Raadsbesluit 2024-233A Bestuurlijk rapport Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Tekst van het document
1.2.3
Het assetmanagementsysteem
Amsterdam hanteert één digitaal assetmanagementsysteem voor het beheer van alle sport- en speelplekken in de gemeente Amsterdam.39 In het assetmanagementsysteem is onder andere de volgende informatie te vinden over elk object:
▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Naam object Adres en GPS-coördinaten Recente foto’s van het object Verwachte levensduur Keurings- en inspectiecertificaten
In nieuwe delen van de stad worden de sport- en speelplekken gerealiseerd binnen het project (de grondexploitatie). Stadswerken heeft hierbij een adviserende rol m.b.t. het toekomstig dagelijks beheer. xxii
25
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
▪ ▪
Constateringen bij inspecties inclusief urgentie Gepleegd onderhoud
Met deze functionaliteiten functioneert het assetmanagementsysteem dus ook als logboek voor certificaten en onderhoud. De objecten zijn eenvoudig te vinden op een kaart. De directie V&OR (eigenaar van de assets en de beleidskant) en de directie Stadswerken (beheerder van de assets en uitvoerder) maken beide gebruik van het systeem en zijn tevreden over de functionaliteiten ervan.
Steekproef en missende informatie We hebben een steekproef uitgevoerd onder vijftig willekeurig geselecteerde sport- en speeltoestellen. Hieruit blijkt dat er voor alle toestellen logboeken en recente inspectierapporten aanwezig zijn. Ook blijkt dat alle toestellen recentxxiii zijn geïnspecteerd. Voor 17 van de 50 toestellen waren geen van de verplichte certificaten aanwezig. De ambtelijke organisatie geeft aan dat in dergelijke gevallen de fabrikant vaak nog wel te achterhalen is. Daar kan het certificaat worden opgevraagd. In het assetmanagementsysteem zijn niet altijd gegevens beschikbaar over het oppervlak van de speel- of sportplek, of voor welke leeftijden de sport- of speelplek bedoeld is. Hierdoor is het voor de gemeente moeilijk om overzicht te krijgen en te sturen op sport- en speelplekken met verschillende kenmerken (bijvoorbeeld grootte, soort, of leeftijd).
1.2.4
Keuringen en inspecties
Bij het installeren van een nieuw sport- of speeltoestel wordt het geheel (inclusief omgeving en ondergrond) voorafgaand aan de ingebruikname altijd gekeurd door een bevoegde keuringsinstantie.40xxiv Als het toestel veilig wordt bevonden krijgt de gemeente een bewijs van keuring en kan het toestel in gebruik genomen worden.xxv De directie Stadswerken neemt het toestel pas na goedkeuring in beheer.41 Als het toestel niet veilig wordt geacht, dan blijft het toestel afgesloten met een hek en wordt het in overleg met de onderaannemer en leverancier aangepast (zoals bijvoorbeeld bij de speeltuin Sloterpark: link). Het toestel blijft in de hekken tot het door een externe inspecteur is goedgekeurd. Daarnaast worden alle sport- en speeltoestellen in de gemeente Amsterdam tweemaal per jaar geïnspecteerd door een externe partij.42 De eerste jaarlijkse inspectie vindt plaats op eventuele gebreken in de veiligheid van het toestel en de bijbehorende ondergrond.43 De tweede jaarlijkse inspectie is een visuele inspectie op slijtage en beschadigingen waarbij ook gelet wordt op veiligheid. Van deze inspecties wordt een inspectierapport aangemaakt in het assetmanagementsysteem.44 De gemeente is verplicht om voor elk sport- en speeltoestel een logboek of actueel dossier bij te houden waarin certificaten, inspectierapporten en onderhoud inzichtelijk zijn.45
48 toestellen in 2024, 2 toestellen in 2023. De instantie is door de minister aangewezen als bevoegd om keuringen te verstrekken (ex Warenwet, artikel 7a, lid 1). xxv Alle sport- en speeltoestellen dienen voorzien te zijn van een zichtbaar aangebracht merk van goedkeuring. xxiii xxiv
26
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Aanvullende controles door Stadswerken Stadswerken heeft zeven functionarissen in dienst die intern belast zijn met toezicht op de veiligheid en functionaliteit van de sport- en speeltoestellen.46 Zij zijn de gemeentelijke ogen en oren op straat als het gaat om de functionaliteit en veiligheid van de sport- en speelplekken. Elk van deze functionarissen heeft een eigen stadsdeel of stadsgebied. Gedurende het jaar gaan zij op basis van signalen uit de buurt langs bij de sport- en speelplekken en voeren controles uit op de veiligheid en de visuele staat. Ook behandelen zij binnengekomen meldingen van bewoners over schades aan de sport- en speeltoestellen.
1.2.5
Het betrekken van bewoners
Bij grotere onderhoudsprojecten is de ambtelijke organisatie verplicht om participatietrajecten te organiseren waarin bewoners kunnen meedenken over het opknappen van de sport- of speelplek in kwestie. In dergelijke gevallen neemt de gemeente contact op met de bewoners om hen mee te nemen in beslissingen over bijvoorbeeld de inrichting van de speelplek en de keuze van nieuwe toestellen. Dat gebeurt bijvoorbeeld met een brief of een flyer (figuur 1).
Figuur 1 - Een flyer voor het opknappen van speelplek Oostenburgerpark
Participatie via het internet en participatietrajecten per stadsdeel De gemeente heeft een website waarop alle speelplekken te zien zijn waarbij een groot participatietraject loopt. Kleinere speelplekken die (gedeeltelijk) worden vervangen en waarbij een licht participatietraject loopt, staan niet op deze website.47 In dat geval krijgen bewoners een brief waarin ze bijvoorbeeld kunnen kiezen uit twee of meer speeltoestellen. Soms worden de bewoners uitgenodigd om een digitale vragenlijst in te vullen. Wanneer een sport- of speeltoestel één op één wordt vervangen, is er meestal geen participatietraject en staat dit ook niet op de website.48
27
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
2
Wat is het bereikte resultaat? In dit hoofdstuk behandelen we de volgende deelvraag:
Voldoet het onderhoud van sport- en speelplekken aan de norm die de gemeente zichzelf stelt? Om erachter te komen of de gemeente voldoet aan het gewenste onderhoudsniveau (sober) hebben we voornamelijk openbare bronnen gebruikt. Daarnaast hebben we gesproken met betrokken ambtenaren en interne stukken onderzocht. We onderzoeken voornamelijk openbare bronnen om na te gaan of raadsleden en bewoners redelijk zicht kunnen krijgen op de staat van het onderhoud, zonder dat ze hier specifieke informatie over hoeven te vragen aan het college en/of de ambtelijke organisatie. De gemeenteraadsleden moeten immers in staat zijn om te controleren of het college voldoet aan de norm die de raad heeft gesteld, en bewoners hebben recht op inzicht in hoeverre de gemeente voldoet aan haar doelen. We hebben verder bewoners gevraagd wat zij vinden van de staat van het onderhoud van de sport- en speelplekken. De belangrijkste bevindingen zijn: Belangrijkste bevindingen Het behaalde onderhoudsniveau ligt volgens het college op ‘sober’. Dat betekent dat over de gehele gemeente sprake is van minder dan 10 procent achterstallig onderhoud. Meer dan 90 procent van de sport- en speelplekken voldoet volgens het college aan niveau ‘sober’ of beter. Het college rapporteert niet in detail over het gerealiseerde onderhoudsniveau (i.e.
percentages van het areaal op niveau A+ ‘Prachtig’, A ‘Top’, B ‘Verzorgd’, C ‘Sober’ en D ‘Verloedering’). Volgens betrokken ambtenaren verkeert meer dan 99% van de toestellen en bijbehorende valondergronden in veilige staat (‘sober’ of beter). Eventuele oppervlakkige vervuiling, bijvoorbeeld in de vorm van graffiti of groene aanslag, wordt geaccepteerd. De ambtelijke organisatie geeft ook aan dat de staat van het onderhoud aan omliggend straatwerk of groen in hun ogen losstaat van de staat van het onderhoud van de sport- en speelplekken. Het kan dus zijn dat er sport- en speelplekken zijn waarvan de toestellen en valondergronden op gebied van onderhoud in orde en veilig zijn, maar waarbij het omliggend groen en straatwerk achterloopt in het onderhoud. In de komende jaren komt er volgens betrokken ambtenaren een vervangingsgolf aan voor sport- en speelplekken in de gehele gemeente. Op basis van inspectiegegevens denkt men dat er rond 2027 een nieuwe piek voor de vervanging van de toestellen zal komen. Respondenten van onze enquête onder bewoners (n=733) zijn sterk verdeeld over de daadwerkelijke staat van het onderhoud.
