Raadsbesluit2021-034F- 12 Ruimtelijke Ordening (30) 7a. Oud West 2018 1e herziening Bijlagen bij
Tekst van het document
gras
Gebouwen beton
Figuur 3.10 Effect van gras op gevoelstemperatuur (PET, °C). In het midden van het grasveld ligt een betonnen speeltuin.
52
3.4.4 Doorlatendheid en grootte van bomen Uiteindelijk kunnen we uit bovenstaande paragrafen concluderen dat het verkoelende effect van volgroeide bomen vrijwel gelijk is voor verschillende wijktypen en straatoriëntaties. Het effect is vooral afhankelijk van de positie van de boom ten opzichte van de gevel. Maar wat gebeurt er als de boom zeer klein is of dun van blad, waardoor de boom meer zonlicht doorlaat? Om deze vragen te beantwoorden hebben we voor de naoorlogse tuinstad hoogbouw een aantal extra modelberekeningen uitgevoerd met verschillende bomen. Allereerst hebben we gevarieerd met de mate waarin de boom zonlicht doorlaat (transmissiviteit). De twee geteste waarden voor de transmissiviteit waren 10% en 3%. Een transmissiviteit van 3% wordt vaak in modellen gebruikt als standaard (Lindberg et al., 2018, Konarska et al., 2013). Normaal gesproken laten loofbomen ’s zomers 1% (tamme kastanje) tot 5% (kers) van het zonlicht door (Konarska et al., 2013). Daarom is 3% representatief voor een volwassen en gezonde boom. Een transmissiviteit van 10% is dan vrij hoog en vertegenwoordigt een boom met relatief weinig bladeren, bijvoorbeeld een honingboom. Daarnaast hebben we het effect van de boomgrootte onderzocht.
Over het algemeen duurt het een tiental jaren voordat een boom zijn maximale grootte heeft bereikt, maar ook kleine bomen bieden schaduw en dragen door verdamping bij aan stadsbrede verkoeling. Grote bomen (17 meter hoog, 6 meter brede kroon, de groene lijn in figuur 3.12) hebben in principe hetzelfde effect als kleine bomen (6 meter hoog, 3 meter brede kroon, de gele lijn in figuur 3.12), namelijk schaduw. De omvang van schaduw is alleen veel groter. Het effect van de doorlatendheid van de boomkroon > Het verkoelende effect van een boom die 10% zonlicht doorlaat is tussen 9,5°C en 12°C PET (dicht bij de gevel). Een boom die 3% van het zonlicht doorlaat geeft ongeveer 1°C PET meer aan verkoelend effect. Het effect van de grootte van de bomen (figuur 3.11) > Het verkoelende effect van kleine bomen is beperkt, omdat er maar een klein gebied wordt beschaduwd. > De resultaten laten een verkoelend effect van 11,5°C zien. Δ PET (°C) -13 -12 -11 -10 -9 -0 Gebouwen Bomen
Figuur 3.11 Het verkoelende effect van kleine bomen in een van oost naar west georiënteerde straat op de gevoelstemperatuur (PET, °C).
53
Figuur 3.12 toont over de dag de effecten van de boomgrootte en van de doorlatendheid van de boomkroon op de gevoelstemperatuur op één plek. Zolang er schaduw is, geven de simulaties zeer kleine verschillen in gevoelstemperatuur (tot 1°C PET) voor de bomen met verschillende doorlatendheden. Figuur 3.12 laat ook zien dat de PET-waarden in de schaduw circa 10°C lager zijn dan in de zon en dat de kleine boom (gele lijn) minder lang schaduw geeft dan de grote boom (rode en oranje lijn). NB Een in Arizona uitgevoerde meetstudie laat grotere verschillen tussen verschillende bomen zien (10°C Tmrt, omgerekend zo’n 4,5°C PET, Schneider et al., 2019). Dit kan te verklaren zijn doordat Arizona een ander klimaat heeft dan Nederland, maar dit zou moeten worden geverifieerd.
45 40 35
PET (°C)
30 25 20 15 10 1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12 13
14 15
16 17
18
19
20 21
22
23
24
Lokale tijd zonder bomen
grote boom
kleine boom
transparante grote boom
Figuur 3.12 Dagelijks verloop van de gevoelstemperatuur op één plek (locatie x). De lijnen stellen verschillende boomhoogtes en kroondoorlatendheden voor. Omdat de schaduwval gedurende de dag verandert, is het belangrijk om de positie van de bomen in een straat of buurt te optimaliseren, zodanig dat tijdens de heetste momenten van een dag banken, speeltuinen en andere vaak bezochte plaatsen zich in de schaduw bevinden. Zo is er in figuur 3.12 bijvoorbeeld in geen enkele situatie (met kleine noch grote bomen) schaduw tussen 14:00 en 15:00. Aan de andere kant zijn in de koelere perioden bankjes in de zon juist erg aantrekkelijk.
54
Het goede nieuws is dat het verkoelende effect van bomen ook zichtbaar is op de momenten dat er geen schaduw is. Deze verkoeling vlak bij de boom loopt toch nog op tot 2 °C PET overdag voornamelijk als gevolg van de lagere oppervlaktetemperatuur en het feit dat oppervlakken die eerder wel in de schaduw lagen minder warmte uitstralen. Zie bijvoorbeeld in Figuur 3.12 het verschil tussen de grijze en de gele lijn midden op de dag.
3.5 Maatregelenoverzicht In deze paragraaf presenteren we een overzicht van inrichtingsmaatregelen die hitte in de stad tegengaan en voor een verlaging van de lucht- of gevoelstemperatuur kunnen zorgen. Tabel 3.2 presenteert ze in drie groepen: > groen – maatregelen gebaseerd op het toevoegen van vegetatie > blauw – maatregelen waarin water de basis vormt > grijs – niet-natuurgerelateerde maatregelen, zoals technische constructies We geven ook aan of de maatregel juist overdag of ‘s nachts effectief is en op welke schaal het effect merkbaar is. Een fontein heeft bijvoorbeeld een zeer lokaal effect op straatniveau en draagt niet bij aan verkoeling op stadsschaal. Aan de andere kant is het effect van een groen dak niet merkbaar op straatniveau, maar als het overal in de stad wordt toegepast, kan er een verkoeling tot circa 2°C van de luchttemperatuur worden bereikt (zie tabel 3.2) Tabel 3.2 geeft per maatregel het soort en de omvang van het verkoelende effect aan. Het effect wordt meestal gegeven in de vorm van een bandbreedte, omdat de exacte temperatuurverandering afhankelijk is van vele factoren, waaronder het lokale microklimaat en specifieke eigenschappen van de maatregel. Als de maatregel geen effect heeft op de luchttemperatuur of de gevoelstemperatuur, of als het effect te verwaarlozen is, dan noteren we geen waarde (--).
Als we een effect verwachten, maar er is geen onderzoek gevonden, bevat de cel vraagtekens (??). Dit is voornamelijk het geval bij gevoelstemperatuur, omdat onderzoek op dit gebied veel minder vaak voorkomt dan onderzoek naar de effecten op de luchttemperatuur. Ten slotte geven we voor elke maatregel het overheersende verkoelingsprincipe aan en literatuurverwijzingen. Sommige maatregelen hebben een sterk effect op de oppervlaktetemperatuur, bijvoorbeeld albedoverlaging, groene gevels of een waterdak. Koelere oppervlakken stralen dan minder energie terug en helpen de gevoelstemperatuur te verlagen. Wat mogelijk nog belangrijker is, is dat koele daken en gevels helpen tegen hoge binnentemperaturen. Effecten op de binnentemperatuur vallen in principe buiten het bestek van dit onderzoek, maar inrichtingsmaatregelen die ook voor een koeler binnenklimaat zorgen, zijn natuurlijk ook onderdeel van een hittebestendige stad. Alle temperatuurwaarden in de tabel presenteren dus het effect op de buitenomgeving.
