Raadsbesluit2021-029V- 06 Raadsaangelegenheden (7) Bijlage 22 - advies bezwaar Portugees-Israëli
Tekst van het document
X
Gemeente Amsterdam
Advies inzake bezwaar tegen het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van io december 2019 inzake een aanvraag op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden Kenmerk:
DJ.2o.00lo85.00l, DJ.2o.00lo86.00i en
W.20.001090.001.
Advies over het bezwaarschrift ingediend door
Portugees-Israëlitische Gemeente Amsterdam
tegen vijf besluiten van de raad van de gemeente Amsterdam, allen van io december 2019 (hierna: de raad). Met deze besluiten heeft de raad vier subsidieaanvragen van PortugeesIsraëlitische Gemeente Amsterdam (hierna: PIG) om een eenmalige subsidie op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoedenl afgewezen en is één subsidieaanvraag van PIG gedeeltelijk toegekend.
i. Inleiding
PIG heeft op 3.9 januari 2020 bezwaar gemaakt tegen de vijf zojuist genoemde besluiten van de raad van io december 2019. Bij e-mail van 2 maart 2020 heeft PIG de motivering van haar bezwaar aangevuld. Op 11 augustus 2020 is daarop namens de raad met een verweerschrift gereageerd. Op 25 september 2020 heeft de bezwaarschriftencommissie van de raad (hierna: de bezwaarschriftencommissie) partijen op een hoorzitting gehoord. Het gaat in deze procedure om de verlening van subsidie op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden (verder: de subsidieverordening). Naar aanleiding van de conclusies in het NIOD-rapport 'Openstaande Rekeningen, de gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel, 1940-1950' heeft de raad op 14 juli 2016 besloten om een collectieve tegemoetkoming van €10 miljoen2 ter beschikking stellen aan de Amsterdams Joodse gemeenschap.
1 Gemeenteblad 11 september 2018, nr. 1933.48. 2
0 p i8juli 2018 heeft de raad besloten om het budget te verhogen naar cio,8 miljoen.
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 2 van 18
Op 27 september 2017 heeft de raad besloten om voor de verdeling van deze tegemoetkoming een adviescommissie in te stellen, de Commissie Joodse erfpachttegoeden (verder: de commissie). Deze commissie had tot taak om de raad te adviseren over de besteding van de collectieve tegemoetkoming aan de Amsterdams Joodse gemeenschap. De raad heeft er daarbij bewust voor gekozen om de commissie samen te stellen uit leden die afkomstig zijn uit de Joodse gemeenschap zelf, zodat verdeling van de ter beschikking gestelde tegemoetkoming werd belegd bij vertegenwoordigers van die gemeenschap. Op 3.8 juli 2018 heeft de raad de zes personen tot lid van de commissie te benoemd die, zoals gezegd, allen uit de Joodse gemeenschap afkomstig zijn.
Met het oog op een evenredige verdeling van de tegoeden over verschillende aanvragen, afkomstig uit de Joodse gemeenschap, zijn de aanvragen onderverdeeld in vijf sectoren. Het gaat om Educatie, Religie, Welzijn & Zorg, Jongeren en Erfgoed & Cultuur. Vervolgens heeft de commissie de aanvragen binnen de verschillende sectoren beoordeeld op basis van de criteria in de subsidieverordening. Het zwaartepunt van deze beoordeling lag bij de mate waarin een aangevraagde activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap. Verder werd onder andere beoordeeld of de doelstelling paste binnen de sector waartoe de aanvraag behoorde, of de aanvraag kans van slagen had, of het bereik van de activiteit in verhouding stond tot de kosten die daarmee waren gemoeid en de mate waarin sprake was van medefinanciering door de aanvrager zelf of derden.
Er konden tot en met 31 december 2018 aanvragen worden ingediend. De raad heeft 123 aanvragen ontvangen voor een subsidie op grond van de subsidieverordening, in totaal voor een bedrag van in totaal €35,8 miljoen. De commissie heeft deze aanvragen conform de criteria in de verordening beoordeeld en advies uitgebracht over de kwaliteit van de aanvragen en — op basis daarvan — de verdeling van de gelden over alle aanvragen. De commissie heeft daarbij geadviseerd om 13 aanvragen volledig in te willigen, 38 aanvragen gedeeltelijk in te willigen en de overige aanvragen af te wijzen. PIG heeft subsidie aangevraagd voor drie op zichzelf staande activiteiten binnen haar gemeente. Het gaat om de activiteit 'Vergroten bereik Amsterdams-Sefardisch cultureel erfgoed' voor €281.219,00 (verder: 'project A'), de activiteit 'Conservering, digitalisering en ontsluiting religieus cultureel erfgoed voor €156.415,00 (verder: 'project B') en de activiteit `Aanstelling community worker' voor €304.044,00 (verder: 'project C'). PIG heeft hiertoe vijf verschillende subsidieaanvragen bij de raad ingediend, waarin steeds verschillende combinaties van deze drie projecten waren opgenomen. Zo bestond de ene subsidieaanvraag bijvoorbeeld
2
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 3 van 18
uit een combinatie tussen project A en project B en bestond de andere aanvraag uit een combinatie tussen project B en C. Weer een andere aanvraag bestond uit alle drie de projecten, etc.. De commissie heeft allereerst de aanvraag beoordeeld die bestond uit de combinatie van de projecten A, B en C samen. Op basis daarvan is de commissie van oordeel dat niet alle onderdelen van de aanvraag voor subsidie in aanmerking komen, omdat de commissie het totaal aangevraagde bedrag te hoog acht in verhouding tot het te verwachten bereik en het totale beschikbare subsidiebedrag. Daarom heeft zij gekozen voor het project dat naar haar oordeel het meest doelmatig is. Daarbij is subsidie voor 'project B' toegekend, omdat deze activiteit naar het oordeel van de commissie een belangrijke bijdrage levert aan de continuiteit van de Amsterdamse Joodse gemeenschap, terwijl de behoefte binnen de Amsterdamse Joodse gemeenschap dan wel de (onderscheidende) bijdrage voor de gemeenschap bij de overige twee projecten beperkter wordt ingeschat. De commissie is daarom gekomen tot gedeeltelijke toekenning van het aangevraagde bedrag en heeft geadviseerd een bedrag toe te kennen van €156.415,00. Dit betekent dat de commissie tevens adviseerde om de aanvragen waarin de projecten in andere samenstellingen waren gecombineerd, af te wijzen.
