Raadsbesluit 2024-212A Bekendmaking Wijzigingsverordening Huisvestingsverordening Amsterdam
Tekst van het document
Opmerkingen voor publicatie: Te publiceren in: Uiterlijk bekendmaken op: Niet eerder bekendmaken dan op: Consolideren op overheid.nl Gevolgen voor de werking van een andere regeling: Externe informatieve bijlage voor de leesbaarheid: Andere bijzonderheden:
Gemeenteblad 31 december 2024 n.v.t. Ja Ja, te consolideren in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024. n.v.t. n.v.t.
Verordening van de raad van de gemeente Amsterdam houdende wijzigingen in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Wijziging Huisvestingsverordening Amsterdam 2025) De raad van de gemeente Amsterdam, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 november 2024, gelet op artikel 4 van de Huisvestingswet 2014 en artikel 149 van de Gemeentewet, besluit:
Wijziging Huisvestingsverordening Amsterdam 2025 Artikel I De Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 wordt als volgt gewijzigd: A. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: 1. In onderdeel j wordt ‘hoofdbewoner´ vervangen door ‘bewoner´. 2. Onder verlettering van onderdelen w tot en met ss tot x tot en met tt wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende: w. Middeldure huurwoonruimte: middeldure huurwoonruimte als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Huisvestingswet 2014; B. Artikel 2.1.1 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid komt als volgt te luiden: 1. In de gemeente Amsterdam worden als woonruimten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Huisvestingswet aangewezen, alle zelfstandige woonruimten: a. waarvoor bij aanvang van de huurovereenkomst een huurprijs is overeengekomen die niet hoger is dan het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag; b. met een krachtens artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte bepaalde waardering van de kwaliteit die leidt tot een maximale huurprijs die niet hoger is dan het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag; c.
waarvoor op grond van erfpachtvoorwaarden, private overeenkomsten of een omgevingsplan, voor een periode van ten minste twintig jaar een huurwaarde is overeengekomen die hoger is dan het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid,
onder a, van de Wet op de huurtoeslag en die niet vallen onder de onderdelen a of b; en d. middeldure huurwoonruimten die niet vallen onder de onderdelen a, b en c. 2. In het tweede lid wordt ‘onderdelen a en b’ vervangen door ‘onderdelen a, b en d’. 3. Het derde lid, onderdeel c, komt als volgt te luiden: c. woonruimten in eigendom van woningcorporaties die middels intermediaire verhuur door een zorginstelling worden bemiddeld of worden verhuurd aan een bewoner met een erkende zorgindicatie en die voorgedragen wordt door de preferente zorgaanbieder. C. Artikel 2.2.2 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid, onderdeel b, komt als volgt te luiden: b. het inkomen van het huishouden bedraagt maximaal € 75.362 voor een eenpersoonshuishouden en maximaal € 82.921 voor een meerpersoonshuishouden (prijspeil: 2024) voor woonruimten als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdelen c en d. 2. In het tweede lid wordt ‘verhuist naar een woonruimte als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdeel c’ vervangen door ‘verhuist naar een woonruimte als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdelen c of d’. 3. In het derde lid wordt ‘De bedragen in het eerste lid worden’ vervangen door ‘Het bedrag in het eerste lid, onderdeel a wordt’. 4. Na het vierde lid wordt een vijfde lid ingevoegd, luidende: 5.
De bedragen, genoemd in het eerste lid, onderdeel b worden met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd met het percentage waarmee per 1 januari van het peiljaar het bedrag, genoemd in artikel 18, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag is gewijzigd. D. Artikel 2.2.3 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het tweede lid, onderdeel b, vervalt het zinsdeel ‘en,’. 2. Na het tweede lid, onderdeel c, wordt onder vervanging van de punt aan het slot door ‘; en,´ een onderdeel ingevoegd, luidende: d. een rapport waaruit de waardering van de kwaliteit van de woonruimte, bedoeld in artikel 10, eerste lid van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, op de datum van ingang van de huurovereenkomst en de krachtens dat lid bepaalde bijbehorende maximale huurprijs blijkt, en indien krachtens die wet ten aanzien van de woonruimte een prijsopslag geldt, tevens de bewijsstukken waaruit het gelden van deze opslag blijkt. 3. Na het vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende: 6. Het tweede lid, onderdeel d is niet van toepassing op woonruimten in eigendom van woningcorporaties. E. Het opschrift van hoofdstuk 2, paragraaf 3 komt te luiden: ‘Paragraaf 3 Vergunningverlening huurwoningen onder de liberalisatiegrens in particulier bezit, gereguleerde middeldure huurwoningen en middeldure huurwoonruimte’. F.
Na artikel 2.3.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 2.3.7 Volgordebepalingen voor bepaalde huurwoningen onder de liberalisatiegrens in particulier bezit
1. Bij de verlening van huisvestingsvergunningen voor woonruimten in de in bijlage 1 aangewezen flexcomplexen, kunnen ook algemene en bijzondere volgordebepalingen van toepassing zijn als bedoeld in de artikelen 2.8.1, 2.8.2, tweede lid en 2.8.3, eerste tot en met het zevende lid. 2. Bij toepassing van het eerste lid krijgen uitsluitend houders van een urgentieverklaring als bedoeld in paragraaf 10 van hoofdstuk 2 die direct bemiddeld worden voorrang op woonruimten in de in bijlage 1 aangewezen complexen. G. In artikel 2.4.1 wordt ‘in eigendom van een corporatie´ vervangen door ‘in eigendom of in beheer van een corporatie´. H. Artikel 2.7.2 komt als volgt te luiden: Artikel 2.7.2 Toelatingscriteria startpunten Om in aanmerking te komen voor een verklaring startpunten dient de woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de woningzoekende is een jongere met een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 2.4.5, vierde lid, onderdeel a, met betrekking tot een jongerenwoning die wordt gehuurd van een woningcorporatie in de gemeente Amsterdam; en, b. de woningzoekende staat ten minste vier jaar en zes maanden, voorafgaand aan de datum van aanvraag, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres waarop de huurovereenkomst als bedoeld in onderdeel a, betrekking heeft; en, c.
het huishoudinkomen van woningzoekende bedraagt maximaal het bedrag als bedoeld in artikel 2.4.2, eerste lid, onderdeel d; en, d. de woningzoekende heeft aantoonbaar maximale inspanning gepleegd om op eigen kracht andere woonruimte te vinden of de woningzoekende heeft een inwonend kind of kinderen waarvan er één de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt. I.
Artikel 2.8.1 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het tweede lid wordt Jongerenwoning in een in bijlage 1 aangewezen gemengd wooncomplex
Personen met een leeftijd van ten hoogste 27 jaar die gemotiveerd zijn ondersteuning te bieden aan de in het gemengde wooncomplex wonende kwetsbare doelgroep
vervangen door: Woning in een in bijlage 1 aangewezen
Personen die gemotiveerd zijn ondersteuning te bieden aan de in het gemengde wooncomplex wonende kwetsbare doelgroep
gemengd wooncomplex 2. In het tweede lid komt in de tabel de rij ´Rolstoelwoning met drie kamers´ te vervallen. 3. Na het vijfde lid wordt een lid toegevoegd, luidende: 6. Bij het toepassen van de labels voor woonruimte in het bijzonder geschikt voor huishoudens met minderjarige kinderen is maatwerk mogelijk. J.
