Raadsbesluit2021-033bijl3 Bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5 Berkhout
Tekst van het document
Conclusie
De oriëntatiewaarde van het groepsrisico zal niet worden overschreden door de ontwikkelingen. De bunkerschepen in het Amsterdam-Rijnkanaal liggen op voldoende afstand van het plangebied. Bij de uitwerking van de bouwplannen zal het advies van de brandweer opgevolgd worden.
50
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout
Hoofdstuk 5 5.1
Water
5.1.1
Kader
Omgevingsaspecten
Europees beleid Omdat water zich weinig aantrekt van landsgrenzen, zijn internationale afspraken nodig. Sinds eind 2000 is daarom de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Om dit te bereiken moeten de landen van de Europese Unie een groot aantal maatregelen nemen. Enerzijds om de kwaliteit van de 'eigen' wateren op peil te brengen, anderzijds om ervoor te zorgen dat andere landen geen last meer hebben van de verontreinigingen die hun buurlanden veroorzaken. De uitvoering van de KRW schept de nodige verplichtingen en biedt tegelijkertijd voor Nederland ook veel mogelijkheden. Nederland ligt immers benedenstrooms en is voor zijn waterkwaliteit voor een belangrijk deel afhankelijk van het buitenland. Door de invoering van de richtlijn kunnen landen niet langer problemen van hun bord schuiven. Aan Nederland de opgave om de richtlijn goed en doelmatig uit te voeren. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan (NWP) is het rijksplan voor het waterbeleid. Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met het NWP wordt een volgende ambitieuze stap gezet in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties. Waterbeheerplan Het beleid van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht is opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2021; waterbewust en waterrobuust. Het waterschap heeft de zorg voor het regionale watersysteem: optimale bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van schoon water en efficiënte zuivering van afvalwater. Belangrijke kernwoorden daarbij zijn ‘duurzaam’ en ‘kosteneffectief’.
Het waterschap wil ook bijdragen aan de belevingswaarde door aandacht voor recreatie, landschap en cultuurhistorie. Gemeentelijk RioleringsPlan Amsterdam 2016-2021 In dit plan is het beleid op het gebied van de gemeentelijke watertaken (stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater) van Amsterdam toegelicht voor de periode 2016-2021. Keur De Keur is de waterschapsverordening van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). De regels in de Keur beschermen de waterkeringen en watergangen. Voor werkzaamheden rond water of een dijk is een vergunning van het waterschap nodig. Bijvoorbeeld bij de aanleg van leidingen, lozingen op het oppervlaktewater, het plaatsen van bouwwerken of het onttrekken van grondwater.
51
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout
5.1.2
Plangebied
Algemeen Het Rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen hebben in februari 2001 de “Startovereenkomst Waterbeheer 21ste eeuw” ondertekend. Hierin is vastgelegd dat de betrokken partijen de “watertoets” toepassen op alle relevante ruimtelijke plannen met waterhuishoudkundige consequenties. In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen en bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan. De watertoets is een instrument om ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen en een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen in strijd met het bestemmingsplan”, te toetsen op de mate waarin rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als waterkwaliteit en waterkwantiteit (ruimte voor water) en veiligheid (bescherming tegen overstroming). Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi & Vecht (AGV). Naast regels en voorschriften (Keur en Keurbesluit, 2019) geeft AGV aan welk beleid en welke criteria (Beleidsregels, 2019) aangehouden moeten worden in en rond het oppervlaktewatersysteem (kwantiteit en kwaliteit) en met betrekking tot waterveiligheid (keringen).
Het plangebied is echter gelegen in het Oostelijk Havengebied en staat in open verbinding met het (binnen) IJ. Het IJ wordt beheerd door Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat is tevens water- en vaarwegbeheerder op het Amsterdam-Rijnkanaal. In de Entrepothaven is Rijkswaterstaat verantwoordelijk voor het waterkwaliteit- en waterkwantiteitsbeheer. Ook Rijkswaterstaat heeft het proces van de watertoets geïmplementeerd en hanteert eigen toetsingscriteria. Ook dient rekening te worden gehouden met het provinciaal beleid voor grondwaterbeschermingsgebieden en het gemeentelijk beleid op basis van de uitvoering van gemeentelijke zorgtaken voor de afvoer van afvalwater, hemelwater en de beheersing van freatisch grondwater. Voor het plangebied zijn dat de Provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam Waternet. Watersysteem en peilbeheer Ten noorden van het Cruquisgebied bevindt zich de Entrepothaven, die wordt beheerd door Rijkswaterstaat (RWS). Langs de zuidzijde van het Cruquiusgebied, is een primaire watergang gelegen die behoort tot het beheersgebied van AGV. Beide waterlichamen maken deel uit van het oppervlaktewatersysteem van het Oostelijk Havengebied waar het Amsterdam-Rijnkanaal (ARK) in een open verbinding aansluit op het Binnen IJ.
Het oppervlaktewatersysteem van het Oostelijk Havengebied wordt op een vast peil gehouden gelijk aan het Amsterdam-Rijnkanaal (ARK), het Binnen IJ en het Noordzeekanaal. In de huidige situatie is het waterpeil NAP -0,40 m. Als gevolg van de omstandigheden en wijze van beheervoering kunnen de waterstanden fluctueren tussen een waterstand van NAP -0,55 m en NAP -0,30 m. Hierover zijn afspraken vastgelegd in het Waterakkoord voor het Noorzeekanaal en Amsterdam-Rijnkanaal. Afwatering vindt plaats via het Noordzeekanaal en de gemalen in IJmuiden. Huidige situatie In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als bedrijventerrein (bebouwd gebied) en heeft het watersysteem de functie 'stedelijk water'. In de toekomstige situatie wordt het gebied ontwikkeld tot werk- en woongebied. Zowel in de BIGO2 (2006) als in de Keur van AGV (2019) worden bedrijventerrein en woongebied als gelijke functie “stedelijk gebied” beschouwd. In de ontwikkeling van het Cruquius deelgebied 5 is geen sprake van een wijziging van functie of bestemming “stedelijk gebied” zoals bedoeld in de Keur van AGV (2019) en de bijbehorende Keurkaarten. Conform de Keurkaart regio Amstel is in de ontwikkellocatie Cruquius deelgebied 5 sprake van het handhaven van stedelijk gebied.
Waterberging Bij een toename van het oppervlakte verharding van 1.000 m² of meer dient de toename aan verharding gelet op de Keur te worden gecompenseerd in de vorm van 10-20% oppervlaktewater of alternatieve
52
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout vormen van waterberging. Demping van oppervlaktewater moet voor 100% worden gecompenseerd. Als binnen het plangebied geen mogelijkheid is voor het creëren van compensatie dient elders in hetzelfde peilvak gecompenseerd te worden. In het kader van dit bestemmingsplan is geen sprake van demping van oppervlaktewater. In het kader van het project is eveneens geen sprake van toename van de verharding. In de huidige situatie is de locatie 100% verhard. In de toekomstige situatie zal dit niet veranderen. De waterhuishoudkundige situatie wijzigt hiermee niet en watercompensatie is niet noodzakelijk. Alternatieve berging Onder bepaalde voorwaarden kan demping of toename van verharding worden gecompenseerd in de vorm van alternatieve berging. Voorbeelden daarvan zijn vegetatiedaken en open of halfgesloten verharding. Voor het plangebied is geen compensatie noodzakelijk, wel zal het regenwater binnen het plangebied worden opgevangen en gebufferd waarmee wordt aangesloten bij de Agenda Duurzaam Amsterdam om de stad regenbestendig te maken. Om Amsterdam regenbestendig te maken, is op initiatief van Waternet het programma Amsterdam Rainproof opgezet. Rainproof motiveert, informeert en activeert bewoners, ondernemers, ambtenaren en kenniswerkers om regenbestendig te werken bij de verandering van daken, straten, tuinen, parken en pleinen.
