CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit2021-225F 7. Nota van Beantwoording paraplu BP Grondneutrale kelders

RAAD 6 oktober 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het (paraplu) bestemmingsplan Grondwaterneutrale keldersVN2021-0250695.024 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota van beantwoording zienswijzen en wijzigingen (Paraplu) bestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders

Colofon Opgesteld door Datum

Ruimte en duurzaamheid augustus 2021

1

Inhoud Algemeen................................................................................................................................................. 3 Ontvangen zienswijzen............................................................................................................................ 3 Inhoudelijke behandeling zienswijzen ..................................................................................................... 4 1.

Adressant

2.

Adressant LTO Noord, afdeling Waterland ......................................................................... 4

3.

Adressant

.................................................................................. 4 ........................................................................ 8

4. Adressant Ballast Nedam, namens Ontwikkelingsmaatschappij Centrumgebied Amsterdam Zuidoost B.V .............................................................................................................. 8 5.

Adressant

6.

Adressant Liander N.V ........................................................................................................ 11

...................... 10

Gewijzigde vaststelling .......................................................................................................................... 12 Bijlagen .................................................................................................................................................. 15

2

Inhoudelijke behandeling zienswijzen Inleiding De aspecten die naar voren zijn gebracht op het ontwerp (paraplu) bestemmingsplan worden hiernavolgend per zienswijze behandeld.

1. Adressant Het grondwatersysteem dient uit het oogpunt van zorgvuldigheid op wijkniveau te worden bekeken en niet op projectbasis Adressanten stellen dat het vereiste geohydrologisch onderzoek uit het paraplu bestemmingsplan zich slechts richt op een bepaalde locatie (de projectlocatie). Adressanten zijn van mening dat dit onzorgvuldig is en pleiten daarom voor een gebiedsbrede kijk op de eigenschappen en kenmerken van het grondwatersysteem. Ter onderbouwing verwijzen zij naar een door de TU Delft uitgevoerd onderzoek, waarin een uitspraak is gedaan over de problematiek rond het stedelijk grondwatersysteem in relatie tot een bouwlocatie in de straat waar adressanten woonachtig zijn. Reactie: Bij de kenmerken van een grondwatersysteem gaat het per definitie niet alleen om de locatie, maar wordt dit breder beschouwd dan alleen de projectlocatie. Indien een geohydrologisch onderzoek vereist is, moet daarin worden uitgegaan van de (hypothetische) situatie dat 100% van de gebouwen in de hele wijk kelders heeft of krijgt. De eis van grondwaterneutraal bouwen houdt in dat de nieuwe kelder geen effect heeft op de grondwaterstand of -stroming; de grondwaterstroming mag niet verlegd worden naar buiten het eigen perceel waarop de kelder gerealiseerd zal worden. De gevolgen voor de grondwaterstand en stroming mogen dus niet afgewenteld worden op de naastgelegen kavels.

De te treffen maatregelen om grondwaterneutraal te kunnen bouwen zullen moeten worden gericht en uitgevoerd op de kavel waar de kelderontwikkeling plaatsvindt. In het Afwegingskader grondwaterneutrale kelders dat op 20 januari 2021 is vastgesteld door de raad en dat ten grondslag ligt aan dit paraplubestemmingsplan zijn de verschillen in grondwatersituatie tussen de wijken onderzocht. Daarin is 100% onderkeldering gemodelleerd. Uit dat brede onderzoek voor de 481 verschillende wijken in Amsterdam vloeit voort welke maatregelen per wijk noodzakelijk zijn. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding de regeling aan te passen.

2. Adressant LTO Noord, afdeling Waterland Effecten van enkelvoudige en cumulatieve kelderbouw zijn niet aan de orde in het landelijk gebied van Amsterdam Noord Adressant schrijft de zienswijze namens haar leden, zijnde boeren en tuinders in het landelijk gebied van Amsterdam Noord. De adressant stelt dat de effecten van kelderbouw zoals die zijn waar te nemen in grote delen van Amsterdam niet spelen in dit landelijk gebied. Dit komt doordat de boerderijen los staan van andere bebouwing, de open structuur van het landelijk gebied in Amsterdam Noord voor een ononderbroken grondwaterstroom zorgt en mede door goed weidebeheer sprake is van een bufferende werking van de bodem. De adressant ziet niet de noodzaak om op dit specifiek