De raad heeft dit advies van de commissie overgenomen en daarop de bestreden besluiten gebaseerd. Daartegen heeft PIG bezwaar gemaakt. Hieronder treft u het advies over dit bezwaar aan. De bezwaarschriftenconnmissie adviseert de raad om het bezwaar ongegrond te verklaren. 2. Juridisch kader
Het juridisch kader in deze zaak wordt in algemene zin gevormd door de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en meer specifiek door de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden en de Verordening commissie Joodse erfpachttegoeden. Algemene wet bestuursrecht Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient de raad zich op grond van artikel 3:9 Awb ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 3:46 Awb dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering. Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden
3
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 4 van 18
In artikel 2 lid ivan de subsidieverordening is bepaald dat deze verordening van toepassing is op het budget dat de raad op 14 juli 2016 beschikbaar heeft gesteld als collectieve tegemoetkoming aan de Joodse gemeenschap. Het doel van deze verordening is subsidiering van activiteiten ten behoeve van met name de Amsterdams Joodse gemeenschap. Op grond van artikel 3 lid Ivan de subsidieverordening is er een commissie die de raad adviseert over de subsidieaanvragen gedaan op basis van deze verordening. Op grond van artikel 4 van de subsidieverordening kan de raad subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten als bedoeld in artikel 2 in één of meer van de volgende sectoren: "a. Educatie b. Religie c. Welzijn & zorg d. Jongeren e. Erfgoed & cultuur." Op grond van artikel 6 van de subsidieverordening worden de aanvragen die aan de voorwaarden gesteld in de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden voldoen gerangschikt op basis van hun kwaliteit. Op grond van artikel 12 van de subsidieverordening wordt de kwaliteit van de subsidieaanvraag vastgesteld aan de hand van de volgende, beoordelingscriteria, die zijn opgesomd in volgorde van hun relatieve belang: a. de mate waarin een activiteit een bijdrage levert aan de continuiteit van de Joodse gemeenschap; b. de doelstelling van de activiteit die moet passen in een van de in de artikel 4 genoemde sectoren; c.
de beoordeling van de slagingskans van de activiteit door de commissie; d. het bereik van de activiteit gerelateerd aan de daaraan verbonden kosten; e.de mate waarin een aanvraag financiële soliditeit vertoont; f. de mate waarin sprake is van medefinanciering door de aanvrager zelf of derden; g. de waarborg van de continuïteit van de aanvrager. Deze criteria zijn in de toelichting bij de subsidieverordening nader toegelicht:
4
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 5 van 18
"Dit artikel bevat de criteria aan de hand waarvan de kwaliteit van een subsidieaanvraag wordt vastgesteld. De beoordelingscriteria staan in volgorde van hun relatieve belang. Dat wil zeggen dat aan het criterium onder a. het meeste gewicht en het criterium onder h. het minste gewicht wordt toegekend bij het beoordelen van de kwaliteit van een aanvraag Hieronder volgt een nadere omschrijving van de criteria. De mate waarin een activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap. Het moet gaan om activiteiten die een bestendig karakter hebben en die bijdragen aan de Joodse infrastructuur. Dit zal meestal gaan om een nieuwe activiteit, maar ook bestaande activiteiten kunnen voortoekenning in aanmerking komen. Ook langlopende activiteiten kunnen voor toekenning in aanmerking komen middels een meerjarenplan, met een maximum van vier jaar. De doelstelling van de activiteit De doelstelling van de activiteit dient te passen binnen een van de in artikel 4 genoemde sectoren. De slagingskans van de activiteit De commissie zal zich een oordeel trachten te vormen over de mogelijkheden van de aanvrager de activiteit tot een goed einde te brengen. Het bereik van de activiteit gerelateerd aan de daaraan verbonden kosten. Hoeveel personen hebben profijt bij de activiteit in relatie tot de kosten ervan. Het gaat hier om het realiteitsgehalte van een activiteit.
