Raadsbesluit 2024-121C BP Pampuslaan 1 Weesp - Toelichting
Tekst van het document
Agenda duurzaamheid
De gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de hoofdstad versnellen. Dit staat in de Agenda Duurzaamheid, de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad. De Agenda Duurzaamheid is vastgesteld door de Gemeenteraad van Amsterdam op 11 maart 2015. Amsterdam wil een inhaalslag maken op het gebied van duurzaamheid. Dit wordt gedaan in goede samenwerking met partners uit de stad (bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen), niet alleen voor het creëren van breed maatschappelijk draagvlak, maar ook om de energie en doorzettingskracht die al aanwezig zijn in de samenleving te versterken. De Agenda Duurzaamheid is uitgewerkt met kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen, langs vijf transitiepaden, met als rode draad de filosofie van de circulaire economie: innovatie, meer doen met minder, slimmer en hernieuwbaar. In de agenda zijn de volgende kwantitatieve doelen opgenomen: Duurzame energie In 2020 wordt per inwoner 20 procent meer duurzame energie opgewekt dan in 2013 door: 1. Meer zonne-energie en windenergie produceren. 2. Meer gebruik maken van duurzame warmte. In 2020 wordt per inwoner 20 procent minder energie verbruikt dan in 2013 door: 1. De bestaande woningvoorraad verduurzamen. 2. Het energieverbruik bij bedrijfsvastgoed en maatschappelijk vastgoed verlagen. 3.
Energie nieuwbouw stimuleren. Schone lucht De concentratie stikstofdioxide (NO2) is in 2025 maximaal 30 microgram / m3 op de zwaarst belaste locatie. Dat betekent dat het percentage in 2025 t.o.v. 2015 met 35 procent afneemt. De hoogst gemeten concentratie roet (EC) is in 2025 30 procent lager dan in 2015. Circulaire economie In een circulaire economie wordt slim omgegaan met energie, water, grondstoffen en voedsel hierbij Gemeente Amsterdam
blz. 32
wordt ingezet op het stimuleren van innovatie, onderzoek en circulaire bedrijvigheid. Meer grondstoffen en materialen terug te winnen, met als subdoel: 65 procent van huishoudelijk afval scheiden in 2020. Klimaatbestendige stad Actief samenwerken aan een stedelijk gebied dat in de toekomst beter bestand is tegen wateroverlast door extreme regenval, door overstromingen en tegen toename van langere perioden van hitte en droogte. Met andere woorden het is de ambitie om Amsterdam regen- en waterbestendig te maken. Relatie tot het plangebied De woningen worden gasloos uitgevoerd en aangesloten op een WKO-installatie, wat bijdraagt aan een schonere lucht in de stad (minder CO2- en stikstofdioxide uitstoot). Daarnaast zal het appartementengebouw met zonnepanelen worden uitgevoerd. Het realiseren van hoogwaardig groen, in zowel het openbaar gebied als op daken draagt bij aan klimaatbestendigheid en draagt tevens bij aan het welbevinden van de personen die er verblijven. Conclusie De Agenda Duurzaamheid wordt in acht genomen bij de voorgenomen ontwikkeling. 3.4.8
Welstandsnota 2010
In de vastgestelde welstandsnota Weesp (vastgesteld op 27 mei 2010) wordt invulling gegeven aan de esthetische aspecten van het ruimtelijk kwaliteitsbeeld. De welstandsnota gaat daarbij vooral in op de architectonische aspecten van bouwwerken, zoals massa, vorm, kleur- en materiaalgebruik en detaillering. In stedenbouwkundige zin spreekt de welstandsnota zich uit op de uitstraling en ligging van de bebouwing, in relatie tot de omgeving. Binnen de welstandsnota wordt, bij bouwkundige ingrepen, onderscheid gemaakt naar verschillende type criteria: loketcriteria, objectcriteria en de gebiedsgerichte criteria. De kleine bouwactiviteiten, zoals het plaatsen van een dakkapel, het bouwen van aan- of uitbouw, of het plaatsen van een erfafscheiding, zijn ofwel vergunningvrij of vallen binnen de aan het loket af te handelen loketcriteria. Bij grotere bouwingrepen wordt teruggevallen op de gebiedsgerichte criteria. Relatie tot het plangebied In het Ruimtelijk Kader Amstellandlaan zijn eisen ten aanzien van architectuur en beeldkwaliteit vastgesteld. Zoals onderbouwd in paragraaf 3.4.4 voldoet de ontwikkeling aan de uitgangspunten. Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met het welstandsbeleid.
bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)
blz. 33
Hoofdstuk 4 4.1
Archeologie
4.1.1
Kader
Omgevingsaspecten
Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting op 1 januari 2024 in werking treedt. 4.1.2
Relatie tot het plangebied
Op grond van het geldende bestemmingsplan is het plangebied niet aangewezen als een zone met een archeologische verwachting. Op basis van bureauonderzoek geldt voor de planlocatie een lage archeologische verwachting, en geldt als beleid vrijstelling van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 1.000 m2 of minder dan 4 meter beneden maaiveld. Zoals beschreven kent het geldende bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming, maar zijn beperkingen verwerkt in de bouwregels van de bestemmingen Bedrijventerrein 1 tot en met 3. Binnen deze bestemmingen zijn de archeologische uitzonderingsregels vertaald naar beperkingen voor omvang en diepgang. Ook is daar opgenomen dat het niet mogelijk is om hiervan af te wijken met een omgevingsvergunning. Onderhavig bestemmingsplan biedt ruimte aan ondergronds bouwen ten behoeve van één bouwlaag. Al met al zullen er dus (funderingspalen uitgezonderd) geen bodemingrepen dieper dan 4m -mv plaatsvinden. 4.1.3
Conclusie
Voor het bestemmingsplan geldt dat er op het gebied van archeologie geen knelpunten zijn.