4

gebied het ontwerpbestemmingsplan van toepassing te verklaren. Er zijn in landelijk Noord de afgelopen decennia stallen gebouwd met mestkelders zonder dat dit heeft geleid tot opbarsten. Adressant heeft vragen over de wijze waarop de gebiedsanalyse tot stand is gekomen en welke grondwatermodellen eraan ten grondslag hebben gelegen. Adressant vraagt onder meer of de gebiedsanalyse en de uitkomsten zijn gedeeld met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Adressant merkt op dat er sprake kan zijn van onevenredigheid tussen de voorgestelde maatregel en de gevolgen voor agrarische ondernemers in Amsterdam-Noord gegeven de lasten en beperkingen (voor agrarische bedrijfsvoering) die de categorisering in het paraplubestemmingsplan met zich meebrengt, terwijl er in het grootste deel van het gebied geen problemen zijn met opbarsting. Adressant verzoekt om dezelfde systematiek voor grote kelders in de niet-rode gebieden ook toe te passen voor die delen van landelijk Noord waar in decennialange praktijk van bouwen geen opbarstrisico is gebleken. Adressant verzoekt gelet op de voornoemde aspecten om het ontwerp (paraplu) bestemmingsplan voor het landelijk gebied in Amsterdam-Noord te herzien.

Alternatieven voor ondergrondse mestkelders (dat is bovengrondse opslag) vergen meer ruimte (die er veelal niet is op het bouwblok) en doorbreken de ruimtelijke openheid die zo kenmerkend is voor het landelijk gebied in Noord. Reactie: In de gebiedsanalyse is deels gebruik gemaakt van modellen, deels van andere bronnen en informatie. Het rapport dat ten grondslag ligt aan het hoofdstuk gebiedsanalyse in het Afwegingskader grondwaterneutrale kelders is grotendeels in het Afwegingskader verwerkt. Gelet op de specifieke vragen van adressant over hoe de gebiedsanalyse is uitgevoerd, wordt de volledige rapportage alsnog op amsterdam.nl openbaar gemaakt worden en aan adressant toegezonden, zodat kennis kan worden genomen van de exacte wijze van uitvoering van de gebiedsanalyse. Uit dat rapport blijkt ook welke bronnen en informatie gebruikt zijn naast de modellen waar gebruik van is gemaakt. In het kader van het vooroverleg ex art. 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft vooroverleg plaatsgevonden met Waternet/Waterschap Amstel Gooi en Vecht (AGV). De vooroverlegreactie van Waternet/AGV is verwerkt in het bestemmingsplan en in de toelichting bij het bestemmingsplan is een verslag opgenomen van het vooroverleg. Er heeft geen vooroverleg plaatsgevonden met Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK).

Wel is een reactie ontvangen van HHNK in het kader van de tervisielegging van het ontwerpparaplubestemmingsplan. In deze reactie geeft HHNK te kennen dat het hen verheugd heeft om kennis te nemen dat de gemeente met het ontwerp­ paraplubestemmingsplan actief invulling geeft aan de grondwaterzorgplicht en deze koppelt aan ruimtelijke adaptatie. Het risico van het opbarstgevaar en de negatieve gevolgen daarvan voor grond- en oppervlaktewaterkwaliteit zijn voor HHNK belangrijke thema's. HHNK heeft verzocht om nader ambtelijk overleg tussen HHNK, Waternet en de gemeente Amsterdam om opgedane inzichten met elkaar te delen. De drooglegging (of al dan niet sprake is van veeweidegebied) in de verschillende gebieden binnen Landelijk Noord kunnen weliswaar verschillen, maar het gaat voor de reikwijdte van het paraplubestemmingsplan om de dikte van de deklaag in combinatie met de bouwdiepte van een

5

kelder. Kortom: het gaat om de specifieke grondwatersituatie en niet het gebruik of de functie van het gebied bovengronds. In landelijk Noord zonder dichte bebouwing spelen niet zozeer de cumulatieve grondwatereffecten, echter wel het opbarsten en/of de deklaag (deze laatste speelt in andere landelijke gebieden zoals Zuidoost). Deze laatste twee effecten (opbarsten en deklaag) zijn ook onderdeel van het paraplubestemmingsplan vanwege de negatieve (ruimtelijke) effecten. Het opbarstrisico speelt reeds bij de aanleg van één kelder, ook in een niet dicht bebouwd gebied als het landelijk gebied. De aanwezigheid van omliggende bebouwing is voor het opbarstrisico niet relevant. In die dicht bebouwde gebieden speelt met name een van de andere drie effecten en dat is grondwaterneutraliteit voor wat betreft de grondwaterstanden en stroming. In het eerder genoemde rapport dat aan adressant gestuurd zal worden, is een kaart met de opbarstrisico’s per buurt en de deklaag opgenomen. Ook de risicohouding waar adressant naar informeert, blijkt uit dit rapport. Daarnaast biedt ook het gepubliceerde rapport Grondwatereffecten van onderkelderingen in Amsterdam uit 2019 met de vier gebiedsmodelleringen een belangrijke basis voor de indeling in gebieden zoals gebeurd is in het Afwegingskader en het paraplubestemmingsplan.

