Raadsbesluit 2024-162B BP Hendrik Soeteboomstraat 36-38 Toelichting en Regels
Tekst van het document
Wanneer men met één druk op de knop de mechanische ventilatie in de woningen uit kan schakelen, dan zullen er in het geval van een giftige wolk (en indien ramen en deuren gesloten zijn) geen gevaarlijke stoffen de woningen binnendringen en kan men binnen veilig schuilen. bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 57
Als de personen in het projectgebied voorbereid zijn, zullen ze beter en eerder in staat zijn om te komen tot een handelingsperspectief en zo weet men bijvoorbeeld wanneer de noodknop voor de mechanische ventilatie gebruikt dient te worden. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
4.11
Niet Gesprongen Explosieven
De opslag van munitie en/of explosieven valt niet onder het toepassingsgebied van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Op de opslag van munitie en/of explosieven is de 'Circulaire Opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik' van toepassing. In tegenstelling tot het Bevi is geen sprake van risicobenadering maar van een effectbenadering bij de opslag van munitie en/of explosieven. Per categorie explosieven zijn aan te houden afstanden onderscheiden. Kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogen binnen deze afstanden niet aanwezig zijn. Conform de Arbowetgeving dient voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden het terrein onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen.
Figuur 4.6 Uitsnede bommenkaart Amsterdam (locatie plangebied rood omcirkeld) Beoordeling Op basis van de Bommenkaart van gemeente Amsterdam is beoordeeld of het plangebied is gelegen in een verdacht gebied voor Niet Gesprongen Explosieven. Hieruit volgt dat dit niet aan de orde is. Nader onderzoek naar dit aspect is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Gemeente Amsterdam
blz. 58
Het aspect Niet Gesprongen Explosieven staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.12
Luchthavenindelingbesluit
De milieu- en veiligheidsregels voor Schiphol zijn vastgelegd in twee uitvoeringsbesluiten, behorend bij de in 2001 goedgekeurde Schipholwet: het Luchthavenindelingbesluit en Luchthavenverkeersbesluit. Het Luchthavenverkeersbesluit is gericht op de beheersing van de milieubelasting door het luchthavenluchtverkeer rondom Schiphol. Het Luchthavenindelingbesluit bevat (ruimtelijke) regels voor de omgeving ten behoeve van het functioneren van Schiphol. Voor ruimtelijke plannen is hoofdzakelijk het Luchthavenindelingbesluit van belang. Dit besluit zal kort worden toegelicht. In het Luchthavenindelingbesluit (LIB) is in november 2002 in werking getreden en is een besluit op basis van de Luchtvaartwet. Het LIB regelt welk gebied bestemd is voor gebruik als luchthaven en voor welk gebied daarom heen beperkingen gelden ten behoeve van de veiligheid en geluidsbelasting. Voor bepaalde gebieden rondom Schiphol is een "beperkingengebied" aangewezen. Binnen dat gebied gelden beperkingen ten aanzien van: maximale bouwhoogten, vogel aantrekkende functies en toegestane functies. Het LIB geeft regels voor gebruik en bestemming van de grond in deze gebieden. Op basis van het LIB kan de rijksoverheid beperkingen opleggen aan bouwinitiatieven in zones rondom de luchthaven Schiphol.
Primaire doelen zijn: voorkomen dat het gebruik van de grond en de bebouwing op en rond Schiphol een gevaar zou kunnen vormen voor de veiligheid van het luchtverkeer; beperken van het aantal nieuwe en bestaande door vliegtuiggeluid gehinderde bewoners en gebruikers. Het besluit tot wijziging van het LIB Schiphol in verband met wijziging van het beperkingengebied en de regels met het oog op de vliegveiligheid is met ingang van 4 november 2015 in werking getreden. Verder zijn de ruimtelijke regels over externe veiligheid en geluidhinder verduidelijkt en vereenvoudigd. Met deze wijzigingen krijgen gemeenten meer eigen afwegingsruimte en verantwoordelijkheid voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dit mede naar aanleiding van knelpunten bij gemeenten in verband met de lokale leefbaarheid. Beoordeling Het plangebied is enkel binnen het gebied van het LIB gelegen waarvoor toetshoogtes gelden voor de radar. Op basis hiervan mag de maximale bouwhoogte niet hoger zijn dan 80 meter. De woningen en bouwwerken die middels onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt zullen de maximale bouwhoogte van 80 meter niet overschrijden. Daarnaast is het plangebied gelegen in het beperkingengebied voor Windturbines en Lasers. Dit bestemmingsplan staat de ontwikkeling van zowel windturbines als lasers niet toe. Van strijdigheid met het LIB is derhalve geen sprake.
Conclusie Het LIB staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 59
4.13
Bezonningsstudie
De zon speelt een grote rol bij woningen of andere bouwwerken. Zonlicht heeft invloed op humeur, werkprestaties en woongenot, waardoor er veel waarde wordt gehecht aan voldoende zonlicht. Vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn er daarom regels opgenomen voor voldoende daglicht in verblijfruimten van een nieuw te bouwen bouwwerk. Het Bbl zegt echter niets concreets over het wegnemen van zonlicht bij andere gebouwen. De rijksoverheid heeft ook geen andere wet- en regelgeving die hierop betrekking hebben. Ten behoeve van dit plan is een bezonningsstudie uitgevoerd om te kunnen beoordelen in hoeverre er mogelijk sprake is van een onredelijke beperking van het aantal zonuren als gevolg van de mogelijkheid dit bestemmingsplan biedt ten opzichte van het bestaande bestemmingsplan. De bezonningsstudie is als Bijlage 9 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan. Beoordeling en conclusie In de bezonningsstudie is een vergelijking gemaakt tussen de huidige planologische situatie en toekomstige planologische situatie. Hierbij zijn de volgende dagen van de seizoenen maatgevend: 19 februari: eerste dag van de lichte norm; 21 juni: de dag dat de zon het hoogst staat; 21 oktober: de laatste dag van de lichte norm; en 21 december: de dag dat de zon het laagst staat. Meettijdstippen: 09:00 uur; 10:00 uur; 11:00 uur; 12:00 uur; 15:00 uur; 18:00 uur.
Uit de resultaten van de bezonningsstudie wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een onredelijke beperking van het aantal zonuren.
4.14
M.e.r.-beoordeling
Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn drie onafhankelijke aanvliegroutes die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. Het betreft de volgende drie stappen: 1. Toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Hiermee wordt getoetst of het plan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. Het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig. b. Het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r., en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van Gemeente Amsterdam
blz. 60
m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan als bedoeld in kolom 3 ‘plannen' geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht. c. Het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D: er moet beoordeeld worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd. d. De activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit wordt niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. 2. In het geval van een plan: toetsing of het uitvoeren van een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is vanwege de hierin opgenomen activiteit(en). In dat geval is het plan mogelijk m.e.r.-plichtig. 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Door Provinciale Staten kunnen hierin aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. Beoordeling en conclusie De activiteit die met de ruimtelijke onderbouwing mogelijk wordt gemaakt, is de realisatie van 6 grondgebonden woningen. Deze activiteit valt binnen onderdeel D.