4.2
Cultuurhistorie
4.2.1
Kader
Wijziging Bro ten aanzien van borging erfgoedwaarden. Door wijziging van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Bro dienen sinds 1 januari 2012 cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat bij nieuwe ontwikkeling een analyse moet worden verricht van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en op welke wijze deze waarden geborgd worden in het bestemmingsplan. De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is op 21 juni 2010 als onderdeel van het uitvoeringsprogramma van de Structuurvisie Noord-Holland 2040 vastgesteld. In de Leidraad geeft de provincie haar visie op de gewenste ruimtelijke kwaliteit van Noord-Holland. Daarbij is aangegeven welke kernkwaliteiten van het landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang zodat deze kwaliteiten op
Gemeente Amsterdam
blz. 34
een zorgvuldige wijze kunnen worden meegenomen bij nieuwe ontwikkelingen. 4.2.2
Relatie tot het plangebied
Het planvoornemen betreft de sloop van het bestaande kantoorpand alsmede de realisatie van een nieuw bouwwerk. Het bestaande pand maakt geen deel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht en heeft geen monumentale status. Dit gebouw heeft waarschijnlijk cultuurhistorische waarde als vertegenwoordiger van de Post-65 kantoorarchitectuur, maar omdat het Post-65 erfgoed in Weesp nog niet systematisch in kaart is gebracht, kan dit alleen door cultuurhistorisch onderzoek worden vastgesteld. In dit geval is er echter voor gekozen om dit onderzoek niet uit te voeren, ook al gaan eventueel aanwezige cultuurhistorische waarden verloren. Het onderhavige plan past namelijk binnen de reeds voor het gebied vastgestelde ruimtelijke kaders (zie: Ruimtelijk Kader Weesp Amstellandlaan van 9 februari 2022, vastgesteld op 10 maart 2022). 4.2.3
Conclusie
Voor het bestemmingsplan geldt dat er op het gebied van cultuurhistorie geen belemmeringen zijn.
4.3
Bedrijven en milieuzonering
4.3.1
Kader
Bedrijven zijn milieubelastende bestemmingen die hinder ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen (waaronder wonen) kunnen veroorzaken. Om deze hindersituaties te voorkomen dient bij een bestemmingsplan(wijziging) waarin milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen in elkaars nabijheid mogelijk worden gemaakt in principe uit te worden gegaan van scheiding van functies. Daartoe zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009; hierna te noemen: VNG-brochure) richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor verschillende functies aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer fijne afstemming voor de voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. De VNG-brochure vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden, waar gemotiveerd kan worden afgeweken. Wel is uit vaste jurisprudentie gebleken dat de Raad van State in het kader van “goede ruimtelijke ordening” toetst aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie en bij het afwijken hiervan aan de onderliggende motivering. De richtafstanden in de VNG-brochure zijn naast de factoren aard en omvang van het bedrijf mede afhankelijk van de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden.
Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer.
bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)
blz. 35
Figuur 8. Richtafstanden VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'
4.3.2
(2009)
Relatie tot plangebied
Een gemengd gebied in de zin van de VNG-brochure is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. In een gemengd gebied komen woningen direct naast andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Dit geldt eveneens voor gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen. Het bestemmingsplangebied inclusief directe omgeving kan door de nabije aanwezigheid van de Amstellandlaan en de Hogeweyselaan , woonfuncties en bedrijvigheid tot en met categorie 3.2 worden gekarakteriseerd als een gemengd gebied. De richtafstanden die gelden ten opzichte van een rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Aangezien het plangebied is gelegen in een gemengd gebied mag één afstandstap worden teruggegaan. Dit impliceert dat voor milieucategorie 2 voldaan moet worden aan een richtafstand van 10 meter en voor categorie 3.1 aan een richtafstand van 30 meter, zie figuur 8 Richtafstanden VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Akoestischonderzoek milieuzonering appartementen Ten behoeve van het plan is door Adviesburo van der Boom een akoestisch onderzoek milieuzonering uitgevoerd. De resultaten worden hieronder beschreven. De rapportage van 5 juni 2023 is bijgevoegd in de bijlagen als bijlage 1.
Resultaten Onderzocht is welke geluidsbelasting ontstaat op de nieuwe appartementen aan de Pampuslaan 1 te Weesp t.g.v. omliggende bedrijven. Vastgesteld moet worden of: bij de woningen een goed (aanvaardbaar) woon- en leefklimaat is gewaarborgd; het bedrijf niet wordt beperkt in haar bedrijfsvoering t.g.v. woningen in de nabijheid. In onderstaand figuur is inzichtelijk gemaakt welke bedrijvigheid in de omliggende percelen is toegestaan en wat de afstand tot het plangebied bedraagt. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat er twee inrichtingen binnen de richtafstanden uit de VNG-brochure tot de perceelgrens van bouwplannen liggen, te weten percelen E en H.
Gemeente Amsterdam
blz. 36
Tabel II.1 zone milieu / richtafstanden
Geluidsbelasting, analyse en conclusies Onderstaande tabel III.1 geeft voor de percelen de richtafstanden en de werkelijke afstanden tussen de grenzen van de bedrijfskavels en de grens van het bouwperceel.
Tabel III.1 zone milieu / richtafstand
Zoals beschreven zijn er twee inrichtingen gelegen binnen de richtafstanden uit de VNG-brochure tot de perceelgrens van het bouwplan, te weten percelen E en H. In beide gevallen is de afstand tot de grens van het bouwperceel klein; wanneer het bouwvlak aan de westzijde minimaal 5 m en aan de noordzijde minimaal 10 m van de perceelsgrens ligt kan op de grens van het bouwvlak aan de richtafstanden worden voldaan. Hieraan wordt voldaan aangezien de noord- en westgevels van de nieuwbouw gesloten gevels zijn die buiten de toetsing vallen. Dat betekent dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de te bouwen woningen en dat de bedrijven niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Percelen E en H Ondanks bovenstaande conclusies, is aanvullend gekeken naar de activiteiten op beide percelen E en H. Op perceel E gaat het in de bestemde situatie om een kantoor met parkeerplaatsen. In verband met mogelijke piekniveaus in de nacht, t.g.v. parkerende auto's, is het advies om een afstand van minimaal 10 m aan te houden tot de perceelsgrens, zoals hierboven verondersteld. In de feitelijke situatie geldt echter voor perceel E, dat voor deze locatie de gronden reeds getransformeerd zijn naar wonen middels een omgevingsvergunning procedure. Deze omgevingsvergunning "Amstellandlaan-Flevolaan" is vastgesteld op 8 januari 2016.
Aangezien hier feitelijk een woonfunctie aanwezig is kan geconcludeerd worden dat dit geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan. Op perceel H, ten noorden van de appartementen - is Davis Groothandel in juweliersartikelen actief waarbij de activiteiten voornamelijk inpandig zullen plaatsvinden. Het betreft hier een groothandel in kleine producten; de verwachting is dat de (beperkte) rijbewegingen van en naar het bedrijf maatgevend zullen zijn voor de geluidemissie naar de omgeving maar dat deze niet zullen leiden tot relevante geluidsbelasting op de nieuwbouw, zeker gezien ook het feit dat de noordgevel (dichtstbijzijnde gevel tot aan Davis) blind word uitgevoerd. Functiemenging Naast dat de projectlocatie tot een gemengd gebied behoort wordt binnen het toekomstige gebouw functiemenging beoogd. Naast woningen worden commerciële functies in de plint beoogd om bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)
blz. 37
levendigheid te creëren. Op basis van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' kan geconcludeerd worden dat branches die vallen onder categorie A direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan. Geconcludeerd kan worden dat indien voldaan wordt aan het Bouwbesluit een woongebouw met eventueel een commerciële plint geen belemmering vormt voor de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan. 4.3.3
Conclusie
Het milieuaspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Kader
Wet luchtkwaliteit Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. Deze wetgeving kent een dubbele doelstelling: 1. De overheid wil een belangrijke impuls geven aan het treffen van maatregelen zodat in ons land de Europese normen worden gehaald; 2. De overheid wil er ook voor zorgen dat er meer mogelijkheden zijn om projecten door te laten gaan. Dat was nodig omdat in het verleden veel plannen door de rechter werden stilgelegd vanwege het niet halen van de normen.