Voor zowel de sportplekken als de speelplekken is er een groep van ongeveer een derde die het onderhoud ‘onvoldoende’, ‘slecht’ of ‘erg slecht’ vindt, maar er zijn ook grote groepen (speelplekken 44 procent, sportplekken 34 procent) die het onderhoud als ‘voldoende’, ‘goed’ of ‘fantastisch’ beoordelen. De informatievoorziening aan de raad verloopt via verschillende kanalen (jaarstukken, raadsinformatiebrieven en incidentele rapportages). De informatievoorziening specifiek over de staat van het onderhoud van de sport- en speelplekken, is beperkt. De informatie over 28
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Belangrijkste bevindingen daadwerkelijk gemaakte kosten is summier en geeft alleen een beeld over de overkoepelende assetcategorie ‘Straatmeubilair en speeltoestellen’, waar ook een aantal andere assetobjecten in zitten. Daarbij merken we op dat het onderhoud van de sport- en speelplekken financieel gezien een relatief klein deel van uitmaakt van de totale onderhoudskosten van de openbare ruimte. De Rapportage Stadsbehoud (2022) schetst een waarschuwend beeld van de staat van de openbare ruimte in het algemeen in relatie tot een beperkte financiering. Het is echter onduidelijk wat dit precies betekent voor het onderhoud van de sport- en speelplekken. Uit de rapportage blijkt dat het onderhoudsniveau ‘verzorgd’ niet te behalen is met de huidige budgetten. Voor veel maatregelen is volgens het college “nooit structureel budget toegekend, zoals voor regulier groot onderhoud van de speelvoorzieningen”. Uit een interne memo (2024) blijkt dat er nog steeds zorgen zijn over de financiering van het onderhoud van de openbare ruimte. In het vervolg van dit hoofdstuk beschrijven we onze bevindingen meer in detail.
2.1 Behaald onderhoudsniveau anno 2024 ligt volgens college op sober Volgens het Jaarverslag 2023 (d.d. april 2024) voldoen alle speeltoestellen en waterspeelplaatsen aan het gewenste beheerniveau (sober).49 Daarnaast zouden alle sport- en speeltoestellen voldoen aan de benodigde wettelijkexxvi veiligheidseisen. Volgens het college is vanwege “strenge wettelijke veiligheid en regelgeving” een hoger beheerniveau dan ‘sober’ vereist. Daarnaast schrijft het college dat er binnen de ambtelijke organisatie en bij aannemers personeelstekorten zijn, waardoor er minder kleinere speelprojecten zijn uitgevoerd, en dat bij drie speelprojecten groot onderhoud is uitgesteld naar 2024 vanwege “waterproblematiek bij de speelplekken”. 50 Volgens het college is er voor speelvoorzieningen [inclusief sportplekken, red.] geen sprake van achterstallig onderhoud.xxvii Dat betekent dat minder dan 10 procent van het areaal wordt beoordeeld op onderhoudsniveau ‘D/Verloedering’ (functieverlies, vuil).51 Hoewel het college met de Rapportage Stadsbehoud 2022 een alarmerend beeld schetste over de staat van het onderhoud (zie paragraaf 4.1.2), lijkt achterstallig onderhoud voor de sport- en speeltoestellen vooralsnog te worden voorkomen. Het college rapporteert niet in detail over het gerealiseerde onderhoudsniveau (i.e. percentages van het areaal op niveau A+, A, B, C en D).
Functionarissen van V&OR die verantwoordelijk zijn voor het monitoren van de staat en het programmeren van onderhoud bevestigen dat er geen sprake is van achterstallig onderhoud bij de sport- en speelplekken. Dat betekent volgens hen dat meer dan 99% van de toestellen en bijbehorende valondergronden veilig zijn. Eventuele oppervlakkige vervuiling, bijvoorbeeld in de vorm van graffiti of groene aanslag, wordt geaccepteerd. De ambtelijke organisatie geeft ook aan
xxvi xxvii
Volgend uit het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (de Was). Zie paragraaf 3.1.1 voor de definitie van achterstallig onderhoud.
29
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
dat de staat van het onderhoud aan omliggend straatwerk of groen in hun ogen losstaat van de staat van het onderhoud van de sport- en speelplekken. Het kan dus zijn dat er sport- en speelplekken zijn waarvan de toestellen en valondergronden op gebied van onderhoud in orde en veilig zijn, maar het omliggend groen en straatwerk achterloopt in het onderhoud. Functionarissen van Stadswerken vertellen dat de werkvoorraad voor wat betreft de sport- en speeltoestellen de afgelopen jaren stabiel is gebleven.52
Amsterdam hikt tegen grote vervangingsgolf aan Volgens de functionarissen van V&OR bevindt de gemeente Amsterdam zich momenteel tussen twee grote vervangingsgolven van sport- en speeltoestellen.53 Op basis van inspectiegegevens denkt men dat er rond 2027 een nieuwe piek voor de vervanging van de toestellen zal komen. Deze piek is mogelijk uit te spreiden over meerdere jaren, omdat de levensduur van een toestel of valondergrond in de praktijk opgerekt kan worden. Dat betekent dat de vervanging over meerdere jaren verdeeld kan worden, waardoor niet alle werkzaamheden (ook budgettair gezien) in 2027 moeten plaatsvinden.
2.1.1
Bewoners verdeeld over de staat van onderhoud
Om meer te weten te komen over hoe bewoners van de gemeente de sport- en speelplekken ervaren op het huidige onderhoudsniveau, hebben we een enquête uitgezet (zie ook de sectie ‘Enquête’ in de Onderzoeksverantwoording). We hebben bewoners onder andere gevraagd in hoeverre zij de openbare sport- en speelplekken in hun buurt goed onderhouden vinden. Hieruit kunnen we een beeld vormen van hoe bewoners het onderhoudsniveau inschatten. 733 respondenten hebben de enquête volledig ingevuld.xxviii Uit de enquête zijn de onderstaande resultaten naar voren gekomen.
Tevredenheid over het onderhoud van speelplekken Over de gehele stad vinden 32 procent van de respondenten (237 van de 733) het onderhoud van de speelplekken ‘onvoldoende’, ‘slecht’ of ‘erg slecht’ (zie figuur 2). Een groep van 24 procent (177) van de respondenten staat neutraal tegenover het onderhoud. 44 procent van de respondenten (319) vindt het onderhoud van de speelplekken ‘voldoende’, ‘goed’ of ‘fantastisch’. Daarmee is de mening van de respondenten over het onderhoud op gemeentelijk niveau overwegend positief. Dat neemt niet weg dat de meningen sterk uiteenlopen, en dat er dus ook veel mensen zijn die (zeer) negatief denken over de staat van het onderhoud van de speelplekken met het huidige onderhoudsniveau ‘sober’.