(D11.2 de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen). Er is geen definitie gegeven voor een 'stedelijk ontwikkelingsproject'. De activiteit blijft ruimschoots onder de drempelwaarde: Oppervlakte van 100 hectare of meer; Aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat; of Bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. zijn indicatieve waarden. Dit betekent dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Dit kan middels een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Op grond van de stappen 2 en 3 is geen directe aanleiding voor een m.e.r.-plicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden beoordeeld of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. In voorgaande paragrafen zijn de mogelijk effecten ten aanzien voor de diverse milieu- en omgevingsaspecten nader beoordeeld. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatsen. Er is dan ook geen sprake van een m.e.r.-plicht.
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 61
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.
Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt in paragraaf 5.2 kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.
5.2
De bestemmingen
Tuin-1 De bestemming 'Tuin - 1' is toegekend aan de voortuinen bij de woningen in het plangebied. In deze bestemming zijn voortuinen, parkeervoorzieningen met bijbehorende in- en uitritten en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Tuin-2 De bestemming 'Tuin - 2' is toegekend aan de zij- en achtertuinen bij de woningen in het plangebied. In deze bestemming zijn tuinen en erven toegestaan die hoger bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Binnen deze bestemming is de bouw van bijbehorende bouwwerken in de vorm van
Gemeente Amsterdam
blz. 62
aan- en uitbouwen en bouwwerken toegestaan. Bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn eveneens toegestaan binnen deze bestemming. Water Het bestaande water rondom grenzend aan het plangebied is bestemd als 'Water'. Binnen deze bestemming zijn vlonders/steigers toegestaan, uitsluitend ter plaatse van de daarvoor opgenomen aanduiding. Wonen Binnen de bestemming 'Wonen' is wonen toegestaan alsmede ook het uitvoeren van een aan-huis-verbonden beroep en/of -bedrijf. Woningen moeten binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden opgericht, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' uitsluitend vrijstaande woningen zijn toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'twee-onder-een-kap' uitsluitend twee-onder-een-kapwoningen. De goot- en bouwhoogte van de woningen mogen niet meer bedragen dan de op de verbeelding aangegeven maatgevingen. Waarde - Archeologie Ter plaatse van de waterloop Het Twiske zijn de gronden deels voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De met de dubbelbestemming aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en behoud van archeologische waarden.
Ter plaatse van de dubbelbestemming geldt dat bij graafwerkzaamheden of andere grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 10.000 m2 en dieper dan de waterbodem er een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig is.
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 63
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geldt onder bepaalde voorwaarden de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan gelijktijdig met het vaststellen van een bestemmingsplan. Het exploitatieplan is een instrument voor de gemeente gericht op kostenverhaal in het kader van de grondexploitatie. Ingevolge artikel 6.12 Wro, besluit de gemeenteraad of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. In dit geval wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan omdat de gemeente Amsterdam over het kostenverhaal een anterieure/planschade overeenkomst sluit met de initiatiefnemer.
Gemeente Amsterdam
blz. 64
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 65
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie
Op 19 september 2023 heeft een informatieavond plaatsgevonden waarin de initiatiefnemers het voorgenomen plan hebben gepresenteerd aan de omwonenden van het plangebied. Na de presentatie van het plan zijn de bewoners in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen en/of opmerkingen te geven. Van de informatieavond zijn notulen gemaakt die in Bijlage 10 van deze toelichting zijn opgenomen.
7.2
Inspraak
Er heeft geen inspraak op grond van de inspraakverordening plaats gevonden op het voorontwerpbestemmingsplan. Artikel 2 van de inspraakverordening geeft aan dat er geen inspraak verleend wordt op bestemmingsplannen (= voorbereiding van besluiten betreffende waarvan op grond van de Wet ruimtelijke ordening afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard). Het ontwerp bestemmingsplan wordt, conform de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter inzage gelegd.
7.3
Vooroverleg
Het plan wordt, nadat het Dagelijks Bestuur ermee heeft ingestemd, in het kader van het vooroverleg (artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening) aan de bestuurlijk vooroverleg instanties gezonden. De volledige vooroverlegreacties zijn in Bijlage 11 van de toelichting van dit bestemmingsplan toegevoegd. De resultaten van het bestuurlijk vooroverleg zijn hieronder weergegeven. Provincie Noord-Holland De provincie Noord-Holland heeft in hun reactie aangegeven kennis te hebben genomen van het plan en zien geen aanleiding tot het indienen van een reactie. Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam (MenA) Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben ten aanzien van het aspect archeologie. Naar aanleiding van de redactionele opmerkingen ten aanzien van de bovengrondse cultuurhistorische waarden, zijn tekstuele aanpassingen gedaan in paragraaf 4.6.2 van deze toelichting. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) Naar aanleiding van de reactie van het hoogheemraadschap is in paragraaf 4.3 van de toelichting de volledige waterwetgeving opgenomen. Omdat het plan verder alleen is gericht op de aanpassing van de bestemming en geen invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen geeft het hoogheemraadschap een positief wateradvies.
Waternet Het Waternet heeft aangegeven dat de watertaken goed zijn meegenomen in het voorontwerp-bestemmingsplan. Zij delen de conclusie dat het aspect water de uitvoering van voorliggend Gemeente Amsterdam
blz. 66
bestemmingsplan niet in de weg staat. Brandweer Amsterdam-Amstelland De Brandweer Amsterdam-Amstelland heeft onderzoek gedaan naar relevante risicobronnen nabij het plangebied. Uit dit onderzoek is gebleken dat het plangebied buiten de grootste risicocontouren ligt en er daarom geen aanleiding is tot aanpassingen van het bestemmingsplan.
7.4
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd. De ingekomen zienswijzen zijn in een nota samengevat en beantwoord. Daarbij wordt aangegeven of en hoe de zienswijze heeft geleid tot een wijziging van het bestemmingsplan. Daarnaast zijn in de nota de ambtshalve wijzigingen beschreven. De 'Nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen' is in Bijlage 12 van deze toelichting opgenomen.
