Raadsbesluit 2024-138B BP Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o.- toelichting
Tekst van het document
Punt van aandacht is volgens Rijkswaterstaat het beheer van het groen waarbij ook de beelden van de leeuwen moeten worden meegenomen [N.B. deze staan ten zuiden van het syphongebouw in de berm langs het Amsterdam-Rijnkanaal]. Verder is aangegeven dat de damwanden in beheer blijven van Rijkswaterstaat en dat eventuele nieuwe bomen dusdanig geplaatst dienen te worden dat de damwanden niet door wortelgroei worden weggedrukt, dat het bellenscherm (in beheer van Rijkswaterstaat) bereikbaar moet blijven, dat er geen inrijverbod moet gaan gelden voor Rijkswaterstaat en Waternet (het gemaal en de sifon zijn in beheer van Waternet) en dat de borden van Rijkswaterstaat langs het Amsterdam-Rijnkanaal op de huidige plaats moeten blijven staan en dat de verlichting van de borden behouden moet blijven. Een ander punt van aandacht betreft "wachtende vaartuigen bij het uitnemen van de brug" en hoe daar mee om te gaan. Dit gezien de klasse / het type scheepvaart op het Amsterdam-Rijnkanaal. Het gaat om grotere vaartuigen op het Amsterdam-Rijnkanaal met een zuigende werking. Ook de windfactor kan hierin een rol spelen. Wachtende schepen bij het uitnemen van de brug kunnen in de invloedsfeer komen van het Amsterdam-Rijnkanaal met mogelijke aanvaringen tot gevolg.
Rijkswaterstaat heeft aangegeven dat zij weliswaar niet de vaarwegbeheerder is van de Nieuwe Vaart, maar dat het plaatsen Gemeente Amsterdam
blz. 92
van nieuwe palen voor wachtende schepen op een geopperde mogelijke locatie niet conform de richtlijnen Vaarwegen 2020 is. Dit wordt vanuit nautisch oogpunt niet akkoord bevonden door Rijkswaterstaat. Ook de noodzaak van nieuwe afmeerpalen voor de brug wordt niet direct herkend. Dit vanuit de overweging dat de wachttijd niet lang zal zijn. Dit gezien de schepen die het betreft en het doel waarvoor de brug wordt geopend. Bovendien is er voor een langere wachttijd nu al een meerpaal aanwezig. Mocht de gemeente toch meerpalen willen plaatsen, dan kan dat door de meerpalen dicht bij de brug te plaatsen conform de richtlijnen Vaarwegen 2020 en gebruik te maken van de bestaande meerpalen (gele cirkel op navolgende afbeelding). Het resultaat van afstemming met de gemeente hierover is het volgende: er komen geen nieuwe afmeerpalen voor de brug. Er is een bestaande paal die behouden blijft om in geval van een calamiteit af te kunnen meren.
Afbeelding: situering bestaande meerpalen ten oosten het plangebiedsdeel 'brug' Planonderdeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585' Overleg met het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) en Waternet (als uitvoeringsdienst van Waterschap AGV en gemeente)heeft plaatsgevonden in het kader van het zogeheten artikel 3.1.1 Bro overleg (raadplegen bestuursorganen die een specifiek belang dienen). Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 8.2 van voorliggende toelichting.
