CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit2021-225D 5. Paraplu BP Grondwaterneutrale kelders Toelichting

RAAD 6 oktober 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het (paraplu) bestemmingsplan Grondwaterneutrale keldersVN2021-0250698.887 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente X Amsterdam

BEHOORT BIJ BESLUIT VAN DE GEMEENTERAAD VAN AM , NR111-Dr >`•r- 1-,)1 VAN DE RAADSGRIFFIER.

7- ,

x

mr. J.S.Y Houtmen

Bestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NIL. IMR0.0363.GA2102PBPGST-VG01

Datum print

2 September 2021

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

5 Inleiding

7

Aanleiding en voorgeschiedenis Rol van de gemeente Afwegingskader Plangrenzen Beschrijving plangebied Leeswijzer

7 8 9 10 10 11

Beleidskader

13

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

13 14 16

Hoofdstuk 3

Milieu

17

Hoofdstuk 4

Toelichting juridische regeling

19

Relatie met vigerende bestemmingsplannen Juridische planbeschrijving Artikelsgewijze toelichting

19 19 20

Hoofdstuk 5

Economische Uitvoerbaarheid

25

Hoofdstuk 6

Inspraak en overleg

27

Inspraak Cherleg ex art. 3.1.1 Bro

27 27

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3

4.1 4.2 4.3

6.1 6.2

Gemeente Amsterdam

blz. 4

bestemmingsplan Grondwatemeutrale k elders (vastgesteld)

blz. 5

Toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan Grondwatemeutrale kelders (vastgesteld)

blz. 7

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en voorgeschiedenis

Amsterdam groeit en blijft in toenemende mate aantrekkelijk om te wonen, werken en wrblijven. Dat heeft onder andere tot gevolg dat de prijs per vierkante meter wor woningen aan een grote stijging onderhevig is. Deze stijging van de prijzen brengt een aantal gewlgen met zich mee. Het betekent onder andere dat Amsterdammers die een grotere woning willen, bijworbeeld omdat hun gewijzigde gezinssituatie daarom vraagt, moeilijk een betaalbaar ander/groter huis kunnen vinden. Een oplossing is dan om de huidige woning zodanig aan te passen dat er meer ruimte komt, bijworbeeld door de aanleg van een kelder. Deze kan tientallen Verkante meters woonruimte extra opleveren. Door de stijgende prijzen is ook de financiering van deze uitbreiding eenvoudiger geworden. De toename van de waarde van de woning is hoger dan de inwstering, dus een (extra) hypotheek is in wel gevallen makkelijker of te sluiten. Dit wrschil in kosten en (potentiele) opbrengst leidt ook investeerders naar deze woningen. Zij kopen soms een woning, wrgroten hem maximaal, en verkopen hem weer met winst. Daarnaast zijn er bewoners die de fundering van het huis willen wrbeteren. Veel huizen in Amsterdam zijn gebouwd op houten palen. Soms zijn deze palen aangetast of is de levensduur van de palen niet meer voldoende. Dat kan bijworbeeld blijken bij de splitsing van een huis in appartementsrechten.

Aangetoond moet dan worden dat de fundering nog minstens 25 jaar mee kan. Als dat niet zo is, dient de aanvraag boor een splitsingswrgunning gepaard te gaan met een aanvraag moor funderingsherstel. In andere gevallen blijkt op een andere manier dat de fundering aan vemieuwing toe is. Eigenaren financieren dat soms door het funderingsherstel te combineren met de aanleg van een kelder. Uit onderzoek van Watemet en het Ingenieursbureau van de gemeente Amsterdam, dat in maart 2019 werd afgerond, bleek dat in grote delen van de stad de effecten van (met name cumulatiew) kelderbouw negatief zijn. Door de barrierewerking van meerdere kelders naast elkaar wordt de stand en stroom van het grondwater beInVoed. Dit leidt tot onder- en °veriest van het grondwater. Dit heeft negatiew gewlgen in de openbare ruimte en op particuliere percelen. Als het grondwater te hoog staat (overlast) kan dat onder andere leiden tot wortelrot bij planten en bomen, vochtproblemen in kruipruimtes en optrekkend wcht, regenwaterowrlast onder andere in binnentuinen en schade aan wegen. Als het grondwater te laag staat (onderlast) kan dat onder andere leiden tot paalrot aan funderingspalen, ongelijkmatig inklinken of krinnpen van de grond waardoor schade kan ontstaan aan leidingen en aansluitingen en wchttekort bij planten waardoor deze stenen.

In de zomer van 2019 stelde het college in de bestuurlijke reactie op dit onderzoek: "Het college is overtuigd van de noodzaak en de mogelijkheid om de negatiew effecten voor het grondwater van kelders in Amsterdam te elimineren. Het risico op onder- dan wel ()veriest in delen van de stad is te groot evenals de negatieve effecten op de mogelijkheid tot klimaatadaptatie. Mede omdat het technisch mogelijk is de stroom van het grondwater niet te hinderen, en de extra kosten dearvpor overzienbaar lijken, zoekt het college naar de snelste weg om grondwaterneutraliteit op te nemen als voorwaarde voor het wrgunnen van het aanleggen van een kelder. Doel is om alleen kelders te wrgunnen welke grondwaterneutraal zijn. Niet grondwaterneutrale kelders willen wij zo snel mogelijk wrbieden." Het college heeft opdracht gegeven een afwegingskader grondwaterneutrale kelderbouw op te stellen

Gemeente Amsterdam

blz. 8

waarin zowel de technische maatregelen als de juridische borging van deze maatregelen zouden worden geimentariseerd. Tijdens het opstellen van dit afwegingskader bleek dat, door de verschillen in de samenstelling van de ondergrond en de wrschillen in de situatie van het grondwater, de benodigde maatregelen sterk varieren in de stad. Dit leidt ertoe dat in enkele delen van de stad de ondergrond dermate kwetsbaar is, dat kelders tot perrnanente en grote schade (kunnen) leiden. In die delen van de stad zou kelderbouw niet meer toegestaan moeten worden. Het grondwaterneutraal aanleggen van een kelder is in die delen van de stad onmogelijk. In andere delen zal zelfs een cumulatie van het aantal kelders niet leiden tot een significante aantasting van stand en stroom van het grondwater. Door de samenstelling van de ondergrond, de bebouwing en \derkawling en de situatie van het grondwater zijn in deze delen van de stad geen maatregelen nodig. Daar waar wel maatregelen nodig en mogelijk zijn varieren deze van het terugbrengen van hetzelfde doorlaat\ermogen or water van de bodem dat boor de bouw van de kelder aanwezig was op de betreffende locatie (de zogenaamde standstill), tot het aanbrengen van een .00raf bepaald doorlaaNermogen op de betreffende locatie dat past bij de grondwatersituatie van die buurt.

Tegelijk is onderzocht welke mogelijkheden er zijn om de aanleg van een kelder zodanig te doen dat dit doorlaahermogen ook gerealiseerd wordt. Tijdens expertsessies met marktpartijen zijn wrschillende opties doorgenomen. Het blijkt dat naast de kelder woral ook de aan te brengen damwanden een barrierewerking hebben. Er zijn mogelijkheden, die ook al in de praktijk worden toegepast, om deze barrierewerking teniet te doen na de bouw. De mogelijkheid om zonder damwanden te bouwen is het meest kansrijk, maar is woralsnog in Amsterdam alleen theoretisch mogelijk. Het is echter niet uit te sluiten dat in de toekomst de technische mogelijkheden zodanig worden \erbeterd, dat dit mogelijk en haalbaar wordt. Het \erwijderen van de damwanden na de aanleg van de kelder is ook een optie. Die kan alleen in specifieke gevallen waarbij de damwand geen onderdeel uitmaakt van de nieuwe constructie en ook het zogenaamde trekken van de damwand geen schade veroorzaakt. En die beide worwaarden zijn zelden aanwezig. Blijft mer het aanleggen van een systeem waardoor het grondwater onder of langs de kelder wordt geleid. Daarbij is ook het doorbreken van de damwand nodig.

