CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit2021-010bijl03 Bestemmingsplan Doebaai toelichting + re

RAAD 20 januari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Doebaai. Nr. VN2020-03001428.609 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Op grond van 'Amsterdam Waterbestendig' gaat Amsterdam de komende decennia werken aan de volgende opgaven: bescherming tegen overstroming; omgaan met wateroverlast; omgaan met watertekort; omgaan met temperatuurstijging/hittestress. Waterbeheerplan Het Beleid van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht is vertaald in het Waterbeheerplan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2016-2021. In het Waterbeheersplan is uitgewerkt hoe AGV in de planperiode invulling geeft aan haar taken op het gebied van waterbeheer, zoals veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit. Zie: https://www.waternet.nl/over-ons/publicaties/. Keur De Keur is de waterschapsverordening van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV)/Hoogheemraadschap van Rijnland(HHR)/Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). De regels in de Keur beschermen de waterkeringen en watergangen. Voor werkzaamheden rond water of een dijk is een vergunning van het waterschap nodig. Bijvoorbeeld bij de aanleg van leidingen, lozingen op het oppervlaktewater, het plaatsen van bouwwerken of het onttrekken van grondwater. Gemeente Amsterdam

blz. 56

5.2.2

Plangebied

Algemeen Het Rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen hebben in februari 2001 de “Startovereenkomst Waterbeheer 21ste eeuw” ondertekend. Hierin is vastgelegd dat de betrokken partijen de “watertoets” toepassen op alle relevante ruimtelijke plannen met waterhuishoudkundige consequenties. In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen en bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan. De watertoets is een instrument om ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen en een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen in strijd met het bestemmingsplan”, te toetsen op de mate waarin rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als waterkwaliteit en waterkwantiteit (ruimte voor water) en veiligheid (bescherming tegen overstroming). Het plangebied van het bestemmingsplan valt binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet voert de zorg voor het oppervlaktewatersysteem uit in opdracht van AGV. De gemeentelijke watertaken omvatten zorgplicht voor grondwater, afvalwater, hemelwater en drinkwater.

In opdracht van Amsterdam voert Waternet o met name de grondwaterzorgtaak, de zorg voor afvoer en behandeling van afvalwater en de drinkwatervoorziening uit. Tijdige afstemming met de afdeling Assetmanagement Waterketen van Waternet voorkomt eventuele knelpunten in de capaciteit van het afvalwaterstelsel en borgt tijdig passende oplossingen voor aansluiting. Waterkeringen Het projectgebied is niet gelegen nabij een waterkering. Waterberging Bij een toename van het oppervlakte verharding van 1.000 m² of meer dient de toename aan verharding gelet op de Keur te worden gecompenseerd in de vorm van 10-20% oppervlaktewater of alternatieve vormen van waterberging. Demping van oppervlaktewater moet voor 100% worden gecompenseerd. Als binnen het plangebied geen mogelijkheid is voor het creëren van compensatie dient elders in hetzelfde peilvak gecompenseerd te worden. Het bestemmingsplan Doebaai maakt de ontwikkeling van een maatschappelijke en commerciële voorziening mogelijk op gronden die in de huidige situatie onbebouwd zijn. Ze zijn in gebruik als paardenbak. Op basis van het vigerende bestemmingsplan mag het hele perceel verhard worden ten behoeve van opslag. Wanneer de planologische regimes vergeleken worden is er geen sprake van een toename van verharding, waardoor watercompensatie niet aan de orde is.

Een deel van het aansluitende perceel wordt ingericht ten behoeve van waterberging voor andere ontwikkelingen in de Baaibuurt, met name de uitbreiding van het tramspoor, waarvoor een watergang (deels) gedempt wordt. Er wordt op het naastgelegen perceel een wateroppervlakte van 720m2 gerealiseerd, zie ook onderstaande afbeelding.

bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)

blz. 57

Afbeelding 5.1: te realiseren waterberging naast het perceel Doebaai (bron: gemeente Amsterdam) Hemelwater In het Gemeentelijk Riolerings Plan (GRP) 2016-2021 staat het beleid van de gemeente op het gebied van hemelwater beschreven. Amsterdam wil haar goede prestaties op het gebied van hemelwater verder verbeteren. De gemeente houdt bij de inrichting van de buitenruimte (privaat en publiek) rekening met het tijdelijk opvangen van extreme buien. Hierop wordt met het programma Rainproof op ingespeeld. De gemeente heeft de ambitie dat de stad in 2020 een bui van 60 mm per uur kan verwerken zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur. . Waterkwaliteit Gebruik materialen Voor de nieuwbouw worden géén materialen gebruikt die de kwaliteit van het regen- en oppervlaktewater negatief beïnvloeden, zoals uitloogbare materialen als koper, zink, lood of geïmpregneerd hout. In het plangebied is een (verbeterd) gemengd/gescheiden rioolstelsel aanwezig. Dit stelsel blijft in de huidige

Gemeente Amsterdam

blz. 58

vorm aanwezig. Grondwater Er worden geen kelders, ondergrondse parkeergarages of andere ondergrondse bebouwing toegestaan. Het bestemmingsplan heeft daarom geen gevolgen voor de grondwaterstromen in en nabij het projectgebied. Grondwaternormen De grondwaternorm voor nieuw te realiseren bouwlocaties is vastgesteld in het 'Plan gemeentelijke watertaken' en luidt: 'Daar waar zonder kruipruimte gebouwd wordt mag de grondwaterstand niet vaker dan gemiddeld eens per twee jaar, niet langer dan 5 dagen achtereen minder dan 0,5 meter onder het maaiveld staan". Waar met kruipruimtes wordt gebouwd geldt een norm van 0,9 meter.

5.3

Kabels en leidingen

In het plangebied van Doebaai ligt een 8-bar gastransportleiding. Voor deze leiding geldt het voorschrift dat aan 3,5 meter ten weerszijden van de leiding geen gebouwen opgericht mogen worden.

Afbeelding 5.3: ligging gastrasportleiding (bron: gemeente Amsterdam) Verplaatsing van de leiding is vanwege de hoge kosten niet aan de orde. Bij realisatie van bouwplannen zal rekening met deze leiding gehouden moeten worden. De gasleiding-zone moet voorzien worden van modulaire (half)verharding en mag enkel gebruikt worden als voetdpad.

bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)

blz. 59

5.4

Archeologie en cultuurhistorie

5.4.1

Kader

Wet op de archeologische monumentenzorg In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'. De wet schrijft voor dat in elk bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Erfgoedwet De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden en erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet, d.d. 9 december 2015, in werking getredeng op 1 juli 2016. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. De wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988 en de Wet to behoud van cultuurbezit. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt.

Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waardoor deze delen van de Monumentenwet1988 ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaalbelang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Artikel.16 van de Erfgoedwet stelt dat de gemeenteraad een erfgoedverordening kan vaststellen (lid 1). Deze betreft het beheer en behoud van cultureel erfgoed dan van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis (lid 3). Burgemeester en wethouders zijn verplicht een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij te houden. De Provincie Noord-Holland en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hebben voor wat betreft het aspect archeologie, formeel een adviserende en toetsende rol op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Volgens de Erfgoedwet moeten (toevals)vondsten worden gemeld bij de minister. Deze verwittigt het Rijk.

Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld, zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten. Besluit ruimtelijke ordening Op grond van artikel 3.1.6 lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (d.d. 17 juni 2011, stbl 5 juli 2011, nr 339) dient per 1 januari 2012 in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In de toelichting staat dat dit betekent dat de gemeente een analyse moet verrichten van de cultuurhistorische waarden en

Gemeente Amsterdam

blz. 60

aanwezige of naar verwachting aanwezige monumenten, en aangeven op welke wijze rekening is gehouden met deze waarden van de in het plan begrepen gronden. Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (PRV) In de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (PRV) zijn in de artikelen 20-22 regels opgenomen ten aanzien van enkele UNESCO werelderfgoederen, waaronder De Stelling van Amsterdam. Het gebiedVuurtoreneiland bij de IJdoornpolder in bij Durgerdam maakt deel uit van deze Stelling. Dit vloeit voort uit de verplichting in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), artikel 2.13.4, ten aanzien van enkele Unesco Werelderfgoederen. De PRV bepaalt dat in het bestemmingsplan regels dienen te worden opgenomen ten behoeve van het behoud of versterking van de kernkwaliteiten van deze erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. De Verordening geeft daarnaast regels voor mogelijke ontwikkelingen aan in deze gebieden. De PRV geldt niet ten aanzien van het UNESCO-werelderfgoed De Grachtengordel van Amsterdam. De bescherming van de Amsterdamse Grachtengordel is namelijk al geregeld op basis van de Erfgoedwet en de Monumentenwet. Structuurvisie Noord-Holland 2040 De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is op 21 juni 2010 als onderdeel van het uitvoeringsprogramma van de Structuurvisie Noord-Holland vastgesteld en in 2018 vernieuwd.

De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 (vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 10 april 2018) is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap, zoals bebouwing, agrarische bedrijven, infrastructuur of vormen van energieopwekking. De Leidraad geeft aan welke kernkwaliteiten van landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang zijn. De provincie beoogt met deze Leidraad om samen met bijvoorbeeld gemeenten, ontwikkelaars en initiatiefnemers te werken aan het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap en de cultuurhistorie. Daarbij is aangegeven welke kernkwaliteiten van het landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang zijn zodat deze kwaliteiten op een zorgvuldige wijze kunnen worden meegenomen bij nieuwe ontwikkelingen. De Leidraad 2018 is in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) verankerd in artikel 15 (ruimtelijke kwaliteitseis). De laatste wijziging van de Verordening (vastgesteld 23 april 2018 door Provinciale Staten) en daarmee ook de Leidraad 2018 is op 2 mei 2018 in werking getreden. Erfgoedverordening Amsterdam Op 16 december 2015 is de Erfgoedverordening Amsterdam vastgesteld. Deze stedelijke verordening geldt voor heel Amsterdam en beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam.

Monumenten en Archeologie is in de Erfgoedverordening aangewezen als het stedelijk kennis- en expertisecentrum dat gemeentelijke diensten en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Amsterdam adviseert over de waarde van en de omgang met de onder- en bovengrondse cultuurhistorische waarden. De Erfgoedverordening regelt voorts de aanwijzing van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten en die van gemeentelijke monumenten. In de artikelen 22 en 23 van de Verordening staat aangegeven welke beschrijvingen in de Toelichting van een bestemmingsplan dienen te worden opgenomen ten aanzien van bovengrondse cultuurhistorische waarden en ten aanzien van archeologische waarden.

bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)

blz. 61

Daarnaast is opgenomen aan welke eisen het cultuurhistorisch- en archeologisch onderzoek dient te voldoen. Structuurvisie Amsterdam 2040 en nota Hoogbouw in Amsterdam De Structuurvisie Amsterdam 2040 is vastgesteld door de gemeenteraad op 17 februari 2011. Hierin is ook het beleid voor hoogbouw in de stad op hoofdlijnen beschreven. Aangegeven wordt dat een zorgvuldige afweging dient te worden gemaakt ten aanzien van cultuurhistorische waarden in de omgeving. Aspecten zijn onder andere landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing, in het bijzonder als sprake is van cultuurhistorische waarden. De visie op hoogbouw is vanzelfsprekend beschermend voor het UNESCO-gebied (kerngebied en bufferzone), en in mindere mate ook voor het metropolitane landschap. Schaalbreuk of aantasting van weefsel of typologie zijn in het UNESCO-gebied niet acceptabel. In dit gebied is maximaal middelhoogbouw toegestaan, alsmede hogere bebouwing voor zover passend binnen de vigerende bestemmingsplannen, een en ander met inachtneming van de HER-procedure (Hoogbouw Effect Rapportage). Rondom het UNESCO-gebied is op de kaart een zone van 2 kilometer opgenomen waarbinnen voor hoogbouw extra beperkingen gelden. Het beleid voor hoogbouw is verder uitgewerkt en toegelicht in de nota 'Hoogbouw in Amsterdam' van juni 2011.

Bij de inpassing van hoogbouw dient een zorgvuldige afweging plaats te vinden ten aanzien van cultuurhistorische waarden. Archeologie beleid Amsterdam Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing. De wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek wordt in Amsterdam uitgevoerd door Monumenten & Archeologie en behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen.

Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij Gemeente Amsterdam

blz. 62

recente verstoringen van de bodem (beleidsvariant 11). Bij bijvoorbeeld beleidsvariant 2 geldt dat slechts geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of ondieper dan 0,50 meter onder het maaiveld (Appendix: Beleidsvarianten en stroomschema, M&A).In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor. Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht (artikel 5.10 lid 2 Erfgoedwet 2016). Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Monumenten & Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever. 5.4.2

Onderzoek

Monumenten en Archeologie heeft ten behoeve van een reeks bestemmingsplannen op het Zeeburgereiland archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd met als doel om een beeld te kreigen van de ondergrondse cultuurhistorische waarden die in het gebied aanwezig kunnen zijn. Geconcludeerd wordt dat binnen het onderzoeksgebied, volgens de Archeologische Monumentenkaart (AMK) geen archeologische monumenten zijn aangewezen. Op basis van de inventarisatie van eerdere onderzoeken wordt geconcludeerd dat binnen het onderzoeksgebied overblijfselen te verwachten zijn die samenhangen met de scheepvaart vanaf het IJ. Ter plaatse van het Zeeburgereiland is het aannemelijk dat de oorspronkelijke IJ-bodem is samengedrukt en het bodemarchief schade heeft ondervonden. Dit betekent dat hier geen overblijfselen van archeologische waarde meer te verwachten zijn, zie ook onderstaande afbeelding.

bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)

blz. 63

Afbeelding 5.2: Archeologische verwachtingswaarde op het Zeeburgereiland (bron: gemeente Amsterdam)

Voor het Zeeburgereiland geldt een uitzondering van archeologisch vervolgonderzoek bij alle bodemingrepen. Wel geldt, indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden sporen en/ of vondsten ouder dan 50 jaar worden aangetroffen, een meldingsplicht bij de afdeling Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam. Het volledige onderzoek is als bijlage 2 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Gemeente Amsterdam

blz. 64

5.5

Natuurbescherming

5.5.1

Kader

Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het beschermen van soorten en gebieden is vastgelegd in deze wet, waarbij aansluiting is gezocht van de natuurwetgeving op het omgevingsrecht. In de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000 gebied, moet worden onderzocht of de ontwikkeling significante effecten heeft op de beschermde habitats in de natuurgebieden. De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Bij ontwikkelingen in een gebied of de sloop van gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te brengen. Rode lijstsoorten, landelijk beleid Eens per tien jaar worden er zogenoemde 'Rode Lijsten' opgesteld met soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen.

Voor het Ministerie van EZ zijn de rode lijsten mede richtinggevend voor het te voeren natuurbeleid. Het Ministerie stimuleert dat bij bescherming en beheer van gebieden rekening wordt gehouden met de Rode-lijst-soorten, en dat zo nodig en zo mogelijk aanvullende soortgerichte maatregelen zullen worden genomen. Ecologische Hoofdstructuur, landelijk en provinciaal beleid Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Nationaal Natuurnetwerk (NNN), voormalig Ecologische Hoofdstrcutuur (EHS), een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken. Hoofdgroenstructuur, Amsterdams beleid In de structuurvisie van Amsterdam 2040 (vastgesteld in 2011) is de hoofdgroenstructuur opgenomen. Voor functiewijzigingen, die buiten de vastgelegde kaders vallen moet advies worden gevraagd aan de Technische Advies Commissie Hoofdgroenstructuur.

Eventuele wijzigingen kunnen aan de Gemeenteraad worden voorgelegd. Ecologische structuur, Amsterdams beleid Een uitwerking van de "Structuurvisie 2040" is de ecologische visie. Deze is in juli 2012 door de

bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)

blz. 65

Gemeenteraad vastgesteld. De onderstaande kaart laat de ecologische structuur zien, zoals die door (grondgebonden) dieren wordt gebruikt. Er is de afgelopen jaren enorm geïnvesteerd in de ecologische zones, behalve voor de versterking van de biodiversiteit is het voor bewoners een belangrijke mogelijkheid om in de buurt te recreëren of even te bekomen van de bruisende stad.

Afbeelding 5.3: Ecologische verbindingen (bron: gemeente Amsterdam) De ecologische hoofdstructuur is al voor een groot deel ingericht, echter zijn er nog wel een aantal knelpunten in de vorm van infrastructuur of onvoldoende natuurlijke inrichting. Doel is om deze barrières voor dieren weg te nemen en waar mogelijk de kwaliteit van het groen te verbeteren. De ecologische verbindingszone Gooi- en Vechtstreek – Waterland loopt langs het Zeeburgereiland. Deze zone bevindt zich langs de westelijke (en sinds kort ook langs de oostelijke oeverzone) van het eiland. De aanleg van deze verbindingen is nog niet voltooid. 5.5.2

Onderzoek

5.5.2.1 Quickscan Flora- en Fauna Ten behoeve van de ontwikkeling van het Startblok, de ontwikkeling van studentenwoningen en woningen voor statushouders op het naastgelegen perceel, is door ecologen van de gemeente Amsterdam een quickscan Flora- en Fauna uitgevoerd. In dit kader van dit onderzoek is naast de projectlocatie van het Startblok ook de projectlocatie van bestemmingsplan Doebaai onderzocht. De conclusies van het onderzoek worden hier samengevat weergegeven. Het volledige onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen. 5.5.2.2 Soortenbescherming Grondgebonden zoogdieren Het onderzochtte gebied bestaat grotendeels uit asfalt. Via de omgeving en ecologische verbindingen kunnen rondzwervende dieren, zoals vos en boom- en steenmarter het plangebied bereiken. Leefgebied

Gemeente Amsterdam

blz. 66

voor deze soorten is er echter niet. Verder kunnen er aan de rand, in de smalle groenstrook onder de bomen en langs de sloot, kleine zoogdieren als bos- en veldmuis worden verwacht. Voor een egel is er te weinig dekking. Vleermuizen De bomenrij blijft deels in tact. De bomen (abelen) zijn nog beperkt van grootte en vitaal. Verblijfplaatsen van boombewonende soorten vleermuizen (rosse en watervleermuizen) zijn hier niet te verwachten. Op het onderzochtte terrein is geen bebouwing. De bebouwing in de omgeving (tijdelijke studenten woningen, twee woningen, een aantal woonboten en bij de jachthaven van Holland Sport Boot Center behorende gebouwen) heeft geen mogelijke verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuissoorten. De bomenrij en de smalle waterpartij zijn in ieder geval geen essentieel foerageergebied. Broedvogels De onderzochte gebied is in gebruik als parkeerterrein, opslagplaats voor containers en als paardenbak. Aan de westzijde staat een rij bomen, dicht tegen de sloot aan. Deze bomenrij wordt zoveel mogelijk intact gehouden. In de bomenrijen langs de parkeerplaats zijn twee nesten zichtbaar: één in een boom naast de ingang, een eksternest en één in een boom aan de zuidzijde tegen het hek aan. Rond dit nest waren een paar houtduiven actief. Nesten van jaarrond beschermde vogels zijn niet aangetroffen. Dit onderzoek is in 2017 uitgevoerd.

In de sloot en in de oever kunnen watervogels als wilde eend, meerkoet en waterhoen broeden. De nesten van deze vogels zijn in de broedtijd beschermd. Amfibieën, reptielen en vissen Geschikt leefgebied voor amfibieën en reptielen is er in de waterpartij langs de oostelijke parallelweg van de Zuiderzeeweg. De waterkwaliteit van de sloot is slecht door bladval en beschaduwing. Het water is troebel en voedselrijk, de oever is begroeid met riet. Hier kunnen soorten als groene en bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad en enkele algemene vissoorten worden verwacht. Flora Het onderzoeksgebied betreft een parkeerplaats met rijen bomen en een stuk land dat als paardenbak in gebruik is. Geschikte groeiplaatsen voor door de Wet Natuurbescherming beschermde planten zijn er niet. 5.5.2.3 Gebiedsbescherming Het plangebied bevindt zich buiten de Speciale Beschermingszones. Het Ilperveld/ Varkensland, op ruim zes kilometer, en het Marker- IJmeer op ongeveer een kilometer, en Naardermeer en Botshol op ruim tien kilometer afstand zijn de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske, de Botshol en het Naardermeer hebben voor stikstof gevoelige habitats.