Van de 733 respondenten wonen er 233 in Weesp (waarschijnlijk door de aandacht van Weespernieuws), 109 in Oost, 99 in Zuid, 84 in West, 74 in Nieuw-West, 58 in Noord, 48 in Centrum en 39 in Zuidoost. xxviii
30
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 2 - Zijn de openbare speelplekken goed onderhouden? Gemeentelijk, n=733
Verschillende meningen op stadsdeelniveau over speelplekken In figuur 3 is weergegeven wat de respondenten per stadsdeel of -gebied vinden van het onderhoud van de speelplekken. De neutrale categorie is grijs gekleurd, waardoor de positieve en negatieve opvattingen goed te zien zijn. In alle stadsdelen zijn zowel positieve als negatieve opvattingen vertegenwoordigd over het onderhoud van speelplekken.xxix
Nota bene: de figuur moet niet gelezen worden als de mening van alle bewoners uit de betreffende stadsdelen, omdat de data niet voldoende representatief is. xxix
31
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 3 - Zijn de openbare speelplekken goed onderhouden? Per stadsdeel, n=733
Tevredenheid over het onderhoud van sportplekken Over de gehele stad vindt 33 procent van de respondenten (242 van de 733) het onderhoud van de sportplekken ‘onvoldoende’, ‘slecht’ of ‘erg slecht’ (figuur 4). Een groep van 33 procent (242 respondenten) staat neutraal tegenover het onderhoud van de sportplekken. De rest, ofwel 34 procent van de respondenten (249), vindt het onderhoud van de sportplekken ‘voldoende’, ‘goed’ of ‘fantastisch’. De opvatting van de respondenten is daarmee ongeveer even positief als negatief. In vergelijking met de speelplekken vinden de respondenten de sportplekken net wat minder
goed onderhouden. De categorie ‘neutraal’ is wel groter dan bij de speelplekken en de categorieën ‘voldoende’, ‘goed’ en ‘fantastisch’ zijn allemaal kleiner dan bij de categorie speelplekken.
32
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 4 - Zijn de openbare sportplekken goed onderhouden? Gemeentelijk, n=733
Verschillende meningen op stadsdeelniveau over sportplekken Figuur 5 geeft weer wat de respondenten per stadsdeel of -gebied vinden van het onderhoud van de sportplekken. Ook in deze figuur is het neutrale sentiment in het grijs weergegeven om de positieve en negatieve sentimenten overzichtelijker weer te geven. Opvallend zijn de negatieve opvattingen (hoge scores in ‘erg slecht’ tot ‘slecht’ en ‘onvoldoende’) van de respondenten in stadsdeel Centrum en stadsgebied Weesp. In de open antwoorden geven de respondenten uit Weesp en Centrum aan dat ze de sportplekken vies en oud vinden.xxx
Nota bene: de figuur moet niet gelezen worden als de mening van alle bewoners uit de betreffende stadsdelen, omdat de data niet voldoende representatief is. xxx
33
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 5 - Zijn de openbare sportplekken goed onderhouden? Per stadsdeel, n=73
2.2 Informatievoorziening aan de gemeenteraad In deze paragraaf gaan we dieper in op de rapportage aan de gemeenteraad over het beheer en onderhoud van de sport- en speelplekken en het behaalde onderhoudsniveau.
2.2.1
Summiere rapportages bij begroting en jaarverslag
Het college rapporteert over de staat van het onderhoud bij de begroting en het jaarverslag conform het BBV.54 De laatste begroting en het laatste jaarverslag ten tijde van het onderzoek (d.d. juni 2024) zijn de Begroting 2024 (d.d. september 2023) en het Jaarverslag 2023 (d.d. april 2024). Bij de begroting rapporteert het college over het gewenste onderhoudsniveau, het achterstallig onderhoud, en de begrote uitgaven voor het onderhoud. In het jaarverslag rapporteert het college over de gedane uitgaven. Het college rapporteert in beide stukken over verschillende categorieën kapitaalgoederen (assets). De sport- en speelplekken vallen onder de categorie ‘straatmeubilair en speeltoestellen’. 34
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Onder deze categorie vallen naast de 8.108 sport- en speeltoestellen ook meer dan 320.000 andere objecten in de openbare ruimte, waaronder straatmeubilair, fietsrekken, bebording, stroomkasten, geleiderails, kunstobjecten en fonteinen.55 Het detailniveau in de financiële gedeelten van de begrotingen en jaarrekeningen is dus zodanig dat de gemeenteraad weinig zicht heeft op de staat van de verschillende individuele subcategorieën, waaronder sport- en speelplekken. Zowel de Begroting 2024 als het Jaarverslag 2023 geeft wel enkele toelichtingen op de ontwikkelingen rond sport- en speelplekken, in het bijzonder over voorzien onderhoud aan de waterspeelplaatsen. Daarnaast schrijft het college in de Begroting 2024 dat het in 2024 groot onderhoud zal verrichten aan ongeveer 450 speeltoestellen.
2.2.2
Rapportages programma Stadsbehoud waarschuwen voor financiële tekorten onderhoud
Het college rapporteert sinds 2019 ook over de staat van het onderhoud met het programma Stadsbehoud.56 Dit is een zeer uitgebreide en inhoudelijke rapportage over het beheer en onderhoud van de openbare ruimte. Een groot deel van de rapportage gaat wel over het onderhoud van de openbare ruimte in het algemeen, en is niet per se van toepassing op het onderhoud van de sport- en speelplekken. In de Rapportage Stadsbehoud 2022 schrijft het college dat het onderhoud en beheer van de openbare ruimte onvoldoende gefinancierd is:
“Als het onderhoud en beheer onvoldoende gefinancierd blijft om de openbare ruimte op het minimale acceptabele niveau te houden, zijn zeer grote uitgaven nodig bovenop de begroting om bestaand en toekomstig achterstallig onderhoud te corrigeren […] Als de grote structurele tekorten voor beheer en onderhoud blijven bestaan, zal de Amsterdammer al in deze bestuursperiode last hebben van een forse achteruitgang van de kwaliteit en beschikbaarheid van de openbare ruimte.”57 Het college geeft ook aan dat het niet aanpakken van de huidige problemen zal zorgen voor een exponentieel stijgende druk op de begroting in de toekomst.58 Maar het gebrek aan financiële middelen niet het enige probleem, schrijft het college in 2022.
Er zijn ook personeelstekorten en een lage beschikbaarheid van materialen.59 Specifiek voor speelvoorzieningen geeft het college aan dat assets uit functie moeten worden genomen als de begroting voor beheer en onderhoud niet wordt opgehoogd.60 Voor veel maatregelen is volgens het college “nooit structureel budget toegekend, zoals voor regulier groot onderhoud van de speelvoorzieningen”.61 Bij de Begroting 2023 is besloten om extra geld uit te geven aan het beheer en onderhoud: € 80 miljoen incidenteel verdeeld over de periode 2023-2026 en vanaf 2026 jaarlijks € 20 miljoen voor het onderhoud van de gehele openbare ruimte.62 Of hiermee de problemen worden voorkomen die in de Rapportage Stadsbehoud 2022 worden geschetst is niet uit de stukken te herleiden. De Rapportage Stadsbehoud 2022 gaat voor het groot onderhoud, vervanging en dagelijks onderhoud in op de normkosten, de begroting, het programma en de realisatie van de overkoepelende categorie ‘straatmeubilair en speelvoorzieningen’. De informatiewaarde van het stuk specifiek voor sport- en speelplekken is daarmee beperkt. 35
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Volgens de ambtelijke organisatie is de rapportage stadsbehoud in 2023 vervallen en zal er dus geen nieuwe rapportage in dezelfde stijl komen.63 Daarmee is er voorlopig geen uitgebreide informatie meer voor de gemeenteraad en de burger over de staat van het onderhoud van de stad, behoudens de beperktere informatie in de begrotingen en jaarverslagen. Er zou volgens de ambtelijke organisatie worden gestreefd naar een nieuwe samenhangende rapportage in begin 2025.
2.2.3
Informatievoorziening via raadsinformatiebrieven
De raad is in de periode 2023 tot juni 2024 één keer via raadsinformatiebrieven geïnformeerd over het onderhoud van de sport- en speelplekken. Het college heeft op 11 mei 2023 aangegeven dat het door de hele stad jaarlijks veertig sport- en speelplekken wil aanleggen of op bestaande locaties wil opwaarderen (‘Impuls sport en spelen in de openbare ruimte’).64 Het college schrijft dat hieraan het ‘impulsbudget Sporten en Spelen’ is gekoppeld, waarvoor in 2024 incidenteel € 2 miljoen is gereserveerd (zie ook paragraaf 3.1.4).65 In de jaren 2022 en 2023 ging het in totaal om € 2,6 miljoen. De raad is in de periode 2023 tot juni 2024 verder niet via brief geïnformeerd over het gerealiseerde onderhoudsniveau of ander onderhoud van de sport- en speelplekken.