1.2

Rol van de gemeente

In openbaar gebied wert de gemeente de grondwaterzorgplicht uit. In het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016-2021 (pag. 16) is de wettelijke taak van de gemeente \erwoord: "Het is de zorg van de gemeente om, boor zo\er doelmatig, maatregelen in openbaar gebied te treffen om structurele nadelige gewlgen van de grondwaterstand boor de aan de grond gege\en bestemming zowel mogelijk te workomen of te beperken. Daarnaast is de gemeente aanspreekpunt boor de burger en behandelt grondwatermeldingen." Bij de uitwering van de grondwaterzorgplicht (zoals vastgelegd in artikel 3.6 van de Waterwet) gaat het om het workomen of beperken van structurele problemen met grondwater. Door het bouwen van kelders kan de stroom en stand van het grondwater ernstig worden ontregeld. Hierdoor kunnen problemen ontstaan op zowel belendende (particuliere) percelen als in de openbare ruimte. De gemeente welt zich \mrantwoordelijk boor de gewlgen van de grondwaterstand en -stroom boor de stad als geheel, ook als het om particulier terrein gaat (waar in privaatrechtelijke zin de eigenaar wrantwoordelijk is). De grondwatergeweligheid van de dichtbebouwde stad en de gewlgen van de klimaaNerandering nopen in die zin dus tot publiekrechtelijke regulering van ondergrondse bouwwerken, ongeacht of dit in openbaar gebied of op particulier terrein is, omdat grondwater zich niet houdt aan perceelgrenzen.

Vanwege de eerdergenoemde goede redenen om de aanleg van kelders niet nodeloos te willen tegenhouden of wrminderen en omdat de aanleg van een kelder geen nadelige gewlgen boor de bestemmingsplan Grondwatemeutrale kelders (vastgesteld)

blz. 9

grondwaterstand mag wroorzaken en daarmee (blijkende) schade moet worden workomen is een afwegingskader opgesteld. Met het afwegingskader wor kelderbouw heeft de gemeente een beleidsmatig kader gegeken wor het nemen van doelmatige maatregelen om structurele nadelige gekolgen van de grondwaterstand wor de aan de grond gegeken bestemming zowel mogelijk te workomen of te beperken.

1.3 Afwegingskader Teneinde ongewenste ruimtelijke effecten en daarmee schade als gekolg van aanleg van kelders te workomen, is het Afwegingskader Grondwaterneutrale kelders Amsterdam (hiema: Afwegingskader) opgesteld. In dit afwegingskader zijn de kolgende onderdelen opgenomen: 1. Gebiedsanalyse waarin wordt aangegeken welke maatregelen per buurt nodig zijn. 2. Technische eisen aan de aanleg van een kelder om de stroom van het grondwater in stand te houden. 3. Een analyse van het beschikbare instrumentarium moor de vastlegging van de gewenste maatregelen, met daarbij worstellen hoe het 'technische deel' juridisch zal worden geinnplementeerd. 4. De wijze waarop de aangelegde worzieningen om te komen tot grondwaterneutraliteit kunnen worden geborgd ook nadat het eigendom van een pand is okergegaan op een andere eigenaar. Van een grondwaterneutrale kelder is volgens het Afwegingskader sprake als door de aanleg van die kelder de stand en stroming van het grondwater niet of nauwelijks wrandert, waar mogelijk zal wrbeteren, en waarbij er geen negatieke grondwatereffecten optreden. Onder deze negatiew grondwatereffecten vallen in ieder geval het risico op een te dunne deklaag en het risico op opbarsten van de deklaag (dit is de bodemlaag die de diepere bodemlagen afdekt en het diepe grondwater slecht doorlaat).

In sommige delen van Amsterdam kan door de aanleg van een kelder een te dunne deklaag okerblijNen. Dat betekent een groot risico op doorbreken van die deklaag waardoor een permanente kwel ontstaat. Diep en zout grondwater stroomt dan naar de oppervlakte met grote negatieve gekolgen moor grondwater en opperMaktewater. Zo'n doorbraak in de deklaag is niet of alleen tegen hoge kosten te repareren. Onder een kelder moet daarom altijd een deklaag van minimaal 1,5 m okerblijken. Ook is er in sommige gebieden risico op opbarsten zoals bijkoorbeeld in landelijk Noord. Dat is hetzelfde risico als bij de te dunne deklaag, zoals hierkoor beschreken, alleen ligt de oorzaak nu in de druk die het diepe grondwater uitoefent op de onderkant van de deklaag. Voor de aanleg van een kelder wordt grond, die op de deklaag ligt, wrwijderd. Daardoor wordt de opwaartse druk wor de deklaag te groot en zal deze opbarsten, met dezelfde permanente kwel als gekolg. Het betekent niet dat in geen enkele situatie een kelder mag worden aangelegd. Het betekent wel dat aan de hand van een geoydrologisch onderzoek per geval zal moeten worden aangetoond of de betreffende kelder grondwatemeutraal kan worden gebouwd.

Als dat het geval blijkt - en ook moor het owrige vanuit een goede ruimtelijke ordening geen bezwaar bestaat tegen deze ontwikkeling - zal het bewegd gezag gebruik maken van de bevoegdheid om buitenplans van het bestemmingsplan of te wijken. In het Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam zijn daarom vanwege het risico op een te dunne deklaag of het risico op opbarsten van de deklaag ook gebieden opgenomen waar geen kelderbouw meer kan worden toegestaan. Alleen een kelder die grondwaterneutraal kan worden aangelegd komt wor kergunningverlening in aanmerking. De (algemene) regels uit het Afwegingskader hebben primair betrekking op kelders met een Nerdieping, een opperMakte van maximaal 300 m2 en een diepte van maximaal 4 meter onder het Gemeente Amsterdam

blz. 10

grondopperviak (maaiwId) gerekend aan de straatkant. Ten aanzien van de kelders die groter zijn dan 300 m2 en/of dieper dan 4 meter wordt in het Afwegingskader bepaald dat medewerking alleen mogelijk is indien aan de hand van een geohydrologisch rapport wordt aangetoond dat de aanleg grondwatemeutraal zal plaatsvinden. De maatregelen zoals die in het Afwegingskader zijn vastgelegd wor kelders die wel aan de bovengenoemde maatweringeisen voldoen zijn dus niet zonder meer toepasbaar. Uit het geohydrologisch rapport zal dus moeten blijken welke maatregel kan en zal worden toegepast om de kelder op de betreffende locatie grondwaterneutraal aan te leggen. Als grondwatemeutrale aanleg niet mogelijk is, moet de omgevingswrgunning wor die kelder worden geweigerd. In de gebieden die op de kaart bij het Afwegingskader in een rode kleur zijn aangegewn is het vanwege de grondsamenstelling in principe niet mogelijk om kelders (ongeacht de omvang) grondwaterneutraal aan te leggen. Uit het juridisch onderzoek in het kader van de opstelling van het Afwegingskader kwam naar wren dat het bestemmingsplan het aangewezen instrument is om het hierin vervatte beleid juridisch te borgen. Het Afwegingskader is de basis geweest wor het voorliggende paraplubestemmingsplan.

Daarbij zijn de in het Afwegingskader wrvatte beleidsregels hieruit gedestilleerd en omgezet in een separaat document met (alleen) beleidsregels in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (beleidsregel Grondwatemeutrale Kelders Amsterdam) als bedoeld in artikel 1.6 van de planregels.