Uitgangspunt is dat gerichte, kleinschalige, fijnmazige en rendabele maatregelen de stad regenbestendiger en tegelijk aantrekkelijker en leefbaarder maken. Bij invulling van voorliggend plan worden de principes uit het programma Amsterdam Rainproof gevolgd. Er is gekeken naar hoe water binnen het plangebied kan worden vastgehouden en geborgen, voordat het wordt afgevoerd. Daar waar mogelijk wordt de buitenruimte voorzien van een groene inrichting en worden gebouwen voorzien van een groen dak of groene gevel. Waterveiligheid en kades In de nabijheid van de ontwikkellocatie Cruquius deelgebied 5 (niet binnen het plangebied) zijn een paar primaire waterkeringen gelegen.
Afbeelding 5.1 Ligging van het Cruquius deelgebied 5 (blauw omcirkeld) t.o.v. waterkeringen Het gebied is gelegen binnen dijkringgebied 44 met een kans op overstroming van eens per 250 jaar. Rijkswaterstaat (RWS) West-Nederland Noord gaat uit van: waterneutraal bouwen - Compensatie van verlies aan waterberging door nieuw open water; anticiperen op permanente peilstijging van gemiddeld 1 meter - Hogere aanleghoogte, ruimte reserveren voor omkading op termijn of eigen verantwoordelijkheid nemen. Vrijwaringszone vaarweg
53
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout
Langs het Amsterdam-Rijnkanaal geldt op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een vrijwaringszone vanwege de scheepvaart. In het bestemmingsplan is rekening gehouden met de vrijwaringszone. Op dit aspect is reeds nader ingegaan in paragraaf 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Hemelwater, riolering en afkoppelen In het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) 2016-2021 en de hemelwaterverordening (2020) staat het beleid van de gemeente op het gebied van hemelwater beschreven. Amsterdam wil haar goede prestaties op het gebied van hemelwater verder verbeteren. De gemeente houdt bij de inrichting van de buitenruimte (privaat en publiek) rekening met het tijdelijk opvangen van extreme buien. Hierop wordt met het Programma Rainproof op ingespeeld. De gemeente heeft de ambitie dat de stad in 2020 een bui van 60 mm per uur kan verwerken zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur. In het plangebied ligt deels een gescheiden en deels een verbeterd gescheiden rioolstelsel. Bij de herinrichting van Cruquius deelgebied 5 wordt gedeeltelijk nieuwe riolering aangelegd van het gescheiden type. Om het rioolstelsel niet onnodig te belasten, zal het gebied rainproof worden ontworpen. In het Cruquiusgebied wordt dit bereikt door een combinatie van water vasthouden en water afvoeren.
Het water wordt vastgehouden en met een vertraging tot afvoer gebracht, zodat het oppervlaktewater wordt ontlast. Hemelwater wordt vastgehouden in de groene inrichting van de openbare ruimte en op/aan gebouwen, bijvoorbeeld in de vorm van een groen dak of groene gevel. Ten slotte komt het maaiveld wat hoger te liggen, zodat een deel van het hemelwater kan worden geïnfiltreerd in de bodem. Afstromend hemelwater Afstromend hemelwater vanaf verhardingen kan vervuild zijn. Bij de ontwikkeling zullen de eisen van Duurzaam Bouwen betreffende de uitloogbaarheid van materialen en dergelijke worden gehanteerd: het hemelwater dat terecht komt op de bebouwing en terreinverharding wordt beschouwd als relatief schoon wanneer uitgegaan wordt van het gebruik van niet-uitlogende bouwmaterialen. Dit water kan waarschijnlijk direct worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. In het Cruquiusgebied wordt een gescheiden riool aangelegd. Dit betekent dat er een apart hemelwateren vuilwaterriool komt waardoor schoon en vuilwater worden gescheiden. Van de wegen, waar veel verkeer over rijdt en waar meer vervuiling kan worden verwacht, wordt het hemelwater apart ingezameld. Hierdoor kunnen gericht (beheer)maatregelen worden getroffen als het nodig en doelmatig is om de waterkwaliteit van het watersysteem te verbeteren. Op alle wegen worden kolken geplaatst voor de inzameling van hemelwater.
Deze zullen worden voorzien van een zandvang die periodiek wordt geleegd en waardoor de hieraan gehechte vervuiling wordt afgevoerd. Hoogteligging, bodemopbouw en grondwater Het plangebied is gelegen op een van de schiereilanden in het Oostelijk Havengebied. Deze schiereilanden zijn tussen 1874 en 1927 aangelegd als landaanwinning in het IJ. Hierdoor ontstond ruimte voor uitbreiding van de Amsterdamse haven. De data in het AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland) is verkregen vanuit de lucht, door over Nederland te vliegen. Het plangebied is grotendeels bebouwd. Hierdoor is het lastig om de maaiveldhoogte te bepalen. In het plangebied ligt de maaiveldhoogte ongeveer op NAP +1,25 tot 1,5 meter. De bodem is geroerd en niet eenduidig van samenstelling. Het is overwegend een infiltratiegebied. De gemiddelde infiltratie is geschat op 1 tot 5 mm/dag. Waterkwaliteit De waterkwaliteit van het water in het Oostelijk Havengebied is nog steeds onvoldoende. Dit komt door overschrijdingen van het MTR (minimumkwaliteit, doel voor 2000). Ten einde de kwaliteit van het oppervlaktewater te beschermen moeten maatregelen in Cruquius deelgebied 5 voorkomen dat verontreinigingen in het open water geraken (zie ook aspect 'hemelwater, riolering en afkoppelen' en 'afstromend hemelwater').
Deze maatregelen zullen zowel materiaalvoorschriften in de eventuele nieuwbouw of bij vervanging betreffen als het voorkomen dat verontreinigingen via de verharding in het water belanden.
54
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout
Beheer en onderhoud RWS is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van het hoofdwatersysteem en hierbij behorende kunstwerken en gemalen, terwijl het waterschap verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van het boezemwater. 5.1.3
Conclusie
Voor de ontwikkeling van Cruquius deelgebied 5 op één van de schiereilanden in het Oostelijk Havengebied te Amsterdam Oost wordt gestreefd naar een duurzaam, veilig en gezond waterbeheer. Het nieuwe bestemmingsplan Cruquius deelgebied 5 continueert de bestaande functie of bestemming “stedelijk gebied”. Omdat de voorgenomen plannen evenals de ontwikkelingen in het waterbeleid en -wetgeving een uitwerking hebben op de inrichting van het watersysteem en de waterketen, is het proces van de watertoets gevolgd. Met de herinrichting van het Cruquius deelgebied 5 neemt de oppervlakte verhard terrein niet toe. Hierdoor bestaat geen aanleiding om extra waterberging aan te leggen op de ontwikkellocatie. In het bestemmingsplan is rekening gehouden met de vrijwaringszone.
5.2
Nautische veiligheid
In het kader van de planvorming is ook de nautische veiligheid een relevant aspect. Nautische veiligheid heeft betrekking op de mate van een vlotte en veilige doorvaart voor de beroeps- en reactievaart op het Amsterdam-Rijnkanaal. Hierbij zijn de volgende aspecten relevant: (1) zicht, (2) radarverstoring en (3) lichthinder op schepen aan de orde. 5.2.1
Breedte vaarweg en vrij zicht
Langs het Amsterdam-Rijnkanaal geldt op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een vrijwaringszone vanwege de scheepvaart. Hieraan is reeds aandacht besteed in paragraaf 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De vrijwaringszone is opgenomen op de verbeelding van het bestemmingsplan en in de regels zijn voorwaarden gesteld aan het gebruik van gronden binnen deze vrijwaringszone. Door middel van betonning wordt de vaarweg voor de beroepsvaart gemarkeerd. Naast de vaarweg voor de beroepsvaart is een vaarweg voor de recreatievaart gemarkeerd. De breedte van het Amsterdam-Rijnkanaal en het zicht is ter hoogte van het plangebied voldoende voor de goede doorvaart van beroeps- en recreatievaartuigen. De ontwikkeling van het Cruquiusgebied heeft geen invloed op de breedte van de vaarweg van het Amsterdam-Rijnkanaal. Bij de stedenbouwkundige inrichting van het Cruquiusgebied, wordt rekening gehouden met het profiel vrije ruimte, zoals opgenomen in het beleidsdocument 'De langs de vaarwegen benodigde vrije ruimte'. Dit betekent dat voor het Amsterdam-Rijnkanaal (een vaarweg met CEMT klasse IVb of hoger) rekening moet worden gehouden met een zone van 5 meter langs de kade die vrij is van bebouwing. In het stedenbouwkundig plan is hier rekening mee gehouden.