Door toename van verkeer en toename van op gas gestookte woningen kan de stikstofdepositie toenemen met een mogelijk negatief effect op deze gevoelige habitattypen als gevolg. Er is een Programmatische aanpak stikstof (PAS). Hierin wordt beoordeeld of er nog ruimte is voor economische ontwikkelingen. Projecten en andere handelingen binnen de sectoren industrie, landbouw en infrastructuur moeten worden gemeld als ze een stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitattype veroorzaken tussen de 0,05 en 1 mol per hectare per jaar. Verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling is er nauwelijks te verwachten. De doelgroep maakt nauwelijks gebruik van eigen

bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)

blz. 67

gemotoriseerd vervoer. Om het effect van het naast het plangebied gelegen Startblok Zeeburg en Doebaai op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in beeld te brengen is een Aeriusberekening uitgevoerd van de fasen bouw- en woonrijp maken, bouw en gebruik van Startblok Zeeburg en Doebaai en de energievoorziening. De conclusie uit deze berekeningen is dat de aanleg en het gebruik van de woningen en van Doebaai niet leidt tot een toename in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. 5.5.2.4 Conclusie In het plangebied en in de omgeving zijn er geen negatieve effecten op door de Wet Natuurbescherming beschermde soorten, waarvoor er geen vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling is, te verwachten. Uit de Aeriusberekening blijkt dat er geen stikstofdepositie op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden plaats vindt bij gebruik en in de verschillende bouwfasen. Bij de uitvoering van de werkzaamheden moet bij de planning rekening worden gehouden met broedende vogels in riet en ruigte (vanaf eind februari tot augustus). Voor de uitvoering van de werkzaamheden is een ecologisch werkprotocol nodig, waarin beschreven staat hoe er met algemene soorten moet worden omgegaan. Geadviseerd wordt om bij de inrichting en het beheer van de openbare ruimte rekening te houden met de biotoopeisen van vleermuizen en vogels.

Dit kan door inheemse boom-, struik, en plantensoorten toe te passen. Ook groene daken en groene muren zorgen voor een groter aanbod van insecten, als voedsel voor vogels en vleermuizen, en nestgelegenheid voor vogels.

Gemeente Amsterdam

blz. 68

bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)

blz. 69

Hoofdstuk 6

Juridische toelichting

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik.

Gemeente Amsterdam

blz. 70

bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)

blz. 71

Hoofdstuk 7 7.1

Economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

Afdeling 6.4 van de Wro is erop gericht dat de gemeente kosten kan verhalen die gemaakt worden naar aanleiding van een bouwplan. Ingevolge artikel 6.12 Wro, besluit de gemeenteraad of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. De verplichting tot vaststelling van een exploitatieplan geldt niet als het kostenverhaal van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. In dit geval zijn de kosten anderszins verzekerd en wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan omdat de gemeente Amsterdam volledig eigenaar is van de grond waarop het bestemmingsplan van toepassing is op het moment dat het bestemmingsplan wordt vastgesteld.

7.2

Planschade

Uit planschaderisicoonderzoek, zie ook bijlage 5, is gebleken dat er door bebouwings- en gebruiksmogelijkheden geen planologische verslechtering optreedt. Door de beoogde planologische wijziging zal geen voor vergoeding in aanmerking komende planschade optreden.

Gemeente Amsterdam

blz. 72

bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)

blz. 73

Hoofdstuk 8 8.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie

Tijdens een inloopbijeenkomst op 17 januari 2019 is de buurt geïnformeerd over het plan om in Baaibuurt Oost tijdelijke woningen voor starters en statushouders te ontwikkelen. De ideeën, zorgen en wensen van bewoners zijn meegenomen in het GO-besluit van Startblok Zeeburg. Samenvattend zijn de ideeën en zorgen met betrekking tot Startblok Zeeburg: "De doelgroepen zijn welkom, zorg ervoor dat omwonenden bij de ontwikkeling en de doelgroep betrokken worden, kijk of er een plek kan komen waar de buurt met bewoners in contact kan komen. En voorkom dat het een geïsoleerde plek wordt." Met het project Doebaai worden deze ideeën en zorgen gehoord en beantwoord. Doebaai is naast het Startblok gelegen en bestemd voor tijdelijke voorzieningen, met als doel om te zorgen voor meer levendigheid, verbinding (met het Startblok), en veiligheid. Op 10 oktober 2019 zijn de projecten Startblok Zeeburg en Doebaai gepresenteerd tijdens de Meet Up Zeeburgereiland en is aan de bewoners gevraagd om met suggesties en ideeën te komen. Er kwamen niet zoveel concrete ideeën, wel veel positieve reacties op het feit dat er ruimte is voor een Doekwartier in de Baaibuurt. Eén van de suggesties was om een ruimte in te richten waar bijvoorbeeld yoga / andere activiteiten laagdrempelig kunnen worden georganiseerd.

Deze suggesties en ideeën worden meegenomen als input voor de prijsvraag waarmee Doebaai in de markt wordt gezet. Tot slot zal ook aan bewoners worden gevraagd om deel te nemen in de jury die uiteindelijk de marktpartij selecteert die Doebaai mag gaan ontwikkelen.

8.2

Inspraak

Er heeft geen inspraak op grond van de inspraakverordening plaats gevonden op het voorontwerpbestemmingsplan. Artikel 2 van de inspraakverordening geeft aan dat er geen inspraak verleend wordt op bestemmingsplannen ( = voorbereiding van besluiten betreffende waarvan op grond van de Wet ruimtelijke ordening afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard). Het ontwerp bestemmingsplan wordt, conform de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter inzage gelegd.

8.3

Vooroverleg

Het plan is in het kader van het vooroverleg (artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening) aan de volgende instanties gezonden: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Waternet; provincie Noord-Holland; N.V Nederlandse Gasunie; Rijkswaterstaat; Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied; gemeente Amsterdam, Structuurvisietoets; gemeente Amsterdam, Technische adviescommissie Groenstructuur; gemeente Amsterdam, Monumenten en Archeologie; gemeente Amsterdam Verkeer, Openbare Ruimte.

