CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit 2024-160D BP H buurt midden Toelichting

RAAD 18 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan H-buurt Midden (VN2024-007553)30.101 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 91

11.3

Duurzaamheid plangebied

Voor de herontwikkeling worden de volgende duurzaamheidsdoelen gesteld: Voor het plangebied wordt gestreefd naar energieneutraal bouwen (BENG 2<0). Door het toevoegen van groen in de openbare ruimte en het realiseren van groene daken op de parkeergarages en de bebouwing, wordt regenwater langer vastgehouden. Dit verlaagt de hittestress, waardoor de leefbaarheid in het gebied verbetert en de energiebehoefte van gebouwen op zomerse dagen vermindert. De openbare ruimte is een habitat voor mens, plant en dier. Bij de inrichting en het beheer wordt rekening gehouden met de huidige en potentiële biodiversiteit in het gebied. De stadsecoloog wordt betrokken bij de keuze van bestratingsmaterialen en beplanting zodat deze bijdragen aan een grotere soortendiversiteit in de stad. Om uitvoering te geven aan een circulaire stad is de Stadsdonut voor Amsterdam ontwikkeld. Een raamwerk dat gestoeld is op de ecologische en sociale thema's in de stad. Voor H-buurt midden wordt de circulaire - en betaalbare ontwikkeling verder vorm gegeven via participatie en coöperatieve vormen. Dit leidt tot een kansrijk behoud en verbreding van waardes voor de buurt aan de hand van het Amsterdamse donut-model. Aanvullend houdt het plan rekening met het vernieuwen en het uitbreiden van het leidingtracé voor het warmtenet.

Vattenfall en de gemeente Amsterdam hebben een duurzaamheidsambitie om woningen voor 2030 aardgasvrij te maken.Dit tracé loopt van zuid naar noord, vanaf A9 Gaasperdam naar de Amsterdamse Poort, door het plangebied van H-midden. De werkzaamheden worden gefaseerd uitgevoerd en zijn gestart. Naar verwacht zijn deze werkzaamheden gereed voor de eerste bouwactiviteiten.

11.4

Conclusie

De genomen duurzaamheidsaspecten, zoals beschreven in paragraaf 11.3 zijn in overeenstemming met het provinciale - en gemeentelijke beleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 92

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 93

Hoofdstuk 12 12.1

Externe veiligheid

Algemeen

Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn.

Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windmolens.

12.2

Beleid en regelgeving

12.2.1 Beleid externe veiligheid Het doel van het beleid is: het beheersen, maar ook minimaliseren voor aanwezigen in de omgeving van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's rond luchthavens en het voorkomen van nieuwe knelpuntsituaties. De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaat uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid van het bouwen van kwetsbare bestemmingen in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. Om effectief omgevingsbeleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar risicovolle objecten zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan meerdere typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid.

Gemeente Amsterdam

blz. 94

12.2.2 Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. In nieuwe situaties geldt voor het PR een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat binnen de PR 10-6 contour van een Bevi-inrichting geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Indien binnen de contour beperkt kwetsbare objecten worden opgericht moet het bevoegd gezag motiveren waarom dat wenselijk en aanvaardbaar is. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord.

12.2.3 Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Voor de wijze waarop het PR en GR beoordeeld moeten worden, is de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (verder: de Circulaire) van toepassing. De Circulaire beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. De overheid vraagt gemeenten, provincies en infrabeheerders om medewerking aan dit beleid te verlenen door bij de besluitvorming die onder hun verantwoordelijkheid valt, de veiligheidsbelangen overeenkomstig deze Circulaire af te wegen. Hierbij gaat het om diverse besluiten gerelateerd aan vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ordening.

Op basis van de Circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Voor het GR geldt op basis van de Circulaire voor het bevoegd gezag een verantwoordingsplicht in de gevallen van een overschrijding van de oriëntatiewaarde of een toename van het GR. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De Circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Desondanks kan uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een verantwoording voor het groepsrisico ook buiten deze 200 meter op zijn plaats zijn, met eventuele beperkingen, zoals bijvoorbeeld in de sfeer van maatregelen die de zelfredzaamheid van de bevolking bevorderen.

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 95

12.2.4 Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letaliteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende tot 5 meter aan weerszijden) meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht.

Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteiten en werking van de buisleiding kunnen verhinderen. 12.2.5 Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 5 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico s zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico s aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad.

Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van burgemeester en wethouders worden toegestaan. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door burgemeester en wethouders expliciet is toegestaan.

