Raadsbesluit2021-099D 5. BP Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Toelichting
Tekst van het document
Stecgroep heeft onderzoek gedaan naar de behoefte van zelfstandige horeca in het gebied Zeeburgereiland (zie hoofdstuk 3 en de bijlage van de toelichting). Tussen 2012 en 2016 steeg de omzet in de Amsterdamse horeca met 20%. Verwacht wordt dat deze omzetstijging sinds 2016 minimaal op gelijke voet is door blijven zetten en ook in de komende jaren door al zetten. Reden om dit aan te nemen is de enorme groei in de woningbouw en de enorme groei in toerisme. Wanneer we deze stijging ook meenemen in 79
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
de verwachte vraag, zal de behoefte aan horecameters in de komende jaren fors doogroeien. Conclusie De horecanota geeft aan dat de ontwikkeling van Zeeburgereiland een aandachtpunt vormt: een groei in het aanbod dient gelijk op te gaan met de groei van het stadsdeel. 3.4.12 Sportvisie De Sportvisie 2025 bepaalt de kaders van het sportbeleid. Die benoemt op grond van trends en ontwikkelingen de belangrijkste uitdagingen en bijbehorende speerpunten in het Amsterdamse sportbeleid. Amsterdam heeft de ambitie om zwemmen en waterrecreatie een prominente rol te geven. Dat past bij de stad, want met onder andere de grachten, de Amstel en het IJ zit water in het DNA van Amsterdam en in het bloed van de Amsterdammers. De Agenda Zwembaden maakt duidelijk hoe de Sportvisie 2025 zich vertaalt in uitgangspunten en speerpunten voor de Amsterdamse zwembaden. Daarmee waarborgen we de continuïteit van het zwemaanbod en betrekken we de gebruikers van de baden er meer en meer bij. Invulling van het doelgroepen/-instructiebad in de bedrijvenstrook op Zeeburgereiland, als aanvulling op de publieke zwembaden, geeft uitvoering aan de ambitie van de Agenda Zwembaden 2025 om te blijven voorzien in een goed gespreid en voldoendeaanbod van overdekte zwemcapaciteit in Amsterdam, waarbij ook private initiatieven nadrukkelijk ruimte krijgen voor een meer divers sportaanbod in de stad.
In Amsterdam Oost is een tekort aan binnenzwemwater, wat zich vertaald naar een tekort van zo’n 700 m2 in 2019 en meer dan 1.000 m2 in 2040. Het tekort is deels op te lossen met beter programmeren van de nu al bestaande zwemvoorzieningen in oost, anderzijds blijft het toevoegen van nieuwe accommodaties nodig voor het invullen van de gehele zwembehoefte (Noititie behoeftenonderzoek zwemwater Amsterdam oost; gemeente Amsterdam en TSB/MB, januari 2020). Naast het toevoegen en/of intensiveren van publieke zwemvoorzieningen, is het toevoegen van kleinere private (instructie- en doelgroepen)zwembaden van belang voor de zwemmende Amsterdammer. Voor de bijdrage aan het tekort van zwemwater, voor een evenredige spreiding van binnenzwemwater in Amsterdam Oost (zwemvoorzieniningen daar waar de bevolkingstoename het grootst is), en voor een meer divers aanbod aan zwemvoorzieningen. Het toelaten van het zwembad en de ondersteunende horeca in de bedrijvenstrook is bedoeld voor doelgroepen/instructiezwemmen. Realisatie en exploitatie vindt vanuit private initiatief. Het gebruik van dit private zwembad en de mogelijke combinaties met horeca-, welness-, leisure en maatschappelijke functies, leidt tot het meer aansluiten van de recreatievraag van de zwemmende Amsterdammer, en voor een meer divers aanbod aan zwemvoorzieningen in Oost.
De maat van 600m2 blijkt uit de praktijk een werkende exploiteerbare maat voor dergelijke initiatieven. 3.4.13 Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022 De gemeenteraad heeft op 20 december 2017 het Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022 vastgesteld. Hierin is als uitgangspunt opgenomen dat winkels in Amsterdam worden geclusterd in winkelgebieden. Amsterdam staat de vestiging van nieuwe winkelfuncties buiten de winkelgebieden in principe niet toe. Er gelden enkele uitzonderingen op dit clusteringsvereiste. Zo is ondergeschikte detailhandel binnen een andere functie (een ambachtelijk bedrijf, 80
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
consumenten dienstverlening, alcoholvrije horeca of cultuurinstelling) wél mogelijk buiten de winkelgebieden. Detailhandel is ondergeschikt wanneer maximaal 20% (met een plafond van 50 m2) van het bruto vloeroppervlakte van de betreffende andere functie bestaat uit winkelruimte. Verder geldt dat de exploitant van de ondergeschikte detailhandel óók de hoofdfunctie moet exploiteren. Hierdoor ligt de ondergeschikte detailhandel in het verlengde van de hoofdfunctie. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan is in lijn met het detailhandelsbeleid. Voor een binnenstedelijk stadsverzorgend bedrijventerrein (zie ook Structuurvisie Amsterdam 2040) is detailhandel alleen in de zin van perifere detailhandel en/of grootschalige detailhandel alleen onder voorwaarden mogelijk. De Bedrijvenstrook Zeeburgereiland is een kansrijke plek voor perifere detailhandel (PDV) gericht op de consument uit het verzorgingsgebied Zeeburgereiland, IJburg, wellicht Indische buurt en Zeeburg. Ondergeschikte detailhandel bij een bedrijf is onder voorwaarden mogelijk.
81
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
Hoofdstuk 4 4.1
Milieuaspecten
Milieueffectrapportage
Voor de ontwikkeling van Zeeburgereiland is een milieueffectrapportage opgesteld (MER Zeeburgereiland, Antea Group, 2018). Deze ziet op de ontwikkeling van de Sluisbuurt, de Baaibuurten en de Bedrijvenstrook. Het MER is procedureel gekoppeld geweest aan het bestemmingsplan Sluisbuurt. Met de vaststelling van het bestemmingsplan Sluisbuurt is de m.e.r.-plicht verwerkt. Voorliggend bestemmingsplan maakt circa 76.500 brutovloeroppervlak (niet-woningbouwprogramma) mogelijk. In de MER zijn de effecten hiervan op het milieu onderzocht. Daaruit blijkt dat het programma uitvoerbaar is. In het MER is aanbevolen om bij de totale ontwikkeling van Zeeburgereiland in breder perspectief naar de bereikbaarheidsproblematiek te kijken, naast het treffen van lokale maatregelen. Het gaat hier om een planoverstijgend mobiliteitsplan. In het MER wordt voorgesteld om dit op vier pijlers te laten rusten: inzet op modal shift verbetering doorgaande fietsverbindingen verbetering openbaar vervoer verbetering autoinfrastructuur Het Mobiliteitsplan is inmiddels vastgesteld (zie paragraaf 5.1 van deze toelichting). Voor een bespreking van de milieuaspecten wordt verwezen naar onderstaande paragrafen. De milieueffecten van het bestemmingsplan blijven binnen de bandbreedte van de resultaten van het MER.