7.5
Beroep
Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
Bestemmingsplan Hendrik Soeteboomstraat 36-38
Vastgesteld
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Hendrik Soeteboomstraat 36-38
Colofon
Opdrachtgever
Livingstone
Opdrachtnemer
Ruimte en Duurzaamheid
IMRO_idn
NL.IMRO.0363.N2301BPSTD-VG01
Datum print
1 Juli 2024
Planstatus
vastgesteld
blz. 3
Inhoudsopgave Bijlagen bij toelichting
5
Bijlage 1
Verkennend en aanvullend bodemonderzoek
7
Bijlage 2
Nader bodemonderzoek
191
Bijlage 3
Saneringsplan
351
Bijlage 4
Akoestische beschouwing wegverkeerslawaai
417
Bijlage 5
Waterparagraaf
467
Bijlage 6
Quickscan flora en fauna
491
Bijlage 7
Nader onderzoek vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen
509
Bijlage 8
Voortoets stikstofdepositie
517
Bijlage 9
Bezonningsstudie
551
Bijlage 10
Notulen informatieavond
563
Bijlage 11
Vooroverlegreacties
569
Bijlage 12
Nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen
579
Gemeente Amsterdam
blz. 4
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 5
Bijlagen bij toelichting
Gemeente Amsterdam
blz. 6
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 7
Bijlage 1
Verkennend en aanvullend bodemonderzoek
Gemeente Amsterdam
VERKENNEND EN AANVULLEND BODEMONDERZOEK HENDRIK SOETEBOOMSTRAAT 36-38A TE AMSTERDAM
LAWIJN advies & management Rapportnr.: 21.4718-A2 januari 2022
Opdrachtgever Livingstone Welkom Thuis B.V. Vossenberg 4 4825 BH Breda Opdrachtnemer LAWIJN Advies & Management Dijnselburgerlaan 1-4a 3705 LP Zeist Telefoonnr. : 030 - 699 19 39 Telefaxnr. : 084 - 723 78 19 e-mail : info@lawijnadvies.nl Rapport Kenmerk Datum
: 21.4718-A2 : 28 januari 2022
Opsteller / projectleider dhr. ing. H. (Herman) van Wijngaarden
Kwaliteitscontrole: mw. drs. ing. F. (Erica) Broeder
KWALITEITSVERKLARING LAWIJN Advies & Management verricht bodemonderzoek conform BRL SIKB 2000. Het bedrijf is hiervoor gecertificeerd volgens ISO 9001 en BRL SIKB 2000 (Protocollen 2001, 2002 en 2018). De werkzaamheden zijn op basis van dit certificatieschema uitgevoerd door (een) erkende veldwerker(s). Er hebben geen afwijkingen op het certificatieschema plaatsgevonden. LAWIJN Advies & Management is op geen enkele manier gelieerd aan de opdrachtgever en/of eigenaar van de onderzochte locatie. De projectleider en veldwerker(s) verklaren dat de werkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever zijn uitgevoerd. Bij eventuele klachten op de uitvoering van de activiteiten binnen de reikwijdte van het kwaliteitsmanagementsysteem dient de opdrachtgever zich in eerste instantie te wenden tot LAWIJN Advies & Management en in tweede instantie tot de certificerende instelling.
Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
INHOUD
blz.
1 INLEIDING............................................................................................................................................. 1 2 VOORONDERZOEK ............................................................................................................................. 2 2.1 Locatiegegevens ........................................................................................................................ 2 2.2 Historische gegevens ................................................................................................................. 3 2.3 Gegevens bodemonderzoek ...................................................................................................... 4 2.4 Bodemopbouw en geohydrologie ............................................................................................... 5 2.5 Hypothese en onderzoeksstrategie ............................................................................................ 6 3 UITVOERING VELD- EN LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN....................................................... 8 3.1 Algemeen.................................................................................................................................... 8 3.2 Veldwerk .....................................................................................................................................
8 3.3 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen ............................................................................ 8 3.4 Monster- en analyseselectie..................................................................................................... 10 4 RESULTATEN EN INTERPRETATIE VAN HET ONDERZOEK ........................................................ 12 4.1 Algemene begrippen en toetsingskader................................................................................... 12 4.2 Grond........................................................................................................................................ 13 4.2.1 Verkennend onderzoek ................................................................................................ 13 4.2.2 Aanvullend onderzoek .................................................................................................. 15 4.3 Grondwater ............................................................................................................................... 16 5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN................................................................................................ 17 5.1 Conclusies ................................................................................................................................
17 5.2 Aanbevelingen .......................................................................................................................... 18
Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
TABELLEN
blz.
1. Overzicht bouwvergunningen gemeente Amsterdam, percelen Hendrik Soeteboomstraat 36-38A ... 3 2. Overzicht voormalige bedrijfsactiviteiten, percelen Hendrik Soeteboomstraat 36-38A....................... 3 3. Overzicht bodemonderzoeklocaties, omgeving percelen Hendrik Soeteboomstraat 36-38A. ............ 5 4. Geohydrologisch overzicht................................................................................................................... 5 5. Onderzoekstrategie.............................................................................................................................. 7 6. Boringen en diepten van zintuiglijk waargenomen verontreinigingen.................................................. 9 7. Gegevens grondwater.......................................................................................................................... 9 8. Overzicht van grond(meng)monsters en analyses ............................................................................ 10 9. Overzicht van grondwatermonsters en analyses............................................................................... 11 10. Overzicht toetsing gemeten analyseresultaten in grond, verkennend onderzoek (mg/kg d.s.)......... 13 11. Overzicht toetsing gemeten analyseresultaten in grond, aanvullend onderzoek (mg/kg d.s.) .......... 15 12.
Overzicht toetsing gemeten analyseresultaten in grondwater (µg/l).................................................. 16
BIJLAGEN
1 Topografische kaart en kadastrale kaart met ligging onderzoekslocatie 2 Situatietekening onderzoekslocatie 3 Beschrijving boorprofielen 4 Analyserapporten 5 Toetsing analyseresultaten aan normen Wet bodembescherming 6 Oude topografische kaarten 7 Historische bodeminformatie omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 8 Informatie archief gemeente Amsterdam / omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 9 Foto’s onderzoekslocatie
Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
1
INLEIDING
Op de locatie Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam is in opdracht van Livingstone Welkom Thuis B.V. te Breda een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van de NEN5740 / NEN5707, alsook de Amsterdamse Richtlijn voor Verkennend Onderzoek (ARVO 2020). De aanleiding voor het bodemonderzoek vormt de voorgenomen herinrichting van de locatie. Het doel van het bodemonderzoek is aantonen of op de onderzoekslocatie sprake is van een bodemverontreiniging. Leeswijzer In het voorliggende rapport komt eerst het vooronderzoek met de onderzoekshypothese aan de orde. Vervolgens wordt de uitvoering van het bodemonderzoek beschreven. Ten slotte komen, na de presentatie van de resultaten van het onderzoek en een interpretatie van deze resultaten, de conclusies en aanbevelingen van het onderzoek aan bod.
Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
1 / 18
2
VOORONDERZOEK
Het vooronderzoek is verricht volgens de NEN 5725 richtlijn, aan de hand van een locatiebezoek, een interview met de huidige eigenaar, en archiefgegevens van de gemeente Amsterdam / omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en de provincie Noord-Holland. In onderstaande paragrafen zijn de verkregen gegevens samengevat beschreven.