Artikel 2.8.3 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het achtste tot en met het veertiende lid tot het zevende tot en met het dertiende lid komt het zevende lid te vervallen. 2. In het zevende lid (nieuw) komt ´en zevende´ te vervallen. 3. In het zevende lid (nieuw) wordt onder verlettering van de onderdelen b tot en met e tot c tot en met f een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende: b. woningzoekende die in bezit is van een door de gemeente Amsterdam afgegeven beschikking voor een indicatie rolstoelwoning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning en in bezit is van een stadsvernieuwingsurgentieverklaring; 4. In het zevende lid, onderdeel d (nieuw) wordt ´de gemeente Amsterdam´ vervangen door ´een gemeente´. 5. In het tiende lid (nieuw) wordt ‘het negende en tiende lid´ vervangen door ‘het achtste en negende lid´. K. In artikel 2.9.2, derde lid, komt te vervallen ‘en in overige gevallen wordt er geloot´. L. In artikel 2.9.3, tweede lid, wordt ‘voor een bandbreedte van vijftig tot honderd´ vervangen door ‘tot een maximum van driehonderd´. M. In artikel 2.9.4, eerste lid, wordt ‘WoningNet´ vervangen door ‘DAK regio Amsterdam´. N. Artikel 2.9.7 komt te vervallen. O. Artikel 2.10.8 wordt als volgt gewijzigd: 1. In artikel 2.10.8, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door ‘;’ een onderdeel toegevoegd, luidende: i.
personen met een openbare orde en veiligheidsachtergrond die worden voorgedragen door het Actiecentrum Veiligheid en Zorg. 2. Onder vernummering van het vierde lid tot het vijfde lid wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende: 4. Op de urgentiecategorie bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, is het bepaalde in artikel 2.10.5, eerste lid, onderdelen b, c, d, e, f en i niet van toepassing. P. Aan artikel 3.1.2 worden twee leden toegevoegd, luidende: 4. Voor het in gebruik geven van woonruimte voor kortdurend verblijf, uitsluitend tegen kortdurend verblijf in een andere woonruimte als tegenprestatie voor die ingebruikgeving, is geen onttrekkingsvergunning vereist als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel a. 5. Voor het onttrekken aan de bestemming tot bewoning ten behoeve van huisbewaring is geen onttrekkingsvergunning vereist mits en zolang: a. de bewoner, die de woonruimte in gebruik geeft, de betreffende woonruimte als hoofdverblijf heeft en op het adres van deze woonruimte ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen; b. de woonruimte in eigendom van een corporatie maximaal één keer per vijf jaar en overige woonruimten maximaal één keer per 12 maanden in gebruik wordt gegeven voor huisbewaring; c. de huisbewaring een aaneengesloten periode betreft van minimaal drie tot maximaal zes maanden; d.
er treedt geen onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de betreffende woonruimte op. Er is sprake van een onaanvaardbare inbreuk als bedoeld in de vorige volzin, indien: I. sprake is van aantoonbare overlast op grond van objectieve feiten en omstandigheden; en,
II.
de bewoners vooraf door de klagers en door burgemeester en wethouders op de overlast is gewezen en dit niet tot beëindiging van de overlast heeft geleid.
Q. Artikel 3.1.4 komt te luiden: Artikel 3.1.4 Vrijstelling op de vergunningplicht voor omzetting 1. Voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten is geen omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel c, noodzakelijk mits en zolang de woonruimte door ten hoogste twee volwassenen wordt bewoond. 2. Voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten is geen omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel c, noodzakelijk mits en zolang er sprake is van inwoning. Hiervan is sprake als: a. een bestaand huishouden inwoning verleent aan maximaal één ander huishouden; en, b. op voorhand niet de wens bestaat om het adres met het inwonende huishouden te delen, blijkende uit het feit dat het eerste huishouden in dezelfde samenstelling de woonruimte minimaal één jaar zonder inwonend huishouden heeft bewoond. 3. Het vorige lid, onderdeel b, is niet van toepassing in het geval het inwoning verlenende of het inwonende huishouden getrouwd is of een geregistreerd partnerschap heeft. 4. Voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten is geen omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel c, noodzakelijk mits en zolang er sprake is van mantelzorg of inwoning van eerste- tot en met vierdegraads familieleden. R.
Aan artikel 3.3.7 wordt een lid toegevoegd, luidende: 6. Indien het quotum voor omzettingsvergunningen in een wijk als bedoeld in het eerste lid is bereikt geldt voor aanvragen voor omzettingsvergunningen naar maximaal drie onzelfstandige woonruimten, het plusquotum zoals opgenomen in de tabel in bijlage 4. S. Artikel 3.7.3a wordt als volgt gewijzigd: 1. Het opschrift komt te luiden: Artikel 3.7.3a Vergunningplicht en vrijstellingen toeristische verhuur 2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 4. Voor toeristische verhuur van woonruimte ten behoeve van huisbewaring geldt een vrijstelling van de vergunningplicht mits en zolang: a. de bewoner, die de woonruimte in gebruik geeft, de betreffende woonruimte als hoofdverblijf heeft en op het adres van deze woonruimte ingeschreven staat in de basisregistratie personen; b. de woonruimte in eigendom van een corporatie maximaal één keer per vijf jaar en overige woonruimten maximaal één keer per 12 maanden in gebruik wordt gegeven voor huisbewaring; c. de huisbewaring een aaneengesloten periode betreft van minimaal drie tot maximaal zes maanden; d. er treedt geen onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de betreffende woonruimte op. Er is sprake van een onaanvaardbare inbreuk als bedoeld in de vorige volzin, indien: 1.
sprake is van aantoonbare overlast op grond van objectieve feiten en omstandigheden; en, 2. de bewoners vooraf door de klagers en door burgemeester en wethouders op de overlast is gewezen en dit niet tot beëindiging van de overlast heeft geleid.
T. Artikel 3.9.3 wordt als volgt gewijzigd: 2. Het opschrift komt te luiden: Artikel 3.9.3 Intrekken en wijzigen vergunning 3. Er wordt een vijfde lid toegevoegd, luidende: 5. Indien een woonruimte tijdelijk verplaatst dient te worden naar een nieuwe ligplaats vanwege onderhoud- en herstelwerkzaamheden aan de bruggen of kademuren, wordt het adres op de vergunning als bedoeld in artikel 3.8.7 tijdelijk gewijzigd naar het adres van de nieuwe ligplaats. Artikel 3.9.4 is niet van toepassing op deze wijziging. U. In artikel 3.11.1, eerste lid, wordt ‘415.000´ telkens vervangen door ‘395.000´, wordt ‘513.000´ telkens vervangen door ‘493.000´ en wordt ‘641.000´ vervangen door ‘623.000´. V. Artikel 3.12.6 komt te luiden: Artikel 3.12.6 Intrekkingsgronden De ontheffing of vergunning wordt ingetrokken indien: a. niet meer wordt voldaan aan de vorm van in gebruik geven waarvoor de ontheffing of vergunning is verleend; b. als er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; of c. de vergunning of ontheffing is verleend op grond van door de aanvrager verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren. W. Artikel 5.1, derde lid, komt te luiden: 3.
Aanvragen van vergunningen, urgentieverklaringen en andere besluiten worden beoordeeld op grond van de Huisvestingsverordening zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag. X. Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd: 1. In onderdeel 1, onder lll, wordt ‘Andische´ vervangen door ‘Andishe´. 2. In onderdeel 1 wordt na onderdeel qqqqq, de volgende onderdelen toegevoegd: rrrrr. Villa des Roses - Robert Kochplantsoen 19 sssss. Beheercoöperatie De Stadsveteraan 020 - Oostermeerstraat 13 t/m 61 (alleen oneven nummers) en Rademakerstraat 344 t/m 582 (alleen even nummers) ttttt. Noorderzon - Isaac Titsinghkade 14A t/m 14W*, 16K t/m 16N (* uitgezonderd I, J, O en Q) uuuuu. Vereniging Iraanse Woongroep Andishe - Gare du Nord 122, 124, 128, 130, 132, 134, 156, 158, 162, 164 vvvvv. Stichting Akwaaba Zorg - Louis Doedelstraat 234+236+254+256+274+276+294+296 (8 woningen) en Pampuslaan 262+264+282+284+302+304+316+318+332+334+348+350 (12 woningen) 3. In onderdeel 2 worden na onderdeel c de volgende onderdelen toegevoegd: d. Brisk - Hettenheuvelweg 50 e. De Nieuwe Geus Dr. H Colijnstraat / Wigbolt Ripperdastraat f. Kubus Katrijp - Berkmeerpad 1 t/m 299 (oneven) en Overleekplein 12, 13 en 14
g. h. i. -
4. 5. 6.
7.