55
Tabel 3.2. Overzicht van verkoelende groene, blauwe of grijze inrichtingsmaatregelen die door hun verkoelingsprincipe effectief zijn op het schaalniveau van de stad of lokaal en de lucht- of gevoelstemperatuur vooral overdag of ’s nachts verlagen. De opgenomen temperatuureffecten komen uit verschillende wetenschappelijke studies en presenteren waarden die op verschillende momenten op de dag, hoogtes, en afstanden tot de maatregel kunnen zijn gemeten of
Groen
Soort
gemodelleerd (-- betekent een te verwaarlozen effect, ?? betekent geen waarde gevonden in de literatuur).
Maatregel
Verkoelingsprincipe
Verkoelende effecten gevonden in literatuur
Maatregel vooral voor
Typisch schaalniveau waarop maatregel effectief is
Luchttemperatuur [°C]
Dag
Stad
Lokaal
Stad
Lokaal
Lokaal
X
X
0,2 - 2,7
0,7 - 2,7
3,4 - 19,0
Effect afhankelijk van boomtype en -grootte en het lokale klimaat. Referenties zie voetnoot13
X
X
0,1 - 1,1
0,9 - 1,2
0,4 - 4,9
Effect van een gezond goed verdampend grasveld. Gras heeft ook effect op oppervlaktetemperatuur (tot 20°C kouder dan beton). Referenties zie voetnoot14
Nacht
Gevoelstemperatuur [°C PET]
Extra informatie
Bomen/ leibomen
verdamping, beschaduwing
X
Gras/Struiken
verdamping, reflectie
X
X
Grasbetontegels
verdamping
X
X
X
--
--
--
Groene gevels
verdamping
X
X
X
0 - 1,9
0,2 - 1,5
??
Hoe smaller de straat, hoe groter het effect op de luchttemperatuur. Groter effect voor gevels met meer zonnestraling. Referenties zie voetnoot15
Groene daken (extensief)
verdamping
Groene daken (intensief)
verdamping
Park/groene wiggen/vingers in de stad
verdamping, beschaduwing
X
X
X
X
0 - 1,8
0 - 0,8
--
Een met sedum bedekt groen dak geeft weinig verkoeling 's nachts (vergeleken met een wit dak). Effect op stadsniveau is als 100% van alle daken in de stad groen zijn. Referenties zie voetnoot16
X
X
0 - 1,7
1,0 - 1,6
--
Effect op stadsniveau is als 100% van alle daken in de stad groen zijn. Referenties zie voetnoot17
X
X
??
1,1 - 2,0
1,9 - 4,2
Effect afhankelijk van vegetatietype (boom versus gras), boomgrootte , grootte van het park en het lokale klimaat. Effect op PET gemeten in schaduw is groter dan hier genoemd. Referenties zie voetnoot18
13 Nouri & Matzarakis (2019); Klok et al. (2019); Lee et al. (2016); Amani-Beni et al. (2018); Wong & Jusuf (2010), Skelhorn et al. (2014); Spangenberg et al. (2008); Abreu-Harbich et al. (2015). 14 Takebayashi & Moriyama (2009); Lee et al. (2016); Amani-Beni et al. (2018); Yang et al. (2018); Klemm et al. (2015); Xi et al. (2012); Chatzidimitriou & Yannas (2016); Cheng & Ng (2013); Lobaccaro & Acero (2015). 15 Hoelscher et al. (2016); Djedjig et al. (2015); Djedjig et al. (2017); Wong et al. (2010); Herath et al. (2018). 16 Solcerova et al. (2017); Santamouris (2014); Sun et al. (2016); Peng & Jim (2013); Ouldboukhitine et al. (2014); Alcazar et al. (2016); Berardi (2016); Herath et al. (2018). 17 Santamouris (2014); Peng & Jim (2013); Speak et al. (2013); Lee & Jim (2019); Jin et al. (2018). 18 Amani-Beni et al. (2018); Klok et al. (2019); Jansson et al. (2006); Klemm et al. (2015); Spangenberg et al. (2008).
56
Verkoelingsprincipe
Typisch schaalniveau waarop maatregel effectief is
Luchttemperatuur [°C]
Dag
Stad
Lokaal
Stad
Lokaal
Lokaal
X
0,5 - 1,3
0,5 - 0,7
0,6 - 3,6
Effect afhankelijk van het temperatuurverschil tussen water en lucht en de grootte van het waterlichaam. Referenties zie voetnoot19
1,0 - 2,0
0,5 - 1,6
??
Effect afhankelijk van het temperatuurverschil tussen water en lucht en de grootte van het waterlichaam. Referenties zie voetnoot20
??
0,1 - 0,8
0,2 - 2,0
Effect afhankelijk van het temperatuurverschil tussen water en lucht en de grootte van het waterlichaam. Referenties zie voetnoot21
??
0,5 - 4,0
1,0 - 4,0
Effect afhankelijk van het temperatuurverschil tussen water en lucht en de grootte van het waterlichaam. Referenties zie voetnoot22
Referenties zie voetnoot23
Nacht
Gevoelstemperatuur [°C PET]
19 20 21 22 23 24 25 26
Extra informatie
Vijvers
verdamping
X
Meer
verdamping
X
Singels/ grachten/ sloten
verdamping
X
Rivier
verdamping, ventilatie
X
Fonteinen
verdamping
X
X
--
1,0 - 4,7
1,0 - 5,0
Vernevelingsinstallaties
verdamping
X
X
--
0,7 - 3,0
??
Data zijn van Japanse studies. Referenties zie voetnoot24
Besprenkeling straten
verdamping
X
X
--
0,8 - 3,0
??
Referenties zie voetnoot25
Polderdaken
verdamping
X
??
--
--
Effect vergelijkbaar met dat van een intensief groendak. Referenties zie voetnoot26
X
X
X
Blauw
Soort
Maatregel
Verkoelende effecten gevonden in literatuur
Maatregel vooral voor
X
Klok et al. (2019); Jacobs et al. (2020); Syafii et al. (2017); Taleghani & Berardi (2018); Taleghani et al. (2014); Fung & Jim (2020). Theeuwes et al. (2013); Saaroni & Ziv (2003); Huang et al. (2008). Klok et al. (2019); Jacobs et al. (2020). Klok et al. (2019); Völker et al. (2013); Hathway & Sharples, (2012). Jacobs et al. (2020); Nishimura et al. (1998); Xue et al. (2015); Gómez et al. (2013). Ishii et al. (2009); Farnham et al. (2011); Yamada et al. (2006); Yamada et al. (2008) Solcerova et al. (2018); Hendel et al. (2016). Andenæs et al. (2018).
