Raadsbesluit2021-029N- 06 Raadsaangelegenheden (7) Bijlage 14 - advies bezwaar Stichting Joodse
Tekst van het document
X
Gemeente Amsterdam
Advies inzake bezwaar tegen het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 12 december 2019 inzake een aanvraag op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden Kenmerk: DJ.2o.001165.00i
Advies over het bezwaarschrift ingediend door
Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider tegen het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 12 december 2019 (hierna: de raad). Met dit besluit heeft de raad aan Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider (hierna: Cheider) een eenmalige subsidie verleend op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden" van c 187.200,00.
1. Inleiding
Cheider heeft op 20 januari 2020 bezwaar gemaakt tegen het besluit van de raad van io december 2019. Op 11 augustus 2020 is daarop namens de raad met een verweerschrift gereageerd. Op 25 september 2020 heeft de bezwaarschriftencommissie van de raad (hierna: de bezwaarschriftencommissie) partijen op een hoorzitting gehoord.
Het gaat in deze procedure om de verlening van subsidie op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden (verder: de subsidieverordening). Naar aanleiding van de conclusies in het NIOD-rapport 'Openstaande Rekeningen, de gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel, 1940-1950' heeft de raad op 14 juli 2016 besloten om een collectieve tegemoetkoming van cio miljoen' ter beschikking stellen aan de Amsterdams Joodse gemeenschap. Op 27 september 2017 heeft de raad besloten om voor de verdeling van deze tegemoetkoming een adviescommissie in te stellen. Deze commissie had tot taak om de raad te adviseren over de besteding van de collectieve tegemoetkoming aan de Amsterdams Joodse gemeenschap.
1 Gemeenteblad 11 september 2018, nr. 193148. 2
Op 3.8 juli 2018 heeft de raad besloten om het budget te verhogen naar €10,8 miljoen.
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 2 van 17
De raad heeft er daarbij bewust voor gekozen om de commissie samen te stellen uit leden die afkomstig zijn uit de Joodse gemeenschap zelf, zodat verdeling van de ter beschikking gestelde tegemoetkoming werd belegd bij vertegenwoordigers van die gemeenschap. Op 3.8 juli 2018 heeft de raad de zes personen tot lid van de commissie te benoemd die, zoals gezegd, afkomstig zijn uit de Joodse gemeenschap.
Met het oog op een evenredige verdeling van de tegoeden over verschillende aanvragen, afkomstig uit de Joodse gemeenschap, zijn de aanvragen onderverdeeld in vijf sectoren. Het gaat om Educatie, Religie, Welzijn & Zorg, Jongeren en Erfgoed & Cultuur. Vervolgens heeft de Commissie Joodse erfpachttegoeden de aanvragen binnen de verschillende sectoren beoordeeld op basis van de criteria in de Subsidieverordening. Het zwaartepunt van deze beoordeling lag bij de mate waarin een aangevraagde activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap. Verder werd onder andere beoordeeld of de doelstelling paste binnen de sector waartoe de aanvraag behoorde, of de aanvraag kans van slagen had, of het bereik van de activiteit in verhouding stond tot de kosten die daarmee waren gemoeid en de mate waarin sprake was van medefinanciering door de aanvrager zelf of derden.
Er konden tot en met 31 december 2018 aanvragen worden ingediend. De raad heeft 123 aanvragen ontvangen voor een subsidie op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden, in totaal voor een bedrag van in totaal €35,8 miljoen. De Commissie Joodse erfpachttegoeden heeft deze aanvragen conform de criteria in de verordening beoordeeld en advies uitgebracht over de kwaliteit van de aanvragen en — op basis daarvan — de verdeling van de gelden over alle aanvragen. De commissie heeft daarbij geadviseerd om 13 aanvragen volledig in te willigen, 38 aanvragen gedeeltelijk in te willigen en de overige aanvragen af te wijzen. Cheider heeft op 31 december 2018 subsidie aangevraagd. De aanvraag heeft betrekking op de modernisering en implementatie van het curriculum van Joodse vakken (€91.300,00), het bijscholen van godsdienstleraren (€22.696,00), de hervorming van het Joods onderwijs (€209.458,00), het aantrekken van een veranderingsmanager (€187.200,00), een nieuwe website (€11.000,00), renovatie en verduurzaming van het gebouw van Cheider (€550.857,00) en een anti-pestprogramma (€9.333,00). Deze kosten worden voor €440.000,00 vergoed met bijdragen van Cheider of derden. Voor het overige is een subsidiebedrag van een €844.844,00 aangevraagd.