Voor het Afwegingskader zijn 481 buurten in Amsterdam in kaart gebracht voor wat betreft de grondwatersituatie. Landelijk noord is een wijk (Waterland) welke al is opgedeeld in 6 buurten. Het was niet nodig voor het gebiedsspoor om dit nog verder op te delen. Het is wel op detailniveau (soms zelfs straatniveau) uitgezocht voor bijvoorbeeld de standstillgebieden (standstill kD waarde= de waterdoorlatendheid van de bodem), maar in landelijk Noord was dit geohydrologisch niet nodig. In de zone 1 gebieden in het paraplubestemmingsplan is een algeheel verbod opgenomen voor kelderbouw vanwege het opbarstrisico. Dit betekent echter niet dat realisatie van kelders in dit gebied volledig is uitgesloten. Zoals bij ieder bestemmingsplan is een buitenplanse afwijkingsprocedure mogelijk. Dat houdt in dit geval in dat er zal moeten worden aangetoond dat een bouwplan niet in strijd is met het doel van dit bestemmingsplan, namelijk het voorkomen van negatieve effecten van aanleg van de kelder op de stand en de stroom van het grondwater. Dit kan door met behulp van een geohydrologisch rapport aan te tonendat er geen nadelige effecten optreden (dus bijvoorbeeld m.b.t. het opbarsten) en er dus grondwaterneutraal gebouwd zal worden. Voor wat betreft het opbarstrisico zijn in sommige situaties opbarstbeheersmaatregelen mogelijk. Deze dienen in het geohydrologisch rapport beschreven te zijn.

Of er maatregelen nodig zijn en zo ja welke zal erg verschillen afhankelijk van de precieze buurt in (Landelijk) Noord alsook de bouwdiepte van de desbetreffende kelder. Wel kan in zijn algemeenheid genoemd worden dat zodra er meer fysieke ruimte is rondom de kelder het treffen van maatregelen ook eerder in de praktijk mogelijk zal blijken. Dit zal bij veel agrarische percelen waar bijv. mestkelders worden aangevraagd dan ook de verwachting zijn. Om onderzoek te doen naar de gevolgen van ondergrondse bebouwing voor het grondwatersysteem moesten uitgangspunten worden geformuleerd. Het is uiteraard niet mogelijk om de grondwatereffecten van die bebouwing los van omvang en diepte daarvan in kaart te brengen. Besloten is daarom uit te gaan van het type kelder waarvoor de meeste aanvragen om omgevingsvergunning in Amsterdam zijn/worden ingediend: kleine(re) kelders van maximaal 300 m2 en een diepte van 4 meter gemeten van het maaiveld. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek is vervolgens, voor zover mogelijk, in kaart gebracht welke standaardmaatregelen er zijn om die categorie kelders grondwaterneutraal te kunnen bouwen. Daarmee is bereikt dat voor de meest voorkomende kelders in de gemeente (voor zover niet gelegen in de gele en rode gebieden uit het Afwegingskader), niet voor iedere aanvraag om omgevingsvergunning een geohydrologisch onderzoek hoeft plaats te vinden.

Het is voor de gemeente echter niet haalbaar om vooraf voor ieder type kelder in ieder deelgebied op voorhand een zodanig onderzoek uit te voeren en beoordeling te 6

maken. Zowel voor grotere kelders, als voor kelders in de gele en rode gebieden uit het Afwegingskader, geldt dus dat in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning op basis van een geohydrologisch rapport per geval een beoordeling moet worden gemaakt van de bouwmogelijkheden en maatregelen. Hierdoor zal er in de praktijk dus ook een maatwerk afweging en beoordeling per bouwplan gemaakt kunnen worden, waarbij bijv. de bouwdiepte en exacte ligging van de deklaag ter plaatse betrokken kunnen worden. In de praktijk zal dit betekenen dat veel agrariërs nog steeds kunnen uitbreiden met bijv. een mestkelder, maar dat wel uit een geohydrologisch rapport moet blijken of en zo ja welke opbarstrisico’s er zijn en of de kelder dus grondwaterneutraal gerealiseerd kan worden. Uit een bemalingsadvies zal moeten blijken welke maatregelen vereist zijn, bijvoorbeeld spanningsbemaling met retourbemaling. Voor kelders op dichtbebouwde percelen met volledige onderkeldering tot aan de erfgrens bijvoorbeeld is het treffen van die (opbarstbeheers)maatregelen vermoedelijk veel lastiger uitvoerbaar vanwege de beperkte fysieke ruimte om de maatregelen rondom de kelder te treffen. Er is geen sprake van rechtsongelijkheid, doordat de grondwater effecten van een kleine en minder diepe kelder niet vergelijkbaar zijn met de effecten van een grote en diepere kelder.