2.1
Locatiegegevens
Adres (postcode) Gemeente Kadastrale gegevens Eigenaar Gebruik Coördinaten Onderzocht oppervlakte
: Hendrik Soeteboomstraat 36-38A, Amsterdam (1035 NX) : Amsterdam : gemeente Amsterdam, sectie AN, nrs. 1150, 1151, 1745, 1755, 1760, 1786 : H.P. Zijlstra : woonkavel; twee woningen, vier voormalige bedrijfsruimtes / kantoren, tuin : X - 121.720 Y - 492.360 2 : circa 1.450 m
In bijlage 1 zijn een topografische en kadastrale kaart met de ligging van de locatie opgenomen. Ligging en gebruik De locatie is gelegen in woonwijk Oostzanerwerf, aan de noordzijde van Amsterdam. De locatie is aan de noordzijde ontsloten op de Hendrik Soeteboomstraat. Aan de oostzijde en de zuidzijde wordt de locatie begrensd door een watergang. Onderstaand wordt een overzicht gegeven van het gebruik van de percelen in de omgeving. Noordzijde
openbare weg (Hendrik Soeteboomstraat)
Oostzijde
watergang (Twiske)
Zuidzijde
sloot / woonkavel (Jacob Groenplantsoen 19)
Westzijde
woonkavel (Hendrik Soeteboomstraat 32)
Indeling locatie De locatie is momenteel in gebruik als woonkavel met tuin. De bestaande woningen (nr. 36 en 38) zijn gesitueerd op het noordelijk gedeelte van de locatie. Op het noordwestelijk gedeelte van de locatie (perceel nr. 36) bevindt zich een voormalige timmerwerkplaats. Op het noordoostelijk gedeelte van de locatie (perceel nr. 38A) bevindt zich een voormalig atelier van een lampenkappenfabriek, met aan de zijkant een autogarage, annex berging. Op het zuidelijk gedeelte van de locatie bevinden zich twee houten bijgebouwen (voormalige kantoorruimte timmerbedrijf en voormalige assemblageruimte lampenkappenfabriek). Het middengedeelte van de locatie is in gebruik als tuin / gazon, met twee terrassen. De vloeren van de voormalige bedrijfsgebouwen op het noordelijk gedeelte van de locatie zijn verhard met beton. De vloer van de voormalige assemblageruimte op het zuidelijk gedeelte van de locatie bestaat uit hout. De oprit en de paden op de locatie zijn verhard met straatwerk (klinkers / tegels). Het overige gedeelte van de locatie onverhard. In bijlage 2 is een situatietekening van de onderzoekslocatie opgenomen. Toekomstige inrichting De voorgenomen herinrichting betreft de geplande realisatie van nieuwe woonkavels ter plaatse van de onderzoekslocatie, waarbij alle bestaande gebouwen zullen worden gesloopt.
Locatie-inspectie Tijdens de locatie-inspectie zijn op de locatie geen verdachte plekken in de vorm van verzakkingen, plaatselijke ophogingen of brandplaatsen waargenomen. Ook zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen waargenomen. In bijlage 8 zijn foto’s van de onderzoekslocatie opgenomen.
Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
2 / 18
2.2
Historische gegevens
Historisch gebruik Volgens Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) dateren de bestaande woningen op de locatie (nr. 36 en nr. 38) uit 1916. De atelierruimte op het noordoostelijk van de locatie is omstreeks 1960 gebouwd. In december 1990 is een vergunning verleend voor de bouw van de garage / berging naast het atelier. De voormalige assemblageruimte op het zuidelijk gedeelte van het perceel is in de jaren ’70 gerealiseerd (voor het eerst zichtbaar op een topografische kaart uit 1981). e
Zoals blijkt uit oude topografische kaarten uit de 20 eeuw is de locatie in het verleden niet in gebruik geweest als boomgaard, of ten behoeve van glastuinbouw. In bijlage 6 is een kopie van de topografische kaarten 1914, 1950 en 1981 opgenomen. Archief gemeente Amsterdam Onderstaand wordt een overzicht gegeven van de aangetroffen informatie in het archief van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Amsterdam Tabel 1
Overzicht bouwvergunningen gemeente Amsterdam, percelen Hendrik Soeteboomstraat 36-38A
Datum
Naam aanvrager
Omschrijving
Toelichting
17-06-1959
H. Abbring
verbouwing woning nr. 36
plaatsing van erker
26-04-1960
H. Abbring
herstel bestaande werkplaats nr. 36
herstel + uitbreiding timmerwerkplaats aan noordoostzijde, houten wanden en plat dak
06-08-1983
H. Zijlstra
uitbreiding woning nr. 38
uitbreiding woning aan zuidzijde met bijkeuken
03-12-1990
H. Zijlstra
uitbreiding bedrijfsruimte nr. 38A
bouw van autogarage; uitbreiding bedrijfsruimte aan oostzijde van voormalige atelierruimte
Asbest Op de locatie zijn geen buitentoepassingen van asbest aanwezig. De wanden van de bestaande gebouwen bestaan uit baksteen en hout. De aanwezige dakbedekking bestaat overwegend uit dakleer. De korte schuine zijden van de daken van de woningen zijn voorzien van dakpannen. Vanwege het langdurige gebruik van de locatie, en de mogelijke toepassing van puinhoudend materiaal als terreinverharding, bestaat voor het bebouwde en verharde terreindeel op het noordelijk gedeelte van de locatie kans op historische diffuse verontreiniging met asbest. Bedrijfsactiviteiten en olietanks Onderstaand wordt een overzicht gegeven van de bekende (voormalige) bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de onderzoekslocatie, op basis van informatie uit het archief van de archiefgegevens van de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en de provincie Noord-Holland. Tabel 2
Overzicht voormalige bedrijfsactiviteiten, percelen Hendrik Soeteboomstraat 36-38A.
Periode / datum vergunning geen vermelding vanaf 1970
Adres / terreindeel
Activiteit / vergunning
Naam
Toelichting / nadere omschrijving activiteiten (historisch bodembestand / UBI)
HSB 36
timmerwerkplaats lampenkappen fabriek lampenkappen fabriek
H. Abbring
-
H. Zijlstra
verlichtingsornamenten en –armaturenfabriek, moffelinrichting, verfspuitinrichting metaal verlichtingsornamenten en –armaturenfabriek, overige textielindustrie (Medra B.V. opgericht in 1980)
HSB 38
vanaf 1980 HSB 38 HSB
Medra B.V.
Hendrik Soeteboomstraat
De familie Zijlstra heeft vanaf omstreeks 1970 een bedrijf gespecialiseerd in verlichting en woondecoratie. In 1980 heeft de familie Zijlstra voor de betreffende activiteiten het bedrijf Medra B.V. opgericht. Het bedrijf is inmiddels elders gevestigd. De activiteiten op het perceel aan de Hendrik Soeteboomstraat zijn omstreeks 2000 beëindigd. Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
3 / 18
In het archief van de gemeente Amsterdam / omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied zijn geen tekeningen of vergunningen van de voormalige inrichtingen op de onderzoekslocatie bekend. In oktober 1997 is er voor de voormalige inrichting op het perceel Hendrik Soeteboomstraat 38 een (onterechte) melding kennisgeving art. 8.41 Wet milieubeheer gedaan. In bijlage 8 is een kopie van de melding opgenomen. Volgens informatie van de familie Zijlstra was de bedrijfsruimte op het noordelijk gedeelte van het perceel in het verleden in gebruik als atelier, en werd de bedrijfsruimte op het zuidelijk gedeelte van het perceel gebruikt als assemblageruimte. Olietanks Voor zover bekend bij de eigenaar en de gemeente Amsterdam / omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied is ter plaatse van onderzoekslocatie, en in de directe omgeving, geen sprake van de aanwezigheid van (voormalige) ondergrondse olietanks. Activiteiten omgeving Ter plaatse van de aangrenzende percelen zijn volgens informatie van de eigenaar en de gemeente Amsterdam / omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied geen (voormalige) bedrijfsactiviteiten bekend. Slootdempingen e e Op oude topografische kaarten uit de 19 en de 20 eeuw zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen voormalige sloten zichtbaar.
