Raadsbesluit 2023-187F herstelbesluit BP Museumkwartier–Valeriusbuurt - bijlagen toelichtingen
Tekst van het document
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Afbeelding 15-16. Links: De Boerenwetering en de Ruysdaelkade gezien in noordelijke richting naar de waskaarsenfabriek en het Rijksmuseum. Uit SAA, ANWT00395000001, 1900. Rechts: Het Museumplein gezien vanaf de Gabriël Metsustraat naar het Rijksmuseum, vlak na voltooiing van de Museumpleinbuurt. Rechts de nummers 19-9 (v.r.n.l.). Uit SAA, ANWR00306000001, 1915.
Afbeelding 17: De IJsclub op het Museumplein. Op de achtergrond is de achterzijde van het Stedelijk Museum te zien. Uit SAA, N.J. Boon, PRKBB00492000010, 1910.
23
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Duivelseiland In het gebied ten zuiden van de waskaarsenfabriek, gelegen tussen de Roelof Hartstraat, Ruysdaelstraat en Boerenwetering, was het bouwen rond 1890 al begonnen. Het buurtje dat hier ontstond op het toenmalige grondgebied van de gemeente Nieuwer-Amstel kwam al snel bekend te staan als het Duivelseiland, omdat het ‘s avonds onverlichte gebied een soort niemandsland vormde in de polder. De Roelof Hartstraat ontsloot deze buurt, maar dat was in die tijd niet meer dan een eenvoudige polderweg die via een ter hoogte van de Rustenburgerstraat gelegen brug over de Boerenwetering naar de achterliggende weilanden voerde. De particuliere bouwers die hier actief waren, hielden net als in de wijken die volgens het Plan Kalff tot stand waren gekomen, het bestaande verkavelingspatroon van de polder aan. Dat ging ten koste van de symmetrische opzet van het plan van Cuypers en zorgde voor een verdraaiing in de straten ten zuidoosten van het Museumplein, ter hoogte van de Gabriël Metsustraat. Deze was hierdoor niet langer de rechte, brede scheidingsweg die Cuypers voor ogen had, maar kreeg ter hoogte van het Johannes Vermeerplein een knik. Ook de Johannes Vermeer- en Pieter de Hooghstraat lopen niet geheel recht. Tussen de bebouwing op het Duivelseiland en in de Museumpleinbuurt is het verschil van kwaliteit groot.
Bij de één gaat het om woningen voor de gegoede burgerij, op Duivelseiland om speculatiebouw met merendeels etagewoningen. De bebouwing bestaat hier uit aaneengeschakelde gesloten blokbebouwing met een ingetogen baksteenarchitectuur. Noemenswaardig is de Tweede Hogere Burgerschool dat naar ontwerp van W. de Groot, architect bij Publieke Werken, werd gerealiseerd aan de Roelof Hartstraat. De als paleisfaçade vormgegeven voorgevel aan de zuidzijde grensde toentertijd echter nog aan een sloot en bood uitzicht op het uitgestrekte polderlandschap.
Afbeelding 18: Uitsnede van een kaart uit 1900 met de contour van het plangebied. Het noorden bevindt zich linksboven. Te zien is hoe in het zuidelijk deel tussen de Roelof Hartstraat en de Boerenwetering, een aantal straten is aangelegd dat de aanwezige polderverkaveling volgt. De Roelof Hartstraat sluit nog niet aan op de Ceintuurbaan, maar sluit met een scherpe bocht aan op de Rustenburgerstraat in de Pijp. De aan de Boerenwetering gelegen bebouwing ten zuiden van de Honthorststraat betreft de op dat moment nog aanwezige waskaarsenfabriek. Uit SAA, KOKA00534000001, 1900.
24
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
.
Afbeelding 19-20. Linksboven: spelende kinderen bij de Roelof Hartstraat in 1906, toen nog aan de rand van de stad. Rechtsboven: Pieter Baststraat. Onder:uitsnede van de kaart van Van Eck uit 1915 met daarop de contouren van het plangebied. Te zien is dat de Museumpleinbuurt en het Duivelseiland ondertussen zijn bebouwd. De oude gemeentegrens tussen Amsterdam en Nieuwer-Amstel (opgeheven in 1896) is aangegeven met een rode lijn. Te zien is hoe de verschillende verkavelingen ongeveer ter hoogte van deze oude grens op elkaar ‘botsen’, wat een verdraaiing van de straten in het plan van Cuypers tot gevolg heeft. De verschillende kleuren die aan de bebouwing zijn gegeven, betreffen de periode waarin en/0f de bouwmaatschappij door wie het blok is gerealiseerd. Wat ook opvalt, is dat de Roelof Hartstraat ondertussen is aangesloten op de Ceintuurbaan. Uit SAA, A00771000204, 1906 en R0010122007838, 1968.