In het bestemmingsplan is dit vertaald in een bestemming Verkeer - 2 waar nieuwe gebouwen zijn uitgesloten. 5.2.2
Radarverstoring
Walradar draagt, samen met het marifoonverkeer, de cameraondersteuning en de automatische identificatie van schepen, bij aan de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart naar de havens van Amsterdam, Beverwijk, Velsen/IJmuiden en Zaandam. Zodoende kan het scheepvaartverkeer 24 uur per dag, 7 dagen per week, vlot en veilig worden afgewikkeld. Mede door de sterke groei van de haven is het scheepvaartverkeer flink toegenomen. Een radarsysteem is een vereiste, om in de toekomst onder alle omstandigheden veilige en vlotte verkeersbegeleiding van schepen te kunnen blijven garanderen. Het walradarsysteem bestaat uit 26 radarmasten die langs het Noordzeekanaal en het IJ onderling verbonden zijn door een glasvezelnetwerk. De radar boven op de mast zendt via een draaiende antenne radargolven (elektromagnetische straling) uit in de richting van vaste materie zoals schepen, maar ook land en regenbuien (zoals op buienradar.nl) en ontvangt de door de schepen gereflecteerde radargolven (echo) weer via deze antenne. In de verkeerstoren kan een verkeersleider deze echobeelden bekijken.
55
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout Uit deze echo kan een aantal gegevens over de schepen bepaald worden ten opzichte van die radar, zoals richting, afstand en snelheid. Op afbeelding 5.2 zijn de locaties van Vessel Traffic System (VTS) walradars nabij het Cruquiusgebied weergegeven. Deze radars vormen een keten en bieden een gezamenlijk radarbeeld van het scheepvaartverkeer op het IJ en Amsterdam-Rijnkanaal. Er is een drietal VTS radars dat zicht heeft op het scheepvaartverkeer dat langs het Cruquiusgebied vaart: een radar op de Amsterdamsebrug, een radar op het KNSM eiland en een radar bij de Oranjesluizen.
Afbeelding 5.2 Locaties walradars In het kader van de ontwikkeling van de Kop van Cruquius is onderzoek gedaan naar de effecten van de daar beoogde nieuwbouw op het functioneren van de radarsystemen. Voor het plangebied Berkhout zijn drie aspecten van belang: de hoogte van de bebouwing, de afstand tot de kade en de variatie in vorm en het reflecterend oppervlak. In de notitie Invloed op scheepsradar die is opgenomen als Bijlage 12 wordt hier nader op ingegaan. Er kan worden geconcludeerd dat de beoogde nieuwbouw niet zal leiden tot negatieve gevolgen op de scheepsradar in het Amsterdam-Rijnkanaal. Er kan zelfs worden gesteld dat de nieuwbouw tot een gunstigere situatie zal leiden wat betreft de scheepsradar, vergeleken met de oude situatie. De invloed op scheepsradar kan worden verdeeld in drie effecten: schaduwwerking, spookdoelen en bundelverbreding. Een nadere toelichting op deze effecten is opgenomen in de anlayse die door TNO uitgevoerd in het kader van de ontwikkeling van de Kop van Cruquius. De raportage van deze analyse is als bijlagen bij de notitie Invloed op scheepsradar opgenomen. Hierna wordt kort ingegaan op deze effecten. Schaduwwerking VTS radars Het project Kop van Cruquius bevat hoogbouw waardoor voor zowel de VTS radar op de Amsterdamsebrug als de VTS radar op het KNSM eiland een schaduwzone zal ontstaan in het verlengde van de nieuwbouw.
In de huidige situatie is er echter ook al sprake van bebouwing op de Kop van Cruquius die voor schaduweffecten op beide radars zal zorgen. In de nieuwe situatie zal er vermoedelijk niet meer schaduwwerking zijn dan in de huidige situatie. In Cruquius deelgebied 5 (Berkhout) is bebouwing toegestaan tot een hoogte van maximaal 23 meter en zal niet leiden tot een grotere schaduwwerking dan de bebouwing die op de aangrenzende percelen wordt opgericht.
56
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout
Spookdoelen VTS radars Het is denkbaar dat de nieuwbouw op de Kop van Cruquius spookreflecties worden veroorzaakt. Echter, op een groot gedeelte van het traject van het Amsterdam-Rijnkanaal hebben meerdere VTS radars zicht. Door het combineren van de radarbeelden van de verschillende VTS radars worden deze spookdoelen herkend en binnen het VTS systeem verwijderd. Het is daarom onwaarschijnlijk dat dergelijke reflecties daadwerkelijk tot tracks in de radarprocessing zullen leiden. Tevens staan er in de huidige situatie op de Kop van Cruquius en binnen het plangebied Berkhout ook verschillende gebouwen met zeer regelmatige rechte wanden. Een dergelijke geometrie kan tot sterke reflecties leiden omdat rechte wanden een grote radar cross sectie hebben. Aangezien de bestaande bebouwing niet voor spooktracks zorgt, is er geen reden om aan te nemen dat de geplande nieuwbouw hier wel voor zal zorgen. Bundelverbreding scheepsradars binnenvaartschip Grote objecten zoals gebouwen kunnen zorgen voor grote reflecties die zich over de waterweg kunnen uitstrekken op het radarbeeld. Uit het onderzoek blijkt dat indien schippers op dit moment geen problemen ervaren op het radarbeeld vanwege verbredingseffecten, het onwaarschijnlijk is dat dit na realisatie van de nieuwbouw wel geval zal zijn.