2.2.4
Informatievoorziening over de kosten
Het college legt in de jaarverslagen verantwoording af over de daadwerkelijk gemaakte kosten over het afgelopen financiële jaar. Net als bij de begroting zijn de kosten voor het onderhoud van assets zoals sport- en speelplekken opgenomen in de paragraaf ‘onderhoud kapitaalgoederen’. Om een beeld te krijgen van hoe er wordt gerapporteerd over de kosten in het kader van de sport- en speelplekken hebben we het Jaarverslag 2023 bekeken. Uit het jaarverslag blijkt dat er in 2023 in totaal € 12,6 miljoen is uitgegeven aan het onderhoud van de assetcategorie ‘straatmeubilair en speeltoestellen’.66 Er is sprake van een overschrijding van het budget van € 1,6 miljoen ten opzichte van de Najaarsnota 2023. De gemeente geeft minder uit dan de genormeerde kosten (€ 19,5 miljoen).67 Het Jaarverslag 2023 geeft geen inzicht in de besteding ten opzichte van de Begroting. Bij naslag van de Begroting 2023 blijkt er een overschrijding te zijn van € 1,4 miljoen68 In de toelichting geeft het college aan dat er minder kleine speelplekken zijn uitgevoerd als gevolg van capaciteitsproblemen, en dat het groot onderhoud bij drie waterspeelplekken wordt doorgeschoven naar het volgende jaar. Deze verklaring is opvallend omdat het eerder past bij onderschrijding dan overschrijding van het begrote budget.
In de sectie over de realisatie van het programma ‘Beheer en onderhoud openbare ruimte’ schrijft het college enkel dat de speeltoestellen aan het beheerniveau (‘sober’) voldoen. In de financiële toelichting schrijft het college dat er lagere lasten (€ 0,7 miljoen) zijn voor de assetcategorie ‘Straatmeubilair en speeltoestellen’ als gevolg van capaciteitstekort en offertediscussies. Hierdoor zijn niet alle geplande werkzaamheden uitgevoerd. Verder merken we op dat het door het samenvoegen van sport- en speelplekken met het straatmeubilair (e.g. banken, fonteinen en stroomkasten) en tunnels, er geen informatievoorziening naar de gemeenteraad is over de kosten van het onderhoud en beheer van sport- en speelplekken.
36
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Informatievoorziening over de impulsbudgetten In het Jaarverslag 2023 schrijft het college dat er zeven speelplekken zijn opgeleverd die gefinancierd zijn door middel van de impulsbudgetten (zie ook paragraaf 3.1.3).69 Dit waren volgens het college de eerste opleveringen uit de € 2 miljoen impulsbudget voor het verbeteren of nieuw aanleggen van 39 buitenspeelplekken. In de raadsinformatiebrieven geeft het college vooralsnog geen informatie over de gemaakte kosten en realisatie van speelplekken vanuit de impulsbudgetten. Uit een interne rapportage uit 2024 blijkt dat er zorgen zijn over de financiering van het onderhoud van de openbare ruimte (zie kader).
Interne rapportage (2024) uit zorgen over de financiering van het onderhoud van de openbare ruimte Uit een interne memo over de staat van het onderhoud (2024) blijkt dat over de gehele linie gezien er onvoldoende ruimte is om het stedelijk beheer (structureel) op orde te krijgen, ondanks dat Amsterdam op het laagst mogelijke niveau (‘sober’) onderhouden wordt.70 De ambtelijke organisatie geeft aan dat de belangrijkste reden hiervoor is dat de verschuiving van middelen van het programma Stadsverbetering naar Stadsbehoud niet heeft geleid tot structurele uitbreiding van de middelen voor het programma Stadsbehoud (waarom niet wordt niet toegelicht). Volgens de ambtelijke organisatie (25 oktober 2024) komen incidentele middelen van Stadsbehoud te vervallen, waar structureel werk mee werd betaald. De overdracht van structurele én incidentele middelen vanuit Stadsverbetering, hebben het aflopen van die incidentele middelen niet kunnen compenseren. Er zou wel sprake zijn van een structurele stijging van de middelen (€ 20 miljoen), maar het structurele budget is volgens de ambtelijke organisatie nog steeds te klein voor de volledige opgave. Per saldo is er minder geld beschikbaar voor Stadsbehoud en kan er met dit budget minder gedaan.
3
Verdeling van de openbare sport- en speelplekken In dit hoofdstuk behandelen we de volgende deelvraag:
Wat valt op bij de verdeling van sport- en speelplekken in de openbare ruimte? Om deze deelvraag te beantwoorden hebben we voornamelijk gebruikgemaakt van assetdata uit het gemeentelijke assetmanagementsysteem. Wij hebben deze data verwerkt tot statistieken en kaarten. De belangrijkste bevindingen zijn: Belangrijkste bevindingen Er zijn 1.664 openbare speelplekken en 814 openbare sportplekken in beheer van de gemeente Amsterdam. In totaal gaat het om 8.108 toestellen. Het aantal openbare speelplekken varieert per stadsdeel van vijftien tot acht speelplekken per 1.000 kinderen: Noord 15, Zuidoost 15, Nieuw-West 11, Oost 11, Centrum 10, Weesp 10, Zuid 9, West 8. De top drie zijn tegelijk de stadsdelen waar het gemeentebestuur het meest in wil 37
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Belangrijkste bevindingen investeren met de ‘impuls sporten en spelen in de openbare ruimte’. De respondenten van onze enquête die in Weesp wonen (n=233) zijn het minst tevreden over het aanbod van speelplekken. Veel respondenten uit Weesp noemen een beperkt aanbod van speelplekken voor oudere kinderen. Het valt op dat 18 procent (77 van de 441) van de bewoonde buurten (>100 inwoners) in de gemeente Amsterdam geen openbare speelplekken heeft. Per bewoonde buurt verschilt het aanbod van openbare speelplekken.xxxi De openbare speelplekken concentreren zich met name in nieuwere delen en de randen van de gemeente. Ook wanneer we de verhouding speelplekken per kind per buurt vergelijken zien we verschillen: het aantal openbare speelplekken per kind per bewoonde buurt is relatief laag in delen van Centrum, Oud-Zuid en West. Het aanbod van de openbare sportplekken bestaat voornamelijk uit voetbalxxxii (30 procent), tafeltennis (19 procent), fitness & calisthenics (18 procent), basketbal (15 procent) en skate (8 procent). Er is een grote variëteit aan sporten die bij de openbare sportplekken beoefend kunnen worden, al moet de liefhebber van sommige sporten wel zoeken, omdat deze minder voorkomen. Het aantal openbare sportplekken varieert per stadsdeel in absoluut aantal van 171 (NieuwWest) tot 26 (Weesp).
Het aantal sportplekken varieert van 15 tot 4 sportplekken per 10.000 inwoners: Noord: 15, Zuidoost: 12, Nieuw-West: 10, Weesp: 10, Oost: 9, Zuid: 6, West: 5, Centrum: 4. Ook hier zijn de top drie de stadsdelen waar de gemeente het meest in wil investeren. De respondenten van onze enquête uit Weesp zijn vergeleken met andere respondenten ontevreden over het aanbod van openbare sportplekken. 151 van de 441 (34 procent) bewoonde buurten in de gemeente Amsterdam hebben geen openbare sportplekken. Het aantal sportplekken per buurt varieert ook sterk wanneer we kijken naar het aantal sportplekken per 100 inwoners (van 0 sportplekken per 100 inwoners tot bijna 2 sportplekken per 100 inwoners. Daarbij merken we wel op dat ook omliggende buurten profijt kunnen hebben van een buurt met een hoog aantal sportplekken per inwoner, omdat buurten geografisch gezien meestal niet heel groot zijn. Het gemiddelde aantal sportplekken per bewoonde buurt is 0,1, mede omdat 151 bewoonde buurten geen sportplekken hebben.