25
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
3.1.2.2
Concertgebouw- en Valeriusbuurt
Het plan van Lambrechtsen van Ritthem (1899) In 1896 werden grote delen van gemeente Nieuwer Amstel geannexeerd, waarmee het gehele plangebied onderdeel werd van Amsterdam. Hierdoor ontstond voor de gemeente de mogelijkheid aan de zuidzijde van de stad een nieuw uitbreidingsplan te ontwikkelen voor een gebied van 1380 hectare. L.C.M. Lambrechtsen van Ritthem, de directeur van Dienst Publieke Werken en opvolger van Kalff, vervaardigde hiervoor in 1899 een plan dat uitging van een licht gebogen gordel van parallelle straten tussen de Amstel en het Vondelpark met een concentrische gracht en koos daarbij de reeds bestaande bebouwingsringen als uitgangspunt. In deze tijd riep de bebouwing die in de decennia ervoor tot stand was gekomen echter steeds meer kritiek op. Nieuwe woonwijken als de Pijp werden als troosteloos en onesthetisch ervaren en de term ‘revolutiebouw’, gebruikt om snelle, goedkope negentiende-eeuwse woningbouw mee aan te duiden, was synoniem geworden voor alles wat niet deugde. De grote verwantschap van het plan van Lambrechtsen met de structuur van de Pijp was voor de raadsleden dan ook de belangrijkste aanleiding om van het plan af te zien. Hoewel het plan van Lambrechtsen nooit is vastgesteld, is het waarschijnlijk als leidraad gebruikt bij de verdere invulling van het Duivelseiland, nadat dit deel van Nieuwer-Amstel was geannexeerd door de stad.
Ook zijn er veel zaken overgenomen uit dit plan bij de invulling van het gebied gelegen tussen de Van Baerlestraat, Willemsparkweg, Koninginneweg en Amstelveenseweg.
Afbeelding 21: Het door Lambrechtsen van Ritthem ontworpen uitbreidingsplan voor Amsterdam-Zuid met de contour van het deelgebied in het zwart erop aangegeven. Ruwweg ter hoogte van het Noorderamstelkanaal was hier ook al een kanaal tussen Amstel en Schinkel ingetekend. Uit SAA, SAAKOKA00351000001, ca. 1899.
26
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Het eerste Plan Zuid van Berlage (1905) Na de afwijzing van het plan van Lambrechtsen van Ritthem klopte de gemeenteraad aan bij architect H.P. Berlage, die werd uitgenodigd een plan voor de zuidelijke stadsuitbreiding op te stellen. Dit ‘Plan van uitbreiding zuidzijde der gemeente’ werd in 1904 gepresenteerd en op 11 januari 1905 door de gemeenteraad goedgekeurd. Ook dit plan werd niet uitgevoerd; het toonde een te groot contrast tussen dichte bebouwing met een ingewikkeld stratenpatroon en een villagebied van open bebouwing te midden van groen (overigens buiten het plangebied). Desalniettemin zijn ook uit dit plan zaken overgenomen bij de invulling van het plangebied: zo lag het ten grondslag aan de realisatie van het Concertgebouwplein, de invulling van het gebied tussen de Jacob Obrechtstraat en Hondecoeterstraat en introduceerde het een open pleinruimte ter hoogte van het Jacob Obrechtplein.
Afbeelding 22: Uitsnede van het eerste ‘Plan van uitbreiding zuidzijder der gemeente’ van Berlage, met daarop de contouren van het deelgebied aangegeven. Uit SAA, KOKA00354000001, 1904.
Stedelijke ontwikkeling in Nieuwer-Amstel Het gebied ten westen van de Van Baerlestraat lag tot de annexatie in 1896 in de gemeente NieuwerAmstel. Vanwege de dreigende annexatie door Amsterdam was deze gemeente echter begonnen met het ontwikkelen van het op haar grenzen aansluitende gebied. In het verlengde van de Paulus Potterstraat werd hiermee in 1877 een begin gemaakt met de aanleg en bebouwing van de Willemsparkweg, toen nog de Parkweg geheten. Deze fungeerde als toegang tot het Willemspark dat een uitbreiding vormde op het Vondelpark en werd ontwikkeld als een villawijk (geen onderdeel van het plangebied). Op deze manier trachtte Nieuwer-Amstel de rijkere burgerij binnen haar gemeentegrenzen te krijgen. Ook de Koninginneweg, die de zuidgrens van het Willemspark vormde en in het verlengde lag van de Willemsparkweg, was al aangelegd. Ten noorden van en parallel aan de Willemsparkweg liepen de Van Eeghenlaan en Van Eeghenstraat, waarvan aan de laatste tot 1902 de enige entree naar het Vondelpark te vinden was. Na dat jaar werd deze monumentale entree aangevuld met ingangen aan het eind van de Van Eeghenstraat, bij de Koningslaan en aan de Amstelveenseweg. De kronkelende Alexander Boersstraat wijkt af van de rechtlijnige opzet van de rest van de buurt. Dit komt doordat Nieuwer-Amstel deze chique straat in 1892 bij wijze van provocatie precies liet aanleggen op de grillige 27
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
grens tussen beide gemeenten. Deze moest de aansluiting tussen de nieuwe Amsterdamse Museumpleinbuurt en de nieuwe buurt in Nieuwer-Amstel gaan vormen.