Tijdens de gestelde termijn zijn er reacties ontvangen van: 1. Waternet Gemeente Amsterdam

blz. 74

Het is Waternet niet geheel duidelijk of het om een tijdelijke of defintieve situatie gaat. Waternet vindt het belangrijk dat de waterberging in verbinding staat met het watersysteem van Zeeburgereiland, zodat het water kan worden afgevoerd via het nieuwe gemaal in Baaibuurt oost en de open verbinding. Gevraagd wordt de gemeentelijke norm op te nemen in het plan: De grondwaternorm voor nieuw te realiseren bouwlocaties is vastgesteld in het 'Plan gemeentelijke watertaken' en luidt: 'Daar waar zonder kruipruimte gebouwd wordt mag de grondwaterstand niet vaker dan gemiddeld eens per twee jaar, niet langer dan 5 dagen achtereen minder dan 0,5 meter onder het maaiveld staan". Waar met kruipruimtes wordt gebouwd geldt een norm van 0,9 meter. reactie gemeente: Planologisch wordt een permanente situatie mogelijk gemaakt. De ontwikkeling zelf wordt tijdelijk. De waterpartij komt in verbinding te staan met het watersysteem van het Zeeburgereiland.

In de toelichting, paragraaf 5.2 Water is het kopje 'grondwater' toegevoegd, waaronder de volgende tekst is opgenomen: Grondwaternormen De grondwaternorm voor nieuw te realiseren bouwlocaties is vastgesteld in het 'Plan gemeentelijke watertaken' en luidt: 'Daar waar zonder kruipruimte gebouwd wordt mag de grondwaterstand niet vak er dan gemiddeld eens per twee jaar, niet langer dan 5 dagen achtereen minder dan 0,5 meter onder het maaiveld staan". Waar met kruipruimtes wordt gebouwd geldt een norm van 0,9 meter. In het kavelpaspoort is opgenomen dat nieuw te realiseren bebouwing dient te voldoen aan de grondwaternorm van de gemeente Amsterdam. Omdat ondergronds bouwen (in de vorm van kelders, parkeergarages, etc) de grondwaterstand kan verstoren, zijn ondergrondse activiteiten niet toegestaan. 3. N.V. Nederlandse Gasunie Het concept bestemmingsplan is getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor de aardgasleidingen, zoals bepaald in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van de toetsing is geconcludeerd dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichts bijzijnde leiding valt. Deze leiding heeft geen invloed op de verdere planontwikkeling. reactie gemeente: Deze reactie wordt ter kennisname aangenomen. 7.

Gemeente msterdam, Technische adviescollege Groenstructuur Aangezien het plangebied van Doebaai niet in de Hoofdgroenstructuur ligt, is er geen TAC-advies vereist. reactie gemeente: Deze reactie wordt ter kennisname aangenomen. Alle Bro-reacties zijn geannonimiseerd en gebundeld opgenomen in de bijlagen, zie bijlage 6.

bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)

blz. 75

8.4

Zienwijzen

PM

8.5

Ambtshalve wijzigingen

PM

Gemeente Amsterdam

blz. 76

bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)

blz. 77

Bijlagen bij de toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 78

bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)

blz. 79

Bijlage 1

verkennend bodem en asbestonderzoek waterpartij

Gemeente Amsterdam

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Baaibuurt te Amsterdam

projectnummer 0458083.100 definitief revisie 00 19 december 2019

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Baaibuurt te Amsterdam

projectnummer 0458083.100 Definitief revisie 00 19 december 2019

Auteur M.E. van Horssen

Opdrachtgever Gemeente Amsterdam Weesperstraat 430 1018 DN Amsterdam

datum vrijgave

beschrijving revisie 00

goedkeuring

vrijgave

19 december 2019

Definitief

Drs. P. Dirksen

Ir. H.E Oosterbaan

Inhoudsopgave

Blz.

1

Inleiding

1

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding en situatie Vooronderzoek Doel Onderzoeksstrategie en kwaliteit

1 1 6 7

2

Veldwerk

8

2.1 2.2

Verrichte veldwerkzaamheden Resultaten veldwerk

8 8

3

Laboratoriumonderzoek

10

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7

Uitgevoerd laboratoriumonderzoek Toetsingskader Analyseresultaten grond Analyseresultaten grondwater Analyseresultaten PFAS Analyseresultaten asbest Veiligheid

10 11 12 13 14 15 15

4

Conclusies en aanbevelingen

17

Bijlagen 1. Toelichting op bodemonderzoek, verantwoording uitvoering onderzoek BRL2000 2. Profielbeschrijvingen en veldwaarnemingen 3. Toetsing grondmonsters aan Wet bodembescherming 4. Toetsing grondwatermonsters aan Wet bodembescherming 5. Normen grond Wet bodembescherming 6. Normen grondwater Wet bodembescherming 7. Toetsing grondmonsters aan Besluit bodemkwaliteit 8. Normen Besluit bodemkwaliteit 9. Analysecertificaten 10. Toetsing grondmonsters PFAS

Tekeningen 0458083.100-S1 Situatie met boringen en peilbuizen

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Baaibuurt te Amsterdam projectnummer 0458083.100 19 december 2019 revisie 00

1

Inleiding Door Antea Group is in opdracht van de gemeente Amsterdam in de periode november-december 2019 een bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Baaibuurt gelegen aan de Zuiderzeeweg te Amsterdam.

1.1

Aanleiding en situatie De aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen herinrichting van het gebied waarbij een waterpartij aangelegd zal worden. Hierbij zal de uitgegraven grond opgebracht worden op het overige deel van het perceel. Het gehele perceel heeft een totale oppervlakte van circa 3.030 m2 waarvan het gebied van de te realiseren waterpartij 720 m2 betreft. De onderzoekslocatie is gedeeltelijk grasweide en op het overige deel staat een paardenbak. De graafwerkzaamheden voor de waterpartij zullen tot circa 2,0 m –mv. (meter beneden maaiveld) plaatsvinden. In de onderstaande figuur is de ligging van de onderzoekslocatie in Amsterdam te zien, weergegeven met de rode cirkel.

Figuur 1.1: Overzicht onderzoekslocatie (bron: AGODP)

1.2

Vooronderzoek Voorafgaand aan het uitvoeren van het bodemonderzoek is conform de NEN 5725 een vooronderzoek uitgevoerd omtrent de aan-/afwezigheid, de aard en de ruimtelijke verdeling van eventuele verontreinigingen en bekende gegevens. De aanleiding tot het vooronderzoek is het ‘opstellen van een hypothese over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’. De onderstaande onderzoeksvragen worden in dit hoofdstuk beantwoord:  wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende?

Blad 1 van 16

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Baaibuurt te Amsterdam projectnummer 0458083.100 19 december 2019 revisie 00

     

is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn de verdachte parameters? is de bodem asbestverdacht? Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Zo ja, waar bevindt deze zich? is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? welke hypothese en strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek (inclusief de indeling van de onderzoekslocatie in deellocaties met verschillende hypotheses over de aard en verdeling van de verontreinigde stoffen)?

In tabel 1.1 zijn de geraadpleegde bronnen weergegeven. Tabel 1.1: Geraadpleegde bronnen Geraadpleegde bron Topotijdreis.nl Bodemloket Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Bodemkwaliteitskaart Amsterdam

Website, contactpersoon of archief www.topotijdreis.nl www.bodemloket.nl https://odnzkg.nazca4u.nl https://maps.amsterdam.nl/bodemkwaliteit/?LANG=nl

Bodemopbouw en geohydrologie Op basis van voorgaande onderzoeken wordt verwacht dat de bodem zeer diffuus is opgebouwd uit zowel zand, klei als veen. De grondwaterstand is naar verwachting circa 0,6 m -mv.