4.2
Milieuzonering bedrijven
4.2.1
Kader
Bedrijven zijn milieubelastende bestemmingen die hinder ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen (waaronder wonen) kunnen veroorzaken. Om deze hindersituaties te voorkomen dient bij een bestemmingsplan(wijziging) waarin milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen in elkaars nabijheid mogelijk worden gemaakt in principe uit te worden gegaan van scheiding van functies. Daartoe zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009; hierna te noemen B&M) richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor verschillende functies aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer fijne afstemming voor de voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. Het plangebied en omgeving wordt aangemerkt als gemengd gebied. In het plangebied worden bedrijven tot maximaal categorie 3.2 toegelaten.
82
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
Richtafstanden tabel (bron: www.Infomil.nl) Deze afstanden in B&M zijn naast de factoren aard en omvang van het bedrijf mede afhankelijk van de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. Een overschrijding van de wettelijke normen (qua geluidsbelasting, stof, geur en gevaar), zoals besproken in voorgaande en volgende hoofdstukken, is echter niet toelaatbaar. Rustige woonwijk. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden standaard ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Gemengd gebied. Naast het omgevingstype rustige woonwijk kent de VNG-uitgave ook het omgevingstype gemengd gebied. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies, voor met name het aspect geluid, met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
Het aspect geluid is veelal het maatgevende aspect. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine 83
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter. 4.2.2
Plangebied
Voor bedrijven met milieucategorie 3.2 geldt een minimale aan te houden afstand van 50 meter ten opzichte van gevoelige functies. De afstand tussen de gevels van de meest dichtbij gelegen woningen in de Sportheldenbuurt en het bouwvlak van de te realiseren bedrijven bedraagt tenminste ca. 60 meter. Hiermee wordt aan de richtlijn voor gemengd gebied voldaan. Het beoogde plan maakt naast bedrijven uit categorie 3.2. ook commerciele voorzienigen, horeca en sport, politiebureau, een bouwmarkt en een P+R voorziening mogelijk. Voor deze functies gelden geen richtafstanden. Voor wat betreft een (overdekt) zwembad kan worden uitgegaan van ten hoogste categorie 3.1. In de regels zijn bedrijven met een grote verkeersaantrekkende werking niet zonder meer toegelaten. Dergelijke bedrijven zijn pas toegestaan na beoordeling van de verkeersaantrekkende werking, bijvoorbeeld aan de hand van een bij de aanvraag te overleggen mobiliteitsplan. Conclusie Voorliggend plan voldoet aan de richtafstanden uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Kader
Wet luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. De nieuwe wetgeving kent een dubbele doelstelling: 1. 2.
De overheid wil een belangrijke impuls geven aan het treffen van maatregelen zodat in ons land de Europese normen worden gehaald; De overheid wil er ook voor zorgen dat er meer mogelijkheden zijn om projecten door te laten gaan. Dat was nodig om dat in het verleden veel plannen door de rechter werden stilgelegd vanwege het niet halen van de normen.
Een belangrijk verschil met het vervallen besluit luchtkwaliteit 2005 is dat de nieuwe regelgeving geen directe en harde koppeling meer kent tussen besluiten en grenswaarden. Deze is vervangen door een meer flexibele toetsing of koppeling tussen (ruimtelijke) besluiten en de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Een van de elementen daarvan is dat projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de concentraties, niet meer afzonderlijk getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. In de Wet milieubeheer zijn grenswaarden voor zeven stoffen en richtwaarden voor vijf 84
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
stoffen opgenomen voor de concentraties in de buitenlucht. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) het meest kritisch. Daarnaast is ook voor zeer fijn stof (PM2,5) een jaargemiddelde grenswaarde van kracht. In het algemeen geldt dat bij voldoen aan de normen voor deze stoffen, overschrijdingen van de normen voor de overige stoffen (zwaveldioxide, lood, koolmonoxide en benzeen) redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten. Voor projecten die wel in betekenende mate bijdragen aan de concentratie is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) relevant. In Nederland werken de Rijksoverheid, provincies en lokale overheden samen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Zij doen dat binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL heeft twee belangrijke doelen: De luchtkwaliteit verbeteren voor de volksgezondheid: mensen leven langer en zijn minder ziek als zij schonere lucht inademen. Ruimte bieden aan maatschappelijk gewenste ruimtelijke ontwikkelingen zoals woningbouw en nieuwe wegen. Een bestemmingsplan is in overeenstemming met de Wet milieubeheer als het bestemmingsplan niet leidt tot een overschrijding of een verdere overschrijding van de normen. Van onderzoek naar luchtkwaliteit kan worden afgezien indien het betreffende project is aangemeld in het kader van het NSL.
overzicht normen luchtkwaliteit In artikel 5.19 Wm is vastgesteld op welke plaatsen geen beoordeling van de luchtkwaliteit plaats hoeft te vinden. Dit wordt beschreven in het zogenaamde toepasbaarheidsbeginsel. Er wordt niet getoetst op: locaties die zich bevinden in gebieden waartoe leden van het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is; terreinen waarop een of meer inrichtingen zijn gelegen, waar bepalingen betreffende gezondheid en veiligheid op arbeidsplaatsen van toepassing zijn. Het gaat hier om bedrijfsterreinen of terreinen van industriële inrichtingen waar ARBO-regels gelden; de rijbaan van wegen, en op de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang hebben tot de middenberm. AMvB en Regeling niet in betekende mate (NIBM) De luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Een verslechtering van maximaal 3% komt overeen met een nieuwbouwproject van 1.500 woningen.