Bovendien verschillen de grondwatersituaties in de verschillende gebieden in Amsterdam, waardoor evenmin sprake is van een vergelijkbare situatie. Doordat voornoemde omstandigheden verschillen van elkaar is er geen sprake van rechtsongelijkheid. Rechtsgelijkheid vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld en ongelijke verschillend naar de mate van het verschil. Vanwege de grote en onomkeerbare schade die opbarsten met zich meebrengt (verstoring bodemlagen, permanente kwel en welvorming, zout grondwater komt naar boven en belast het ondiepe grondwater- en oppervlaktewatersysteem kwalitatief en kwantitatief) weegt dit belang zwaar bij de keuze van regulering in het paraplubestemmingsplan. Daar staat tegenover dat de verwachting is dat zodra is aangetoond met een geohydrologisch rapport dat er ofwel bij dat concrete bouwplan geen opbarstrisico’s bestaan dan wel er opbarstbeheersmaatregelen getroffen zullen worden, er alsnog medewerking verleend kan worden aan (mest)kelderbouw in Landelijk Noord. Er is dus geen sprake van een absoluut verbod. Het wordt alleen niet langer met een direct recht mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan.

Voor wat betreft het door adressant genoemde alternatief voor ondergrondse mestkelders, namelijk bovengrondse opslag, wordt opgemerkt dat voor zover deze bovengrondse bouwwerken met direct recht zijn toegestaan in de vigerende bestemmingsplannen de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan dus al is afgewogen bij de totstandkoming van het desbetreffende bestemmingsplan. En voor zover er in dat geval ook een afwijking van het bestemmingsplan vereist is geldt dat daardoor dus net zo zeer als bij de ondergrondse mestkelders een ruimtelijke afweging gemaakt zal moeten worden of er medewerking verleend kan worden aan de aanvraag. In die zin verschilt de situatie dan niet tussen een aanvraag voor een ondergronds of een bovengronds bouwwerk. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding de regeling aan te passen.

7

3. Adressant De zienswijze van adressant is gebaseerd op de zienswijze van de adressant onder twee. Omdat de zienswijzen onder twee en onder drie inhoudelijk en tekstueel dezelfde zijn, wordt voor de samenvatting en de reactie hierop verwezen naar adressant twee. Reactie idem als zienswijze 2 Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding de regeling aan te passen.

4. Adressant Ballast Nedam, namens Ontwikkelingsmaatschappij Centrumgebied Amsterdam Zuidoost B.V Adressant is sinds 2017 in overleg met de gemeente Amsterdam om te komen tot de ontwikkeling van Eleven Square, waarin ook een ondergrondse parkeergarage aan de Johan Cruijff Boulevard in Arenapoort is voorzien. In het ontwerp-paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders ligt het project Eleven Square binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone 1', waardoor het alleen nog mogelijk is een parkeergarage onder het project Eleven Square te bouwen d.m.v. een omgevingsvergunning met afwijking van het paraplubestemmingsplan. Dit kan vertraging of onuitvoerbaarheid van het project en dus grote financiële schade tot gevolg hebben. Er zijn de afgelopen maanden vergevorderde positieve gesprekken gevoerd met Waternet over de ondergrondse parkeergarage en het grondwater. Helaas is grondwaterneutraal bouwen van deze parkeergarage volgens adressant niet mogelijk, omdat het grondwater altijd iets stijgt. De beste oplossing is maximale inspanning voor barrièrewerking en daar zet adressant zich vol voor in. Adressant verzoekt om gelet op de grote belangen voor het project Eleven Square, het bestaande bestemmingsplan 'GETZ' uit te zonderen van het paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders.

Adressant stelt dat de juridische grondslag voor vaststelling van het paraplubestemmingsplan onduidelijk is. De bevoegdheid voor grondwaterbelangen ligt op grond artikel 2.1 Waterwet bij het waterschap Amstel, Gooi- en Vechtstreek (AGV). In de toelichting van het paraplubestemmingsplan beroept de gemeente zich op haar wettelijke zorgplicht op grond van artikel 3.6 Waterwet, maar dit artikel ziet op de zorgplicht in de openbare ruimte, dus vanaf de particuliere perceelgrens. Reactie: Zoals door adressant reeds benoemd heeft er reeds uitvoerig overleg plaatsgevonden met onder andere Waternet over de plannen voor de ondergrondse parkeergarage als onderdeel van Eleven Square. In het concept geohydrologisch rapport dat in opdracht van adressant is opgesteld zijn mitigerende maatregelen voorgesteld om de kelder grondwaterneutraal te bouwen. Kortom: uit het concept geohydrologisch rapport, dat nog aangepast zal worden n.a.v. overleg met Waternet, blijkt (onder nadrukkelijk voorbehoud dat de definitieve toets van de aanvraag omgevingsvergunning en het definitieve geohydrologisch rapport nog zal moeten plaatsvinden) dat de kelder grondwaterneutraal gerealiseerd zal kunnen worden door het treffen van maatregelen.