1.4

Plangrenzen

Het paraplubestemingspplan Grondwaterneutrale kelders heeft betrekking op de vigerende bestemmingsplannen in vrijwel het hele grondgebied van de gemeente Amsterdam. De grens van het paraplubestemmingsplan valt grotendeels samen met de gemeentegrens. In het ontwerpbestemmingsplan was de hele gemeente Amsterdam onder de werking van het paraplubestemmingsplan gebracht. Naar aanleiding van ambtelijk merleg is echter gebleken dat IJburg in zijn geheel niet onder het paraplubestemmingsplan hoeft te vallen. Doordat IJburg is gebouwd op opgespoten grond, wijkt de situatie in IJburg of van de rest van Amsterdam. In de bestemmingsplannen die gelden wor IJburg is een wrbod opgenomen om dieper te bouwen dan NAP -1 meter. Kelders tot die diepte kunnen nergens op IJburg leiden tot problemen ten aanzien van grondwaterneutraliteit. De wrbeelding is ambtshalw aan deze beVndingen aangepast. Voor diepere kelders geldt ook op IJburg dat de grondwaterneutraliteit moet worden aangetoond met een geohydrologisch rapport alvorens van de bouwregel kan worden afgeweken. Een lijst van deze bestemmingsplannen waar het paraplubestemmingsplan betrekking op heeft is te \linden in Bijlage 1 van de planregels. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de bij dit paraplubestemmingsplan behorende digitale verbeelding.

1.5

Beschrijving plangebied

In Hoofdstuk 2 van het Afwegingskader (Gebiedsanalyse) zijn de belangrijkste eigenschappen van de bodem die een rol spelen bij kelderbouw in kaart gebracht (zoals samenstelling van de bodem, de grondwaterstand, hoe het grondwater stroomt en hoe er gebouwd is). Op basis hiervan is een gebiedsindeling gemaakt; ‘derwezen wordt naar Figuur 4 (0wrzicht gebieden) en Tabel 1 (karakterisering gebieden) van het als bijlage A bij de Toelichting opgenomen Afwegingskader (blz. 17).

bestemmingsplan_Grondwatemeutrale kelders (vastgesteld)

blz. 11

Per gebied en per buurt(deel) is geimentariseerd of en zo ja welke maatregelen nodig zijn om grondwaterneutrale (kleine) kelders to kunnen bouwen. Uit het onderzoek blijkt dat in de meeste delen van Amsterdam de bouw van een kelder met aanvullende maatregelen mogelijk is, waardoor deze grondwaterneutraal kan worden aangelegd. Aileen in de diepere en deels middeldiepe polders is een algeheel keldenerbod nodig. Dit geldt in het grootste deel van Zuidoost, de Watergraafsmeer en landelijk Noord (Waterland). De deklaag is daar zo gering en/of het opbarstrisico zo groot, dat het \eilig bouwen an een kelder niet mogelijk is. Door dit wrbod worden permanente negatie\e effecten, zoals welvorming, workomen.

1.6

Leeswijzer

In deze Toelichting wordt in Hoofstuk 2 de wrhouding van het bestemmingsplan tot het relevante Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid weergegeven. Op de waterparagraaf en owrige milieuaspecten wordt ingegaan in Hoofdstuk 3. Nadat in Hoofstuk 4 een toelichting is gegeven op de juridische regeling (met onder meer de artikelsgewijze toelichting), wordt in hoofdstuk 5 de economische uitvoerbaarheid toegelicht. Tot slot wordt in Hoofdstuk 6 weergegeven hoe de inspraak is geregeld en wat de resultaten zijn van het voormerleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

Gemeente Amsterdam

blz. 12

bestemmingsplan_Grondwatemeutrale k elders (vastgesteld)

blz. 13

Hoofdstuk 2

Beleidskader

2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld; deze is op 15 september 2020 bekend gemaakt. In de NOVI zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) wordt door deze nieuwe onngevingsvisie vervangen. De NOVI is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt woruit op de inwerkingtreding van die wet. Het is de eerste integrale nationale beleidsvisie conform de Omgevingswet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de NOVI vastgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening als structuurvisie. De inrichting an de NOVI sluit aan op de worwaarden die op basis van de Omgevingswet aan de visie worden gesteld. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuuNsie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de Omgevingswet bedoeld.

De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitweringsagenda. De Visie De NOVI bevat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat boor een groot aantal opgaven, op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De NOVI biedt daarbij een perspectief om deze grote opgaven aan to pakken. Omgevingskwaliteit is daarbij het kernbegrip. De NOVI staat voor een nieuwe aanpak waarbij merheden en maatschappelijke organisaties met regie vanuit het Rijk integrale afwegingen maken. Beschreven wordt een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Toelichting In de toelichting worden 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving beschrevan en de daarbij horende opgaven waarwor het Rijk zich gesteld ziet. Steeds wordt per belang het huidige beleid gekoppeld en wordt de opgaw gesteld die met het belang samenhangt.

Uitvoeringsagenda In de uitweringsagenda staat aangege\en hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitwering van de NOVI. In de Uitweringsagenda is onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programme's op de \erschillende beleidsterreinen opgenomen. De Uitweringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. In de uitweringsagenda worden de opgaven centraal gesteld aan de hand van vier prioriteiten. De Uitweringsagenda beschrijft de volgende vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte wor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Gemeente Amsterdam

blz. 14

Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een \eilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter \erm.illing van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs Nersterken. Echter, beschermen en ontwikkelen gaan niet altijd en meral zonder meer samen en ze zijn soms omerenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee \ergt steeds een zorgwldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelwudig 2. Kenmerken & identiteit; 3. Afirventelen voorkomen Relatie van het plan tot het rijksbeleid Het parapluplanbestemmingsplan geeft invulling aan twee van de vier prioriteiten uit de Uitweringsagenda, namelijk de 'sterke en gezonde steden en regio's' en ruimte wor klimaatadaptatie. Door het bouwen van kelders te \erbieden waar kelders niet op een grondwatemeutrale manier kunnen worden gebouwd, draagt dit bestemmingsplan bij aan het bereiken van een veilige fysieke leefomgeving.

Conclusie Het paraplubestemmingsplan is in mereenstemming met een van de belangen zoals \erwoord in de NOVI en draagt bij aan de \etwezenlijking van twee van de vier prioriteiten, nl. Sterke en gezonde steden en regio's en biedt ruimte wor klimaatadaptatie.

2.2

Provinciaal beleid

2.2.1 Omgevingsvisie NH2050 (2018) Op 19 no\ember 2018 heeft de Provincie Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 'Balans tussen economische groei en leefbaarheid' vastgesteld; hiemnee wil de Provincie moor een goede balans tussen economische groei en leethaarheid zorgen zodat toekomstige generaties het welvaarts-en welzijnsniveau in Noord-Holland op een hoog niveau kunnen houden. Om een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving te kunnen borgen, hanteert de Provincie twee basisrandworwaarden die wlgen uit Europese/Nationale regelgeving en gaan over gezondheid, \eiligheid en klimaatadaptatie. Daarnaast gelden vier generieke ontwikkelprincipes. De basisworwaarden luiden als wlgt: •