De Bongerd fase 3A Brasa Village Singelblok Elzenhagensingel 1235 t/m 1305 oneven, 1309, 1311, 1315, 1317, 1319, 1321, 1327, 1335, 1341, 1349, 1355, 1363, 1369, 1377, 1383, 1385, 1391, 1393, 1399, 1401, 1407, 1409, 1415, 1417, 1423, 1425, 1431, 1433, 1439, 1441, 1447, 1449, 1455, 1457, 1463, 1465, 1471, 1479, 1481. j. Naritaweg 10 - Naritaweg 10 en Plesostraat 349-621 (oneven nummers m.u.v. 349 en 351) k. De Bridge - Paasheuvelweg 22 l. Spot X, Y en Z - Hogehilweg In onderdeel 4 komt, onder verlettering van onderdelen v en w tot u en v, onderdeel u te vervallen. In onderdeel 4 wordt ‘Gaasperdamzone’ vervangen door ‘Brasa Village’. In onderdeel 4 worden twee onderdelen toegevoegd, luidende: w. Makerskade - Makerskade 200 t/m 270 (doorlopend), 300 t/m 386 (doorlopend), 1100 t/m 1232 (doorlopend) - Makersstraat 200, 300 t/m 422 (even) y. Riekerpark - Handbalstraat 501 t/m 715 (oneven) - Voetbalstraat 500 t/m 714 (even) Na onderdeel 4 wordt een onderdeel toegevoegd, luidende: 5. Particuliere flexcomplexen a. Makerskade - Makerskade 200 t/m 270 (doorlopend), 300 t/m 386 (doorlopend), 1100 t/m 1232 (doorlopend) - Makersstraat 200, 300 t/m 422 (even) b. Riekerpark - Handbalstraat 501 t/m 715 (oneven) - Voetbalstraat 500 t/m 714 (even)
Y. Bijlage 3 komt als volgt te luiden: Tabel 1 Bestuurlijke Wettelijke Boete Boete Boete Boete boete onrechtmatig in bepaling Particulier particulier bij bedrijfsm bedrijfsmatig bij gebruik nemen of Huisvestingswet onderhuur atig onderhuur tegen geven van tegen hogere hogere prijs dan woonruimte prijs dan oorspronkelijk oorspronkelijk In gebruik nemen van 8, eerste lid en 35 € 435,N.v.t. N.v.t. N.v.t. woonruimte zonder huisvestingsvergunning In gebruik geven van 8, tweede lid en € 2.500,-,- € 5.000,-€ 10.000,- € 10.000,-woonruimte zonder 35 Indien huurprijs Indien huurprijs huisvestingsvergunning minder dan € minder dan € 150 – 150 – verhoogd, verhoogd, dan 50% dan 50% van de
boete opleggen.
van de boete opleggen.
Tabel 2 Bestuurlijke Boete eerste keer Boete eerste keer Boete Boete boete Bedrijfsmatig Particulier tweede derde keer Woningonttrekking keer , samenvoeging en Structurele Incidentele Structurele Incidentele Binnen 4 jaar na woningvorming overtreding overtreding overtreding overtreding laatste overtreding met maximum van € 25.750 Woningonttrekking Onttrekken gehele € 18.000,- € 13.500,€ 9.000,€ 4.500,15o%boete maximale woning zonder eerste keer boete van benodigde € 25.750,vergunning 21, eerste lid, onder en 35 Huisvestingswet Onttrekken deel van € 10.000,- € 7.500,€ 5.000,€ 2.500,15o%boete maximale de woning zonder eerste keer boete van benodigde € 25.750,vergunning 21, eerste lid, onder en 35 Huisvestingswet Onttrekken met € 8.000,€ 6.000,€ 3.000,€ 1.500,150% boete maximale vergunning, maar eerste keer boete van schending € 25.750,voorwaarden of voorschriften 21, eerste lid, onder b, 24, 26 en 35 Huisvestingswet Samenvoegen Samenvoegen € 18.000,zonder benodigde vergunning 21, eerste lid, onder b en 35 Samenvoegen met € 5.000,vergunning, maar schending voorwaarden of voorschriften 21, eerste lid, onder b, 24, 26 en 35 Woningvorming
n.v.t.
€ 9.000,-
n.v.t.
150% boete maximale eerste keer boete van € 25.750,-
n.v.t.
€ 2.500,-
n.v.t.
150% boete maximale eerste keer boete van € 25.750,-
Verbouwen van een € 15.000,woonruimte tot twee woonruimten (woningvormen) zonder benodigde vergunning 21, eerste lid, onder d en 35 Huisvestingswet Verbouwen van een € 18.000 woonruimte tot drie of meer woonruimten (woningvormen) zonder benodigde vergunning 21, eerste lid, onder d en 35 Huisvestingswet Woningvormen met € 5.000,vergunning, maar schending voorwaarden of voorschriften 21, eerste lid, onder d, 24, 26 en 35 Huisvestingswet
n.v.t.
€ 7.500,-
n.v.t.
150% boete maximale eerste keer boete van € 25.750,-
n.v.t.
€ 9.000,-
n.v.t.
150% boete maximale eerste keer boete van € 25.750,-
n.v.t.
€ 2.500,-
n.v.t.
150% boete maximale eerste keer boete van € 25.750,-
Tabel 3 Boete eerste keer Boete eerste keer Boete Boete Bestuurlijke Bedrijfsmatig Particulier tweede keer vanaf derde boete omzetting keer Structureel Incidentee Structuree Incidenteel Binnen 4 jaar na laatste l l overtreding met maximum van € 25.750 Omzetten zonder vergunning 21, eerste lid, onder c en 35 Huisvestingswet Drie of minder € 10.000,- € 7.500,- € 2.500,- € 1.250,150% boete maximale onzelfstandige eerste keer boete van woonruimten € 25.750 Vier € 15.000,- € 11.250,- € 5.000,- € 2.500,150% boete maximale onzelfstandige eerste keer boete van woonruimten € 25.750,Vijf onzelfstandige € 18.000,- € 13.500,- € 7.500,- € 3.750,150% boete maximale woonruimten of eerste keer boete van meer € 25.750,-
Omzetten met vergunning, maar schending voorwaarden of voorschriften 21, eerste lid, onder c, 24, 26 en 35 Huisvestingswet Ontbreken van € 5.000,- € 5.000,- € 2.500, € 1.250,200% boete individueel eerste keer huurcontract (maximaal (maximaal (maximaal (maximaal (boete per € 25.750) € 25.750) € 13.500) € 9.000) ontbrekend contract) Omgezet naar € 5.000,- € 3.750,- € 2.500,- € 1.250,150% boete meer eerste keer onzelfstandige (maximaal (maximaal (maximaal (maximaal woonruimten dan € 18.000) € 13.500) € 13.500) € 9.000) is vergund (boete per ruimte) Overtreding € 5.000,- € 3.750,- € 2.500,- € 1.250,150% boete voorwaarde meer eerste keer dan één (maximaal (maximaal (maximaal (maximaal € volwassene per € 18.000) € 13.500) € 13.500) 9.000) onzelfstandige woonruimte (boete per extra volwassene) Niet voldaan aan € 5.000,- € 5.000,- € 2.500.- € 2.500,150% boete geluidseisen eerste keer Niet voldaan aan € 4.190,gezamenlijke verblijfsruimte van 11 vierkante meter
€ 4.190,-
€ 2.095.-
€ 2.095,-
150% boete eerste keer
Tabel 4 Bestuurlijke boete toeristische verhuur/ vakantieverhuur
Boete Boete eerste Boete eerste keer - keer tweede keer Bedrijfsmatig Particulier
maximale boete van € 25.750,-
maximale boete van € 25.750,-
maximale boete van € 25.750,-
maximale boete van € 25.750,maximale boete van € 25.750,-
Boete Vanaf derde keer
Binnen 4 jaar na laatste overtreding maximum van € 25.750 Ernstige overtreding vanwege effect op woonruimtevoorraad en leefbaarheid 23b, 24, 26 en 35 Huisvestingswet Toeristische verhuur/ € 18.000,€ 9.000,150% boete maximale boete vakantieverhuur zonder eerste keer van € 25.750,feitelijke bewoning Toeristische € 13.500,€ 5.000,150% boete maximale boete verhuur/vakantieverhuur eerste keer van € 25.750,zonder feitelijke bewoning korter dan zes maanden Leefbaarheidsovertredingen 23c, 23b, 24, 26 en 35 Huisvestingswet Overschrijding aantal nachten: 23b, 24, 26 en 35 Huisvestingswet
Tot 5 nachten per vergunning € 5.000,periode
€ 2.500,-
150% boete eerste keer
maximale boete van € 25.750,-
5 of meer nachten per vergunningsperiode
€ 5.000,-
150% boete eerste keer
maximale boete van € 25.750,-
€ 10.000,-
Overschrijding aantal personen 23c, 24, 26 en 35 Huisvestingswet: 1 persoon
€ 5.000,