2
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 3 van 17
De Commissie Joodse erfpachttegoeden heeft deze aanvraag binnen de sector Educatie beoordeeld. Zij is van mening dat de aanvraag een belangrijke bijdrage leverde aan de continuïteit van de Amsterdams Joodse gemeenschap. Gezien het gering aantal leerlingen op het Cheider, ziet de aanvraag volgens de commissie echter op een beperkt gedeelte van de Joodse gemeenschap. De commissie acht het totaal van de voor de projecten aangevraagde kosten daarmee te hoog in verhouding tot het bereik, om het aangevraagde bedrag volledig toe te kennen. Verder is de continuïteit van de aanvrager op de lange termijn, gezien het beperkte bereik, niet gegarandeerd. Om daaraan een bijdrage te leveren, is de commissie van mening dat wel subsidie kan worden verleend voor het aanstellen van een veranderingsmanager. De commissie komt daarom tot gedeeltelijke toewijzing van de aanvraag, voor een bedrag van €187.200,00. De raad heeft dit advies van de commissie overgenomen en daarop het bestreden besluit gebaseerd. Daartegen heeft Cheider bezwaar gemaakt. Cheider voert aan dat zij het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daarom zou de raad alsnog het volledige aangevraagde bedrag moeten verlenen. Hieronder treft u het advies over dit bezwaar aan. De bezwaarschriftencommissie adviseert de raad om het bezwaar ongegrond te verklaren. 2. Juridisch kader
Het juridisch kader in deze zaak wordt in algemene zin gevormd door de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en meer specifiek door de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden en de Verordening commissie Joodse erfpachttegoeden. Algemene wet bestuursrecht Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient de raad zich op grond van artikel 3:9 Awb ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 3:46 Awb dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering. Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden In artikel 2 lid Ivan de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden is bepaald dat deze verordening van toepassing is op het budget dat de raad op 14 juli 2016 beschikbaar heeft gesteld als collectieve tegemoetkoming aan de Joodse gemeenschap. Het doel van deze
3
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 4 van 17
verordening is subsidiering van activiteiten ten behoeve van met name de Amsterdams Joodse gemeenschap. Op grond van artikel 3 lid ivan de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden is er een commissie die de raad adviseert over de subsidieaanvragen gedaan op basis van deze verordening. Op grond van artikel 4 kan de raad subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten als bedoeld in artikel 2 in één of meer van de volgende sectoren: "a. Educatie b. Religie c. Welzijn & zorg d. Jongeren e. Erfgoed & cultuur." Op grond van artikel 6 worden de aanvragen die aan de voorwaarden gesteld in de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden voldoen gerangschikt op basis van hun kwaliteit. Op grond van artikel 12 van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden wordt de kwaliteit van de subsidieaanvraag vastgesteld aan de hand van de volgende, beoordelingscriteria, die zijn opgesomd in volgorde van hun relatieve belang: a. de mate waarin een activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap; b. de doelstelling van de activiteit die moet passen in een van de in de artikel 4 genoemde sectoren; c. de beoordeling van de slagingskans van de activiteit door de commissie; d. het bereik van de activiteit gerelateerd aan de daaraan verbonden kosten; e.de mate waarin een aanvraag financiële soliditeit vertoont; f.
de mate waarin sprake is van medefinanciering door de aanvrager zelf of derden; g. de waarborg van de continuïteit van de aanvrager. Deze criteria zijn in de toelichting bij de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden nader toegelicht:
4
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina s van 17
"Dit artikel bevat de criteria aan de hand waarvan de kwaliteit van een subsidieaanvraag wordt vastgesteld. De beoordelingscriteria staan in volgorde van hun relatieve belang. Dat wil zeggen dat aan het criterium onder a. het meeste gewicht en het criterium onder h. het minste gewicht wordt toegekend bij het beoordelen van de kwaliteit van een aanvraag Hieronder volgt een nadere omschrijving van de criteria. De mate waarin een activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap. Het moet gaan om activiteiten die een bestendig karakter hebben en die bijdragen aan de Joodse infrastructuur. Dit zal meestal gaan om een nieuwe activiteit, maar ook bestaande activiteiten kunnen voortoekenning in aanmerking komen. Ook langlopende activiteiten kunnen voor toekenning in aanmerking komen middels een meerjarenplan, met een maximum van vier jaar. De doelstelling van de activiteit De doelstelling van de activiteit dient te passen binnen een van de in artikel 4 genoemde sectoren. De slagingskans van de activiteit De commissie zal zich een oordeel trachten te vormen over de mogelijkheden van de aanvrager de activiteit tot een goed einde te brengen. Het bereik van de activiteit gerelateerd aan de daaraan verbonden kosten. Hoeveel personen hebben profijt bij de activiteit in relatie tot de kosten ervan. Het gaat hier om het realiteitsgehalte van een activiteit.