Volgens de bodemkaart met dempingen en ophogingen is in het gebied in de omgeving van de onderzoekslocatie in het verleden een ophooglaag aangebracht (ophogingen ongespecificeerd). Omtrent de herkomst en samenstelling van het toegepaste ophoogmateriaal is geen nadere concrete informatie beschikbaar. In bijlage 6 is een kopie van de topografische kaarten 1914, 1950 en 1981 opgenomen. 2.3
Gegevens bodemonderzoek
Bodemkwaliteitskaart Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Amsterdam (regio Noordzeekanaalgebied) ligt de onderzoekslocatie in zone BKZ2: ‘wonen’. Voor deze zone is bekend dat in de bovengrond diffuse licht verhoogde gehaltes kwik, lood, zink, PAK kunnen voorkomen, en in de ondergrond licht verhoogde gehaltes kwik, lood, PAK Voorgaand bodemonderzoek In oktober 1990 is op de locatie een bodemonderzoek uitgevoerd, in verband met de aanvraag van een bouwvergunning voor de autogarage op het noordoostelijk gedeelte van de locatie. Volgens informatie uit het bodemonderzoek is in het verleden een demping uitgevoerd ter plaatse van de onderzoekslocatie. Tijdens het bodemonderzoek zijn in de bovenlaag van de geplande bouwlocatie lichte verontreinigingen met koper, kwik, zink en lood aangetroffen (overschrijding A-waarde). Het gemeten loodgehalte lag juist beneden de B-waarde. Voor het grondwater zijn geen analyses uitgevoerd. In het dossier van het bodemonderzoek is geen situatietekening beschikbaar.
Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
4 / 18
Bodemonderzoek omgeving In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn meerdere bodemonderzoeklocaties bekend. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven. Overzicht bodemonderzoeklocaties, omgeving percelen Hendrik Soeteboomstraat 36-38A.
Tabel 3
Locatienaam / adres
Ligging
HSB 6 tot 38A 1 / +HWODQGMH west
Locatiecode
AM036300768
.HL]HU 2 HSB 43
noord
AM036316489
Tiemstra3 terrein e.o. / Twiske zuid
noord
AM036300068
HSB
Verrichte onderzoeken, Status beoordeling / vervolg periode [verdachte activiteit] Historisch, verkennend – Sterke verontreiniging met zware metalen, en nader onderzoek, geen vervolg (geen adm. nazorg) saneringsonderzoek, [stortplaats in water, ophooglaag met periode 1988-1998 kolengruis / sintels / baggerspecie] Ernstig geval van bodemverontreiniging. BUS-melding, Tijdelijke uitplaatsing voor aanleg mantelbuis sanerings-evaluatie, (KGV) vanaf openbare weg naar woning nr. 43 periode 2013-2014 [ophooglaag, niet gespecificeerd] Boven- en ondergrond licht tot sterk verontreiVerkennend, aanvullend nigd met zware metalen, PAK, PCB, OCB, en nader onderzoek, minerale olie en asbest. deelsaneringsplan, Grondwater sterk verontreinigd met arseen, grondwatermonitoring, PAK, minerale olie, benzeen, ftalaten en OCB. periode 1989- 2019 Verspreiding is niet aangetoond. [ophooglaag divers, kuiperij]
Hendrik Soeteboomstraat
De historische bodeminformatie van omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied is in bijlage 7 opgenomen.
2.4
Bodemopbouw en geohydrologie
De geohydrologische opbouw van het gebied waarbinnen de locatie is gesitueerd, is in onderstaande tabel weergegeven. De gegevens zijn afkomstig van de Grondwaterkaart van Nederland, inventarisatierapport Zandvoort-Amsterdam, kaartblad 25 West (Dienst Grondwaterverkenning TNO, 1979). Tabel 4
Geohydrologisch overzicht Typering
Ligging in meters t.o.v. NAP
Lithologie
Formatie
deklaag
-3
tot
- 15
opgebrachte grond, veen, (zandige) klei
Westland
1e watervoerend pakket
- 15
tot
- 41
matig fijne tot grove zanden
Eem, Twente
1e scheidende laag
- 41
tot
- 48
klei, leem
Drente
2e watervoerend pakket
beneden - 48 m
matig fijne tot grove zanden
Urk, Sterksel, Enschede
De grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket heeft een west-zuidwestelijke richting. Volgens de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland (nov. 2020) ligt de onderzochte locatie niet in een grondwaterbeschermingsgebied.
Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
5 / 18
2.5
Hypothese en onderzoeksstrategie
Hypothese Vanwege de ligging in vooroorlogsgebied, alsmede de aanwezigheid van een ophooglaag, is de kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie mogelijk aangetast met zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie. Mede gerelateerd aan mogelijke puinbijmenging, is de kwaliteit van de bovengrond ter plaatse van het bebouwde en verharde terreindeel, op het noordelijk gedeelte van de locatie, mogelijk tevens aangetast met asbest. Op basis van de bekende voormalige bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de onderzoekslocatie wordt de bodem ter plaatse van het voormalige atelier van de lampenkappenfabriek als een aparte verdachte deellocatie aangemerkt. Volgens de Uniforme Bron Indeling voor bodembedreigende activiteiten (UBI) gelden voor de activiteiten in het atelier de stoffen chroom, koper, nikkel, zink, tolueen, dichloormethaan, trichloorethaan, vinylchloride en cyanide als kritische parameters (UBI’s 285111, 285132, 315005). Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is ter plaatse van de onderzoekslocatie geen sprake van lokale aparte verontreinigingbronnen / puntbronnen. Onderzoeksstrategie Het onderzoek wordt uitgevoerd op basis van de richtlijnen van de Amsterdamse Richtlijn voor Verkennend Onderzoek (ARVO 2020), uitgaande van vooroorlogs gebied.