De mate waarin een aanvraag financiële soliditeit vertoont. Dit criterium houdt verband met de slagingskans van de activiteit. Medefinanciering De mate waarin sprake is van medefinanciering van de activiteit door andere organisaties dan de aanvrager. Gezien de beperktheid van het totaal toe te kennen bedrag kan het in het bijzonder bij omvangrijke activiteiten eenvoudiger worden een
5
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 6 van 18
uitkering toe te kennen indien anderen dat ook doen. De mate waarin sprake is van medefinanciering van de activiteit door de aanvrager dan wel doordeelnemers/gebruikers. Hierbij dient ook gedacht te worden aan wat door afnemers voor de door de activiteit gegenereerde diensten wordt betaald. Uiteraard zal hierbij de totale financiële situatie van de aanvrager worden betrokken, in het bijzonder ook de omvang van het eigen vermogen. De waarborg van de continuïteit van de aanvrager. De continuïteit van een aanvrager kan door het uitvoeren van een omvangrijke activiteit of investering in gevaar komen. Vragen die hierbij gesteld moeten worden zijn bijvoorbeeld of het mogelijk zal zijnde jaarlijkse kosten die uit de investering voortkomen op te brengen en of de deelname aan de activiteit of investering en de daarmee gepaard gaande inkomsten aan de verwachtingen voldoen." Op grond van artikel ii lid 4 van de S subsidieverordening kan de raad naar aanleiding van het advies van de commissie subsidie tot een lager bedrag toekennen dan is aangevraagd. Verordening Commissie Joodse erfpachttegoeden In artikel J. is bepaald dat er een Commissie Joodse erfpachttegoeden is, dat deze commissie bestaat uit zes leden en tot taak heeft de raad te adviseren over de besteding van de collectieve tegemoetkoming van tien miljoen euro aan de Joodse gemeenschap voor de erfpachttegoeden.
Op grond van artikel 2 van deze verordening benoemt de raad de leden van de commissie. Op grond van artikel 5 lid i zijn de leden van de commissie gezamenlijk, voor de uitoefening van hun taak, verantwoording schuldig aan de raad. Op grond van het tweede lid geven zij de raad alle inlichtingen die de raad daarvoor nodig heeft. 3. Verloop van de procedure Op 26 december 2018 heeft PIG vijf aanvragen gedaan voor subsidie op grond van de subsidieverordening. Naar aanleiding van de uitgebrachte adviezen door de commissie hebben de raad en PIG tussen 27 en 30 augustus 2019 contact gehad over de onderlinge samenhang tussen de vijf aanvragen. Daarop heeft PIG verduidelijkt dat zij heeft bedoeld om subsidie aan te vragen voor
6
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 7 van 3.8
drie activiteiten (de in de inleiding genoemde 'project A', 'project B' en 'project C') en niet om vijf verschillende subsidieaanvragen te doen. Bij besluit van ao december 2019 heeft de raad de aanvraag van PIG toegewezen voor zover deze betrekking had op project B. Voor zover de aanvraag betrekking had op de projecten A en C heeft de raad de aanvraag afgewezen. Omdat PIG in totaal vijf aanvragen had ingediend, is de toekenning van de subsidie voor project B neergelegd in het besluit met kenmerk SBA017198. Met de vier andere besluiten zijn de overige aanvragen, die betrekking hadden op verschillende combinaties tussen projecten A, B en C, afgewezen. Op 19 januari 2020 heeft PIG tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Namens de raad is op11augustus 2020 op het bezwaar van PIG gereageerd. Op 25 september 2020 heeft de bezwaarschriftencommissie het bezwaar van PIG op een hoorzitting behandeld. Naar aanleiding van deze hoorzitting heeft de bezwaarschriftencommissie bij e-mail van 9 oktober 2020 is gevraagd of de commissie nader kan motiveren waarom zij heeft geadviseerd dat de activiteiten waarvoor PIG subsidie heeft gevraagd slechts op een beperkt deel van de Joodse gemeenschap zien. Ook is gevraagd hoe dit is vastgesteld.
Bij e-mail van 23 oktober 2020 heeft de commissie als volgt op vraag van de bezwaarschriftencommissie van 9 oktober 2020 gereageerd: "PIG Amsterdam Dat de Portugees-Joodse gemeenschap in (Nederland en) Amsterdam in omvang klein is, is van algemene bekendheid. In zoverre geldt hetzelfde als is hiervoor opgemerkt over de vier aanvragers uit de ultra-orthodoxe groep. Vanuit de Portugees-Joodse sector zijn zeer veel aanvragen ingediend (door uiteenlopende rechtspersonen). Afgemeten aan het aantal bij de PIG aangeslotenen, is de sector bepaald royaal bedacht. Een uitgebreidere motivering van het eerder gegeven advies, vindt u onderstaand.
7
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 8 van 18
De commissie is van oordeel dat de projecten op een beperkt deel van de Joodse gemeenschap zien. De commissie acht het totaal aangevraagde bedrag te hoog in verhouding tot het te verwachten bereik en het totaal beschikbare subsidiebedrag. Daarom heeft zij gekozen voor het project dat naar haar oordeel het meest doelmatig is, Project B. De commissie is van mening dat de conservering, digitalisering en ontsluiting van het religieus cultureel erfgoed een belangrijke bijdrage levert aan de continuïteit van de Amsterdamse Joodse gemeenschap, terwijl de behoefte binnen de Amsterdamse Joodse gemeenschap als geheel, dan wel de (onderscheidende) bijdrage voor de gemeenschap bij de overige twee projecten beperkter wordt geschat. De commissie is daarom gekomen tot gedeeltelijke toekenning van het aangevraagde bedrag. De commissie heeft geadviseerd een bedrag toe te kennen van 156.415,00 euro. Bij de advisering heeft de adviescommissie gestreefd naar een evenwichtige verdeling van de gelden tussen de verschillende stromingen; Portugezen, Orthodoxen, Liberalen. Om de balans tussen de diverse stromingen te verkrijgen, is daarom gekeken naar alle aanvragen die projecten betreffen ten behoeve van de genoemde stromingen In dit geval is via verschillende entiteiten een subsidieaanvraag gedaan, t.b.v. de PortugeesJoodse gemeenschap.