Een belangrijk verschil met het vervallen besluit luchtkwaliteit 2005 is dat de nieuwe regelgeving geen directe en harde koppeling meer kent tussen besluiten en grenswaarden. Deze is vervangen door een meer flexibele toetsing of koppeling tussen (ruimtelijke) besluiten en de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Een van de elementen daarvan is dat projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de concentraties, niet meer afzonderlijk getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Voor projecten die wel in betekenende mate bijdragen aan de concentratie is het nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) relevant. Een bestemmingsplan is in overeenstemming met de Wet milieubeheer als het bestemmingsplan niet leidt tot een overschrijding of een verdere overschrijding van de normen.
AMvB en Regeling niet in betekende mate (NIBM) Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: besluit NIBM) draagt de uitoefening van een of meer bevoegdheden of de toepassing van een of meer wettelijke voorschriften niet in betekenende mate bij, als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van die uitoefening of toepassing, de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide (NO2) niet de 3%-grens overschrijdt. Gemeente Amsterdam
blz. 38
Indien de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt, vindt ingevolge artikel 5.16, derde lid, van de Wet milieubeheer met betrekking tot de effecten van de desbetreffende ontwikkeling geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats. Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam Op 1 maart 2006 is de gemeenteraad akkoord gegaan met het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam 2005. Dit actieplan kent als doel het oplossen van de bestaande knelpunten ten aanzien van de luchtkwaliteit in de stad. De drie centrale uitgangspunten van dit actieplan zijn: Het beschermen van de gezondheid van mensen staat centraal. Amsterdam houdt vast aan het concentratiebeleid ten aanzien van het hoofdnet auto. Amsterdam houdt vast aan het beleid met betrekking tot de compacte stad. Het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam vloeit voort uit de verplichting die is opgenomen in het landelijke Besluit luchtkwaliteit (2005). Ingegeven door aspecten van de volksgezondheid stelt dit besluit, op grond van een Europese richtlijn, voor verschillende stoffen normen voor maximale concentraties in de buitenlucht. Burgemeester en Wethouders moeten op grond van het Besluit luchtkwaliteit jaarlijks de stedelijke luchtkwaliteit inventariseren.
Indien daaruit blijkt dat er sprake is van knelpunten, hetgeen in Amsterdam het geval is, moeten Burgemeester en Wethouders op grond van het Besluit luchtkwaliteit een actieplan opstellen dat gericht is op het aanpakken van de geïdentificeerde knelpunten. Dit actieplan is vastgesteld door het College op 24 januari 2006. Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam Deze stedelijke richtlijn heeft het college van B&W in december 2009 vastgesteld. Het belangrijkste uitgangspunt in de richtlijn is dat er geen nieuwe gevoelige bestemmingen mogen worden gerealiseerd langs snelwegen (aan weerszijden geldt een zone van 300 meter gemeten vanaf de rand van de weg) en bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal mogen binnen een afstand van 50 meter (gemeten van de rand van de weg) geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd. Van de in de richtlijn genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Met deze Amsterdamse richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit is sprake van extra en strengere regelgeving dan Europa voorschrijft. De richtlijn geeft aan dat deze alleen bindend is voor de centrale stad. Stadsdelen zijn niet verplicht deze over te nemen. 4.4.2
Relatie tot plangebied
De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: 1. woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; 2. kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. De beoogde ontwikkeling omvat een programma dat ruim onder de gestelde drempelwaarden blijft. Het project is derhalve te beschouwen als een ontwikkelingen van 'niet in betekenende mate'. Voor de volledigheid is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied in kaart gebracht. Op basis van de Atlas Leefomgeving blijkt ter plaatse van deze locatie gelden de volgende achtergrondconcentraties en bijhorende grenswaarden, zoals opgenomen in onderstaande tabel. bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)
blz. 39
Figuur 9. Achtergrondconcentraties
NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van het plangebied (bron: Atlas Leefomgeving)
Met de monitoringstool is bepaald of het realiseren van deze functie op deze specifieke plek in het kader van een goed leefklimaat te motiveren is. Uit de resultaten van de monitoringstool blijkt dat de achtergrondconcentratie voor NO2, PM10 en PM2,5 ruim onder de grenswaarden blijft. 4.4.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1
Kader
Het doel van de Wet Bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. Ook als er sprake is van een functieverandering, dient in een aantal gevallen aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. 4.5.2
Relatie tot plangebied
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Terrasscan B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 2. Op basis van de resultaten van veld- en laboratoriumonderzoek bestaan er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voor het toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie als woonfunctie. De aangetoonde lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater behoeven geen vervolgonderzoek. Het bodemonderzoek dient nog wel aangevuld te worden met een inpandig bodemonderzoek. Dit onderzoek zal voor vaststelling van het bestemmingsplan worden uitgevoerd. Gezien de nog geringe onderzoeksinspanningen is het niet de verwachting dat dit tot andere conclusies zal leiden. De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt hiermee geen belemmering voor de voortgang en de haalbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Tijdens het veldwerk is geen specifiek onderzoek gedaan naar asbest. Als tijdens het veldwerk asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen, wordt hier echter wel melding van gemaakt. Bij een globale visuele inspectie tijdens het veldwerk van het onderhavige bodemonderzoek is in of op de bodem van de onderzoekslocatie geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Derhalve wordt de bodem niet verdacht beschouwd op het voorkomen van een verontreiniging door asbest.