Historie De locatie was tot 1900 onderdeel van het IJ, vanaf 1900 tot circa 1945 was het een baggerbergplaats. Daarna is het zeeburgereiland gemaakt en bevindt zich op de onderzoekslocatie een schietbaan welke tot circa 1970 aanwezig is. Hierna wordt de locatie ontwikkelt en vanaf 2007 zijn de huidige bebouwing en wegconstructie ontstaan. Op de onderstaande afbeeldingen afkomstig van Topotijdreis is de ontwikkeling door de jaren heen te zien.

Blad 2 van 16

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Baaibuurt te Amsterdam projectnummer 0458083.100 19 december 2019 revisie 00

Figuur 1.2: Onderzoeksgebied in 2018

Figuur 1.3: Onderzoeksgebied in 1981

Blad 3 van 16

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Baaibuurt te Amsterdam projectnummer 0458083.100 19 december 2019 revisie 00

Figuur 1.4: Onderzoeksgebied in 1960

Figuur 1.5: Onderzoeksgebied in 1945

Asbest In het verleden is er plaatselijk asbest aangetroffen, echter is er in recente onderzoeken analytisch geen asbest aangetoond. De locatie is op basis hiervan onverdacht ten aanzien van asbest. NGE (niet gesprongen explosieven) Volgens de NGE bodembelastingkaart van de gemeente Amsterdam is de locatie niet verdacht op het voorkomen van conventionele explosieven.

Blad 4 van 16

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Baaibuurt te Amsterdam projectnummer 0458083.100 19 december 2019 revisie 00

Bodembedreigende activiteiten De locatie is in gebruik geweest als baggerbergplaats, schietbaan en paardenweide. Uit voorgaande onderzoeken is bekend dat er op meer dan 25 meter afstand van de onderzoekslocatie kleinschalige activiteiten hebben plaatsgevonden zoals autoreparatie en een jachthaven. Er zijn geen gegevens bekend over tanks op of nabij de locatie. Bodemonderzoeken ‘Aanvullend bodemonderzoek ter plaatse van het project ‘Zeeburgereiland’ te Amsterdam’, Cauberg-Huygen, kenmerk 20090759-03, d.d. 21 augustus 2009. Dit onderzoek is een uitkartering van een sterke verontreiniging met zink in de bodem, op basis waarvan de gemeente Amsterdam heeft beoordeeld dat er sprake is van een geval van sterke bodemverontreiniging (AM0363/09176/B10). Beide verontreinigingen zullen door middel van een BUS-melding gesaneerd worden voordat het gebied ontwikkeld wordt en tijdens de sanering zal de definitieve omvang worden bepaald. Het is onbekend of de verontreiniging sindsdien is gesaneerd. De boringen nabij het huidige onderzoeksgebied bevatten maximaal licht verhoogde gehalten. De sterke verontreinigingen bevinden zich op ruime afstand van het huidige onderzoeksgebied en hebben derhalve geen effect op de te verwachten milieuhygiënische kwaliteit ter plaatse van het onderhavige onderzoek. ‘Verkennend bodemonderzoek Baaibuurt-Zuiderzeeweg’, Waternet, kenmerk 09.027724, d.d.

3 december 2009. De openbare weg is onderzocht in verband met vervanging van de riolering. De grond bevat matig verhoogde gehalten aan arseen, koper, lood en zink en licht verhoogde gehalten aan overige zware metalen, minerale olie, PAK en PCB. De puinverharding en de diepere veenlagen zijn sterk verontreinigd met zink. Analytisch is er in de puinverhardingen geen asbest aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, cadmium, chroom en zink. De gemeente heeft dit rapport beoordeeld en vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (AM0363/09176/B11). Bodemkwaliteitskaart Het onderzoeksgebied valt in zone ‘saneringsgebieden’ van de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam. Hierbij is de locatie aangemerkt als saneringslocatie, mogelijk is er in het verleden gesaneerd en is er een gebruiksbeperking van kracht. Binnen de bodemfunctiekaart valt de locatie onder ‘wonen’ De grote doorgaande wegen maken onderdeel uit van de infra (zone A), waarbinnen vrijkomende grond zonder onderzoek mag worden hergebruikt in elke andere openbare weg. PFAS Volgens de beleidsregels PFOS en PFOA van de gemeente Amsterdam is onderzoek naar PFAS noodzakelijk wanneer een reële verdenking bestaat voor het voorkomen van deze stoffen.

Op of nabij de onderzoekslocatie zijn geen specifieke bronnen voor PFAS bekend zoals bijvoorbeeld een oefenterrein voor de brandweer. Wel kan de bodem door depositie verontreinigd zijn geraakt. Door het wijdverbreide gebruik van PFAS wordt PFAS in Nederland, en breder in Europa, inmiddels niet alleen bij puntbronnen, maar ook diffuus verspreid in het milieu aangetroffen en dienen deze stoffen geanalyseerd te worden bij grond die wordt toegepast op andere locaties of wordt afgevoerd naar een erkende verwerker. Omdat naar verwachting bij de voorgenomen werkzaamheden grond vrijkomt en afgevoerd dient te worden, is onderzoek naar deze stoffen uitgevoerd.

Blad 5 van 16

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Baaibuurt te Amsterdam projectnummer 0458083.100 19 december 2019 revisie 00

1.3

Doel Het onderzoek heeft als doel het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit en opbouw van de bodem, inclusief het bepalen van de bodemkwaliteits- en functieklasse van zowel de vrijkomende grond als de ontvangende bodem. Tevens worden de veiligheidsklassen voor het werken in de bodem vastgesteld.

1.4

Onderzoeksstrategie en kwaliteit Voor de specifieke invulling van het onderzoek zijn de volgende protocollen en richtlijnen gehanteerd:  bodemonderzoek conform de ARVO 2019;  NEN 5707 voor asbestonderzoek in grond;  NEN 5740 voor PFAS onderzoek in grond. Bij het bodemonderzoek conform de ARVO is uitgegaan van een vooroorlogse wijk. Met betrekking tot het asbestonderzoek is de strategie voor een verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld gehanteerd. Het PFAS-onderzoek is uitgevoerd conform de strategie voor een verdachte locatie met homogeen voorkomen van verontreiniging (VED-HO). Met betrekking tot de kwaliteitsaspecten, toegepaste methoden en betrouwbaarheid/garanties van het onderzoek wordt verwezen naar bijlage 1. In dit rapport wordt verslag gedaan van de uitgevoerde werkzaamheden en worden de resultaten van het onderzoek beschreven.