3.1 Hoeveel openbare sport- en speelplekken zijn er? Amsterdam heeft via het assetmanagementsysteem van V&OR en Stadswerken goed zicht op waar de speelplekken zijn. Dat komt doordat speelplekken als zodanig zijn gedefinieerd in het
Daarbij merken we wel op dat sommige buurten zonder openbare sport- of speelplekken dichtbij kunnen liggen van buurten of parken die wel openbare sport- of speelplekken hebben, en dat er sport- en speelplekken kunnen zijn die niet in beheer zijn van de gemeente, maar van bijvoorbeeld een school. xxxii Inclusief andere doelsporten zoals handbal of hockey. xxxi
38
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
systeem. Daardoor zijn ze gemakkelijk te tellen en op een kaart te tekenen. Hieruit komt een totaal van 1.664 speelplekken naar voren. Voor sportplekken zit dat anders. Deze zijn niet in het systeem als zodanig aangemerkt. We hebben daarom een overzicht van sportplekken herleid op basis van assetlijsten met daarin alle sport- en speeltoestellen. Zo komen we uit op een totaal van 814 sportplekken (zie de sectie ‘Herleiden van sportplekken uit assetdata’ in de Onderzoeksverantwoording voor meer informatie hoe we tot dit getal gekomen zijn). De aantallen zeggen in principe niets over de kwaliteit van de sport- of speelplek (bijvoorbeeld grootte, voor welke leeftijd, enzovoort). Overigens zijn beide aantallen niet zonder meer bij elkaar op te tellen, omdat op een speelplek soms ook gesport kan worden en andersom. In totaal gaat het om 8.108 toestellen. In de volgende twee paragrafen kijken we naar de verspreiding van speelplekken en sportplekken over de gemeente.
3.2 Verspreiding van openbare speelplekken Figuur 6 laat de locaties van de openbare speelplekken in de gemeente Amsterdam zien. xxxiii Op het eerste gezicht lijken de speelplekken redelijk evenwichtig verdeeld over de gemeente, met uitzondering van de grachtengordel, Oud-Zuid, de bedrijventerreinen en landbouwgebieden. Ook valt op dat één van de speelplekken in Amsterdams beheer in de gemeente Amstelveen ligt. De kaart kan in detail bekeken worden door erop te klikken. De interactieve kaart opent dan in de browser.
xxxiii
In beheer van de gemeente Amsterdam. Locaties op privaat terrein staan niet op de kaart.
39
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 6 - Locaties van openbare speelplekken, n=1.664
Data: Gemeente Amsterdam, bewerkt door de Rekenkamer Amsterdam. U kunt de achterliggende data downloaden via deze link.
3.2.1
Nabijheid van openbare speelplekken
Er is geen gemeentelijke norm voor de nabijheid van openbare speelplekken. We hebben daarom gekozen voor de maatstaf van 200 meter loopafstand, omdat dit voor een kind een zelfstandig bereikbare afstand is van huis. Volgens een functionaris in de ambtelijke organisatie is dit een gebruikelijke norm is in het werkveld en in onderzoek aangehaalde richtlijnen bij ruimtelijke inpassing. De gemeente Utrecht kiest bijvoorbeeld voor een speelplek binnen 200 meter van iedere woning, omdat elk kind onder de 12 jaar volgens Utrecht toegang moet hebben tot een speelruimte.71 Uit onderzoek van het Mulier Instituut (2021) blijkt dat te weinig (veilige en goed onderhouden) speelplekken de kans op veel buitenspelenxxxiv bij kinderen verkleint.72 De onderstaande kaart (figuur 7) geeft alle speelplekken aan (geelgroen), inclusief de zones waarbinnen een speelplek binnen 200 meter loopafstand is (rood). De kaart laat zien dat er op verschillende plekken in de gemeente geen speelplek binnen 200 meter loopafstand is. De kaart kan in detail bekeken worden door erop te klikken. De interactieve kaart opent dan in de browser.
xxxiv
Zes of zeven dagen per week minimaal een uur buitenspelen.
40
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 7 - Kaart ‘waar is een openbare speelplek binnen 200 m loopbereik?’
Bron: Gemeente Amsterdam, bewerkt door de Rekenkamer Amsterdam. De speelplekdata zijn beschikbaar via deze link en de geografische data (inclusief 200 meter loopafstand) is beschikbaar via deze link.
3.2.2
Aantal openbare speelplekken per stadsdeel
In figuren 8 en 9 is het aantal speelplekken per stadsdeel weergegeven, geordend van hoog naar laag. Figuur 8 toont het aantal speelplekken per stadsdeel (het absolute aantal). Figuur 9 laat het aantal speelplekken per stadsdeel per 1000 kinderen zien. Het aantal speelplekken varieert per stadsdeel van 15 tot 8 speelplekken per 1000 kinderen. Uit de figuren blijkt dat de oudere delen van de gemeente (Centrum, West, Zuid, Weesp en Oost) het minste aantal speelplekken per 1000 kinderen hebben. Dat is niet verrassend, omdat deze gebieden vaak grotendeels zijn gebouwd in de tijd voordat speelplekken een belangrijk element werden in gemeentelijke gebiedsontwikkeling, en omdat deze gebieden relatief dichtbebouwd zijn. Wat opvalt, is dat stadsgebied Weesp in absolute zin de minste speelplekken heeft, en per 1000 kinderen op de op twee na laagste plek staat. Noord, Nieuw-West en Zuidoost scoren zowel in absolute zin als per 1.000 kinderen hoog.
41
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 8 - Aantal openbare speelplekken (absoluut), n=1.664
Figuur 9 - Aantal openbare speelplekken per 1.000 inwonende kinderen (0-17 jaar)
Bovenstaande data zijn ook interessant om te vergelijken met de perceptie van bewoners van het stadsdeel. We hebben in onze enquête bewoners gevraagd of er genoeg aanbod is van openbare sportplekken. In figuur 10 zijn de resultaten per stadsdeel weergegeven. Daarbij valt op dat de respondenten uit Weesp relatief gezien negatiever antwoorden op de vraag of er voldoende speelplekken zijn. Uit de open antwoorden blijkt dat de ondervraagde inwoners van Weesp een zeer laag aanbod van speelplekken voor kinderen van boven de 8 jaar oud ervaren. In de open antwoorden geven veel respondenten aan dat het huidige aanbod niet uitdagend genoeg zou zijn voor oudere kinderen. Daarbij komt dat in Weesp veel kinderen wonen in vergelijking met andere
42
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
stadsdelen. Hierdoor is het aanbod per kind mogelijk minder.xxxv Ook valt op dat respondenten uit het Centrum overwegend positief staan tegenover het aanbod. Dit valt wellicht gedeeltelijk te verklaren doordat er in Centrum weinig kinderen wonen in vergelijking met andere stadsdelen.