Spookdoelen scheepsradars binnenvaartschip Het ontstaan van spookreflecties kan zich ook voor scheepsradars voordoen. Voor scheepsradars geldt echter ook dat er op dit moment al bebouwing op de Kop van Cruquius staat. Er is geen reden aan te nemen dat na de nieuwbouw de situatie op dit punt zal verslechteren, ook omdat de huidige bebouwing ook al bestaat uit gebouwen met regelmatige rechte wanden. 5.2.3
Lichthinder
De vaartuigen over het Amsterdam-Rijnkanaal hebben momenteel geen hinder van de verlichting op de omliggende stedelijke gebieden ter hoogte van het studiegebied. Het Cruquiusgebied is nu al een verstedelijkt gebied met lichtuitstraling. De ontwikkeling van het Cruquiusgebied leidt mogelijk tot enige extra lichtuitstraling vanuit de woonbebouwing langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Het betreft diffuus licht dat niet op de vaarweg is gericht en de scheepvaart naar verwachting niet zal hinderen. De nieuwe bebouwing ligt verder terug dan de huidige bebouwing en het scheepvaartverkeer vaart hier rechtdoor. De onbebouwde kade zal worden voorzien van verlichting richting het land. De verwachting is dat hierdoor eventuele lichthindereffecten op de vaartuigen beperkt zullen zijn. Rijkswaterstaat zal bij de uitwerking van het verlichtingsplan voor de openbare ruimte worden betrokken. 5.2.4
Overige aspecten
Verder zijn de bunkerschepen aan de oostoever van het Amsterdam-Rijnkanaal en het plasbrandaandachtsgebied langs de vaarweg relevant voor de nautische veiligheid. Hierover staat meer informatie in paragraaf 4.6 Externe veiligheid. 5.2.5
Conclusie
De ontwikkelingen op Cruquiusgebied leiden niet tot negatieve effecten op de nautische veiligheid. De verwachting is dat de bebouwing geen invloed heeft op de veilige doorvaart op het Amsterdam-Rijnkanaal. Het aspect nautische veiligheid is daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.3
Archeologie en cultuurhistorie
5.3.1
Archeologie
Kader De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden is vastgelegd in de Monumentenwet uit 1988. De Provincie Zuid-Holland en de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurhistorie en Monumenten (RACM) hebben voor wat betreft het aspect archeologie, formeel een adviserende en
57
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout toetsende rol op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Volgens de Monumentenwet 1988 moeten (toevals) vondsten worden gemeld bij de burgemeester. Deze waarschuwt het Rijk. In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'. Plangebied In november 2011 is door Bureau Monumenten & Archeologie een archeologisch bureauonderzoek verricht voor het plangebied van bestemmingsplan 'Cruquius', vastgesteld op 9 april 2013. Dit onderzoek is ook bruikbaar voor de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Het onderzoek is als Bijlage 11 Archeologie opgenomen bij dit bestemmingsplan. Het bureauonderzoek is te beschouwen als een overzicht van bekende of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Het gebied ter plaatse van het Cruquiuswerkgebied betreft aangeslibd land buiten de zeedijk. De materiele resten kunnen bestaan uit losse vondsten en afval. Daarnaast kunnen sporen voorkomen die verband houden met de verkaveling en afvalstort uit de laatste kwart van de 19de eeuw.
De kans op verstoringen van deze resten is groot aangezien het terrein aanzienlijk is opgehoogd en intensief is geëxploiteerd in de 20ste eeuw. Er worden daarom geen archeologische resten meer verwacht. De verwachtingen zijn gekoppeld aan de huidige toestand van het terrein en mogelijk opgetreden bodemverstoringen. Dit heeft geleid tot een achttal verwachtingszones. Deze verwachtingszones zijn vertaald in een archeologische beleidskaart. Op afbeelding 5.3 is de archeologische beleidskaart voor het plangebied weergegeven.
Afbeelding 5.3 Archeologische beleidskaart Cruquiusgebied In het plangebied is gelet op de archeologische beleidskaart grotendeels beleidsvariant 11 van toepassing en voor een klein gedeelte beleidsvariant 5. In gebieden met beleidsvariant 11 geldt een lage of geen archeologische verwachting waarbij archeologisch onderzoek in geen enkel geval nodig is. 58
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout
Bij beleidsvariant 5 is archeologisch onderzoek nodig bij ingrepen die groter zijn dan 500 m² en dieper dan 3,5 m onder maaiveld. De oppervlakte van de gronden met een dubbelbestemming is binnen het plangebied kleiner dan 500 m². Archeologisch onderzoek is daarom niet nodig. Conclusie Voor het bestemmingsplan geldt dat er op het gebied van archeologie geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het plan. 5.3.2
Cultuurhistorie
Kader De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is op 21 juni 2010 als onderdeel van het uitvoeringsprogramma van de Structuurvisie Noord-Holland 2040 vastgesteld. In de Leidraad geeft de provincie haar visie op de gewenste ruimtelijke kwaliteit van Noord-Holland. Daarbij is aangegeven welke kernkwaliteiten van het landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang zijn, zodat deze kwaliteiten op een zorgvuldige wijze kunnen worden meegenomen bij nieuwe ontwikkelingen. Plangebied Gelet op de provinciale waardenkaart Landschap & Cultuurhistorie is het voorliggende plangebied aangegeven als landschapstype 'Stedelijk'. De Entrepothaven en een deel van het Amsterdam-Rijnkanaal is aangewezen als historische structuur: industrieel erfgoed 'Noordzeekanaal gebied'.
Afbeelding 5.4 Uitsnede provinciale waardenkaart Landschap & Cultuurhistorie Cultuurhistorische verkenning Voor het voorliggende plangebied heeft Bureau Monumenten & Archeologie (BMA) een Cultuurhistorische verkenning uitgevoerd. Dit onderzoek 'Cultuurhistorische verkenning Cruquiusweg e.o.' (C 12-046 Amsterdam 2012) is opgenomen als Bijlage 13 Cultuurhistorie bij het voorliggende bestemmingsplan. In de Cultuurhistorische verkenning is aangegeven dat het plangebied een boeiend stedenbouwkundig en architectonisch ensemble vormt, waarin de negentiende-eeuwse ontwikkeling van de haven en de stadsvernieuwing tot een verrassende synthese zijn gekomen. De resterende structuren en gebouwen van de veemarkt en het abattoir getuigen van een omwenteling in de voedselvoorziening van de destijds spectaculair groeiende Europese steden. De rommelige bedrijvigheid in het oostelijk deel van het Cruquiuswerkgebied en langs het Zeeburgerpad vormt een karakteristiek gegeven. Andere Oostelijke Haveneilanden zijn getransformeerd tot vrijwel monofunctionele woongebieden met in wezen eenvormige architectuur. Een aantal stedenbouwkundige elementen herinneren aan de gecompliceerde waterhuishouding van de historische stad en het probleem van de fecaliën.
Het gaat hierbij om de Nieuwe Entrepotsluis met beide bruggen, het Zeeburgerpad als voormalige waterscheiding tussen de Nieuwe Vaart en het Lozingskanaal, en het waterstaatkundige complex bij het gemaal Zeeburgerdijk 801.
59
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout
Betekenisvolle bebouwing plangebied Op het kavel is op de Spelregelkaart één behoudswaardig object aangeduid. Het betreft de laad- en loskraan die wordt ingepast in het nieuwe plan voor het deelgebied Kop van Cruquius. Conclusie Voor het bestemmingsplan geldt dat er op het gebied van cultuurhistorie geen knelpunten zijn. De laaden loskraan wordt (indien mogelijk) gerestaureerd of vervangen door een kunstobject dat refereert aan de aanwezigheid van de kraan in het verleden (binnen het Cruquiusgebied).
5.4
Mobiliteit
5.4.1
Verkeer
Om de ruimtelijke samenhang tussen de plannen in het Cruquiusgebied te borgen is door V&OR een verkeersonderzoek uitgevoerd (Bijlage 14 Verkeersonderzoek). V&OR heeft de verkeerseffecten van de transformatie van het Cruquiusgebied als gevolg van initiatieven die binnen het gebied bekend zijn, onderzocht. In dit rapport zijn de verschillende programmascenario's en de uitgangspunten beschreven en worden de resultaten gegeven van de analyse. Bij de werkwijze is aangesloten op het 'Juridisch Programma van Eisen Verkeersonderzoeken' zoals dat door de afdeling Ruimte & Duurzaamheid (R&D) van de gemeente Amsterdam is opgesteld. Voor de uitvoer van het verkeersonderzoek is gebruik gemaakt van het Amsterdamse verkeersmodel (VMA), het op VMA gebaseerde Ritproductiemodel van V&OR en een verkeersregelkundig programma (COCON). Daarnaast is gebruik gemaakt van verkeerstellingen die in februari 2016 zijn uitgevoerd in het kader van het Verkeersonderzoek Bestemmingsplan Zeeburgerpad en een verkeerstelling die in november 2016 is uitgevoerd op het kruispunt Zeeburgerdijk-Zuiderzeeweg. V&OR heeft de verkeersintensiteiten berekend voor de zichtjaren 2017 en 2027, met en zonder programmascenario's. Op basis van deze verkeersintensiteiten heeft R&D een analyse gemaakt van de doorstroming op de geregelde en ongeregelde kruispunten in het studiegebied.