57
Soort
Grijs 27 28 29 30 31 32 33 34
58
Maatregel
Verkoelingsprincipe
Verkoelende effecten gevonden in literatuur
Maatregel vooral voor
Typisch schaalniveau waarop maatregel effectief is
Luchttemperatuur [°C]
Dag
Stad
Lokaal
Stad
Lokaal
Lokaal
Nacht
Gevoelstemperatuur [°C PET]
Extra informatie
Parasols/ doeken/pergola’s/arcades/ loggia’s/luifels/ schuttingen
beschaduwing
X
X
--
0 - 1,0
2,0 - 17,0
Zonneschoorsteen
ventilatie
X
X
--
??
??
Windcorridors
ventilatie
X
X
??
??
??
Windcorridors verhogen de windsnelheid tot 1,5 m/s. Effect op luchttemperatuur en PET is niet gekwantificeerd. Referenties zie voetnoot28
X
Genoemde effecten betreffen alleen schaduw door gebouwen. Referenties zie voetnoot27
??
??
??
De openheid wordt weergegeven door de SVF (sky view factor). Een lage SVF leidt in de zomer tot een hogere temperatuur vanwege het blootgestelde oppervlak en het gebrek aan schaduw. Een 10% hogere SVF zorgt ook voor een toename van de windsnelheid met 8%. Totaaleffect van SVF op temperatuur of PET hangt ook af van albedo, aanwezigheid van vegetatie en hoogte-breedte verhouding straten. Referenties zie voetnoot29
X
--
??
??
Studies richten zich vaak op droge en hete klimaatzones, niet passend bij de Nederlandse context. Referenties zie voetnoot30
X
X
--
max 0,4
max 10,2
Referenties zie voetnoot31
X
X
--
0,1 - 0,7
??
Referenties zie voetnoot32
Grote oppervlaktes
ventilatie
X
Hoogtebreedte verhouding straten
ventilatie, beschaduwing
X
Oriëntatie straten
ventilatie, beschaduwing
Lichte gevels
reflectie
Lichte bestrating
reflectie
X
Witte daken
reflectie
X
X
X
X
X
--
max 1,9
??
Het wordt aanbevolen om reflecterende trottoirs alleen te gebruiken als als de hoogtebreedte verhouding van de straat niet groter is dan 1,0, anders wordt de straling gereflecteerd naar de gevels. Referenties zie voetnoot33
max 0,9
--
--
0,1-0,3 °C per 10% albedo verhoging Referenties zie voetnoot34
Nouri et al. (2018); Martinelli et al. (2015); Watanabe et al. (2014); Paolini et al. (2014). Loibl et al. (2010). Yang et al. (2013). Bijvoorbeeld Shashua-Bar et al. (2004); Johansson (2006); Ali-Toudert & Mayer (2006), Andreou (2013). Taleghani et al. (2015). Nazarian et al. (2019); Zhang et al. (2018), Shashua-Bar et al. (2012). Santamouris et al. (2012); Taleghani et al. (2014); Taleghani & Berardi (2018). Santamouris (2014).
Uit tabel 3.2 kunnen we opmaken dat het verkoelende effect van bomen sterk kan variëren, maar ook dat van alle mogelijke maatregelen bomen het sterkst kunnen verkoelen. Kleine stedelijke watervormen, zoals grachten en vijvers, zijn over het algemeen geen effectieve verkoelende maatregelen. Ze verlagen de lucht- of de gevoelstemperatuur maar in geringe mate (Jacobs et al., 2020). Er zijn echter ook watervormen die wel voor verkoeling kunnen zorgen. Dat zijn maatregelen waarbij water in contact komt met de huid, zoals schone grachten om in te zwemmen en fonteinen of bedriegertjes om in te spelen. Ook kunnen op lokale schaal en voor kortere periodes vernevelingsinstallaties de luchttemperatuur merkbaar verlagen. Daarnaast biedt de omgeving rond stedelijke waterelementen vaak de gelegenheid om een verkoelende groene, schaduwrijke omgeving met bomen te creëren of de natuurlijke ventilatie te vergroten.
3.6 Conclusies Inrichtingsmaatregelen voor een hittebestendige stad zijn onder te verdelen in 1) maatregelen die stadsbreed zorgen voor een verlaging in de luchttemperatuur en 2) maatregelen die lokaal de gevoelstemperatuur verlagen, waarmee op straat- of buurtschaal koele plekken kunnen worden gecreëerd. Bijna alle maatregelen zijn gebaseerd op vier verkoelende principes: verdamping, beschaduwing, reflectie en ventilatie, die ieder op een eigen manier zijn gekoppeld aan de stedelijke energiebalans en de energiebalans van het lichaam, die de uiteindelijke lucht- en gevoelstemperatuur bepalen. Toename van verdamping door het aanleggen van zoveel mogelijk groene en blauwe oppervlakken is op stadsschaal de effectiefste manier om de luchttemperatuur naar beneden te krijgen. Hoe meer vegetatie en water er is, hoe meer energie er van het invallende zonlicht wordt gebruikt voor verdamping en hoe minder energie er overblijft om de stad en de lucht op te warmen. Op basis van metingen in Nederland (Steeneveld et al., 2011; Heusinkveld et al., 2014; Van Hove et al., 2015) kunnen we voor Nederlandse steden stellen dat een toename van de fractie groen op wijk- of stadsschaal met 10 procentpunten zal leiden tot een verkoeling van ongeveer 0,5°C.
Ook reflectie van zonnestraling terug de atmosfeer in door het gebruik van witte daken, andere reflecterende stedelijke materialen zorgen ervoor dat er minder energie beschikbaar is om de lucht op te warmen, waardoor de luchttemperatuur stadsbreed omlaag gaat. Een verlaging van de luchttemperatuur met 1°C (door 20 procentpunt meer groen) is overigens niet veel als het meer dan 30°C is. Om hitteproblemen overdag te beperken dient men de gevoelstemperatuur te beperken. Van alle verkoelende principes hebben schaduw en wind het sterkste effect op de gevoelstemperatuur en kunnen er met schaduw en ruimte voor wind lokaal koele plekken worden gecreëerd. Schaduw zorgt ervoor dat ons lichaam minder wordt opgewarmd en wind bevordert de warmteuitwisseling tussen lichaam en omgeving, waardoor de gevoelstemperatuur lager blijft. Onze modelresultaten laten een verkoelend effect van bomen op de gevoelstemperatuur zien tussen 9,5 en 13°C PET. De sterkste verkoeling vinden we bij de schaduw van een boom die ook nog de gevel beschaduwt.
59
Het verkoelende effect van kleine bomen is ongeveer gelijk aan dat van grote bomen, maar ze bieden wel geringere schaduwoppervlakken. Daardoor zal de plek nabij de boom, met of zonder bankje, maar voor kortere tijd in de schaduw liggen. Bomen met een minder dichte kroon blijken een verkoelend effect te hebben dat tot 1°C PET lager ligt dan dat van bomen met een volle kroon. Zo’n klein verschil komt niet overeen met eerdere studies die een veel groter belang van kroondichtheid laten zien, zo’n 4,5°C PET. Dit zou nader kunnen worden onderzocht. We hebben in dit hoofdstuk ook een overzicht gegeven van de effectiviteit van verschillende inrichtingsmaatregen. Zowel onze modelresultaten als de literatuur wijzen bomen aan als de effectiefste maatregel voor een hittebestendige inrichting. Toch sluiten we andere adaptatiemaatregelen niet uit. Gras vermindert bijvoorbeeld de oppervlaktetemperatuur en koelt ook de luchttemperatuur op stadsschaal. Aan de andere kant droogt gras snel uit en kan het zelfs zorgen voor een lichte verhoging van de luchttemperatuur. Tabel 3.2 geeft een overzicht van het effect van andere maatregelen tegen hittestress.