Afbeelding 23-24: Links de Willemsparkweg rond 1900 met Paardentram. Rechts: de Koninginneweg gezien in 1895 in oostelijke richting, in de verte al gerealiseerde bebouwing. Uit SAA, ANWT00415000001 en ANWI00613000009.
Afbeelding 25: Uitsnede van een kaart uit 1900 met daarop het deelgebied met een zwarte contour aangegeven. Het noorden bevindt zich linksboven. Te zien is dat het gedeelte rondom de Willemsparkweg op dat moment al is aangelegd en bebouwd, het gebied ten zuiden daarvan is nog in ontwikkeling. Uit SAA, KOKA00534000001, 1900.
28
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Verdere aanleg na de annexatie Voor het gedeelte tussen de Koninginneweg-Willemsparkweg en de De Lairessestraat werd vermoedelijk het stedenbouwkundig plan van Lambrechtsen als leidraad gebruikt. Particuliere bouwmaatschappijen waarvan ‘Weltevreden’ de grootste was, dienden deelplannen in met een preciezere aanduiding van de rooilijnen. De wijk werd voornamelijk bebouwd met gesloten bouwblokken met herenhuizen en etagewoningen. De stedenbouwkundige opzet is sterk vergelijkbaar met de principes van het plan Kalff, waarbij de slotenverkaveling als richtlijn werd gebruikt. Op deze wijze werden lange straten gecreëerd zoals de Van Breestraat, Valeriusstraat en De Lairessestraat, waarvan de laatste een belangrijke verbindingsweg vormt tussen de Van Baerlestraat en de Amstelveenseweg. Het deel tot aan het Valeriusplein raakte voor 1920 grotendeels bebouwd, de Cornelis Krusemanstraat zou pas later worden bebouwd. De Nicolaas Maes- en Frans van Mierisstraat werden in westelijke richting voorbij de Van Baerlestraat doorgetrokken. De belangrijkste noord-zuid straten die de langwerpige structuur doorsnijden zijn de Jacob Obrechtstraat, de Cornelis Schuytstraat, de Emmastraat en de Emmalaan.
De kenmerkende vorm van het Valeriusplein en de ruitvormige pleintjes in de Johannes Verhulststraat zijn vermoedelijk overgenomen van het plan van Lambrechtsen van Ritthem en het Jacob Obrechtsplein van Berlage’s plan uit 1905. Het Valeriusplein vormt samen met de Emmalaan en het Emmaplein een aaneenschakeling van stedelijke ruimtes met plantsoenen en laanbeplanting die als groene verbindingsas rechtstreeks naar het Vondelpark loopt. De in 1910 gerealiseerde (maar onlangs gesloopte) Valeriuskliniek vormde de oostwand van dit plein. Andere architectonische belangwekkende gebouwen in dit gebied zijn het Concertgebouw (1886) en de Jacob Obrechtkerk (1905). Deze gebouwen hebben een belangrijk stedenbouwkundige functie gekregen als afsluiting van een plein of als focuspunt voor een zichtlijn.
Afbeelding 26: Ruitvormig pleintje op de Johannes Verhulststraat. Uit SAA, PRKBB00482000003, 1900.
29
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Afbeelding 27: Uitsnede van de kaart van Van Eck uit 1915, waarop het plangebied met een zwarte contour is aangegeven. De rode contour rechts geeft de oude gemeentegrens met Nieuwer-Amstel aan. Duidelijk is te zien hoe het plangebied tegen deze tijd bijna geheel bebouwd is geraakt, gerealiseerd door verschillende bouwmaatschappijen. De rode en groene lijnen rondom de geplande bouwblokken aan de noordzijde van de De Lairessestraat geven de geplande rooilijnen aan op basis van Berlage’s eerste plan Zuid uit 1905. Ook staan op basis van dit plan de rooilijnen voor het Jacob van Obrechtplein in het zuidoostelijk deel van het plangebied al aangegeven. De Nicolaas Maes- en Frans van Mierissstraat zijn ondertussen ten westen van de Van Baerlestraat doorgetrokken, maar verder nog in ontwikkeling.
