Raadsbesluit 2024-140D BP Purmerweg 46- Toelichting en regels
Tekst van het document
Welstandsnota 'De Schoonheid van Amsterdam 2016' (Optioneel)
De gemeenteraad van Amsterdam heeft op 14 september 2016 de welstandsnota 'De Schoonheid van Amsterdam 2016' vastgesteld. In deze nota zijn de inhoudelijke gronden van het welstandstoezicht opgenomen en is inzichtelijk gemaakt wat de toetsingscriteria zijn waarop een bouwplan wordt beoordeeld. Uitgangspunt van de welstandsnota is de verdeling in ruimtelijke systemen (zones waarin de bebouwing een gelijksoortig karakter heeft). Voorbeelden van ruimtelijke systemen zijn: Binnenstad, Gordel 20-40, tuindorpen, woongebieden na 1985 en de IJ-landen. Aan de verschillende ruimtelijke systemen /gebieden zijn passende uitgangspunten en welstandscriteria gekoppeld. Zowel bestemmingsplannen als welstandsnota's doen uitspraken over de ruimtelijke kwaliteit. Het bestemmingsplan geeft de primaire voorschriften: het regelt dat er een bouwwerk met een bepaalde functie en van een bepaalde omvang op een locatie mag komen. Aanvullend op het bestemmingsplan geeft de welstandsnota aanwijzingen voor het uiterlijk van een bouwwerk (secundaire voorschriften).
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 37
Hoofdstuk 4
Milieuaspecten
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Kader
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in s amenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. In de Wet milieubeheer (art 7.2) en het Besluit milieueffectrapportage (art 2 lid 5) is verankerd dat er een beoordeling moet worden gemaakt of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden als een plan of besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) wordt opgesteld voor één of meerdere activiteiten met mogelijk belangrijke negatieve effecten op het milieu. Activiteiten waarvoor dat het geval is, worden genoemd in de bijlage onderdeel C en D van het Besluit mer: Onderdeel C: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en dus het opstellen van een MER verplicht is; Onderdeel D: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.
Als de activiteiten die met het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt in kolom 1 van onderdeel D staan, dan bestaat de m.e.r.-beoordelingsplicht er uit dat het bevoegd gezag moet beoordelen of de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Blijkt uit deze beoordeling dat de betreffende activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben, dan moet de m.e.r.-procedure (m.e.r.) worden doorlopen en moet een milieueffectrapportage (MER) worden opgesteld. 4.1.2
Beoordeling
Beoordeling De sloop- nieuwbouw en de realisatie van 15- 17 woningen is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Om te beoordelen of de werkzaamheden m.e.r. plichtig zijn heeft TAUW, in opdracht van de gemeente Amsterdam de notitie m.e.r.-beoordeling Purmerweg, kenmerk R001-1282897EZM-V02-sla-NL opgesteld. In de notitie is beschouwd of er bij de ontwikkeling (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In deze paragraaf is een samenvatting van de m.e.r. beoordelingsnotitie gegeven. De volledige notitie is als Bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen. Samenvatting m.e.r.-beoordelingsnotitie Uit de notitie blijkt dat uit de voorgenomen ontwikkeling van circa 17 woningen op het perceel Purmerweg 46 geen belangrijke negatieve effecten te verwachten zijn voor de aspecten ecologie, bodem, water, bedrijven en milieuzonering, archeologie en landschap. De sloop van het bestaande pand en de nieuwbouw leidt niet tot nadelige gevolgen voor gebiedsbescherming of soortenbescherming. Wel is een ontheffing nodig voor verstoring van dwergvleermuizen. De bodem- en grondwaterkwaliteit worden niet beinvloed. Archeologische waarden in het gebied zijn bij eerdere bodemingrepen in het gebied al
Gemeente Amsterdam
blz. 38
aangetast. Het bouwrijp maken en bouwen van woningen leidt niet tot aanvullende aantasting van vindplaatsen. Ook leidt de woningbouw niet tot aantasting van bijzondere landschapselementen. Hoewel het pand naar oordeel van afdeling Monumenten en Archeologie van gemeente Amsterdam een cultuurhistorische waardering kent, heeft het gebouw geen wettelijk beschermde status. Herplaatsing van het kunstwerk van Lex Horn wordt geadviseerd om de herinnering aan het GGD-gebouw levend te houden. Door bij de uitwerking van het plan rekening te houden met de cultuurhistorische waarde van het beschermd stadsgezicht is het plan ook uitvoerbaar wat betreft cultuurhistorie. Vanuit de thema's lucht en geluid zal tijdelijk lichte hinder zijn in de bouwfase. Er is echter geen sprake van langdurige milieugevolgen. Van structureel negatieve effecten van substantiële omvang is geen sprake. De toetsing aan de selectiecriteria uit de bijlage 3 EU-richtlijnen 85/337/EEG maakt duidelijk dat geen sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu die het opstellen van een MER noodzakelijk maken. 4.1.3
m.e.r.-beoordelingsbesluit
In de m.e.r.-beoordeldingsprocedure zijn er altijd twee verplichte procedurestappen: 1. het besluit dat er wel of niet sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen -het m.e.r.-beoordelingsbesluit, en of er wel of geen m.e.r.-procedure wordt opgestart, wordt bekend gemaakt; 2. de mogelijk om beroep aan te tekenen op het m.e.r.-beoordelingsbesluit loopt gelijk met de beroepsprocedure van voorliggend bestemmingsplan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is gelijktijdig met het besluit tot vrijgave van het ontwerp bestemmingsplan genomen. In de publicatie van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zal tevens de de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen het m.e.r.-beoordelingsbesluit worden genoemd.