5.2
Verkeer
Verkeersgerelateerde overwegingen - Advies CVC De brug is toegankelijk via trappen met fietsgoot en hellingbanen. De hellingbaan met zigzagbeweging is zo ontworpen dat fietsers en rolstoelers niet te veel snelheid kunnen ontwikkelen en een conflict met kruisend verkeer wordt voorkomen. De helling van de hellingbaan is maximaal 4%. De breedte van de paden op de hellingbaan is maximaal 1,8 meter. In de planbeschrijving is een groot aantal te onderscheiden overwegingen over het plan uiteengezet (zie paragraaf 2.3.1 t/m 2.3.5). Aanvullend daarop zijn ook de volgende specifieke verkeergerelateerde afwegingen gemaakt. Dit in het kader van een adviestraject via bespreking in en door de Centrale Verkeerscommissie (CVC) van de gemeente Amsterdam. Daartoe is op 17 december 2019 een eerste ontwerp ter advisering aan de CVC voorgelegd. Nadien is naar aanleiding van het advies van de CVC van december 2019 de toegankelijkheid voor mindervaliden nader onderzocht. Dit resulterend in het voorliggende plan van brug met trappen met fietsgoot en zigzaggende hellingbanen. Het plan is op 17 november 2020 andermaal
bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)
blz. 93
besproken door de CVC. Tijdens die bespreking is ook een variant beschouwd in de vorm van liften in plaats van hellingbanen. Als reactie tijdens de behandeling CVC in november 2020 zijn de volgende opmerkingen gemaakt door: Extern adviseur Cliëntenbelang Amsterdam: sterk voorstander van een hellingbaan. Liften zijn vaak defect. Cliëntenbelang Amsterdam vreest dat de lift vaak vol fietsen zal staan en daardoor niet gebruikt kan worden door mensen met een beperking. Extern adviseur Fietsersbond: het is een gemiste kans dat niet aangesloten wordt op de bestaande plusnet-fietsroute. Een brug als deze is een obstakel en geen verbinding in het netwerk. Gemeente, onderdeel Politie: voorstander van een hellingbaan, mede vanuit de sociale veiligheid. Een lift is in dat opzicht minder sociaal veilig als het donker is. De hellingbaan zal gebruikt worden door fietsers. De politie pleit voor het goed aangeven van de trap aan weerszijde van de brug. Een markering op de brug aanbrengen bij de bovenzijde van de trap, zodat vooral in de avond goed zichtbaar is dat er een trap zit. Gemeente, onderdeel Verkeer & Openbare ruimte (V&OR): sluit aan bij de gemaakte opmerkingen en is voor een hellingbaan. Gemeente, onderdeel Metro & Tram (MET): geen aanvullende opmerkingen.
Gemeente, onderdeel Gemeentelijk Vervoersbedrijf (GVB): voorkeur aan een hellingbaan boven een lift en sluit aan bij de overige opmerkingen. Een hellingbaan van 1,80 m breed is smal als twee fietsers elkaar willen passeren. Aangezien het om enkele tientallen fietsers per uur gaat, kan GVB wel instemmen met de voorgestelde breedte. Bovenstaande opmerkingen resulteerde in het navolgende advies van CVC in november 2020 De CVC adviseert positief ten aanzien van de langzaamverkeer-brug over Nieuwe Vaart (Cruquiusgebied), toegankelijkheid mindervaliden. De CVC is unaniem voorstander van een hellingbaan. In de praktijk is een lift vaak defect en dat betekent dat mensen met een beperking geen alternatief hebben om over te steken. De hellingbaan biedt structurele toegankelijkheid. Ook de sociale veiligheid met betrekking tot de lift speelt een rol. Daar waar de hellingbaan boven bij de brug aankomt, de overgang naar de trap duidelijk markeren. Vooral op donkere momenten kan een gevaarlijke situatie ontstaan als de trap niet duidelijk wordt aangegeven. De CVC beseft dat de brug geen toekomstbestendige oplossing is, omdat deze mogelijk een onderdeel kan worden van een recreatieve fietsroute. De adviezen van CVC zijn meegewogen in het ontwerp voor de brug. Het resultaat is beschreven in de planbeschrijving in paragraaf 2.3.1 t/m 2.3.5.
5.3
Archeologie
Kader Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In het overgangsrecht van de Erfgoedwet is in artikel 9.1 geregeld dat de onderdelen van de Monumentenwet 1998 die overgaan naar de nieuwe Omgevingswet toch van kracht blijven tot de inwerkingtreding daarvan, zodat er geen lacunes in de bescherming ontstaan. Het gaat onder meer om de bescherming van archeologie in ruimtelijke besluiten (artikelen 38 tot en met 43 van de Monumentenwet 1988). Belangrijke onderwerpen van het overgangsrecht zijn: Instandhoudingsplicht: met de invoering van de Omgevingswet wordt wettelijk verankerd dat monumenteigenaren de plicht hebben om hun monument in stand te houden. Tot de Omgevingswet wordt ingevoerd, is de instandhoudingsplicht verankerd in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. De bepalingen over archeologische monumentenzorg. Het gaat onder meer om:
Gemeente Amsterdam
blz. 94
1. het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; 2. de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; 3. de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; 4. de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. Analyse situatie plangebied Plangebiedsdeel 'brug' De locatie van de brug ligt in het gebied waarvoor in november 2011 een archeologisch bureauonderzoek (Archeologisch bureauonderzoek Plangebied Cruquius Stadsdeel Oost; BO 11-055 Amsterdam 2011; Gemeente Amsterdam, Bureau Monumenten en Archeologie) is uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan Cruquius (zie paragraaf 1.4). Uit dat onderzoek naar het gehele Cruquiusgebied was op te maken dat in het overgrote deel van het Cruquiusgebied een lage of geen archeologische verwachting geldt waarvoor was bepaald dat verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is (zogeheten "beleidsvariant 11:- verwachtingszones A deels, D, E, F, G, H, I, J-").