De mate waarin een aanvraag financiële soliditeit vertoont. Dit criterium houdt verband met de slagingskans van de activiteit. Medefinancierinci De mate waarin sprake is van medefinanciering van de activiteit door andere organisaties dan de aanvrager. Gezien de beperktheid van het totaal toe te kennen bedrag kan het in het bijzonder bij omvangrijke activiteiten eenvoudiger worden een
5
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 6 van 17
uitkering toe te kennen indien anderen dat ook doen. De mate waarin sprake is van medefinanciering van de activiteit door de aanvrager dan wel doordeelnemers/gebruikers. Hierbij dient ook gedacht te worden aan wat door afnemers voor de door de activiteit gegenereerde diensten wordt betaald. Uiteraard zal hierbij de totale financiële situatie van de aanvrager worden betrokken, in het bijzonder ook de omvang van het eigen vermogen. De waarborg van de continuïteit van de aanvrager. De continuïteit van een aanvrager kan door het uitvoeren van een omvangrijke activiteit of investering in gevaar komen. Vragen die hierbij gesteld moeten worden zijn bijvoorbeeld of het mogelijk zal zijnde jaarlijkse kosten die uit de investering voortkomen op te brengen en of de deelname aan de activiteit of investering en de daarmee gepaard gaande inkomsten aan de verwachtingen voldoen." Op grond van artikel ii lid 4 van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden kan de raad naar aanleiding van het advies van de commissie subsidie tot een lager bedrag toekennen dan is aangevraagd.
Verordening Commissie Joodse erfpachttegoeden In artikel i is bepaald dat er een Commissie Joodse erfpachttegoeden is, dat deze commissie bestaat uit zes leden en tot taak heeft de raad te adviseren over de besteding van de collectieve tegemoetkoming van tien miljoen euro aan de Joodse gemeenschap voor de erfpachttegoeden. Op grond van artikel 2 van deze verordening benoemt de raad de leden van de commissie. Op grond van artikel 5 lid i zijn de leden van de commissie gezamenlijk, voor de uitoefening van hun taak, verantwoording schuldig aan de raad. Op grond van het tweede lid geven zij de raad alle inlichtingen die de raad daarvoor nodig heeft. 3. Verloop van de procedure Op 32 december 2018 heeft Cheider een aanvraag gedaan voor subsidie op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden. Bij besluit van 12 december 2019 heeft de raad de aanvraag van Cheider gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen.
6
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 7 van 17
Op 20 januari 2020 heeft Cheider tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Namens de raad is op 11augustus 2020 op het bezwaar van Cheider gereageerd. Op 25 september 2020 heeft de bezwaarschriftencommissie het bezwaar van Cheider op een hoorzitting behandeld. Naar aanleiding van onder andere deze hoorzitting heeft de bezwaarschriftencommissie bij email van 9 oktober 2020 gevraagd of de Commissie Joodse erfpachttegoeden nader kan motiveren waarom zij heeft geadviseerd dat de activiteiten waarvoor Cheider subsidie heeft gevraagd slechts op een beperkt deel van de Joodse gemeenschap zien. Ook is gevraagd hoe dit is vastgesteld. Bij e-mail van 23 oktober 2020 heeft de commissie als volgt op de vraag van de bezwaarschriftencommissie van 9 oktober 2020 gereageerd: "Reisjies Gognnoh, Jeshive, Cheider en Ets Chajim Deze vragen lenen zich voor gemeenschappelijke beantwoording. Deze organisaties zijn exponenten van de Amsterdamse ultraorthodoxe gemeenschap. Dat het hier om een zeer kleine groep binnen Joods Amsterdam en zelfs binnen de orthodoxe gemeenschap gaat, is een feit van algemene bekendheid bij wie ook maar enigszins op de hoogte is van de kaart' van Joods Nederland. Voor de leden van onze commissie, die immers zijn benoemd mede om hun kennis van die kaart, is dat dus zeker het geval.
Cijfers ter onderbouwing daarvan zijn moeilijk te verkrijgen, maar voor het onderwijs zijn ze er wel: per i oktober jl. telde het Cheider 113 leerlingen, tegen het Joods Bijzonder Onderwijs 408 (steeds PO en VO samen), wat dus neerkomt op ruim 21% van alle leerlingen van het orthodoxe dagonderwijs. Bij haar advisering heeft onze commissie gestreefd naar een billijke spreiding van de subsidie voor religieus gerelateerde projecten over de verschillende 'bloedgroepen' binnen de religieus-Joodse gemeenschap (orthodox, Portugees, liberaal). Wanneer men de omvang van de ultraorthodoxe groep daarbinnen beziet, is de zeer kleine groep eerder over- dan onderbedeeld." Bij e-mail van 30 oktober 2020 is Cheider gelegenheid geboden om op deze nadere reactie te reageren.
7
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 8 van 17
Bij e-mail van 12 november 2020 heeft Cheider van deze gelegenheid gebruikt gemaakt.
4. Bezwaar Cheider voert tegen het besluit van 12 december 2019 —zakelijk samengevat — de volgende bezwaren aan:
•
De argumenten om de subsidie gedeeltelijk toe te kennen zijn willekeurig en inconsequent toegepast. Het is juist dat de activiteiten zich maar op een deel van de Joodse gemeenschap richten, maar dat geldt voor elke aanvraag. Het is willekeur dat dit argument wordt gebruikt om de subsidie gedeeltelijk af te wijzen. Het wordt niet bij alle aanvragen gelijk toegepast.