€ 2.500,-
150% boete eerste keer
maximale boete van € 25.750,-
2 of meer personen
€ 10.000,-
€ 5.000,-
150% boete eerste keer
maximale boete van € 25.750,-
€ 2.500,-
150% boete eerste keer
maximale boete van € 25.750,-
€ 5.000,-
150% boete eerste keer
maximale boete van € 25.750,-
€ 1.500,-
150% boete eerste keer
maximale boete van € 10.300,-
€ 1.500,-
150% boete eerste keer
maximale boete van € 10.300,-
€ 1.500,-
150% boete eerste keer
maximale boete van € 10.300,-
€ 1.500,-
150% boete eerste keer
maximale boete van € 10.300,-
Vakantieverhuur in een sociale huurwoning, 23c, 24, 26 en 35 Huisvestingswet: Een of twee boekingen € 5.000,(incidenteel) Meer dan twee boekingen (structureel)
€ 10.000,-
Administratieve overtredingen Aanbod woonruimte voor € 3.000,vakantieverhuur zonder registratienummer, 23a en 35 Huisvestingswet Vakantieverhuur zonder € 3.000,vergunning, 23c en 35 Huisvestingswet Vakantieverhuur zonder € 3.000,voorafgaand elektronisch te hebben gemeld, 23b, tweede lid en 35 Huisvestingswet Vakantieverhuur zonder € 3.000,inschrijving BRP, 23c, 24 en 35 Huisvestingswet
Tabel 5 Bestuurlijke boete toeristische verhuur/ Bed & Breakfast
Boete eerste keer
Boete tweede Boete vanaf keer binnen derde keer vier jaar Bedrijfsmatig Niet Binnen 4 jaar na laatste bedrijfsmatig overtreding met maximum van € 25.750 Ernstige overtreding vanwege effect op woonruimtevoorraad en leefbaarheid 23c, 24, 26 en 35 Huisvestingswet Toeristische verhuur/ B&B zonder € 18.000,€ 9.000,150% boete maximale feitelijke bewoning eerste keer boete van € 25.750,-
Toeristische verhuur/B&B zonder € 13.500,feitelijke bewoning (korter dan zes maanden) Leefbaarheidsovertredingen 23c, 24, 26 en 35 Huisvestingswet Overschrijding aantal € 5.000,slaapplaatsen of personen met 1 persoon of slaapplek Overschrijding aantal € 10.000,slaapplaatsen of personen met 2 of meer personen of slaapplek Schending oppervlakte eisen € 5.000,tot en met 10% verschil
€ 5.000,-
150% boete eerste keer
maximale boete van € 25.750,-
€ 2.500,-
150% boete eerste keer
€ 5.000,-
150% boete eerste keer
€ 2.500,-
150% boete eerste keer
Schending oppervlakte eisen meer dan 10%
€ 10.000,-
€ 5.000,-
150% boete eerste keer
Geen nachtverblijf tijdens toeristische verhuur 1 nacht
€ 5.000,-
€ 2.500,-
150% boete eerste keer
Geen nachtverblijf tijdens € 10.000,toeristische verhuur meer dan 1 nacht Administratieve overtredingen
€ 5.000,-
150% boete eerste keer
maximale boete van € 25.750,maximale boete van € 25.750,maximale boete van € 25.750,maximale boete van € 25.750,maximale boete van € 25.750,maximale boete van € 25.750,-
Aanbod woonruimte voor B&B zonder registratienummer, 23a en 35 Huisvestingswet B&B zonder vergunning, 23c en 35 Huisvestingswet
€ 3.000,
€ 1.500,-
150% boete eerste keer
€ 3.000,
€ 1.500,-
150% boete eerste keer
B&B zonder inschrijving BRP, € 3.000, 23c, 24, 26 en 35 Huisvestingswet
€ 1.500,-
150% boete eerste keer
Tabel 6 Cumulatietabel overtredingen toeristische verhuur (tabel 4 of tabel 5),23a-23c, 24, 26 en 35 Huisvestingswet
Boete Bedrijfsmatig
Ernstige overtreding + andere Bedragen in tabel 4/5 overtredingen worden opgeteld tot een max van € 18.000,Leefbaarheidsovertreding + Bedragen in tabel 4/5 andere worden opgeteld tot een leefbaarheidsovertreding max van € 18.000,-
maximale boete van € 10.300,maximale boete van € 10.300,maximale boete van € 10.300,-
Boete Particulier
Bedragen in tabel 4/5 worden opgeteld tot een max van € 13.500,Bedragen in tabel 4/5 worden opgeteld tot een max van € 13.500,-
Leefbaarheidsovertreding + administratieve overtreding
Boetebedrag Boetebedrag leefbaarheidsovertreding leefbaarheidsovertreding + +€ 1.500,- per € 750,- per administratieve administratieve overtreding overtreding Administratieve overtreding + € 3.000,- + € 1.500,- per € 1.500,- + € 750,- per andere administratieve administratieve overtreding administratieve overtreding overtreding Tabel 7 Verdeling boete bij Wettelijke bepaling Type overtreding meerdere eigenaren Huisvestingswet 2014 Overtredingen genoemd in 8, tweede lid, 21, 23a, de tabellen in deze bijlage 23b, 23c, 26, 35, 41 en begaan door eigenaren van 45 woonruimten
Tabel 8 Bestuurlijke boete toeristische verhuur voor publicatiediensten
Boete
Functionele Toedeling naar rato overtredingen begaan van eigendom door eigenaren met woonruimte betrekking tot woonruimten in bezit van meerdere eigenaren
Wettelijke Boete eerste bepaling keer Huisvestingsw et 2014
Boete tweede Boete derde keer keer binnen 4 binnen 4 jaar jaar
Publicatie advertentie 23a, derde lid zonder registratienummer Publicatie advertentie 23d zonder te informeren over de geldende weten regelgeving
€ 5.000,-
150% boete eerste keer
€ 10.300,-
€ 5.000,-
150% boete eerste keer
€ 10.300,-
Publicatie advertentie 23e van een woonruimte die reeds het nachtenmaximum heeft bereikt (na bericht van burgemeester en wethouders)
€ 5.000,-
150% boete eerste keer
€ 10.300,-
Tabel 9 Boete Boete Boete Boete Bestuurlijke boete eerste keer eerste keer tweede vanaf derde Opkoopbescherm Bedrijfsmatig Particulier keer keer ing Structureel Incidenteel Structureel Incidenteel Binnen 4 jaar na laatste overtreding met maximum van € 25.750 In gebruik geven van een binnen de opkoopbescherming aangewezen woonruimte zonder vergunning of ontheffing 41 en 45 Huisvestingswet Legaliseerbare € 5.000,€ 3.570,€ 2.500,€ 1.250,150% maximale overtreding : Geen boete boete van vergunning of eerste keer € 25.750 ontheffing, maar wel te verkrijgen voor overtreden situatie. Niet legaliseerbare € 18.000,- € 13.500,- € 9.000,€ 4.500,150% maximale overtreding: Geen boete boete van vergunning of eerste keer € 25.750 ontheffing en ook niet te verkrijgen voor de overtreden situatie. In gebruik geven van een binnen de opkoopbescherming aangewezen woonruimte met vergunning of ontheffing, maar schending van de gebruiksvorm waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend 41 en 45 Huisvestingswet Schending van de € 13.500, - € 10.125,- € 6.750,€ 3.375,150% maximale gebruiksvorm boete boete van € waarvoor de eerste keer 25.750 vergunning of ontheffing is verleend
Z. Na bijlage 3 wordt een bijlage toegevoegd, luidende:
Bijlage 4 Plusquotum omzettingsvergunningen (art. 3.3.7, zesde lid)
Stadsdeel/ stadsgebied Wijk
Plusquotum
Centrum
Haarlemmerbuurt
69
Centrum
Jordaan
118
Centrum
Grachtengordel-West
61
Centrum
Burgwallen-Nieuwe Zijde
30
Centrum
Burgwallen-Oude Zijde
31
Centrum
Nieuwmarkt/Lastage
74
Centrum
Grachtengordel-Zuid
50
Centrum
De Weteringschans
54
Centrum
Weesperbuurt/Plantage
58
Centrum
Oostelijke Eilanden/Kadijken
98
West
Havens-West
0
West
Coenhaven/Minervahaven
0
West
Sloterdijk-West
9
West
Spaarndammerbuurt/Zeeheldenbuurt
55
West
Houthavens
41
West
De Kolenkit
60
West
Landlust
72
West
Erasmuspark
20
West
Centrale Markt
19
West
Staatsliedenbuurt
65
West
Frederik Hendrikbuurt
41
West
Van Galenbuurt
0
West
Geuzenbuurt
0
West
Hoofdweg e.o.