Grotere projecten daarentegen kunnen bij dreigende overschrijding van de grenswaarden, worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. De ontwikkeling van Zeerburgereiland is het NSL opgenomen. 85
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Deze AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam Op 1 maart 2006 is de gemeenteraad akkoord gegaan met het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam 2005. Dit actieplan kent als doel het oplossen van de bestaande knelpunten ten aanzien van de luchtkwaliteit in de stad. De drie centrale uitgangspunten van dit actieplan zijn: Het beschermen van de gezondheid van mensen staat centraal. Amsterdam houdt vast aan het concentratiebeleid ten aanzien van het hoofdnet auto. Amsterdam houdt vast aan het beleid met betrekking tot de compacte stad. Het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam vloeit voort uit de verplichting die is opgenomen in het landelijke Besluit luchtkwaliteit (2005). Ingegeven door aspecten van de volksgezondheid stelt dit besluit, op grond van een Europese richtlijn, voor verschillende stoffen normen voor maximale concentraties in de buitenlucht.
Burgemeester en Wethouders moeten op grond van het Besluit luchtkwaliteit jaarlijks de stedelijke luchtkwaliteit inventariseren. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van knelpunten, hetgeen in Amsterdam het geval is, moeten Burgemeester en Wethouders op grond van het Besluit luchtkwaliteit een actieplan opstellen dat gericht is op het aanpakken van de geïdentificeerde knelpunten. Dit actieplan is vastgesteld door het College op 24 januari 2006. Actieplan Schone lucht De diesel- en benzineauto heeft in Amsterdam de langste tijd gehad. De gemeente wil in 2030 voldoen aan de adviesnormen van de World Health Organization. Het Actieplan Schone Lucht (2019) omschrijft hoe de gemeente dat aanpakt. Stadsverkeer, rook uit de schoorsteen, bouwvoertuigen, industrie en scheepvaart stoten stikstofdioxide en fijnstof uit. Deze stoffen zijn schadelijk voor hart, longen en de conditie van ieders lichaam. De luchtkwaliteit is de laatste 10 jaar een stuk verbeterd. Toch voldoet de stad in 3 straten nog niet aan de Europese normen. In het Actieplan Schone Lucht zijn maatregelen opgenomen om op korte termijn te voldoen aan de Europese grensnorm voor luchtkwaliteit. Maar de ambitie van het stadsbestuur is groter. In 2030 moet de stad voldoen aan de 2 keer zo strenge advieswaarden van de World Health Organization (WHO).
Dit leidt tot een stillere, beter leefbare stad en een mogelijke CO2-vermindering van 9%. Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam Deze stedelijke richtlijn heeft het college van B&W in december 2009 vastgesteld. Het belangrijkste uitgangspunt in de richtlijn is dat bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal binnen een afstand van 50 meter (gemeten van de rand van de weg) geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd. Van de in de richtlijn genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden 86
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Met deze Amsterdamse richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit is sprake van extra en strengere regelgeving dan Europa voorschrijft, en dan wat er in Nederland in het Besluit gevoelige bestemmingen is opgenomen. 4.3.2
Plangebied
De ontwikkeling van heel Zeeburgereiland en daarmee ook de ontwikkeling van de Bedrijvenstrook is onderdeel van het NSL. Hierdoor vervalt de onderzoeksplicht voor luchtkwaliteit. Evenwel is in het kader van het MER. het effect op de luchtkwaliteit beschouwd bij de ontwikkeling van geheel Zeeburgereiland (Sluisbuurt, Baaibuurten en Bedrijvenstrook). De bijdrage van de Bedrijvenstrook op de totaalontwikkeling is zeer gering. Gelet op artikel 5.19 Wm is een beschouwing van de luchtkwaliteit op de Bedrijvenstrook niet aan de orde. De beschouwing van de luchtkwaliteit heeft daarom betrekking op het effect van het programma van de Bedrijvenstrook op de omgeving. Als gevolg van de plannen voor Zeeburgereiland nemen de verkeersintensiteiten op de diverse wegvakken op Zeeburgereiland toe. Ter plaatse van de bedrijvenstrook zelf is sprake van een geringe afname van de luchtkwaliteit (NO2). Dit heeft niet zozeer met het extra verkeer te maken, maar vooral met het dichterbij komen van bebouwing langs de A10. Hierdoor kan de lucht zich minder goed verspreiden dan in de referentiesituatie. Ter plaatse is sprake van een toename van maximaal 3 µg/m3 in de bedrijvenstrook. Bij de eerstlijns bebouwing in de Sportheldenbuurt (bij de kruising IJburglaan/Zuiderzeeweg) doet zich een toename van 0,5 tot 1,5 µg/m3 voor (dit is de toename door het verkeer van Zeeburgereiland als geheel).
Ter plaatse van de toename is sprake van een zeer gering aantal blootgestelden. Het gebied waar deze toename aanwezig is, is ook zeer gering. Bij de Sportheldenbuurt zijn geen significante (<0,5 µg/m3) toe- of afnamen voor NO2 berekend. Voor zowel PM10 als PM2,5 doen zich geen toe- of afnames voor ter plaatse van blootgestelden. De conclusie uit het MER luidt dat voldaan wordt aan de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10 en PM 2,5. In 2020 zijn de jaargemiddelde achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide iets meer dan de helft, en voor (zeer) fijn stof minder dan de helft van de geldende grenswaarden. Voor het thema luchtkwaliteit zijn geen wettelijke maatregelen en/of optimaliserende maatregelen benodigd gezien de heersende concentraties en de zeer beperkte lokale toename. De IJburglaan is gelet op de intensiteiten van het verkeer relevant vanuit de Richtlijn Gevoelige bestemmingen. Het bestemmingsplan Bedrijvenstrook maakt echter geen gevoelige functies mogelijk, waardoor geen beschermingszone hoeft te worden opgenomen in het bestemmingsplan.