•
Het besluit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Onduidelijk is waarom Cheider niet ook 'een van de belangrijkste opleiders van Joods Nederland' wordt genoemd. Een aantal andere aanvragen met een minder bereik zijn wel toegekend.
•
De commissie onderschat de impact van het Cheider in Joods (religieus) Amsterdam;
•
Cheider kan zich niet verenigen met de overweging dat de continuïteit van de aanvrager op de lange termijn niet gegarandeerd is;
•
Er wordt bezwaar gemaakt tegen het niet volgen van het in de verordening gestelde subsidieplafond (artikel 5);
•
Cheider stelt dat de motivering gebrekkig is en dat er sprake is van schending van verschillende beginselen van behoorlijk bestuur.
Cheider vraagt de raad dan ook het bezwaar gegrond te verklaren en alsnog het volledige subsidiebedrag toe te kennen.
5. Verweren In het verweerschrift van 11 augustus 2020 is namens de raad als volgt op deze bezwaren gereageerd: Algemeen: •
Op 27 september 2017 heeft de raad besloten een adviescommissie in te stellen, die een verdelingsvoorstel voor de Joodse erfpachttegoeden zou doen. Daarbij is besloten de commissie samen te stellen uit leden uit de Joodse gemeenschap, zodat de gemeenschap zelf bij de verdeling betrokken zou zijn.
8
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 9 van 17
•
Degenen die ten behoeve van een activiteit voor subsidie in aanmerking wenste te komen, kon daartoe tot en met 31 december 2018 een aanvraag indienen. Uiteindelijk zijn er 123 aanvragen ingediend voor een bedrag van in totaal c 35,8 miljoen.
•
Op basis van die aanvragen heeft de commissie vervolgens advies uitgebracht. Omdat het budget ruim is overvraagd, zijn de aanvragen daarbij gerangschikt op basis van de kwaliteit die zij naar het oordeel van de commissie hadden en de mate waarin zijn voldeden aan de in artikel 12 van de Subsidieverordening opgenomen criteria.
•
Bij de rangschikking was voor de commissie in de eerste plaats van belang dat er binnen de Joodse infrastructuur een aantal sectoren bestaat waarzonder een Joodse gemeenschap niet levensvatbaar is. Versterking van deze infrastructuur vormde het belangrijkste doel bij de adviezen van de commissie.
•
Verder hechtte de commissie groot belang aan de mate waarin werd bijgedragen aan de continuïteit van de Joodse samenleving in brede zin. Als de commissie meende dat slechts een beperkter deel van de gemeenschap baat had bij een activiteit, droeg deze naar mening van de commissie in mindere mate bij aan de continuïteit van de Joodse samenleving. De verhouding tussen kosten en het bereik vormden voor de commissie dan ook een aanleiding om te adviseren minder subsidie toe te kennen.
•
In dat kader heeft de adviescommissie naar eer en geweten en naar haar beste kunnen advies uitgebracht. Dit advies is op io oktober 2019 ook door de raad overgenomen. De gelden zijn dus uiteindelijk op basis het advies verdeeld.
•
Dat neemt niet weg dat het oordeel van een adviescommissie tot op zekere hoogte altijd een subjectief element bevat. Dat betekent echter niet dat deze werkwijze niet kan worden toegepast (zie ook: ABRvS 22 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ3416 ; CBB 12 maart 2019, ECLI:NL:CBB:203.9:loo).
•
Meer specifiek wordt nog opgemerkt dat voor de werkwijze van de commissie geldt dat eerst is beoordeeld of aanvragen op formele gronden afgewezen dienden te worden. Vervolgens zijn de aanvragen op basis van de statuten van de aanvrager volgens de in de Verordening genoemde sectoren ingedeeld en zijn binnen de commissie teams gevormd die de aanvragen per sector hebben beoordeeld een voorlopig advies hebben gegeven.
•
Deze voorlopige adviezen zijn tot slot door de commissie als geheel bezien. Daarbij is bovendien gekeken of de commissie noodzaak zag budget over te hevelen naar andere sectoren, op grond van artikel 5 van de Verordening. Dit is mogelijk indien in een of meerdere sectoren na honorering van de subsidiabele aanvragen budget onbenut blijft.