Zo heeft Stichting Onroerend Cultureel Erfgoed Portugees-Israëlietische Gemeente een bedrag toegewezen gekregen van 69.500,00 euro, ten behoeve van restauratie van de Hechal van de Esnoga (kenmerk: SBA-o3.7131). Bij de beoordeling van alle aanvragen, niet alleen die van de PIG maar ook die van de andere stromingen heeft het bereik een rol gespeeld. Het bereik is gerelateerd aan de grootte van de betrokken groep, alsook aan de reeds bestaande voorzieningen. Die bepalen mede de (te verwachten) behoefte aan de uitvoering van een bepaalde activiteit. Indien in een bepaalde behoefte reeds afdoende wordt voorzien, en extra vraag beperkt lijkt, wordt immers een mindere bijdrage verwacht aan de continuïteit. Dit geldt bovendien voor alle beoordelingen. Kijkend naar de drie voorstellen van de PIG, en met inachtneming van wat hiervoor is opgemerkt over de verdeling tussen de stromingen, heeft de adviescommissie geoordeeld dat de conservering en digitalisering en ontsluiting van het religieus
8
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 9 van 18
cultureel erfgoed, het meest doelmatig is. Hiermee wordt bedoeld dat met het conserveren etc. van het religieus erfgoed in verhouding tot de daarvoor te maken kosten het grootste bereik in aantallen gebruikers nu en in de toekomst ook echt gerealiseerd kan worden. Voor de andere twee projecten is dat naar oordeel van de commissie in mindere mate het geval. Religieus erfgoed is essentieel voor de religieuze rituelen en is daarnaast dienstbaar voor bredere doeleinden binnen de joodse gemeenschap als geheel." Bij e-mail van 30 oktober 2020 is PIG gelegenheid geboden om op deze nadere reactie te reageren. Bij e-mail van 12 november 2020 heeft PIG van deze gelegenheid gebruikt gemaakt. 4. Bezwaar PIG voert tegen de besluiten van ao december 2019 — zakelijk samengevat — de volgende bezwaren aan: •
Uit de beschikkingen blijkt dat er vijf aanvragen zijn behandeld. Vier aanvragen zijn niet te herleiden tot enig onderdeel van de aanvragen van PIG;
•
Er blijkt niet dat er een inhoudelijke toetsing van de projecten heeft plaatsgevonden;
•
De genoemde onjuiste totaalbedragen en de gelijkluidende teksten van de afwijzingen duiden op onjuiste informatie, ondeugdelijke motivatie en derhalve een onzorgvuldige behandeling van de aanvragen;
•
Door te communiceren dat PIG voor een bedrag van 2.349.838 aan aanvragen heeft ingediend, kan niet anders dan worden geoordeeld dan dat de PIG zwaar heeft 'overvraagd' uit een totaal subsidieplafond van 10.8 miljoen euro, en een subsidieplafond van 2 miljoen euro per sector. Deze onjuiste weergave van feiten suggereert dat de raad begrijpelijkerwijs, maar zeer onterecht, heeft geoordeeld dat toewijzing van de gezamenlijke aanvragen een onevenredig beslag zou leggen op de beschikbare middelen.
•
De raad is ongemotiveerd uitgegaan van een aanzienlijk hoger aangevraagd totaalbedrag, en lijkt te zijn gebaseerd op onjuiste uitgangspunten en treedt het zorgvuldigheidsbeginsel met voeten.
9
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina ao van 18
•
De motivering van de beoordeling van de aanvragen is onvoldoende en willekeurig, omdat niet is uitgediept waarom de twee projecten waarvoor geen subsidie is verleend onvoldoende onderscheidend zijn. Ook wordt ten onrechte opgemerkt dat is gezocht naar een evenwichtige verdeling tussen verschillende stromingen.
5. Verweren In het verweerschrift van 11 augustus 2020 is als volgt op deze bezwaren gereageerd:
Algemeen: •
Op 27 september 2017 heeft de raad besloten een adviescommissie in te stellen, die een verdelingsvoorstel voor de Joodse erfpachttegoeden zou doen. Daarbij is besloten de commissie samen te stellen uit leden uit de Joodse gemeenschap, zodat de gemeenschap zelf bij de verdeling betrokken zou zijn.
•
Degenen die ten behoeve van een activiteit voor subsidie in aanmerking wenste te komen, kon daartoe tot en met 32 december 2018 een aanvraag indienen. Uiteindelijk zijn er 223 aanvragen ingediend voor een bedrag van in totaal c 35,8 miljoen.