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Compas een asbestinventarisatie uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 3 toegevoegd aan het bestemmingsplan. Op basis van de inventarisatie zijn diverse asbesthoudende of -verdachte bouwdelen aangetroffen. In het onderzoek is een advies opgenomen ten behoeve de sanering van asbest. Tijdens de sloop van het pand zal hiermee rekening worden gehouden. 4.5.3
Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering vormt voor de haalbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
4.6
Geluidhinder
4.6.1
Wettelijk kader
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder (Wgh). Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), doordat een goede ruimtelijke ordening vereist dat een goed woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd ter plaatse van bijv. gevoelige functies. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn sinds het eind van de jaren '70 de wetten en regels voor het bestrijden en voorkomen van geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en industrie vastgelegd. Hierin staat bijvoorbeeld wanneer de geluidbelasting moet worden getoetst. Daarnaast is vastgelegd hoeveel decibel geluid in deze situaties zijn toegestaan. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd bij de toetsing, moeten er maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen. De akoestische berekeningen moeten voldoen aan de regels die zijn vastgelegd in Reken- en Meetvoorschriften. Indien een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies of nieuwe infrastructuur mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek verricht te worden. Bestaande wegen, die niet zijn aangewezen als woonerf of 30 km-zone, hebben een wettelijke onderzoekszone.
Indien binnen deze zone nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient met een akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat er voldaan wordt aan de hoogst toelaatbare waarde van de Wgh. Indien uit onderzoek blijkt dat de hoogst toelaatbare waarde van 48 dB op de gevel wordt overschreden, zal er een hogere waarde vastgesteld moeten worden. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd te worden. Daarnaast dient onderzocht te worden of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Opgemerkt wordt dat de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen mogelijk wordt ingediend op het moment dat de thans nog in voorbereiding zijnde Omgevingswet in werking is getreden. Indien dit het geval is, dan zal in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag onderbouwd kunnen worden afgeweken van de eisen met betrekking tot de zogenaamde 'dove gevel' en kunnen de gevelmaatregelen gebaseerd worden op de op dat moment van toepassing zijnde Omgevingswet. 4.6.2
Geluidbeleid
Geluidbeleid Amsterdam Amsterdam kent een eigen geluidbeleid gericht op het bevorderen van een aanvaardbaar woon – en leefklimaat. Het gaat om geluidbeleid voor het bouwen op geluidbelaste locaties én om Amsterdams geluidsbeleid dat uitvoering geeft aan de verplichtingen van de Europese richtlijn omgevingslawaai. In dat verband stelt Amsterdam elke vijf jaar een geluidskaart en een actieplan geluid vast. Dit actieplan geluid is vooral gericht op de beperking van overlast van het (weg)verkeer. In het Actieplan Geluid Amsterdam is aangegeven wat Amsterdam doet om geluidoverlast in de stad zoveel mogelijk te beperken. Het actieplan richt zich vooral op het geluid van het wegverkeer. Wegverkeer veroorzaakt ook de meeste geluidhinder van de in de richtlijn genoemde bronnen, zoals blijkt uit de resultaten van de Geluidskaart. Het Actieplan Geluid is op 29 maart 2016 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)
blz. 41
Het Amsterdams geluidbeleid richt zich op het realiseren van geluidgevoelige functies binnen de zones zoals genoemd in de Wet geluidhinder. Ondanks dat de stedelijke omgeving van Amsterdam met zich meebrengt dat op veel plaatsen een hoge geluidbelasting aanwezig is, moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven. Een hogere waarde kan niet altijd vermeden worden en zelfs een stille zijde is niet altijd mogelijk, maar wel blijft de bescherming van het woon- en leefklimaat van belang. Bij het ontwerpen van een bouwplan dient dat al te worden meegenomen. Als dat redelijkerwijs niet haalbaar is, is een goede motivering van groot belang, des te meer naarmate de geluidbelasting hoger is. Het Amsterdams geluidbeleid biedt de basis en het gereedschap voor het maken van een evenwichtige afweging van belangen. In het beleid zijn mogelijke maatregelen beschreven die kunnen worden genomen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te bereiken. Deze maatregelen zijn niet uitputtend bedoeld. Andere oplossingen zijn mogelijk mits aangetoond wordt dat het doel, rustig slapen met open raam, wordt behaald. Tevens heeft het college van B&W de nota “Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder, Amsterdams beleid” vastgesteld.
Het geluidbeleid zoals verwoord in de nota Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder, Amsterdams beleid verschilt principieel niet van het bestaande Amsterdamse beleid. De essentie dat woningen waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld in principe een stille zijde moeten hebben is gehandhaafd. Wanneer van dat uitgangspunt wordt afgeweken, wordt in het hogere grenswaarden besluit een motivatie opgenomen. Hoe groter de overschrijding, hoe uitgebreider de motivatie. Woningen met een dove gevel dienen volgens het beleid altijd een stille zijde te krijgen, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen zoals tijdelijke situaties. Indien vliesgevels worden toegepast, worden eisen gesteld aan de handhaving van de buitenluchtkwaliteit. Bij de vaststelling van een hogere waarde wordt rekening gehouden met de samenloop (cumulatie) van de geluidbelasting van verschillende bronnen. Het beleid geeft aan dat er sprake is van een onaanvaardbare geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB hoger is dan hoogste van de maximaal toelaatbare ontheffingswaarden. Geluidbeleid Weesp In de Beleidsnota geluid: Hogere Waarden Wet geluidhinder is het geluidbeleid van Weesp vastgelegd.
Indien de hogere waarden voor het plangebied worden verleend, dan dient de initiatiefnemer voor de woningen met een geluidbelasting hoger dan 53 dB ten gevolge van wegverkeerslawaai en 60 dB ten gevolge van railverkeerslawaai akoestisch compenserende maatregelen toe te passen. Er dient in dat geval op grond van het beleid van de gemeente Weesp bij de verdere uitwerking van het plan daarom rekening te worden gehouden met toepassing van onderstaande voorwaarden: Een geluidluwe gevel (geluidluwe gevels hebben een belasting van maximaal de voorkeursgrenswaarde); Een privébuitengebied (tuin/balkon) aan de geluidluwe kant, tenzij andere overwegingen als zonligging en uitzicht een privébuitengebied aan de geluidbelaste zijde aantrekkelijker maken. In dat geval dient ter compensatie de geluidluwe gevel voorzien te zijn van een ruime mogelijkheid om geveldelen te openen. Tevens dient in dat geval te worden voorzien in een gemeenschappelijke buitenruimte aan de geluidsluwe zijde. Akoestisch gunstige indeling van de woning. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: 1. tenminste één zijde van de woonkamer aan de geluidluwe gevel; 2. slaapkamers zoveel mogelijk aan de geluidluwe gevel; 3. keuken, badkamer en werkkamers zoveel mogelijk aan de geluidbelaste zijde.