6
West
Chassébuurt
40
West
Bellamybuurt
34
West
Da Costabuurt
37
West
Westindische Buurt
14
West
Van Lennepbuurt
36
West
Overtoomse Sluis
46
West
Helmersbuurt
52
West
Vondelbuurt
14
Nieuw -West
Sloterdijk Nieuw-West
5
Nieuw -West
Geuzenveld
123
Nieuw -West
Slotermeer-West
60
Nieuw -West
Slotermeer-Noordoost
39
Nieuw -West
Slotermeer-Zuidoost
13
Nieuw -West
Lutkemeer/Ookmeer
6
Nieuw -West
Middelveldsche Akerpolder
106
Nieuw -West
De Punt
34
Nieuw -West
Osdorp-Midden
112
Nieuw -West
Osdorp-Oost
126
Nieuw -West
Slotervaart-Noord
55
Nieuw -West
Overtoomse Veld
86
Nieuw -West
Slotervaart-Zuid
72
Nieuw -West
Westlandgracht
79
Nieuw -West
Sloter/Riekerpolder
117
Zuid
Hoofddorppleinbuurt
52
Zuid
Schinkelbuurt
21
Zuid
Willemspark
50
Zuid
Museumkwartier
118
Zuid
Oude Pijp
75
Zuid
Nieuwe Pijp
67
Zuid
Zuid Pijp
43
Zuid
Stadionbuurt
76
Zuid
Apollobuurt
76
Zuid
Scheldebuurt
134
Zuid
IJselbuurt
23
Zuid
Rijnbuurt
0
Zuid
Prinses Irenebuurt e.o.
13
Zuid
Zuidas
35
Zuid
Buitenveldert-West
128
Zuid
Buitenveldert-Oost
74
Oost
Oostelijk Havengebied
184
Oost
Weesperzijde
37
Oost
Oosterparkbuurt
67
Oost
Transvaalbuurt
54
Oost
Dapperbuurt
66
Oost
Indische Buurt-West
69
Oost
Indische Buurt-Oost
64
Oost
Zeeburgereiland/Bovendiep
37
Oost
IJburg-West
119
Oost
IJburg-Oost
9
Oost
IJburg-Zuid
59
Oost
Frankendael
63
Oost
Middenmeer
119
Oost
Betondorp
23
Oost
Omval/Overamstel
32
Noord
Oostzanerwerf
68
Noord
Noordelijke IJ-oevers-West
69
Noord
Tuindorp Oostzaan
73
Noord
Kadoelen
25
Noord
Banne Buiksloot
104
Noord
Nieuwendammerdijk/Buiksloterdijk
12
Noord
Elzenhagen
30
Noord
Buikslotermeer
94
Noord
Waterlandpleinbuurt
98
Noord
Volewijck
48
Noord
IJplein/Vogelbuurt
49
Noord
Tuindorp Buiksloot
11
Noord
Tuindorp Nieuwendam
13
Noord
Noordelijke IJ-oevers-Oost
1
Noord
Waterland
16
Weesp
Driemond
13
Weesp
Bloemendalerpolder
34
Weesp
Weesp-Noordwest
70
Weesp
Weesp Binnenstad/Zuid
45
Weesp
Aetsveld/Oostelijke Vechtoever
33
Zuidoost
Amstel III/Bullewijk
8
Zuidoost
Venserpolder
53
Zuidoost
Amsterdamse Poort e.o.
44
Zuidoost
H-buurt
57
Zuidoost
Ganzenhoef e.o.
49
Zuidoost
Geerdinkhof/Kantershof
49
Zuidoost
Bijlmermuseum
60
Zuidoost
K-buurt
49
Zuidoost
Holendrecht
73
Zuidoost
Nellestein
30
Zuidoost
Reigersbos
64
Zuidoost
Gein
85
Totaal
5851
Artikel II De toelichting bij de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 wordt als volgt gewijzigd: A. In de toelichting onder 2.3.c Urgentie wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel k door ‘;’ een onderdeel toegevoegd, luidende: l. een openbare orde en veiligheidsachtergrond hebben en worden voorgedragen door het Actiecentrum Veiligheid en Zorg (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel i). B. In de toelichting onder 2.5 Huisvestingsvergunning voor de gereguleerde middeldure huurvoorraad wordt de derde alinea vervangen door ‘Ter voorkoming van verdringing door meer kapitaalkrachtige huishoudens geldt vanaf 1 januari 2018 ook een huisvestingsvergunningplicht voor deze gereguleerde middeldure huurwoningen en sinds 1 januari 2025 ook voor middeldure huurwoonruimte. De huisvestingsvergunning wordt
alleen afgegeven aan huishoudens met een inkomen in het middensegment (artikel 2.2.2, eerste lid, onderdeel b). Het gaat hier om eenpersoonshuishoudens met een jaarinkomen tot € 75.362,- (vanaf de inkomensgrens voor sociale huurwoningen tot 1,58 maal die grens) en meerpersoonshuishoudens met een jaarinkomen van € 82.921,- (prijspeil 2023). Ter bevordering van doorstroming uit sociale huurwoningen van een Amsterdamse woningcorporatie worden huishoudens die een sociale huurwoning achterlaten vrijgesteld van dit toelatingscriterium.’ C. In de toelichting onder 4.1 Waarom regels met betrekking tot de opkoopbescherming? wordt ‘€ 641.000 (prijspeil 2023)´ vervangen door ‘€ 623.000 (prijspeil 2024)´ en wordt ‘€ 641.000’ vervangen door ‘€ 623.000’. D. In de toelichting onder 4.2. Waarom opkoopbescherming in alle gebieden in Amsterdam? wordt ‘641.000 euro´ vervangen door ‘623.000 euro´. E. In de toelichting op artikel 1, onderdeel j, wordt ‘hoofdbewoner´ vervangen door ‘bewoner´. F. De toelichting op artikel 1, onderdeel u komt te luiden: u. Liberalisatiegrens De liberalisatiegrens is de grens die bepaalt of een huurwoning in het lage segment valt, zoals bedoeld in de Wet betaalbare huur. Woonruimte met een huurprijs tot de liberalisatiegrens worden ook wel ‘sociale huurwoningen’ genoemd.
Voor vaststelling van de liberalisatiegrens wordt aangesloten bij het bedrag dat in artikel 13, eerste lid, onderdeel a van de Wet op de huurtoeslag genoemd wordt. Dit bedrag is € 879,66 per 1 juli 2024. G. Onder verlettering van artikel 1, onderdelen w tot en met ss in de toelichting tot artikel 1, onderdelen x tot en met tt wordt een nieuwe toelichting op artikel 1, onderdeel w (nieuw) ingevoegd, luidende: w. Middeldure huurwoonruimte Voor de definitie van middeldure huurwoonruimte wordt verwezen naar de Huisvestingswet 2014. Middeldure huurwoonruimte zijn woningen in het midden segment, zoals bedoeld in de Wet betaalbare huur. H. De toelichting op artikel 2.1.1 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het deel ´Woonruimten in eigendom van woningcorporaties die middels intermediaire verhuur door een zorginstelling worden bemiddeld of worden verhuurd met een huurcontract dat onlosmakelijk verbonden is met een zorgcontract van een zorginstelling.´ wordt vervangen door ´Woonruimten in eigendom van woningcorporaties die middels intermediaire verhuur door een zorginstelling worden bemiddeld of worden verhuurd aan een bewoner met een erkende zorgindicatie en die voorgedragen wordt door een preferente zorgaanbieder.´ 2.
Na de laatste alinea van de toelichting op artikel 2.1.1 wordt de volgende tekst toegevoegd: - Middeldure huurwoonruimte zoals bedoeld in artikel 1 van de Huisvestingswet 2014. Dit zijn woonruimten met een huurwaarde boven het bedrag als genoemd in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en met een maximale huurwaarde van 186 WWS punten.
I.
In de toelichting op artikel 2.2.3 wordt ‘In Amsterdam is de verstrekking van huisvestingsvergunningen voor sociale huurwoningen van corporaties ook bij de corporaties in mandaat gegeven. Het verstrekken van huisvestingsvergunningen voor sociale huurwoningen van particuliere eigenaren en voor gereguleerde middensegmentwoningen is niet gemandateerd’ vervangen door ‘In Amsterdam is de verstrekking van huisvestingsvergunningen voor sociale huurwoningen en middeldure huurwoonruimten van corporaties ook bij de corporaties in mandaat gegeven. Het verstrekken van huisvestingsvergunningen voor sociale huurwoningen en middeldure huurwoonruimten van particuliere eigenaren en voor gereguleerde middensegmentwoningen is niet gemandateerd’.
J.
