bezwaar maakt? A. Ik heb niet gezegd dat de brandweer bezwaren maakte, maar als ik met brandweermannen sprak, werd mij opgemerkt dat zij er tegen waren, omdat die kokers geleiders waren en de andere deelen aanstaken. Daarom is ook bedekking van machine-drijfriemen en assen niet altijd wenschelijk. 153. V. Er is dus niet op aangedrongen om van meerdere bedekking van machinedeelen af te zien? A. Ik zou er ook niet voor zijn. Den vijand te zien, maakt sterk tegenover den vijand. Een voorbeeld. Ik ben geweest in de fabriek van Becht en Dyserink. Ik sprak daarover met den heer Becht en zeide hem: het ziet er over het algemeen nogal goed uit. Slechts wat één jachtwiel betreft, vind ik dat de passage wat nauw is. Om van de eene in de andere zaal te komen moest men op een afstand van 70 à 80 centimeter langs dat jachtwiel heenloopen. Do heer Becht was het geheel met mij eens dat dit gemakkelijk aanleiding tot ongelukken kon geven, en liet er daarom eene kap overheen maken. Een klein puntje van de as moest er uitsteken, opdat het wiel vrij konde draaien.
Een jongen, die het waarschijnlijk niet begreep, kwam er langs, raakte uit de aardigheid met den vinger aan het glimmende puntje, en de vinger was afgerukt. De heer Becht heeft daarna de kap laten wegnemen. 154. De Voorzitter: Had hij ook dat uitstekende puntje niet kunnen bedekken? A. Neen, dan zou de passage al te nauw geworden zijn.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
155. De heer Beelaerts van Blokland. Gij acht dus meerdere bedekking van de machine-deelen niet wenschelijk? A. In het algemeen acht ik het niet wenschelijk. Uitzonderingen kunnen altijd voorkomen. Men weet dat een fabrikant nooit is uitgestudeerd; den eenen dag legt hij hier een drijfas links, den anderen dag brengt hij weer een ander werktuig rechts. Werd dus de geheele machinerie bedekt, dan zou dit voor veranderingen van dezen aard tot allerlei moeilijkheden aanleiding geven. 156. De heer Goeman Borgesius: Waar, volgens uwe meening, bij de nauwe passage niet alles kon overdekt worden, begrijp ik dat eene gedeeltelijke overdekking ook niet wenschelijk is. Maar daar, waar men bijv. door het plaatsen van een hek, alle gevaar kan
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
19 voorkomen, begrijp ik niet waarom men er tegen kan zijn. Voor de onvoorzichtigen moet men ook zorgen, terwijl menschen, die 12 tot 14 uren op de fabriek arbeiden, ook vermoeid zijn. A. Op fabrieken, waar zoovele beweegbare deelen zijn, is het niet mogelijk die alle te bedekken. Evenmin zal men een smidsvuur maskeeren, of gloeiend ijzer afkoelen uit vrees dat een onhandige jongen zijn handen zal branden. 157. V. Ik was gisteren in de fabriek van verduurzaamde levensmiddelen van Schröder en Co., waar ik een drijfwiel zag, waar iemand precies onder door kon, en waar eene kleine onvoorzichtigheid een groot ongeluk na zich zou kunnen slepen. De patroon verzekerde mij echter, dat de man er niet onder door behoeft te gaan, maar het toch deed omdat hem dat nader was. Door hem dit onderdoorgaan onmogelijk te maken zou men dus misschien ongelukken kunnen voorkomen? A. O ja, maar waarom begeeft iemand zich op gevaarlijke wegen, zonder noodzaak? Zoo kan iemand die de trap links laat liggen en aan het touw naar beneden glijdt wel doodvallen. Maar tegen zulke dingen is niets te doen. Men kan een riem wel maskeeren, maar die moet toch weder gesmeerd worden en men vergete niet dat de werkman zich langs al die gevaren leert bewegen als iemand die over de straat gaat. 158 De Voorzitter: Zijt gij wel eens geweest in de Koninklijke Fabriek van stoomen andere werktuigen? A.
Ja, maar dat is lang geleden. 159. V. De toestanden daar staan u dus niet zoo helder meer voor den geest om daaromtrent vragen te beantwoorden? A. Neen. 160. De Voorzitter: Dan dank ik u voor de gegeven inlichtingen. B. HAMERS.