In dit onderzoek worden er naast de huidige situatie en de referentievariant in 2027, twee planvarianten (hier scenario's genoemd) onderzocht: 2017 (huidige situatie) 2027 referentie 2027 scenario 1 2027 scenario 2 Scenario 1 gaat uit van de uitvoering van alle initiatieven die in september 2016 bij de gemeente bekend waren. Scenario 2 gaat uit van scenario 1, aangevuld met de aanname voor het programma op de nog te ontwikkelen kavels. Ook is rekening gehouden met ontwikkelingen in de omgeving op het Zeeburgereiland en het Zeeburgerpad. Op basis van de door V&OR berekende intensiteiten voor 2027 heeft R&D met behulp van het rekenprogramma “COCON” een verkeersregeltechnisch onderzoek verricht naar de regelbaarheid van de drie geregelde kruispunten in het studiegebied: 1. Zeeburgerdijk – Panamalaan 2. Zeeburgerdijk – Molukkenstraat 3. Zeeburgerdijk – Zuiderzeeweg Daarnaast is beoordeeld of de verkeerstoename in de varianten voor 2027 van het Cruquiusgebied als gevolg hebben dat nabij gelegen ongeregelde kruispunten het verkeer onvoldoende kunnen verwerken. Met de berekende intensiteiten voor 2027 heeft R&D de eventuele noodzaak van plaatsing van een verkeersregelinstallatie op de kruispunten getoetst. Dit is gedaan voor de volgende vier kruispunten: 1. 2. 3. 4.
Panamalaan – Zeeburgerpad Veelaan – Zeeburgerpad Th.K. van Lohuizenlaan – Zeeburgerpad Th.K. van Lohuizenlaan – Zeeburgerdijk
Uitkomsten geregelde kruispunten
60
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout
Uit de doorrekeningen van de twee geregelde kruispunten waarbij de Zeeburgerdijk kruist met de Panamalaan en met de Molukkenweg, volgt dat de huidige profielen de prognoses voor 2027 nog voldoende kunnen verwerken. De verkeersregelingen blijven voldoen aan de Amsterdamse randvoorwaarden. Voor het kruispunt Zeeburgerdijk met de Zuiderzeeweg geldt dat dit kruispunt alleen regelbaar blijft als er een profielwijziging plaatsvindt. Uitkomsten ongeregelde kruispunten Uit de toetsing van de vier ongeregelde kruispunten (aan het Zeeburgerpad en op de Th.K. van Lohuizenlaan) volgt dat verkeerslichten hier niet noodzakelijk zijn. Conclusie De verkeerstoename door de nieuwe ontwikkelingen in het Cruquiusgebied kan voldoende worden verwerkt door de kruispunten, mits er profielwijzigingen plaatsvinden bij het kruispunt Zeeburgerdijk met de Zuiderzeeweg. Deze profielwijzigingen zullen gerealiseerd worden. Daarmee is het plangebied goed ontsloten. 5.4.2
Autoparkeren
Nota Parkeernormen Auto In 2017 is de Nota Parkeernormen Auto door de gemeenteraad vastgesteld. De gemeente wil de stad bereikbaar en leefbaar houden met voldoende en aantrekkelijke openbare ruimte en meer ruimte voor de fietser en voetganger. Met de verwachte groei van de stad (woningen, kantoren etc.) is het noodzakelijk dat Amsterdam het aantal geparkeerde auto's in de openbare ruimte waar mogelijk beperkt. De Nota Parkeernormen Auto geeft normen voor wonen en kantoor, voor overige functies vormen de actuele CROW kencijfers parkeren de basis. Het principe is dat op eigen terrein in de parkeerbehoefte voor alle functies wordt voorzien. Bewoners en bedrijven komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning voor parkeren in de openbare ruimte, ook niet als er geen parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar zijn. Bezoekersparkeren mag in de openbare ruimte worden opgelost. Dat geldt zowel voor bezoekers aan woningen als aan bedrijven en voorzieningen. De volgende parkeernormen zijn van toepassing:
Tabel 5.1 Parkeernormen Nota Parkeernormen Auto De norm voor niet-woonfuncties is maximaal 1 parkeerplaats per 125 m² bvo, en kan afhankelijk van de specifieke functie worden verlaagd. Spelregels In de spelregels voor Cruquiuswerkgebied is het volgende ten aanzien van parkeren opgenomen: het parkeren voor het initiatief moet op eigen terrein; parkeren van bezoekers van bedrijven moet op eigen terrein; parkeren van bezoekers van woningen mag in openbare ruimte;
61
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout parkeerplaatsen mogen niet zichtbaar zijn vanaf de weg op de openbare ruimte; voorzieningen voor parkeren mogen niet in de openbare ruimte; dubbel gebruik van parkeerplaatsen is wenselijk; parkeerbehoefte kan men onderling ruilen. Grotere parkeergarages kunnen zo rendabel worden; de parkeergarage moet wel binnen 250 meter vanaf het bouwveld liggen; een parkeergarage met een blinde gevel is niet mogelijk, vanwege sociale onveiligheid en een ongewenste uitstraling. Plangebied Voor deze locatie is het uitgangspunt dat bewonersparkeren plaatsvindt in gebouwde parkeervoorzieningen. Het bezoekersparkeren vindt plaats direct grenzend aan het plangebied (in de openbare ruimte). Er wordt voldaan aan de spelregels. In totaal worden er in deelgebied 5 120 woningen gerealiseerd en 794 m² commerciële ruimte. Deze commerciële ruimte kan bestaan uit (creatieve) bedrijven, dienstverlening of maatschappelijke functies. Het autoparkeren zal in een ondergrondse parkeergarage plaatsvinden. Hier zijn 68 parkeerplaatsen voorzien en is ruimte voor de aanleg van 5 extra parkeerplaatsen. Er moet voldaan worden aan de beleidsregels uit de Nota Parkeernormen Auto. Er is nog geen rekening gehouden met dubbelgebruik, waardoor mogelijk minder parkeerplaatsen nodig zijn.