•
Op basis van die aanvragen heeft de commissie vervolgens advies uitgebracht. Omdat het budget ruim is overvraagd, zijn de aanvragen daarbij gerangschikt op basis van de kwaliteit die zij naar het oordeel van de commissie hadden en de mate waarin zijn voldeden aan de in artikel 12 van de Subsidieverordening opgenomen criteria. Bij de rangschikking was voor de commissie in de eerste plaats van belang dat er binnen de Joodse infrastructuur een aantal sectoren bestaat waarzonder een Joodse gemeenschap niet levensvatbaar is. Versterking van deze infrastructuur vormde het belangrijkste doel bij de adviezen van de commissie. Verder hechtte de commissie groot belang aan de mate waarin werd bijgedragen aan de continuïteit van de Joodse samenleving in brede zin. Als de commissie meende dat slechts een beperkter deel van de gemeenschap baat had bij een activiteit, droeg deze naar mening van de commissie in mindere mate bij aan de continuïteit van de Joodse samenleving. De verhouding tussen kosten en het bereik vormden voor de commissie dan ook een aanleiding om te adviseren minder subsidie toe te kennen.
•
In dat kader heeft de adviescommissie naar eer en geweten en naar haar beste kunnen advies uitgebracht. Dit advies is op ao oktober 2019 ook door de raad overgenomen. De gelden zijn dus uiteindelijk op basis het advies verdeeld.
•
Dat neemt niet weg dat het oordeel van een adviescommissie tot op zekere hoogte altijd een subjectief element bevat. Dat betekent echter niet dat deze werkwijze niet
10
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 11 van 18
kan worden toegepast (zie 00k: ABRvS 22 juli 2009, ECLI:NL:RVS:200g:BJ30.6 ; CBB 12 maart 2019, ECLI:NL:CBB:2o1.92.00). •
Meer specifiek wordt nog opgemerkt dat voor de werkwijze van de commissie geldt dat eerst is beoordeeld of aanvragen op formele gronden afgewezen dienden te worden. Vervolgens zijn de aanvragen op basis van de statuten van de aanvrager volgens de in de Verordening genoemde sectoren ingedeeld en zijn binnen de commissie teams gevormd die de aanvragen per sector hebben beoordeeld een voorlopig advies hebben gegeven. Deze voorlopige adviezen zijn tot slot door de commissie als geheel bezien. Daarbij is bovendien gekeken of de commissie noodzaak zag budget over te hevelen naar andere sectoren, op grond van artikel s van de Verordening. Dit is mogelijk indien in een of meerdere sectoren na honorering van de subsidiabele aanvragen budget onbenut blijft.
Specifiek naar aanleiding van dit bezwaar •
De aanvragen zijn ingediend via het subsidiesysteem. Aanvragers konden hier zelf hun aanvraag uploaden. ledere aanvraag krijgt vervolgens van het systeem een eigen kenmerk.
•
In het subsidiesysteem zijn in totaal vijf afzonderlijke subsidieaanvragen gepload door PIG. Er is vijf keer een aanvraagformulier ingevuld en vijf keer zijn alle benodigde documenten gepload. De vijf aanvraagformulieren zijn niet op eenzelfde wijze ingevuld; zo verschillen de activiteiten, of de samenstellingen van de activiteiten en daarmee ook de aangevraagde bedragen. Ook zijn er verschillende activiteitenplannen gepload, die zien op verschillende samenstellingen van de activiteiten. Het subsidiesysteem heeft aan iedere afzonderlijke aanvraag een kenmerk toegekend.
•
Inhoudelijk zijn de activiteiten van de afzonderlijke aanvragen echter te herleiden tot één aanvraag. Zo ziet de aanvraag met het kenmerk SBA-o1.73.98 op een combinatie van alle activiteiten, terwijl de overige aanvragen zien op verschillende combinaties van de in deze aanvraag genoemde activiteiten.
•
Wanneer de bedragen die bij de afzonderlijke aanvragen worden aangevraagd bij elkaar worden opgeteld, wordt tot het totaalbedrag van 2.348.838,00 euro gekomen.
•
Volgens het subsidierecht dient op iedere aanvraag een besluit te worden genomen. Nu de activiteiten in verschillende samenstellingen, als losse aanvragen door bezwaarde zij ingediend, dient elk van de losse aanvragen individueel te worden beschouwd.
•
Daarbij merkt de raad op dat de aanvragen zelf door PIG op deze wijze via het systeem zijn ingediend. Het betreft geen beslissing van de commissie of de raad om van meer aanvragen, en daarmee een hoger bedrag, uit te gaan. Het hiervoor genoemde
11
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 12 van 9.8
totaalbedrag betreft enkel een feitelijke opstelsom van hetgeen PIG zelf heeft ingediend, daarbij komt verder geen beoordeling aan te pas. •
Nu de aanvragen grotendeels zien op dezelfde activiteiten, is het logisch dat dezelfde motiveringen door de commissie zijn toegepast. Dit geldt bijvoorbeeld voor de afwijzing van het project dat ziet op de 'versterking van de Amsterdams Sefardische traditie'. De commissie heeft allereerst de aanvraag met kenmerk SBA-o3.73.98 beoordeeld. Deze aanvraag bevat een combinatie van alle drie de projecten, zoals hiervoor is weergegeven. De commissie is van oordeel dat niet alle onderdelen van de aanvraag voor subsidie in aanmerking komen. De commissie is van oordeel dat de projecten op een te beperkt deel van de Joodse gemeenschap ziet. De commissie acht het totaal aangevraagde bedrag te hoog in verhouding tot het te verwachten bereik en het totaal beschikbare subsidiebedrag. Daarom heeft zij gekozen voor het project dat naar haar oordeel het meest doelmatig is. 'Project B' is hierbij toegekend. De commissie is van mening dat de conservering, digitalisering en ontsluiting van het religieus cultureel erfgoed een belangrijke bijdrage levert aan de continuïteit van de Amsterdamse Joodse gemeenschap, terwijl de behoefte binnen de Amsterdamse Joodse gemeenschap dan wel de (onderscheidende) bijdrage voor de gemeenschap bij de overige twee projecten beperkter wordt geschat. De commissie is daarom gekomen tot gedeeltelijke toekenning van het aangevraagde bedrag.