Verhoor van den heer J.P. De Herder. (Verkort). 161. V. Welke zijn uw naam, voornaam, beroep en woonplaats? A. Johannes Pieter De Herder, sectiebrandmeester, Nieuwe Markt, te Amsterdam. 162. V. Zijt gij reeds lang in betrekking bij de gemeente Amsterdam? A. Sedert de oprichting van de brandweer, dus 13 jaar. 163. V. Wat zijn uwe werkzaamheden? A. Amsterdam is ten opzichte van ons korps verdeeld in drie sectiën. Aan het hoofd van iedere sectie staat een sectiebrandmeester, met een zeker getal brandmeesters onder zich. Wij zijn belast met de blussching en met den huishoudelijken dienst in de kazerne. 164. V. Zijt gij ook belast met preventief onderzoek? A. Iedere week wordt er eene schouw gehouden. De petroleum-bewaarplaatsen en de water- en vuurneringen worden door de brandmeesters bezocht, terwijl de grootere fabrieken, zooals de suikerraffinaderijen, door de sectie-brandmeesters worden bezocht. Iedere week wordt er een procesverbaal ingezonden. 165. V. ledere week wordt er dus een bepaald getal fabrieken geïnspecteerd?
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
A. Dat gaat beurtsgewijze. 166. V. Hoeveel fabrieken bezoekt gij dus? A. Om de veertien dagen één. 167. V. In hoeveel tijd is het onderzoek afgeloopen. A. In een jaar is eene sectie afgeloopen. 168. V. Krijgt iedere fabriek per jaar dus een beurt? A. Ja. 169. V. Gij zijt dus bekend met alle fabrieken in uwe sectie? A. Ik ben sedert een jaar sectiebrandmeester, vroeger, voor mijne promotie, had ik eene andere sectie. Maar over het algemeen ben ik wel bekend met de fabrieken. 170. V. In de oude sectie waar gij vandaan zijt, zijt gij dus op de hoogte van het minder gevaarlijke, en in de sectie waar gij nu zijt, komt gij zoo langzamerhand op de hoogte van het meer gevaarlijke? A. Ja, Mijnheer. 171. V. Hoe zijn uwe ondervindingen geweest in de oude sectie, waarvan gij nog het best op de hoogte zijt en waar
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
20 uwe werkzaamheden zich bepaalden tot de minder gevaarlijke zaken? Hebt gij daar fabrieken gevonden, die met het oog op brandgevaar bijzonder onveilig waren? A. Zoodra er aanmerkingen zijn met het oog op brandgevaar, dan worden deze opgegeven. Binnen 8 dagen komen wij herschouw houden om te zien of aan de aanmerking voldaan is. In den regel is men daarin goedwillig. 172. V. Het spreekt vanzelf dat gij mij op de vraag die ik nu zal doen, niet anders dan een algemeen antwoord zult kunnen geven. Welke soort van aanmerkingen maakt gij gewoonlijk met het oog op brandgevaar? A. Vooreerst op de rookgeleidingen. 173. V. Met het oog op het vuil? A. Neen, het bouwen der rookgeleidingen. Waar ijzeren afvoerkokers door houten vloeren gaan zonder behoorlijk voorzien te zijn van ijzeren kragen, maken wij aanmerking. Voor de veiligheid der werklieden heeft men wel houten kokers gemaakt om de drijfriemen, maar als de fabriek brandt, zijn dat ware tochtkokers. Mijne ondervinding heeft mij geleerd dat als de fabriek gedeeltelijk was uitgebrand, men zien kon dat bij de houten kokers de brand het meest om zich heen had gegrepen. 174. V.
Dus wanneer ik u goed begrepen heb, bestaat er, met allen goeden wil van weerskanten, zonder eenige vijandschap, een soort van tegenstrijdigheid van inzichten tusschen hen, die meer het een en ander zouden verlangen met het oog op de veiligheid van het lichaam van de werklieden en met dat op de eischen, waaraan bijv. u meent dat voldaan moet worden ter voorkoming van eene snelle verspreiding bij brand? A. Er bestaat hier ongetwijfeld strijd tusschen beide partijen. 175. V. Wordt er op dit oogenblik in de fabrieken nogal iets gedaan om de machinedeelen en dergelijke te beveiligen? Welke zijn hieromtrent uwe indrukken? A. De eene eigenaar van eene fabriek meent dat men den vijand moet kunnen zien en niet de machines maskeeren moet, terwijl eene ander van een tegenovergestelde meening is en ter voorkoming van gevaar de machines bekleedt, bijv. in diamantslijperijen. Er bestaat daarin echter veel verschil van opinie. 176. V. U spreekt van diamantslijperijen; er zijn intusschen van die fabrieken, die er wat op weten te vinden door het plaatsen van hekken; dan is de werkman beveiligd en kan men altijd zien wat er omgaat. A. Ik heb die hekken wel gezien, maar ieder slijper heeft, zooals u weet, een jongen bij zich, die toch doorgaat over de riemen te stappen. 177. V. Waarom? Uit jongensachtigheid, uit onvoorzichtigheid? A. Ja. 178. V.