Dubbelgebruik moet op basis van aanwezigheidscijfers (CROW) onderbouwd worden in een parkeerbalans. Hieruit zal blijken of de aanleg van extra parkeerplaatsen nodig is. Onderstaande tabel bevat de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen. Uitgangspunt Nota Parkeernormen Auto
norm
aantal
aantal pp
parkeren vrije sector 30-60 m²
0,3
6
1,8 pp
parkeren vrije sector > 60 m²
0,6
84
50,4 pp
parkeren sociale sector
0
30
0 pp
Totaal bewoners parkeerkelder
bedrijvigheid
Totaal aantal parkeerplaatsen
52,5 pp
125
794
7,0 pp
59,5 pp
Tabel 5.2 Parkeerbehoefte op basis van normen/kencijfers Gelet op de omvang van de commerciële ruimtes wordt verwacht dat de functies die zich daar vestigen een lokale functie hebben en de behoefte aan autoparkeerplaatsen lager zal zijn dan 7,0. Er wordt onder andere gedacht aan een tandartspraktijk. Voor de bezoekers van de commerciële ruimtes is daarom voldoende gelegenheid langs de Cruquiusweg. 5.4.3
Fiets- en scooterparkeren
In maart 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter vastgesteld. Deze nota geeft normen voor een breed scala aan functies. Bij woningen (appartementen) spreekt de nota een sterke voorkeur uit voor gezamenlijke fietsenstallingen in plaats van de door het Bouwbesluit 2012 voorgeschreven individuele (fietsen)bergingen. Net als bij autoparkeren is het principe dat voor elke functie op eigen terrein wordt voorzien in voldoende fiets- en scooterparkeergelegenheid, met uitzondering van (kort) bezoekersparkeren. Dat kan in de openbare ruimte worden opgelost als daar voldoende plaats voor is. Het plan zal minimaal aan de beleidsregels uit de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter moeten voldoen. In het plangebied wordt 794 m2 aan niet-woonfuncties toegestaan. Hiervoor geldt een norm van 62
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout gemiddeld 2-2,9 fietsparkeerplekken per 100 m2. Dit betekent dat er 20 fietsparkeerplekken nodig zijn. De bezoekers van deze functies zullen in het algemeen minder dan 1,5 uur aanwezig zijn. Voor de 30 sociale huurwoningen aan de Cruquiusweg (blok in het zuidwesten van het plangebied) wordt inpandig een gemeenschappelijke stalling gebouwd van 46 m² (1,5 m²/woning conform bouwbesluit). Van de resterende 90 woningen hebben 32 woningen een eigen berging in de parkeerkelder met een oppervlakte van minimaal 5 m². Op basis van het programma en de bijbehorende fietsparkeernormen (3 tot 6 fietsplekken per appartement, afhankelijk van de omvang van het appartement) zijn voor de overige 58 woningen in totaal 217 fietsparkeerplekken benodigd. Er is in het bouwplan rekening gehouden met stallingsmogelijkheden voor 237 fietsen en 10 bakfietsen. Hiermee wordt voldaan aan de fietsparkeernormen. Voor de stalling van scooters moet per woning rekening worden gehouden met 0,13 scooter, hier dus 16 scooterparkeerplaatsen. De ruimte voor de aanleg van extra autoparkeerplaatsen kan worden ingezet voor de realisatie van scooterparkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen kunnen door de week, overdag worden gebruikt door medewerkers van de niet-woonfuncties. 5.4.4
Openbaar vervoer
In het Programma van Eisen van de Aangepaste Concessie Amsterdam 2012 (vastgesteld op 5 december 2013) staan normen vermeld over de ontsluiting van gebieden met het openbaar vervoer. Buurten die conform dit Programma van Eisen ontsloten dienen te worden zijn: Woongebieden: buurten met meer dan 1000 inwoners en een gemiddelde dichtheid van minimaal 20 inwoners per hectare. Werkgebieden: bedrijfs- en kantorengebieden met minimaal 2000 werknemers en een gemiddelde dichtheid van ten minste 40 werknemers per hectare. Ziekenhuizen. Verzorgingstehuizen die aan ten minste 100 ouderen huisvesting bieden. Een buurt of instelling wordt als ontsloten beschouwd wanneer aan de volgende eisen is voldaan: Woon- of werkgebied: ten minste 90% van alle adressen ligt binnen een straal van 800 meter van een halte/metrostation liggend aan de hoofdinfrastructuur OV of binnen een straal van 400 meter van een andere halte. Zieken- of verzorgingshuis: de belangrijkste publieksingang van de instelling ligt binnen een loopafstand van 250 meter van een halte/metrostation. Bovenstaande eisen gelden niet wanneer de Concessiehouder naar het oordeel van de Stadsregio kan aantonen dat de lijnvoering die nodig is om aan deze eisen te voldoen, ertoe leidt dat veel reizigers ver moeten omrijden en/of lijnen waarvan maar weinig reizigers gebruik zullen maken aan het openbaar vervoeraanbod moeten worden toegevoegd.
Plangebied Het Cruquiusgebied wordt momenteel niet bediend door het openbaar vervoer. De dichtstbijzijnde openbaar vervoerlijnen zijn de tramlijnen 7 en 14 langs de Flevoweg / Zuiderzeeweg aan de zuidzijde van het Cruquiusgebied. Een halteplaats ligt aan de Flevoweg, ten zuiden van het kruispunt met de Zeeburgerdijk. Deze halte ligt op circa 475 meter van het hart van het Cruquiusgebied. De tramhalte behoort tot de hoofdinfrastructuur OV en daarmee kan het Cruquiusgebied als ontsloten worden beschouwd. De ontwikkeling van het gebied zorgt voor een toename aan reizigers. De (huidige) inwoners, gemeente Amsterdam en de ontwikkelaars spannen zich in om in het gebied ook een bushalte te krijgen op de van Lohuizenstraat. 5.4.5
Conclusie
Het plangebied biedt voldoende ruimte voor het realiseren van de parkeerbehoefte. De toets aan het Programma van Eisen van het openbaar vervoer in het Concessiegebied Amsterdam laat zien dat het Cruquiusgebied is ontsloten op het openbaar vervoer.
63
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout
5.5
Natuurbescherming
5.5.1
Kader
Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming Natura 2000 is het Europese netwerk van waardevolle natuurgebieden, dat er op gericht is de aanwezige natuurwaarden te behouden en te versterken. Gebieden die door de minister zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied vormen samen de Natura 2000-gebieden. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor soorten en habitattypen. Ruimtelijke ontwikkelingen of gebruik die een negatief effect hebben op deze doelstellingen zijn niet zondermeer toegestaan. De bescherming van deze gebieden is in Nederland geregeld via de Wet natuurbescherming (per 1 januari 2017). Om schade aan de natuurwaarden waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkomen, bepaalt de wet dat projecten en plannen die de kwaliteit kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Om vast te stellen of, en zo ja, onder welke voorwaarden een project of plan in en rondom een Natura 2000-gebied kan worden toegelaten, dient deze getoetst te worden. Indien effecten niet kunnen worden uitgesloten dient, afhankelijk van het te verwachten effect een verslechterings- en verstoringtoets dan wel een passende beoordeling te worden uitgevoerd.
Soortenbescherming De bescherming van planten- en diersoorten is per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet is erop gericht om de Nederlandse biodiversiteit te beschermen en de dieren en planten binnen de Nederlandse wetgeving de plek te geven die hun volgens de Europese (Vogel- en Habitatrichtlijnen) afspraken toekomt. Het uitgangspunt is een wettelijk verbod op het doden van een aantal in het bijzonder genoemde dieren en planten. Voor terugkerende werkzaamheden, zoals het onderhoud aan vaarwegen of het maaien van graslanden die al langer op dezelfde manier worden uitgeoefend en kennelijk niet hebben verhinderd dat een beschermde soort zich in het gebied heeft gevestigd, kan een vrijstellingsregeling in werking treden als wordt voldaan aan bepaalde criteria. De criteria die worden gehanteerd bij het opstellen van de vrijstellingsregeling zijn de zeldzaamheid van soorten en de ingrijpendheid van activiteiten. Hoe zeldzamer de soort en hoe ingrijpender de activiteit, hoe strikter het beschermingsregime. Ook voor ruimtelijke ontwikkeling en inrichting kan een vrijstelling gelden, al is deze minder omvattend dan de vrijstelling voor terugkerende werkzaamheden. Om gebruik te kunnen maken van de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen, beheer en gebruik, is een gedragscode nodig.