60
Meer informatie over de meest gebruikte maatregelen is terug te vinden in de Ef-Fact checker35. Hierin beantwoorden we vragen over het effect van inrichtingsmaatregelen op zowel de lucht- als gevoelstemperatuur. Daarnaast gaan we in op praktische vragen zoals ‘Wat zijn de beste bomen als we hittestress willen tegengaan?’ of ‘Is het verkoelende effect van een groendak merkbaar op straatniveau?’. In het volgende hoofdstuk nemen we onze bevindingen over hittemaatregelen en verkoelingsprincipes mee in een voorstel voor ontwerprichtlijnen die bijdragen aan een stadsbrede verlaging van de luchttemperatuur of aan de realisatie van voldoende koele plekken.
35
www.hva.nl/klimaatbestendigestad.
61
Hitterichtlijnen
62
4
63
4. Hitterichtlijnen Voor een hittebestendige inrichting van de buitenruimte zijn ontwerprichtlijnen nodig die helpen bij het kiezen en toetsen van de inrichting. De vraag die centraal staat is: welke ontwerprichtlijnen werken in de praktijk? Dit hoofdstuk maakt op basis van uitkomsten uit hoofdstuk 2 en 3 keuzes ten aanzien van richtlijnen. Deze leiden tot het antwoord op de centrale hoofdvraag van het onderzoek: wanneer is een (ontwerp van een) stad, wijk of straat voldoende hittebestendig? Richtlijnen moeten zo worden gekozen dat gemeenten ermee kunnen bepalen wat zij hittebestendig vinden en waaraan ze ontwerpen kunnen toetsen. Bovendien dienen de richtlijnen haalbaar te zijn. De afgelopen twee jaar hebben we richtlijnen verkend en besproken met de twaalf gemeentelijke consortiumpartners en bij zeven van hen getoetst. Hieruit kwamen drie ontwerprichtlijnen naar voren. In onderstaande paragrafen beschrijven we allereerst de werkwijze en keuzes van gemeenten op het gebied van hittebestendigheid. Dan volgt een verdieping in een van de richtlijnen (afstand tot koelte), omdat er behoefte bestond aan inzicht in effectiviteit en bruikbaarheid van deze richtlijn. De laatste paragraaf presenteert de drie ontwerprichtlijnen.
4.1 Richtlijnen hitte, tussen visie en temperatuurwaarde Uit verschillende werksessies36 die we afgelopen jaren bij gemeenten hebben gehouden, komt naar voren dat een ruime meerderheid behoefte heeft aan concrete richtlijnen. Als je bedacht hebt dat je in je inrichting rekening wilt houden met hitte, heb je namelijk een manier nodig om ervoor te zorgen dat het ook zo in de (her)inrichting terechtkomt. In de aanloop naar de eis dat in de toekomst iedere gemeente hittebestendig ingericht moet zijn, zijn een aantal gemeenten al voorzichtig begonnen met het formuleren van een hittebestendig beleid. De doelstelling van een hittebestendige inrichting wordt door gemeenten op verschillende wijzen benaderd en is in wezen in drie varianten op te splitsen: 1) een doelstelling voor hitte in de vorm van een visie, 2) een cijfermatige aanpak in de vorm van een temperatuurwaarde of 3) met een richtlijn. Tabel 4.1 toont voor elke wijze van benaderen een aantal doelstellingen. We hebben hier telkens de implicaties voor meetbaarheid, toetsbaarheid, handhaving en ontwerp aangegeven. Een overzicht van het hittebeleid van gemeenten en provincies staat in bijlage 7, tabel b.3. De manier waarop gemeenten en provincies hitte in beleid opnemen verschilt en kan in de loop van de tijd veranderen.
36 Werksessies bij gemeenten: Amsterdam op 25-09-2018 en 27-06-2019, RIVUS op 30-10-2018 en 26-03-2019, Beverwijk-Heemskerk op 16-05-2019, Eindhoven op 08-07-2019 en Haarlem op 13-09-2018.
64
Tabel 4.1 Wijze van benadering hittebeleid door gemeenten en provincies in doelstellingen en de implicaties daarvan voor meetbaarheid, toetsing, handhaving en ontwerp. Doelstelling
1. Visie
Meetbaar met
Toets
Uitvoering
Implicaties voor
handhaving
ontwerp
Meer groen
Groenindex
Geen
Eenvoudig
Veel vrijheid
Leefbaarheid
Interviews
Geen
Interviews kosten
Veel vrijheid
verbeteren tijdens
veel tijd
hitte 2. Temperatuur-
Stedelijk hitte-
Meerjarig monitor-
Geen, de bijdrage
waarde
eilandeffect
ingsprogramma
van individuele
een ontwerp zou
met 2°C omlaag
of met regionaal
ontwikkelingen zijn
moeten bijdragen aan
brengen
weermodel voor-
moeilijk te vertalen
de doelstelling
spellen
naar stadsschaal
Complex
Onduidelijk hoeveel
Loop- en
GIS-analyse of
Max 41°C PET op
Complex: wat
Resulteert in 100%
verblijfsgebieden
ENVI-met
1,5 m hoogte
als de PET in de
schaduw op loop- en
niet warmer dan
modellering
Let op: resulteert
schaduw de 41°C
verblijfsgebieden
dit in een
overschrijdt?
omdat deze PET op
41°C PET
comfortabele
hete dagen alleen in
openbare ruimte?
de schaduw wordt gehaald
Reeks warme
Meerjarig monitor-
Geen, de bijdrage
nachten kleiner
ingsprogramma of
van individuele
Complex
Onduidelijk hoeveel een ontwerp zou
dan 7
GIS-analyse
ontwikkelingen zijn
moeten bijdragen aan
moeilijk te vertalen
de doelstelling
naar stadsschaal 3. Richtlijn
Afstand tot koelte
GIS-analyse op
Loopafstand tot en
Strategische
kleiner dan XX
basis van PET-kaart
omvang van koele
locaties voor koele
koele plek, mits
plek meten
plekken kiezen
voldoende schaduw
meter
Vrijheid van inrichting
Verdampingsindex
GIS-analyse op
Methode % groen
Maakt kiezen
Manier en plaats van
van groen > XX
basis NDVI
vaststellen
van realistische
vergroening vrij
of % groen > XX
doelstelling mogelijk
50% oppervlakken
GIS-analyse op
Methode %
verkoelend
basis van nader te
verkoelende
definitie van een
inrichten
bepalen verkoelend
oppervlakken
verkoelend oppervlak
oppervlak
vaststellen
% schaduw > XX
Redelijk eenvoudig
Afhankelijk van de
GIS-analyse op
Methode
Alleen op logische
Kan met technische
basis schaduwkaart
% schaduw
plekken deze
en natuurlijke
vaststellen
richtlijn toepassen
middelen
De volgende paragrafen lichten de drie manieren van benaderen nader toe.