En voorts was aan het gebied van, en voor een relatief klein deel ook aansluitend aan, de huidige Nieuwe Vaart (zogeheten "beleidsvariant 9: -Zone C Nieuwe Vaart-") een lage verwachting toebedeeld. En op grond van die verwachting was voor dat betreffende gebied bepaald dat voor bodemingrepen in de waterbodem die kleiner zijn dan 10.000 m2 geen archeologisch veldonderzoek hoeft te worden uitgevoerd. Het voorliggende plangebiedsdeel 'brug' betreft deels de gronden waar "beleidsvariant 11" van toepassing is en deels de gronden waar "beleidsvariant 9" van toepassing is. Voor beiden geldt dat dit betekent dat voor het plangebiedsdeel 'brug' geen nader archeologisch onderzoek hoeft te worden verricht omdat niet de verwachting is dat eventuele archeologische resten hier kunnen worden verstoord. Het aspect archeologie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plandeel 'brug'. Volledigheidshalve wordt de dubbelbestemming en regeling die in het bestemmingsplan Cruquius aan de gronden is toegekend wel 1-op-1 overgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Dit zodat de eerdere regeling voor het gehele gebied dekkend blijft en er geen gat ontstaat als gevolg van voorliggend "postzegelplan".
bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)
blz. 95
Afbeelding uit rapport "Archeologisch bureauonderzoek Plangebied Cruquius Stadsdeel Oost; BO 11-055 Amsterdam 2011", met daarop weergegeven de te onderscheiden beleidsvariantgebieden en rood omcirkeld de locatie van het plangebiedsdeel 'brug'. Plangebiedsdeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585' De locatie van het plangebiedsdeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585' ligt in gebied waarvoor door Bureau Monumenten & Archeologie in november 2009 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan Indische Buurt en Flevopark (zie paragraaf 1.4).
Gemeente Amsterdam
blz. 96
Afbeelding "Archeologische verwachtingen Indische Buurt en Flevopark" uit de toelichting van het bestemmingsplan Indische Buurt en Flevopark (vastgesteld 2010) Het plangebiedsdeel betreft water van het Lozingskanaal. Uit het betreffende archeologisch onderzoek naar het gebied "Indische Buurt en Flevopark was op te maken dat voor het gebied aangeduid als "Zone S Lozingskanaal" een lage archeologische verwachting geldt. Op grond daarvan is voor het bestemmingsplan Indische Buurt en Flevopark destijds bepaald dat er geen dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" aan het Lozingskanaal toegekend hoeft te worden. Die bepaling die destijds voor het bestemmingsplan Indische Buurt en Flevopark is gemaakt, is leidend voor voorliggend bestemmingsplan. Dit omdat de archeologische situatie van het Lozingskanaal niet is gewijzigd. Het aspect archeologie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plandeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585'. Conclusie Het aspect archeologie is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Volledigheidshalve wordt de dubbelbestemming en regeling die in het bestemmingsplan Cruquius aan de gronden van het plangebiedsdeel 'brug' is toegekend 1-op-1 overgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Dit zodat de eerdere regeling voor het gehele gebied dekkend blijft.
5.4
Cultuurhistorie
Kader Om een stabiele en meer structurele basis te geven aan de borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, is in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond, maar ook met waarden boven de grond. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan moeten verbinden voor het bestemmingsplan. Analyse situatie plangebied Plangebiedsdeel 'brug' Voor het bestemmingsplan Cruquius dat in 2013 is vastgesteld is in december 2012 een cultuurhistorische verkenning uitgevoerd. Uit de rapportage van dat onderzoek (bijlage bij voorliggende toelichting: Cultuurhistorische verkenning Cruquiusweg e.o.'; C 12-046; December 2012; BMA) is op te maken dat de omgeving van het plangebied (het gehele Cruquiusgebied) een boeiend stedenbouwkundig en architectonisch ensemble vormt, waarin de negentiende-eeuwse ontwikkeling van de haven en de stadsvernieuwing tot een verrassende synthese zijn gekomen. De huidige hoofdstructuur van het Cruquiusgebied dateert uit het laatste kwart van de negentiende eeuw, maar ook de stadsvernieuwing heeft rond 1990 onmiskenbare sporen nagelaten.