Om de invloed van het bestemmingsplan Bedrijvenstrook zelf op de omgeving te kunnen beoordelen, en daarmee de bijdrage van de ontwikkeling van de Bedrijvenstrook op bovengeboemde resultaten uit het MER, zijn aanvullende luchtkwaliteit berekeningen uitgevoerd, waarin de bijdrage door het verkeer van uitsluitend de Bedrijvenstrook, en de activiteiten van de bedrijven op de Bedrijvenstrook in kaart is beschouwd (LBPSIGHT, zie bijlage). 87
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
Uit deze berekeningen blijkt dat de bijdrage aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en (zeer) fijn stof als gevolg van de bedrijcigheid, ter hoogte van de dichtstbijzijnde eerstelijns bebouwing respectievelijke maximaal 0,2 m/m3 (NO2) , 0,2 mg/m3 (PM10) en 0,15 mg/m3 (PM2,5) te zijn. De dichtstbijzijnde eerstelijns bebouwing vanuit de Bedrijvenstrook bezien is de hoek Kees Broekmanstraat / Leo Hornstraat. Ter hoogte van de kruising IJburglaan / Zuiderzeeweg zijn deze bijdragen nog lager (alle kleiner of gelijk aan 0,05 mg/m3). Hiermee wordt de conclusie uit het MER bevestigd. In samenhang met de heersende achtergrondconcentraties, de bijdrage van het verkeer van geheel Zeeburgereiland, en de bijdrage door de Bedrijvenstrook, wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit. Opgemerkt wordt dat uit de nadere analyse van Goudappel Coffeng (zie bijlage van de toelichting) blijkt dat de uitgangspunten uit het MER 'worst case' zijn omdat de totale verkeersgeneratie ter plaatse van het plangebied kleiner is dan in het MER aangenomen. Daarbij komt dat door de knip in de Bob Haarmslaan het verkeer nu in hoofdzaak via de Marie Baronlaan wordt afgewikkeld. De gemeente Amsterdam heeft als ambitie middels het Actieplan Schone Lucht in 2030 te kunnen voldoen aan de richtlijnen van de World Health Organization (WHO).
Deze richtwaarden zijn de helft van de huidige Nederlandse wettelijke grenswaarden. Uit voorgaande blijkt dat in 2020 hier al (bijna in geval NO2) aan voldaan wordt. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De ontwikkeling is onderdeel van het NSL.
4.4
Geluidhinder
4.4.1
Kader
In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn regels voor het bestrijden en voorkomen van geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en industrie vastgelegd. Hierin staat bijvoorbeeld wanneer de geluidbelasting moet worden getoetst. Daarnaast is vastgelegd hoeveel decibel geluid in deze situaties zijn toegestaan. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd bij de toetsing, moeten er maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen. Indien een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies of nieuwe infrastructuur mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek verricht te worden. Bestaande wegen, die niet zijn aangewezen als woonerf of 30 km-zone, hebben een wettelijke onderzoekszone. Indien binnen deze zone nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient met een akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat er voldaan wordt aan de hoogst toelaatbare waarde van de Wgh. Indien uit onderzoek blijkt dat de hoogst toelaatbare waarden op de gevel wordt overschreden, zal er een hogere waarde vastgesteld moeten worden. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd te worden.
88
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
4.4.2
Plangebied
Op de bedrijvenstrook worden binnen de zone van de A10, IJburglaan, Buiten-IJ (scheepvaartlawaai) en trambaan (IJtram) geen geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe wegen mogelijk die niet zijn aangewezen als 30km/uur zone. De Bedrijvenstrook wordt ingericht als 30 km-gebied. De Bedrijvenstrook ligt buiten de zonegrens van een gezoneerd industrieterrein. Op grond van de Wet geluidhinder geldt daarom voor de Bedrijvenstrook geen onderzoeksverplichting. Het bestemmingsplan maakt bedrijvigheid tot ten hoogste categorie 3.2 mogelijk. Vanuit bedrijven en milieuzoering is het akoestisch klimaat op gevoelige functies van belang. Door de realisatie van het bedrijventerrein, neemt het autoverkeer op de wegen buiten het plangebied toe. In het kader van de goede ruimtelijke ordening dient het geluideffect hiervan op gevoelige functies te worden beschouwd. Milieueffectrapportage Zeeburgereiland In het kader van het MER zijn geluidberekeningen uitgevoerd, waarbij de geluidbelasting is bepaald van de meest maatgevende bronnen in het onderzoeksgebied en de directe omgeving daarvan. Voor het bepalen van de impact van geluid is gefocust op geluidgevoelige objecten. De berekeningsresultaten zijn weergegeven middels geluidbelastingsklassen. De geluidbelastingen zijn aangegeven in klassen boven de 50 dB, in stapgrootte van 5 dB.
Aldus ontstaan zogeheten geluidklassen. De in het gebied optredende geluidbelastingen kunnen zo goed aan de hand van deze geluidklassen worden beoordeeld. Voor het bepalen van de impact van geluid wordt gefocust op geluidgevoelige objecten. Om de mate van blootstelling per onderzochte situatie te kunnen vergelijken is uitgegaan van een aantal bewoners binnen het onderzoeksgebied. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen geluidbelasting bij bestaande geluidgevoelige bestemmingen (bestaande blootgestelden) en geluidbelasting in de nieuwe buurten (nieuw te introduceren blootgestelden). Het MER laat een toename van het aantal gehinderden zien bij een volledige ontwikkeling van het Zeeburereiland. De bijdrage vanwege de ontwikkeling van de bedrijvenstrook is daarbij echter gering. Uit het MER blijkt dat als gevolg van de verkeersgeneratie van geheel Zeeburgereiland ter plaatse van de eerstelijnbebouwing van de Sportheldenbuurt aan de zijde van de Bob Haarmslaan sprake is van een geluidtoename van nihil tot maximaal 0,5 dB. Het verkeer op de A10 is aan die zijde van de buurt veruit maatgevend. Het verkeer van de Bedrijvenstrook wikkelt af via de Bob Haarmslaan en de Marie Baronlaan en de geluidbelasting van deze wegen is onderschikt aan de aan de al aanwezige geluidbelasting van de omringende wegen ter plaatse de Sportheldenbuurt.
De toename van de geluidbelasting van alleen deze twee wegen ligt binnen de bandbreedte van 0 tot minder dan 0,5 dB(A). Deze toename is akoestisch gezien niet relevant en wordt aanvaardbaar geacht. Opgemerkt wordt dat uit de nadere analyse van Goudappel Coffeng (zie bijlage van de toelichting) blijkt dat de uitgangspunten uit het MER 'worst case' zijn omdat de totale verkeersgeneratie ter plaatse van het plangebied kleiner is dan in het MER aangenomen. Daarbij komt dat door de knip in de Bob Haarmslaan het verkeer nu in hoofdzaak via de 89
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
Marie Baronlaan wordt afgewikkeld. In het MER is ook de geluidbelasting vanwege de bedrijven op de Bedrijvenstrook beschouwd.