Figuur 10 - Is er genoeg aanbod van openbare speelplekken?xxxvi Per stadsdeel, n=733
In Weesp is 23 procent van de bevolking in de leeftijdscategorie 0-17. Noord: 20 procent, Nieuw-West: 19 procent, West: 13 procent, Zuid: 14 procent, Oost: 14 procent, Zuidoost: 18 procent, Centrum: 9 procent. Bron: Gemeente Amsterdam, BBGA. xxxvi Nota bene: de figuur moet niet gelezen worden als de mening van alle bewoners uit de betreffende stadsdelen, omdat de data niet voldoende representatief is. xxxv
43
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
3.2.3
Aantal openbare speelplekken per buurt
Om meer gedetailleerdere inzichten te krijgen, hebben we ook gekeken naar het aantal openbare speelplekken per buurt. Uit onze analyse blijkt dat 18 procent (77 van de 441) van de bewoondexxxvii buurten in de gemeente Amsterdam geen openbare speelplekken heeft. Daarbij merken we wel op dat sommige buurten zonder speelplekken dichtbij kunnen liggen van buurten of parken die wel openbare sport- of speelplekken hebben, en dat er speelplekken kunnen zijn die niet in beheer zijn van de gemeente, maar van bijvoorbeeld een school. Een functionaris in de ambtelijke organisatie heeft aangegeven dat er idealiter een kleine speelplek in de buurt is voor de allerkleinsten.73 Amsterdam hanteert bij ontwikkeling van nieuwe woongebieden de formele richtlijn van één speelplek per buurt of één speelplek per 300 woningen.74 We zijn nagegaan of deze richtlijnen overal in de gemeente gehaald worden. Het is belangrijk om te benadrukken dat deze richtlijnen in principe alleen gelden voor nieuwe woongebieden (gebiedsontwikkeling). Voor een relatief nieuw gebied zoals IJburg geldt dat de richtlijnen grotendeels gehaald worden (ziet voetnoot voor meer informatie).xxxviii
Aantal speelplekken per bewoonde buurt Wanneer we de richtlijn van één speelplek per buurt over alle bewoonde buurten toepassen, voldoet 83 procent van de bewoonde buurten (364 van de 441) aan de richtlijn van één speelplek per buurt. Om het aantal speelplekken per buurt te visualiseren hebben we onderstaande kaart gemaakt (figuur 11). De bewoonde buurten zonder openbare speelplekken zijn op de kaart oranje gekleurd. Ook op deze kaart is te zien dat de buurten met de minste speelplekken (oranje en lichtblauw) zich voornamelijk in de oudere delen van de gemeente bevinden. De buurten in de omranding van de stad tellen over het algemeen meer speelplekken. Op de interactieve kaart (te openen door op de figuur te klikken) is per buurt het aantal inwoners en het aantal kinderen, en het aantal speelplekken te zien.
Een buurt met meer dan 100 inwoners (2024). Er zijn 518 buurten in Amsterdam. Bron: Gemeente Amsterdam, BBGA. xxxviii Van de twaalf buurten op IJburg heeft Rieteiland-Oost één speelplek. De buurten Baaibuurt-West en Oost zijn nog in ontwikkeling en kennen nog geen speelplekken. De overige buurten hebben drie speelplekken of meer. De Sportheldenbuurt spant de IJburgse kroon met elf speelplekken. Drie van de buurten met drie of meer speelplekken voldoen vanwege het grote aantal woningen (net) niet aan de richtlijn van één speelplek per 300 woningen (Jorens Ivenspleinbuurt: 0,83 speelplek per 300 woningen, Havenkwartier IJburg: 0,82, Theo van Goghparkbuurt: 0,95). xxxvii
44
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 11 - Aantal openbare speelplekken per bewoonde buurt
Bron: Gemeente Amsterdam, bewerkt door de Rekenkamer Amsterdam. De achterliggende data zijn beschikbaar via deze link.
Aantal speelplekken per buurt per 300 woningen Verder zijn we nagegaan in hoeverre de richtlijn van één speelplek per 300 woningen voor nieuwe buurten gehaald wordt in de rest van de gemeente. Er zijn in Amsterdam 372 bewoonde buurten met ook meer dan 300 geregistreerde woningen.xxxix Hiervan heeft 38 procent (141 van de 372) meer dan één speelplek per 300 woningen. 62 procent van de bewoonde buurten met meer dan 300 geregistreerde woningen (231 van de 372) voldoet dus niet aan de richtlijn voor nieuwe woonbuurten. Op de onderstaande kaart (figuur 12) zijn de gebieden met minder dan één speelplek per 300 woningen oranje gekleurd. Het valt op dat een aantal van de relatief nieuwe buurten in IJburg niet aan de norm voldoet. Op de interactieve kaart is per buurt het aantal speelplekken, het aantal woningen en het aantal speelplekken per 300 woningen te zien.
Stand BAG 2024. Wellicht is het verschil in aantal bewoonde buurten (441 buurten) en het aantal bewoonde buurten met meer dan 300 geregistreerde woningen (372 buurten) te verklaren door achterstanden in de BAG-gegevens. Bron: Gemeente Amsterdam, BBGA. xxxix
45
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 12 - Aantal openbare speelplekken per 300 woningen in bewoonde buurten met meer dan 300 woningen
Bron: Gemeente Amsterdam, bewerkt door de Rekenkamer Amsterdam. De achterliggende data zijn beschikbaar via deze link.
Aantal speelplekken per buurt per kind Als laatste hebben we gekeken naar het aantal speelplekken relatief aan het aantal kinderen dat in de buurt woont. Het aantal speelplekken per kind (0-17) per bewoonde buurt is op de onderstaande kaart (figuur 13) weergegeven. Op de kaart is te zien waar relatief veel (donkerder) en relatief weinig (lichter) speelplekken zijn ten opzichte van het aantal kinderen.xl Het aantal speelplekken is niet overal evenwichtig verdeeld (veel verschillende tonen van blauw). Het aantal openbare speelplekken per kind per bewoonde buurt is relatief laag in delen van Centrum, OudZuid en West. In sommige buurten wonen relatief weinig kinderen (bijvoorbeeld Holysloot: 2 speelplekken en 57 kinderen), waardoor deze donkerblauw kleuren. Op de interactieve kaart is het aantal kinderen en het aantal speelplekken voor elke buurt weergegeven.
xl
Het aantal speelplekken gedeeld door het aantal kinderen.
46
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 13 - Aantal openbare speelplekken per kind (0-17) per bewoonde buurt
Bron: Gemeente Amsterdam, bewerkt door de Rekenkamer Amsterdam. De achterliggende data zijn beschikbaar via deze link.
3.3 Verspreiding van openbare sportplekken De onderstaande kaart (figuur 14) laat de locaties zien van de sportplekken in de gemeente Amsterdam.xli Op de interactieve kaart is ook te zien welke sporten op de sportplekken beoefend kunnen worden. Hoewel er minder sportplekken zijn dan speelplekken, lijken de sportplekken op het eerste gezicht redelijk evenwichtig verdeeld. In elk stadsdeel zijn er namelijk sportplekken, en deze zijn redelijk gelijk verspreid over de gebieden waar veel mensen wonen.
xli
In beheer van de gemeente Amsterdam. Locaties op privaat terrein staan niet op de kaart.
47
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 14 - Locaties van openbare sportplekken, n=814
Data: Gemeente Amsterdam, bewerkt door de Rekenkamer Amsterdam. U kunt de achterliggende data downloaden via deze link.
3.3.1
Verdeling van sporten in soort
Figuur 15 laat zien dat voetbal met 30 procent van de sportplekken verreweg de meest voorkomende sport is die bij een sportplek beoefend kan worden. Een voetbalveldje kan in de meeste gevallen echter ook gebruikt worden voor andere sporten waarbij een doel nodig is, zoals handbal en hockey. Na voetbal volgen tafeltennis (19 procent), fitness & calisthenics (18 procent), basketbal (15 procent), skate (8 procent) en een reeks andere sporten (zie figuur). Het valt ons op dat het aanbod niet bijzonder evenwichtig is verdeeld. Bijna 90 procent van het aanbod bestaat uit vijf sporten (of iets meer als je bij voetbal ook sporten als hockey en handbal meeneemt). Tegelijk is er een grote variëteit aan sporten die bij de openbare sportplekken beoefend kunnen worden. Voor sommige sporten, zoals korfbal en volleybal, moet de liefhebber wel zoeken, omdat deze minder voorkomen.
48
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 15 - Verdeling van soorten sporten over de openbare sportplekken in de hele gemeente, n=1678
Bij de 814 sportplekken is vaak meer dan één sport te beoefenen, waardoor het totaal aantal waargenomen sporten op 1678 uitkomt (n=1678).