65
4.1.1 Visie als doelstelling Wanneer hittebestendigheid een plek in een omgevingsvisie heeft, wordt dit vaak als onderdeel van een leefbare stad genoemd. Meer bomen en groen en daarmee minder verharding vervullen een sleutelrol op de weg naar een hittebestendige stad. Veel gemeenten zetten hitte ook in als extra argument voor het vergroenen van de stad. De vragen die zich opdringen bij het gebruik van een visie als doelstelling zijn echter: hoeveel groen? Welke soorten groen zijn belangrijk? En hoe is de verdeling van dat groen over de stad en de buurten? Deze vragen worden vaak niet gespecificeerd. Wel worden sfeerbeelden gegeven van mogelijke vergroening van straten ter inspiratie. Plannen vanuit dergelijke visies kunnen worden vergeleken op hun bijdrage in mate van vergroening, maar er wordt geen ondergrens of streefwaarde duidelijk. De meeste gemeenten hebben juist een doorvertaling van de visie in concrete doelstellingen nodig om projecten en ontwerpen op hittebestendigheid te toetsen. Dat kan middels een temperatuurwaarde of richtlijn zoals in de volgende paragrafen is te lezen.
Ontwerpers hebben behoefte aan voldoende vrijheid, gemeenten aan duidelijke doelstellingen om te kunnen toetsen.
4.1.2 Temperatuurwaarde als doelstelling De temperatuurwaarde als doelstelling kan bijvoorbeeld bestaan uit een maximale lucht- of gevoelstemperatuur op een bepaalde tijd van de dag, of in de vorm van een maximaal stedelijk hitte-eilandeffect37. Een andere mogelijkheid is om een maximale waarde binnen een vastgesteld tijdsinterval te stellen, zoals een reeks warme nachten. Een logische grenswaarde is een PET van 35 of 41°C, omdat daarboven mensen sterke respectievelijk extreme mate van hittestress ervaren (Matzarakis et al., 1999). Maar bij een doelstelling in temperatuurwaarde zul je moeten bepalen in welke situatie en hoe vaak een drempelwaarde of de tijdsduur dat men daaraan wordt blootgesteld mag worden overschreden. We hebben geen onderbouwingen voor dit soort keuzes kunnen vinden.
Bij het gebruik van een temperatuurwaarde als doelstelling komen er nog meer vragen op: geldt de gestelde temperatuurwaarde voor de hele stad of voor bepaalde gebieden? Alleen op het maaiveld of ook op de daken? Hoe ga je om met zomerse dagen die relatief vaak voorkomen en weersextremen die zich slechts eens in de zoveel tijd voordoen (zoals de zomer van 2019 met luchttemperaturen boven de 40°C)? En voor het beleidsveld een belangrijk punt: Hoe kun je ieder ontwerp of iedere situatie beoordelen op een effect in graden? Met welke methode of welk model moeten ontwerpen worden getoetst? Voor bovenstaande vragen kan in principe een gestandaardiseerde methode worden gekozen, net zoals bij stresstesten wordt gedaan. Het opnemen van en voldoen aan een maximale temperatuurwaarde betekent echter nog niet dat mensen voldoende comfort of koelte hebben, het betekent alleen dat er geen extreem hete plekken zijn. 37
66
Het stedelijk hitte-eilandeffect is het verschil in de temperatuur in de stad en een meetpunt buiten de stad [zie voor uitleg paragraaf 2.1.3]
4.1.3 Richtlijnen als doelstelling De beperkingen van een visie of van een temperatuurwaarde als doelstelling voor een hittebestendig ontwerp, roept de vraag op of het ook anders kan. Gemeenten in het onderzoekconsortium gaven aan behoefte te hebben aan richtlijnen die niet te vrijblijvend zijn of een waarde nastreven die niet te toetsen of handhaven is. Figuur 4.1 presenteert een schematische weergave van de doelstellingen voor hitte. Het gaat om richtlijnen die: > eenvoudig te meten en te toetsen zijn; > een minimale grenswaarde aangeven; > een streefwaarde aangeven; > ruimte laten voor ontwerpers en ontwikkelaars.
1. Visie
Ontwerpvrijheid
Leefbaarheid Vergroenen ...
2. Temperatuur Maximale temperatuur Aantal warme nachten ...
3. Richtlijn meetbaar?
Afstand tot koelte % Groen % Schaduw
grenswaarden?
Figuur 4.1 Van visie en temperatuurwaarden naar richtlijnen. Naast deze uitgangspunten voor de richtlijnen is er ook behoefte aan ruimtelijke variatie binnen een richtlijn. Daarmee wordt bedoeld dat grenswaarden zouden kunnen verschillen per gemeente, per wijktype, per mate van verstedelijking of gebruik van het gebied. In de sessies met gemeenten zijn verschillende mogelijke richtlijnen besproken. De drie richtlijnen die de meeste potentie lijken te hebben, zijn de volgende: 1.
afstand tot koelte;
2.
percentage schaduw op loopgebieden;
3.
percentage groen per wijktype.
Paragraaf 4.3 geeft een beschrijving van deze drie richtlijnen. Om klimaatadaptatiemaatregelen tot uitvoering te brengen zijn er duidelijke afspraken nodig met ontwerpers en bouwers. Richtlijnen kunnen daarbij helpen. Als opdrachtgever kies je een benadering die past bij de opgave en de gemeentelijke organisatie. Is dat een benadering van verleiding, waarmee meer innovatieve oplossingen tot stand kunnen komen, of een van dwang, waarmee prestatienormen worden behaald? Hitte is
67
een meekoppelthema maar kan met een duidelijke richtlijn worden geborgd in verschillende contractvormen. Voorbeelden uit de praktijk (Heijningen et al., 2019) geven aan dat in zowel bestek, design & contract als prestatiecontract een eenvoudige richtlijn de kans op realisatie vergroot. Wat je niet expliciet vraagt, wordt niet geleverd.
4.2 Koele plekken Voordat de drie richtlijnen uit de vorige paragraaf verder kunnen worden ontwikkeld tot een richtlijn met grenswaarden, is er voor de richtlijn afstand tot koelte meer inzicht nodig in het gebruik van koele plekken. De centrale vragen zijn: worden koele plekken in de stad gebruikt tijdens hete dagen? en hoe kunnen we koele plekken in de stad het best inrichten en definiëren? Op twee zomerdagen in 2019 is onderzoek gedaan op koele plekken in de wijk Middenmeer in Amsterdam. Er zijn temperatuurmetingen uitgevoerd, interviews gehouden en observaties gedaan, die samen inzicht geven in de vraag wat een koele plek voor mensen aantrekkelijk maakt op hete dagen. De metingen zijn gedaan op de twee warmste dagen van het jaar: 23 en 25 juli 2019. Met op 25 juli 2019 zelfs hitterecords van boven de 40°C op acht meetstations in Nederland. In Amsterdam (Schiphol) werd het ruim 32°C.
4.2.1 Aanpak De selectie van de koele plekken is gemaakt op basis van een aantal criteria. De afstand-tot-koeltekaart gemaakt door Tauw met GIS is het eerste uitgangspunt, zie figuur 4.2. De kaart geeft de contouren van plekken met een gevoelstemperatuur (PET) onder 35°C. Een koele plek is geselecteerd als meetlocatie wanneer deze groter is dan 200m2 en toegankelijk is (gemaaid grasveld, paden of bankjes). De grootte van minimaal 200 m2 is gekozen omdat deze maat voor een significant koeleffect kan zorgen (Bacci et al., 2003) en minimaal nodig is om bijvoorbeeld een evenwichtig ecosysteem te vormen (Verploegh, 2016). Deze definitie is een werkdefinitie en behoeft nadere verkenning. Daarom hebben we naast drie koele locaties volgens deze definitie ook twee locaties gekozen die onze onderzoekers als koel zouden beoordelen op basis van de hoeveelheid schaduw, maar die niet als koele plek op de GIS-kaart staan. Dit zijn een fontein (meetpunt 1) en een groene binnentuin (meetpunt 3) van een open bouwblok. Figuur 4.2 toont de locaties van de meetpunten en de omvang van de koele plekken. Bijlage 8 toont foto’s van de koele plekken.