4.2
Milieuzonering bedrijven
4.2.1
Kader
Milieuzonering betreft het toepassen van het ruimtelijke ordeningsprincipe voor “nieuwe situaties / ontwikkelingen” dat zich richt op functiescheiding van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld een bedrijfsfunctie) en milieu-planologisch gevoelige functies (bijvoorbeeld wonen). Een nieuwe situatie / ontwikkeling betreft een plan dat nog niet eerder als zodanig is bestemd in een bestemmingsplan of vergund met een omgevingsvergunning. Het waar nodig en mogelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies bij nieuwe ontwikkelingen / in nieuwe situaties dient twee doelen: Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Met deze doelstelling wordt bij het plannen van een nieuwe functie om redenen van goede ruimtelijke ordening gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie wordt ingepast. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel bij het beantwoorden van deze vragen.
Milieuzonering beperkt zich hierin tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de milieubelasting afneemt naarmate bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 39
de afstand van/tot de bron toeneemt. De VNG-publicatie bevat een tweetal richtafstandlijsten waarin een groot aantal niet-woonactiviteiten (zoals productie, handel en dienstverlenende activiteiten, onderwijs, sport en recreatie, etc.) zijn vertaald naar een milieucategorie met bijbehorende indicatieve richtafstanden. De activiteiten en bijbehorende categorieën zijn weergegeven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) en in voorkomend geval (afhankelijk van de wijze van bestemmen) ook in de bijlage bij de regels van een bestemmingsplan. Zoals hiervoor al is aangegeven, is het ordeningsprincipe van milieuzonering bedoeld voor nieuwe situaties / nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van “bestaande situaties” waarbij bestaande / gevestigde milieubelastende activiteiten en bestaande milieugevoelige functies op minder dan de indicatieve richtafstand van elkaar staan. Via het zogenaamde 'milieuspoor' van de Wet Milieubeheer (Wm) is het functioneren van bestaande bedrijven (inrichtingen) geregeld. 4.2.2
Plangebied
Situatie plangebied Omgevingstype / gebiedskarakteristiek De richtafstanden uit de VNG-publicatie zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Langs de randen, in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties, is weinig verstoring door verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen, behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Vanwege de directe ligging van het perceel aan de Purmerweg, een weg die aan te merken is als hoofdinfrastrcutuur, is het plangebied aan te merken als gemengd gebied. In gemengd gebied rechtvaardigd de verhoogde geluidbelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden. Tabel 4.1 geeft de te hanteren richtafstande weer, zowel tot het omgevingstype rustige woonwijk als het omgevingstype gemengd gebied.
tabel 4.1 richtafstanden en omgevingstype (bron: VNG) Beoordeling Op afbeelding 4.1 staan de meest nabij het plangebied gelegen inrichtingen aangegeven. Dit zijn de Gemeente Amsterdam
blz. 40
Nieuwendammerkerk, Brede Kerkepad 6, Assmann Kantoormeubelen, Brede Kerkepad 7-15 en Tai Lin, Purmerweg 57.
Afbeelding 4.1: nabij het plangebied gelegen inriichtingen. De afstand tussen de grens van het plangebied en de Nieuwendammerkerk en Assmann Kantoormeubelen bedraagt meer dan 10 meter. De afstand tot Tai Lin bedraagt ongeveer 53 meter. Detailhandelbedrijven en restaurants worden aangemerkt als categorie 1 bedrijven, met een grootste aan te houden van 10 meter voor de aspect geluid en geur. Kerkgebouwen worden aangemerkt als categorie 2, met een grootst aan te houden richtafstand van 30 meter. Vanwege de ligging in gemengd gebied mogen de richtafstanden met 1 afstandstap verkleind worden. De aan te houden afstand tot detailhandelbedrijven en restaurants bedraagt daardoor 0 meter. De aan te houden afstand tot een kerkgebouw is 10 meter. Overweging / afweging / conclusie Er is geen aanvullend onderzoek nodig om te beoordelen of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 41
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Luchtkwaliteitsaspecten zijn verankerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) en betreffen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De wet voorziet onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate".
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en Besluit NIBM Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland nog niet overal voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Voorts bestaat in het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit de mogelijkheid van projectsaldering. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. Projectsaldering is aan de orde wanneer de gevolgen van een project de 3% grens, voor 'niet in betekenende mate' overschrijden.
Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 ìg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen Gevoelige bestemmingen zoals scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het "Besluit gevoelige bestemmingen" extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden. Beleidskader - Amsterdam
Gemeente Amsterdam
blz. 42
Actieplan luchtkwaliteit In het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam zijn diverse maatregelen opgenomen om de kwaliteit van de lucht in zijn geheel te verbeteren. Omdat dit met alleen specifieke maatregelen niet lukt, bevat het plan daarnaast ook generieke maatregelen. Daardoor wordt een algemene verbetering van de luchtkwaliteit in de gehele stad bewerkstelligd. Op grond van het Actieplan Luchtkwaliteit moet in het ruimtelijke ordeningsbeleid meer rekening gehouden worden dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst of dat er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is. Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit In januari 2010 is de 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit' van kracht geworden. Daarin wordt gesteld dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen, geen gevoelige bestemmingen worden gebouwd binnen 300 meter van de rand van een snelweg of in de eerstelijns bebouwing binnen 50 meter van een provinciale weg/drukke stadsweg. Daarbij gaat het om wegen waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit.