Gemeente Amsterdam
blz. 42
4.6.3
Relatie tot plangebied
Ten behoeve van de toekomstige ontwikkeling is door Adviesburo van der Boom een onderzoek uitgevoerd in het kader van de Wet geluidhinder en heeft overleg met het Tavga plaatsgevonden. De resultaten van het onderzoek zijn in onderstaande paragraaf verwerkt. De rapportage van 15 april 2024 is bijgevoegd in de bijlagen als bijlage 4. Toetsing Wet geluidhinder Toetsing wegverkeer De geluidbelasting door wegverkeer op het gezoneerde deel van de Amstellandlaan (50 km/u) bedraagt ten hoogste 42 dB na aftrek (rekenpunt 7). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. Er hoeft voor de woningen geen hogere waarde te worden aangevraagd voor de geluidbelasting door wegverkeer op het gezoneerde deel van de Amstellandlaan. De geluidbelasting door wegverkeer op de Flevolaan (50 km/u) bedraagt ten hoogste 36 dB na aftrek (rekenpunt 7). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. Er hoeft voor de woningen geen hogere waarde te worden aangevraagd voor de geluidbelasting door wegverkeer op de Flevolaan. De geluidbelasting door wegverkeer op het niet gezoneerde deel van de Amstellandlaan (30 km/u) bedraagt op een deel van de woningbouwlocatie (in de rekenpunten 1 en 2) meer dan 48 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 52 dB na aftrek (rekenpunt 1 en 2).
De geluidbelasting door wegverkeer op elk van de overige 30 km wegen bedraagt op de woningbouwlocatie ten hoogste 48 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De geluidbelasting door wegverkeer op alle wegen samen bedraagt op een deel van de woningbouwlocatie (in de rekenpunten 1 - 5) meer dan 53 dB zonder aftrek ex art 110-g Wgh. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 58 dB zonder aftrek (rekenpunt 2). Maatregelen Hieronder zijn maatregelen beschreven om de geluidsbelasting ten gevolge van de Amstellandlaan op de woningen zo mogelijk tot de voorkeursgrenswaarde te doen afnemen. Maatregelen aan de bron: stil wegdek De Amellandlaan is voorzien van een referentiewegdek. Door het toepassen van een stiller wegdek zou de geluidbelasting met ca. 4 dB (dunne deklaag B) afnemen. Het vervangen van een wegdek is een taak van de wegbeheerder. Indien beide wegen over een lengte van ca. 200 meter wordt vervangen door een stil wegdek kan een geluidreductie va 4 dB worden bereikt. De kosten van een dunne deklaag in de situatie van groot onderhoud bedragen ca. € 41,-- /m2 (prijspeil 2020, bron: kostentool Stille wegdekken, Silent Roads). De kosten voor aanleg van een stil wegdek bedragen daarmee ca. € 49.200,-- voor een weglengte van ca. 200 meter (bij een breedte van 6 meter). Hierin zijn de meerkosten voor extra onderhoud (meerkosten 41% t.o.v. referentiewegdek) niet meegenomen.
Wellicht dat ook meerkosten ontstaan door de geringe weglengte die wordt vervangen. De kostprijs van stille klinkers bedraagt ca. 30,--/m2 (bron leverancier, prijspeil 2021). De kosten voor aanleg van een stille klinkers bedragen daarmee ca. € 36.000,-- voor een weglengte van ca. 200 meter (bij een breedte van 6 meter). Diverse gemeenten en provincies geven aan dat zeer terughoudend wordt omgegaan met de aanleg van een stiller asfalt waar het gaat om korte weglengtes, omdat daarbij verschillende onderhoudsproblemen ontstaan (met name op overgangen stil en gewoon asfalt, en als gevolg van wringend verkeer). Ook Rijkswaterstaat gaat bij het vervangen van het wegdek als bronmaatregel uit van een minimum bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)
blz. 43
weglengte van ca. 500 meter. Maatregelen aan de bron: verlagen van de maximumsnelheid De maximumsnelheid op de Amstellandlaan dat de overschrijding veroorzaakt bedraagt 30 km/uur. Het verder terugbrengen van de verkeerssnelheid ligt niet voor de hand gezien het karakter van de weg. Afscherming van de woningen: geluidscherm Het afschermen van de woningen met geluidschermen is stedenbouwkundig niet mogelijk gezien de hoogte van het woongebouw. Toetsing geluidbeleid gemeente Amsterdam Toetsing hogere waarden beleid In het “Amsterdams Geluidbeleid 2016, hogere waarde Wet geluidhinder” zijn voorwaarden opgenomen die de gemeente Amsterdam stelt aan het verlenen van hogere waarden. De gemeente telt daarin eisen aan een “stille zijde” en een “stille buitenruimte”. Omdat voor de woningen geen hogere waarde hoeft te worden aangevraagd is dit Amsterdams geluidbeleid niet van toepassing. Stille zijde De gemeente Amsterdam neemt als uitgangspunt dat de woningen moeten beschikken over een stille zijde. Van een stille zijde is in minimale zin sprake wanneer op de te openen delen van één van de woninggevels aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt voldaan. Wanneer de stille zijde een buitenruimte kent is deze bij voorkeur stil. Alleen op de Amstellandlaan wordt de waarde van 48 dB na aftrek in twee rekenpunten (1 en 2) overschreden.
Alle gevels die niet direct grenzen aan de Amstellandlaan hebben daarmee een stille zijde. Alle woningen hebben derhalve een stille zijde. Hogere waarden De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden door verkeer op de Flevolaan en het gezoneerde deel van de Amstellandlaan. Er hoeft voor de woningen geen hogere waarde te worden aangevraagd voor de geluidbelasting door wegverkeer op de gezoneerde wegen. Alle overige wegen hebben een maximumsnelheid van 30 km/u. Er zijn geen hogere waarden nodig voor de geluidbelasting door 30 km wegen. Toetsing RO Bij het toetsen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en geluidbeleid van de gemeente. Aan deze toetsingskaders wordt zonder maatregelen voldaan. Alle woningen hebben een stille zijde. Er zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen tevens wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Eis geluidwering Het Bouwbesluit stelt eisen aan de geluidwering van gebouwen. Volgens het Bouwbesluit moet in nieuwbouwsituaties de zgn. karakteristieke geluidwering GA;K van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een woning ten minste gelijk zijn aan de invallende geluidbelasting verminderd met 33 dB; voor verblijfsruimten gelden 2 dB lagere waarden voor de geluidwering GA;K.
De voorschriften hebben tot doel de geluidbelasting binnenshuis in de verblijfsgebieden van een woning te beperken tot 33 dB.
Gemeente Amsterdam
blz. 44
De geluidbelasting is in een aantal rekenpunten op de woningen hoger dan 53 dB (zie tabel III.3). De benodigde karakteristieke geluidwering voor de gevels van deze woningen bedraagt dan GA;k meer dan 20 dB. Voor deze geluidbelaste gevels zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. De hoogste geluidbelasting bedraagt zonder aftrek 58 dB (rekenpunt 2). De benodigde karakteristieke geluidwering voor deze gevel bedraagt GA;k 25 dB. Voor gevels met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek, bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor deze gevels zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. 4.6.4
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het initiatief waar onderhavig bestemmingsplan ruimte aan biedt.