k engetallen voor categorie bedrijven Uit het MER blijkt dat ter plaatse van de eerstelijns bebouwing aan de A10 zijde van de Sportheldenbuurt een geluidbelasting van circa 47 dB(A) heerst als gevolg van de bedrijvigheid op de Bedrijvenstrook. De eerstelijns bebouwing aan de zijde gericht naar het Buiten-IJ ondervindt een geluidbelasting van circa 40 dB(A). Het binnengebied van de Sportheldenbuurt kenmerkt zich door een geluidbelasting van circa 41 dB(A) tussen de bebouwing tot 45 dB(A) langs de Faas Wilkesstraat. Conclusie Op basis van de geluidscontouren uit de MER studie kan geconstateerd worden dat de invloed van de IJburglaan, de snelweg A10 en de Zuiderzeeweg in het onderzoeksgebied dominant is. Het verkeer van de Bedrijvenstrook wikkelt af via de Bob Haarmslaan en de Marie Baronlaan en de geluidbelasting van deze wegen is onderschikt aan de aan de al aanwezige geluidbelasting van de omringende wegen ter plaatse de Sportheldenbuurt. De toename van de geluidbelasting ter plaatse van de eerstelijnbebouwing van de Sportheldenbuurt als gevolg van alleen deze twee wegen ligt binnen de bandbreedte van 0 tot minder dan 0,5 dB(A). Deze marginale toename is aanvaardbaar. Uitgaande van bedrijvigheid in de categorie 3.2 is de hoogste geluidbelasting ter plaatse van de eerstelijns bebouwing aan de A10 zijde van de Sportheldenbuurt vanwege de bedrijvigheid circa 47dB(A).
Deze gecumuleerde geluidbelasting van alle bedrijven tezamen ligt ruimschoots onder de algemeen aan te houden aanvaarbare norm van 50 dB(A) waarbij sprake is van een goede ruimtelijke ordening Het aspect geluid vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1
Kader
Voor het aspect bodemopbouw en grondbalans geldt geen wetgeving of een beleidskader. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan echter wel rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Voor bodemkwaliteit is wel wetgeving aanwezig. Hiervoor geldt dat bij functiewijzigingen er bekeken moet worden of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Ook moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In het kader van het MER is door de gemeente Amsterdam een bureaustudie uitgevoerd naar de bodemkwaliteit en de grondbalans van/op Zeeburgereiland, waaronder de Bedrijvenstrook. 90
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
4.5.2
Plangebied
Raamsaneringsplan Zeeburgereiland Op het Zeeburgereiland zijn in de loop der jaren op meerdere plekken (water)bodemverontreinigingen ontstaan. Deze verontreinigingen betroffen zowel mobiele als immobiele verontreinigingen. Om grond-/saneringswerk uit te mogen voeren in de sterk verontreinigde grond is in 2006 door Witteveen&Bos een raamsaneringsplan (RSP, zie bijlage) opgesteld voor het gehele Zeeburgeiland. Voor het deel dat betrekking heeft op de bodem is een beschikking afgegeven door de toenmalige Dienst Milieu en Bouwtoezicht. Voor het deel dat betrekking heeft op de waterbodem is een beschikking afgegeven door de Provincie Noord-Holland. In het raamsaneringsplan is de saneringsaanpak van de bodemverontreinigingen op hoofdlijnen beschreven. Per sanering wordt een uitvoeringsplan opgesteld, waarin meer gedetailleerd wordt uitgewerkt hoe de betreffende sanering wordt uitgevoerd. Het raamsaneringsplan was gebaseerd op diverse (water)bodemonderzoeken. Inmiddels zijn er meerdere aanvullende bodemonderzoeken uitgevoerd en zijn er al diverse (water)bodemverontreinigingen gesaneerd. Verkennend (water)bodem en asbestonderzoek In de Bedrijvenstrook is in 2012 een verkennend (water)bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (Wareco, zie bijlage).
Hieruit is gebleken dat op één plek in de bovengrond een sterke verontreiniging met koper aanwezig is welke vermoedelijk gerelateerd is aan de funderingslaag van een oude weg. Daarnaast is een matige verontreiniging met zink aangetroffen. Het grondwater is op diverse plekken sterk verontreinigd met arseen. Het beeld van het grondwater met verhoogde gehalten aan arseen komt overeen met eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. Waarschijnlijk is sprake van natuurlijk verhoogde gehalten.. De kwaliteit van de aanwezige slib in de watergangen is geclassificeerd als klasse A. Het slib is verspreidbaar op het aangrenzende perceel en in zoet oppervlaktewater. Visueel en analytisch is geen asbest aangetroffen. Bodem- en verhardingsonderzoek In opdracht van de afdeling Grond en Ontwikkeling van de Gemeente Amsterdam heeft CRUX Engineering BV in 2019 (zie bijlage) een milieuhygiënisch bodem- en verhardingsonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Het onderzoek wordt uitgevoerd naar aanleiding van tijdens werkzaamheden aan het maaiveld aangetroffen puinlagen en zintuiglijke oliewaarnemingen. De doelstelling van het onderzoek is onder andere gericht op: het verkrijgen van een indicatie over de hergebruiksmogelijkheden van eventueel vrijkomend funderingsmateriaal; het vaststellen of er sprake is van een bodemverontreiniging met olieproducten in de grond, het grondwater en het oppervlaktewater.
Samengevat is er is funderingsmateriaal aangetroffen bestaande uit puingranulaat met lokaal bijmengingen aan lavalith en/of argexkorrels. De puinfundering heeft een dikte van circa 0,3 à 0,5 m. Uit de analyseresultaten blijkt dat de maximale samenstellingswaarden 91
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
en de maximale emissiewaarden niet worden overschreden. Asbest is zowel zintuiglijk als analytisch niet aangetoond. Er is een gehalte van 0,31 ìg/kg aan PFOS aangetoond. PFOA is niet aangetoond in een gehalte hoger dan de detectiegrens. Uit een indicatieve toetsing van de gehalten aan de beleidsregel van de gemeente Amsterdam blijkt dat het puin verontreinigd is met PFOS maar er is geen spoedige sanering noodzakelijk. Bij een aantal funderingsresten is er funderingsmateriaal aangetroffen bestaande uit puingranulaat met lokaal bijmengingen aan repac en/of resten beton. De puinfundering is aanwezig tot circa 1,0 m-mv. Uit de analyseresultaten blijkt dat de maximale samenstellingswaarden en de maximale emissiewaarden niet worden overschreden. In één van de geanalyseerde mengmonsters is een gewogen gehalte van 2,0 mg/kg ds aan asbest aangetoond. In de overige monsters is geen asbest boven de detectiegrens gemeten. Het gewogen gehalte ligt ruim beneden de grens voor nader onderzoek (50 mg/kg ds) en de interventiewaarde (100 mg/kg ds). Er is een gehalte van 1,80 ìg/kg aan PFOS aangetoond. PFOA is niet aangetoond in een gehalte hoger dan de detectiegrens. Uit een indicatieve toetsing van de gehalten aan de beleidsregel van de gemeente Amsterdam blijkt dat het puin verontreinigd is met PFOS maar er is geen spoedige sanering noodzakelijk.