De GGD adviseert in deze gevallen over de locatie en mogelijke maatregelen. Agenda Duurzaamheid: Schone lucht en duurzame mobiliteit De Amsterdamse ambitie voor het thema schone lucht gaat verder dan de wettelijke eisen voor luchtkwaliteit en is gericht op een gezonde luchtkwaliteit. Het gaat daarbij met name om mobiliteit gerelateerde maatregelen en een (stedenbouwkundig) ontwerp, met bijv. autoluwe gebieden, dat bijdraagt aan een gezonde leefomgeving. Vaak zijn de negatieve effecten op de luchtkwaliteit met name van het verkeer afkomstig. Goede OV- en fietsverbindingen De bebouwingsdichtheid van het gebied is hoog, in de omgeving is een mix van functies aanwezig en er komt een hoogwaardige openbare ruimte. De voorwaarden zijn daarmee aanwezig voor een levendig stedelijk milieu, waar de voetganger en de fietser zich thuis voelt. Dit sluit ook mooi aan bij de beleidsdoelstelling 'Bewegende Stad'. In de ontwikkeling van het plangebied geeft de gemeente voorrang aan de voetganger en de fiets. Daarbij wordt de bereikbaarheid per fiets vergroot door te investeren in extra fietsverbindingen en fietsparkeerplaatsen in de openbare ruimte. Om de rest van de stad te bereiken, is ook een goede ontsluiting van het gebied met openbaar vervoer belangrijk. Parkeren De inzet is om het autogebruik zoveel mogelijk te beperken door een lage parkeernorm te hanteren.
Ook wordt ingezet op het verduurzamen van het resterende auto verkeer. Parkeren door bewoners en bedrijven gebeurt in principe op eigen kavel. Ook geldt dat ontwikkelaars gestimuleerd worden om (elektrische) autodeelconcepten toe te passen om daarmee het autobezit in het plangebied te beperken. De parkeervoorzieningen op private kavels moeten voor 100% zijn voorbereid voor een 'slim' laadpunt. Ook de capaciteit van de elektriciteitsaansluiting moet hierop zijn toegerust. Het aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte voor bezoekers wordt beperkt. Bovendien wordt bij 15% - 25% van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte een elektrische laadvoorziening geplaatst. Goederenvervoer De bevoorradingsroutes voor o.a. bedrijven, kantoren en winkels verdienen vanuit luchtkwaliteit bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 43
aandacht. Zorg bijvoorbeeld voor voldoende laad- en losvoorzieningen in de nabijheid zodat het overige verkeer goed kan doorstromen (en daarmee minder luchtvervuiling veroorzaakt). Onderzoek daarnaast mogelijkheden m.b.t. optimaliseren van venstertijden, slimme laad- en losplekken en het faciliteren van locaties voor overslagplekken of cargohubs/oplaadhubs (voor elektrisch vervoer). Elektrisch Vervoer Elektrisch vervoer heeft de toekomst: het is duurzaam en draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Om elektrisch vervoer in het gebied mogelijk te maken, is het van belang dat hiervoor afdoende duurzame infrastructuur en bronnen aanwezig zijn. Er is daarbij een onderscheid te maken in de oplaadinfra die bij oplevering aanwezig moet zijn en de oplaadinfra voor de toekomst die in eerste instantie alleen moet zijn voorbereid. Het gaat zowel om voldoende oplaadfaciliteiten in de openbare ruimte als in de privégarages op eigen terrein. Door nu in de openbare ruimte en gebouwen voldoende voorbereidingen te treffen, wordt geanticipeerd op een toekomst met meer elektrisch vervoer. 4.3.2
Plangebied
Voorliggend bestemmingsplan maakt de bouw van 15- 17 woningen mogelijk. Er worden geen gevoelige bestemmingen (scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen) mogelijk gemaakt. Uit de worst-case berekening van de bijdrage van de planontwikkeling op de luchtkwaliteit blijkt dat het extra verkeer dat deze ontwikkeling genereert (40 voertuigbewegingen per dag) leidt tot een toename van 0,05 NO2 en 0,01 PM10. De NIBM grens van 1,2 ug/m3 wordt niet overschreden. Het plan heeft geen negatief effect op de luchtkwaliteit.
Gemeente Amsterdam
blz. 44
4.4
Geluidhinder
4.4.1
Kader
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder (Wgh). Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), doordat een goede ruimtelijke ordening vereist dat een goed woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd ter plaatse van bijv. gevoelige functies. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn sinds het eind van de jaren '70 de wetten en regels voor het bestrijden en voorkomen van geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en industrie vastgelegd. Hierin staat bijvoorbeeld wanneer de geluidbelasting moet worden getoetst. Daarnaast is vastgelegd hoeveel decibel geluid in deze situaties zijn toegestaan. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd bij de toetsing, moeten er maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen. De akoestische berekeningen moeten voldoen aan de regels die zijn vastgelegd in Reken- en Meetvoorschriften. Indien een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies of nieuwe infrastructuur mogelijk maakt dient akoestisch onderzoek verricht te worden. Bestaande wegen, die niet zijn aangewezen als woonerf of 30 km-zone, hebben een wettelijke onderzoekszone.