U komt in fabrieken in de eerste plaats natuurlijk met het oog op brandgevaar Maar tevens ziet u ook wel wat er zoo omgaat. Het doel der enquête is u bekend. Zijn er wel eens dingen geweest die u getroffen hebben, waaromtrent gij hier mededeelingen kunt doen? Zijn er hier of daar ook lokalen die naar, bedompt, benauwd zijn, waar veel werkvolk ingepakt is, waar zware vuren en veel tocht voorkomen, waar buitengewoon hard gewerkt moet worden? A. Ja. Verleden week ben ik geweest in de borstelfabriek van den heer Zevenboom op den Kloveniersburgwal. En daar kwam het mij wel wat hokkerig voor. Maar op mijne opmerking daarover, antwoordde de chef mij, dat er personen waren, die reeds 30 jaar bij de firma gewerkt hadden, en die geheel op de hoogte zijn van de uitgangen,
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
welke mij toen ook gewezen zijn. Toen moest ik ook weer gaan zeggen, dat het niet zoo heel erg was. Ook is de stoof waar de borstels gekookt worden geheel afgescheiden van het atelier zelf. Ook vind ik het een zeer goede veiligheidsmaatregel dat de machinekamer geheel afgescheiden ligt van de fabriek zelf en de riemen over eene binnenplaats daarheen loopen. 179. V. Welke fabriek is u voorgekomen te Amsterdam de slechtste te zijn, niet alleen uit een oogpunt van brandgevaar maar ook wat de gezondheid betreft? Waar is wel eens de gedachte bij u opgekomen dat de arbeiders er ziekelijk moeten worden, dat zij het er moeilijk kunnen uithouden; in één woord,
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
21 dat het er geen leven voor een mensch is. Of zijn u dergelijke toestanden niet bekend? A. Neen, Mijnheer de Voorzitter, wanneer men bijv. voor het eerst in de groote brood- en meelfabriek komt, dan ziet het er vreeselijk uit en krijgt men op het gezicht van al die riemen en machines den indruk alsof het er zeer gevaarlijk is. Wanneer men echter goed nagaat, ziet men dat men het niet bij het rechte eind heeft ..... 199. De heer Ruys van Beerenbroek: Gij hebt gewezen op het brandgevaar door het bekleeden van zekere machinedeelen, en gezegd dat daartoe kokers worden aangewend die de vlam aanwakkeren. Die koker dient dan gewoonlijk om den riem die het vliegwiel in beweging brengt, te bedekken. Daarvoor heeft men dien langen grooten koker noodig. Kent gij nu inrichtingen, waar de geheele riem niet bedekt is, maar alléén het vliegwiel, zoodat men daardoor het gevaar van den grooten koker niet heeft? A. In de groote fabrieken met verscheidene verdiepingen loopt de hoofdriem naar de eerste verdieping, terwijl op de andere ook andere schijven worden aangebracht. Ik herinner mij o.a., dat ik na afloop van een brand op de N.Z. Voorburgwal, mij overtuigd heb, dat juist bij den houten koker de brand werkelijk het meest gewoed had. 200. V. Wanneer men het radwerk en vliegwiel met een koker voorziet, is dus ook het gevaar weggenomen? A.
Neen, maar als de houten koker er niet omzit en het wiel, waarom het vliegwiel doorloopt; dat geeft dan niet dien trek. 201. V. En ook niet dat gevaar? A. Neen. Liften zijn in alle fabrieken noodig; wanneer beneden iets gebeurt, is echter de koker de weg voor het voortplanten naar boven. 202. De Voorzitter: Ik dank u voor de door u gegeven inlichtingen. JOH. P. DE HERDER.
Verhoor van den heer J.B. Daman. (Verkort.) 203 De Voorzitter: Mag ik u verzoeken uw naam, voornamen, qualiteit en woonplaats op te geven? A. Johannes Bernardus Daman, inspecteur van politie, Noordermarkt 17, te Amsterdam. 204. V. Zijt gij reeds lang in uwe dienstbetrekking? A. Acht jaar. 205. V. Zijt gij altijd in dezelfde lijn werkzaam geweest? A. Neen, ik ben eerst zes jaar beëedigd klerk ter griffie in Overijsel geweest, toen twee en half jaar op het parket van den procureur-generaal te 's Gravenhage, en daarna inspecteur van politie te Amsterdam. 206. V. Zijn uwe werkzaamheden van dien aard, dat gij in aanraking gebracht wordt met fabrieken en werkplaatsen? A. Neen..... 208. V. In de laatste weken hebt gij u echter veel met deze zaak beziggehouden? A. Ja, ingevolge eene opdracht van den burgemeester heb ik een onderzoek ingesteld naar den toestand van werkplaatsen, van vrouwen- en kinderarbeid enz. 209 V. Aan hoeveel inspecteurs van politie heeft de burgemeester dat onderzoek opgedragen?