Met berekking tot olie in het grondwater is ter plaatse van één boring is een zwakke olie-waterreactie waargenomen in de ondergrond (traject 1,5 tot 2,1 m-mv). Uit de analyseresultaten blijkt dat de grond (traject 1,5 tot 2,1 m-mv) ten hoogste een licht verhoogd gehalte aan minerale olie bevat. Vluchtige aromaten zijn niet verhoogd aangetoond. De grond voldoet (indicatief) aan klasse industrie. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aan minerale olie of vluchtige aromaten gemeten. Het grondwater bevat een concentratie van 0,7 ìg/l aan MTBE. Deze concentratie ligt ruim beneden de streefwaarde (26 ìg/l) en de interventiewaarde (9.400 ìg/l). ETBE is niet aangetoond in een concentratie hoger dan de detectielimiet. Met betrekking tot olie in de watergang is tijdens graafwerkzaamheden ten behoeve van het plaatsen van een duiker olie waargenomen in het oppervlaktewater (aan de slootrand). Ten tijde van het uitvoerenvan de veldwerkzaamheden bleek deze zintuiglijke olieverontreiniging niet meer aanwezig. In het talud is een peilbuis geplaatst. Uit deanalyseresultaten blijkt dat er in het grondwater geenverhoogde concentraties aan minerale olie of vluchtigearomaten zijn gemeten.Er is één monster van het oppervlaktewater (ter plaatse van deaanvankelijk waargenomen zintuiglijke oliewaarneming in dewatergang) geanalyseerd op minerale olie en vluchtigearomaten (BTEXN).
Uit de analyseresultaten blijkt dat er lichtverhoogde concentraties aan xylenen en naftaleen zijn gemeten.Minerale olie is niet verhoogd aangetoond. Verkennend bodemonderzoek PFAS In 2018 is door de gemeente Amsterdam aan Stantec B.V. opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een aanvullend verkennend bodemonderzoek naar de aanwezigheid van PFAS ter plaatse van de bedrijvenstrook Zeeburgereiland te Amsterdam. De aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen herontwikkeling van de locatie en de geplande graafwerkzaamheden en grondverzet in combinatie met het vermoeden op basis van het historische gebruik dat de locatie mogelijk verontreinigd is met PFAS. Het uitgevoerde onderzoek betreft een aanvulling op de ter plaatse van de 92
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
onderzoekslocatie reeds uitgevoerde bodemonderzoeken en richt zich uitsluitend op het vaststellen van mogelijke verontreinigingen met PFAS. In het opgeboorde materiaal zijn bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Deze bijmengingen bestaan voornamelijk uit sporen/ resten/ brokken baksteen, laagjes Repac,resten houtskool, resten slib. Uit e rappportage blijkt dat de zandige/kleiige bovengrond plaatselijk is verontreinigd met PFOS en PFOA. Deze verontreinigingen hangen vermoedelijk samen met atmosferische depositie en de eerder aanwezige rioolwaterzuivering. Conform het Besluit bodemkwaliteit heeft de grond deels de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en kent derhalve beperkte toepassingsmogelijkheden elders. De overige grond voldoet aan kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. De resultaten van het huidige onderzoek geven geen aanleiding tot het nemen van aanvullende veiligheidsmaatregelen. De veiligheidsklasse dient te worden vastgesteld op basis van de voorgaande bodemonderzoeken. Het grondwater is plaatselijk verontreinigd met PFOS en PFOA. Deze verontreinigingen hangen vermoedelijk samen met atmosferische depositie en de eerder aanwezige rioolwaterzuivering.
Bodemonderzoek moes-/pluktuin Ter voorbereiding op de aanleg van een moes-/pluktuin is bodemonderzoek verricht.Uit de rapportage kan worden opgemaakt dat de dikte van de laag matig humeus zand varieert van 3 tot 30 cm; het gemiddelde is 19 cm. De eronder gelegen laag humusarm zand draagt nauwelijks bij aan de voedselvoorziening van de beoogde beplanting. De structuur van zowel de toplaag als de bodemlaag eronder is goed. Bij boring B lijkt op 90 cm-mv een storende laag aanwezig, waarboven de bodem vanaf 80 cm-mv gereduceerd is. De ongestoorde bodemlaag hierboven is echter dik genoeg om wateroverlast voor de gewassen te voorkomen. Er zijn dus met het oog op het tijdelijke gebruik geen structuur verbeterende maatregelen nodig. Door de zandige textuur en het relatief lage klei- en organische stofgehalte van de toplaag ontstaat snel een vochttekort voor de beoogde gewassen, die voor een goede groei veel vocht nodig hebben. Organische stof houdt vocht vast en vergroot hiermee de droogtebestendigheid van de bodem. Verhoging van het organische stofgehalte is dus gewenst. De pH-waarde van de bodem ligt rond het maximum voor de meeste groentegewassen, die gemiddeld genomen een pH van 6,0 á 7,5 verlangen. Verdere verhoging van de pH-waarde moet voorkomen worden, dus toevoeging van kalk is ongewenst.
De rapportage geefr vervolgens verschillende aanbevelingen voor de verschllende vormen van beoogd gebruik. Conclusie De bodemkwaliteit ten behoeve van herontwikkeling van de locatie is voldoende vastgesteld. Voor de werkzaamheden in de bodem zijn geen maatregelen in het kader van de Wet bodembescherming noodzakelijk. Er wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
93
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
4.6
Externe veiligheid
4.6.1
Kader
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het wettelijke kader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het huidige beleid voor transportmodaliteiten in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (Bevi-bedrijven, transportroutes over de weg en het water, en buisleidingen) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. De spoorlijn (route 470) is voor Zeeburgereiland geen relevante risicobron voor de voorgenomen ontwikkeling. Besluit externe veiligheid Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid Buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb bevat regels voor de exploitant, regels voorgemeenten over het opnemen van buisleidingen in bestemmingsplannen en regels voor het melden van ongewone voorvallen. De afweging van de externe veiligheidssituatie van buisleidingen heeft op deze manier een grondslag in de Wet milieubeheer (Wm) en in de Wro.