3.3.2
Aantal openbare sportplekken per stadsdeel
Figuren 16 en 17 geven het aantal openbare sportplekken per stadsdeel weer, geordend van hoog naar laag. In figuur 16 is het aantal sportplekken per stadsdeel te zien (het absolute aantal). Het aantal openbare sportplekken varieert van 171 (Nieuw-West) tot 26 (Weesp). Figuur 17 toont het aantal sportplekken per stadsdeel per 10.000 inwoners. Net als bij de speelplekken blijkt dat de oudste delen van de stad (Centrum, Weesp, West, Zuid en Oost) het minste aantal sportplekken per 10.000 inwoners hebben. En net als bij de speelplekken schuift Weesp weer van de laatste plek in absolute aantallen naar een hogere rang (vierde plek) bij correctie voor het aantal bewoners. Dat betekent dat Weesp ondanks het lage aantal sportplekken in absolute zin er beter voorstaat als we kijken naar het aantal sportplekken per 10.000 inwoners. Tot slot valt op dat de stadsdelen waar het college de komende jaren het meest wil investeren in sport- en speelplekken om de beweegdeelname te vergroten (Noord, Nieuw-West en Zuidoost), in relatieve aantallen al de meeste sportplekken hebben. Bij de speelplekken scoorden deze stadsdelen ook relatief hoog.
49
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 16 - Aantal openbare sportplekken (absoluut), n=814
Figuur 17 - Aantal openbare sportplekken per 10.000 inwoners
Bovenstaande data zijn ook interessant om te vergelijken met de perceptie van bewoners van het stadsdeel. We hebben in onze enquête bewoners gevraagd of er genoeg aanbod is van openbare sportplekken. In figuur 18 zijn de resultaten per stadsdeel weergegeven. Het valt op dat de ondervraagde Weespers relatief gezien negatiever zijn over de vraag of er voldoende aanbod is, terwijl Weesp niet laag scoort in het aantal sportplekken per 10.000 inwoners (figuur 17). Mogelijk heeft dit te maken met het sentiment dat er te weinig aanbod is voor oudere kinderen en jongvolwassenen en het relatief hogere percentage achterstallig onderhoud. In Nieuw-West zijn er per 10.000 inwoners ook relatief veel sportplekken en ervaren de respondenten het aanbod
50
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
redelijk negatief. In de open antwoorden noemen enkele respondenten uit Nieuw-West dat het aanbod vaak vies en niet altijd uitdagend genoeg is.xlii
Figuur 18 - Is er genoeg aanbod van openbare sportplekken? Per stadsdeel, n=733
3.3.3
Aantal openbare sportplekken per buurt
Om een gedetailleerder beeld te krijgen hebben we ook het aantal openbare sportplekken per bewoonde buurt in kaart gebracht. Uit onze analyse blijkt dat 34 procent (151 van de 441)
Nota bene: de figuur moet niet gelezen worden als de mening van alle bewoners uit de betreffende stadsdelen, omdat de data niet voldoende representatief is. xlii
51
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
bewoondexliii buurten in de gemeente Amsterdam geen openbare sportplekken hebben. Via deze link kunt u het aantal openbare sportplekken per buurt bekijken. Daarbij merken we wel op dat sommige buurten zonder openbare sport dichtbij kunnen liggen van buurten of parken die wel openbare sportplekken hebben, en dat er sportplekken kunnen zijn die niet in beheer zijn van de gemeente, maar van bijvoorbeeld een vereniging. Er zijn net als bij de speelplekken geen gemeentelijke normen voor de nabijheid van openbare sportplekken in de buurt, maar er is wel een richtlijn voor de ontwikkeling van nieuwe woonbuurten. Deze richtlijn betreft 1m2 openbare sportplek per woning.75 We hebben deze richtlijn echter niet kunnen testen door gebrek aan data over het totale woningoppervlak per buurt.
Aantal openbare sportplekken per inwoner Het aantal sportplekken per bewoonde buurt, relatief naar het aantal inwoners in de buurt (per 100 inwoners) is op de onderstaande kaart weergegeven (figuur 19). Hoe donkerder het vlak, hoe meer sportplekken per 100 inwoners. Het gemiddelde aantal sportplekken per bewoonde buurt is 0,1. Sommige vlakken zijn donker omdat die buurt weinig inwoners heeft, bijvoorbeeld het Oosterpark (104 inwoners, twee sportplekken). Andere vlakken zijn donker omdat er relatief veel speelplekken zijn. De kaart laat verder zien dat het aantal openbare sportplekken niet overal evenwichtig is verdeeld naar het aantal inwoners per buurt. Het aantal speelplekken per buurt per inwoner is hoger aan de buitenranden van de gemeente. Verder zullen aanliggende buurten ook profijt hebben van buurten met een hoger aantal speelplekken. Op de interactieve kaart is per buurt het aantal inwoners en het aantal sportplekken per 100 inwoners weergegeven.
Een buurt met meer dan 100 inwoners (2024). Er zijn 518 buurten in Amsterdam; bron: Gemeente Amsterdam, BBGA. xliii
52
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 19 – Aantal openbare sportplekken per buurt, per 100 inwoners
Data: Gemeente Amsterdam, bewerkt door de Rekenkamer Amsterdam. U kunt de achterliggende data downloaden via deze link.
53
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Onderzoeksverantwoording Welke sport- en speelplekken hebben we onderzocht? De 8.108 sport- en speeltoestellen in de openbare ruimte van Amsterdam waarop dit onderzoek zich richt, betreft uitsluitend de objecten de Amsterdamse openbare ruimte. Dit zijn dus niet alle speelvoorzieningen die de gemeente Amsterdam rijk is. Voorzieningen die hier bijvoorbeeld niet onder vallen zijn toestellen die beheerd worden door speeltuinverengingen, sportverenigingen, volkstuinverenigingen, VVE’s, en sommige schoolpleinen die in beheer van de school zelf zijn.
Enquête Om meer te weten te komen over hoe bewoners het onderhoud en het aanbod van de sport- en speelplekken ervaren, hebben we een enquête uitgezet. De enquête is naar buiten gebracht via de nieuwswebsite van de gemeente Amsterdam en is gedeeld met ons burgerpanel. Verder is de enquête opgepikt en onder de aandacht gebracht door krant en nieuwswebsite Weespernieuws. 733 respondenten hebben de enquête volledig ingevuld: 260 via het burgerpanel (een respons van 25 procent) en 473 via de nieuwswebsite van de gemeente Amsterdam of Weespernieuws. Figuur 20 geeft het aantal respondenten weer per stadsdeel of -gebied. Het grootste deel van de respondenten woont in Weesp, namelijk 32 procent. 15 procent woont in Oost, 12 procent in Zuid, 11 procent in West, 10 procent in Nieuw-West, 8 procent in Noord, 7 procent in Centrum en ten slotte 5 procent in Zuidoost. Gelet op de respons is de mening van de respondenten niet representatief voor alle inwoners van de gemeente Amsterdam. We kunnen op basis van de resultaten van de enquête geen generaliserende uitspraken doen over wat bewoners vinden. Doordat we geen aselecte steekproef hebben kunnen trekken van bewoners, is er wellicht sprake van een zogenaamd selectie-effect. Bovendien hebben we om de enquête laagdrempelig te houden, niet naar persoonskenmerken gevraagd.
We weten daarom niet in hoeverre de respondenten op basis van persoonskenmerken een representatieve afspiegeling vormen van de Amsterdamse bevolking. De respons is echter wel zo hoog dat we enkele betekenisvolle inzichten kunnen afleiden uit de antwoorden, zeker waar het de variatie in meningen betreft.