4.7
Ecologie
4.7.1
Kader
Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen.
Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. Gedragscode Flora- en faunawet Amsterdam (2009) De gedragscode is van toepassing binnen de grenzen van de gemeente Amsterdam en het beheer gebied van het Amsterdamse Bos op alle medewerkers van de gemeente Amsterdam die zelf of samen met andere werkzaamheden uitvoeren of die daartoe opdracht geven aan derden. Deze derden verklaren bij hun werkzaamheden de 'Gedragscode flora en fauna van de gemeente Amsterdam' te onderschrijven en te volgen. Op verzoek kunnen zij een exemplaar van de gedragscode overhandigen aan controlerende instanties of verenigingen. Met de gedragscode beschrijft de Gemeente Amsterdam de voorzorgsmaatregelen die erop gericht zijn de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten die binnen haar gemeente grenzen voorkomen bij het uitvoeren van werkzaamheden te handhaven dan wel te versterken. Daarmee voldoet
bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)
blz. 45
de gemeente Amsterdam aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 16c van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantsoorten Flora- en faunawet. De gedragscode heeft betrekking op plannen en projecten die in opdracht van of door de gemeente Amsterdam worden voorbereid en uitgevoerd. De gedragscode betreft: de voorbereiding en uitvoeren van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling; het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud. 4.7.2
Relatie tot plangebied
Soortenbescherming Econsultancy heeft ten behoeve van het project in 2021 een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 5 toegevoegd aan het bestemmingsplan. Op basis van de quickscan blijkt het pand geschikt voor verblijfplaatsen voor de gebouwbewonende vleermuizen, waaronder de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Om de functie van de onderzoekslocatie voor vleermuizen vast te stellen is een nader onderzoek noodzakelijk. Daarnaast kunnen op de onderzoekslocatie algemene vogelsoorten tot broeden komen. Om overtreding te voorkomen dient het groen buiten het broedseizoen verwijderd te worden. Ook de sloop van de bebouwing dient buiten het broedseizoen plaats te vinden. Indien er toch in het broedseizoen gewerkt wordt, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundige ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Ten aanzien van zoogdieren en amfibieën zijn geen specifieke maatregelen te treffen. Bij het aantreffen van een zoogdier of amfibie dient deze de tijd te krijgen om veilig weg te komen. Nader onderzoek Door Eco Reest is ter plaatse van het plangebied een nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen (Bijlage 6). Binnen het plangebied zijn foeragerende of doortrekkende vleermuizen waargenomen.
Gezien de lage aantallen gaat het hier niet om een essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes. Bovendien zijn in de directe omgeving voldoende alternatieven aanwezig. Uit het nader onderzoek is verder naar voren gekomen dat er een paarverblijf (zomerverblijf) van de gewone dwergvleermuis aanwezig is. Bij de sloopwerkzaamheden worden verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis beschadigd, vernield en verstoord. Hiermee is sprake van een overtreding van artikel 3.5 (2e en 4e lid) van de Wet natuurbescherming. Voor het wegnemen of verstoren van een functionele verblijfplaats van gewone dwergvleermuis is wettelijk gezien een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Voor verblijfplaatsen van vleermuizen geldt dat er alternatieve verblijfplaatsen moeten worden aangeboden als de huidige verblijfplaatsen worden aangetast. Deze alternatieve verblijfplaatsen moeten tijdig voor de werkzaamheden worden aangeboden, omdat er rekening gehouden moet worden met een gewenningsperiode. Een ontheffing is aangevraagd bij het bevoegd gezag en is inmiddels verleend (Bijlage 7 Ontheffing Wet natuurbescherming). Daarnaast is binnen het plangebied één nestplaats van scholekster aangetroffen op het dak van het gebouw. Bij de voorgenomen werkzaamheden zal de nestplaats van de scholekster verloren gaan. De scholekster is geen jaarrond beschermde vogelsoort.
Echter alle in aanbouw en in gebruik zijnde nesten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming.
Gemeente Amsterdam
blz. 46
Geadviseerd wordt om in de nieuwe situatie ook voorzieningen te treffen voor broedgelegenheid voor de scholekster. De scholekster broedt steeds vaker op platte daken in stedelijk gebied omdat broedgelegenheden in het wad- en weidegebieden steeds schaarser worden. Door de nieuwe situatie ook geschikt te houden of te maken blijft er broedgelegenheid beschikbaar voor de scholekster. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura-2000 gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de PAS: de Programmatische Aanpak Stikstof. De PAS was het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur. In de PAS waren alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Dit is het geval voor 117 van de ruim 160 Natura 2000-gebieden. Met een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen (ECLI:NL:RVS:2019:1603). De uitspraak heeft een aantal belangrijke gevolgen voor toekomstige en bestaande ontwikkelingen.
Zo zijn de eerder geldende drempelwaarden komen te vervallen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de aanlegfase (bouwwerkzaamheden) en de gebruiksfase (het gebruiken van het plan). Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zijn twee onderzoeken naar stikstofdepositie uitgevoerd. De onderzoeken zijn als bijlage 8 en 9 toegevoegd aan het bestemmingsplan. Op basis van de berekeningen is komen vast te staan dat zowel de realisatie van, als de ingebruikname van het bouwvoornemen niet leidt tot (significant) negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van (nabijgelegen) Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen gebieden zijn: Markermeer & IJmeer op 2,6 kilometer afstand; Naardermeer op 4,3 kilometer afstand; Oostelijke Vechtplassen op 4,4 kilometer afstand; Botshol op 8 kilometer afstand. In navolgende alinea's wordt ingegaan op de onderzoeken. Aanlegfase Relevante emissies tijdens de bouwfase ontstaan door de inzet van mobiele werktuigen en vervoersbewegingen van- en naar het plan. De gegevens zijn verworven door gebruik te maken van vergelijkbare ontwikkelingen.
De volgende werkzaamheden zijn relevant: Sloopwerkzaamheden Grondwerk Heiwerkzaamheden Funderingswerkzaamheden Bouw casco Afbouw Voor elk van bovengenoemde fasen is in kaart gebracht welke mobiele werktuigen noodzakelijk zijn, het aantal benodigde draaiuren en het te verwachten dieselverbruik. Er wordt uitgegaan van Stage IV materieel, waarbij gerekend wordt met 5% AdBlue verbruik. Het onderzoek voor de aanlegfase met bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)
blz. 47
kenmerk RujuEZahJE4i is als Bijlage 8 toegevoegd aan het bestemmingsplan. In figuur 10 is de inzet van mobiele werktuigen opgenomen. Voor de bouwfase zal een tijdelijke bouwaansluiting worden aangevraagd waardoor geen gebruik hoeft worden gemaakt van een aggregaat.