Aangezien er nu reeds uitvoerig vooroverleg plaatsvindt met Waternet en het opstellen van het geohydrologisch rapport zich al in een vergevorderd stadium bevindt is de verwachting dat de eis van grondwaterneutraal bouwen van de

8

kelder in het onderhavige geval geen extra vertraging in de procedure van de aanvraag omgevingsvergunning met zich mee zal brengen. Overigens wordt mede n.a.v. onderhavige zienswijze het begrip grondwaterneutraal bouwen in de regels van het paraplubestemmingsplan aangepast. In het begrip stond dat de grondwaterstroming niet of nauwelijks mag wijzigen als gevolg van de kelderbouw. Terecht merkt adressant op dat de grondwaterstroming als gevolg van kelderbouw altijd zal wijzigen. Het gaat er om dat de grondwaterstroming buiten het perceel waarop de kelder geprojecteerd is niet zal wijzigen, met andere woorden dat de gevolgen van een kelder voor de grondwaterstanden en stroming binnen het eigen perceel opgelost worden (door het treffen van maatregelen) en niet afgewenteld worden op naburige percelen. Het begrip uit het ontwerpbestemmingsplan kon zo worden gelezen dat op het perceel waarop de kelder wordt gebouwd er geen verandering in stand en/of stroming van het grondwater zou mogen plaatsvinden, terwijl als gevolg van de aanleg van een kelder er in de meeste gevallen wel iets verandert in de stand en/of stroming van het grondwater. Het bouwen van een kelder zou dan bij voorbaat al niet mogelijk zijn. Om die reden zijn de woorden “buiten het perceel waarop de kelder is geprojecteerd” toegevoegd.

Daarmee wordt bereikt dat de buren van bijvoorbeeld een rijtjeswoning onder dezelfde omstandigheden een aanvraag voor een kelder kunnen indienen. Verder is in het begrip verduidelijkt dat tot de negatieve affecten in ieder geval ook grondwateroverlast (een te hoog peil van het grondwater) en grondwateronderlast (een te laag peil van het grondwater) worden gerekend. Het begrip zal nu als volgt luiden: “het bouwen van een kelder waarbij de stand en stroming van het grondwater buiten het perceel waarop de kelder is geprojecteerd niet of nauwelijks veranderen, waar mogelijk zal verbeteren, en geen negatieve grondwatereffecten optreden. Tot negatieve effecten worden in ieder geval gerekend risico’s op opbarsten van de deklaag, welvorming, grondwateroverlast en grondwateronderlast”. In openbaar gebied voert de gemeente de grondwaterzorgplicht uit. In het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016-2021 (pag. 16) is de wettelijke taak van de gemeente verwoord: “Het is de zorg van de gemeente om, voor zover doelmatig, maatregelen in openbaar gebied te treffen om structurele nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Daarnaast is de gemeente aanspreekpunt voor de burger en behandelt grondwatermeldingen.” Bij de uitvoering van de grondwaterzorgplicht (zoals vastgelegd in artikel 3.6 van de Waterwet) gaat het om het voorkomen of beperken van structurele problemen met grondwater. Door het bouwen van kelders kan de stroom en stand van het grondwater ernstig worden ontregeld. Hierdoor kunnen problemen ontstaan op zowel belendende (particuliere) percelen als in de openbare ruimte. De gemeente voelt zich verantwoordelijk voor de gevolgen van de grondwaterstand en -stroom voor de stad als geheel, ook als het om particulier terrein gaat (waar in privaatrechtelijke zin de eigenaar verantwoordelijk is). De grondwatergevoeligheid van de dichtbebouwde stad en de gevolgen van de klimaatverandering nopen in die zin dus tot publiekrechtelijke regulering van ondergrondse bouwwerken, ongeacht of dit in openbaar gebied of op particulier terrein is, omdat grondwater zich niet houdt aan perceelgrenzen.