68
Koele plekken Meetlocaties
-
oppervlak met PET<35°C
1 Linnaeusparkweg -
geen koele plek
2 Archimedeslaan
-
3004m2
3 Biothof
-
geen koele plek
4 Voltaplein
-
263 m2
5 Galileïplantsoen
-
3417 m2
6 Referentiestation
Figuur 4.2 Kaart met koele plekken (Tauw) en de meetlocaties in Middenmeer, Amsterdam. Op elke locatie zijn de volgende data verzameld: > De meteodata benodigd om de gevoelstemperatuur in de zon en de schaduw te berekenen: luchttemperatuur, relatieve luchtvochtigheid, stralingstemperatuur (zwarte bol) en de windsnelheid38; > De ervaren temperatuur (via een enquête); > De mening van de bezoekers over inrichting, frequentie van het gebruik en de afstand tot de woning (via een enquête); > Het aantal mensen en waar zij verblijven: in de zon of de schaduw. De gebruikte enquête- en observatieformulieren zijn op aanvraag beschikbaar. Meetapparatuur Er zijn drie Kestrels 5400 op statief als meetstation gebruikt: een als referentiestation en per locatie een in de zon en een in de schaduw. Het referentiestation stond in de zon op een terras aan de Linnaeusstraat 29 in Amsterdam, zie meetpunt 6 in figuur 4.2. Dit referentiepunt is geheel verhard met klinkers en heeft een hoge bakstenen gevel aan de meetkant en een gracht aan de andere kant. Deze locatie is daarmee bewust een voorbeeld van een warme locatie met weinig groen.
4.2.2 Observaties en enquêtes Op de twee meetdagen zijn in totaal 21 enquêtes afgenomen. Voor alle deelnemers geldt dat zij meer dan 2 à 3 minuten op de locatie aanwezig waren alvorens de enquête werd afgenomen. Deze tijd is nodig voor een representatieve inschatting van de thermische beleving (Lau et al., 2019). Beide meetdagen vielen in de zomervakantie en de respondenten gaven aan dat er op de locaties normaal veel meer kinderen waren dan nu het geval was.
38 Op de eerste meetdag (23-07-2019) is de windsnelheid van de Kestrels niet juist geregistreerd. In plaats van de gemeten windsnelheid is de PET voor deze dag berekend met de uurgemiddelde windsnelheid op Schiphol.
69
Uit de observaties en enquêtes gepresenteerd in figuur 4.3 blijkt dat mensen een koele plek het vaakst bezoeken wanneer deze binnen 200 meter van de woning ligt. Bij een afstand boven de 500 meter van de woning neemt het aantal bezoekers en de verblijfsduur op een koele plek sterk af. De afstand tot de woning is niet hemelsbreed gerekend maar betreft de lengte van het tracé. In de enquête is gevraagd naar de reistijd en afstand van de woning tot de koele plek. In de schatting van de ondervraagden is de reistijd omgerekend naar de afstand tot de woning, omdat de inschatting van looptijd nauwkeuriger werd geschat dan de afstand. Opvallend is dat bezoekers die meer dan een kilometer bij een locatie vandaan wonen weer vaker op de koele plek komen met maar een korte verblijfsduur. De verklaring hiervoor is dat koele plekken ook worden gebruikt door fietsers die er even uitrusten. Afstand tot de woning en de gemiddelde frequentie en duur van een bezoek 160
120
140
100 80
100 80
60
60
40
Duur (minuten)
Frequentie (per jaar)
120
40 20
20
0
0 0-100
101-200
201-300
301-400
401-500
501-600
601-700
701-800
801-900 901-1000
>1000
Afstand tot woning (meter) Hoe vaak komt u hier?
Hoe lang blijft u hier?
Figuur 4.3 De gemiddelde frequentie en duur van het bezoek ten opzichte van de afstand tot de woning op 23 en 25 juli 2019 tussen 13:00 en 17:00 uur. De koele plek met de hoogste bezoekersaantallen is de Linnaeusparkweg, zoals te zien in figuur b.6 in bijlage 8. Op deze locatie zoekt met name de leeftijdsgroep onder de 16 jaar verkoeling bij de fontein, die goed te betreden is. De locatie is geheel verhard, met een aantal grote bomen en bankjes rondom de fontein. Ook is er aan de overkant van de straat een horecagelegenheid. De overige koele plekken hebben een gemengde samenstelling van bomen, struiken en gras. Het Galileïplantsoen heeft de grootste oppervlakte en wordt vaak aangedaan als onderdeel van een wandel- of fietsroute. Een derde van de bezoekers van koele plekken geeft aan dat de groene inrichting en de sfeer de locatie aantrekkelijk maakt. Desondanks geeft iets minder dan een derde aan meer bankjes op de betreffende koele plek te wensen. Respondenten geven ook aan meer groen en schaduw te wensen.
70
Van alle respondenten geeft 81% aan koele plekken belangrijk te vinden om de hete dagen door te komen. Voor 52% van deze groep is het zelfs zeer belangrijk.
4.2.3 Metingen De eerste meetdag op 23 juli 2019 geeft de potentie van koele plekken goed weer. Op alle locaties is het in de schaduw duidelijk koeler dan in de zon, zoals te zien is in figuur 4.4. De gevoelstemperatuur blijft in de schaduw onder de grens van 35°C PET (sterke hittestress), terwijl de locaties in de zon boven de grens van 41°C PET (extreme hittestress) komen. Tussen de zon en de schaduw is het verschil 9 tot 19°C in gevoelstemperatuur met een gemiddelde van 14°C. Het verschil tussen de metingen in de zon en de schaduw zijn het grootst tussen 14:00 en 16:00 uur, daarna neemt de zonnestraling wat af en wordt de gevoelstemperatuur in de schaduw hoger, terwijl die over de rest van de metingen vrij constant blijft. Een verklaring voor het stijgen van de temperatuur in de schaduw kan zijn dat de opwarming van de straten en gevels ertoe gaan bijdragen. Figuur 4.4 toont ook dat de metingen in de zon ongeveer gelijk zijn aan die van het referentiepunt, totdat rond 15:45 uur de gevel naast het referentiepunt (niet het meetstation) in de schaduw komt. Het referentiestation staat op een plek met uitsluitend verharding, terwijl de twee mobiele meetstations op locaties met groen en water staan. Het lijkt alsof groen en water in de zon de PET niet verlagen.
Deze conclusie kunnen we op dit kleine aantal metingen echter niet trekken en de metingen zijn ook niet opgezet om deze correlatie te bestuderen. 23-07-2010 PET zon en schaduw °C PET °C PET
23-07-2019 PET zon en schaduw
55 55
50 50 45 45
PET Refe
40 40
PET Zon
35 35
PET Scha
30 30
PET Ster Tlucht
25 25 13:00 13:00
13:30 13:30
PET zon
14:00 14:00
PET schaduw
14:30 14:30
15:00 15:00
PET referentie
15:30 15:30
16:00 16:00
16:30 16:30
PET sterke mate van hittestress (grenswaarde >35°C)
17:00 17:00
tijd tijd
T lucht
Figuur 4.4 Metingen op de koele plekken in Middenmeer in Amsterdam met drie mobiele meetstations in de zon, de schaduw en op een referentiepunt op 23-07-2019.