Indien binnen deze zone nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient met een akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat er voldaan wordt aan de hoogst toelaatbare waarde van de Wgh. Indien uit onderzoek blijkt dat de hoogst toelaatbare waarde van 48 dB op de gevel wordt overschreden, zal er een hogere waarde vastgesteld moeten worden. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd te worden. Daarnaast dient onderzocht te worden of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 4.4.2
Akoestisch onderzoek
Omdat met voorliggend bestemmingsplan een bouwplan mogelijk wordt gemaakt waarmee wonigen kunnen worden gerealiseerd, is in opdracht van de gemeente Amsterdam, door Peutz akoestisch onderzoek uitgevoerd (rapportnummer O 16681-2-RA-002 d.d. 14 maart 2024). Dit onderzoek is als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de woningen binnen de geluidzone van het gezoneerd industrieterrein Johan van Hasseltkanaal Oost liggen. Met het onderzoek is dan ook de geluidbelasting door wegverkeer en industrielawaai inzichtelijk gemaakt. 4.4.2.1 Wegverkeerslawaai De beoogde woningen zijn gelegen op korte afstand van meerdere wegen waarop een maximumsnelheid van 30 km/uur van toepassing is. Dit betreft het Brede Kerkepad, de Hoornsestraat, het Enkhuizerplein en de Purmerweg. In het kader van een goed woon- en leefklimaat dienen 30 km/uur-wegen meegenomen te worden in akoestisch onderzoek. Overige wegen zijn op een dusdanige afstand gesitueerd dat deze een verwaarloosbare invloed hebben op de optredende geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de beoogde ontwikkeling. De diverse beschouwde wegen worden weergegeven in onderstaande afbeelding.
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 45
Afbeelding 4.1: beschouwde weggen in de omgeving van het plangebied (bron: Peutz) De rekenresultaten als gevolg van de optredende gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de woningen door wegverkeer per bouwdeel is weergeven in onderstaande tabel:
Gecumuleer de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai
Gemeente Amsterdam
blz. 46
Afbeelding 4.2: bouwdelen (bron: Peutz) De bijdrage per weg aan de gecumuleerde geluidbelasting is als volgt: De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer over de Purmerweg bedraagt maximaal 61 dB; De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer over het Brede Kerkepad bedraagt maximaal 57 dB; De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer over het Enkhuizerplein bedraagt maximaal 42 dB; De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer over de Hoornsedijk bedraagt maximaal 39 dB; De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer over Nieuwendammerstraat bedraagt maximaal 32 dB; De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer over het Purmerplein bedraagt maximaal 36 dB.
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 47
Gecumuleer de geluidbelasting wegverkeer vanuit het noordoosten
Gecumuleer de geluidbelasting wegverkeer vanuit het zuidwesten
Gemeente Amsterdam
blz. 48
4.4.2.2 Industrielawaai De beoogde ontwikkeling bevindt zich binnen de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein Johan van Hasseltkanaal Oost. In afbeelding 4.3 is de ligging van het plangebied binnen de geluidzone van het industrieterrein weergegeven.
Afbeelding 4.3: ligging plangebied ten opzichte van geluidszone industrie (bron: Peutz) In onderstaande tabel zijn de berekende etmaalwaarden (Letmaal) ten gevolge van het industrieterrein Johan van Hasseltkanaal Oost ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen weergegeven.
De hoogst optredende geluidbelasting van 52 dB (A) treedt op ter plaatse van de westgevel van bouwdeel A op een hoogte van 7,5 meter. Hiermee wordt de voorkeurswaarde van 50 dB (A) overschreden. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB (A) wordt niet overschreden. De waarde van 50 dB (A) wordt slechts op een zeer beperkt aantal posities overschreden.
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 49
Optredende geluidbelasting als gevolg van industrielawaai 4.4.2.3 Spoorweglawaai Het plangebied ligt niet in de nabijheid van spoorwegen, waardoor het aspect spoorweglawaai niet aan de orde is. 4.4.3
Cumulatie wegverkeer- en industrielawaai
Ingevolge artikel 110a, lid 6 van de Wgh moet bij de vaststelling van hogere waarden rekening worden gehouden met cumulatie van geluid ten gevolge van andere relevante geluidbronnen. De Wgh bepaalt dat een hogere waarde alleen wordt vastgesteld, voor zover de gecumuleerde geluidbelasting in een bepaalde situatie niet leidt tot een naar het oordeel van burgemeester en wethouders onaanvaardbare geluidbelasting. In de Wgh is echter niet geregeld in welke situaties sprake is van een onaanvaardbare geluidbelasting.
Wegverk eerslawaai Maatgevend voor de optredende geluidbelasting ter plaatse van het plangebied zijn de geluidbelastingen vanwege de Purmerweg en het Brede Kerkepad. Er is sprake van geluidbelastingen van respectievelijk 61 dB en 57 dB. Vanwege de Hoornsedijk, de Nieuwendammerstraat en het Purmerplein is er sprake van geluidbelastingen van maximaal 42 dB. De geluidbelasting van alle wegen samen bedraagt tot 61 dB. De geluidbelasting voor o.a. Het Brede kerkpad en de Hoornsedijk zijn gebaseerd op worstcase uitgangspunten ten aanzien van de verkeersintensiteiten over deze wegen. Hiermee is naar alle verwachting in werkelijkheid sprake van minder hoge geluidbelastingen vanwege deze wegen.
Gemeente Amsterdam
blz. 50
Industrielawaai De geluidbelasting ten gevolge van het industrieterrein 'Johan van Hasseltkanaal Oost' bedraagt maximaal 52 dB(A). De geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de beoogde ontwikkeling overschrijdt hiermee de etmaalwaarde van 50 dB(A). De ten hoogste toelaatbare hogere waarde van 55 dB(A) voor nieuwe woningen wordt hiermee niet overschreden. Opgemerkt wordt dat de waarde van 50 dB(A) slechts op een zeer beperkt aantal posities wordt overschreden. Daar waar de voorkeursgrenswaarde 50 dB(A) voor industrielawaai wordt overschreden dienen hogere waarden aangevraagd te worden. Hogere waarden kunnen op grond van de Wgh slechts worden vastgesteld indien het redelijkerwijs niet mogelijk is aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Derhalve dient voorafgaand aan het nemen van een hogere waarden besluit onderzocht te worden of het mogelijk is geluidreducerende maatregelen te treffen. Daarbij geldt de voorkeursvolgorde bron-overdracht-ontvanger, hetgeen inhoudt dat het treffen van maatregelen aan de bron de voorkeur verdient boven het treffen van maatregelen in de overdracht, en dat het treffen van maatregelen in de overdracht de voorkeur verdient boven het treffen van maatregelen bij de ontvanger. In paragraaf 3.6 komen de mogelijke maatregelen aan bod.
