Raadsbesluit2021-65E bijl5 Woonboten Oostenburgervaart Bijlagen bij
Tekst van het document
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Luchtkwaliteitsaspecten zijn verankerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) en betreffen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De wet voorziet onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate". Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en Besluit NIBM Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland nog niet overal voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn.
De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)
blz. 25
evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Voorts bestaat in het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit de mogelijkheid van projectsaldering. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. Projectsaldering is aan de orde wanneer de gevolgen van een project de 3% grens, voor 'niet in betekenende mate' overschrijden. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 ìg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen Gevoelige bestemmingen zoals scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het "Besluit gevoelige bestemmingen" extra bescherming.
Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden. Beleidskader - Amsterdam Actieplan luchtkwaliteit In het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam zijn diverse maatregelen opgenomen om de kwaliteit van de lucht in zijn geheel te verbeteren. Omdat dit met alleen specifieke maatregelen niet lukt, bevat het plan daarnaast ook generieke maatregelen. Daardoor wordt een algemene verbetering van de luchtkwaliteit in de gehele stad bewerkstelligd. Op grond van het Actieplan Luchtkwaliteit moet in het ruimtelijke ordeningsbeleid meer rekening gehouden worden dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst of dat er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is. Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit In januari 2010 is de 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit' van kracht geworden. Daarin wordt gesteld dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen, geen gevoelige bestemmingen worden gebouwd binnen 300 meter van de rand van een snelweg of in de eerstelijns bebouwing binnen 50 meter van een provinciale weg/drukke stadsweg.
Daarbij gaat het om wegen waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit. De GGD adviseert in deze gevallen over de locatie en mogelijke maatregelen. 4.3.2
Plangebied
Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkeling van nieuwe gevoelige functies en objecten mogelijk. Het plan brengt de maatvoering in overeenstemming met de Botenrichtlijnen 2014. Conclusie De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
Gemeente Amsterdam
blz. 26
4.4
Geluidhinder
4.4.1
Kader
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder (Wgh). Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), doordat een goede ruimtelijke ordening vereist dat een goed woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd ter plaatse van bijv. gevoelige functies. Indien een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies of nieuwe infrastructuur mogelijk maakt dient akoestisch onderzoek verricht te worden. Bestaande wegen, die niet zijn aangewezen als woonerf of 30 km-zone, hebben een wettelijke onderzoekszone. Indien binnen deze zone nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient met een akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat er voldaan wordt aan de hoogst toelaatbare waarde van de Wgh. Indien uit onderzoek blijkt dat de hoogst toelaatbare waarde van 48 dB op de gevel wordt overschreden, zal er een hogere waarde vastgesteld moeten worden. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd te worden. Daarnaast dient onderzocht te worden of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 4.4.2
plangebied
Het voorliggend bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidsgevoelige objecten (woningen of woonboten) mogelijk. Er wordt immers uitsluitend een planologische omissie omtrent de bouwhoogte en breedte van woonboten hersteld. De bestaande wegen rondom het plangebied is een 30 km-zone. Zodoende is het niet noodzakelijk een akoestisch onderzoek in het kader van de Wgh uit te voeren. Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is geluidshinder, bij de bouw of plaatsing van een nieuwe woonboot, geborgd in het Bouwbesluit. Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ligplaatsen mogelijk gemaakt. Geluidhinder vormt dan ook geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Kader
Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens (zie 3.1.4 Luchthavenindelingbesluit Schiphol) en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven.