9

Conclusie De zienswijze geeft aanleiding om de regeling aan te passen. Het begrip grondwaterneutraal bouwen zal in 1.13 van de regels van het paraplubestemmingsplan als volgt worden aangepast (de aanpassing onderstreept): “het bouwen van een kelder waarbij de stand en stroming van het grondwater buiten het perceel waarop de kelder is geprojecteerd niet of nauwelijks veranderen, waar mogelijk zal verbeteren, en geen negatieve grondwatereffecten optreden. Tot negatieve effecten worden in ieder geval gerekend risico’s op opbarsten van de deklaag, welvorming, grondwateroverlast en grondwateronderlast”.

5. Adressant Adressant mist in het paraplubestemmingsplan de mogelijkheid een kelder te realiseren van vier meter diep onder het gehele pand én het gehele achtererfgebied op het perceel . Momenteel voeren diverse adressen in dezelfde straat dergelijke werkzaamheden uit. Om rechtsgelijkheid te waarborgen verzoekt adressant de mogelijkheid/beschrijving van een kelder onder het gehele perceel (hoofdgebouw en achtererf) op te nemen in het paraplubestemmingsplan. Reactie: Adressant verzoekt gelet op het waarborgen van rechtsgelijkheid om de mogelijkheid in het paraplubestemmingsplan om het gehele perceel te kunnen onderkelderen. Rechtsgelijkheid houdt in dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld en ongelijke gevallen verschillend naar de mate van het verschil. Er is geen sprake van gelijke gevallen, zodra een aanvraag omgevingsvergunning voor bijvoorbeeld een kelder onder een ander planologisch regime d.w.z. ander bestemmingsplan valt dan een aanvraag door buren uit dezelfde straat van eerdere datum, bijvoorbeeld van voor de tervisielegging van het ontwerpparaplubestemmingsplan grondwaterneutrale kelders.

Het Afwegingskader grondwaterneutrale kelders dat op 20 januari 2021 is vastgesteld door de raad en dat ten grondslag ligt aan dit paraplubestemmingsplan is begin september 2020 gepubliceerd, zodat men ruim (9 maanden) voor de tervisielegging van het ontwerpparaplubestemmingsplan begin juni 2021 reeds kon voorzien dat de planologische situatie voor kelderbouw zou wijzigen en men nog voldoende gelegenheid zou hebben om een aanvraag voor een kelder in te dienen die nog onder het oude planologische regime zou vallen. Vanaf 3 juni 2021 lag het ontwerp paraplubestemmingsplan ter inzage en dienen aanvragen voor een kelder aangehouden te worden en te voldoen aan het in voorbereiding zijnde paraplubestemmingsplan. De zwaarwegende redenen voor dit nieuwe planologische regime staan uitgebreid beschreven in de toelichting bij het paraplubestemmingsplan en tevens in het Afwegingskader. De negatieve ruimtelijke effecten op grondwaterstanden en stroming (en in sommige gebieden het doorbreken van de deklaag en opbarstrisico’s) nopen tot het beperken van kelderbouw in die mate dat alleen nog grondwaterneutrale kelders toegestaan worden. Dat er al eerder wel kelders in dezelfde straat zijn vergund en gerealiseerd is geen reden om nu een uitzondering op het paraplubestemmingsplan te maken voor deze kelder.

Deze kelderaanvragen vielen destijds onder een ander planologisch regime toen het paraplubestemmingsplan nog niet van kracht was. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding de regeling aan te passen.

10

6. Adressant Liander N.V Als netbeheerder is adressant verantwoordelijk voor het elektriciteitsnet. De onderstations (kelders) die adressant in het kader van de sterk groeiende energievraag moet bouwen hebben altijd een bouwoppervlakte van meer dan 300 m2, met gevolg dat deze bouwwerken per definitie altijd strijdig zijn met het paraplubestemmingsplan. Adressant stelt dat het (met geohydrologisch onderzoek) aantonen dat het bouwwerk voldoet aan grondwaterneutraliteit een extra administratieve last betekent, die de opgave om de netuitbreidingen in de stad tijdig te realiseren in gevaar brengt. De kelders die adressant realiseert hebben over het algemeen een diepte van maximaal 2,0 meter onder peil, waardoor volgens adressant de impact op het grondwater over het algemeen geringer zal zijn dan bij kelders met een diepte van 4 meter, die tot een oppervlakte van 300m2 zonder onderzoek en vergunning wel zijn toegestaan. Adressant verzoekt dan ook om de aanleg van kabelkelders en lekbakken tot max. 2,0 m. diepte onder peil bij recht en zonder onderzoeks-en vergunningsplicht toe te staan.