Gecumuleerde geluidbelasting Er treedt een onaanvaardbare geluidbelasting op als de gecumuleerde waarde meer dan 3 dB hoger is dan de hoogste van de maximaal toegestane ontheffingswaarden van 63 dB voor wegverkeerslawaai wordt met 63 dB. Hoewel de in het onderzoek betrokken wegen niet beoordeeld worden volgens de Wgh wordt voor de beoordeling van de gecumuleerde geluidbelasting de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeerslawaai op grond van de Wgh indicatief wel toegepast. In de voorliggende situatie bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeers- en industrielawaai ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen ten hoogste 61 dB, dit kan worden gezien als een acceptabele geluidbelasting. 4.4.4
Hogere waarden Wet geluidhinder
Daar waar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai en 50 dB (A) voor industrielawaai wordt overschreden dienen hogere waarden aangevraagd te worden. Hogere waarden kunnen op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) slechts worden vastgesteld indien het redelijkerwijs niet mogelijk is aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Derhalve dient voorafgaand aan het nemen van een hogere waarden besluit onderzocht te worden of het mogelijk is geluidreducerende maatregelen te treffen. Daarbij geldt de voorkeursvolgorde bron-overdracht-ontvanger, hetgeen inhoudt dat het treffen van maatregelen aan de bron de voorkeur verdient boven het treffen van maatregelen in de overdracht, en dat het treffen van maatregelen in de overdracht de voorkeur verdient boven het treffen van maatregelen bij de ontvanger. Een hogere waarde mag pas worden vastgesteld als de gecumuleerde geluidbelasting naar het oordeel van het bevoegd gezag aanvaardbaar is (artikel 110a, zesde lid, Wgh). Aangezien in voorliggende situatie hogere waarden aangevraagd worden, is het benodigd om de cumulatie van geluid nader te beschouwen. In welke gevallen sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting is niet aangegeven in de regelgeving. Omdat sprake is van meer dan één geluidbron, is tevens de gecumuleerde geluidbelasting van belang.
Het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 beschrijft een methode om deze cumulatie uit te voeren, rekening houdend met verschillen in dosis-effectrelaties van de verschillende geluidsbronnen (verschillende geluidbronnen worden immers niet allemaal even hinderlijk ervaren). bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 51
In de voorliggende situatie is sprake van een gecumuleerde geluidbelasting van maximaal 61 dB uitgedrukt in wegverkeerslawaai. 4.4.5
Amsterdams geluidbeleid
Nieuwe woningen, waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dienen in principe een stille zijde te krijgen. Voor woningen die worden uitgevoerd met een dove gevel is een stille zijde verplicht. Een stille zijde wordt gedefinieerd als een gevel (of geveldeel) die niet rechtstreeks wordt belast met een geluidsniveau boven de voorkeursgrenswaarde. De gecumuleerde geluidbelasting per bronsoort (wegverkeer, spoorverkeer of industrie) mag dus niet hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Wanneer van dat uitgangspunt wordt afgeweken, wordt in het hogere grenswaarden besluit een motivatie opgenomen. In de volgende paragraaf komen mogelijke maatregelen aan bod. 4.4.5.1 Maatregelen Algemeen Aangezien de voorkeursgrenswaarde in de voorliggende situatie wordt overschreden (voor industrielawaai), dienen hogere waarden aangevraagd te worden. Hierbij dient aangesloten te worden op het Beleid hogere grenswaarden Wet geluidhinder van de gemeente Amsterdam. Vanuit het geluidbeleid van de gemeente Amsterdam worden geluidluwe gevels verplichtgesteld bij elke woning, hiertoe is onderzocht welke maatregelen kunnen worden genomen om de geluidbelasting ter plaatse van de beoogde ontwikkeling te reduceren. Hierbij wordt de voorkeursvolgorde bron-overdracht-ontvanger aangehouden.
In voorliggende situatie is als gevolg van industrielawaai ter plaatse van een beperkt aantal beoordelingsposities sprake van een overschrijding tot 2 dB(A) van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). In relatie tot deze beperkte overschrijding en het grote aantal bronnen dat hieraan bijdraagt is het toepassen van bronmaatregelen maatregelen een zeer ingrijpende maatregel. Ook zijn maatregelen in de overdracht in deze situatie geen realistische oplossingsrichting. Het kan hiermee niet redelijkerwijs worden verwacht om dergelijke maatregelen ten aanzien van industrielawaai te treffen. De beschouwing van de mogelijke maatregelen beperkt zich derhalve hoofdzakelijk tot de maatregelen bij de ontvanger. Maatregelen bij de ontvanger Vooralsnog is de exacte indeling en ligging van de woningen binnen het woningbouwplan nog niet bekend. Een deel van de gevels kan reeds als stille zijde worden aangemerkt. Voor de woningen die niet beschikken over een stille zijde, kunnen eventuele maatregelen, zoals de toepassing van loggia's en schermen of balkons met een verhoogde borstwering, ervoor zorgen dat aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. Daarnaast kan in het ontwerp door middel van een strategische woningindeling rekening gehouden worden met de optredende geluidbelasting.