Figuur 10. Inzet mobiele werktuigen tijdens de aanlegfase
Daarnaast worden vervoersbewegingen van en naar het plangebied verwacht. In de berekening is uitgegaan van 10.000 motorvoertuigbewegingen in de categorie licht verkeer en 600 motorvoertuigbewegingen in de categorie zwaar verkeer per jaar verwacht. De motorvoertuigbewegingen zijn gemodelleerd vanaf het plangebied via de Amstellandlaan in oostelijke richting. Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. Significant negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden als gevolg van het beoogd initiatief kunnen daardoor worden uitgesloten. Gebruiksfase De berekening (met kenmerk S6i5hiSAxyFw) is als Bijlage 9 toegevoegd aan de ruimtelijke onderbouwing. Op basis van paragraaf 4.11 blijkt in de toekomstige situatie, zonder saldering van de huidige functie, sprake te zijn van een theoretische toename aan verkeersgeneratie van 281 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In werkelijkheid blijkt echter sprake van een afname aan motorvoertuigbewegingen, aangezien de verkeersgeneratie van het voormalig kantoorpand mag worden gesaldeerd. Echter is in de berekening uitgegaan van een worst case-benadering (maximale verkeersgeneratie op basis van beoogde functie, zonder toepassing saldering) en een toename van 300 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal.
Naar verwachting worden de verkeersbewegingen via de Amstellandlaan gelijkmatig ontsloten in westelijke en oostelijke richting. Buiten deze wegen wordt het verkeer geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld omdat het verkeer zich in hoeveelheid, snelheid, rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Uit de berekening voor de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. Het aspect gebiedsbescherming vormt daarmee geen belemmering voor de haalbaarheid van het plan.
Gemeente Amsterdam
blz. 48
4.7.3
Conclusie
Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Ook is er is geen sprake van stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha. Ten behoeve van de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden is het, gezien de aanwezigheid van gewone dwergvleermuizen, noodzakelijk een ontheffing aan te vragen bij het bevoegd gezag. Deze ontheffing is aangevraagd en inmiddels verleend' (Bijlage 7 Ontheffing Wet natuurbescherming).
4.8
Luchthavenindelingsbesluit
4.8.1
Kader
Op 1 november 2022 heeft het kabinet de nieuwe milieu- en veiligheidsregels voor het vijfbanenstelsel op Schiphol vastgesteld. De regels zijn opgenomen in het Luchthavenindelingsbesluit (LIB, geconsolideerd januari 2018) waarin beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. De nieuwe regels zijn op 20 februari 2003 in werking getreden, op het moment dat Schiphol de vijfde baan (Polderbaan) in gebruik na. Deze regels dienen door gemeenten in acht te worden genomen bij bestemmingsplannen en bij omgevingsvergunningen. In het LIB zijn twee deelgebieden vastgesteld: het luchthavengebied en het beperkingengebied. Het luchthavengebied betreft de gronden behorende tot de luchthaven, het beperkingengebied omvat een zone daaromheen, waarbinnen verschillende regimes gelden voor de gebieden die hierbinnen liggen. Hoe groter de afstand tot de start- en landingsbanen en de vliegroutes, hoe minder beperkingen er gelden. Binnen het beperkingengebied dient te worden getoetst aan de maatgevende toetshoogtes. Naast de maatgevende toetshoogtes binnen het beperkingengebied zijn deelgebieden (zones) te onderscheiden met specifieke regels, te weten beperkingen voor bebouwing, beperkingen voor vogelaantrekkende werking en beperkingen voor windturbines en lasers.
De beperkingengebieden LIB 1 tot en met 5 beogen het aantal personen dat geluidhinder van de luchtvaart ondervindt, of het aantal slachtoffers op de grond ten gevolge van een luchtvaartverkeersongeluk, gering te houden, door beperkingen te stellen aan de gebruiksfuncties van het gebied rondom Schiphol. De beperkingen voor de gronden binnen de zones LIB 1 tot en met 5 zijn derhalve gericht op de gebruiksfunctie van het plan/object. 4.8.2
Relatie tot plangebied
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Mees Ruimte & Milieu een toets uitgevoerd op de Webapplicatie LIB Schiphol. De analyse is als Bijlage 10 toegevoegd aan het bestemmingsplan. Uit de analyse blijkt dat het plangebied is gelegen in het toetsvlak 'Beperking door windturbines en lasers'. Aangezien het bestemmingsplan hier geen ruimte aan biedt vormt dit geen belemmering. 4.8.3
Conclusie
Het aspect Luchthavenindelingsbesluit vormt vooralsnog geen belemmering voor de haalbaarheid van het plan.
bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)
blz. 49
4.9
Bezonning
4.9.1
Kader
Voor de minimale bezonningsduur of beschaduwing bestaat geen landelijke wet- of regelgeving. Bij bezonning gaat het om zonlicht in de tuin, openbare ruimte of op de gevel. In veel gevallen wordt aangesloten bij de TNO-normen waarin eisen en randvoorwaarden aan de minimale bezonningsduur ter plaatse van woningen worden gesteld. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een lichte en strenge norm. De 'lichte' TNO-norm stelt dat moet worden voldaan aan tenminste twee mogelijke bezonningsuren per dag voor de periode 19 februari tot 21 oktober. De 'strenge' TNO-norm stelt dat moet worden voldaan aan drie mogelijke bezonningsuren per dag voor de periode 21 januari tot en met 22 oktober. De TNO-norm wordt getoetst op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van de woonkamer. Gemeenten zijn vrij om hun eigen eisen te stellen aan de bezonning. Deze zijn meestal gebaseerd op de zogenaamde 'lichte' TNO-norm. Voor dit plan wordt ook getoetst aan de 'lichte' TNO-norm. 4.9.2
Relatie tot plangebied
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de schaduwwerking als gevolg van het initiatief op omliggende woningen inzichtelijk gemaakt.
Op grond van bovenstaande afbeelding hiervan kan geconcludeerd worden dat omliggende bebouwing tenminste twee mogelijke bezonningsuren per dag hebben voor de periode 19 februari tot 21 oktober. Gemeente Amsterdam
blz. 50
Hiermee wordt in ieder geval voldaan aan de lichte TNO-norm. 4.9.3
Conclusie
Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor het initiatief waar onderhavig bestemmingsplan ruimte aan biedt.