0\eral wordt wIdaan aan de wettelijke basiskwaliteit wor een gezonde en \eilige leefomgeving wor mens, plant en dier; • Alle nieuwe ruimtelijke (her)ontwikkelingen doorlopen een klimaatstresstest, waarbij de volgende ontwikkelprincipes worden gehanteerd: 1. Ontwikkelingen en beheer zijn passend bij de waarden, de karakteristiek en het draagvermogen van het landschap; 2. Nieuwe ontwikkelingen zijn zo eel mogelijk natuurinclusief; 3. Nieuwe ruimtelijk-economische ontwikkelingen worden zo eel mogelijk ruimtelijk geclusterd op locaties nabij OV-, weg-, energie en data-knooppunten; 4. Bij nieuwe ontwikkelingen worden de effecten op de ondergrond meegewogen. De Omgevingsvisie NH2050 kent ambities en doelstellingen op Nerschillende thema's:

bestemmingsplan_Grondwaterneutrale kelders (vastgesteld)

blz. 15

Leefomgeving a. Klimaatverandering: ontwikkelen en inrichten van een klimaatbestendig en waterrobuuste stad, land en infrastructuur; b. Gezondheid en \eiligheid: het behouden en waar mogelijk wrbeteren van de kwaliteit van bodem-, water- en lucht, externe veiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond; c. Biodiwrsiteit en natuur: ambitie is om de biodNersiteit in Noord-Holland te wrgroten. Gebruik van de Ieefomgeving a. Economische transitie: ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. Daarom wordt ruimte geboden aan de ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten; b. Wonen en Werken: ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn. De woningbouwbehoefte wordt word in en aansluitend op de bestaande wrstedelijkte gebieden gepland, in owreenstemming met de kwalitatiew behoeftes en trends. Duurzaamheid van de totale vporraad is uitgangspunt; c. Mobiliteit: ambitie is dat de inwoners en bedrij\oen van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, wilig en efficient kunnen verplaatsen, waarbij de negatiew gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden; d.

Landschap: ambitie is het benoemen, behouden en wrsterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Conclusie Het paraplubestemmingsplan past geheel binnen de kaders van de Omgevingsvisie. Een van de genoemde ontwikkelprincipes is dat bij ontwikkelingen de effecten op de ondergrond worden meegenomen. Het paraplubestemmingsplan worziet erin dat in heel Amsterdam ‘ADorafgaand aan een ontwikkeling de effecten op de stand en doorstroming van het grondwater zijn/worden onderzocht. Het paraplubestemmingsplan draagt daarmee bij aan de ambitie en doelstellingen die de provincie heeft geformuleerd op het gebied van klimaaherandering, nl. het ontwikkelen en inrichten van een klimaatbestendig en water-robuuste stad. 2.2.2 Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 Bowngenoemde omgevingsvisie uitsluitend bindend boor de provincie zelf en niet boor gemeenten en burgers. Om de provinciale belangen, die in de omgevingsvisie zijn gedefinieerd, door te laten werken, heeft de provincie op 17 nowmber 2020 de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. Deze wrvangt de Provinciale Ruimtelijke Verordening. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) stonden alle regels waaraan ruimtelijke plannen in Noord-Holland moesten voldoen. Naast de PRV bestonden nog andere wrordeningen, waaronder de Provinciale Miliemerordening, Wegerherordening en WateNerordening.

Vanaf 17 nmennber zijn de 21 kerordeningen die zijn samengevoegd in de omgevingsverordening ingetrokken en opgegaan in de Omgevingsverordening NH2020. Relevant zijn de instructieregels. Op grond van artikel 6.62 van de Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 bevat de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatwrandering. Het hele parapluplanbestemmingsplan draait om het voorkomen van de negatieve effecten die kelderbouw op de grondwaterstand en doorstroming heeft en de negatiew effecten die indirect ook te maken hebben met de mogelijkheid tot klimaatadaptatie. Het afwegingskader grondwaterneutrale kelders ligt aan de basis van dit paraplubestemmingsplan. Het Afwegingskader is op 21 januari 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. Het paraplubestemmingsplan Gemeente Amsterdam

blz. 16

is een rechtstreekse wrtaling van dit afwegingskader. Uit het afwegingskader blijkt dat wordt voldaan aan de worwaarden die over klimaatadaptatie in de omgevingsverordening zijn gesteld. Het afwegingskader is in samenspraak met Watemet ontwikkeld. Het bijlage A: Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam is als bijlage A in deze toelichting opgenomen. Conclusie Het paraplubestemmingsplan is met de Omgevingsverordening in overeestemming.

2.3

Gemeentelijk beleid

Er zijn diverse gemeentelijke beleidsdocumenten waar het paraplubestemmingsplan aan raakt. Enkele worden hier genoemd. 2.3.1 Structuurvisie Amsterdam 2040 De Structuurvisie Amsterdam (2011) schetst de lenge terrnijnvisie wor de ruimtelijke ontwikkeling van Amsterdam tot 2040. De centrale ambitie van de visie is: Amsterdam ontwikkelt zich wrder als intemationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool. In de Structuurvisie staat beschrewn hoe we met extreem weer om moeten gaan. Een van de doelstellingen daarbij is om de stad robuuster te maken tegen extremer weer. 2.3.2 Duurzaam Amsterdam In de Agenda duurzaamheid 'Duurzaam Amsterdam' is het duurzaamheidsbeleid beschreven. De gemeente wil de wrduurzaming van de hoofdstad versnellen. In de Agenda Duurzaamheid staan vijf transitiepaden omschrewn waarmee Amsterdam verduurzaming van de stad wil bewerkstelligen. De eerste vier paden gaan over duurzame energie, schone lucht, circulaire economie, een klimaatbestendige stad en de verduurzaming van de gemeentelijke bedrijfswering 2.3.3 Afwegingskader grondwaterneutrale kelders Uit onderzoek van Waternet en het Ingenieursbureau van de gemeente Amsterdam is gebleken dat in grote delen van de stad de effecten van (met name cumulatieve) kelderbouw negatief zijn. Door de barrierewerking van meerdere kelders naast elkaar wordt de stand en stroom van het grondwater beinvioed.

Dit leidt tot onder- en °veriest van het grondwater. Dit heeft negatieve gewlgen in de openbare ruimte en op particuliere percelen. Door de bouw van kelders niet ongebreideld te laten toenemen, wordt dit probleem een halt toegeroepen. Conclusie Met het paraplubestemmingsplan wordt bijgedragen aan het doel te komen tot een klimaatbestendige stad en het is met het gemeentelijke beleid in overeenstemming.

bestemmingsplan_Grondwaterneutrale kelders (vastgesteld)

blz. 17

Hoofdstuk 3

Milieu

Aanleiding en (enig) doel van het plan is het juridisch borgen van de grondwaterneutraliteit van ondergrondse bebouwing (kelders en souterrains). De beleidsuitgangspunten hierwor zijn ontwikkeld in nauwe samenwerking met Watemet en het lngenieursbureau van de gemeente Amsterdam. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar het Afwegingskader grondwaterneutrale kelders Amsterdam. Bij het kwantitatiew grondwaterbeheer als geheel (grondwaterworraadbeheer en grondwaterpeilbeheer) zijn diverse overheden betrokken: rijk, provincies, gemeenten en waterschappen. Sinds de inwerkingtreding van de Waterwet zijn taken en bewegdheden met betrekking tot het grondwaterbeheer wrschoven van de provincie naar het waterschap. Het waterschap houdt de regionale oppenAaktewateren op peil en heeft hiermee direct invioed op het grondwatersysteem in bijvoorbeeld polders. Verder is het waterschap belast met de regulering van grondwateronttrekkingen en infiltraties (behoudens de categorieen die nog onder provinciale bevoegdheid vallen). Op grond van de Waterschapswet hebben de waterschappen de bewegdheid om een beheerswrordening (keur) vast to stellen. Hierin staan regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, dijken en bijbehorende kunstwerken.