Blad 6 van 16

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Baaibuurt te Amsterdam projectnummer 0458083.100 19 december 2019 revisie 00

2

Veldwerk

2.1

Verrichte veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden van het verkennend onderzoek zijn uitgevoerd op 4 en 11 november 2019 door de heer T. Wolkers van Antea Group. Het veldwerk is uitgevoerd volgens de protocollen 2001, 2002 en 2018 en eventuele aanvullende NEN-/NPR-normen conform de BRL SIKB 2000 (Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB-procescertificaat voor veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek). Antea Group is volgens dit SIKB-procescertificaat gecertificeerd (zie verder bijlage 1). Boringen 1 t/m 6 zijn geplaatst ten behoeve van het onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voor het aanleggen van een waterpartij. Boringen 7 t/m 13 zijn geplaatst ten behoeve van het vaststellen van de kwaliteit van de ontvangende bodem. Daarnaast zijn er 4 grepen (14 t/m 17) genomen uit het zand van de paardenbak. In verband met de aanwezigheid van een drainagesysteem onder de paardenbak, waardoor hier niet geboord kon worden, zijn de boringen niet evenredig verspreid geplaatst over de paardenbak maar aan de buitenrand daarvan. De eerste halve meter van de boringen 1 t/m 6 is voorgegraven conform de NEN 5707/5897 (profielgaten met afmetingen van 0,3x0,3 m2). De boringen zijn vervolgens doorgezet met een handboor (120 mm) tot de maximale boordiepte.

De opgegraven en opgeboorde grond is visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen en andersoortige verontreinigingen, gezeefd (20 mm), beschreven en bemonsterd. Voor het asbestonderzoek is een mengmonster samengesteld van de grond. Na inspectie en monsterneming zijn de graafgaten gedicht met het uitgegraven materiaal. Het maaiveld op de onderzoekslocatie is voor meer dan 75% begroeid. De begroeiing is niet verwijderd omdat de maatregelen niet in verhouding staan tot de gehanteerde onderzoeksintensiteit. Hierdoor was het niet mogelijk om de voorgeschreven maaiveldinspectie uit te voeren. Het uitvoeren van een maaiveldinspectie wordt gebruikt om te beoordelen of er binnen de onderzoekslocatie gedeelten aanwezig zijn die als meer of minder verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest kunnen worden aangemerkt. In het geval geen inspectie mogelijk is wordt de gehele locatie als asbestverdacht aangemerkt. Het grondwater uit de peilbuizen is minimaal één week na plaatsing bemonsterd voor laboratoriumonderzoek. In het veld zijn van het grondwater de zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (EC) en de troebelheid gemeten. De locaties van de boringen en de peilbuizen zijn weergegeven op tekening 0458083.100-S1.

2.2

Resultaten veldwerk De profielbeschrijvingen van de verrichte boringen met de bijbehorende veldwaarnemingen zijn opgenomen in bijlage 2. Tijdens de werkzaamheden was het zicht goed. De zeer diffuse bodem bestaat uit zand en kleilagen op verschillende diepten met op circa 2,5 m –mv. een veenlaag. Daarnaast zijn er bijmengingen van puin, slakken en slib aangetroffen. Op basis van de ingemeten boorpunten varieert de hoogte van het maaiveld van N.A.P. +0,63 m tot +0,18 m.

Blad 7 van 16

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Baaibuurt te Amsterdam projectnummer 0458083.100 19 december 2019 revisie 00

Grondwatergegevens De in het veld verzamelde grondwatergegevens zijn weergegeven in de volgende tabel. Tabel 2.1: Grondwatergegevens Peilbuis (Filter, m –mv.)

Grondwaterstand (m –mv.)

Belucht?

pH

EC (µS/cm)

Troebelheid (NTU)

001 (1,50-2,50)

0,65

nee

7,40

1.320

1

006 (1,50-2,50)

0,53

nee

6,90

3.790

3

De pH, EC en troebelheid geven geen aanleiding tot opmerkingen.

Blad 8 van 16

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Baaibuurt te Amsterdam projectnummer 0458083.100 19 december 2019 revisie 00

3

Laboratoriumonderzoek Het laboratoriumonderzoek is verricht door de door de Raad voor Accreditatie erkende laboratoria van Eurofins Analytico te Barneveld en Eurofins Omegam te Amsterdam. Deze accreditatie betekent dat bij de analyses consequent de juiste en vastgelegde procedures worden gehanteerd zodat de analyseresultaten een hoge betrouwbaarheid hebben. De grond- en grondwatermonsters zijn (voor)behandeld conform het accreditatieschema (AS)3000.

3.1

Uitgevoerd laboratoriumonderzoek Het uitgevoerde laboratoriumonderzoek is weergegeven in tabel 3.1. De samenstelling en selectie van de grond(meng)monsters is gebaseerd op monsterdiepte, bodemtype, onderzoeksdiepte en veldwaarnemingen. De ontvangende bodem is geanalyseerd op PFAS om de bodemkwaliteitsklasse te kunnen bepalen in het kader van het verwerken van de vrijkomende grond, voor de overige parameters is in dit kader de bodemkwaliteitskaart van gemeente Amsterdam afdoende. Tabel 3.1: Laboratoriumonderzoek Monsternaam

Traject (m -mv)

Monstersamenstelling (meetpunt + traject in m -mv)

Analyses

0,05-0,50

01, 02, 03, 04, 05, 06

Asbest Grond NEN5898 2016

BMM01

0,05-0,50

006 (0,05-0,30) 003 (0,05-0,25) 002 (0,05-0,40) 001 (0,25-0,50)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

BMM02

0,05-0,50

006 (0,30-0,50) 005 (0,05-0,30) 003 (0,25-0,45)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

BMM03

0,40-0,70

005 (0,50-0,70) 004 (0,40-0,60) 002 (0,40-0,55) 001 (0,50-0,70)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

BMM04

0,50-1,10

006 (0,50-0,80) 003 (0,60-1,00) 002 (0,60-1,10) 004 (0,60-1,10)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

BMM05

1,10-1,50

004 (1,10-1,50) 002 (1,20-1,50)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

BMM06

1,20-1,75

005 (1,20-1,70) 003 (1,40-1,75)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

BMM07

1,50-2,20

006 (1,50-1,90) 004 (1,50-1,80) 002 (1,50-1,80) 001 (1,70-2,20)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

BMM08

1,75-2,00

005 (1,80-2,00) 004 (1,80-2,00) 003 (1,75-2,00) 002 (1,80-2,00)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

Asbest AMM01 Grond

Blad 9 van 16

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Baaibuurt te Amsterdam projectnummer 0458083.100 19 december 2019 revisie 00

Tabel 3.1: Laboratoriumonderzoek Monsternaam

Traject (m -mv)

Monstersamenstelling (meetpunt + traject in m -mv)