Afbeelding 28: Het Valeriusplein met de (nu verdwenen) Valeriuskliniek. Uit SAA, PBKD00178000002, ca. 1920.
30
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
De Amstelveenseweg vormt de zuidwestelijke begrenzing van de Concertgebouwbuurt en was oorspronkelijk een dijkweg die het polderland scheidde van het boezemwater van de Schinkel. Zij begint bij de Overtoom en was tot in de jaren ‘10 van de twintigste eeuw een landelijke, smalle weg, geflankeerd door bomen. De enige vorm van stedelijke bebouwing aan deze weg was te vinden aan de Schinkel ter hoogte van de Overtoom, waar in de negentiende eeuw al een volksbuurt lag. De bebouwing aan het deel van de Amstelveenseweg dat wordt gerekend tot het plangebied is aangelegd in de jaren ’10, nadat deze weg onderdeel was geworden van de stad. Een uitzondering hierop is het in 1875 gebouwde stoomgemaal dat grondwaterstand van het Vondelpark en het Willemspark op peil moest houden.
Afbeelding 29: Stoomgemaal Amstelveenseweg 115, gezien vanuit de Sophialaan met rechts de huidige SaxenWeimarlaan in 1895. Uit SAA, ANWI00627000001, 1895.
Afbeelding 30: Kruispung Amstelveenseweg met de Koninginneweg (rechts). Aan de rechterzijde van de Amstelveenseweg is het stoomgemaal te zien, dat nu onderdeel uitmaakt van een straatwand. Uit SAA, 10009A000896, 1968.
31
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Concertgebouw en omgeving Het Concertgebouw in de wand van de Van Baerlestraat lijkt bij de Museumpleinbuurt te horen, maar is stedenbouwkundig gezien onderdeel van de Concertgebouwbuurt. Het stuk grond waarop het Concertgebouw in de jaren 1880 werd gerealiseerd, was net als veel andere delen van Nieuwer-Amstel in handen van de bouwmaatschappij Weltevreden. Met het oog op de wijk waarvan de eerste straten op dat moment al in aanbouw waren, stelde zij een aantal voorwaarden aan de realisatie van de nieuwe concertzaal. Zo moest de voorgevel aan de Van Baerlestraat komen te liggen en één gevel gericht zijn op de overige gronden van de bouwmaatschappij. Ook dienden er straten aan de weerszijden van het gebouw te komen en moest de tuin achter het gebouw met een ronde hoek worden afgesloten. Toen het Concertgebouw in 1888 werd geopend, stond het echter nog midden in de weilanden en vormde een provisorisch aangelegde straat, verlicht door petroleumlantaarns, de enige verbinding. Het Concertgebouwplein, dat toen nog het J.W. Brouwerplein heette, kreeg net als het Jacob Obrechtplein zijn huidige vorm op basis van het eerste uitbreidingsplan van Berlage uit 1905, dat werd opgesteld nadat dit gebied door de gemeente Amsterdam was geannexeerd.
Berlage gaf het plein vorm als een verwijding van de De Lairessestraat, die het Museumplein in kaarsrechte lijn met de Amstelveenseweg en het Haarlemmermeerstation verbond. De Lairessestraat werd de grens tussen het nieuwe, door Berlage ontworpen gebied en de negentiende-eeuwse Concertgebouwbuurt die rond 1910 vrijwel voltooid was. Berlage ontwierp het plein verder als een omsloten ruimte, waarbij de dominante, door J. London ontworpen villa op de kop van het plein en de woningen aan de zuidkant, samen met het Concertgebouw de drie wanden vormden. Een (inmiddels verdwenen) groenstrook in het midden van het plein centreerde de ruimte. Door het plein aan de noordzijde uit te laten komen op het Museumplein, kreeg het de betekenis van voorportaal. De tuin die zich aanvankelijk achter het Concertgebouw bevond, werd in 1929 overigens vervangen door de hoefijzervormige woningbouw naar ontwerp door van E. Roest.
Afbeelding 31: Tekening van het Concertgebouw in aanbouw, gezien vanaf de Van Baerlestraat in zuidoostelijke richting. Uit SAA, J.M.A. Rieke, 010097015345, 1886.
32
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Afbeelding 32: Luchtfoto van het Concertgebouw, genomen in zuidwestelijke richting. Links ervan ligt het J.W. Brouwerplein, op de voorgrond het Museumplein en helemaal rechts voorin ligt het Stedelijk Museum. Te zien is dat, nu de omliggende wijken geheel zijn voltooid, de noordvleugel zich aan het eind van de Alexander Boersstraat bevindt. Uit SAA, BMAB00012000034_014, 1929.