9
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina io van 17
Specifiek naar aanleiding van dit bezwaar • Cheider noemt dat het argument van het beperkte bereik niet meegewogen had mogen worden. Op basis van dat argument kan dan ook niet worden bepaald dat de totale kosten te hoog zijn. Cheider noemt dat een aanvraag ten alle tijden slechts gericht is op een beperkt gedeelte, en niet op een geheel; doordat het totale subsidiebudget in sectoren is verdeeld. Op grond van artikel 12, onder a, van de Subsidieverordening wordt meegewogen de mate waarin een activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap. Op grond van artikel 12, onder d, van de Subsidieverordening wordt onder meer meegewogen het bereik van de activiteit gerelateerd aan de daaraan verbonden kosten. Bereik in verhouding tot het totaal aan kosten is, anders dan Cheider stelt, dus wel degelijk een omstandigheid die kon worden meegewogen. • Dat het totaal beschikbaar gestelde bedrag verdeeld is in verschillende sectoren, is inderdaad juist. Ook dit blijkt uit de verordening. Hoe de sectorindeling is gemaakt, is hierboven beschreven. Dat de indeling naar sectoren met zich meebrengt dat een aanvraag ten alle tijden slechts gericht is op een beperkt gedeelte van de gemeenschap, en dit daarom als grond niet kan worden meegewogen, is echter niet juist. De beoordelingscriteria van artikel 12 zijn binnen elke sector toegepast.
ledere sector kan afzonderlijk worden beschouwd; binnen iedere sector is een andere afweging gemaakt, nu verschillende aanvragen door verschillende sectoren worden bestreken, is dat onoverkomelijk. De afwegingen en vergelijkingen hebben dan ook plaatsgevonden binnen de sectoren. Dat geen enkele aanvraag de gehele gemeenschap zal bereiken is in veel gevallen inderdaad zeer aannemelijk. Dat neemt echter niet weg dat er een afweging kan (en moet) worden gemaakt met betrekking tot het bereik gerelateerd aan de daaraan verbonden kosten. • Cheider maakt vervolgens een vergelijking met de aanvraag van het JBO, welke een bedrag van € 649.153,00 van de aangevraagde c 1.922.717,17 toegekend heeft gekregen. Volgens de commissie is dit verschil te rechtvaardigen nu het JBO een groter bereik heeft dan het Cheider. Hiertoe kan het verschil in leerlingaantallen worden genoemd. Zie hiervoor bijvoorbeeld een vergelijking over het jaar 2017-2018:
Leerlingaantallen JBO & Cheider:
Jaar 2017-2018
JBO
Cheider
-->
Primair onderwijs:
232
59
-->
Voortgezet onderwijs:
1 39
38
10
Verslag (vervolg) Pagina iivana7
Gemeente Amsterdam
Het betreffen hier aldus twee heel verschillende situaties. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan dan ook geen sprake zijn. • Verder maakt bezwaarde een vergelijking met het CIDI en het Joods Hospice, welke het gehele aangevraagde gedrag toegewezen hebben gekregen. Allereerst merkt de commissie op dat het Joods Hospice onder de sector Welzijn & Zorg valt. Binnen iedere sector zijn andere afweging gemaakt. Ten overvloede noemt zij dat de aanvraag van het Joods Hospice niet ziet op zes personen in totaal, maar op het bieden van zorg aan zes mensen tegelijkertijd. Het hospice biedt zorg aan mensen met een levensverwachting van minder dan 3 maanden. De aanvragen zien op totaal verschillende projecten waardoor een één op één vergelijking niet kan worden gemaakt. • Het CIDI valt wel binnen de sector Educatie. De commissie merkt op dat de aanvraag van het CIDI en de aanvraag van het Cheider zodanig verschillend zijn, dat niet van gelijke gevallen kan worden gesproken. Aan de beoordeling van beide aanvragen liggen dan ook andere afwegingen ten grondslag. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan dan ook niet slagen. • De financiële positie van het Cheider is reeds jarenlang precair. Sinds november 2013 staat de stichting onder aangepast financieel continuïteitstoezicht. De financiële cijfers van het Cheider laten een kwetsbare positie zien.