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
A. Aan zeven. 210. V. Toen zijn alzoo alle fabrieken in zeven rubrieken verdeeld, en heeft ieder van u een zeker aantal verkregen, dat in zijne rubriek viel? A. Ja ..... 212. V. Hebt gij onder al die fabrieken welke gij in de laatste weken hebt bezocht er ook gevonden die uw bijzondere opmerkzaamheid getrokken hebben, met het oog op brandgevaar niet alleen, maar ook gevaren van anderen aard of schadelijke werking voor de gezondheid en het welzijn der werklieden in het algemeen? Wat was uw indruk in algemeenen zin? A. Deze, dat in de groote werkplaatsen en fabrieken de toestand gunstiger is dan in de kleine. Vooral de laatste opgaven die wij verkregen hebben bewijzen dat de toestanden in de kleinere inrichtingen al zeer veel te wenschen overlaten. Zoo is er in de Jonkerstraat no. 57 eene smederij van den heer Kraan, die gevestigd is in een kelder, waar
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
22 iemand nauwelijks rechtop kan staan en die veel te lijden heeft van water, wat zeer nadeelig is voor de gezondheid. 213. V. Die man werkt voor zich zelf? A. Ja; af en toe, als de werkzaamheden het medebrengen, neemt hij een jongen of een knecht. 214. Hebt gij er wel eens een knecht of jongen gevonden? A. Neen, altijd den man alleen. 215 V. Die man werkt dus zoo uit verkiezing en niet op bevel van een meester? A. Ja. 216. V. Hebt gij ook slechte toestanden ontmoet bij de werklieden, die voor loon werken onder bevel van meesters? A. Neen, die zijn haast niet te noemen. 217. V. Waar was de toestand het ongunstigst? A. Op de koffieverlezerijen. Alleen bij Jonker en Degens zitten de werklieden gelijkvloers; overal elders echter op den zolder, ten einde goed daglicht te hebben, wat zeer noodig is bij dit werk. Het werk geschiedt meestal door jonge meisjes en vrouwen, die 10, 11, soms nog meer uren werken. Zij zitten aan lange tafels en mogen de fabriek niet verlaten om te gaan eten; koffie en brood wordt haar gebracht, evenals het middageten, maar dat gebeurt bij lange na niet bij allen. 218. V. Zij worden betaald naar de hoeveelheid, die zij afleveren, niet waar? A. Ja, naar de ponden, die zij afleveren. 219. V. Wanneer de vrouwen dat willen, kunnen zij dus een kwartier, of een half uurtje nemen om te eten of een luchtje te scheppen? A.
Zij mogen niet van de fabriek af, maar zij kunnen eenigen vrijen tijd nemen. Dat wil zeggen onder het koffiedrinken. 220. V. Maar gaan zij niet naar buiten? A. Neen. 221. V. Op die fabriek is de regel dat op zeker uur de deur opengaat, en een half uur of drie kwartier openblijft op zijn hoogst, en dat wie er dan niet is op dien dag er niet in komt? A. Dat weet ik niet zeker. 222. V. Er zijn althans fabrieken waar het zoo is? A. Ja, men komt op zeker uur en blijft tot den afloop. Op zekere fabrieken heeft men den regel, dat gehuwde vrouwen aan het overwerk geen deel nemen. 221. V. Hebt gij bij de koffieverlezerijen - als gij hierop geen antwoord kunt geven, zal niemand u dit kwalijk nemen, want gij kunt niet alles weten - u soms ook op de hoogte gesteld van de eigenaardige gewoonte, die men daar heeft om opzettelijk Zondagmorgen wel te willen werken en 's Maandags niet? A. Dat is mij medegedeeld door de firma Jonker. Die beweert dat op Maandag namiddag de vrouwtjes niet op de fabriek zijn te houden, dan is er openbare markt op de Noordermarkt. Ik woon in de buurt van die markt en kan daar dus een oordeel over uitspreken; Maandags is die Noordermarkt vol vrouwtjes. 224. Dat is Zaterdags ook, niet waar? A. Maandags. 225. V. Ja maar 's Zaterdags ook?