In artikel 3.5 en 3.6 ,an de Waterwet is een zorgplicht boor de gemeente neergelegd, die de aanleg en het beheer van een ontwateringsstelsel omvat. Die wettelijke zorgplicht geldt alleen boor het openbare gebied. Verder is de gemeente het eerste aanspreekpunt boor de burger boor grondwateroverlast. Zoals in paragraaf 1.2 aangegeven welt de gemeente zich verantwoordelijk boor de gevolgen van de grondwaterstand en -stroom boor de stad als geheel, ook als het om particulier terrein gaat (waar in privaatrechtelijke zin de eigenaar verantwoordelijk is). De grondwatergeweligheid van de dichtbebouwde stad en de gevolgen van de klimaatverandering nopen in die zin dus tot publiekrechtelijke regulering van ondergrondse bouwwerken, ongeacht of dit in openbaar gebied of op particulier terrein is, omdat grondwater zich niet houdt aan perceelgrenzen. De bewaking van de kwaliteit van het grondwater (het kwalitatieve grondwaterbeheer) wordt niet primair geregeld in het kader van de Waterwet. Op grond van de Wet bodembescherming is het grondwaterkwaliteitsbeheer een task van een aantal grote gemeenten en de provincies. Verder is de bescherming en verbetering van de kwaliteit van de bodem en het grondwater ook in diverse andere wetten geregeld, waaronder de Wet milieubeheer. Het paraplubestemmingsplan heeft daarom geen betrekking op de kwaliteit van het grondwater.

Ook overigens zijn in dit plan geen milieuaspecten aan de orde.

Gemeente Amsterdam

blz. 18

bestemmingsplan_Grondwatemeutrale kelders (vastgesteld)

blz. 19

H oofdstuk 4 4.1

Toelichting juridische regeling

Relatie met vigerende bestemmingsplannen

In de meeste vigerende bestemmingsplannen in Amsterdam zijn geen regels opgenomen om het bouwen van kelders te reguleren.. Door in het bestemmingsplan niets te regelen wor ondergrondse bebouwing, zijn er - veelal onbedoeld - bouwrechten gegeven om ondergrondse bebouwing te realiseren. Zoals in de inleiding is genoemd zorgt de steeds krapper wordende woningmarkt er wor dat steeds meer mensen het onderkelderen van hun woning als een serieuze optie zien om hun woning uit te breiden, met alle mogelijke gevolgen van dien wor de stand en doorstroming van het grondwater, en daaruit wortvioeiende gevolgen zoals wateronderlast en wateroverlast in tuinen en in de openbare ruimte. Daarnaast doen zich ook in het landelijk gebied situaties wor waarbij de bouw van kelders in strijd kan komen met het belang van grondwaterneutraliteit Het paraplubestemmingsplan komt als een deken over alle vigerende bestemmingsplannen die binnen de bestemmingsplangrens zijn gelegen heen te liggen. Met het parapluplanbestemmingsplan wordt uitsluitend een regeling getroffen wor het reguleren van het ondergronds bouwen. Daaronder worden naast kelders en souterrains verstaan, ondergrondse (delen van een) gebouw, ongeacht de benaming hiervoor in het moederplan, zoals bijv.

bijzondere bouwlaag, souterrain, parkeerkelder, e.d., met uitzondering van funderingsconstructies, maar ook op bijworbeeld koekoeken die worden aangelegd om een bestaande kelder van daglicht te kunnen worzien, wor zover de onderkant van de vioer van de betreffende bouwlaag dieper is gelegen dan 0,5 meter onder het peil. Het parapluplan heeft daarmee geen effect op de vigerende bouwregelingen die zien op het bovengronds bouwen. Ook heeft het paraplubestemmingsplan geen effect op de bestemmings- en gebruiksregels van de vigerende bestemmingsplannen (de moederplannen). Deze blijven onverkort van kracht op de verwezenlijkte en nog te verwezenlijken kelders en souterrains.

4.2

Juridische planbeschrijving

Deze paragraaf geeft een toelichting op de bestemmingsplanregels. Uitgelegd wordt wat de bedoeling en strekking is van de wrschillende onderdelen van de regels. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en de regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding heeft normaliter een functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding \ormt samen met de regels het wor de burgers juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In het kader van dit bestemmingsplan behelst de verbeelding niet meer dan de contouren van de gemeente Amsterdam (met uitzondering van IJburg) met daarbinnen alle bestemmingsplannen waarwor de regels uit dit bestemmingsplan gelden. Met het bestemmingsplan worden geen bestemmingen en/of functies aan de onderliggende bestemmingsplannen toegewegd of gewijzigd. Het bestemmingsplan voegt uitsluitend enkele gebiedsaanduidingen toe waar bouwregels aan zijn gekoppeld die betrekking hebben op het bouwen van kelders en souterrains. Zoals ook bij raadpleging van de website www.ruimtelijkeplannen.n1 is te zien blijven naast dit bestemmingsplan, de vigerende bestemmingsplannen (de zogenaamde 'moederplannen') binnen het plangebied nog onwrkort van toepassing. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels worden besproken. De toelichting heeft geen bindende werking.

De toelichting maakt juridisch ook geen deel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan Gemeente Amsterdam

blz. 20

en ook bij de uitleg van de bestemming en merige regels.

4.3

Artikelsgewijze toelichting

In deze paragraaf worden de juridische aspecten van de bestemmingsregels toegelicht. HOOFDSTUK 1 - INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen die in de regels worden gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en wat niet onder het betreffende begrip moet worden \erstaan bij toepassing van de regels van dit bestemmingsplan. De opgenomen begrippen worden met dit paraplubestemmingsplan toegewegd aan alle in Bijlage 1 van de regels workomende bestemmingsplannen. Aan het begin van de begripsbepalingen is duidelijk gemaakt dat de begripsbepalingen van dit bestemmingsplan uitsluitend van toepassing zijn als het gaat om ondergronds bouwen. Door het opnemen van de begrippen die \erband houden met het ondergronds bouwen wordt bereikt dat in heel Amsterdam op een uniforme wijze het ondergronds bouwen wordt beoordeeld. Dit is mede gedaan vanwege het feit dat het onderzoek dat aan het afwegingskader ten grondslag is gelegd op een uniforme wijze in heel Amsterdam is uitgewerd. De meeste begripsbepalingen spreken wor zich. Bij enkele begrippen wordt in deze toelichting stil gestaan. Grondwaterneutraal bouwen Het begrip Grondwaterneutraal bouwen is ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan ambtshalve \erduidelijkt.

Aan het begrip is toegewegd dat buiten het perceel waarop de kelder is geprojecteerd de stand of stroming niet of nauwelijks mag \eranderen. Wat onder een "perceel" moet worden \erstaan is \erder niet in een begripsbepaling in de planregels vastgelegd. Voor de uitleg van het begrip perceel wordt verwezen naar de uitleg die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) daar aan heeft gege\en. In de rechtspraak van de Afdeling over de uitleg van het begrip perceel wordt de feitelijke actuele situatie, waaronder de inrichting en wijze van gebruik van de gronden, van belang geacht. Verder is in het begrip \erduidelijkt dat tot de negatie‘e affecten in ieder geval ook grondwatermerlast (een te hoog peil van het grondwater) en grondwateronderlast (een te laag peil van het grondwater) worden gerekend. Kelder Het begrip kelder is in het paraplubestemmingsplan een ruim begrip en wijkt of van het reguliere begrip kelder, zoals dat in \eel bestemmingsplannen workomt. De reden hierwor is dat niet alleen kelders in de traditionele zin van het woord onder de reikwijdte van dit paraplubestemmingsplan moeten vallen, maar ook souterrains en in sommige situaties zelfs reguliere bouwlagen tot het begrip 'kelder' gerekend moeten worden.