Ondanks dat geen enkele organisatie, zoals Cheider stelt, de continuïteit op de lange termijn kan garanderen, kan een dergelijk kwetsbare positie op grond van de subsidieverordening wel worden meegewogen. Dit is door de commissie ook gedaan. De waarborg van de continuïteit van de aanvrager kan worden meegewogen op grond van artikel 12, onder g van de Subsidieverordening. Aan de hand hiervan wordt verzocht het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit in stand te laten. 6. Onderliggende stukken raadscommissie en gemeenteraad De bezwaarschriftencommissie heeft in verband met de advisering over de ingediende bezwaren niet alleen de dossiers maar ook de onderliggende raadsstukken bestudeerd en kennis genomen van de bespreking van deze stukken in raadscommissie en raad. Daaruit blijkt dat de raad in juli 2016, naar aanleiding van de conclusies in het NIOD-rapport, heeft besloten een tegemoetkoming te doen aan de Amsterdams Joodse gemeenschap. Onderdeel van dat besluit was dat er een stichting zou worden opgericht bestaande uit personen uit de Joodse gemeenschap die de raad zou adviseren over de besteding van die tegemoetkoming. Uiteindelijk is er geen stichting opgericht, maar is er door de raad een commissie in het leven
11
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 12 van 17
geroepen. Daarbij is overeind gebleven dat de leden onderdeel uitmaken van de Joodse gemeenschap. De leden zijn vanuit die hoedanigheid door de burgemeester gevraagd en door de raad als lid van de commissie benoemd. Verder heeft de raad aan de commissie de kaders meegegeven waarbinnen zij haar advies moest geven. Deze kaders zijn tot stand gekomen na advies van de commissie en vastgelegd in de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden. In het kort blijkt uit de verordening dat de tegemoetkoming zou worden verdeeld via een zogenoemde subsidietender. Er konden gedurende een aantal maanden aanvragen worden gedaan, waarna de commissie op basis van de in de verordening opgesomde kwaliteitseisen advies zou geven aan de raad. De raad zou vervolgens op basis van die adviezen een besluit nemen over de toekenning of afwijzing van de aanvragen. Uit de stukken, met name artikel 12 van de verordening, komt naar voren dat de kern van het advieswerk van de commissie wordt gevormd door de vraag of een activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap. In dat kader heeft de commissie in de eerste plaats benadrukt het van groot belang te achten dat de tegemoetkoming terecht zou komen bij de verschillende onderdelen van de Joodse gemeenschap in de ruimste zin en bij de verschillende geloofsrichtingen binnen de Joodse gemeenschap.
Aan de verschillende onderdelen is recht gedaan door in de verordening vijf sectoren te onderscheiden. Die zijn volgens de commissie essentieel voor het voortbestaan van de gemeenschap. Voor de verschillende geloofsrichtingen geldt dat de commissie kenbaar heeft gemaakt dat voor de continuiteit ook van belang was dat elke stroming een (enigszins) evenredig deel zou krijgen. Uit de stukken blijkt dat de commissie hier dus ook specifiek aandacht aan heeft besteed. Met inachtneming daarvan speelde de kwaliteit van de aanvragen de voornaamste rol. Door de commissie is kenbaar gemaakt dat zij zich bij de beoordeling van de aanvragen heeft laten leiden door de in artikel 12 van de verordening vermelde toewijzingscriteria. Zo droeg naar het oordeel van de commissie een aanvraag die niet tot een succesvol afgerond project zou leiden, niet bij aan de continuïteit. Om die reden is bijvoorbeeld meegewogen of de aanvrager een eigen bijdrage levert. Dat vergroot de kans dat een project uitgevoerd kan worden.
12
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 13 van 17
Voor het beoordelen van de aanvragen geldt dat uit de stukken blijkt dat de (ontvankelijke) aanvragen eerst zijn ingedeeld per sector. Vervolgens zijn per sector twee personen uit de commissie aan de slag gegaan om een voorselectie te maken. Die voorselectie is besproken in de gehele commissie, waarna een lijst met voorlopige toe- en afwijzingen volgde. Deze lijst is gelegd langs de te behalen doelen en is beoordeeld op de hiervoor bedoelde evenredige spreiding, waarna besloten is sommige aanvragen meer en andere minder subsidie toe te kennen. Op die manier is per aanvraag het definitieve advies tot stand gekomen. Commissieleden die betrokken waren bij een aanvrager, hebben zich daarbij volgens de commissie onthouden van stemming bij alle aanvragen in de betreffende sector waaronder die aanvraag viel. Tot slot is nog van belang dat de commissie in het kader van de adviezen heeft geadviseerd budget over te hevelen van de ene naar de andere sector op grond van artikel 5, derde lid van de Verordening. In de stukken is aangegeven dat de commissie dit gedaan heeft omdat een deel van het budget binnen een sector na honorering van de meest geschikte aanvragen onbenut bleef. Ook bij het overhevelen heeft de continuiteit van de Joodse gemeenschap voorop gestaan. 7. Overwegingen Bij de beoordeling van de bezwaren van Cheider stelt de bezwaarschriftencommissie het volgende voorop.
Het gaat in deze procedure om de toekenning van subsidie. Bij de beslissing aan welke aanvrager subsidie wordt verleend, baseert de raad zich op advies van de Commissie Joodse erfpachttegoeden. Uit artikel 3:9 Awb volgt dat de raad zich er daarbij van dient te vergewissen dat het advies van de commissie op zorgvuldige wijze tot stand gekomen is. De motivering van het advies over de aanvraag en de motivering van de totstandkoming van de rangschikking tussen de aanvragen speelt daarbij een rol (artikel 3:46 Awb). In deze procedure is daarentegen sprake van een bijzondere vorm van subsidie, die maakt dat hier een meer terughoudende invulling van de vergewisplicht van artikel 3:9 Awb op zijn plaats is. De Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden heeft tot doel om de Amsterdams Joodse gemeenschap collectieve tegemoetkoming te bieden voor de erfpachtgelden die de gemeente tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft geïnd en de boetes die in verband daarmee zijn
13
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 14 van 17
opgelegd. Vanuit dat doel heeft de raad er op 18 juli 2018 bewust voor gekozen om de verdeling van de tegoeden over te laten aan de Amsterdams Joodse gemeenschap zelf. Het is immers die gemeenschap waarvoor de tegoeden zijn bedoeld, en die zelf ook het beste kan beoordelen waarvoor de tegoeden gebruikt dienen te worden. Bij de beoordeling van de adviezen over de verdeling van de subsidies past daarom een terughoudende opstelling van de raad, die zich vertaalt in een terughoudende toets van het advies van de commissie.