Het onderzoek ter plaatse van de verdachte deellocaties is gericht op de verdachte bodemlagen en de potentieel verontreinigende stoffen. Het opgeboorde materiaal wordt per te onderscheiden laag bemonsterd, in trajecten van maximaal 0.5 meter. De boringen worden doorgezet tot 0.5 meter onder een zintuiglijk waarneembare verontreiniging. Het analysepakket van de ARVO bestaat uit het standaardpakket grond en grondwater overeenkomstig NEN 5740, aangevuld met chloride in grond in chlorideverdachte gebieden (ophooglagen met zeezand) en arseen in grondwater. Het onderzoek op asbest wordt uitgevoerd op basis van de richtlijnen van de van de NEN 5707. Voorafgaand aan de inspectie- en monsterneming van de bodem zal een visuele inspectie van het maaiveld plaatsvinden. Aan de hand van de resultaten van de visuele inspectie kan aanleiding bestaan om de onderzoekstrategie aan te passen. Vanwege het bekende omvangrijke geval van bodemverontreiniging op de locatie Tiemstra e.o. / Twiske zuid, ten noorden van het onderzoekperceel, zal één peilbuis voor het onderzoek van het grondwater aan de noordzijde van de onderzoekslocatie worden geplaatst. Vanwege de langdurige voormalige bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de onderzoekslocatie, zal ook de kwaliteit van de bovengrond ter plaatse van de voormalige assemblageruimte apart worden onderzocht.
Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
6 / 18
In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de uit te voeren werkzaamheden en analyses. Tabel 5
Onderzoekstrategie.
Terreindeel
Chemisch onderzoek
Veldwerk / Aantal boringen Beton
tot 0.5 én tot 2.0 én m -mv m -mv
met PB
Grond (*A) Grondwater 8x STgr 8x LOS
(*B)
Opmerkingen
Algemene bodemkwaliteit (ca. 1.250 m2)
-
-
9
(*B)
3x analyse bovengrond, 3x analyse tussenlaag, 2x analyse ondergrond, 2x analyse grondwater
Voormalig atelier (circa 100 m2)
3
-
2
1 (*B)
Voormalige assemblageruimte (circa 100 m2)
-
-
2
1 (*B)
1x STgr 1x LOS
1x STgw, As (*B)
Verhard terreindeel noordzijde (ca. 500 m2)
-
4 (*C)
-
-
1x ASB
-
1x STgr, Cr 1x STgw, As, analyse van vluchtige verbindingen: Cr, Cn (*B) gebruik steekbus
1x VOCl, VAK, Cn 2x LOS
mv / PB (*A) (*B) (*C) STgr STgw ASB VOCl
VAK As / Cr Cn LOS
verkennend onderzoek; strategie: diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld
maaiveld / peilbuis. in geval van zandige samenstelling, aanvullende analyse grond op chloride, volgens richtlijn ARVO. onderzoek grondwater zal worden gecombineerd. inspectiegat (30 x 30 cm), gecombineerd met boringen algemene bodemkwaliteit. standaard grondpakket (NEN / SIKB): droge stof, 9 zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK-10 VROM), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie. standaardpakket grondwater (NEN / SIKB): 9 zware metalen, minerale olie (GC), vluchtige aromaten (styreen, benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), gechloreerde koolwaterstoffen, incl. vinylchloride. asbest in fijne fractie (< 20 mm), optioneel analyse grove fractie. vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen, incl. vinylchloride. vluchtige aromaten (Benzeen, Tolueen, Ethylbenzeen, Xylenen, Naftaleen). arseen / chroom. cyanide (totaal). lutum / organische stof.
De bij het vooronderzoek verzamelde informatie wordt gebruikt voor het verkrijgen van een adequate invulling van het veld- en laboratoriumonderzoek, en draagt bij aan de verklaring van de resultaten van het bodemonderzoek.
Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
7 / 18
3 3.1
UITVOERING VELD- EN LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN Algemeen
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de geldende NEN- en NPR-normen bij bodemonderzoek (BRL2000). Bij het veldwerk is het opgeboorde materiaal beoordeeld op samenstelling, en is gelet op eventueel zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. Het grondwater is eveneens zintuiglijk beoordeeld. 3.2
Veldwerk
Het veldwerk is uitgevoerd op 14 en 15 december 2021, door de voor BRL SIKB 2000 erkende boormeester J.R. den Boer. De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in totaal 15 boringen uitgevoerd op de locatie: - 9 boringen verspreid over de locatie (nummers 1 t/m 9); - 3 boringen in het voormalige atelier, aan de noordzijde van de locatie (nummers 11 t/m 13); - 3 boringen in de voormalige assemblageruimte, aan de zuidzijde van de locatie (nummers 14 t/m 16). Voor de boringen inpandig in het voormalige atelier zijn betonboringen uitgevoerd (diameter 120 mm). Het opgeboorde materiaal is bemonsterd in trajecten van circa 0.5 meter. Voor de bemonstering van de bovengrond is gebruik gemaakt van een ongelakte Edelmanboor, een ongelakte grindboor en steekbussen. De boringen in de ondergrond zijn verricht met een ongelakte Edelmanboor en een ongelakte guts. Bij de boringen 1, 2, 5 en 7 zijn gaten gegraven in de bovenlaag (30 x 30 cm), voor inspectie van de bovengrond op asbestverdachte bestanddelen. Op het maaiveld van de onderzoekslocatie zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. De plaatsen van de boringen / inspectiegaten worden weergegeven op de situatietekening in bijlage 2. Voor de bemonstering van het freatisch grondwater zijn de boringen 11 en 14 verder uitgediept en afgewerkt met een peilbuis.
De filterdelen zijn omhuld met een nylon filterkous en gegloeid filtergrind. Het freatisch grondwater is bemonsterd op 22 december 2021. Voor de bepaling van de concentratie zware metalen is het grondwater in het veld gefiltreerd over een 0,45 µm filter en aangezuurd tot pH 2. 3.3
Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen
Grond In de bovenlaag onder de terreinverharding op het noordelijk gedeelte van de locatie bevindt zich een opgebrachte laag siltig matig fijn zand. In de ondergrond, vanaf 0.7 à 1.0 meter beneden maaiveld, wordt siltige klei aangetroffen, dat op een diepte van 1.0 á 1.6 meter beneden maaiveld overgaat in kleiig veen. In de bovengrond en de tussenlaag op het middengedeelte en het zuidelijk gedeelte van de locatie wordt afwisselend humeuze zandige klei en kleiig veen aangetroffen. In de ondergrond vanaf 1.5 meter beneden maaiveld wordt uitsluitend kleiig veen aangetroffen. In de tussenlaag bevinden zich plaatselijk ingeschakelde lagen humeuze siltige klei. Voor een nadere beschrijving van de aangetroffen bodemlagen en de trajecten van monstername, wordt verwezen naar de boorbeschrijvingen in bijlage 3.
Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
8 / 18
De in milieuhygiënisch opzicht aan het bodemmateriaal zintuiglijk waargenomen bijzonderheden worden weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 6
Boringen en diepten van zintuiglijk waargenomen verontreinigingen
Boring / inspectiegat
Einddiepte Traject (m -mv) (m -mv)
Waargenomen bijzonderheden
01 *
2,00
0,60 - 1,00
matig puinhoudend, matig grindhoudend
02 *
2,00
0,30 - 0,70
sterk puinhoudend, zwak grindhoudend, resten hout
03
2,00
0,00 - 0,25
sporen puin
04
2,00
0,00 - 0,40
sporen grind
05 *
1,90
0,05 - 0,15
sporen grind
06
2,00
0,50 - 1,00
zwak afvalhoudend (resten schoenzool)
1,00 - 1,50
matig afvalhoudend, zwak slibhoudend (resten schoenzool, textiel)
1,50 - 2,00
sporen slib
07 *
2,00
0,10 - 0,50
sporen puin, sporen glas
08
2,00
1,00 - 2,00
sporen slib
09
2,00
0,50 - 1,00
sporen slib, zwakke carbolineumgeur, zwakke olie-water reactie
1,00 - 1,50
sporen slib, matige carbolineumgeur, zwakke olie-water reactie
1,50 - 2,00
sporen slib, zwakke carbolineumgeur, zwakke olie-water reactie sterk puinhoudend
11
2,00
0,15 - 0,30 0,30 - 0,70
matig puinhoudend, zwak grindhoudend
12
1,90
0,15 - 0,40
zwak puinhoudend, sporen grind
0,40 - 0,60
uiterst puinhoudend
13
0,65
*
0,60 - 1,00
zwak grindhoudend, sporen puin
0,15 - 0,65
matig grindhoudend, sporen puin, 6 st. plaatmateriaal (55 gr.), obstructie op 0.65 m
inspectiegat
Grondwater In onderstaande tabel zijn de grondwatergegevens opgenomen. Tabel 7
Gegevens grondwater Peilbuis
Nummer
Grondwaterstand
Zuurgraad
Geleidbaarheid (EC)
Troebelheid
(m-mv)
(pH)
(mS/cm)
(NTU)
Filtertraject (m-mv)
PB11
1.0 - 2.0
0.34
7.2
1.3
11.4
PB14
1.0 - 2.0
0.58
7.1
2.0
14.5
Tijdens de monstername vertoonde het freatisch grondwater geen afwijkende geur of kleur. De gemeten zuurgraad (pH), elektrische geleidbaarheid (EC) en troebelheid (NTU) zijn voor grondwater in deze regio als normaal te beschouwen.
Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
9 / 18
3.4
Monster- en analyseselectie
De fysische en chemische analyses zijn uitgevoerd door de milieulaboratoria Eurofins Analytico en Eurofins Acmaa. Beide laboratoria zijn gecertificeerd door de ‘Raad voor Accreditatie’ (RvA). De voorbehandeling van de analysemonsters is uitgevoerd volgens AS3000. Grond In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de grond(meng)monsters welke ter analyse bij het laboratorium zijn aangeboden. Tabel 8
Overzicht van grond(meng)monsters en analyses
Monstercode
Deelmonsters
Analyses Cl
01 (0,10 - 0,30) 02 (0,05 - 0,30) 05 (0,15 - 0,50)
#
#
MM 2
03 (0,00 - 0,25) 04 (0,00 - 0,40) 07 (0,10 - 0,50)
#
#
MM 3
06 (0,00 - 0,50) 08 (0,00 - 0,50) 09 (0,00 - 0,50)
#
#
MM 4
01 (0,60 - 1,00) 02 (0,30 - 0,70)
#
#
monsters van tussenlaag op noordwestelijk gedeelte locatie; sterk siltig zand, zwakke tot sterke bijmenging resten puin, grind en hout
MM 5
03 (0,60 - 1,10) 05 (0,50 - 0,90)
#
#
monsters van tussenlaag op middengedeelte van locatie; humeuze zandige klei, zint. geen afwijkingen
MM 6
07 (0,50 - 0,90) 08 (0,50 - 1,00)
#
#
monsters van tussenlaag op oostelijk gedeelte van locatie; humeuze zandige klei, zint. geen afwijkingen
B6 (1.0-1.5)
06 (1,00 - 1,50)
#
#
B9 (1.0-1.5)
09 (1,00 - 1,50)
#
#
MM 1
MM 7
MM 8
11 (0,15 - 0,30) 12 (0,15 - 0,40) 13 (0,15 - 0,65) 14 (0,30 - 0,80) 15 (0,50 - 1,00) 16 (0,50 - 1,00)
#
#
Cr
Motivering / Opmerkingen
STgr
VAK VOCl Cn LOS
#
#
#
#
B12 (0.15-0.4) 12 (0,15 - 0,40)
#
#
#: STgr Cl / Cr
Geanalyseerde pakketten/parameters Standaardpakket grond (NEN / SIKB) Chloride / Chroom
VAK VOCl
Gechloreerde koolwaterstoffen (11), vinylchloride
Cn LOS
Cyanide totaal Lutum / Organische stof
#
#
#
monsters van bovengrond c.q. bodemlaag onder verharde toplaag op noordwestelijk gedeelte locatie; zwak siltig zand, zintuiglijk geen afwijkingen monsters van bovengrond c.q. bodemlaag onder verharde toplaag op middengedeelte van locatie; humeuze zandige klei, geringe bijmenging sporen puin, grind, glas monsters van bovengrond op zuidoostelijk gedeelte van locatie; kleiig veen, zintuiglijk geen afwijkingen
zintuiglijk verdacht monsters van ondergrond aan noordoostzijde van locatie; humeuze zandige klei, matig afvalhoudend zintuiglijk verdacht monsters van ondergrond aan zuidzijde van locatie; kleiig veen, matige carbolineumgeur, zwakke olie-water reactie monsters van bovenlaag onder betonvloer van voormalige atelier; zwak tot matig siltig zand, zwakke tot sterke bijmenging resten puin en grind monsters van bovenlaag onder houten vloer van voormalige assemblageruimte; kleiig veen, zintuiglijk geen afwijkingen separaat monster van bovenlaag onder betonvloer van voormalig atelier; zwak siltig zand, zwakke bijmenging puinresten, sporen grind
Vluchtige aromatische koolwaterstoffen (Benzeen, Tolueen, Ethylbenzeen, Xyleen, Naftaleen)
Aanvullend onderzoek Omdat in de mengmonsters MM2, MM4, MM5 en MM8 van de bovengrond en de tussenlaag, matig tot sterk verhoogde gehaltes zware metalen en PAK zijn aangetroffen, is aanvullend besloten om de monsters uit de betreffende mengmonsters separaat te analyseren op zware metalen en/of PAK.
Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
10 / 18
Asbest Voor de aangetroffen stukjes asbestverdacht plaatmateriaal in de bovenlaag onder de betonvloer van het voormalige atelier is besloten om, ter verificatie van de samenstelling van het plaatmateriaal, een asbest materiaalanalyse uit te voeren (BR13, 0.15-0.65 m). Vanwege de plaatselijke waarneming van stukjes asbestverdacht materiaal in de grove fractie is besloten om voor het overige gedeelte van de locatie geen verder analytisch onderzoek op asbest uit te voeren. Grondwater In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de grondwatermonsters, welke ter analyse bij het laboratorium zijn aangeboden. Tabel 9
Overzicht van grondwatermonsters en analyses.