33
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
3.1.2.3
Plan Zuid-strook
Nieuwe ideeën over stadsuitbreiding Door de groeiende kritiek op de negentiende-eeuwse bouwpraktijk en de opkomst van de socialistische beweging kwam in 1901 de Woningwet tot stand. Gemeenten kregen hierdoor meer bevoegdheden om de bouwpraktijk te stimuleren en deze zoveel mogelijk uit handen van grondspeculanten en particuliere ‘eigenbouwers’ te houden. Daarnaast werden grotere gemeenten wettelijk verplicht om uitbreidingsplannen op te stellen. Hiermee werden zij aangespoord om nieuwe stedenbouwkundige inzichten van zowel functionele als esthetische aard met elkaar te verbinden. Berlages plan uit 1905 was hierin een eerste vingeroefening. Tien jaar na de aanvankelijke goedkeuring van de gemeenteraad moest dit, overeenkomstig de voorschriften van de Woningwet, worden herzien. In de tussentijd had Berlage zich, mede naar aanleiding van de kritiek op zijn eerdere plan en een eveneens niet uitgevoerd uitbreidingsplan voor Den Haag van 1907-1908, aanzienlijk verdiept in de monumentale stedenbouw, of ‘stadsbouwkunst’. Met name de stedenbouwkundige principes van Camillo Sitte , Joseph Stübben en de architectonische invulling van nieuwe stadswijken in Duitse steden als Berlijn dienden Berlage tot inspiratie bij zijn uitwerking van Plan Zuid. Daarnaast beschouwde hij het Parijs van de boulevards dat onder Hausmann vanaf 1870 was aangelegd, als ‘de mooiste moderne stad van de wereld’.
Berlage had dan ook een monumentale uitbreiding van Amsterdam met een uitgebalanceerd evenwicht tussen stedelijke ruimte en architectuur voor ogen. Plan Zuid Berlages tweede Plan Zuid vormde de basis voor de ontwikkeling van de strook tussen de De Lairessestraat/Cornelis Krusemanstraat, Jacob Obrechtstraat, Bronckhorststraat, Roelof Hartstraat en het Noorder Amstelkanaal. Het gehele plan voorzag in de opzet van een nieuwe wijk die bestaat uit twee delen: het oostelijke deel ligt rondom het huidige Victorieplein, het westelijke deel heeft de Minervalaan als centrale ader. De basisstructuur is opgebouwd uit brede lanen en pleinen en drie waterlopen, waaronder het Zuider- en het Noorder Amstelkanaal. Haaks daarop staan de buurtstraten. Stedenbouwkundige uitgangspunten waren het niet verdoezelen van het massale karakter van de woningbouw, een grote rol voor pleinen en het gebruik van architectuur om stedenbouwkundige ruimtes vorm te geven. Hierbij werd de individuele woning onderschikt gemaakt aan de straatwand die cruciaal is in de ontwerpopgave van de stedenbouwer. In de uitleg van het stratenpatroon zocht Berlage naar een evenwicht tussen monumentaliteit in de vorm van brede verkeersassen die pleinen met elkaar verbinden en schilderachtigheid in de vorm van knikkende noord-zuidstraten die als verbindingensassen met de oude stad fungeren.
Deze werden door middel van bruggen verbonden met de hoofdstraten in de negentiende-eeuwse stadsdelen. Openbare en grotere gebouwen kregen een plaats op centrale punten van stedenbouwkundige betekenis, wat in belangrijke mate bijdroeg aan het monumentale karakter van het plan. De pleinruimtes werden ontworpen als afsluiting van straten, als opmaat van een brede as of als stedenbouwkundige ruimte op zicht. Berlage kende aan water en groen een belangrijke structurerende functie toe. De splitsing van het Amstelkanaal in een Noordelijke en Zuidelijke arm vindt plaats op het scharnierpunt tussen de beide plandelen. Op die plaats is een groter waterplein gecreëerd. Hier vindt ook de verbinding tussen de oude en nieuwe stad plaats en de doorsnijding van nieuw en oud water, zoals de Boerenwetering. Berlage 34
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
beschouwde de waterlopen binnen het gebied als substantiële onderdelen van de hele wijkstructuur. De loop van het Noorder Amstelkanaal is in grote lijnen overgenomen van het plan van Lambrechtsen, waaraan een aantal knikken is toegevoegd. Hiermee refereerde hij bewust aan de zeventiende-eeuwse stadsvorm met de grachten. De knikken zijn gekozen om de zichtlijnen over het water en de oevers meer dynamiek te verlenen. Hoewel Berlage er in zijn toelichting weinig aandacht aan besteedde, was het openbare groen een integraal bestanddeel van het ontwerp, dat de stedenbouwkundige structuur accentueerde en begeleidde. Op zijn plan geeft hij aan waar hij plantsoenen en parken had gedacht. Hierop is ook de groene oever van het Noorder Amstelkanaal al op in getekend.