Een en ander komt tot uitdrukking in de verschijningsvorm van de stedelijke ruimte die uitgesproken divers is. Er zijn nog enkele betekenisvolle structuren, elementen en bebouwing bewaard gebleven. Een aantal stedenbouwkundige elementen herinneren aan de gecompliceerde waterhuishouding van de historische stad en het probleem van de fecaliën. Het gaat hierbij om de Nieuwe Entrepotsluis met beide bruggen, het Zeeburgerpad als voormalige waterscheiding tussen de Nieuwe Vaart en het Lozingskanaal, en het waterstaatkundige complex bij het gemaal Zeeburgerdijk 801. Voor voorliggend plangebied is wat dat betreft het volgende van belang: De Zeeburgersluis, Nieuwe Vaart en Lozingskanaal en Zeeburgerpad: Het waterstaatkundige bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)
blz. 97
complex herinnert aan de oorspronkelijke functie van het Lozingskanaal. Het Zeeburgerpad vormt een bijzonder waterstaatkundig en stedenbouwkundig gegeven als dijklichaam dat oorspronkelijk de waterscheiding vormde tussen de Nieuwe Vaart en het Lozingskanaal waardoor water uit de voormalige Zuiderzee werd ingelaten, via een gemaal, een voorboezem en een syphonsluis onder het Merwedekanaal door. Met dit water werden de grachten schoon gespoeld. De Nieuwe Vaart werd rond 1650 gegraven, met het oogmerk aanslibbing in de haven door middel van doorstroming tegen te gaan. Het gemaal, Zeeburgerdijk 801: gemeentelijk monument. Afweging planonderdeel 'brug': Het plangebiedsdeel 'brug' betreft het meest oostelijke deel van de Zeeburgersluis. De sluishoofden zijn om cultuurhistorische redenen van waarde. Dit is aanleiding om daar in het ontwerp van de brug rekening mee te houden. Om renovatie van de sluishoofden mogelijk te maken, is de constructie van de brug zo ontworpen dat de sluishoofden vrij worden gehouden van de constructie van de sluis. Het brugdek steunt niet op het sluishoofd. Dit met het oog op het behoud van het sluishoofd.
Plangebiedsdeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585' Tijdens de inventarisatie van belangen die gemoeid zijn met de keuze voor een vaste uitneembare brug is door de eigenaresse van het bestaande woonschip "Hoop op Welvaart" aan Zeeburgerdijk 585 het verzoek gedaan om haar de mogelijkheid te bieden tot vervanging van het woonschip door een woonark op die locatie. In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 (zie paragraaf 3.6.3) is onder meer over "Water voor wonen en werken" (onderdeel Leefbare stad) aangegeven dat behoud van historische woonboten een breed draagvlak heeft. Concrete conclusies worden daaraan in de omgevingsvisie echter niet verbonden.
5.5
Natuur
5.5.1
Kaders
Wet natuurbescherming - Soortbescherming De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Voor projecten dient bepaald te worden of de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming mogelijk een belemmering kunnen zijn. Wet natuurbescherming - Gebiedsbescherming Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000 gebied, moet worden onderzocht of het project significante gevolgen kan hebben op de beschermde habitats in de natuurgebieden. Natuurnetwerk Nederland (voorheen bekend als Ecologische Hoofdstructuur) en natuurverbindingen In navolging van artikel 2.10.2 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn bij provinciale verordening de gebieden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vormen. Het NNN (voorheen bekend als Ecologische Hoofdstructuur (EHS)), is een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en
Gemeente Amsterdam
blz. 98
ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN-gebieden in Noord-Holland zijn neergelegd in bijlage 5 bij de provinciale Omgevingsverordening NH2020. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten op grond van artikel 6.43 van de Omgevingsverordening NH2020 in acht worden genomen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen voor NNN-gebieden. Dit betreft een harde, absolute doorwerking. Afwijken is niet mogelijk. Een ruimtelijk plan mag geen nieuwe activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het NNN of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden. De verordening respecteert wat in geldende ruimtelijke plannen is toegestaan (eerbiedigende werking). Bestaande activiteiten zijn dus wel toegestaan.
Hoofdgroenstructuur, Amsterdams beleid Onderdeel van het Amsterdamse groenbeleid is de hoofdgroenstructuur van Amsterdam. Deze was onder andere opgenomen in de Structuurvisie Amsterdam 2040 (vastgesteld in 2011). Op 8 juli 2021 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 vastgesteld. Het is de leidraad voor inrichting en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie geeft richting en vervangt de bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)
blz. 99
Structuurvisie Amsterdam 2040 uit 2011. Hierop zijn twee uitzonderingen die integraal waren opgenomen in de structuurvisie, waaronder de Hoofdgroenstructuur. Deze blijven van kracht tot vervangend beleid is vastgesteld. Cruquius en de locatie van de brug zijn geen onderdeel van de hoofdgroenstructuur zoals die is vastgelegd in de Structuurvisie Amsterdam 2040.