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)
blz. 27
Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan in de buurt van een risicobron. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels restaurants. 4.5.2
Plangebied
In het kader van het bestemmingsplan Stadswerf Oostenburg is onderzoek gedaan naar de externe veiligheid. Hieruit blijkt dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over spoor de enige relevante risicobron is voor het plangebied. De conclusie van het onderzoek is dat zowel het groepsrisico als het plaatsgebonden risico in dit verband binnen de normen blijft. Het spoortrajact wordt tevens niet aangemerkt als plasbrandaandachtsgebied. Het vigerende bestemmingsplan Stadswerf Oostenburg bevat een regeling ten aanzien van een vrijstaand gasdrukmeet- en regelstation. Op het station zijn de regels uit de Wet milieubeheer en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) van toepassing. Voor het station gelden de volgende veiligheidsafstanden: binnen 10 meter geen kwetsbare objecten en binnen 4 meter geen beperkt kwetsbare objecten. De inrichting ligt weliswaar niet binnen het plangebied van dit plan, de veiligheidszone rondom de inrichting ligt wel binnen het plangebied. Aan de betreffende gronden rond het station wordt, net als in het momenteel geldende bestemmingsplan, de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - bevi' toegekend. Binnen deze zone zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten toegestaan. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.6
Bodemkwaliteit
4.6.1
Kader
Het doel van de Wet Bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. Ook als er sprake is van een functieverandering, dient in een aantal gevallen aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Voor het bestemmingsplan heeft dit voornamelijk betekenis voor zover nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden.
Gemeente Amsterdam
blz. 28
4.6.2
Plangebied
Conclusie Met het bestemmingsplan worden geen bodemwerkzaamheden uitgevoerd, noch wordt er een functiewijziging mogelijk gemaakt waarbij de bodemkwaliteit een rol speelt. De bodemkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor het bestemmingsplan.
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)
blz. 29
Hoofdstuk 5 5.1
Water
5.1.1
Beleid
Omgevingsaspecten
Binnen de gemeente Amsterdam is het algemene beleid voor de waterhuishouding, waaronder naast het grondwater ook de verwerking van schoon- en vuilwater wordt begrepen, beschreven in het Waterplan Amsterdam. Het beheer van het water in de Amsterdamse binnenstad is in handen van Waternet, namens het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Het plangebied maakt deel uit van de Keur AGV 2019. Zonder ontheffing op de keur zijn werkzaamheden aan/op of in waterstaatkundige werken, watergangen en keringen verboden. De keur AGV is van toepassing op alle wateren, keringen en waterstaatkundige werken. Waternet, waarin de Dienst Waterbeheer en Riolering en het Waterleidingbedrijf zijn samengegaan, is de uitvoerende dienst voor dit Hoogheemraadschap. Voor de gemeente Amsterdam voert Waternet de grondwaterzorgtaak uit, alsmede de afvalwaterinzameling, de drinkwaterlevering en het nautisch toezicht in de Amsterdamse grachten. 5.1.2
Oppervlaktewater
Het plangebied kent uitsluitend de bestemming water. Bovendien wordt met dit bestemmingsplan geen extra verharding toegevoegd en bestaat in het vigerende bestemmingsplan Stadswerf Oostenburg al de mogelijkheid om een woonboot te realiseren in de daarvoor bestemde aanduidingsvlakken. Deze aanduidingsvlakken, noch het aantal woonboten dat is afgemeerd, worden met het bestemmingsplan gewijzigd. De hoeveelheid oppervlaktewater blijft gelijk en de waterhuishoudkundige aspecten zullen dan ook niet veranderen. 5.1.3
Grondwater
Het plangebied maakt geen ontwikkelingen mogelijk die van invloed zijn op het grondwater. Het wijzigen van de maatvoering omtrent woonboten en het planologisch opnemen van een bestaande woonboot hebben geen effect op hde grondwaterstand. Het grondwater vormt dan ook geen belemmering voor het bestemmingsplan. 5.1.4
Plangebied
Conclusie Met het bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, maar uitsluitend een planologische omissie omtrent de maatvoering van woonboten hersteld. Tevens wordt een eerder vergunde woonboot planologisch opgenomen in de verbeelding van het bestemmingsplan. In het zuidoostelijke rak liggen momenteel 3 woonboten. Met dit bestemmingsplan wordt het aantal daadwerkelijk aanwezige woonboten aangeduid met de aanduiding 'aantal' hier dan ook gewijzigd van 4 naar 3. Water vormt geen belemmering voor het het bestemmingsplan.
5.2
Archeologie en cultuurhistorie
5.2.1
Beleid
Wet op de archeologische monumentenzorg
Gemeente Amsterdam
blz. 30
In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'. De wet schrijft voor dat in elk bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Erfgoedwet De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden en erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet, d.d. 9 december 2015, in werking getreden op 1 juli 2016. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. De wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988 en de Wet to behoud van cultuurbezit. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt.
Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waardoor deze delen van de Monumentenwet 1988 ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Artikel.16 van de Erfgoedwet stelt dat de gemeenteraad een erfgoedverordening kan vaststellen (lid 1). Deze betreft het beheer en behoud van cultureel erfgoed dan van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis (lid 3). Burgemeester en wethouders zijn verplicht een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij te houden. De Provincie Noord-Holland en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hebben voor wat betreft het aspect archeologie, formeel een adviserende en toetsende rol op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Volgens de Erfgoedwet moeten (toevals)vondsten worden gemeld bij de minister. Deze verwittigt het Rijk. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld, zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.
Besluit ruimtelijke ordening Op grond van artikel 3.1.6 lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (d.d. 17 juni 2011, stbl 5 juli 2011, nr 339) dient per 1 januari 2012 in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In de toelichting staat dat dit betekent dat de gemeente een analyse moet verrichten van de cultuurhistorische waarden en aanwezige of naar verwachting aanwezige monumenten, en aangeven op welke wijze rekening is gehouden met deze waarden van de in het plan begrepen gronden. Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (PRV) In de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (PRV) zijn in de artikelen 20-22 regels opgenomen ten aanzien van enkele UNESCO werelderfgoederen, waaronder De Stelling van Amsterdam. Het gebiedVuurtoreneiland bij de IJdoornpolder in bij Durgerdam maakt deel uit van deze Stelling. Dit vloeit voort uit de verplichting in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), artikel 2.13.4, ten aanzien van enkele Unesco Werelderfgoederen. De PRV bepaalt dat in het bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)
blz. 31
bestemmingsplan regels dienen te worden opgenomen ten behoeve van het behoud of versterking van de kernkwaliteiten van deze erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. De Verordening geeft daarnaast regels voor mogelijke ontwikkelingen aan in deze gebieden. De PRV geldt niet ten aanzien van het UNESCO-werelderfgoed De Grachtengordel van Amsterdam. De bescherming van de Amsterdamse Grachtengordel is namelijk al geregeld op basis van de Erfgoedwet en de Monumentenwet. Erfgoedverordening Amsterdam Op 16 december 2015 is de Erfgoedverordening Amsterdam vastgesteld. Deze stedelijke verordening geldt voor heel Amsterdam en beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam. Monumenten en Archeologie is in de Erfgoedverordening aangewezen als het stedelijk kennis- en expertisecentrum dat gemeentelijke diensten en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Amsterdam adviseert over de waarde van en de omgang met de onder- en bovengrondse cultuurhistorische waarden. De Erfgoedverordening regelt voorts de aanwijzing van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten en die van gemeentelijke monumenten.
In de artikelen 22 en 23 van de Verordening staat aangegeven welke beschrijvingen in de Toelichting van een bestemmingsplan dienen te worden opgenomen ten aanzien van bovengrondse cultuurhistorische waarden en ten aanzien van archeologische waarden. Daarnaast is opgenomen aan welke eisen het cultuurhistorisch- en archeologisch onderzoek dient te voldoen. Archeologie beleid Amsterdam Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing. De wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek.
Dit bureauonderzoek wordt in Amsterdam uitgevoerd door Monumenten & Archeologie en behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen. Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een
Gemeente Amsterdam
blz. 32
omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij recente verstoringen van de bodem (beleidsvariant 11). Bij bijvoorbeeld beleidsvariant 2 geldt dat slechts geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of ondieper dan 0,50 meter onder het maaiveld (Appendix: Beleidsvarianten en stroomschema, M&A).In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor. Cultuurhistorie beleid Amsterdam Bij het maken van bestemmingsplannen dient een beschrijving te worden opgenomen “van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten) rekening is gehouden” (artikel 3.1.6 lid 5 Besluit ruimtelijke ordening).
Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden. Bij cultuurhistorische waarden (bovengronds) gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of -gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken. Het is van belang dat cultuurhistorische waarden worden betrokken in de planvorming en worden meegewogen in de besluitvorming over de inrichting van een gebied. 5.2.2
Plangebied
Het plangebied van het bestemmingsplan Woonboten Oostenburgervaart bestaat uitsluitend uit de bestaande woonbootrakken in de Oostenburgervaart. Er zijn daarom geen gebouwen aanwezig met een cultuurhistorische waarde. Daarnaast worden met het bestemmingsplan Woonboten Oostenburgervaart geen bouwmogelijkheden toegevoegd, noch worden bodemwerkzaamheden uitgevoerd. Het is daarom niet noodzakelijk archeologisch onderzoek uit te voeren ten behoeve van dit plan. Om te zorgen dat archeologische waarden in het gebied zijn geborgd is in het bestemmingsplan de regeling uit het moederplan Stadswerf Oostenburg opgenomen ten aanzien van de archeologische bescherming. Ter plaatse van het plangebied geldt de regeling 'Waarde - Archeologie D'. Met deze regeling worden eisen gesteld ten aanzien van de bescherming van archeologische waarden, mits de werkzaamheden meer dan 500 m² oppervlakte en dieper dan de baggerdiepte bedragen. Conclusie Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)
blz. 33
5.3
Natuurbescherming
5.3.1
Kader
Wet natuurbescherming Voor de bescherming van diersoorten is per 1 januari 2017 de Wet Natuurbescherming in werking getreden. In deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 98, Flora en faunawet en Boswet geïntegreerd tot één wet. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten zal rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten en diersoorten. Indien uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid c.q. activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing c.q. vergunning. Naast wettelijke regelgeving zijn er een aantal beleidskaders (die ten doel hebben de biodiversiteit te behouden en bijzondere soorten te beschermen. Het gaat bijvoorbeeld om landelijk- en provinciaals beleid zoals de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en de vertaalslag daarvan op Amsterdams niveau. In de Structuurvisie Amsterdam 2040 (2011) zijn de Ecologische structuur en Hoofdgroenstructuur voor Amsterdam vastgesteld. Het plangebied ligt volledig buiten de hoofdgroenstructuur. 5.3.2
Plangebied
Het plangebied is niet gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur van Amsterdam. Daarnaast wordt met het bestemmingsplan geen nieuwe bouwwerken of activiteiten mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan voorziet uitsluitend in een planologische wijziging van de maatvoering van woonboten. Om deze reden is het niet nodig een natuurtoets uit te voeren. Ten noorden van Amsterdam liggen voor stikstof gevoelige natuurgebieden. Het bestemmingsplan maakt echter geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, waardoor de toename van stikstofdepositie kan worden uitgesloten. Conclusie Natuur en de bescherming daarvan vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Gemeente Amsterdam
blz. 34
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)
blz. 35
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische toelichting
Algemeen
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.
Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.
6.2
De bestemmingen
Artikel 3 Water De Bestemming Water is de enige enkelbestemming toegekend aan de gronden behorende bij het plangebied. Het plangebied bestaat dan ook uitsluitend uit de woonbootrakken in de Oostenburgervaart. Deze gronden zijn o.a. bestemd voor waterstaatkundige doeleinden en waterwegen. Binnen de bestemming is het mogelijk een drijvend bouwwerk op te richten ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaatsen'. Daarnaast is het mogelijk om bouwwerken, geen gebouwen zijnde op te richten in de vorm van plankieren en toegangsvoorzieningen ten behoeve van woonboten. Artikel 4 Waarde - Archeologie D Het gehele plangebied kent de dubbelbestemming Waarde - Archeologie D. Met de dubbelbestemming
Gemeente Amsterdam
blz. 36
worden ter bescherming van mogelijke archeologische waarden restricties opgelegd aan de hoofdbestemming. Een omgevingsvergunning voor het bouwen, dan wel het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is vereist indien de grenswaarde ten aanzien van oppervlakte en/of diepte wordt overschreden. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen indien blijkt dat archeologische waarden aanwezig zijn. Artikel 5 Waarde - Landschap Ter plaatse van deze dubbelbestemming is het wenselijk dat waardevolle doorzichten op en van het water in stand worden gehouden. De regeling in artikel 5 waarborgd de bescherming of het herstel van deze doorzichten. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Deze standaardbepaling is bedoeld om te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie mogelijk is gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruik gemaakt. Artikel 7 Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de algemene gebruiksverboden, waaronder in ieder geval het gebruik van bebouwing of gronden ten behoeve van opslag van materialen en het gebruik van panden als souvenirwinkel en dergelijke. Artikel 8 Algemene aanduidingsregels Vlak buiten het plangebied is een gasdrukmeet- en regelstation aanwezig.