Afbeelding 33: Uitsnede van Berlage’s tweede, vastgestelde Plan Zuid met daarop het plangebied aangegeven met een zwarte contour. Uit SAA, B00000008320, 1915.
Uitvoering Nadat het plan in 1917 door de gemeenteraad was vastgesteld, werd in 1918 begonnen met de uitvoering. Hiervoor werd het opgesplitst in afzonderlijke deelgebieden, waarbij in het noorden werd begonnen. Het gebied tussen de De Lairessestraat/Cornelis Krusemanstraat en het NoorderAmstelkanaal was al rond 1925 grotendeels gebouwd en de bruggen over het Noorder-Amstelkanaal en de Boerenwetering, gerealiseerd naar ontwerp van architect J. Kramer, verschenen in 1925-1928. De bebouwing in het gebied kwam tot stand door grote stukken grond uit te geven aan woningbouwverenigingen of in enkele gevallen aan samenwerkende particuliere bouwondernemers. Hierbij werden woningbouwblokken of delen daarvan als één geheel ontworpen zodat er een duidelijke samenhang ontstond in architectuur, stedenbouwkundige ruimte en straatprofilering. Om de eenheid tussen alle deelgebieden te bewaren, werd er in Plan Zuid zoveel mogelijk uitgegaan van hovenbebouwing, waarbij woningbouwblokken van vier à vijf lagen langs doorgangswegen werden gebouwd met daarachter bouwblokken van drie lagen rondom hoven. Het zuidoostelijk deel van het plangebied, gelegen tussen de Hobbemakade, Joh. M. Coenen- en Roelof Hartstraat, is op deze manier ingericht. Hier bevindt zich, in het hart van een in 1923 door woningbouwvereniging De Samenwerking 35
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
ontwikkelde buurt, de Harmoniehof: een langgerekt plantsoen waaraan zowel huizen- als woonblokken te vinden zijn en dat de sfeer ademt van een rustige, dorpse ruimte. De hogere woonblokken die het geheel omgeven, schermen het af van de drukke verkeerswegen. Daarbij begeleidt een langgerekt plantsoen langs de Hobbemakade de bebouwing aan deze drukke verkeersweg. De Harmoniehof is ontworpen door J.C. van Epen en de bebouwing in de gehele wijk, alsmede het groen, heeft een rijksmonumentale status.
Afbeelding 34: Luchtfoto genomen in noordwestelijke richting. In het midden, gelegen tussen de Boerenwetering bevindt zich de Harmoniehofbuurt – aangegeven met een rode contour. Te zien is hoe de bebouwing grenzend aan de verkeerswegen hoger is en er in het midden van de buurt een luw woonmilieu gecreëerd. Uit SAA, Aviodrome Luchtfotografie, A04139001104, 1953.
Overgangsgebied tussen oude en nieuwe stad Het gebied tussen de Cornelis Krusemanstraat / De Lairessestraat en het Noorder Amstelkanaal vormt de noordgrens van het westelijk plandeel van Plan Zuid, waardoor het een overgangsgebied werd tussen de negentiende- en vroeg-twintigste-eeuwse stedenbouw. Hier is te zien hoe alle hiervoor genoemde plannen over elkaar heen schuiven: eerst dat van Lambrechtsen, vervolgens nam Berlage in zijn eerste ontwerp uit 1905 daar een gedeelte van over en in 1917 zou zijn definitief vastgestelde plan voor Amsterdam-Zuid voor het grootste gedeelte als onderlegger dienen. In het plangebied nam Berlage de inrichting van het negentiende-eeuwse deel als uitgangspunt: hij trok de noord-zuidlopende dwarsstraten door tot aan het kanaal, waarvan er drie - de Cornelis Schuytstraat, Emmastraat en de Emmalaan/het Valeriusplein – de functie kregen van verbindingsas tussen de oude stad en Plan Zuid. Berlage borduurde in zijn plan voort op de monumentale werking van het brede Valeriusplein, dat met de 36
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
bouw van het Amsterdams Lyceum (1920), ontworpen door de broers H.A.J. en J. Baanders, zowel een afsluiting als toegangspoort kreeg naar de nieuwe stad en de belangrijkste noord-zuidader vormt in de wijk. De De Lairessestraat/Cornelis Krusemanstraat ontwikkelde zich tot een belangrijke oost-westader, waarvan de bebouwing die ten westen van de Emmastraat in de jaren twintig tot stand kwam, sterk wisselt. Deze bouwblokken bestaan uit villa’s, grote appartementencomplexen van F.A. Warners en G. Rutgers (het Valeriusterras) die met het Amsterdams Lyceum de pleinwanden van het Valeriusplein vormen, maar ook uit aaneengesloten bebouwing, waarin soms op zeer zichtbare wijze de bijdrage van verschillende ontwerpers is te herkennen. Aan het eind van deze straat, op de hoek met de Amstelveenseweg verrees tussen 1919 en 1931 de katholieke Sint-Agneskerk. Deze geeft stedenbouwkundige betekenis aan de samenkomst van deze belangrijke verkeersaders.