Afbeelding: hoofdgroenstructuur gemeente Amsterdam op moment van opstellen voorliggend bestemmingsplan (medio - 2023) In 2022 heeft een nieuw beoogde hoofdgroenstructuur van het nog vast te stellen Beleidskader Hoofdgroenstructuur voor inspraak ter inzage gelegen (concept heeft ter inzage gelegen tot en met 13 februari 2022). Op de kaart van de nieuw beoogde hoofdgroenstructuur worden de bermen van het pad ten zuiden van de brug (Westelijke Merwedekanaaldijk) aangemerkt als "groene verbinding". Het is de doelstelling dat de bermen van het betreffende pad dus onderdeel gaan worden van de Amsterdamse hoofdgroenstructuur.
Afbeelding: beoogde concept hoofdgroenstructuur op moment van opstellen voorliggend bestemmingsplan (beleid situatie medio 2023) Gemeente Amsterdam
blz. 100
5.5.2
Onderzoek en afweging
Plangebiedsdeel 'brug' Soortbescherming In augustus 2017 is een verkennende quick scan natuur uitgevoerd (Quickscan natuur langzaamverkeersroute Nieuwe Vaart; Ingenieursbureau Amsterdam; 8 augustus 2017; kenmerk 30983). In de quick scan zijn adviezen en aanbevelingen opgenomen: De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in de populieren is niet op voorhand uit te sluiten. Indien de populieren in het projectgebied worden gekapt of sprake is van extra verlichting in het projectgebied, wordt geadviseerd om een vleermuisonderzoek uit te laten voeren. Indien verblijfplaatsen worden vastgesteld, dient te worden beoordeeld of deze worden verstoord door de voorgenomen werkzaamheden. Mitigerende maatregelen (afschermende verlichting, aangepaste werktijden of uitvoeringsperiode) kunnen voorkomen dat de verblijfplaatsen worden verstoord. Indien verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing te worden verkregen en kan uitvoering uitsluitend plaatsvinden conform de voorschriften in de ontheffing. Voorkomen dient te worden dat de Nieuwe Vaart méér wordt aangelicht dan in de huidige situatie. Indien dit niet voorkomen kan worden, dient een onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen uitgevoerd te worden. Dit onderzoek is grotendeels te combineren met het onderzoek naar verblijfplaatsen (zie vorige bullet).
Als een vliegroute wordt vastgesteld, dient beoordeelt te worden of sprake is van verstoring van deze route door de realisatie van verlichting op en nabij de brug. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in de populieren is niet waarschijnlijk, maar kan niet volledig op voorhand worden uitgesloten. Hiertoe dient een veldcheck te worden uitgevoerd. Als mogelijkheden voor jaarrond beschermde nesten worden waargenomen, dient op basis van de voorgenomen ingreep en de gewenste periode van uitvoering beoordeeld te worden of gericht onderzoek noodzakelijk is. Het verkennende onderzoek van 2017 is aanleiding geweest voor het verrichten van nader onderzoek. De resultaten staan in de notitie Veldonderzoek brug Nieuwe Vaart, Amsterdam (bureau Waardenburg; kenmerk 17-0600/18.07123/GerSm; 24 augustus 2018). In de notitie is het volgende geconcludeerd: Bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de betekenis van het water langs de noordkant van het plangebied als vliegroute voor meervleermuis. Om negatieve effecten op de meervleermuis - en daarmee overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb - te voorkomen moet extra verlichting van het wateroppervlak worden voorkomen.
Aanbevelingen: Indien het noodzakelijk is de brug te voorzien van verlichting wordt aanbevolen de verlichting kort boven het wegdek aan te brengen in de zijkant van de brugconstructie / reling. Voor het type verlichting wordt de vleermuisvriendelijke amberkleurige LED verlichting (Batlamp) aanbevolen zoals deze in opdracht van Rijkswaterstaat is ontwikkeld. Het verstoren van in gebruik zijnde nesten van vogels, en daarmee overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels, kan worden voorkomen door werkzaamheden aan de oever buiten het broedseizoen uit te voeren of het werkgebied - de oevers - van te voren te inspecteren op in gebruik zijnde nesten en indien nodig het werk uit te stellen. Voor andere beschermde soorten heeft het projectgebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten. Afwegingen: de aanbevelingen in de notitie van 2018 van het bureau Waardenburg zijn overgenomen door de verlichting kort boven het wegdek aan te brengen in de zijkant van de brugconstructie / reling en door gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting. Met de kans op verstoren van nesten van vogels wordt rekening gehouden door buiten bij eventuele
bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)