71
4.2.4 Verschillen tussen koele plekken De koele plek met het grootste schaduw- en totaaloppervlak (zie tabel b.4 in bijlage 8) is het Galileïplantsoen. Zoals figuur 4.6 laat zien, is voor deze plek het verschil in PET tussen zon en schaduw het grootst: 15°C PET. Het onderlinge verschil tussen de locaties is overigens niet meer dan 3°C PET. Zelfs de kleinste koele plek in dit onderzoek van slechts 260 m2 brengt de gevoelstemperatuur onder de 35°C. Dit geldt ook voor de locaties die volgens de analyse niet als koele plek naar voren komen (de fontein op Linnaeusparkweg en de binnentuin van Biothof). De minimale afmeting om een koele plek te creëren kunnen we hier niet mee vaststellen. Daarom blijven we bij de eerder in paragraaf 4.2.1 gestelde 200 m2 als minimale maat vanwege de bruikbaarheid, de ecologische kwaliteit en de mogelijkheid om er een aantrekkelijke verblijfsplek van te maken. NB over het algemeen is de groene plek aanzienlijk groter dan de koele plek. Groene stedelijke ruimtes worden meestal niet geheel beschaduwd, omdat er in minder warme periodes ook behoefte aan zon is. Er is daardoor meer groene ruimte nodig om tot een koele plek te komen dan de afmeting van de koele plek zelf. De locatie Linnaeusparkweg met fontein en zes bomen is met in totaal 900 m2 groen de kleinste groene plek waar we gemeten hebben.
Oppervlak koele plek versus verschil gevoelstemperatuur zon en schaduw m2
°C
12000
16
10000
15
8000
14
6000
13
4000
12
2000
11
0
10 1. Linnaeusparkweg
2. Archimedeslaan
oppervlakte groene plek
3. Biothof
oppervlakte koele plek
4. Voltaplein
5. Galileïplantsoen
verschil in gemiddelde PET tussen zon en schaduw
Figuur 4.5 Het verschil in de gemeten gevoelstemperatuur in PET per locatie tussen zon en schaduw op 23-07-2019. De staafdiagrammen geven het oppervlak van de de groene plekken (groen) en het oppervlak van de koele plekken (blauw). Bruikbare eisen voor een koele plek op basis van de metingen en enquêtes: 1. Een koele plek moet een aantrekkelijke verblijfsplaats zijn met zitgelegenheid in de schaduw en aantrekkelijk groen en er moet een gevoel van rust, gezelligheid en veiligheid van uitgaan. 2. Al het oppervlak dat onder de gevoelstemperatuur van 35°C PET blijft tijdens een gemiddelde warme zomerdag is potentieel onderdeel van een koele plek. Een afmeting van 200 m2 is groot genoeg voor verkoeling, maar voor een aangename verblijfsplek is meestal een groter oppervlak nodig. 3. Zwemplekken en (te betreden) fonteinen op een koele plek zorgen voor extra verkoeling en worden zeer gewaardeerd.
72
4.3 Ons advies: drie ontwerprichtlijnen voor een hittebestendige stad De doelstelling voor een hittebestendige openbare ruimte zal uiteindelijk door het bestuur van een gemeente moeten worden geformuleerd. Evenzo is de na te streven mate van veiligheid in het verkeer een politieke keuze. Met ons volgende voorstel denken we een pakket bruikbare en effectieve richtlijnen te bieden om het stedelijk gebied hittebestendig in te richten. De richtlijnen gepresenteerd in figuur 4.6 kunnen afzonderlijk worden toegepast, maar indien gecombineerd elkaar ook versterken.
Afstand tot koelte: -
Afstand van woning tot koele plek < 300 m
-
Oppervlak > 200m2 (ingericht als aantrekelijke verblijfsplek)
% schaduw op loopgebied -
> 40% op belangrijke looproutes
-
> 30% per buurt
% groen per wijk -
Van voldoende tot onvoldoende
Figuur 4.6 Drie ontwerprichtlijnen voor de inrichting van een hittebestendige stad. In de volgende paragrafen worden de richtlijnen nader toegelicht.
73
4.3.1 Afstand tot koelte39 De metingen en interviews die in de zomer van 2019 werden uitgevoerd, ondersteunen de gedachte dat koele plekken in de stad van groot belang zijn tijdens hitte. Deze houden de stad leefbaar, zodat mensen buiten kunnen verblijven in plaats van naar binnen te vluchten. Zoals in de vorige paragraaf staat beschreven, geven koele schaduwrijke plekken gemiddeld 14°C verkoeling van de gevoelstemperatuur op een hete dag. Een dergelijke koele plek heeft een andere functie dan de bomenrij in de straat. Koele plekken kunnen op strategische locaties veel mensen dienen. Waar veel mensen worden verwacht, moet daar in het ontwerp rekening mee worden gehouden. De afstand die men in de hitte kan overbruggen is tijdgebonden. Voor ouderen – de meest kwetsbare groep – is de tijd van actieve beweging (looptijd) bepalend. Ouderen lopen met een gemiddelde snelheid van 3,5 km/u (Coffin & Morrall, 1995; Fitzpatrick et al., 2006). In 5 minuten legt een ouder persoon 292 meter af tegen 350 meter voor een gemiddeld persoon. De richtlijn van 300 meter loopafstand tot koelte is dus geschikt voor ouderen (Nuijten, 2008). Ook blijkt dat de aanwezigheid van groen binnen 300 meter van de woning het gebruik ervan vergroot en de kans op obesitas verkleint (Toftager, 2011).
In het buitenland wordt de richtlijn toegepast voor de inrichting van groen in de stad, bijvoorbeeld in Groot-Brittannië (Handley et al., 2003). Ons onderzoek naar koele plekken was niet omvangrijk genoeg voor harde conclusies. Maar figuur 4.3 van paragraaf 4.2.2 maakt aannemelijk dat het gebruik van de koele plekken toeneemt als de afstand tot een koele plek beperkt blijft tot 200 meter en dat het gebruik sterk terugloopt bij meer dan 500 meter. Bij een grotere stedelijke dichtheid is een kleinere afstand beter voor aantrekkelijke stadsnatuur, zoals een studie van Daams et al. (2017) uitwijst. Een koele plek definiëren wij als een plek van minimaal 200 m2 waar de gevoelstemperatuur koeler dan of gelijk aan 35°C PET is (daarboven spreekt men over sterke hittestress), en die als een aantrekkelijke verblijfsplaats is ingericht. Een koele plek ontstaat door schaduw van bomen, gebouwen of doeken. De metingen op koele plekken uit paragraaf 4.2 geven geen aanleiding om een andere omvang te kiezen. Afstand-tot-koeltekaarten geven inzicht in de spreiding van koele plekken in de stad, zie figuur 4.7. De kaarten zijn gebaseerd op een gevoelstemperatuurkaart. In één oogopslag valt op een kaart te zien waar een tekort is aan koele plekken. Ook geeft een kaart inzicht in de hoeveelheid huizen die baat hebben bij één strategisch gekozen koele plek.