Alles dat meer dan 0,5 m onder het peil reikt is relevant wor de grondwaterstroming, want kan in het grondwater liggen en daarmee een belemmering worden. Dus ondiepe souterrains, of als de \dicer van wat als reguliere bouwlaag heeft te gelden wordt \erdiept met bijworbeeld 40 cm onder peil naar 80 cm onder peil, dient die wijziging aan de voorwaarden wor grondwaterneutraal bouwen getoetst te kunnen worden. Hiermee wordt workomen dat er alsnog ondergronds gebouwd kan worden, waardoor de grondwaterstroming kan worden belemmerd. bestemmingsplan Grondwatemeutrale kelders (vastgesteld)

blz. 21

Peil Het begrip 'peil' is in dit bestemmingsplan afwijkend van %eel van de peil-begrippen in de moederplannen. In dit bestemmingsplan is er boor gekozen om boor het bepalen van de bouwdiepte van een kelder of souterrain uit te gaan van de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw of, als het gebouw niet rechtstreeks aan de weg is gelegen, de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang tot het bouwperceel. Daarmee geldt - ook als een gebouw niet direct aan de weg ligt, maar bijvoorbeeld een wortuin heeft de kruin van de weg als het peil waanrandaan gemeten dient te worden. Deze regeling boor peil houdt rechtstreeks wrband met het onderzoek dat is uitgewerd worafgaand aan het afwegingskader grondwatemeutrale kelders. Wat betekent dit boor de toetsing van een bouwplan boor bijworbeeld een kelder onder een (bestaand) pand? Voor het bouwen van een kelder onder een bestaand gebouw moet worden uitgegaan van het begrip peil en de wijze van meten zoals e.e.a. in het paraplubestemmingsplan is gedefinieerd. Voor de bowngrondse bebouwing moet worden uitgegaan van het begrip peil en de wijze van meten zoals in het moederplan is opgenomen. Als bijworbeeld geldt de wlgende situatie. Een gebouw waarvoor een maximale boutthoogte geldt van 9 meter grenst met de hoofdtoegang niet direct aan de weg maar heeft een voortuin.

Het gemiddeld aangrenzend afgewerkt maaiveld ligt 20 cm hoger dan de kruin van de Keg. Als peil geldt op grond van het moederplan de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld. Als peil geldt op grond van het paraplubestemmingsplan de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang tot het perceel waar het gebouwzich op bevindt. De hoogte van het gemiddeld afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw ligt zoals gezegd 20 cm boven de kruin van de mg. Gemeten vanaf het peil volgens het moederplan betekent dit dat ten opzichte van de kruin van de weg het gebouw 9,20 meter hoog is. De eigenaar boil een kelder bouwen. Voor het meten van de bouwdiepte t4ordt uitgegaan van het peil als zijnde de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang tot het perceel. De maximale bouwdiepte bij afwijking van het bestemmingsplan bedraagt 4 meter, uitgaande van de hoogte van de kruin van de weg. Voor de kelder betekent dit dat deze ten opzichte van het peil in het moederplan 4,20 meter diep kan zijn. Ten opzichte van het peil uit het parapluplan is de kelder echter 4 meter diep. Om gebruik te kunnen maken van de bevoegdheid om van het bestemmingsplan of te wyken, dient het bevoegd gezag de aanvraag te toetsen aan de beleidsregel voor grondwatemeutrale kelders. De omgekeerde situatie doet zich uiteraard ook boor.

Een gebouw met een voortuin heeft de hoofdtoegang 80 centimeter lager liggen dan de kruin van de mg. De maximale bouwhoogte bedraagt eveneens 9 meter. Als peil geldt op grond van het moederplan de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. Als peil geldt op grond van het paraplubestemmingsplan de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang tot het perceel waar het gebouwzich op bevindt. Gemeente Amsterdam

blz. 22

De hoogte van het gemiddeld afgewerkte terrein ter p/aatse van de hoofdtoegang van het gebouw ligt zoals gezegd 80 cm onder de kruin van de weg. Gemeten vanaf het peil volgens het moederplan betekent dit dat ten opzichte van de kruin van de Keg het gebouw 8,20 meter hoog is. De eigenaar wil een kelder bouwen. Voor het meten van de bouwdiepte wordt uitgegaan van het peil als zijnde de hoogte van de kruin van de Keg ter plaatse van de hoofdtoegang tot het percee/. De maximale bouwdiepte bij afwijking van het bestemmingsp/an bedraagt 4 meter, uitgaande van de hoogte van de kruin van de Keg. Feitelijk betekent dit dat de kelder tot 3,20 meter diep ten opzichte van het peil uit het moederplan kan i4orden aangelegd. Ten opzichte van het parapluplan is de kelder op dat punt namelijk 4 meter diep. De feitelijke bouwdiepte is daardoor mogelijk onvo/doende om een kelder aan to leggen. Dat betekent dat een diepere kelder mogelijk gewenst is en de eigenaar een geohydrologisch onderzoek op maat moet laten uitvoeren, wil het bevoegd gezag gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om van het bestemmingsp/an af to *Ikon. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de bouwdiepte en het te bebouwen opperviak die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden gemeten moeten worden.

Omdat het gaat om ondergrondse gebouwen wordt gesproken over het laagste punt van het bouwwerk, waar wor bo\engrondse bebouwing wordt gesproken over het hoogste punt van een bouwwerk. HOOFDSTUK 2 - BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Vervallen regels Artikel 3 ontneemt aan de bestemmingsplannen het directe bouwrecht om kelders (in de ruime zin van dit paraplubestemmingsplan) te bouwen. Als uitgangspunt geldt immers een totaal verbod voor de hele stad (met uitzondering van IJburg), zodat bij toepassing van de vraag of er van het verbod kan worden afgeweken, getoetst kan worden aan de beleidsregel of grondig onderzoek kan worden gedaan en een zorgvuldige afweging kan worden gemaakt. Dit betekent dat ook de nadere eisenregelingen die in diverse bestemmingsplannen workomen, waarmee nadere eisen vanuit de grondwaterhuishouding aan kelders kunnen worden gesteld, komen to wrvallen. De nadere eisenregeling is immers gekoppeld aan het bouwrecht om een kelder to bouwen. Zodra het bouwrecht er niet meer is, vervalt daarmee ook de mogelijkheid om daar nadere eisen aan to stellen. Voor bestemmingsplannen waarin al is worzien in een bouwverbod voor kelders geldt dat deze wrbodsbepalingen in stand blijven. lets wat al verboden is, hoeft immers niet nog een keer \erboden to worden.

In deze bestemmingsplannen zien we vaak een binnenplanse afwijkingsbewegdheid \door het bevoegd gezag om van het verbod af te wijken. De criteria die aan toepassing van deze bewegdheid zijn gesteld wijken Neelal af van de criteria die op grond van het afwegingskader gehanteerd moeten worden bij de beoordeling of een kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd. Om toepassing van de afwijkingsregels in de diverse bestemmingsplannen op een uniforme manier to laten plaats vinden, is in dit paraplubestemmingsplan bepaald dat de criteria vervallen die in de afwijkingsregels van die bestemmingsplannen betrekking hebben op grondwaterneutraal bouwen. Daarnaast zijn in enkele bestemmingsplannen criteria in de afwijkingsbewegdheden opgenomen die de bouw van grondwaterneutrale kelders door-kruisen of op een andere manier aan de bouw van een kelder in de weg kunnen staan, op het moment dat ze ook moeten voldoen aan de criteria voor grondwatemeutraal bouwen. Om die reden zijn de betreffende regels uit de betreffende bestemmingsplannen in een Bijlage 2 bij de regels opgenomen die met de vaststelling van dit paraplubestemmingsplan vervallen. HOOFDSTUK 3 - ALGEMENE REGELS