Daarnaast vervangt het Bevb de circulaires Zonering langs hogedrukaardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie (1991). In het Bevb is geen sprake meer van veiligheids-/bebouwings- en toetsingsafstanden zoals deze werden voorgeschreven in de circulaires. Het Bevb gaat uit van grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoordingsplicht van het groepsrisico (GR). De regeling voor buisleidingen is hiermee vergelijkbaar met de regeling voor inrichtingen zoals vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het gaat hierbij dus niet om de gronden waar de buisleidingen zelf liggen met de belemmeringenstrook, maar om de zones aan beide zijden van de belemmeringenstrook waar het om veiligheidsredenen gewenst is bepaalde functies en gebouwen wel of niet toe te staan en nadere eisen te stellen. Uitgangspunt in het Bevb is dat het PR voor (beperkt) kwetsbare objecten binnen de belemmeringenstrook ligt. Indien de PR-contour voor (beperkt) kwetsbare objecten buiten de belemmeringenstrook ligt, kan voor dat deel van de contour buiten de belemmeringenstrook een gebiedsaanduiding worden toegepast. Besluit transportroutes gevaarlijke stoffen (Btev) Per 1 januari 2011 is het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) in werking getreden.
De Bevb gaat, net als het Bevi, uit van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Uitgaande van de in de Bevb voorgeschreven rekenmethodiek met betrekking tot het plaatsgebonden risico en het groepsrisico kunnen de externe veiligheidsaspecten met betrekking tot dit plan worden beschouwd. Volgens het besluit moet er voorts een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding worden vrijgehouden. De belemmeringenstrook bedraagt (in dit geval) ten minste vier meter aan weerszijden van een buisleiding gemeten vanuit het hart van de buisleiding. 94
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
Uitvoeringsbeleid externe veiligheid De gemeente Amsterdam wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. In het Uitvoeringsbeleid externe veiligheid van de gemeente Amsterdam (van 14 mei 2012) is vastgelegd hoe Amsterdam in besluitvorming omgaat met externe veiligheid. Om de risico’s voor minder zelfredzame personen (zoals kinderen, ouderen en zieken) te verminderen mogen objecten voor deze personen (zoals zorginstellingen, kinderdagverblijven) niet te dicht bij risicobronnen worden gerealiseerd. Uit het Uitvoeringsbeleid Externe Veiligheid Amsterdam volgt dat binnen 80 meter van de route weg transport gevaarlijke stoffen geen nieuwe objecten voor minder zelfredzame personen mogen worden gerealiseerd.(Beperkt) kwetsbare objecten met zelfredzame personen zijn wel toegestaan binnen deze zone. Het uitvoeringsbeleid stelt wel dat er geen nieuwe kwetsbare objecten gewenst zijn binnen 30 m van een Basisnet weg. PR en GR Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden de begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit.
De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.(Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels restaurants. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. Verantwoordingsplicht In het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen.
Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten. 95
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
4.6.2
Plangebied
Risicovolle inrichtingen Er zijn zoals onderstaand figuur weergeeft geen risicovolle inrichtingen in of direct nabij het plangebied. In het MER onderzoek Milieueffectrapport Zeeburgereiland 2018 zijn wél risicovolle inrichtingen zichtbaar. Dit zijn Metaal Magnus Internationaal en LPG tankstation Kriterion. De activiteiten van Metaal Magnus Internationaal zijn inmiddels beeindigd en de (LPG) vergunning van het tankstation is ingetrokken.
risicovolle inrichtingen In onderstaande figuur zijn de risicovolle transportroutes over de weg en het water nabij het plangebied weergegeven.
transportroutes; geel: basisnet weg met PAG (plasbrandaandachtsgebied) indicatie, groen: basisnet weg zonder PAG indicatie, zwart; basisnet binnenvaartroute Transport over de weg Het plangebied ligt op relatief korte afstand van twee Regeling basisnet wegen; Wegvak N18: Omleidingsroute Zeeburgertunnel via Zuiderzeeweg; 96
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
Wegvak N19: de A10: afrit S114 (Zeeburg) - afrit S115 (Nieuwendam) (incl. Zeeburgertunnel) Over beide wegen worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De Omleidingsroute Zeeburgertunnel via Zuiderzeeweg ligt op ongeveer 80 meter afstand en de A10 op ongeveer 85 meter van het plangebied. Plasbrandaandachtsgebied Voor de N19 is conform de Regeling basisnet geen plasbrandaandachtsgebied aangewezen. Voor de N18 is wél een plasbrandaandachtsgebied vastgesteld. Hiervoor geldt een afstand van 30 meter. De bedrijfsbestemming in het bestemmingsplan Bedrijvenstrook ligt op grotere afstand en daarom is het plasbrandaandachtsgebied niet relevantvoor het plangebied. Transportintensiteiten Omdat de ontwikkeling binnen de in het Bevt artikel 8 opgenomen 200 meter valt, moet het groepsrisico berekend worden en indien nodig te worden verantwoord. Dit geldt echter alleen voor wegvak N19, omdat conform het Handleiding Risicoanalyse Transport (HART), alléén voor transport over de weg met stofcategorie GF3 (LPG) het groepsrisico berekend moet worden.