Een combinatie van afstand-tot-koeltekaarten met een kaart waarop kwetsbare groepen worden aangeduid kan de urgentie van gebieden zichtbaar maken. De afstand-tot-koeltekaart kan dus helpen om strategische locaties te kiezen voor vergroening.
39
74
Deze paragraaf is voor een groot deel gebaseerd op het eerder verschenen artikel ‘Een verfrissende blik op hitte’ (Kleerekoper et al., 2019).
Afstand van pand tot koelte (2050, indicatief) < 50 m 50 - 100 m 100 - 200 m > 200 m koelte zone Tilburg
Figuur 4.7 Afstand-tot-koeltekaart (Tauw). De koeltezones zijn in deze analyse nog niet op hun toegankelijkheid beoordeeld. Toegankelijkheid van het groen is natuurlijk essentieel om de beoogde effecten van een koele verblijfsplek te bereiken. Ten eerste dient het groen openbaar toegankelijk te zijn. Ten tweede dienen er geen obstakels te zijn zoals watergangen (zonder oversteekplaats) en spoor. Ten derde dient het groen ook toegankelijk te zijn door de aanwezigheid van een (wandel)pad, een zitgelegenheid in de schaduw of een activiteit. De kaarten die hierna volgen zijn gebaseerd op de loopafstand in plaats van de hemelsbrede afstand; er is dus rekening gehouden met barrières zoals watergangen. De afstand-tot-koeltekaart kan worden ingezet als tool bij (her-)inrichtingen. Door in het beleid een maximale afstand tot koelte als ontwerprichtlijn vast te leggen kunnen ontwerpers aan de tekentafel zorgen dat groen en koelte voor iedereen dichtbij is. Meerdere gemeenten hebben al een afstand-tot-koeltekaart laten maken, als aanvulling op lucht- en gevoelstemperatuurkaarten. De gemeente Nijmegen is een stap verder gegaan met de ontwikkeling van een looptijd-tot-koeltekaart. Hierop is de looptijd naar koele plekken te zien, berekend over een netwerk van wegen en paden (figuur 2.5 in paragraaf 2.4.1).
Nijmegen definieert hierin de koele plek pas als zodanig wanneer het oppervlak van de koele plek groter is dan 5000 m2, om het aannemelijk te maken dat er ook gerecreëerd kan worden. Uit de kaart van Nijmegen blijkt dat als je uitgaat van een gemiddelde loopsnelheid (4 km/u) al veel wijken voldoen aan een looptijd van minder dan 5 minuten tot een koele plek, met uitzondering van delen van de historische binnenstad en volkswijken. De afstand-tot-koeltekaarten zijn makkelijk in te zetten voor meerdere doelen en doelgroepen. Een expert van de gemeente Nijmegen vertelt: ‘Tot nu toe hebben we de looptijd-tot-
75
koeltekaarten gebruikt voor interne bewustwording. Ook hebben we ze opgenomen in onze Stadsatlas. Later in het proces gaan we de kaarten inzetten in een risicodialoog over het lokale hitteplan.’ In Tilburg (figuur 4.7) vormt de afstand-tot-koeltekaart de basis voor een dialoog over de ambitie van Tilburg ten aanzien van hittestress, omdat de kaart voor mensen uit verschillende disciplines eenvoudig te begrijpen blijkt te zijn, makkelijker dan bijvoorbeeld een gevoelstemperatuurkaart. ‘Bij een gevoelstemperatuur- of luchttemperatuurkaart vraag je je toch af hoe erg die rode gedeelten in de kaart nu daadwerkelijk zijn. Bij de afstandtot-koeltekaart spreekt het onmiddellijk tot de verbeelding’, aldus een professional van gemeente Tilburg. Ook de gemeente Apeldoorn onderzoekt een passende definitie en grenswaarden voor de afstand-totkoelterichtlijn. Een manier is om alle mogelijke koele plekken te bezoeken en te beoordelen. Daarvoor is Apeldoorn te groot. Voor Apeldoorn werd een eerste selectie van koele plekken in GIS gemaakt. Volgens een eerste analyse met gebruik van de meest recente landelijk gestandaardiseerde PET-kaart zijn er heel veel koele plekken in de stad en liggen vrijwel alle panden binnen 300 meter van een koele plek (zie de linker kaart in figuur 4.8). De definitie van koele plekken behoefde een aanpassing.
Daarom zijn in de tweede analyse koele plekken in smalle stroken groen en in een buffer langs grote wegen buiten beschouwing gelaten omdat die ongeschikt zijn als verblijfsplek. Ook koele plekken op privaat terrein zijn buiten beschouwing gelaten. Tot slot zijn alleen plekken met gemeentelijke zitbank meegenomen. Als gevolg daarvan lichten er op de middelste kaart van figuur 4.8 verspreid over de stad veel gebieden op waar de afstand tot koele verblijfsplekken met voldoende verblijfskwaliteit (bankjes) te groot is.
Alle koele plekken
Koele plekken met bankjes
Koele plekken met minimaal 1000 m2 groen
Figuur 4.8 Afstand-tot-koeltekaarten voor de gemeente Apeldoorn met alle koele plekken (links), alleen de koele plekken met bankjes (midden) en koele plekken met minimaal 1000 m2 groen (rechts) (Tauw). Voor een derde analyse van de verblijfskwaliteit is de eis toegevoegd dat een koele plek in of aan een groene plek van minimaal 1000 m2 moet liggen. In Apeldoorn komen met name gebieden rond het centrum als onvoldoende naar voren wanneer het groen nabij de koele plek minimaal 1000 m2 dient te beslaan (zie rechter kaart in figuur 4.8). De gemeente Apeldoorn koos uiteindelijk voor deze derde variant.
76
4.3.2 Schaduw op loopgebieden
Historische binnenstad Historische binnenstad
Figuur 4.9 Doeken over de weg hebben geen ruimtebeslag op het maaiveld.
Volkswijk Volkswijk
Figuur 4.10 Pergola geeft schaduw op loopgebied zonder ruimtebeslag op parkeerplekken. Belangrijke routes door de stad moeten ook tijdens hitte aangenaam zijn. Dit zijn bijvoorbeeld looproutes van, naar en op het station, het marktplein en de belangrijke winkelstraten. Daarop richt zich de tweede richtlijn voor schaduw op loopgebieden. Voor deze richtlijn geldt niet ‘hoe meer hoe beter’. Door variatie in persoonlijke voorkeuren en de variabele weersomstandigheden in Nederland is zonnestraling in de zomer ook vaak gewenst (Klemm et al., 2015). Het is belangrijk variatie op verblijfsplekken te creëren en niet te streven naar zoveel mogelijk schaduw. Met een doelpercentage schaduw op voetpaden kan worden getoetst of de route voldoende schaduw bevat. Maar hoe kies je die doelwaarde? We hebben getracht een logische keuze te maken door ten eerste te bekijken wat de huidige percentages zijn en ons vervolgens te baseren op het gemiddelde en de spreiding van deze percentages. Hiervoor hebben we eerst gekeken naar het percentage schaduw op belangrijke voetgangersgebieden in specifieke straten. Daarna hebben we ook de percentages per buurt onderzocht, zowel gemiddeld als per wijktype. De analyses hebben we uitgevoerd voor het moment dat de zon ongeveer het hoogst staat (14:00 op 21 juni).
77