Reactie: In het Afwegingskader grondwaterneutrale kelders (hierna: Afwegingskader) dat op 20 januari 2021 is vastgesteld door de raad en dat ten grondslag ligt aan dit paraplubestemmingsplan is beschreven dat de ondergrond in enkele delen van de stad dermate kwetsbaar is dat kelders tot onherstelbare en grote schade (kunnen) leiden. In andere delen van de stad is het grondwaterneutraal bouwen van een kelder wel mogelijk mits de benodigde maatregelen worden getroffen. Om de administratieve belasting voor aanvragers zo beperkt mogelijk te houden heeft het college de Beleidsregels Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam (hierna: Beleidsregels) vastgesteld, waar aanvragen omgevingsvergunning voor kelders van max. 300m2 en tot 4 meter diepte aan getoetst worden zonder verder onderzoek. Deze Beleidsregels betreffen een beleidsneutrale samenvatting van het Afwegingskader. Grotere of diepere kelders kunnen ook nog steeds vergund en gerealiseerd worden, mits uit een geohydrologisch onderzoek blijkt dat deze grondwaterneutraal kunnen worden aangelegd. Gelet op het doel dat met dit paraplubestemmingsplan wordt gediend, is het belang van het grondwaterneutraal bouwen van kelders dermate groot, dat daar voor partijen zoals adressant geen uitzondering op gemaakt kan worden.

Juist vanwege de risico’s en negatieve ruimtelijke effecten die zich kunnen voordoen bij het niet-grondwaterneutraal bouwen van een kelder. Het paraplubestemmingsplan levert overigens voor het overgrote deel van Amsterdam procedureel gezien geen vertraging op, omdat veel kelderaanvragen zonder geohydrologisch onderzoeksrapport direct getoetst kunnen worden aan de Beleidsregels. Voor andere kelderaanvragen kan op basis van een geohydrologisch onderzoek, waaruit blijkt dat er grondwaterneutraal gebouwd kan worden, binnenplans van de verbodsbepaling worden afgeweken, waarmee procedureel (een zogenaamde reguliere procedure) evenveel tijd is gemoeid als een vergunningaanvraag die past binnen het bestemmingsplan. Alleen voor die gebieden waarvoor geen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is opgenomen (overige zone – 1) geldt dat op basis van een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid van het bestemmingsplan kan worden afgeweken op basis van een geohydrologisch onderzoek. Afhankelijk van de betreffende ontwikkeling (en de ligging binnen of buiten de bebouwde kom) kan daar een reguliere of een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure voor nodig zijn. Aan het verzoek van adressant kan vanwege voornoemd niet tegemoet worden gekomen. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding de regeling aan te passen. 11

Gewijzigde vaststelling Aan het ontwerp (paraplu) bestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders zoals dat ter visie heeft gelegen zijn wijzigingen aangebracht: Bijlage 1 • Het betreft wijzigingen in bijlage 1, behorende bij de planregels (lijst van moederplannen): Een aantal (ontwerp)bestemmingsplannen was ten tijde van het ter visie gaan van het ontwerpparaplubestemmingsplan nog in voorbereiding. Deze plannen zijn inmiddels vastgesteld en alsnog opgenomen op de lijst van moederplannen waar het paraplubestemmingsplan geldt (Bijlage 1). Een andere wijziging van bijlage 1 betreft het verwijderen van de bestemmingsplannen uit IJburg fase 1 en IJburg fase 2, door het besluit om IJburg uit te zonderen van de reikwijdte van het paraplubestemmingsplan gelet op de bijzondere situatie op IJburg, waar de problemen met betrekking tot grondwaterneutraliteit tot een diepte van NAP -1 meter niet spelen en de omstandigheid dat in de vigerende bestemmingsplannen op IJburg kelders slechts zijn toegestaan tot maximaal NAP -1 meter. Kelders tot maximaal NAP -1 meter op IJburg hebben geen negatieve effecten op de grondwaterstanden en stroming. Kortom op IJburg zijn reeds in de vigerende bestemmingsplannen slechts grondwaterneutrale kelders (tot maximaal NAP -1 meter) toegestaan. Tot slot ontbraken enkele bestemmingsplannen op bijlage 1, waaronder de planherzieningen.

Deze zijn alsnog toegevoegd aan bijlage 1. Verbeelding • Het betreft een wijziging van de verbeelding: het gebied IJburg zal niet langer onder de reikwijdte van het paraplubestemmingsplan vallen. De begrenzing van het plangebied is gewijzigd, de bestemmingsplannen voor IJburg zijn uit de verbeelding gehaald, waar de plangrens op is aangepast.. De verbeelding zal gewijzigd worden vastgesteld. Regels • Het betreft een wijziging van 1.13 van de planregels: Het begrip ‘grondwaterneutraal bouwen’ zal in 1.13 van de regels van het paraplubestemmingsplan als volgt worden aangepast (de aanpassing onderstreept): “het bouwen van een kelder waarbij de stand en stroming van het grondwater buiten het perceel waarop de kelder is geprojecteerd niet of nauwelijks veranderen, waar mogelijk zal verbeteren, en geen negatieve grondwatereffecten optreden. Tot negatieve effecten worden in ieder geval gerekend risico’s op opbarsten van de deklaag, welvorming, grondwateroverlast en grondwateronderlast”. • In artikel 5.2 onder a zijn de woorden 'onder bestaande en nieuwe gebouwen' geschrapt. • In artikel 5.3 is ‘burgemeester en wethouders’ overal vervangen door ‘bevoegd gezag’. • In artikel 5.3 onder a is na de eerste zin het cijfer 1. Opgenomen. Dit eerste cijfer 1 is in de planregels geschrapt, zodat artikel 5.3 onder a nu als volgt luidt: a.