De veiligheidszone, waarbinnen geen (beperkt) gevoelige objecten mogen worden gebouwd, maakt onderdeel uit van het plangebied. Deze veiligheidszone is door middel van een aanduiding opgenomen in het bestemmingsplan. Artikel 9 Overgangsrecht Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor hoe de overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik in bestemmingsplannen dienen te luiden. Kort samengevat zijn hieronder de belangrijkste punten vermeld. Voor bouwwerken die aanwezig zijn op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan of die nog gebouwd kunnen worden op basis van een bouwvergunning en die afwijken van het bestemmingsplan geldt, dat deze gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd. De overgangsbepalingen voor bouwwerken bevat een calamiteitenregeling en een regeling op grond waarvan het bevoegd gezag eenmalig kan afwijken voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk dat onder de overgangsbepalingen valt met maximaal 10%. De overgangsregels voor het gebruik bepalen dat het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is, mag worden voortgezet. Het met het bestemmingsplan strijdige gebruik mag niet worden veranderd in een ander strijdig gebruik, tenzij daardoor de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het strijdige gebruik langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten. De overgangsbepalingen zijn niet van toepassing op bestaande bouwwerken die zijn gebouwd zonder
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)
blz. 37
vergunning en bestaand gebruik in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Artikel 10 Slotregel Deze regeling bevat de titel onder welke het plan aangehaald kan worden.
Gemeente Amsterdam
blz. 38
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)
blz. 39
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het bestemmingsplan maakt geen bouwplan in de zin van afdeling 6.4 van de Wro mogelijk, waardoor het vaststellen van een exploitatieplan niet is vereist.Extern is een planschaderisicoanalyse opgesteld. De gemeente kan het risico dat uit de analyse naar voren komt dragen. Het plan is economisch uitvoerbaar.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)
blz. 41
Hoofdstuk 8 8.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voortraject
De gemeenteraad heeft op 18 december 2019 het Voorbereidingsbesluit Woonboten Oostenburgervaart vastgesteld. Met dit voorbereidingsbesluit heeft de raad kenbaar gemaakt dat een bestemmingsplan wordt voorbereid en moeten omgevingsvergunningaanvragen worden aangehouden totdat het nieuwe bestemmingsplan Woonboten Oostenburgervaart in werking is getreden, mits binnen een jaar na vaststelling van het voorbereidingsbesluit het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd.
8.2
Inspraak
Ingevolge de Algemene Inspraakverordening van de gemeente Amsterdam hoeft geen inspraak te worden verleend. Het bestemmingsplan zal volgens de wettelijke procedure worden voorbereid. Dit betekent dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd met de mogelijkheid voor een ieder om gedurende zes weken een zienswijze naar voren te brengen. De ingebrachte zienswijzen worden betrokken bij de verdere besluitvorming. Hierna zal het plan ter vaststelling worden aangeboden aan de gemeenteraad.
8.3
Vooroverleg
Het plan is in het kader van het vooroverleg is het ontwerpbestemmingsplan verzonder aan Waternet. Waternet heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het ontwerpbestemmingsplan. Naar het oordeel van burgemeester en wethouders is verder geen sprake van gemeenten, diensten van de provincieen en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Het overleg kan dan ook achterwege blijven.
8.4
Zienwijzen
Van 17 december 2020 heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage. Gedurende deze periode kunnen zienswijzen worden ingediend. Er is 1 zienswijze ingediend. In de bijgevoegde Nota van beantwoording is deze zienswijze samengevat en beantwoord. De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Gemeente Amsterdam