Gemeente Amsterdam

blz. 96

12.3

Plangebied

Bedrijven – Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven gevestigd die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Dit bestemmingsplan maakt ook geen nieuwe Bevi-bedrijven mogelijk. Bedrijven – Overige veiligheidswetgeving Er zijn in de directe omgeving geen bedrijven gevestigd met een overig veiligheidsrisico. Propaantanks zijn in het bedrijvenbestand van de Omgevingsdienst in dit gedeelte van de gemeente Amsterdam niet bekend. Transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water Vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan over alle rijks- en provinciale wegen. Een aantal tunnels is hiervan uitgezonderd. Op rijks- en provinciale wegen die door de gemeente lopen, is vervoer van gevaarlijke stoffen dus ook toegestaan. Conform Artikel 8 van het Besluit externe veiligheid en transportroutes (Bevt) dient voor ontwikkelingen binnen 200 meter van een transportroute onderzocht te worden of voldaan wordt aan de veiligheidsnormen. De snelweg A9 ligt op ruim 350 meter afstand en de spoorlijn Amsterdam - Utrecht ligt op circa 130 meter afstand. Een deel van het plangebied ligt wel op meer dan 200 meter. De A9 wordt aangemerkt als transportroute zonder plasbrandaandachtsgebied (PAG).

Risicobronnen in de omgeving (bron: https://geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.html?configBase= https://geoweb.gelderland.nl/ Geocortex/Essentials/REST/sites/risicokaart/ viewers/Mobiliteit/ virtualdirectory/Resources/Config/Defaul) Over de spoorlijn vindt vervoer van gevaarlijke stoffen per ketelwagen of container plaats. Daarom is een berekening van het groepsrisico uitgevoerd, welke in bijlage 7 is toegevoegd. Hieruit blijkt dat: het plangebied buiten de plaatsgebonden risicocontour (PR) van 10-6 per jaar ligt. Er wordt daarmee voldaan aan de grenswaarde voor het PR; het plangebied eveneens buiten het plasbrandaandachtsgebied van het spoortraject ligt;

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 97

het berekende groepsrisico ten gevolge van de maatgevende kilometer van het spoortraject de oriëntatiewaarde in zowel de huidige als toekomstige situatie niet overschrijdt; het groepsrisico niet toe neemt: in zowel de huidige als de toekomstige situatie is het hoogst berekende groepsrisico ten gevolge van de maatgevende kilometer 0,33 x OW (oriëntatiewaarde). Ondanks dat het GR niet toeneemt dient op grond van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in gegaan te worden op een aantal aspecten, omdat een deel van het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn ligt. Mogelijk kan er een ongeval plaats vinden door: transport van brandbare gassen, met een invloedsgebied van 460 meter; transport van toxische stoffen (vloeistoffen en gassen), met een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer. Aangetoond moet worden wat de mogelijkheden zijn: 1. voor het beperken van de omvang van een eventuele ramp; 2. zelfredzaamheid: voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet. Naast een (beperkte) verantwoording is een advies van de veiligheidsregio nodig. Beperkte verantwoording GR en advies veiligheidsregio 1. Het beperken van de omvang van een eventuele ramp Het treffen van maatregelen aan de bebouwing voor een mogelijk ongeval met toxische stoffen wordt vanwege de lage vervoersintensiteiten hiervan niet nader beschouwd.

Op het moment dat zich een incident voordoet is het beste handelingsperspectief het vluchten, sluiten van deuren en ramen en het binnen schuilen. Op het moment dat zich een incident voordoet met LPG dan is het maatgevende incident het optreden van een koude BLEVE 4, dit betekent dat er geen tijd is tussen het begin van het ongevalsscenario en het ontstaan van een BLEVE. Tegen de gevolgen van een BLEVE zijn in voorliggende situatie redelijkerwijs geen maatregelen te treffen. Een warme BLEVE is minder maatgevend aangezien daarbij door de hulpdiensten tijdig een groot effectgebied kan worden ontruimd/afgezet (het opwarmen van een ketelwagen met LPG door een plasbrand onder de tankwagon duurt enige tijd, afhankelijk van de constructie en de intensiteit van brand vindt binnen 20 minuten een BLEVE plaats). 2. Zelfredzaamheid De aanwezige personen betreffen naar verwachting hoofdzakelijk volwassenen. Er wordt aangenomen dat er geen of in zeer beperkte mate personen met een lichamelijke of geestelijke beperking binnen het plangebied aanwezig zullen zijn. Zodoende is er geen sprake van een hoge concentratie van 'verminderd zelfredzame' personen. Dit betekent dat de personen die aanwezig zijn zelfstandig kunnen vluchten ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van de beoogde ontwikkeling.