De commissie heeft geadviseerd een bedrag toe te kennen van 156.415,00 euro.
Aan de hand hiervan wordt verzocht het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit in stand te laten. 6. Onderliggende stukken raadscommissie en gemeenteraad De bezwaarschriftencommissie heeft in verband met de advisering over de ingediende bezwaren niet alleen de dossiers maar ook de onderliggende raadsstukken bestudeerd en kennis genomen van de bespreking van deze stukken in raadscommissie en raad. Daaruit blijkt dat de raad in juli 2016, naar aanleiding van de conclusies in het NIOD-rapport, heeft besloten een tegemoetkoming te doen aan de Amsterdams Joodse gemeenschap. Onderdeel van dat besluit was dat er een stichting zou worden opgericht bestaande uit personen uit de Joodse gemeenschap die de raad zou adviseren over de besteding van die tegemoetkoming. Uiteindelijk is er geen stichting opgericht, maar is er door de raad een commissie in het leven geroepen. Daarbij is overeind gebleven dat de leden onderdeel uitmaken van de Joodse
12
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 13 van 18
gemeenschap. De leden zijn vanuit die hoedanigheid door de burgemeester gevraagd en door de raad als lid van de commissie benoemd. Verder heeft de raad aan de commissie de kaders meegegeven waarbinnen zij haar advies moest geven. Deze kaders zijn tot stand gekomen na advies van de commissie en vastgelegd in de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden. In het kort blijkt uit de verordening dat de tegemoetkoming zou worden verdeeld via een zogenoemde subsidietender. Er konden gedurende een aantal maanden aanvragen worden gedaan, waarna de commissie op basis van de in de verordening opgesomde kwaliteitseisen advies zou geven aan de raad. De raad zou vervolgens op basis van die adviezen een besluit nemen over de toekenning of afwijzing van de aanvragen. Uit de stukken, met name artikel 12 van de verordening, komt naar voren dat de kern van het advieswerk van de commissie wordt gevormd door de vraag of een activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap. In dat kader heeft de commissie in de eerste plaats benadrukt het van groot belang te achten dat de tegemoetkoming terecht zou komen bij de verschillende onderdelen van de Joodse gemeenschap in de ruimste zin en bij de verschillende geloofsrichtingen binnen de Joodse gemeenschap. Aan de verschillende onderdelen is recht gedaan door in de verordening vijf sectoren te onderscheiden.
Die zijn volgens de commissie essentieel voor het voortbestaan van de gemeenschap. Voor de verschillende geloofsrichtingen geldt dat de commissie kenbaar heeft gemaakt dat voor de continuiteit ook van belang was dat elke stroming een (enigszins) evenredig deel zou krijgen. Uit de stukken blijkt dat de commissie hier dus ook specifiek aandacht aan heeft besteed. Met inachtneming daarvan speelde de kwaliteit van de aanvragen de voornaamste rol. Door de commissie is kenbaar gemaakt dat zij zich bij de beoordeling van de aanvragen heeft laten leiden door de in artikel 12 van de verordening vermelde toewijzingscriteria. Zo droeg naar het oordeel van de commissie een aanvraag die niet tot een succesvol afgerond project zou leiden, niet bij aan de continuïteit. Om die reden is bijvoorbeeld meegewogen of de aanvrager een eigen bijdrage levert. Dat vergroot de kans dat een project uitgevoerd kan worden.
13
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 14 van 3.8
Voor het beoordelen van de aanvragen geldt dat uit de stukken blijkt dat de (ontvankelijke) aanvragen eerst zijn ingedeeld per sector. Vervolgens zijn per sector twee personen uit de commissie aan de slag gegaan om een voorselectie te maken. Die voorselectie is besproken in de gehele commissie, waarna een lijst met voorlopige toe- en afwijzingen volgde. Deze lijst is gelegd langs de te behalen doelen en is beoordeeld op de hiervoor bedoelde evenredige spreiding, waarna besloten is sommige aanvragen meer en andere minder subsidie toe te kennen. Op die manier is per aanvraag het definitieve advies tot stand gekomen. Commissieleden die betrokken waren bij een aanvrager, hebben zich daarbij volgens de commissie onthouden van stemming bij alle aanvragen in de betreffende sector waaronder die aanvraag viel. Tot slot is nog van belang dat de commissie in het kader van de adviezen heeft geadviseerd budget over te hevelen van de ene naar de andere sector op grond van artikel 5, derde lid van de Verordening. In de stukken is aangegeven dat de commissie dit gedaan heeft omdat een deel van het budget binnen een sector na honorering van de meest geschikte aanvragen onbenut bleef. Ook bij het overhevelen heeft de continuiteit van de Joodse gemeenschap voorop gestaan. 7. Overwegingen Bij de beoordeling van de bezwaren van PIG stelt de bezwaarschriftencommissie het volgende voorop.