Afbeelding 35: Luchtfoto genomen in noordwestelijke richting. Op de voorgrond het Noorder Amstelkanaal, in het midden het Amsterdams Lyceum dat zowel poort als afsluiting is van het vergrote en nu met groen beplante Valeriusplein. Ook geeft dit een duidelijk beeld van de wisselende bebouwing aan de weerszijden van de Cornelis Krusemanstraat. Uit SAA, KLM, A04139001781, 1930.
Pleinen als scharnierpunten De noord-zuidlopende dwarsstraten tussen de Cornelis Schuyt- en Van Baerlestraat komen allemaal uit op pleinen: het Jacob Obrecht- en Banplein. Hier maken ze een knik om vervolgens haaks ten opzichte van het water te eindigen. Dit komt doordat het Noorder Amstelkanaal een knik maakt ter hoogte van de Cornelis Schuytstraat, met een diagonale loop ten opzichte van het rastervormige grid als gevolg (zie: afbeelding 36). Hierdoor moet het orthogonale, negentiende-eeuwse systeem ten zuiden van de Frans van Mierisstraat plaatsmaken voor een compositie van onregelmatig gevormde bouwblokken. Uit de 37
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
botsing tussen die oude polderverkaveling en de structuur van Plan Zuid heeft het Jacob Obrechtplein haar driehoekige vorm te danken, waarmee het een scharnierpunt in de stadsontwikkeling vormt van dit gebied. De noordelijke bebouwingswand van het plein was al gerealiseerd volgens het eerste plan van Berlage. Ten zuiden en ten oosten van dat plein behoort de opzet van de buurt tot Berlages tweede Plan Zuid. De in 1928 gerealiseerde Nederlands-Israëlitische hoofdsynagoge vormt de zuidwestelijke straatwand van dit plein. Ook de ten zuiden van de Ruysdaelstraat gelegen Bronckhorststraat en Joh. M. Coenenstraat zijn gerealiseerd volgens Plan Zuid. J.F. Staal, de architect van de Wolkenkrabber aan het Victorieplein, bouwde in 1924 het grote, in het oog springende woonblok dat beide straten begeleidt.
Afbeelding 36: Uitsnede van een kaart uit 1922, waarop het voor de helft voltooide gebied tussen de Cornelis Schuyt-, Van Baerle- en Joh. M. Coenenstraat is te zien. Het bij het plangebied horende gedeelte is aangegeven met een zwarte contour. De noord-zuidlopende dwarsstraten die een knik maken zijn aangegeven met rode pijlen. Te zien is dat de pleinen de scharnierpunten zijn tussen de oude en de nieuwe stad. Uit SAA, 010094007923, 1922.
Afbeelding 37-38. Links: het einde van de Hondecoeterstraat, voordat hier het Jacob Obrechtplein werd aangelegd. Uit SAA, OSIM00003005608, 1919. Rechts: etagewoningen ontworpen door J.F. Staal met rechts de gevel aan de Joh. M. Coenenstraat en links de Bartholomeus Ruloffsstraat. Uit SAA, BMAB00016000008_013.
38
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Roelof Hartplein Ook het Roelof Hartplein vormt een belangrijk scharnierpunt tussen de verschillende ruimtelijke systemen. Tot de annexatie maakte de Roelof Hartstraat (nu: Van Baerlestraat) ter hoogte van de Ruysdaelstraat een knik oostelijke richting. In de jaren ’10 verdween deze knik toen de van Baerlestraat in rechte lijn werd doorgetrokken en de verbinding met de Ceintuurbaan tot stand kwam zoals die nu nog bestaat. Doordat de negentiende-eeuwse bebouwing op het Duivelseiland tot stand was gekomen in een tijd dat de straat oostelijker lag, ontstond hier nu een open pleinruimte. Dit werd als onderdeel van Plan Zuid verder als plein ingericht, waarbij het werd voorzien van een plantsoen en, voortbordurend op de al eerder gerealiseerde Tweede Hogere Burgerschool (zie hoofdstuk 3.1.2.1), bebouwd met institutionele bouwwerken die als fraai vormgegeven gevelwanden fungeren. Aan de zuidzijde is dat het Nieuwe Huis (1928), een door B. van den Nieuwen Amstel jr. ontworpen appartementencomplex voor alleenstaanden, waarbij de hoofdgevel, voorzien van een klokkentoren, prominent in de zichtas van de Van Baerlestraat werd geplaatst. De westgevel wordt gevormd door het door J. Boterenbrood ontworpen Huize Lydia (1927), een gebouw dat onderdak bood aan ongehuwde rooms-katholieke vrouwen en meisjes. De HBS kwam hierdoor op de grens van twee stedenbouwkundige systemen te liggen.