Naast industrielawaai is er sprake van een aanzienlijke geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai vanwege de Purmerweg en het Brede Kerkepad. Hoewel de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid hier niet van toepassing zijn wordt in overweging gegeven hier in het ontwerp ten behoeve van de realisatie van een acceptabel woon- en leefklimaat wel rekening mee te houden. Wat betreft het akoestisch binnenniveau zal bovendien worden voldaan aan de nieuwbouweisen conform het Bouwbesluit 2012. Binnen in de woningen zal daarmee een goed akoestisch woon- en leefklimaat Gemeente Amsterdam
blz. 52
worden gewaarborgd. 4.4.6
Besluit hogere waarden Wet geluidhinder
Het ontwerp besluit hogere waarden heeft gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen op het ontwerp besluit hogere waarden ingediend. Het college heeft voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan het hogere waardenbesluit genomen.
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Kader
Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens (zie §3.1.4 luchthavenindelingsbesluit Schiphol) en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen.
Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De Veiligheidsregio dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan in de buurt van een risicobron. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels restaurants.
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 53
4.5.2
Regelgeving en beleid
Het doel van het de regelgeving en beleid is: het beheersen, maar ook minimaliseren van de risico's voor de omgeving vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's rond luchthavens en het voorkomen van nieuwe knelpuntsituaties. De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaat uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid van het bouwen van kwetsbare bestemmingen in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. Om effectief omgevingsbeleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar risicovolle objecten zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan meerdere typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid. Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing.
Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. In nieuwe situaties geldt voor het PR een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat binnen de PR 10-6 contour van een Bevi-inrichting geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Indien binnen de contour beperkt kwetsbare objecten worden opgericht moet het bevoegd gezag motiveren waarom dat wenselijk en aanvaardbaar is. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden.
Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Per 1 april 2015 is de wet aangevuld met de regelgeving over het Basisnet. De wetgeving over het Basisnet wordt ook wel "Wet Basisnet" genoemd en omvat een heel stelsel van wetten en regels die hun oorsprong hebben liggen in verschillende gebieden. De voornaamste die in dit verband van belang zijn, betreffende volgende: Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) Hierboven al genoemd: voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen de belangrijkste wet. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes geldt het Besluit externe veiligheid . Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Regeling Basisnet In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Bouwbesluit
Gemeente Amsterdam
blz. 54
Het aangepaste Bouwbesluit bevat regels rondom bouwen binnen Plasbrandaandachtsgebieden. Met de inwerkingtreding van het Basisnet is de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) komen te vervallen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Het Basisnet beoogt aan de gemeenten duidelijkheid te bieden over de maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Die maximaal toelaatbare risico's worden met de bijbehorende risicozones voor alle relevante spoor-, weg- en vaarwegtrajecten in tabellen vastgelegd. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Een plasbrandaandachtsgebied is het gebied waar bij het realiseren van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.
Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letaliteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht.
Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteit en werking van de buisleiding kunnen verhinderen. ADN, Richtlijn Vaarwegen en BPR Ingevolge het ADN en het Binnenvaart Politiereglement (BPR) moeten schepen met gevaarlijke stoffen, de zogenaamde kegelschepen, aparte opstel-, tevens wachtplaatsen krijgen. Een onderzoek van het maatgevende verkeersaanbod dient om de noodzaak van dergelijke plaatsen aan te tonen. Bij lage intensiteiten van kegelschepen kan met verkeersmanagement het ligplaats nemen op de wachtplaatsen voorkomen of beperkt worden, waardoor niet altijd een aparte ligplaats voor kegelschepen nodig is. De situering ervan is in het verlengde van de opstel- en wachtruimte of, als dit niet mogelijk is, aan de bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 55
andere oever. Hierbij gelden minimale afstanden ten opzichte van andere schepen en bebouwing. In de Richtlijnen Vaarwegen 2017 staat in paragraaf 6.2.5 beschreven welke criteria van toepassing zijn bij het aanwijzen van kegelligplaatsen. De aard van de lading bepaalt het aantal te voeren blauwe kegels. De aan te houden minimumafstanden zijn beschreven in het ADN en overgenomen in het BPR. Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 8 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico s zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen.' Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico's aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven.
Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van burgemeester en wethouders worden toegestaan. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door het bevoegd gezag expliciet is toegestaan. 4.5.3
Plangebied
Nabij het plangebied, op ongeveer 325 meter, bevindt zich de hoge druk aardgastransportleiding W-572-01 (zie ook de figuur hieronder).
Gemeente Amsterdam
blz. 56
Afbeelding 4.2: uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl). Het plangebied is gemarkeerd Leiding W-572-01 heeft een uitwendige diameter van 406 mm (15,98 inch) en een werkdruk van 40 bar. Een leiding met een dergelijke diameter en werkdruk heeft een 1% lethaliteits afstand van 170 meter en een 100% lethaliteitsafstand van 80 meter. Het plangebied Purmerweg 46 ligt op ongeveer 325 meter afstand. Een beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is niet aan de orde. Risico's vanwege overige inrichtingen Er bevinden zich geen overige inrichtingen in de nabijheid van het plangebied die beoordeeld moeten worden in het kader van het aspect Externe veiligheid. Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren In de nabijheid van het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren plaats. Verantwoording Groepsrisico Een verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde. Conclusie Het aspect Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling op het perceel Purmerweg 46.