Na de toelichting op artikel 2.3.6 wordt een alinea toegevoegd, luidende: Artikel 2.3.7 Volgordebepalingen voor bepaalde huurwoningen onder de liberalisatiegrens in particulier bezit Het plan is om de komende drie jaar 2.500 - 3.000 flexwoningen (tijdelijke woningen) te realiseren in drie tranches. Dit is om te voldoen aan de grote vraag naar betaalbare woningen. Daarnaast is het doel om minimaal 30% van deze woningen toe te wijzen aan statushouders, om zo te voldoen aan de taakstelling vanuit het Rijk. De overige woningen worden toegewezen aan reguliere woningzoekenden die met spoed op zoek zijn naar een woning, waaronder jongeren, mensen uit specifieke beroepsgroepen en economisch daklozen. De flexcomplexen kunnen ontwikkeld of beheerd worden door corporaties, maar ook door particulieren. Over het algemeen gelden er geen voorrangsregels voor particuliere sociale huurwoningen. Dit artikel regelt dat het mogelijk wordt om voorrangsregels van toepassing te verklaren op particuliere flexcomplexen. Per complex zal uiteindelijk bekeken worden welke doelgroepenmix gewenst is.
K. In de toelichting op artikel 2.4.1 wordt ‘woonruimten in eigendom van woningcorporaties´ vervangen door ‘woonruimten in eigendom of beheer van woningcorporaties´. L. De toelichting op artikel 2.8.1 wordt als volgt gewijzigd: 1. De toelichting onder Rolstoelwoning komt te luiden: Woningen die bijzonder geschikt zijn voor personen die volledig rolstoelgebonden zijn worden toegewezen op basis van een beschikking voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten voor verhuizing naar een rolstoelgeschikte woning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Daarnaast is bepaald dat in het geval van rolstoelwoningen met vier of meer kamers huishoudens met drie of meer minderjarige kinderen voorrang krijgen op andere huishoudens. Hierbij geldt wel dat een lid van het huishouden in bezit moet zijn van een indicatie voor een rolstoelwoning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Artikel 2.8.3, zesde en zevende lid, regelt de volgorde waarin woningzoekenden die in aanmerking komen voor een rolstoelwoning deze krijgen toegewezen. 2. De zinsnede ´Niet-kwetsbare jongeren en studenten´ wordt vervangen door ´Nietkwetsbare personen´. 3. Na de laatste alinea wordt een alinea toegevoegd: Maatwerk passendheidscriteria gezinnen In artikel 2.8.1, zesde lid, is opgenomen dat corporaties kunnen afwijken van de bestaande passendheidscriteria voor gezinnen.
Dat betekent dat een corporatie kan besluiten een woning die niet volledig aan de passendheidscriteria voldoet, toch als passend te beschouwen voor een groot of klein gezin. In dat geval kan de woning met voorrang aan een gezin worden toegewezen.
M. De toelichting op artikel 2.8.3 komt te luiden: Als een sociale huurwoning van een corporatie te huur wordt aangeboden op het aanbodinstrument (www.woningnetregioamsterdam.nl) reageren er meestal enkele honderden ingeschreven woningzoekenden. Het is daarom nodig om een volgorde aan te brengen waarin belangstellenden een woning mogen accepteren. In artikel 2.8.3, eerste tot het zevende lid, is de volgorde bepaald voor woningen waarop passendheidscriteria van toepassing zijn, de “gelabelde woningen”. Elk label kent een eigen volgordebepaling. Op grond van het vierde lid is bij de toewijzing van jongerenwoningen een lokale voorrang voor Amsterdamse jongeren van toepassing. Kandidaten die in de afgelopen tien jaar ten minste zes jaar onafgebroken ingeschreven hebben gestaan in Amsterdam krijgen voorrang op een jongerenwoning. Deze regeling voor lokale voorrang is slechts op een deel van de vrijkomende jongerenwoningen van toepassing ingevolge het twaalfde lid. Ten aanzien van het vijfde lid wordt opgemerkt dat een beschikking ter tegemoetkoming van verhuiskosten op grond van de Wet maatschappelijk ondersteuning vereist dat de woningzoekende een woning betrekt die precies aansluit bij de voorgeschreven benodigdheden. De woningzoekende met een verhuiskostenbeschikking dient daarom zorgvuldig na te gaan of de woning voldoet aan de voorwaarden van de beschikking.
De werking van de voorrang in WoningNet biedt hierin geen garantie omdat bij meerdere typen gelabelde woningen voorrang wordt verleend op basis van een verhuiskostenbeschikking. De gemeente heeft in het zesde en zevende lid een afwijkende selectievolgorde opgenomen voor rolstoelwoningen om deze woningen eerlijk te verdelen onder diegenen die afhankelijk zijn van een rolstoel. Amsterdammers die afhankelijk zijn van een rolstoel kunnen niet of moeilijk in een normale woning wonen. Voor deze mensen zijn er speciale woningen gebouwd die aangepast zijn aan het gebruik van een rolstoel: de rolstoelwoningen. Er wachten veel rolstoelgebruikers op een rolstoelwoning, maar helaas komen deze woningen weinig beschikbaar. De selectievolgorde is als volgt: − Personen met een door de gemeente Amsterdam afgegeven beschikking met indicatie rolstoelwoning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo-indicatie voor een rolstoelwoning) krijgen voorrang op rolstoelwoningen. Voor de onderlinge volgordebepaling van kandidaten met een dergelijke indicatie zijn er drie groepen die vanwege acute en dringende woonproblematiek voorgaan op de overige kandidaten voor een rolstoelwoning.
Als eerste komen rolstoelgebonden woningzoekenden in aanmerking die uitbehandeld zijn maar nog in een revalidatiekliniek, verpleeg- of ziekenhuis verblijven omdat de eigen woning niet geschikt is voor rolstoelgebruik (acute woonomstandigheden). − De groep die als tweede in aanmerking komt betreft rolstoelgebonden woningzoekenden die een stadsvernieuwingsurgentieverklaring hebben. − De groep die als derde in aanmerking komt betreft rolstoelgebonden woningzoekenden die in een woning wonen maar deze woning is zeer ongeschikt voor rolstoelgebruik. Dit is het geval als 1) medische of verpleegkundige handelingen niet uitgevoerd kunnen worden vanwege de technische onmogelijkheden van de woning en de woning hier niet op is aan te passen of 2) als de woningzoekende de huidige woning niet meer in of uit kan en tilservice geen mogelijkheid is of 3) niet zodanig kan worden ingezet dat de woningzoekende dagelijks naar school, werk, dagbesteding of voorgeschreven medische behandelingen kan gaan (dringende
−
−
woonomstandigheden). Daarna komen de overige woningzoekenden met een Wmoindicatie voor een rolstoelwoning in aanmerking. Aanvullend geldt dat rolstoelgebruikers die al in een rolstoelwoning wonen, maar naar een andere rolstoelwoning willen verhuizen als laatste in aanmerking komen voor een rolstoelwoning, omdat zij al in een rolstoelwoning wonen. Op rolstoelwoningen met vier kamers of meer komen gezinnen met drie of meer kinderen als eerste in aanmerking, gevolgd door gezinnen met twee kinderen en gezinnen met één kind. Voorheen kregen gezinnen met drie kinderen of meer alleen voorrang op rolstoelwoningen met vijf of meer kamers, maar dit was vanwege het schaarse aanbod van dergelijke woningen niet effectief.
In het achtste lid staat het algemene volgordecriterium voor sociale huurwoningen van corporaties op basis van woonpunten. Ingevolge dit lid geldt binnen dezelfde categorie woningzoekenden voorrang op basis van het aantal woonpunten op DAK. Degene met de meeste woonpunten krijgt als eerste de mogelijkheid een woning te accepteren. Volgordebepaling op basis van woonpunten vindt plaats als op een woning geen labels van toepassing zijn of als de bijzondere volgordebepalingen voor gelabelde woningen in het eerste tot en met zevende lid niet doorslaggevend zijn. Dat is het geval als er meerdere geïnteresseerden zijn binnen eenzelfde voorrangsgroep. In het negende lid is geregeld dat woonpunten ook doorslaggevend zijn als meerdere groepen woningzoekenden met voorrang voor een woning in aanmerking komen en de bijzondere volgordebepalingen niet doorslaggevend zijn. Het tiende lid maakt een uitzondering op het algemene volgordecriterium op basis van woonpunten voor woningzoekenden met een urgentieverklaring of een beschikking op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. In dergelijke gevallen wordt de volgorde bepaald aan de hand van de afgiftedatum van de urgentieverklaring of de beschikking. Degene die de urgentieverklaring of beschikking eerder kreeg, krijgt voorrang in het kunnen accepteren van de woning.