54
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Figuur 20 - Aantal respondenten per stadsdeel of -gebied, n=733
Herleiden van sportplekken uit assetdata Het herleiden van de sportplekken uit de assetdata ging als volgt. Allereerst hebben we alle sportgerelateerde objecten in de assetdata gevonden. De assetdata bevat al een aantal categorieën assets (‘objectgroepen’) die exclusief sportgerelateerd zijn, maar overige objectgroepen bevatten ook sportgerelateerde objecten. De overige sportgerelateerde objecten hebben we gevonden door te zoeken in de naam van het object met een lijst van sportgerelateerde zoektermen.xliv Hieruit kwamen 2.194 sportgerelateerde objecten naar voren. Vervolgens hebben we de sportgerelateerde objecten gecategoriseerd op basis van objectgroep en sleutelwoorden in de naam van het object. Op basis van een deels geautomatiseerde en deels manuele verkenning van de data kwamen we op de categorieën: fitness en calisthenics, tafeltennis, voetbal, volleybal, korfbal, tennis, basketbal, skate, jeu de boules, schaak, en overig. Objecten zijn soms toegewezen op basis van de ‘objectgroep’, die al in het systeem zat (bijvoorbeeld zijn alle objecten in de groep ‘skatevoorzieningen’ toegewezen aan de categorie ‘skate’). Meestal zijn de objecten echter toegewezen op basis van sleutelwoorden in de naam. Zo werden bijvoorbeeld alle objecten met woorden als ‘Cruyff’ en ‘panna’ toegewezen aan de categorie voetbal.
Tot slot hebben we nog een slag moeten maken om de 2.194 sportgerelateerde objecten te aggregeren naar sportplekken. Een sportplek kan namelijk meerdere objecten uit meerdere categorieën bevatten. We hebben daarvoor alle objecten die zich binnen een radius van 50 meter van elkaar bevinden gebundeld tot één sportplek. Hieruit komt een totaal van 814 sportplekken naar voren. Dit is het aantal sportplekken in Amsterdam, met voorbehoud van de kwaliteit van de
De volgende zoektermen zijn gebruikt: voetbal, bar, pipe, Cruyff, curl, tennis, basket, turn, korf, tennis, schaak, jeu, schaken, fitness, rail, ramp, fit, fiets, cycle, bootcamp, tafeltennis, volley, panna, skate, calisthenics, citybox, trainer, rolschaats, press, schans. xliv
55
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
originele data (die is volgens betrokken functionarissen volledig) en de gehanteerde filtercriteria, die zorgvuldig zijn opgesteld, maar desondanks onbedoeld tot omissies kunnen leiden.
Onderzoeksteam Onderzoeksteam Directeur
Annelies Daalder
Onderzoekers
Jurriaan Kooij (projectleider) Erik Oppenhuis (projectleider) Tello Heldring
56
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Eindnoten
Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023, geldend op 01-01-2024, artikel 19. Gemeente Amsterdam, Beleidskader 1Amsterdam Heel&Schoon, 8 juni 2017, p. 16. 3 Commissie BBV, Notitie materiële vaste activa, p. 27, december 2017. 4 Gemeente Amsterdam, Voordracht voor de raadsvergadering van woensdag 6 en donderdag 7 november 2019, nr. 1822, agendapunt 47. 5 Gemeente Amsterdam, Visie openbare ruimte 2025, 8 juni 2017, p. 28, p. 40-42; en Gemeente Amsterdam, Beleidskader 1Amsterdam Heel&Schoon, 8 juni 2017, p. 5. 6 Gemeente Amsterdam, Memo Inzichtelijk maken van Achterstallig Onderhoud, d.d. 2024. 7 Gemeente Amsterdam, Raadsinformatiebrief inzake Programma stadsbehoud, 8 oktober 2019; en Gemeente Amsterdam, Voordracht voor de raadsvergadering van woensdag 6 en donderdag 7 november 2019, nr. 1822, agendapunt 47. 8 Gemeente Amsterdam, Motie van de leden Boomsma, Van Lammeren en Marttin inzake de Rapportage programma Stadsbehoud (Behoud de Ambitie! De hele stad minimaal op een verzorgd niveau), aangenomen op 7 november 2019. 9 Gemeente Amsterdam, Raadsinformatiebrief inzake Reactie op motie 1888.19 van de leden, Boomsma (CDA), Van Lammeren (PvdD) en Marttin (VVD) inzake ‘Behoud de ambitie’, 2 juni 2020. 10 Gemeente Amsterdam, Voorjaarsrapportage Stadsbehoud 2022, p. 23. 11 Gemeente Amsterdam, Voorjaarsrapportage Stadsbehoud 2022, p. 4.
12 Gemeente Amsterdam, Coalitieakkoord 2022-2026, mei 2022. 13 Gemeente Amsterdam, Beleidskader 1Amsterdam Heel & Schoon, 2017, p. 17. 14 Gemeente Amsterdam, Raadsinformatiebrief inzake Visie sport- en beweegbeleid 20232026, 11 mei 2023, p. 1. 15 Gemeente Amsterdam, Raadsinformatiebrief inzake Visie sport- en beweegbeleid 20232026, 11 mei 2023, p. 2. 16 Gemeente Amsterdam, Raadsinformatiebrief inzake Voortgang aanpak beweging richting bewegen en afdoening moties dynamische schooldag, 26 maart 2024, p. 5. 17 Gemeente Amsterdam, Raadsinformatiebrief inzake Voortgang aanpak beweging richting bewegen en afdoening moties dynamische schooldag, 26 maart 2024, p. 5. 18 Gemeente Amsterdam, Omgevingsvisie 2050, 7 juli 2021, p. 203. 19 Gemeente Amsterdam, Feitelijke reactie, 18 september 2024. 20 Gemeente Amsterdam, Begroting 2024, activiteit 2.4.1.1, indicator 3, p. 91. 21 Gemeente Amsterdam, Rapportage normkosten straatmeubilair en speelvoorzieningen, 20 januari 2022, p. 19. 22 Gemeente Amsterdam, Raadsinformatiebrief inzake Voortgang aanpak beweging richting bewegen en afdoening moties dynamische schooldag, 26 maart 2024, p. 5. 23 Gemeente Amsterdam, Feitelijke reactie¸ 18 september 2024. 1 2
57
Rekenkamer Amsterdam - Bestuurlijk rapport - Sport- en speelplekken in de openbare ruimte
Gemeente Amsterdam, Strategisch plan sporten en spelen in de openbare ruimte, augustus 2021, p. 6. 25 Rekenkamer Amsterdam, Onderzoeksopzet Sport- en speelplekken in de openbare ruimte, p. 8. 26 Gemeente Amsterdam, Begroting 2023, p. 61. 27 Rekenkamer Amsterdam, Onderzoeksopzet Sport- en speelplekken in de openbare ruimte, p. 9. 28 Schriftelijke reactie van de ambtelijke organisatie op onze onderzoeksopzet, 14 maart 2024. 29 Gemeente Amsterdam, Visie openbare ruimte 2025, 8 juni 2017, p. 41. 30 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 24 april 2024. 31 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 21 mei 2024. 32 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 3 april 2024; 21 mei 2024. 33 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 21 mei 2024. 34 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 21 mei 2024. 35 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 3 april 2024. 36 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 21 mei 2024. 37 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 3 april 2024. 38 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 21 mei 2024. 39 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 3 april 2024; 24 april 2024; 21 mei 2024. 40 Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023, geldend vanaf 01-01-2024, artikel 11 en 12. 41 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 21 mei 2024. 42 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 21 mei 2024. 43 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 3 april 2024; 21 mei 2024.
44 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 3 april 2024; 21 mei 2024. 45 Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023, geldend vanaf 01-01-2024, artikel 19. 46 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 21 mei 2024. 47 Rekenkamer Amsterdam, Mailwisseling met ambtelijke organisatie, 29 mei 2024. 48 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 21 mei 2024. 49 Gemeente Amsterdam, Jaarverslag 2023, april 2024. 50 Gemeente Amsterdam, Jaarverslag 2023, april 2024, p. 331. 51 Gemeente Amsterdam, Memo Inzichtelijk maken van Achterstallig Onderhoud, d.d. 2024. 52 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 21 mei 2024. 53 Rekenkamer Amsterdam, Gespreksverslag, 3 april 2024. 54 Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, artikel 9, lid 2 onder c. 55 Gemeente Amsterdam, Begroting 2024, p. 379. 56 Gemeente Amsterdam, Rapportage programma Stadsbehoud, 7 november 2019. 57 Gemeente Amsterdam, Voorjaarsrapportage Stadsbehoud 2022, p. 4. 58 Gemeente Amsterdam, Voorjaarsrapportage Stadsbehoud 2022, p. 27. 24