Een gedragscode is niet verplicht, maar dan moet voor ieder project of beheeractiviteit in een terrein waar beschermde soorten voorkomen de ontheffingsprocedure worden doorlopen. Gedragscode Flora- en faunawet Amsterdam (2009) De gedragscode is van toepassing binnen de grenzen van de gemeente Amsterdam en het beheer gebied van het Amsterdamse Bos op alle medewerkers van de gemeente Amsterdam die zelf of samen met andere werkzaamheden uitvoeren of die daartoe opdracht geven aan derden. Deze derden verklaren bij hun werkzaamheden de = 'Gedragscode flora en fauna van de gemeente Amsterdam' te onderschrijven en te volgen. Op verzoek kunnen zij een exemplaar van de gedragscode overhandigen aan controlerende instanties of verenigingen. Met de gedragscode beschrijft de gemeente Amsterdam de voorzorgsmaatregelen die erop gericht zijn de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten die binnen haar gemeente grenzen voorkomen bij het uitvoeren van werkzaamheden te handhaven dan wel te versterken. Daarmee voldoet de gemeente Amsterdam aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 16c van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantsoorten Flora- en faunawet. De gedragscode heeft betrekking op plannen en projecten die in opdracht van of door de gemeente Amsterdam worden voorbereid en uitgevoerd. De
64
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout gedragscode betreft: de voorbereiding en uitvoeren van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling; het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud. 5.5.2
Quickscan Ecologie
Begin 2013 is een Ecoscan Bestemmingsplan Cruquiusgebied uitgevoerd. De aanwezigheid van de meeste beschermde soorten is gezien het regionale verspreidingsbeeld en de habitatkenmerken van het gebied uit te sluiten in het Cruquiusgebied. De conclusies uit de Ecoscan Bestemmingsplan Cruquiusgebied (RHDHV, 2013) blijven - gezien de weinig veranderde situatie van het Cruquiusgebied – daarmee staan. Wel zijn sinds de Wet natuurbescherming van kracht is (1 januari 2017), enkele soorten beschermd in de provincie Noord-Holland die voorheen niet beschermd waren. Dit zijn kleine marterachtigen, enkele dagvlinders en libellen. Het Cruquiusgebied, biedt geen leefgebied voor deze soorten. Daarvoor ontbreken de juiste biotopen en voldoende voedsel, bovendien is het terrein voor met name kleine marterachtigen teveel verstoord. De aanwezigheid van beschermde gebouwbewonende soorten als huismus en gierzwaluw en de soortgroepen vleermuizen en vaatplanten is in het Cruquiusgebied niet op voorhand uit te sluiten. Vanwege de grote onderzoeksintensiteit en het gering aantal vleermuizen dat tijdens eerdere onderzoeken is aangetroffen, is eerst een inventariserende gebouwenscan uitgevoerd (RHDHV, 2017).
Hierin is op basis van kenmerken van verblijfplaatsen en de aanwezigheid hiervan per gebouw in het Cruquiusgebied een indeling gemaakt in vier geschiktheidsklassen voor het herbergen van vleermuisverblijfplaatsen: geschikt, matig geschikt en ongeschikt. Op deze manier is duidelijk geworden op welke gebouwen de focus moet komen te liggen bij het nader onderzoek. Tijdens de gebouwenscan zijn ook (potentiele) nestlocaties van huismussen en gierzwaluwen in beeld gebracht, zodat ook naar deze soorten gerichte inventarisaties kunnen worden uitgevoerd. Ook zijn aanwezige kademuren beoordeeld op geschiktheid als standplaats voor beschermde muurplanten. Naast de indeling voor vleermuizen is in de gebouwenscan geconcludeerd dat in de nieuw te ontwikkelen delen van het Cruquiusgebied geen geschikt leefgebied aanwezig is voor de huismus en beschermde vaatplanten (de eerder onderzochte muurplanten, zijn in de Wet natuurbescherming niet meer beschermd). Gebiedsbescherming Natura 2000 - stikstofdepositie Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen, is Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Dit gebied bevindt zich op een afstand van 6 kilometer van het plangebied. Negatieve effecten op stikstofgevoelige natuurwaarden in dit natuurgebied kunnen niet worden uitgesloten. In november 2020 is een onderzoek uitgevoerd naar Stikstofdepositie.
Uit dit onderzoek blijkt dat zowel de aanleg- als gebruiksfase van de ontwikkeling van deelgebied 5 (Berkhout) niet leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter hoogte van een Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen, ook niet bij de dichtstbijzijnde en daardoor maatgevende, zijnde Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (6 km afstand) en Naardermeer (12 km afstand). Hierdoor zijn op voorhand significant negatieve effecten gerelateerd aan stikstofdepositie voor de natuur uit te sluiten, en is ten aanzien van gebiedsbescherming een vergunningaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Natuurnetwerk Nederland Het Cruquiusgebied ligt ten westen van Zeeburgereiland. Langs de westoever van Zeeburgereiland zal een ecologische verbindingszone, EVZ Gooi-Waterland, worden gerealiseerd. Deze loopt door de mond van het Amsterdam-Rijnkanaal en de westzijde van het Zeeburgereiland. Deze verbindingszone ligt op circa 500 meter van het Cruquiusgebied en hiervan gescheiden door de vaargeul van het Amsterdam-Rijnkanaal. Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EVZ zijn uitgesloten. Soortenbescherming
65
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout
Op 10 april 2017 is een verkennend onderzoek naar de potentiele geschiktheid van de verschillende gebouwen voor huismus, gierzwaluw, vleermuizen en de kademuren voor beschermde muurplanten (zie Bijlage 17 Onderzoek beschermde soorten Wnb). Tijdens het verkennend onderzoek zijn de verschillende gebouwen gecontroleerd op de aanwezigheid van voor vleermuizen geschikte elementen (zoals spouwmuren, houten betimmering, dakoverstekken, dakpannen etc.) om verblijfplaatsen te kunnen herbergen. Op basis van het verkennend onderzoek kan worden geconcludeerd dat de gebouwen binnen het plangebied niet geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. In juni 2017 is in het plangebied een foerageergebied geconstateerd. De foerageergebieden die verloren gaan zijn van geringe kwaliteit. Omdat nieuwe gebouwen op en in de directe omgeving van het plangebied worden voorzien van groene daken en ook de omgeving parkachtig wordt ingericht, zorgt errvoor dat er voldoende nieuw foerageergebied aanwezig zal zijn, dat het oude foerageergebied kan opvangen. Met het verlies van deze foerageergebieden worden geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Naast de geschiktheidsbepaling voor vleermuizen is uit het verkennend onderzoek gebleken dat standplaatsen van beschermde flora afwezig zijn.
Ook biedt het plangebied geen nestgelegenheid voor huismussen, vanwege het ontbreken van voldoende voedselaanbod en/of dekking biedende beplanting in de directe nabijheid. Tijdens de onderzoeken in juni en juli is ook gezocht naar gierzwaluwen. Er is op beide avonden geen gierzwaluw aangetroffen in het plangebied. 5.5.3
Conclusie
De voorgenomen werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) hebben geen effect op beschermde gebieden en soorten.
5.6
Duurzaamheid
5.6.1
Kader
Agenda Duurzaamheid De gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de hoofdstad versnellen. Dit staat in de Agenda Duurzaamheid, de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad. De Agenda Duurzaamheid is vastgesteld door de Gemeenteraad van Amsterdam op 11 maart 2015. Amsterdam wil een inhaalslag maken op het gebied van duurzaamheid. Dit doen we in goede samenwerking met partners uit de stad (bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen), niet alleen voor het creëren van breed maatschappelijk draagvlak, maar ook om de energie en doorzettingskracht die al aanwezig zijn in de samenleving te versterken. De Agenda Duurzaamheid is uitgewerkt met kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen, langs vijf transitiepaden, met als rode draad de filosofie van de circulaire economie: innovatie, meer doen met minder, slimmer en hernieuwbaar.