Afbeelding 39: Uitsnede van een luchtfoto van het Roelof Hartplein in zuidwestelijke richting. Op de voorgrond de HBS, schuin links daarvan Het Nieuwe Huis met klokkentoren (nu in gebruik als bibliotheek) en daarboven Huize Lydia. Uit SAA, B00000037590, 1987.
39
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
3.1.3
Naoorlogse ontwikkelingen
Na de Tweede Wereldoorlog hebben in de beschreven buurten geen vergaande ontwikkelingen plaatsgevonden. Grote stadsvernieuwingsoperaties zoals die in Amsterdam Oost en West kwamen hier niet voor. Wel is in het oostelijk deel van de Museumpleinbuurt, aan de Pieter de Hoochstraat en Hobbemakade, eind jaren negentig een paar grootschalige luxe appartementencomplexen gerealiseerd. Verder onderging het Museumplein, tot de oorlog een vlakte die voor tentoonstellingen, manifestaties en in de winter voor schaatsen werd gebruikt, een grote gedaantewisseling. De ‘kortste snelweg van Nederland’ Na de Tweede Wereldoorlog was het Museumplein veranderd in een zanderige vlakte. Cornelis van Eesteren, sinds 1929 hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling bij Publieke Werken, maakte in 1947 samen met landschapsarchitect Hans Warnau een nieuw ontwerp. Hoewel in het huidige Museumplein van dit plan alleen nog een deel van de bomenrij rest, is het noemenswaardig omdat het plein voor het eerst werd bekeken vanuit de schaal van de regio. In het ontwerp van Van Eesteren werd het Museumplein een ‘element van bijzondere stedenbouwkundige waarde’ als toegangsruimte tot de binnenstad die via de De Lairessestraat en een brug over de Schinkel in verbinding stond met de rijksweg naar Den Haag.
Het gevolg was dat er in 1953 een twintig meter brede boulevard over het Museumplein kwam te liggen, die door de hoge snelheid waarop menig automobilist er overheen jakkerde, al snel de ‘kortste snelweg van Nederland’ wordt genoemd. Hiervoor werd ook de Hobbemastraat verbreed. Verder hadden de ingrepen tot gevolg dat de groene middenstrook van het Concertgebouwplein verdween, waardoor de wisselwerking tussen de inrichting van het plein en de bebouwing verloren ging en er van de pleinfunctie weinig overbleef. Daarnaast vond er in de jaren ’60 een eerste uitbreiding van het Stedelijk Museum plaats, opende het Van Gogh-Museum in 1975 aan de noordwestzijde van het Museumplein en verrees er een KLM-terminal, die echter in 1984 weer verdween. Het ontwerp van Andersson De ambitie om het Museumplein weer autoluw te maken, had als gevolg dat in 1992 architect Sven Ingvar Andersson werd gevraagd een herinrichtingsplan te maken. In zijn ontwerp voor het Museumplein uit 1993 wijst Andersson, net als Cuypers honderd jaar ervoor, op de unieke mogelijkheid een open ruimte te scheppen midden in een dichtbebouwde wijk. Hij wilde de onduidelijk begrensde ruimte zoals hij die aantrof niet vangen in bestaande typologieën van plein of park, maar een open groene ruimte scheppen voor manifestaties.
Door de zichtlijnen op de beeldbepalende gebouwen rond het plein open te houden, wilde Andersson de ervaring van een vlak, eindeloos doorlopend veld oproepen en de historische gelaagdheid van de plek leesbaar maken. Om het veld in de buurt te verankeren en het tegelijkertijd een eigen identiteit te geven, had hij een bestratingspatroon voor ogen dat zich vanaf het voorplein van het Rijksmuseum over het Museumpad naar de noordzijde van de Van Baerlestraat tot over het Concertgebouwplein uitstrekte. In het uitgevoerde plan werd de aanvankelijk weggelaten fietsroute om het plein alsnog opgenomen en van de voorgenomen sluiting van de onderdoorgang van het Rijksmuseum werd afgezien. In 1999 werd het hernieuwde Museumplein in gebruik genomen. Door het krappe budget werd de herinrichting van het Concertgebouwplein echter uitgesteld, waarna het
40