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 57
4.6
Bodemkwaliteit
4.6.1
Kader
Het doel van de Wet Bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. Ook als er sprake is van een functieverandering, dient in een aantal gevallen aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Voor het bestemmingsplan heeft dit voornamelijk betekenis voor zover nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. 4.6.2
Plangebied
Crux Engineering BV heeft in oktober 2018, in opdracht van de gemeente Amsterdam bodemonderzoek uitgevoerd, waaronder historisch vooronderzoek. Uit het vooronderzoek is gebleken dat op de locatie in 1998 bodemonderzoek is uitgevoerd, waarbij is geconstateerd dat in de ondergrond (1,5m tot 2,0 m-mv) een matig verhoogd kopergehalte is gemeten. Verder is geconstateerd dat op en in de directe omgeving van de locatie (binnen 50 meter) geen gegevens bekend zijn van verdachte (bedrijfs-) activiteiten of puntbronnen, waaronder tanks. De locatie is op de bodemkwalteitskaart van de gemeente Amsterdam gelegen in zone 3. De gemiddelde kwaliteit van de grond in deze zone bedraagt klasse 'industrie'. Op basis van het vooronderzoek wordt niet verwacht dat de grond (sterk) verontreinigd is. In september 2018 zijn op de locatie boorwerkzaamheden verricht en grondwatermonsters genomen. Uit de analyseresultaten blijkt het volgende: de bovengrond ter plaatse van de binnenplaats bevat hoogtens een licht verhoogd gehalte aan PCB. De bovengrond aan de noordzijde van het perceel bevat geen verhoogde gehalten van stoffen waarop is onderzocht. de ondergrond bevat hoogtstens licht verhoogde gehalten aan kwik en lood de bovengrond ter plaatse van de binnenplaats voldoet indicatief aan de klasse 'industrie' op basis van het licht verhoogde gehalte aan pcb.
De bovengrond aan de noordzijde voldoet aan de achtergrondwaarden. de ondergrond voldoet aan de klassen 'wonen'. het grondwater bevat een licht verhoogde concentratie barium. de grond bevat geen asbest. de bodemkwaliteit is geschikt voor het bodemgebruik 'wonen met tuin'. Het volledige onderzoek is als Bijlage 3 bij deze toelichting bijgesloten.
Gemeente Amsterdam
blz. 58
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 59
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsaspecten
Mobiliteit en Parkeren
Mobiliteit V&OR heeft in oktober 2021 een studie uitgevoerd naar de verkeersgeneratie van de voorgenomen ontwikkeling op het perceel Purmerweg 46. In deze paragraaf is een samenvatting van de studie opgenomen. De volledige studie is als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. De actualisatie is als bijlage 5 opgenomen. Purmerweg 46 valt binnen de verkeerszone 879. Al het verkeer uit deze zone komt uit op de Nieuwe Purmerweg. Met de ontwikkeling worden maximaal 17 woningen en maximaal 41 personen, toegevoegd. In de perioide 2020-2030 is er sprake van een een groei van ca. 3.000 motorvoertuigen per etmaal op de Nieuwe Purmerweg. 41 inwoners genereren 100 verplaatsingen per etmaal, waarvan 40 met de auto, 40 met de fiets en 20 met het OV. De toename op etmaalniveau bedraagt 0,001%. De belasting van relevante kruispunten komt niet boven de 30% uit. Een kruispunt dat voor meer dan 85% belast wordt moet aangepast worden. Geconcludeerd wordt dat het effect van de ritgeneratie van 17 personen niet significant is voor de belasting van relevante kruispunten. De toename van het verkeer leidt niet tot een problematische kruispuntbelasting. Parkeren Er wordt een ontwikkeling gerealiseerd die uit 100% sociale huurwoningen bestaat.
Op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid (Nota parkeernormen auto, november 2017) zijn er voor deze ontwikkeling 2 parkeerplaatsen nodig (17x0,1) = 1,7, afgerond 2. Bij kleinschalige woningbouwontwikkelingen waarbij de parkeerbehoefte niet meer dan 4 parkeerplaatsen is, hoeft er niet op eigen terrein in de parkeerbehoefte te kunnen worden voorzien. Uit recente parkeergegevens van mei 2022 (zie ook www.maos.amsterdam.nl/parkeerdruk/) blijkt niet dat de parkeerdruk in de directe omgeving van het plangebied dusdanig hoog is, dat het noodzakelijk is een besluit tot invoering van betaald parkeren te nemen. Volgens de informatie op maps.amsterdam.nl is de parkeerdruk in de direct aan het plangebied grenzende straten 63%, 71%/ 80% en 86%.
Gemeente Amsterdam
blz. 60
5.2
Water
5.2.1
Kader
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het NWP 2016-2021 is de opvolger van het NWP 2009-2015 en vervangt dat plan en de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet is het NWP voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. In dit nieuwe NWP komt een aantal onderwerpen uit het vorige NWP niet terug. Alleen de onderwerpen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) als rijksbelang zijn aangemerkt, staan in dit NWP. Gedecentraliseerde onderwerpen komen niet meer aan de orde. Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: integraal waterbeheer afwenteling voorkomen ruimte en water verbinden In 2014 heeft het Kabinet de nationale deltabeslissingen vastgesteld en via een tussentijdse wijziging van het voornoemde Nationaal waterplan als beleid heeft verankerd. In de deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. In 2014 heeft de gemeente Amsterdam de intentieverklaring 'Ruimtelijke Adaptatie' ondertekend, voortkomend uit de Deltastrategie.