Burgemeester en wethouders kunnen hier een uitzondering op maken als huisvesting voor een woningzoekende dringend noodzakelijk is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij cliënten die na revalidatie een instelling dienen te verlaten en niet terug kunnen naar de voormalige woning. In het elfde lid is bepaald dat de jongerenvoorrang van toepassing is op een bandbreedte van 30 tot 50% van de vrijkomende woningen. De overige jongerenwoningen worden zonder voorrang op basis van lokale binding verhuurd, waarbij ten hoogste 25% van het totaal aantal vrijkomende jongerenwoningen kunnen worden toegewezen op basis van loting. De bijzondere volgordebepaling in het vierde lid is niet van toepassing op lotingwoningen. In het twaalfde lid is bepaald dat burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de algemene en bijzondere volgordebepalingen bij woningruil en bij overlijden van de hoofdhuurder. Wanneer een hoofdhuurder overlijdt is het aan de verhuurder om te beslissen of de achterblijver mag blijven wonen in de woning. Mocht er een geschil ontstaan over of de achterblijver mag blijven wonen in de huurwoning of over woningruil, dan is het mogelijk dat burgmeester en wethouders een principeverklaring verstrekken waarin wordt verklaard of de achterblijver voldoet aan de gemeentelijke voorwaarden voor een huisvestingsvergunning. Burgemeester en wethouders toetsen dan in ieder geval
aan de criteria van artikel 2.2.1 en artikel 2.2.2. Het is vervolgens aan de civiele rechter om te oordelen of de achterblijver in de woning mag blijven wonen of dat de woningruil wordt toegelaten. In het dertiende lid is geregeld dat in afwijking van de algemene en bijzondere volgordebepalingen een huisvestingsvergunning kan worden verleend indien een woningzoekende in aanmerking komt voor een verhuissubsidie op grond van de Subsidieregeling Stedelijke vernieuwing, verhuisregelingen en ouderenhuisvesting 2019 of in het kader van de regeling Van Hoog naar Laag. Deze regelingen stimuleren dat huishoudens passender gaan wonen en bevorderen daarmee de doorstroming. N. In de toelichting op artikel 2.9.2 komt ´Voor andere woningen is in het geval er meerdere gegadigden zijn die voldoen, loting voorgeschreven.´ te vervallen. O. De toelichting op artikel 2.9.7 komt te vervallen. P. De toelichting op artikel 2.10.8 wordt gewijzigd en komt te luiden: In aanvulling op de artikelen 2.10.6 en 2.10.7 regelt artikel 2.10.8 de overige urgentiecategorieën. Het eerste lid stelt de volgende urgentiecategorieën vast: a.
Woningzoekenden in acute noodsituaties, welke in Nadere Regel 1 Urgenties is beschreven als situaties veroorzaakt door brand, explosie of andere calamiteiten in of met bestaande woningen en waarbij een bevoegd toezichthouder een herstelperiode van minimaal vier maanden voorziet; b. Woningzoekenden die vanwege medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.10.7 ingestelde urgentiecategorie. In Nadere Regel 1 Urgenties zijn ook voor deze urgentiecategorie aanvullende criteria beschreven; c. Woningzoekenden wiens huidige woonruimte behoort tot een door burgemeester en wethouders wegens stadsvernieuwing (SV) voor sloop, ingrijpende renovatie of herstructurering aangewezen complex; d. Statushouders in wier huisvesting overeenkomstig de voor de gemeente geldende taakstelling dient te worden voorzien; e. Woningzoekenden die op basis onderdeel d van dit artikel (statushouders) of artikel 2.10.7 (uitstroom of omslagurgentie) zijn gehuisvest met een tijdelijke huurovereenkomst, en die bij beëindiging van deze huurovereenkomst niet op eigen kracht een andere woonruimte kan vinden. Deze categorie wordt ook wel de ruggensteunregeling genoemd; f.
Personen die, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, vallen binnen de aanpak voor multiprobleemgezinnen, het beleid ten aanzien van dreigende ontruiming bij overlast, het Uitstapprogramma Prostitutie, het beleid voor slachtoffers van mensenhandel of het beleid voor personen die gehuisvest moeten worden na herstel in een revalidatiecentrum; g. Statushouders die eerder zijn gehuisvest, maar de woonruimte is door gezinshereniging met gezinsleden uit het land van herkomst niet meer passend; h. Personen zonder vaste woon- of verblijfplek, die afgewezen zijn voor de MO/BW en worden voorgedragen door HVO Querido of de Regenboog Groep (economisch daklozen); i. Personen met een openbare orde en veiligheidsachtergrond die worden voorgedragen door het Actiecentrum Veiligheid en Zorg (AcVZ-doelgroep).
In het tweede, derde en vierde lid worden uitzonderingen gemaakt op weigeringsgronden voor bepaalde urgentiecategorieën. In het vijfde lid is bepaald dat in geval van een urgentieaanvraag op grond van artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel h, het college kan beslissen de urgentieaanvraag te weigeren op grond van de weigeringsgronden c en e uit het eerste lid van artikel 2.10.5. Dit geeft de mogelijkheid om maatwerk te verlenen bij specifieke gevallen. De overige weigeringsgronden uit artikel 2.10.5 zijn onverkort van toepassing op een urgentieaanvraag voor personen zonder vaste woon- of verblijfplek, die afgewezen zijn voor de MO/BW en worden voorgedragen door HVO Querido of de Regenboog Groep. Q. In de toelichting op artikel 3.1.2 wordt na de laatste alinea de volgende toelichting toegevoegd: Vrijstelling huizenruil Woningen zijn om in te wonen, aldus de Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting. Daarom reguleren we het gebruik van de woningvoorraad, ook bij toeristisch gebruik van woningen. De laatste tijd is huizenruil als vorm van toeristisch gebruik in opkomst. Alle vormen van kortdurend verblijf hebben invloed op de woningvoorraad en op de leefbaarheid in wijken en buurten. Na Airbnb is HomeExchange inmiddels de tweede aanbieder van woningen voor toeristisch verblijf in de stad.
In de raadsinformatiebrief van 23 april 2024 over de afhandeling van de moties 665.23 en 697.23 heeft het college aangegeven dat huizenruil zonder enige vorm van betaling niet onder de vakantieverhuurregels valt. Deze vorm van huizenruil is ook vrijgesteld van de onttrekkingsvergunningplicht in het vierde lid. Vrijstelling korte huisbewaring Het vijfde lid betreft de vrijstelling voor korte huisbewaring. Eén van de doelstellingen van de Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting is het creëren van meer woonruimte in de bestaande woningvoorraad. Dit kan door bewoners toe te staan om hun woning tijdelijk in gebruik te geven aan iemand anders als zij een aantal maanden afwezig zijn door bijvoorbeeld een lange reis of uitwisselingssemester. Deze mogelijkheid zou onder andere een uitkomst kunnen zijn voor mensen die met spoed een woning zoeken zoals economisch daklozen, gescheiden mensen en studenten. Korte huisbewaring valt formeel onder woningonttrekking en/of toeristische verhuur. Voor beiden geldt een vergunningplicht die voor deze situaties over het algemeen niet worden verleend. Om dit toch mogelijk te maken is in het vijfde lid en in artikel 3.7.3a, vierde lid, geregeld dat het tijdelijk in gebruik geven van je woning vrijgesteld wordt van de vergunningplicht voor onttrekking en toeristische verhuur.