Analyses

MM01

0,05-0,40

006 (0,05-0,30) 004 (0,05-0,40) 003 (0,05-0,25) 002 (0,05-0,40)

PFAS (28) Handelingskader Organische stof (gloeiverlies)

MM02

0,05-0,50

006 (0,30-0,50) 005 (0,05-0,30) 003 (0,25-0,45)

PFAS (28) Handelingskader Organische stof (gloeiverlies)

MM03

0,50-1,20

006 (0,50-0,80) 005 (0,70-1,20) 004 (0,60-1,10) 003 (0,60-1,00) 002 (0,60-1,10)

PFAS (28) Handelingskader Organische stof (gloeiverlies)

MM04

1,10-2,20

006 (1,50-1,90) 005 (1,20-1,70) 004 (1,10-1,50) 002 (1,20-1,50) 001 (1,70-2,20)

PFAS (28) Handelingskader Organische stof (gloeiverlies)

Onderzoek ontvangende bodem PMM01

0,25-0,80

008 (0,35-0,65) 009 (0,60-0,80) 010 (0,25-0,60) 011 (0,40-0,60)

PFAS (28) Handelingskader Organische stof (gloeiverlies)

PMM02

0,00-0,40

007 (0,05-0,30) 008 (0,00-0,35) 011 (0,05-0,40)

PFAS (28) Handelingskader Organische stof (gloeiverlies)

PMM03

0,00-0,50

012 (0,05-0,50) 013 (0,00-0,30)

PFAS (28) Handelingskader Organische stof (gloeiverlies)

PMM04

0,00-0,15

017 (0,00-0,15) 016 (0,00-0,15) 015 (0,00-0,15) 014 (0,00-0,15)

PFAS (28) Handelingskader Organische stof (gloeiverlies)

006-1-1

1,50-2,50

006 (1,50-2,50)

Standaardpakket GW (nieuw) Amsterdam (2)

006-1-2

1,50-2,50

006 (1,50-2,50)

Lozingspakket uitgebreid

001-1-1

1,50-2,50

001 (1,50-2,50)

Standaardpakket GW (nieuw) Amsterdam (2)

Grondwater

1: Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam: zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB som 7), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 VROM), minerale olie (GC), chloride; 2: Standaardpakket GW (nieuw) Amsterdam: zware metalen (arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromaten (BTEXN), vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (incl. vinylchloride), minerale olie (GC).

3.2

Toetsingskader De getoetste analyseresultaten van de onderzochte grond- en grondwatermonsters zijn weergegeven in de bijlagen 3, 4 en 7. De analysecertificaten zijn toegevoegd in bijlage 9. De resultaten zijn getoetst aan de actuele achtergrond-, streef- en interventiewaarden uit de Regeling bodemkwaliteit en de Circulaire bodemsanering. Hiervoor is gebruik gemaakt van

Blad 10 van 16

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Baaibuurt te Amsterdam projectnummer 0458083.100 19 december 2019 revisie 00

BOTOVA-gevalideerde software. De achtergrond-/streef- en interventiewaarden zijn opgenomen in de bijlagen 5, 6 en 8. Een toelichting op het toetsingskader is opgenomen in bijlage 1. In de tekst zal de term 'verhoogd' worden gebruikt bij gehalten hoger dan de achtergrond- of streefwaarden en lager dan de interventiewaarden. De term 'sterk verhoogd' wordt gebruikt bij gehalten hoger dan of gelijk aan de interventiewaarden. Tevens is bij de getoetste waarden een index opgenomen. Deze index is als volgt berekend: Index = (GSSD - AW) / (I - AW). Een negatieve waarde voor de index houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (= GSSD) lager is dan de achtergrondwaarde (= AW). Bij een index boven de 1 ligt de gestandaardiseerde meetwaarde boven de interventiewaarde (= I). Een index tussen de 0 en 0,5 betekent dat de gestandaardiseerde meetwaarde (ver) onder de interventiewaarde ligt. Een index tussen de 0,5 en 1 houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (dicht) bij de interventiewaarde ligt. Afhankelijk van de specifieke situatie geeft dit mogelijk aanleiding voor het uitsplitsen van een mengmonster en/of het uitvoeren van een nader onderzoek. De analyseresultaten van het asbestonderzoek zijn opgenomen in bijlage 9 en zijn getoetst aan het huidige beleid van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Dit beleid is beschreven in bijlage 1.

In bijlage 10 zijn de analyseresultaten van het PFAS onderzoek getoetst aan het Amsterdamse beleid op PFAS.

3.3

Analyseresultaten grond In de volgende tabel zijn de parameters weergegeven, die de betreffende achtergrond- of interventiewaarde overschrijden.

Tabel 3.2: Overschrijdingstabel grond (Meng)monster (traject m -mv.)

Boringen

BMM01 (0,05-0,50)

006 (0,05-0,30), 003 (0,05-0,25), 002 (0,05-0,40), 001 (0,25-0,50)

BMM02 (0,05-0,50)

Grondsoort en veldwaarnemingen

Parameters

Conclusie

> AW en index < 0,5 (licht verontreinigd)

> AW en index > 0,5 (matig verontreinigd)

>I (sterk verontreinigd)

zwak puinhoudend, sporen slakken, een enkel keitje

Minerale olie C10 C40, Zink

PAK 10 VROM

-

Wbb: Overschrijding achtergrondwaarde, Bbk : Kwaliteitsklasse industrie

006 (0,30-0,50), 005 (0,05-0,30), 003 (0,25-0,45)

sporen slakken, zwak puinhoudend, sporen glas, sporen kolen, zwak grind en keien

Koper, Kwik, Lood, PAK 10 VROM

-

-

Wbb: Overschrijding achtergrondwaarde, Bbk : Kwaliteitsklasse industrie

BMM03 (0,40-0,70)

005 (0,50-0,70), 004 (0,40-0,60), 002 (0,40-0,55), 001 (0,50-0,70)

-

-

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

BMM04 (0,50-1,10)

006 (0,50-0,80), 003 (0,60-1,00), 002 (0,60-1,10), 004 (0,60-1,10)

-

Cadmium, PAK 10 VROM

Zink

-

Wbb: Overschrijding achtergrondwaarde, Bbk : Kwaliteitsklasse industrie

BMM05 (1,10-1,50)

004 (1,10-1,50), 002 (1,20-1,50)

zwak slibhoudend

Minerale olie C10 C40, Zink,

-

-

Wbb: Overschrijding achtergrondwaarde,

Blad 11 van 16

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Baaibuurt te Amsterdam projectnummer 0458083.100 19 december 2019 revisie 00

Tabel 3.2: Overschrijdingstabel grond (Meng)monster (traject m -mv.)

Boringen

Grondsoort en veldwaarnemingen

Parameters > AW en index < 0,5 (licht verontreinigd)

> AW en index > 0,5 (matig verontreinigd)

Conclusie >I (sterk verontreinigd)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9682242/1