Tegen deze achtergrond beperkt de bezwaarschriftencommissie zich in deze procedure tot de vraag of de raad zijn besluit over de subsidieaanvraag, met inbegrip van de daarbij gepaste terughoudendheid, op het advies van de Commissie Joodse erfpachttegoeden heeft kunnen baseren. De bezwaarschriftencomnnissie zal daarbij beoordelen of het advies van de commissie op hoofdlijnen zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd is, mede in het licht van de bezwaren die Cheider daarover naar voren brengt.
Werkwijze van de Commissie Joodse erfpachttegoeden In punt 4 van het bezwaarschrift van 2o januari 2020 voert Cheider onder andere aan dat de commissie de impact van haar school op de Joodse gemeenschap zou hebben onderschat. De bezwaarschriftencomnnissie begrijpt dit betoog zo dat Cheider daarmee bedoelt dat de werkwijze van de commissie onzorgvuldig zou zijn geweest. Daarop wordt hierna eerst ingegaan.
In het besluit van 18 juli 2018 heeft de raad bij de aanstelling van de Commissie Joodse erfpachttegoeden gemotiveerd dat de leden van de commissie een groot netwerk in de Joodse gemeenschap hebben en deskundig zijn. In het verweerschrift van 1.1. augustus 2020 is er verder namens de raad op gewezen dat de Commissie Joodse erfpachttegoeden de subsidieaanvragen naar eer en geweten heeft beoordeeld. Verder is kenbaar gemaakt dat de commissie tijdens het beoordelingsproces steeds in het oog heeft gehouden dat de ter beschikking gestelde tegoeden evenredig over de Amsterdams Joodse samenleving worden verdeeld. In het verlengde daarvan heeft de commissie er in de e-mail van 23 oktober 2020 op gewezen dat onder andere Cheider behoort tot een kleine groep binnen de Amsterdams Joodse gemeenschap, waaraan een tenminste evenredig deel van de ter beschikking gestelde erfpachttegoeden is verleend. Verder heeft de Commissie Joodse erfpachttegoeden een groot aantal subsidieaanvragen moeten beoordelen, waarbij veel aanvragen weer bestonden uit aanvragen voor uiteenlopende (sub)activiteiten, die samen maakten dat het subsidieplafond met ruim c 25 miljoen is
14
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 15 van 17
overvraagd. De bezwaarschriftencommissie begrijpt uit de namens de raad gegeven toelichting dat de commissie steeds per aanvraag heeft bezien of het mogelijk was om een deel van het subsidiebedrag toe te kennen, in plaats van de aanvraag volledig afte wijzen, als zij van mening was dat het aangevraagde bedrag (te) hoog was. De bezwaarschriftencommissie begrijpt dat de commissie ook daarbij steeds in het oog heeft gehouden of de uiteindelijke verdeling van de subsidie wel zou resulteren in een evenredige verdeling daarvan over de gemeenschap. Naar de mening van de bezwaarschriftencommissie duidt de zojuist besproken werkwijze erop dat de Commissie Joodse erfpachttegoeden bij de beoordeling van onder andere de aanvraag van Cheider zorgvuldig te werk is gegaan. In zoverre meent de bezwaarschriftencommissie dan ook dat de raad terecht heeft besloten om het advies van de commissie over te nemen en het bestreden besluit daarop te baseren. De bezwaarschriftencommissie merkt overigens ook op dat de overgrote meerderheid van de instellingen heeft berust in de (gedeeltelijke) afwijzing van hun subsidieaanvraag, en dat ook het beperkte aantal bezwaarmakers in de regel hun waardering uitspreekt voor het werk van de commissie. Ook dat duidt erop dat de adviezen van de commissie zorgvuldig en conform de doelstelling van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden tot stand gekomen zijn.