Het gaat in deze procedure om de toekenning van subsidie. Bij de beslissing aan welke aanvrager subsidie wordt verleend, baseert de raad zich op advies van de Commissie Joodse erfpachttegoeden. Uit artikel 3:9 Awb volgt dat de raad zich er daarbij van dient te vergewissen dat het advies van de commissie op zorgvuldige wijze tot stand gekomen is. De motivering van het advies over de aanvraag en de motivering van de totstandkoming van de rangschikking tussen de aanvragen speelt daarbij een rol (artikel 3:46 Awb). In deze procedure is daarentegen sprake van een bijzondere vorm van subsidie, die maakt dat hier een meer terughoudende invulling van de vergewisplicht van artikel 3:9 Awb op zijn plaats is. De Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden heeft tot doel om de Amsterdams Joodse gemeenschap collectieve tegemoetkoming te bieden voor de erfpachtgelden die de gemeente tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft geïnd en de boetes die in verband daarmee zijn opgelegd. Vanuit dat doel heeft de raad er op 18 juli 2018 bewust voor gekozen om de
14
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina is van 18
verdeling van de tegoeden over te laten aan de Amsterdams Joodse gemeenschap zelf. Het is immers die gemeenschap waarvoor de tegoeden zijn bedoeld, en die zelf ook het beste kan beoordelen waarvoor de tegoeden gebruikt dienen te worden. Bij de beoordeling van de adviezen over de verdeling van de subsidies past daarom een terughoudende opstelling van de raad, die zich vertaalt in een terughoudende toets van het advies van de commissie. Tegen deze achtergrond beperkt de bezwaarschriftencommissie zich in deze procedure tot de vraag of de raad zijn besluit over de subsidieaanvraag, met inbegrip van de daarbij gepaste terughoudendheid, op het advies van de commissie heeft kunnen baseren. De bezwaarschriftencommissie zal daarbij beoordelen of het advies van de commissie op hoofdlijnen zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd is, mede in het licht van de bezwaren die PIG daarover naar voren brengt. Zorgvuldigheid van de besluitvorming PIG voert aan dat de beoordeling van haar subsidieaanvragen onzorgvuldig tot stand is gekomen, doordat uit de beschikkingen blijkt dat er vijf aanvragen zouden zijn behandeld, terwijl vier aanvragen niet te herleiden zijn tot enig onderdeel van de aanvragen van PIG. Daardoor is de raad volgens PIG ten onrechte uitgegaan van een aanzienlijk hoger aangevraagd totaalbedrag en lijken de besluiten te zijn gebaseerd op onjuiste uitgangspunten.
De bezwaarschriftencommissie stelt vast dat PIG vijf subsidieaanvragen heeft ingediend die steeds betrekking hebben op (een deel van) dezelfde drie activiteiten (project A, B en C). Naar de mening van de bezwaarschriftencommissie had het uit het oogpunt van zorgvuldigheid voor de hand had gelegen als de raad met PIG contact had opgenomen, zodra duidelijk was dat er vijf aanvragen waren ingediend voor dezelfde drie activiteiten. Onzorgvuldig maakt dit de besluitvorming echter niet. Uiteindelijk heeft de commissie alle activiteiten waarvoor PIG subsidie heeft aangevraagd, inhoudelijk beoordeeld. Toen PIG daarover eind augustus 2019 contact opnam, heeft de raad PIG daarover ook van adequate informatie voorzien. Vervolgens heeft de raad vijf besluiten genomen die logisch aansluiten bij de inhoudelijke beoordeling van de commissie en de — door de vijf aanvragen van PIG veroorzaakte — situatie. De bezwaarschriftencommissie stelt vast dat PIG door deze gang van zaken uiteindelijk niet is benadeeld. Dat, zoals PIG aangeeft, hierdoor het beeld is ontstaan dat sprake is van overvraging, maakt dit, wat daarvan ook zij, niet anders. De wijze waarop PIG aanvragen indient, komt voor eigen rekening en risico. Bovendien had PIG ook aanvragen kunnen intrekken. Tot zover is het bezwaar van PIG dus ongegrond.
15
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 16 van 18
De motivering van het bestreden besluit In punt b, c en d van de e-mail van 12 november 2020 voert PIG verder aan dat het besluit over haar subsidieaanvraag niet deugdelijk gemotiveerd en willekeurig zou zijn. PIG wijst er daarbij op dat niet zou zijn uitgediept waarom project A en project C onvoldoende onderscheidend zijn. Ook wordt in de beoordeling volgens PIG ten onrechte opgemerkt dat is gezocht naar een evenwichtige verdeling tussen verschillende stromingen, terwijl daarvoor geen basis in de subsidieverordening is.
In hoofdstuk 3. van dit advies is de aanvraag van PIG beschreven. Er is subsidie aangevraagd voor drie op zichzelf staande activiteiten ( 'project A' van €281.219,00, 'project B' van €156.415,00 en 'project C' van €304.044,00).