Het wordt aangeraden om de mogelijkheid tot vluchten van de betreffende risicobron af mogelijk te maken. Het is bovendien raadzaam om te voorzien in duidelijke instructies en communicatie ten tijden van een mogelijke ramp. De bereikbaarheid en de aanwezigheid van voldoende bluswater zijn maatregelen die de effecten kunnen verkleinen. Hulpverleningsdiensten kunnen de beoogde ontwikkeling gemakkelijk via verschillende routes bereiken. Mede gezien het feit dat in de huidige situatie ter plaatse van de beoogde ontwikkellocatie reeds bebouwing gesitueerd is, wordt er vanuit gegaan dat aanwezige brandkranen en vaste opstelplaatsen voor de brandweer in voldoende mate aanwezig zijn. In bijlage 8 is het advies van de veiligheidsregio opgenomen. Gemeente Amsterdam

blz. 98

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Er vindt geen transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen plaats in de omgeving. Elektromagnetische straling Er zijn in de omgeving geen hoogspanningslijnen aanwezig waarvan de indicatieve magneetveldzones tot het plangebied reiken. Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten veroorzaken.

12.4

Conclusie

Gezien de ligging (deels) binnen de 200 meter zone van de spoorlijn Amsterdam - Utrecht is onderzocht of voldaan wordt aan de veiligheidsnormen. Het groepsrisico is berekend en daaruit blijkt dat dit niet toeneemt als gevolg van de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. Wel is er een beperkte verantwoording opgesteld en advies van de veiligheidsregio ontvangen. Het wordt aangeraden om de mogelijkheid tot vluchten van de betreffende risicobron af mogelijk te maken. Het is bovendien raadzaam om te voorzien in duidelijke instructies en communicatie ten tijden van een mogelijke ramp en om voldoende bluswater voorzieningen te realiseren.

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 99

Hoofdstuk 13 13.1

Hoogbouwaspecten

Beleid en regelgeving

13.1.1 Hoogbouw, Beleid en Instrument Op 8 juli 2021 heeft de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 vastgesteld. De omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Amsterdam 2040. Hierop zijn twee uitzonderingen: het beleid over de hoofdgroenstructuur en het hoogbouwbeleid blijven van kracht tot vervangend beleid is vastgesteld. Er is nieuw beleid in voorbereiding, maar dit is nog niet vastgesteld en daarom wordt dat hier buiten beschouwing gelaten. De nota Hoogbouw, Beleid en Instrument uit 2005 is naar aanleiding van de voormalige' Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam'' in 2011 geactualiseerd als aanvullend toetsingskader. Het belangrijkste doel van het Amsterdamse hoogbouwbeleid is een zorgvuldige inpassing van hoogbouwinitiatieven in de bestaande structuren van de stad. Daarbij is de landschappelijke inpassing een aspect wat, zodra er sprake is van een zekere impact op het stadslandschap, een stedelijke afweging behoeft. In de visie wordt aangegeven voor welke hoogbouwplannen dit geldt. De hoogbouweffectrapportage (HER) is een rapportage waarin alle relevante effecten van hoogbouw, zoals windhinder en schaduwwerking, toetsing aan hindernisbeperkingen als straalpaden en beperkingen rond Schiphol worden onderzocht, maar die vooral is bedoeld om de effecten van een plan op het stedelijk landschap in beeld te brengen.

Het uitvoeren van een HER wordt in het beleid aanbevolen en is in bepaalde gevallen verplicht. Dat doet zich voor in situaties waarin terughoudendheid met hoogbouw wordt beoogd; in deze situaties wil het college van B&W mee kunnen beoordelen wat de effecten zijn van hoogbouw. Een rapportage over landschappelijke effecten is onder meer verplicht gesteld bij hoogbouwinitiatieven vanaf 22,5 meter of hoger in het UNESCO-gebied (gebied binnen Singelgracht), hoogbouwinitiatieven vanaf 30 meter in de 2 km-zone rondom het UNESCO-gebied, in 'gebieden van bijzondere waarden', of in de randen van de groene scheggen. Voor overige gebieden geldt de ondergrens van 60 meter, met uitzondering van een aantal in de structuurvisie aangegeven hoogbouwstimuleringsgebieden (zones langs infrastructuur bundel) waarvoor deze verplichting niet geldt.

Gemeente Amsterdam

blz. 100

Hoogbouw en uitrol centrumgebied (bron: Structuurvisie Amsterdam 2040) Consequentie plangebied Vanwege de ligging van het plangebied gelden er geen nadere regels voor de maximale bouwhoogte en geldt er geen verplichting voor het opstellen van een HER. 13.1.2 Bezonning Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. De meeste gemeenten hanteren de TNO-norm. Andere gemeenten hebben eigen beleid. Bezonningsdiagrammen geven inzicht in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. Met een 3d-model wordt de bestaande situatie vergeleken met de toekomstige situatie. 13.1.3 Windhinder In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen.

De grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder vindt zijn grondslag in art. 3.1 Wro (Wet ruimtelijke ordening), die zorgt voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar en deze betrekken in de beoordeling noodzakelijk.

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14544585/1