De motivering van het bestreden besluit In punt a, 2 en 4 van het bezwaarschrift van 2o januari 2020 voert Cheider aan dat het besluit over haar subsidieaanvraag niet deugdelijk is gemotiveerd. Volgens Cheider bereiken de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd een groot deel van de Joodse gemeenschap, is dit ten onrechte niet bij de beoordeling van de aanvraag betrokken en staan de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd (daardoor) wel in redelijke verhouding tot het bereik. In het verlengde daarvan merkt Cheider op dat sprake is van willekeur, omdat de commissie het beperkte bereik van activiteiten bij andere aanvragen niet zou hebben aangerekend. De aanvraag van Cheider is beschreven in hoofdstuk Ivan dit advies. Kort samengevat heeft Cheider een subsidie aangevraagd van €844.844,00 voor een aantal (sub)activiteiten, die ieder zijn gericht op het onderwijs op de school of op de verbetering van de faciliteiten. Uit hoofdstuk 2 van dit advies volgt dat de Commissie Joodse erfpachttegoeden deze aanvraag heeft moeten beoordelen op basis van een aantal criteria. Het gaat dan onder andere om de
15
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 16 van 17
mate waarin een activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap (artikel 12, aanhef en onder a), het bereik van de activiteit gerelateerd aan de daaraan verbonden kosten (artikel 12, aanhef en onder d) en de mate waarin sprake is van medefinanciering door de aanvrager zelf of derden (artikel 12, aanhef en onder f). Op basis van deze criteria heeft de Commissie Joodse erfpachttegoeden de aanvraag van Cheider als volgt beoordeeld: "De commissie is van mening dat Joods onderwijs in belangrijke mate bijdraagt aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap. Gezien het gering aantal leerlingen op het Cheider, ziet de aanvraag echter op een beperkt gedeelte van de Joodse gemeenschap. De commissie acht het totaal van de voor de projecten aangevraagde kosten hiermee te hoog in verhouding tot het bereik, om het aangevraagde bedrag volledig toe te kennen. Naar het oordeel van de commissie is de continuïteit van de aanvrager op de lange termijn, gezien het beperkte bereik, niet gegarandeerd. Om juist hieraan een bijdrage te leveren, is de commissie van mening dat wel aan het onderdeel van de veranderingsmanager moet worden toegekomen. Dat deze zal toezien op de ontwikkeling en verbetering van de organisatie, is belangrijk voor de continuïteit van het Cheider. Dit zal daarmee bijdragen aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap van Amsterdam.
De commissie komt tot gedeeltelijke toewijzing, van een bedrag van €187.200,00, te behoeve van het onderdeel dat zien op het aantrekken van een veranderingsmanager." Het bezwaar van Cheider komt erop neer dat zij van mening is dat haar bereik groot is en er dus wel sprake zou zijn van een redelijke verhouding tussen kosten en bereik. De bezwaarschriftencomnnissie stelt echter vast dat het Cheider de leerlingaantallen waarop is gewezen in het verweerschrift van la. augustus 2020 en de reactie van 23 oktober 2020 niet bestrijdt. Op blz. 4 van de subsidieaanvraag vermeldt Cheider zelf ook dat de school op dat moment door ongeveer 115 leerlingen wordt bezocht. Naar de mening van de bezwaarschriftencomnnissie is dan logisch dat de Commissie Joodse erfpachttegoeden dit betrekt bij de beoordeling van de aanvraag. Het is dan ook navolgbaar waarom de commissie vaststelt dat de kosten van het aangevraagde project hoog zijn in verhouding tot het bereik. Daarbij betrekt de bezwaarschriftencommissie de reactie van de commissie van 23 oktober
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 17 van 17
2020, waarin is aangegeven dat Cheider binnen de Amsterdams Joodse gemeenschap behoort
tot een groep die qua omvang in absolute zin klein is, en waaraan een tenminste evenredig deel van de ter beschikking gestelde erfpachttegoeden is verleend. Naar de mening van de bezwaarschriftencommissie is de motivering van de beoordeling over de aanvraag om deze redenen deugdelijk gemotiveerd. Van willekeur is daarmee geen sprake. Dit betekent dat de raad het advies van de Commissie Joodse erfpachttegoeden heeft kunnen overnemen en het besluit van 12 december 2019 heeft kunnen nemen. Gelijkheidsbeginsel In punt 3 van het bezwaarschrift van 2o januari 2020 wijst Cheider op het besluit over de aanvraag van een andere onderwijsinstelling (JB0). Volgens Cheider is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat de commissie over deze instelling een andere, positievere mening heeft gevormd dan over Cheider. In hoofdstuk 5 van dit advies is de reactie op dit betoog vermeld. De commissie wijst erop dat de onderwijsinstelling waarnaar Cheider verwijst, ongeveer vijf keer zoveel leerlingen heeft als Cheider. Aileen al daarom is geen sprake van gelijke gevallen. De bezwaarschriftencommissie volgt deze toelichting. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel stuit op de verschillen tussen de feitelijke situaties van het Cheider en JBO af. 8.
Conclusie en advies De bezwaarschriftencommissie adviseert de raad om het bezwaar van Cheider ongegrond te verklaren en het besluit van 12 december 2019 in stand te laten. Dit maakt dat er ook geen grond is voor een vergoeding voor de kosten van het bezwaar ex artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Amsterdam, 3.9 januari 2021 De bezwaarschriftencommissie,
bi -ao3c1,3ek ct 1;2 s Hidde Nota, Secretaris
17