bestemmingsplan Grondwatemeutrale kelders (vastgesteld)

blz. 23

Artikel 4 Antidubbeltelbepaling De tekst van deze bepaling is letterlijk overgenomen uit artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het artikel dient \erplicht in ieder bestemmingsplan te worden opgenomen. De tekst ervan spreekt moor zich. Artikel 5 Algemene aanduidingsregels Dit artikel bevat de regeling waar het hele bestemmingsplan in feite om draait. In dit artikel is de verbodsbepaling opgenomen om kelders (in de mime zin van dit bestemmingsplan) te bouwen of te vergroten. Het \erbod geldt in het hele plangebied. Binnen het plangebied is, zoals hiema wordt toegelicht, een onderscheid gemaakt tussen twee zones. In de zone met gebiedsaanduiding 'o\erige zone 1' geldt een absoluut wrbod. Afwijking van het \erbod is binnen deze gebiedsaanduiding uitsluitend mogelijk op basis van een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan. In de zone met gebiedsaanduiding 'oerige zone 2' is een onderscheid gemaakt tussen bouwplannen moor kelders tot en met 300 m2 en maximaal 4 meter bouwdiepte en kelders die groter zijn dan 300 m2 of dieper dan 4 meter. Voor de eerste categorie geldt dat het bewegd gezag op basis van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan afwijken van het bouvwerbod moor kelders, mits de kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd.

Om te bepalen of het bouwplan grondwaterneutraal kan worden gebouwd, moet het bouwplan voldoen aan de 'Beleidsregel Grondwatemeutrale Kelders Amsterdam', die door het college is vastgesteld. Deze beleidsregel is gedestilleerd uit het Afwegingskader dat op 20 januari 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld. Voor de tweede categorie geldt dat niet wordt voorzien in inhoudelijke beleidsregels. Om vast te kunnen stellen of een kelder kan worden gebouwd, zal uit een geohydrologisch onderzoek moeten blijken dat het bouwplan grondwatemeutraal kan worden gebouwd en niet strijdig is met de doelstelling die is verwoord in de aanduidingsomschrijMng, om van de binnenplanse afwijkingsbewegdheid gebruik te kunnen maken. HOOFDSTUK 4 - OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 6 Derige regels Artikel 6 wrwijst naar een Bijlage 1 waarin alle moederplannen zijn opgenomen die met dit paraplubestemmingsplan worden herzien, moor wat betreft de grondwaterneutraliteit van kelders. Voor de duidelijkheid wordt vastgelegd dat de planregels van de moederplannen moor het °mange omerminderd van toepassing blijken. Artikel 7 Overgangsrecht In dit artikel wordt geregeld dat bouwwerken mogen worden behouden of gebruik mag worden wortgezet vanaf het moment dat het plan rechtskracht heeft \erkregen ondanks dat de bebouwing of het gebruik niet (langer) mereenkomt met de regels die in dit bestemmingsplan worden gegeven.

Het overgangsrecht is Nerplicht worgeschreNen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De enige beleidsruimte die de raad bij de vaststelling van dit bestemmingsplan heeft, beAndt zich op het Aak van de afwijkingsbewegdheid moor het bewegd gezag om de van het bestemmingsplan afwijkende Gemeente Amsterdam

blz. 24

situatie tot maximaal 10% uit te kunnen breiden. De raad kan bij de vaststelling van het bestemmingsplan dit percentage lager vaststellen. In dit bestemmingsplan is er boor gekozen het percentage boor van het bestemmingsplan afwijkende ondergrondse bebouwing te stellen op een maximal uitbreidingsmogelijkheid van 1 %. Dit lagere percentage is vastgesteld omdat uitbreidingen op grond van het mergangsrecht binnen de doelstellingen die met dit paraplubestemmingsplan worden nagestreefd ongewenst zijn, gelet op de gewlgen boor de grondwaterstand en doorstroming en de daarmee gepaard gaande mer- en onderlast in tuinen en in de openbare ruimte. Artikel 8 Slotregel Het laatste artikel van de planregels betreft de citeertitel van het paraplubestemmingsplan.

bestemmingsplan_Grondwatemeutrale kelders (vastgesteld)

blz. 25

Hoofdstuk 5

Economische Uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt in de plantoelichting minimaal inzicht gegeNen in de economische uitwerbaarheid van het plan. Het voorliggende parapluplan maakt in beginsel geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, maar stelt worwaarden aan de realisatie van bouwplannen wor kelders van initiatiefnemers. Voor delen van de gemeente wordt kelderbouw vanwege de hierin \erbonden risico's wor het grondwater uitgesloten. Voor de gemeente zijn in zmerre aan het paraplubestemmingsplan geen uitvoeringskosten Nerbonden. Het beperken c.q. wegbestemmen van (op grond van het onderliggende bestemmingsplan) bestaande bouwrechten kan leiden tot planschade ten aanzien waarvan op grond van Hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening een tegemoetkoming kan worden geclaimd. In \erband hiermee is in het voortraject aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) \erzocht om een risicoanalyse planschade uit te weren. Uit het onderzoek van SAOZ kwam naar wren dat het risico op planschade in de gebieden die zich kenmerken door een relatief hoog prijsni\eau varieert van €200.000 tot meer dan €500.000 per pand. Het potentiele risico op planschade waarwor door gedupeerden schadeclaims bij de gemeente zou minimaal in de miljoenen lopen. Daarom was het niet mogelijk om per direct (bijv.

door een voorbereidingsbesluit of directe tervisielegging van een ontwerp-paraplubestemmingsplan) de grondwaterneutraliteit wor te schrij\en. Het risico op wordt echter grotendeels weggenomen door een wldoende lange benuttingsperiode (t.b.v creeren van worzienbaarheid en zogenaamde passiew risicoaanvaarding) aan te houden. Met de publicatie van het Concept Afwegingskader Grondwatemeutrale Kelders Amsterdam op 2 september 2020 is een concreet beleidswornemen bekend gemaakt, waardoor de bedoelde benuttingsperiode is ingegaan. Conform het advies van SAOZ advies is besloten een termijn van minimaal 6 maanden aan te houden alwrens het worliggende plan in procedure te brengen. Vanaf het moment van tervisielegging van het plan geldt een aanhoudingsplicht wor bouwplannen waarmee de eis van grondwatemeutraliteit kan worden afgedwongen. Met inachtneming van het bo\enstaande is de conclusie dat het bestemmingsplan economisch uitwerbaar is.

Gemeente Amsterdam

blz. 26

bestemmingsplan_Grondwatemeutrale kelders (vastgesteld)

blz. 27

Hoofdstuk 6 6.1

Inspraak en overleg

Inspraak

Het afwegingskader is opgesteld mede naar aanleiding van initiatiewn van bewoners van Amsterdam die geconfronteerd werden met de negatiew gevolgen van de aanleg van kelders. Deze bewoners hebben in bijeenkomsten in (woral) stadsdelen Zuid en West aangege\en dat de gemeente Amsterdam de aanleg van kelders aan banden zou moeten leggen. In stadsdeel Zuid is dat gebeurd in werleggen met de initiatiefgroep Stop de bouwwoede, met individuele bewoners en tijdens het participatietraject van de verschillende bestemmingsplannen. In stadsdeel West is het onderwerp van bespreking geweest in het BuurtLab, een informeel merlegplatform van betrokken bewoners van stadsdeel West en de projectleiding van bouwdynamiek in stadsdeel West. Verder zijn er informatiebijeenkomsten georganiseerd in stadsdeel West over de bouwdynamiek. Ook toen hebben bewoners zich uitgelaten over de kelderbouw, zowel positief als negatief. Dat geldt ook wor de informatiebijeenkomsten over de bestemmingsplannen. Tenslotte is in het gebied Oud West al enige tijd een separate richtlijn van toepassing ten behoeve van het realiseren van grondwaterneutrale kelders. Op het concept Afwegingskader is inspraak \erleend conform de gemeentelijke inspraakverordening. Op 2 september 2020 is het concept gepubliceerd in het Gemeenteblad.