4.10
Windhinder
4.10.1 Wettelijk kader De NEN 8100 norm 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving' geeft richtlijnen voor de realisatie van gebieden met een goed windklimaat. Tevens mag zich in dergelijke gebieden volgens deze norm slechts een beperkt risico op windgevaar voordoen. De norm stelt dat de overschrijdingskans van de drempelsnelheid van de wind (5,0 m/s) bepaalt in welke kwaliteitsklasse het lokale windklimaat valt. De combinatie van de kwaliteitsklasse en de activiteiten die rond het gebouw plaatsvinden, levert een bepaalde waardering van dit windklimaat op. Voor gebouwen hoger dan dertig meter dient een windonderzoek uitgevoerd te worden. 4.10.2 Relatie tot plangebied In het beleidsdocument 'Hoogbouw in Amsterdam' is hoogbouw gedefinieerd als bebouwing van meer dan 30 meter. Bij de realisatie van hoogbouw is het noodzakelijk een onderzoek naar windhinder uit te voeren in het kader van het bestemmingsplan. In de beoogde ontwikkeling is geen bebouwing voorzien met een bouwhoogte van meer dan 30 meter. Om deze reden hoeft geen onderzoek te worden uitgevoerd. 4.10.3 Conclusie Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11
Verkeerskundige aspecten
4.11.1 Kader Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. 4.11.2 Relatie tot plangebied Ten behoeve van het plan is een parkeerberekening gemaakt op basis van het Weesper beleid. Uitgangspunt voor deze berekening is het programma met de hoogste parkeerbehoefte (100% woningen). In onderstaand tabel zijn de geldende parkeernormen op grond van het Weesper beleid weergegeven.
bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)
blz. 51
Figuur 11. Parkeernormen huidig parkeernormenbeleid
Weesp
Parkeren Het programma bestaat onder andere uit commerciële functies. In totaal mag maximaal 40% van de begane grond aan de Amstellandlaan worden gebruikt ten behoeve van commerciële functies. In het voorlopige bouwvoornemen zijn een tweetal varianten mogelijk een variant met 60 appartementen en een variant met maximaal 70 appartementen. In de regels is het totaal aantal toegestane woningen gemaximaliseerd op 70 eenheden. De verdeling van de 60 appartementen is als volgt: 20 appartementen sociale huur; 20 appartementen middeldure huur; 20 appartementen vrije sector huur, De verdeling van de 70 appartementen is als volgt: 48 appartementen sociale huur; 22 appartementen middeldure huur. Auto Op dit moment geldt het parkeernormenbeleid van Weesp. Aangezien Weesp thans onderdeel uitmaakt van de gemeente Amsterdam, zal een overgang van beleid gaan plaatsvinden. De projectlocatie bevindt zich conform het huidige parkeernormenbeleid in het gebied '0003 Hogewey' met de stedelijkheidsgraad 'sterk stedelijk'. De parkeernormen zijn weergegeven in figuur 11. Het aandeel bezoekers binnen elke parkeernorm is 0,3 parkeerplaats per woning.
Gemeente Amsterdam
blz. 52
Figuur 12.Parkeerberekening op basis van 60 appartementen
Bij de parkeerberekening voor de 60 appartementen zijn een tweetal varianten doorgerekend, één waarbij alles verhuurd wordt en één waarbij alles verkocht wordt. Bij de huurappartementen zijn in totaal 86 autoparkeerplaatsen benodigd en bij de koopappartementen zijn in totaal 102 autoparkeerplaatsen benodigd. Hiervan zijn er 18 benodigd voor de bezoekers van de woningen. Deze 18 autoparkeerplaatsen zullen openbaar toegankelijk zijn.
Figuur 13 Parkeerberekening op basis van appartementen
bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)
blz. 53
Bij de parkeerberekening voor de 70 appartementen zijn een twee varianten doorgerekend, één waarbij alles verhuurd wordt en één waarbij alles verkocht wordt. Bij de huurappartementen zijn in totaal 91 autoparkeerplaatsen benodigd en bij de koopappartementen zijn in totaal 110 autoparkeerplaatsen benodigd. Naast het woningbouwprogramma is planologisch ruimte gemaakt voor commerciële dienstverlening. Afhankelijk van de grootte van deze bedrijfsruimte dient de definitieve parkeerbehoefte te worden bepaald. Voor commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie) geldt in dit gebied een parkeernorm van 2,25 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO. In de regels is opgenomen dat uitsluitend aan de zijde van de Amstellandlaan de commerciële dienstverlening. is toegestaan en dat het totaal aantal vierkante meters aan deze voorzieningen niet meer mag bedragen dan 40% van de gebruiksoppervlakte van de begane grond van het bouwvlak. De totale gebruiksoppervlakte van de begane grond bedraagt aan de kant van de Amstellandlaan circa 365 m2. Hiervan mag maximaal 40% voor commerciële ruimte worden gebruikt, dit komt neer op circa 145 m2. De maximale parkeerbehoefte voor de commerciële dienstverlening. komt hiermee op 3,26. De totale parkeerbehoefte (worst case) bedraagt 114 autoparkeerplaatsen. Door gebruik te maken van dubbelgebruik kan de parkeerbehoefte worden aangepast.
Hierbij worden de aanwezigheidspercentages gehanteerd zoals in de CROW-publicatie 381.
Figuur 14 Aanwezigheidspercentages
voor woningen en commerciële dienstverlening
Door het opstellen van een parkeerbalans (zie figuur 15) is de maximale parkeerbehoefte op het maatgevend moment in de week te bepalen. Dit betreft de werkdag avond waarbij maximaal 97 autoparkeerplaatsen in gebruik zijn. Conform het parkeerbeleid geldt dat maximaal 20% van de totale parkeerbehoefte mag worden 'vervangen' door deelauto's. Dit betekent dat maximaal 20 van de 97 benodigde autoparkeerplaatsen door deelauto's vervangen mag worden. Dit betekent dat wanneer 1 deelauto maximaal vier auto's vervangt, dat maximaal van 5 deelauto's gebruik mag worden gemaakt in het plan. Door gebruik te maken van maximaal 5 deelauto's zijn 15 autoparkeerplaatsen minder nodig. Hierdoor zijn in totaal 82 autoparkeerplaatsen (77 regulier en 5 voor de deelauto's) benodigd. Het plan voorziet op maaiveld maximaal 75 autoparkeerplaatsen. Door daarnaast nog minimaal 14 ondergrondse parkeerplaatsen te realiseren voldoet het plan aan het Weesper parkeernormenbeleid. In het bestemmingsplan is ondergronds parkeren mogelijk gemaakt. Hiermee is de uitvoering van het bestemmingsplan gegarandeerd.