Monstercode
Filterdiepte (m –mv)
Analyses
Motivatie / Opmerkingen
ST gw
As
Cr
Cn
#
#
PB11
1.0 - 2.0
#
#
PB14
1.0 - 2.0
#
#
#:
Geanalyseerde pakketten/parameters
STgw As / Cr
Standaardpakket grondwater (NEN / SIKB) Arseen / Chroom
Cn
Cyanide totaal
grondwater voormalig atelier grondwater voormalige assemblageruimte
Het standaardpakket-grondwater (NEN / SIKB) omvat de volgende analyses: 9 zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn), minerale olie (GC), vluchtige aromaten & gechloreerde koolwaterstoffen, inclusief vinylchloride.
Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
11 / 18
4 4.1
RESULTATEN EN INTERPRETATIE VAN HET ONDERZOEK Algemene begrippen en toetsingskader
Om de mate van verontreiniging van de grond en het grondwater te kunnen beoordelen, dienen de chemische analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters te worden getoetst aan normen zoals deze zijn vastgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Per 1 juli 2013 is de Circulaire bodemsanering 2013 in werking getreden. De interventiewaarden voor grond en de streef- en interventiewaarden voor grondwater zijn opgenomen als bijlage 1 in de Circulaire. Streefwaarden (grondwater en grond) / Achtergrondwaarden (grond; AW2000) Indien het concentratieniveau kleiner of gelijk is aan de streefwaarden / achtergrondwaarden is sprake van een duurzame bodemkwaliteit waarbij de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier niet zijn verminderd. Indien concentratie-overschrijdingen ten opzichte van de streefwaarde / achtergrondwaarde worden aangetoond, wordt de bodem (grond en grondwater) bestempeld als licht verontreinigd. Toetsingscriterium ten behoeve van nader onderzoek / Tussenwaarde Het toetsingscriterium voor de noodzaak van een nader onderzoek is als volgt gedefinieerd: - in grond: de helft van de som van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde; - in grondwater: de helft van de som van de streefwaarde en de interventiewaarde. Bij overschrijding van dit toetsingscriterium bestaat in principe een noodzaak tot nader onderzoek.
Indien concentratie-overschrijdingen ten opzichte van deze toetsingswaarde worden aangetoond, wordt de bodem (grond en grondwater) bestempeld als matig verontreinigd. Interventiewaarden Interventiewaarden geven het concentratieniveau voor verontreinigingen in grond en grondwater aan waarboven ernstige verminderingen of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij concentraties boven de interventiewaarde kan er sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. In principe bestaat bij een geval van ernstige bodemverontreiniging een saneringsnoodzaak, zoals bedoelt in de Wet bodembescherming. De interventiewaarden voor grond zijn humaan- en ecotoxicologisch onderbouwd. De interventiewaarden voor grondwater zijn afgeleid van de interventiewaarden voor grond. Indien concentratie-overschrijdingen ten opzichte van de interventiewaarde worden aangetoond, wordt de bodem (grond en grondwater) bestempeld als sterk verontreinigd. Voor de parameter barium is per 1 april 2009 alleen een interventiewaarde van kracht, specifiek voor situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene verontreiniging. Asbest De interventiewaarde voor asbest is gelijk aan de maximale samenstellingswaarde uit de Regeling bodemkwaliteit, welke de hergebruiksmogelijkheden van de grond/puin bepaalt en is vastgesteld op 100 mg/kg d.s.
Deze asbestnorm is ook van toepassing voor bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat. De vastgestelde normwaarde geldt voor het gewogen asbestgehalte. De toetsing van het gewogen asbestgehalte dient op de volgende wijze te worden uitgevoerd: (10 x gehalte amfibool asbest) + (gehalte serpentijn asbest) = < 100 mg/kg d.s. Chrysotiel (wit asbest) betreft serpentijn asbest, de overige asbestsoorten zijn amfibolen (hoofdzakelijk amosiet en crocidoliet). Geval van ernstige bodemverontreiniging Bij een historische verontreiniging (verontreiniging ontstaan voor 1 januari 1987) wordt bepaald of het een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft. Volgens de Circulaire bodemsanering is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten 3 3 concentratie van minimaal 25 m bodemvolume in het geval van een bodemverontreiniging, of 100 m poriënverzadigd bodemvolume in het geval van grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. Voor asbest geldt dat zodra er grond aanwezig is met een concentratie aan asbest boven de interventiewaarde, onafhankelijk van het volume, er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Conform de richtlijnen van de Wet bodembescherming bestaat voor een geval van ernstige bodemverontreiniging een saneringsnoodzaak.
Voor nieuwe verontreinigingen (verontreiniging ontstaan na 1 januari 1987) is in de regel artikel 13 van de Wet bodembescherming (zorgplicht) van toepassing. Rapportnr.: 21.4718-A2, januari 2022 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam
12 / 18
Chloride Voor het toepassen van zeezand op de landbodem geldt een norm van maximaal 200 mg/kg ds. Bij het toepassen van zeezand met direct contact aan brak oppervlaktewater of zeewater (natuurlijk chloridegehalte > 5000 mg/l), geldt voor chloride geen maximale waarde. De achtergrond- en interventiewaarden voor zware metalen en organische verbindingen in de grond zijn afhankelijk van het percentage lutum en/of organische stof van de grond. Derhalve dienen de gemeten gehaltes in de grond hiervoor te worden gecorrigeerd (gestandaardiseerd gehalte). De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn als bijlage 4 aan het rapport toegevoegd. In bijlage 5 is de toetsing van de analyseresultaten aan achtergrond- en interventiewaarden opgenomen (gestandaardiseerd gehalte). 4.2
Grond
4.2.1
Verkennend onderzoek
In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de toetsing van de gemeten analyseresultaten van de grond aan de normen uit de Leidraad bodembescherming, in mg/kg droge stof. Tabel 10
Overzicht toetsing gemeten analyseresultaten in grond, verkennend onderzoek (mg/kg d.s.) Lutum (%)
Org. Stof (%)
Ba
Cd
Cr
Co
Cu
Hg
Mo
Ni
Pb
2,6
0,9
--
--
x
--
--
--
--
--
--
8,5
15,4
--
--
x
--
45 0,26
--
18,1
25,2
--
--
x
--
--
6,5
8,5
--
--
x
31
12
18,3
--
0,76
x
11
14
14,4
--
--
x
--
39 0,43
B6 (1.0-1.5)
11,5
12,9
--
--
x
B9 (1.0-1.5)
14,6
41,8
--
2,0
2,4
1,4
--
17,9
34,4
(2)
0,7
Monstercode MM1; B1, 2, 5 (0.05-0.5)
MM2; B3, 4, 7 (0.0-0.5)
MM3; B6, 8, 9 (0.0-0.5)
MM4; B1, 2 (0.3-1.0)
MM5; B3, 5 (0.5-1.1)
MM6; B7, 8 (0.5-1.0)
MM7; B11 t/m 13 (0.15-0.65)
MM8; B14 t/m 16 (0.3-1.0)
B12 (0.15-0.4)
x -45 330 630 (2) [+]