Op de pagina "meepraten-meedenken" is hieraan op de gemeentelijke website extra aandacht geschonken. De inspraak over het paraplubestemmingsplan zelf vindt plaats in het kader van de tervisielegging van het ontwerpparaplubestemmingsplan in het kader van de uniforme openbare worbereidingsprocedure.

6.2

Overleg ex art. 3.1.1 Bro

In het kader van het wettelijk woroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept-ontwerpparaplubestemmingsplan wor advies worgelegd aan Watemet, het Havenbedrijf Amsterdam en de provincie Noord-Holland. •

Reactie Waternet

Waternet heeft technisch inhoudelijke opmerkingen op het concept-ontwerp gege\en. Naar aanleiding van de reactie van Watemet heeft ambtelijk overleg plaats gewnden waarin de door Waternet gemaakte opmerkingen en gestelde vragen zijn besproken. In samenspraak met Waternet is verwlgens het ontwerp-paraplubestemmingsplan opgesteld zoals dit ter inzage heeft gelegen. Waternet heeft laten weten dat het paraplubestemmingsplan wor de grondwaterzorgtaak juist houvast en duidelijkheid geeft naar de toekomst over kelderbouw en op welke wijze dat gebeurt (vailig en grondwatemeutraal). Ook wor de gewlgen wor de taken van het waterschap wordt het parapluplan als een \erbetering ten opzichte van de huidige situatie gezien. In de buurt van parken of gewelige gebieden (parken, waterkeringen, polderriolen) wordt de standstill-kD gehanteerd. Dat betekent dat er niet meer of minder water in de parken of gewelige gebeiden komt en er wordt geanticipeerd op klimaaheranderingen en een robuust watersysteem (door o.a. grondwatemeutraal bouwen).

•

Reactie Havenbedrijf Amsterdam

De reactie van het Havenbedrijf Amsterdam bestaat uit een aantal vragen die betrekking hebben op enkele onduidelijkheden in het plan, de noodzaak om Westpoort in het plan to betrekken en hoe het Gemeente Amsterdam

blz. 28

plan zich \erhoudt tot de varplichting te intensi\eren, waarbij er enerzijds een \erplichting komt garages juist ondergronds te realiseren en anderzijds een wrbod op ondergronds bouwen. Op ambtelijk niwau zijn de gestelde vragen met het Hmenbedrijf besproken. Daarmee zijn de onduidelijkheden weggenomen en de vragen beantwoord. Hieronder zijn de vragen en de antwoorden hierop opgenomen. 1. Het is ons niet duidelijk op grond van welke criteria het gemeentegebied is ingedeeld in zone 1 en zone 2. Voorts begrijpen wij niet helemaal waarom Westpoort is ingedeeld bij "Havenstad, IJburg en Overamstel". Antwoord: De indeling in de zones 1 en 2 heeft te maken met het Afwegingskader grondwatemeutrale kelders en het onderzoek dat aan het afwegingskader ten grondslag heeft gelegen. Uit dat onderzoek is gebleken dat er een aantal gebieden zijn waar niet zonder deugdelijk geohydrologisch onderzoek een kelder grondwetemeutraal kan worden gebouvul (overige zone - 1). Voor die gebieden dient per geval onderzocht te worden of een kelder grondwatemeutraal kan worden gebouwd. Om die reden geldt voor deze gebieden een verbodsbepaling, waarvoor alleen met een uitgebreide omgevingsvergunningenprocedure van het bestemmingsplan kan worden afgeweken.

Voor de gebieden met de aanduiding 'overige zone - 2' geldt dat op basis van het afwegingskader beleidsregels zijn ontwikkeld waar een aanvraag omgevingsvergunning voor een kelder aan getoetst moet worden. In de beleidsregel is daarbij op basis van het Afwegingskader een verder onderscheid gemaakt naar maatregelen per type gebied/buurt waarin het bouwplan ligt. Voldoet de aanvraag aan de vootwaarden uit de beleidsregel dan kan op basis van een reguliere omgevingsvergunningenprocedure aan de bouw van een kelder worden meegevlerkt. Westpoort heeft in het bestemmingsplan de aanduiding 'overige zone -2'. De opmerking dat niet wordt begrepen dat Westpoort is ingedeeld bij "Havenstad, IJburg en Overamstel", heeft geen betrekking op de regeling in het paraplubestemmingsplan. In het afwegingskader zijn de gebieden IJburg, Haven-Stad (inclusief Westpoort) en Overamstel" aangeduid als 'ontwikkelingsgebieden'. Opmerkingen over het Afwegingskader hadden in dat kader naar voren gebracht kunnen worden. De raad heeft het Afwegingskader op 20 januari 2021 vastgesteld.

2.

Wij zien op de kaart met de zone-indeling niet goed het onderscheid tussen zone 1 en zone 2.

Antwoord: Op de digitale verbeelding is het onderscheid tussen de zones goed zichtbaar.

3. In Westpoort speelt ons inziens de grondwaterproblematiek bij gebouwen keel minder dan in andere delen van de stad. In Westpoort speelt niet bepaald het probleem van wildgroei aan onderkeldering van gebouwen. Wij zien boor Westpoort dus niet de reden voor de strenge regels. Antwoord:

bestemmingsplan Grondwatemeutrale kelders (vastgesteld)

blz. 29

Ook in Westpoort komen gebieden voor waar de bouw van kelders effecten kunnen hebben op de grondwatemeutraliteit van de stad. Aangezien de grondwaterproblematiek een gemeentebreed probleem is (uitgezonderd IJburg) dient ook het hele gebied aan een toets onderworpen te kunnen worden, zodra het gaat om de bouw van kelders.

4. Wij vragen ons of hoe de \erplichtingen die met deze planwijziging gepaard gaan, zich verhouden tot de \erplichting te intensiveren; enerzijds moeten (inpandige) garages juist ondergronds worden gerealiseerd en anderzijds komt er een verbod op ondergronds bouwen. Antwoord: Het paraplubestemmingsplan houdt weliswaar een verbod in om kelders te bouwen, maar het is geen absoluut verbod. Zodra blijkt dat de kelder voldoet aan de beleidsregel of uit geohydrologisch onderzoek blijkt dat de kelder grondwatemeutraal kan worden aangelegd, kan een omgevingsvergunning voor de bouw van een kelder worden verteend, mits ook voor het overige geen bezwaren vanuit een goede ruimtelijke ordening zich tegen de getitenste ontwikkeling verzetten.

Reactie Provincie Noord-Holland

De provincie heeft per e-mail op het concept-ontwerpbestemmingsplan gereageerd. Daarbij heeft de provincie aangegeven dat in de Omgevingsvisie 2050 klimaatverandering als een van de meest urgente ontwikkelingen in de leefomgeving wordt benoemd. De noodzaak om klimaatadaptief te bouwen wordt onderkend en waar mogelijk gepromoot. Bij nieuwe ontwikkelingen worden effecten op de ondergrond meegewogen. In dit paraplubestemmingsplan worden de worwaarden voor het bouwen van kelders wat verder aangescherpt. Dit womemen strookt met de uitgangspunten in de Omgevingsvisie. Tevens botst het niet met de Omgevings\erordening 2020. Vanuit de provincie is er geen bezwaar op dit plan.

Gemeente Amsterdam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10671548/1