Deze vrijstelling geldt voor maximaal één aaneengesloten periode van minimaal drie tot maximaal zes maanden. Voor particuliere woningen wordt dit voor één keer per jaar vrijgesteld en voor corporatiewoningen één keer per vijf jaar. Dit beperkt de mogelijkheid dat corporatiewoningen tijdelijk worden bewoond door mensen buiten hun doelgroep en voor boven de sociale huurprijs. Anderzijds wordt hiermee alsnog tegemoetgekomen aan de behoefte vanuit corporaties die dit in bijzondere gevallen willen kunnen toestaan. De aanvrager die de woning tijdelijk achterlaat moet ingeschreven staan op het betreffende woonadres. De tijdelijke bewoner mag tijdens de periode niet op een ander woonadres in Amsterdam staan ingeschreven. Bij een huurwoning is altijd toestemming nodig van de verhuurder. R. De toelichting op artikel 3.1.4 komt te luiden: Omzetting tot twee bewoners (eerste lid) De Huisvestingswet bepaalt dat een woonruimte wordt bewoond door één huishouden. Als een woning wordt bewoond door meerdere personen, die samen geen huishouden vormen, is er sprake van omzetting naar meerdere onzelfstandige woonruimten. Hiervoor
is een omzettingsvergunning nodig. Voor bewoning voor drie of meer personen (niet zijnde een huishouden) geldt in Amsterdam een verplichte omzettingsvergunning (zie artikel 3.3.11 e.v.). Voor omzetting vanwege bewoning door twee personen die geen huishouden vormen geldt geen vergunningplicht. De gemeente Amsterdam wil twee vrienden die samenwonen namelijk niet anders behandelen dan een stel. Temeer ook omdat hierbij geen leefbaarheidseffecten optreden. Inwoning (tweede tot vierde lid) Amsterdam beschouwt inwoning als een woonvorm waarbij een permanente bewoner van een woning een ander huishouden de helpende hand biedt door woonruimte aan te bieden in zijn of haar woning. Bij inwoning is sprake van een duidelijk onderscheid tussen de hoofdbewoner en de inwoner. Er is bijvoorbeeld sprake van inwoning als een gezin een familielid in huis neemt om te verzorgen of onderdak aan te bieden (opa/oma; neef/nicht). Ook is sprake van inwoning als een huishouden (tijdelijk) een vriend(in) in huis neemt die door bijvoorbeeld een scheiding dakloos is geworden. Tegenwoordig zien we vaker situaties waarbij het eerste (hoofd-)huishouden een onbekend huishouden in huis neemt, om bij te dragen aan de huisvestingskosten. Er hoeft echter niet altijd sprake te zijn van een huurrelatie.
Zeker op de krappe Amsterdamse woningmarkt is het belangrijk dat de mogelijkheid voor inwoning bestaat, zonder al te hoge drempels. Doordat het inwonende huishouden in huis woont bij het hoofdhuishouden is er minder sprake van negatieve effecten voor de leefbaarheid. Gezien het (maatschappelijk) belang van inwoning en het feit dat een permanente bewoner een deel van zijn woning beschikbaar stelt, in tegenstelling tot een eigenaar die een gehele woning verhuurt aan meerdere personen, geldt voor inwoning geen vergunningplicht. Dit verlaagt de drempel voor bewoners om met inwoning iemand aan woonruimte te helpen. Wel wordt een aantal voorwaarden gesteld, die onder andere moeten voorkomen dat inwoning wordt gebruikt om de regels voor woningdelen te omzeilen. Om een te grote druk op de leefbaarheid van de woonomgeving te voorkomen mag in beginsel maar aan maximaal één ander huishouden inwoning worden verleend. Indien iemand meerdere huishoudens wil laten inwonen, dient in een omzettingsvergunning te worden aangevraagd. Aan een omzettingsvergunning zijn voorwaarden verbonden die de leefbaarheid borgen. Om bij inwoning daarnaast te borgen dat niet van begin af aan de intentie bestaat een woning te delen, is ook vereist dat een huishouden al minimaal één jaar in dezelfde samenstelling op een woning woont en ingeschreven staat voordat vergunningsvrij een ander huishouden kan inwonen.
Op het vereiste dat aan maximaal één huishouden inwoning mag worden verleend en het inwoning verlenende huishouden de woonruimte al minimaal één jaar zonder inwonend huishouden moet hebben bewoond, gelden enkele uitzonderingen. Een van deze uitzonderingen is het geval wanneer het inwoning verlenende of het inwonende huishouden getrouwd is of een geregistreerd partnerschap heeft. In deze gevallen wordt inwoning direct toegestaan. Wanneer sprake is van inwoning ten behoeve van mantelzorg in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of inwoning van eerste- tot en met vierdegraads familieleden, dan zijn de genoemde voorwaarden voor inwoning helemaal niet van toepassing (vierde lid). Naast dat de eis van het één jaar zonder inwonend huishouden bewonen van de woonruimte vervalt en direct is toegestaan, wordt in deze gevallen inwoning toegestaan door twee huishoudens. Bijvoorbeeld wanneer een nieuwe, grotere woning wordt betrokken om ruimte te bieden aan een opa of oma en een gescheiden zus. S. De toelichting op artikel 3.3.7 komt te luiden:
Artikel 3.3.7 Quotumvoorwaarden omzettingsvergunning De Huisvestingswet bepaalt dat een woonruimte wordt bewoond door één huishouden. Als een woning wordt bewoond door meerdere personen, die samen geen huishouden vormen, wordt gesproken van woningdelen en is er in beginsel sprake van omzetting in meerdere onzelfstandige woonruimten. Woningdelen komt in twee vormen voor: als kamerverhuur en inwoning. Inwoning is toegelicht onder artikel 3.1.4. Bij kamerverhuur worden onzelfstandige woonruimten verhuurd aan meerdere huishoudens. Bijvoorbeeld vier studenten of jongeren die ieder een kamer in een woning bewonen en de gezamenlijke voorzieningen zoals keuken en sanitair delen. Elke bewoner betaalt (een deel van de totale) huur voor het gebruik van een kamer en voorzieningen (woonkamer, keuken en badkamer) worden gedeeld. Op grond van de Huisvestingswet is een vergunning vereist als een zelfstandige woonruimte wordt omgezet naar meerdere onzelfstandige woonruimten. Tot 2020 gold alleen een maximum voor het aantal omzettingen in vijf of meer kamers. Vanwege de enorme toename aan kamerverhuur geldt er nu voor alle omzettingen een quotum per wijk, dat uiteenvalt in een regulier wijkquotum en een plusquotum per wijk dat alleen geldt voor omzettingsvergunningen tot drie onzelfstandige woonruimten.
Hiermee wordt een overmaat aan verkamering voorkomen en dat zorgt ervoor dat woningen beschikbaar blijven voor reguliere bewoning. Een quotum op wijkniveau beschermt aldus de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Het quotum op wijkniveau is gebaseerd op vijf procent van het totaal aantal woningen in een wijk met een oppervlakte van minimaal 60 vierkante meter. Het plusquotum is gebaseerd op twee procent van het totaal aantal woningen in een wijk met een oppervlakte van minimaal 60 vierkante meter. Dit zijn over het algemeen de woningen die door meer dan twee volwassenen (al dan niet met kinderen) bewoond (kunnen) worden. De hoogtes van de quota per wijk worden door burgemeester en wethouders in nadere regels vastgesteld zodat zij kunnen worden aangepast op maatschappelijke ontwikkelingen. Het plusquotum wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Naast het reguliere en plus wijkquotum geldt er een quotum per pand. Het quotum op pandniveau beschermt de leefbaarheid in de directe omgeving. Dit quotum voorkomt dat binnen een wijk concentraties van kamerverhuur ontstaan en zorgt ervoor dat kamerverhuur niet de overhand krijgt binnen een pand. Bij kamerverhuur is, eerder dan bij zelfstandige bewoning, sprake van verschillende leefritmes. Ook wordt vaker van bewoner gewisseld dan bij reguliere bewoning, wat kan leiden tot minder binding met het wooncomplex en de directe omgeving.
Een groot aandeel kamerverhuur kan hierdoor een negatief effect hebben op de leefbaarheid. Met het oog hierop wordt bepaald dat maximaal 25 procent van de woningen in een pand, of in een rij aaneengesloten eengezinswoningen, kan bestaan uit omgezette woonruimte. Voor situaties waarin sprake is van een afwijkende indeling, ontsluitingssystematiek of plattegrond wordt door burgemeester en wethouders een individuele afweging gemaakt. Met beide quota (pand- en wijk) als met het maximum aantal kamers per om te zetten zelfstandige woonruimte en met de eis dat een kamer niet door meer dan één volwassene mag worden bewoond is ruimtelijke sturing beoogd. Deze voorwaarden vormen een nadere borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verkeer en Openbare ruimte heeft daarenboven beoordeeld dat bij deze regeling geen sprake zal zijn van zodanige toename van de parkeerdruk of behoefte aan fietsparkeerplekken dat dit vanuit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar zou zijn. In 3.3.9 wordt nader ingegaan op de specifieke voorwaarden en voorschriften bij omzetting. In de tabel in bijlage 4, behorende bij artikel 3.3.7, zes lid zijn plusquota voor de verschillende wijken opgenomen. Het plusquotum is gebaseerd door twee procent van het aantal zelfstandige woonruimten met minimaal 60 m2 te nemen in de betreffende wijken.