In haar beleid 'Amsterdam Waterbestendig' onderschrijft de gemeente de noodzaak voor klimaatbestendigheid en een robuuste watersysteem, mede in verband met de ambitie om de stad verder te verdichten. Op rijksniveau heeft de Commissie Waterbeheer in de 21ste eeuw, geadviseerd de wateroverlast in een watersysteem aan te pakken door het volgen van de drietrapsstrategie vasthouden-bergen-afvoeren. In het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben alle partijen deze aanpak onderschreven. Op grond van 'Amsterdam Waterbestendig' gaat Amsterdam de komende decennia werken aan de volgende opgaven: bescherming tegen overstroming; omgaan met wateroverlast; omgaan met watertekort; omgaan met temperatuurstijging/hittestress. Watervisie 2021 Op 16 november 2015 hebben Provinciale Staten van Noord-Holland de Watervisie 2021 "Buiten de oevers" vastgesteld. De Watervisie biedt een doorkijk voor het regionale waterbeleid tot 2040 en geeft aan waar in de periode 2016-2021 de prioriteiten liggen voor waterveiligheid en schoon en voldoende water. De Watervisie 2021 is op 23 december 2015 in werking getreden en vervangt het Waterplan 2010-2015. Voor de Watervisie is een Uitvoeringsprogramma 2016-2021 opgesteld, waarin staat wat de provincie concreet gaat doen. Het Uitvoeringsprogramma wordt jaarlijks geactualiseerd.
Waterverordening provincie Noord-Holland
In de Waterverordening 2015 zijn bepalingen opgenomen over de instandhouding en bruikbaarheid van de scheepvaartwegen van de provincie en de aanwezige kunstwerken, zoals bruggen, sluizen en steigers.
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 61
Waterprogramma 2016-2021 Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) beschrijft het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier de doelstellingen voor de periode 2016-2010 voor de drie kerntaken: veiligheid tegen overstromingen, droge voeten en schoon water. Deze taken worden de komende periode sterk beïnvloed door de klimaatverandering en de uitgangspunten van de Europese Kaderrichtlijn Water. De komende jaren is de opgave om het beheergebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort en schoon water. Dat gebeurt vooral preventief door de uitvoering van programma's en dagelijks beheer, maar ook door het onderhouden van een goede crisisorganisatie.
Keur HHNK In 2016 heeft het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) een nieuwe Keur vastgesteld. De keur van HHNK is gericht op het beschermen van de water aan- en afvoer, de bescherming tegen wateroverlast en overstroming en op het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem. In de Keur staan de regels die het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Samen met de Waterwet, nationale- en Europese wetgeving en beleidsregels van HHNK vormt dit de basis voor de watervergunning.
Nota waterkeringen In deze beleidsnota wordt het beleid en de uitgangspunten voor het beheer en medegebruik van de waterkeringen van HHNK beschreven. De Beleidsnota Waterkeringen geeft helderheid over: het doelmatig beheren, het waarborgen van de waterkerende functie, het afstemmen van de belangen, het vergunningen- en ontheffingenbeleid. Omgevingsprogramma Riolering 2022 - 2027 In dit plan is het beleid op het gebied van de gemeentelijke watertaken (stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater) van Amsterdam toegelicht voor de periode 2012-2027. 5.2.2
Plangebied
Algemeen Het Rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen hebben in februari 2001 de “Startovereenkomst Waterbeheer 21ste eeuw” ondertekend. Hierin is vastgelegd dat de betrokken partijen de “watertoets” toepassen op alle relevante ruimtelijke plannen met waterhuishoudkundige consequenties. In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen en bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan. De watertoets is een instrument om ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen en een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen in strijd met het bestemmingsplan”, te toetsen op de mate waarin rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als waterkwaliteit en waterkwantiteit (ruimte voor water) en veiligheid (bescherming tegen overstroming). Het plangebied van het bestemmingsplan Purmerweg 46 valt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Waternet voert de zorg voor de gemeentelijke watertaken. De gemeentelijke watertaken omvatten zorgplicht voor grondwater, afvalwater, hemelwater Gemeente Amsterdam
blz. 62
en drinkwater. Waterkeringen Het projectgebied is niet gelegen nabij een waterkering. Waterberging Bij een toename van het oppervlakte verharding met meer dan 800 m2 dient, gelet op de Keur (Algemene regels bij de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2016), de toename aan verharding te worden gecompenseerd in de vorm van 10% oppervlaktewater of alternatieve vormen van waterberging. In de huidige situatie is 379 m2 bebouwd oppervlak op het perceel. Het perceel heeft een oppervlakte van 710 m2. Wanneer het perceel volledig wordt verhard, neemt het oppervlakte verharding met maximaal 331 m2 toe. In de praktijk zal hier geen sprake van zijn. Een deel van het perceel zal worden ingericht als tuin bij de woningen. De maximale toename van verhard oppervlakte bedraagt minder dan 800 m2, waardoor er geen watercompensatie nodig is. Hemelwater Op basis van de Hemelwaterverordening gemeente Amsterdam is het verboden om vanaf een gebouw hemelwater in het openbaar riool of op de openbare ruimte te lozen, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand wordt gehouden. In de nieuwe situatie is er sprake van 227m2 bebouwing. Een hemelwaterberging heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per vierkante meter bebouwd oppervlak, loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool en is na 60 uur leeg (artikel 4.1 Hemelwaterverordening Amsterdam).
Bij 227 m2 bebouwd oppervlak is een hemelwaterberging van 13,62 m2 nodig. Middels een voorwaardelijke verplichting in de regels is geborgd dat de hemelwaterbeging daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Wateropgave Dit bestemmingsplan levert een bijdrage aan de invulling van de wateropgave middels het realiseren van een hemelwaterberging met een capaciteit van ten minste 13,62 m3. Demping en verharding In het kader van dit bestemmingsplan is geen sprake van demping van oppervlaktewater. In de huidige situatie bedraagt het bebouwingsoppervlak circa 379 m². In het kader van het project is geen sprake van toename van de verharding met meer dan 800 m2. Compensatie is daarom niet noodzakelijk. Waterkwaliteit