transportintensiteiten over de weg In het kader van het algehele gebiedsontwikkeling te Zeeburgereiland is in het MER onderzoek, het groepsrisico berekend ten aanzien van wegvakken N19. Omdat de ontwikkeling van de bedrijvemstrook deel uitmaakt van de algehele gebiedsontwikkeling van Zeeburgereiland, worden de conclusies uit het MER hieronder weergegeven. Voor het gehele onderzoek wordt doorverwezen naar de bijlagen bij het MER. Uitkomst risicoberekening: Wegvak N19 Plaatsgebonden risico Conform het regeling basisnet heeft wegvak N18: Omleidingsroute Zeeburgertunnel via Zuiderzeeweg een PR 10/6 contour van 0 meter. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Groepsrisico Het groepsrisico is ten aanzien van de gehele ontwikkeling van Zeeburgereiland berekend. Uit de berekening is uit te lezen dat het groepsrisico toe neemt ten opzichte van de huidige situatie. Het groepsrisico neemt - in het kader van de gehele ontwikkeling van Zeeburgereiland - toe van 2,9 maal tot 5,2 maal de oriëntatiewaarde. Uitvoeringsbeleid Externe Veiligheid Amsterdam Dit beleid schrijft voor dat binnen de 100% letaliteitsafstand (80 m) van een weg waar LPG 97
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
transport over plaatsvindt (dat is hier het geval) geen nieuwe objecten voor minder zelfredzame personen gerealiseerd mogen worden. Een afwijking hiervan wordt als specifiek beslispunt voorgelegd aan het bestuur. Bij het realiseren van voorzieningen (b.v. een medisch centrum) dient rekening gehouden te worden met dit aspect. Het bestemmingsplan Bedrijvenstrook maakt dergelijke functies niet mogelijk. (Beperkt) kwetsbare objecten met zelfredzame personen zijn wel toegestaan binnen deze zone (zoals kleine kantoren, zwembad). Het uitvoeringsbeleid stelt wel dat er geen nieuwe kwetsbare objecten gewenst zijn binnen 30 m van een Basisnet weg. Deze worden met het bestemmingsplan Bedrijvenstrook niet mogelijk gemaakt. Tevens stelt het Uitvoeringsbeleid dat geen toename van een bestaande overschrijding van de oriëntatiewaarde toegestaan is. Hier is bij de onderhavige ruimtelijke ontwikkelingen wel sprake van. Een toename van een bestaande overschrijding wordt als specifiek beslispunt voorgelegd aan het bestuur. Op advies van de Brandweer zijn hieronder een aantal maatregelen aangegeven die risico's voor het plangebied kunnen beperken en/of de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid kunnen vergroten. Deze maatregelen zijn niet limitatief, er zijn mogelijk andere maatregelen die toegepast kunnen worden.
Toereikende opstelplaatsen en bluswatervoorzieningen realiseren; Gebouwen in het plangebied tweezijdig bereikbaar maken voor de hulpdiensten; Een goede ontsluiting van het plangebied realiseren waarbij zo veel mogelijk van de risicobronnen (wegtransport IJburglaan en aardgastransportleiding) af gevlucht kan worden; Ontvluchtingsmogelijkheden (vluchtroutes en nooduitgangen) vanuit de gebouwen in het plangebied realiseren die zo veel mogelijk van de risicobronnen (wegtransport IJburglaan en aardgastransportleiding) af gericht zijn; De gebouwen in het plangebied voorzien van afsluitbare ventilatie en/of een noodknop voor het uitschakelen van de ventilatie, waarmee de toevoer van buitenlucht snel kan worden gestopt; Bij het ontwerp van de gebouwen en de te maken keuzes voor bijvoorbeeld materiaaltoepassing en/of uitvoering van de gevels rekening houden met de warmtestralingseffecten van een wegongeval met brandbaar gas (IJburglaan) en/of een ongeval met de aardgastransportleiding; Voorzieningen treffen om de ondergrondse aardgastransportleiding te beschermen; Strikte regulering met betrekking tot de organisatie van (graaf)werkzaamheden nabij de ondergrondse aardgastransportleiding; Waarborgen dat personen in het plangebied snel (kunnen) worden gewaarschuwd bij een (dreigend) ongeval met gevaarlijke stoffen; Voorlichting en risicocommunicatie voor bewoners en overige aanwezigen in
het plangebied met betrekking tot het handelingsperspectief bij incidenten. Conclusie Door de realisatie van geheel Zeeburgereiland neemt het groepsrisico toe. Hierdoor is sprake van een verdere overschrijding van het groepsrisico. Relevant is dat de ontwikkeling van de Bedrijvenstrook hier een uiterst geringe bijdrage aan levert. De grootste bijdrage wordt geleverd door de ontwikkeling van de Sluisbuurt.Objecten voor minder redzame personen of kwetsbare objecten worden met voorliggend bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. De toename van de reeds bestaande overschrijding van het groepsrisico wordt als beslispunt voorgelegd aan het bestuur. 98
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
Transport over het water Zeeburgereiland zit ingeklemd tussen twee vaarroutes die zijn opgenomen in het Regeling basisnet. Deze zijn: Corridor Amsterdam - Noord-Nederland Corridor Amsterdam – Rijn Over deze vaarroutes worden gevaarlijke stoffen vervoerd (zie hieronder).
transportintensiteiten over het water Zoals in de tabel te zien is worden verschillende stofcategorieën getransporteerd over de vaarroutes. Omdat deze vaarroutes op ongeveer (Corridor Amsterdam - Noord-Nederland) 540 meter en (Corridor Amsterdam – Rijn) 1000 meter afstand zijn tot het plangebied, is een groepsrisico berekening niet nodig. Conclusie Conform de Hart geldt dat voor de stofcategorieën die getransporteerd worden over het water, het invloedsgebied niet reikt tot het plangebied. Een verantwoording ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over het water is derhalve niet verplicht. Aardgastransportleiding Zoals in de figuur hierboven zichtbaar is, loopt er een hogedruk aardgastransportleiding (rode stippellijn) langs het plangebied. De hogedruk aardgastransportleiding betreft W-572-01.
leidinggegevens Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleiding.In het kader van het algehele gebiedsontwikkeling te Zeeburgereiland is in het MER onderzoek, het groepsrisico berekend. Omdat de ontwikkeling van de bedrijvenstrook deel uitmaakt van de algehele gebiedsontwikkeling van Zeeburgereiland, worden de conclusies hieronder weergegeven. Voor het gehele onderzoek wordt doorverwezen naar de bijlage van het MER. Plaatsgebonden risico
99
Zeeburgereiland Bedrijvenstrook Amsterdam (Centrale stad), Gemeente Amsterdam vastgesteld
Het plaatsgebonden risico (PR 10/6) bedraagt 0 meter en ligt op de leiding). Zodoende wordt voldaan aan de grens en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Het invloedsgebied voor het groepsrisico is hieronder weergegeven.
invloedsgebied aardgastranspotleiding Zoals is te zien valt het invloedsgebied van de hogedruk aardgastransportleiding over het plangebied. De realisatie van geheel Zeeburgereiland resulteert in een toename van het groepsrisico van 0,303 naar 0,311 maal de oriëntatiewaarde.
groepsrisico huidige en toekomstige situatie De hoogste GR per kilometer van de hogedruk aardgastransportleiding verschuift ten aanzien van de ontwikkeling van Zeeburgereiland iets richting het noorden. De verschuiving is erg minimaal en zal daardoor geen effect hebben op de beoogde ontwikkeling. 100