Het bevoegd gezag is bevoegd om binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone 2' overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning te verlenen om in afwijking van het bepaalde in 5.2 sub a, een kelder te bouwen of te vergroten mits de kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd. Om te bepalen of een kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd geldt: 1. voor kelders met een totale brutovloeroppervlakte van maximaal 300 m2 en een maximale bouwdiepte van 4 meter dat het bevoegd gezag de aanvraag toetst aan de beleidsregels "Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam"; 2. voor kelders met een totale brutovloeroppervlakte van meer dan 300 m2 of een bouwdiepte van meer dan 4 meter dat op basis van een geohydrologisch onderzoek moet worden aangetoond dat het bouwplan niet strijdig is met het belang als genoemd in 5.1. 12

Toelichting Onderwerp

Te wijzigen bij vaststelling bestemmingsplan

Paragraaf 1.3 Afwegingskader: toevoeging tekst met verduidelijking wanneer de eis van geohydrologisch rapport geldt

Het betekent niet dat in geen enkele situatie een kelder mag worden aangelegd. Het betekent wel dat aan de hand van een geoydrologisch onderzoek per geval zal moeten worden aangetoond of de betreffende kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd. Als dat het geval blijkt – en ook voor het overige vanuit een goede ruimtelijke ordening geen bezwaar bestaat tegen deze ontwikkeling – zal het college gebruik maken van de bevoegdheid om buitenplans van het bestemmingsplan af te wijken. De grens van het parapluplan valt grotendeels samen met de gemeentegrens. In het ontwerpbestemmingsplan was de hele gemeente Amsterdam onder de werking van het paraplubestemmingsplan gebracht. Naar aanleiding van ambtelijk overleg is echter gebleken dat IJburg in zijn geheel niet onder het paraplubestemmingsplan hoeft te vallen. Doordat IJburg is gebouwd op opgespoten grond, wijkt de situatie in IJburg af van de rest van Amsterdam. In de bestemmingsplannen die gelden voor IJburg is een verbod opgenomen om dieper te bouwen dan -1 meter NAP. Kelders tot die diepte kunnen nergens op IJburg leiden tot problemen ten aanzien van grondwaterneutraliteit. De verbeelding is ambtshalve aan deze bevindingen aangepast. Voor diepere kelders geldt ook op IJburg dat de grondwaterneutraliteit moet worden aangetoond met een geohydrologisch rapport alvorens van de bouwregel kan worden afgeweken.

Paragraaf 1.4 Plangrenzen: aanpassing tekst met toelichting dat IJburg niet langer onder de reikwijdte van het paraplubestemmingsplan valt.

13

Pargraaf 4.1 Relatie met vigerende bestemmingsplannen: aanpassing begrip kelder

Paragraaf 4.3 Artikelsgewijze toelichting, onder 1 Begrippen: aanpassing begrip grondwaterneutraal bouwen

Paragraaf 6.2 Overleg ex art. 3.1.1 Bro onder 6.2: verslag vooroverlegreacties ex art. 3.1.1. Bro toegevoegd

Daaronder worden naast kelders en souterrains, verstaan ondergrondse (delen van een) gebouw, ongeacht de benaming hiervoor in het moederplan, zoals bijv. bijzondere bouwlaag, souterrain, parkeerkelder, e.d., met uitzondering van funderingsconstructies, maar ook op bijvoorbeeld koekoeken die worden aangelegd om een bestaande kelder van daglicht te kunnen voorzien, voor zover de onderkant van de vloer van de betreffende bouwlaag dieper is gelegen dan 0,5 meter onder het peil. Grondwaterneutraal bouwen Het begrip Grondwaterneutraal bouwen is ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan ambtshalve gewijzigd/verduidelijkt. Verder is in het begrip verduidelijkt dat tot de negatieve affecten in ieder geval ook grondwateroverlast (een te hoog peil van het grondwater) en grondwateronderlast (een te laag peil van het grondwater) worden gerekend.

14

Bijlagen

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10671550/1