Uit hoofdstuk 2 van dit advies volgt dat de commissie deze aanvraag heeft moeten beoordelen op basis van een aantal criteria. Het gaat dan onder andere om de mate waarin een activiteit een bijdrage levert aan de continuiteit van de Joodse gemeenschap (artikel 12, aanhef en onder a), het bereik van de activiteit gerelateerd aan de daaraan verbonden kosten (artikel 12, aanhef en onder d) en de mate waarin sprake is van medefinanciering door de aanvrager zelf of derden (artikel 12, aanhef en onder f).
Op basis van deze criteria heeft de commissie de aanvraag van PIG als volgt beoordeeld:
"De commissie is van oordeel dat niet alle onderdelen van de aanvraag voor subsidie in aanmerking komen. De aanvraag richt zich op de Amsterdams-Sefardische traditie. Het betreft een beperkt deel van de Joodse gemeenschap. De commissie acht de met de werkzaamheden gemoeide kosten te hoog in verhouding tot het bereik en het totaal beschikbare subsidiebedrag, om het aangevraagd bedrag volledig toe te kennen.
De commissie is van mening dat de conservering, digitalisering en ontsluiting van het religieus cultureel erfgoed een belangrijke bijdrage levert aan de continuiteit van de Amsterdams Joodse gemeenschap, en komt hiermee tot gedeeltelijke toekenning van het aangevraagde bedrag.
De commissie komt tot toewijzing voor een bedrag van €156.415,00."
In het verweerschrift en de reactie van 23 oktober 2020 is nader toegelicht dat de commissie van mening is dat project B — de conservering, digitalisering en ontsluiting van het religieus
16
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 17 van 18
cultureel erfgoed — een belangrijke bijdrage levert aan de continuïteit van de Amsterdamse Joodse gemeenschap, terwijl inschatting is dat de behoefte binnen de Amsterdamse Joodse gemeenschap als geheel, dan wel de (onderscheidende) bijdrage voor de gemeenschap bij de overige twee projecten beperkter is. De commissie is daarom gekomen tot gedeeltelijke toekenning van het aangevraagde bedrag. De bezwaarschriftencommissie acht deze uitleg niet onbegrijpelijk en is van mening dat deze valt binnen de aan de commissie gegeven ruimte voor het maken van een afweging, zoals beschreven aan het begin van hoofdstuk 6. In de bezwaren van PIG over de mate van onderscheidenheid en evenwichtige verdeling van de tegoeden ziet de bezwaarschriftencommissie geen aanleiding voor een andere conclusie. De bezwaarschriftencommissie neemt van de commissie aan dat de groep waartoe PIG behoort binnen de Amsterdams Joodse gemeenschap in absolute zin van beperkte omvang is en dat niet gesteld kan worden dat deze groep bij de verdeling van de subsidies onderbedeeld is. Uit de gegeven toelichting begrijpt de bezwaarschriftencommissie dat de commissie tijdens het beoordelingsproces steeds in het oog heeft gehouden of de uiteindelijke verdeling van de subsidie wel zou resulteren in een evenredige verdeling daarvan over de gemeenschap.
Gezien het karakter van de Joodse erfpachttegoeden acht de bezwaarschriftencommissie dat begrijpelijk. Het gaat erom dat de tegoeden op evenredige wijze ten goede komen aan de Joodse gemeenschap. Het is dan logisch dat het beperkte subsidiebedrag, de evenredige verdeling van de subsidies over de gemeenschap en de omvang van de groep waartoe PIG behoort ertoe leiden dat niet het volledige aangevraagde bedrag kan worden toegekend, als de kosten van het totaal aangevraagde bedrag niet in verhouding staan tot het bereik daarvan. De bezwaarschriftencommissie begrijpt uit de namens de raad gegeven toelichting verder dat de commissie steeds per aanvraag heeft bezien of het mogelijk was om een deel van het subsidiebedrag toe te kennen, in plaats van de aanvraag volledig af te wijzen, als zij van mening was dat het aangevraagde bedrag (te) hoog was. De bezwaarschriftencommissie begrijpt dat de commissie ook daarbij steeds in het oog heeft gehouden of de uiteindelijke verdeling van de subsidie wel zou resulteren in een evenredige verdeling daarvan over de gemeenschap. Op basis daarvan is navolgbaar dat de commissie er in het geval van PIG — gezien het beperkte bereik van de activiteiten —voor heeft gekozen om slechts subsidie te verlenen voor de activiteit die naar haar mening het meest een bijdrage levert aan de continuïteit van de Amsterdams Joodse gemeenschap.
17
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 18 van 18
Naar de mening van de bezwaarschriftencommissie is de beoordeling van de aanvraag van PIG om deze redenen deugdelijk gemotiveerd. Dat betekent dat de raad het advies van de Commissie Joodse erfpachttegoeden heeft kunnen overnemen, de besluiten van io december 2019 heeft kunnen nemen en het bezwaar van PIG ongegrond is. 8. Conclusie en advies
De bezwaarschriftencommissie adviseert de raad om het bezwaar van PIG ongegrond te verklaren en de besluiten van an december 2019 in stand te laten. Amsterdam, 19 januari 2021 De bezwaarschriftencommissie,
AyegUJI King, Voorzitter
"&gl_ff,t0s Hidde Nota, Secretaris