In de agenda zijn de volgende kwantitatieve doelen opgenomen: Duurzame energie: in 2020 wordt per inwoner 20% meer duurzame energie opgewekt dan in 2013; Schone lucht: in 2025 is de hoogst gemeten concentratie stikstof-dioxide 35% lager dan in 2015; Schone lucht: in 2025 is de hoogst gemeten concentratie roet 30% lager dan in 2015; Scheiden van afval: in 2020 wordt 65% van het huishoudelijk afval gescheiden; In 2025 is de CO2-uitstoot van de gemeente 45 procent minder dan in 2012. Duurzame energie In december 2016 heeft de gemeenteraad Amsterdam de Strategie 'Naar een stad zonder aardgas' vastgesteld. Hierin wordt de strategie beschreven hoe de stad aardgasloos kan worden. Dit betekent o.a. dat nieuwbouw niet meer worden aangesloten op het gasnet, transformatie wordt gebruikt als aanleiding om duurzaam te gaan verwarmen en dat er naar alternatieven moet worden gezocht voor de verwarming van woningen, de bereiding van warm tapwater en koken op aardgas. Dit geldt voor alle nieuwbouw- en transformatiegebieden in Amsterdam. In het plangebied wordt aardgasloos
66
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout privaatrechtelijk geborgd. Energieneutrale nieuwbouw stimuleren Het Raadsbesluit uit 2008 om in 2015 alleen nog maar Klimaat Neutraal (EPC = 0,15) te bouwen heeft tot nog toe beperkt resultaat opgeleverd, namelijk 1% van de nieuwbouw. In de uitvoering is meer nadruk op het uitdagen van de markt via het selectieproces van ontwikkelende partijen en het aanwijzen van gebieden met een hogere ambitie nodig. Het bouwbesluit stelt dat vanaf 2020 nieuwbouw energieneutraal (de nieuwe term in de sector) de norm is. De stad hanteert de volgende doelstelling: in Amsterdam ontwikkelen we de nieuwbouw– woningen en utiliteit – in 2020 energieneutraal. Het is de ambitie dat 75 procent van het programma in de overeenkomsten die vanaf 1 januari 2015 afgesloten worden, energieneutraal wordt ontwikkeld. Waar het bouwbesluit conform de Europeserichtlijn de ondergrens vormt, wordt de markt tegelijkertijd uitgedaagd om beter te presteren. Ontwikkelende partijen – ontwikkelaars, woningcorporaties, maar ook (collectieve) particuliere opdrachtgevers (CPO) en zelfbouwers – worden gestimuleerd. 5.6.2
Plangebied
Natuur inclusief bouwen Natuur is een integraal onderdeel van de planvorming. Het is de ambitie te streven naar het behouden en versterken van reeds aanwezige of ten onrechte verdwenen flora en fauna. Hiervoor richten we ons in eerste instantie op de groene en blauwe netwerken in de omgeving. Een duurzaam plan voor een divers gebied gedijd alleen bij een doordachte verankering in de omgeving. Zo kan niet alleen de biodiversiteit in het gebied zelf worden versterkt maar draagt het plan ook bij aan een verbetering van de lokale en regionale verbindingen. In de openbare ruimte in deelgebied 5 (Berkhout) wordt gezocht naar beplanting die voedsel, dekking en nestgelegenheid biedt voor diverse soorten. Bomen en planten worden gekozen vanwege hun aantrekkende werking op vlinders, bijen, hommels en andere insecten door hun specifieke geur- en nectarproductie. Insecten spelen een belangrijke rol bij de bestuiving van planten en vormen een belangrijke schakel in de voedselvoorziening van onder meer vogels. Naast voedsel hebben de insecten ook leefruimte nodig. Verschillende begroeiing en open verharding bieden die ruimte. Beplanting is niet alleen waardevol voor de fauna, maar ook voor de mens. De prachtige kleuren, geuren en zichtbare wisseling van seizoenen zorgen voor een aantrekkelijke beleving van de openbare ruimte.
Op gebouwniveau worden daken voorzien van groen ter versterking van de biodiversiteit en de aantrekkende werking op diverse vogelsoorten. De gevels worden voorzien van nestgelegenheid voor diverse vogels en vleermuizen, daarbij wordt rekening gehouden met logische aanvliegroutes en de juiste oriëntatie van de nestkasten. Duurzame energie en circulair bouwen Het ultieme streven is om een gebied te maken dat bestendig is in de tijd. Reductie van CO2-uitstoot, energiegebruik en milieubelasting speelt hierbij een belangrijke rol. De focus in dit gebied zal liggen op passieve maatregelen. Denk hierbij aan een goed geïsoleerd gebouw met dusdanige structuur en ontsluiting dat het voor meerdere functies geschikt is. Dit geeft gebouwen de mogelijkheid in de toekomst te veranderen met behoud van een energiearme opzet. Daarnaast zullen de gebouwen, door de aanscherping van de wettelijke EPC norm, al zeer duurzaam worden uitgevoerd. De technische invulling voorziet in een WKO installatie voor verwarming en koeling van de gebouwen met ondersteuning van PV-panelen op de daken voor duurzame elektriciteitsopwekking. In combinatie met de groene daken werken de PV-panelen meer efficiënt, omdat deze daken zorgen voor koeling van de panelen.
Schone lucht en mobiliteit De Amsterdamse ambitie voor het thema schone lucht gaat verder dan de wettelijke eisen voor luchtkwaliteit en is gericht op een gezonde luchtkwaliteit. Het gaat daarbij met name om mobiliteit gerelateerde maatregelen en een (stedenbouwkundig) ontwerp, met bijvoorbeeld autoluwe gebieden, dat bijdraagt aan een gezonde leefomgeving. Ook voor deze locatie geldt dat de negatieve effecten op de luchtkwaliteit met name van het verkeer afkomstig zijn.
67
bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 5, Berkhout
Goede OV- en fietsverbindingen De inzet is om het autogebruik zoveel mogelijk te beperken door een lage parkeernorm te hanteren. De bebouwingsdichtheid van het gebied is hoog, in de omgeving is een mix van functies aanwezig en er komt een hoogwaardige openbare ruimte. De voorwaarden zijn daarmee aanwezig voor een levendig stedelijk milieu, waar de voetganger zich thuis voelt. Om de rest van de stad te bereiken, bestaat een goede ontsluiting van het gebied met openbaar vervoer en met de fiets. Goederenvervoer De bevoorradingsroutes voor o.a. bedrijven, kantoren en winkels verdienen vanuit luchtkwaliteit aandacht. Er komen voldoende laad- en losvoorzieningen in de nabijheid zodat het overige verkeer goed kan doorstromen (en daarmee minder luchtvervuiling veroorzaakt). Elektrisch Vervoer Elektrisch vervoer heeft de toekomst: het is duurzaam en draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Om elektrisch vervoer in het gebied mogelijk te maken, is het van belang dat hiervoor afdoende infrastructuur aanwezig is. Er is daarbij een onderscheid te maken in de oplaadinfra die bij oplevering aanwezig moet zijn en de oplaadinfra voor de toekomst die in eerste instantie alleen moet zijn voorbereid. Het gaat zowel om voldoende oplaadfaciliteiten in de openbare ruimte als in de privégarages op eigen terrein.
Er zullen in de openbare ruimte en gebouwen voorbereidingen getroffen om te anticiperen op een toekomst met meer elektrisch vervoer. Huishoudelijk afval De gemeenteraad Amsterdam heeft in juli 2016 het Uitvoeringsplan Afval vastgesteld. Amsterdam heeft een hoge ambitie op het gebied van afval en grondstoffen. De gemeente wil dat het afvalscheidingspercentage omhoog gaat (van 27% voor huishoudelijk afval in 2014 naar 65% in 2020) om zo meer grondstoffen terug te winnen voor hergebruik, recycling en andere nuttige toepassingen. Hoe dit gerealiseerd gaat worden staat omschreven in het Uitvoeringsplan Afval. Het plan sorteert voor op de nieuwe gemeentelijke afvalrichtlijnen voor nieuwbouwgebieden. De essentie hiervan is sturing op scheiden van afval dichtbij huis (bronscheiden). Dat betekent dat ondergrondse containers voor fijn huishoudelijk afval (restafval, glas, oud papier & karton, plastic en drankkartons, en textiel ) dichtbij de woning en zoveel mogelijk in herkenbare eilanden (clusters) worden geplaatst. Klimaatbestendig Uit klimaatscenario's van het KNMI blijkt dat er tegenwoordig meer hevige regenbuien vallen dan vroeger en dat we in de toekomst extremer weer krijgen. De zomers worden warmer en mogelijk droger en de winters zachter en natter. In het extremer wordende klimaat en de verdere verdichtende stad is een extra inspanning nodig o.a.