CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit 2023-187F herstelbesluit BP Museumkwartier–Valeriusbuurt - bijlagen toelichtingen

RAAD 8 november 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het herstelbesluit bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022 VN2023-01984722.818 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente X Amsterdam

BEHOORT BIJ BESLUIT VAN DE GEMEENTERAAD VAN AMSTERDAM , NR. 12 1-VAN DE RAADSGRIFFIER, -kr

x

Bestemmingsplan Museumkwartier Valeriusbuurt 2022

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.K1908BPSTD-VG02

Datum print

13 September 2023

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting

5

Bijlage 1

Studie binnentuinen

7

Bijlage 2

Archeologisch bureauonderzoek

23

Bijlage 3

Cultuurhistorische verkenning

59

Bijlage 4

Stedenbouwkundige studie P.C. Hooftstraat

155

Bijlage 5

Akoestisch onderzoek

175

Bijlage 6

Nota van vooroverleg

351

Bijlage 7

Besluit hogere waarden

371

Bijlage 8

Toelichting in PDF

387

Gemeente Amsterdam

blz. 4

bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 5

Bijlagen bij de toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 7

Bijlage 1

Studie binnentuinen

Gemeente Amsterdam

Aan- en uitbouwen in binnentuinen Museumskwartier en Valeriusbuurt Ruimtelijke studie, 25 oktober 2021 Opsteller Anja Göhringer

Museumkwartier en Valeriusbuurt zijn beiden gekenmerkt door meestal gesloten bouwblokken met 3 á 4 bouwlagen met of een platte dak of en schuine dak. De binnentuinen van deze bouwblokken zijn met een diepte van meestal 15 tot 25m van gevel tot gevel ondiep. Er bestaan zelfs bouwblokken die een diepte van alleen maar 10m hebben. Bij bouwblokken met woningen op de begaande grond is het binnenterrein meestal groen ingericht met privétuinen voor de woningen. In sommige bouwblokken zijn voorzieningen in het binnenterrein opgenomen zoals schoolgebouwen of een kerk die in het binnenterrein rijkt. Deze gebouwen hebben over het algemeen een verharde buitenruimte zodat alleen de tuinen van de woningen er omheen een groene en open inrichting tonen. Vooral de gebouwen rond het Museumplein wijken af van de homogene bebouwingstypologie van gesloten bouwblokken. Hier en incidenteel ook nog verspreid over het gebied zijn los staande, solitaire gebouwen gesitueerd die met de buitenruimtes direct aan het openbaar gebied grenzen. Vaak zijn dat gebouwen met een publieke functie die belangrijke schakelpunten in de stadstructuur vormen.

Bovendien vormen de hoofdwinkelstraten Pieter Cornelisz Hooftstraat (tussen de Van Baerlestraat en de Hobbemastraat) en het noordelijke deel van de Van Baerlestraat (ten noorden van het Concertgebouw), en de buurtgerichte (niche)winkelstraat Cornelis Schuytstraat qua functie een uitzondering in de opbouw van de wijk. Zij zijn belangrijke straten en de functie aan de voorkant is vaak ook afleesbaar in de binnentuinen. Zij hebben meestal geen groen karakter. Het achtererf van een winkelpand is bijna altijd verhard en wordt gebruikt om bijvoorbeeld afvalcontainers te stallen of als opslagruimte of is al bebouwd met een winkel ondersteunende gebouw. Begrenst worden het Museumkwartier en de Valeriusbuurt door twee grote waterlopen, de Noorder Amstelkanaal in het Zuiden en de Boerenwetering in het Oosten. In het Noorden sluit direct het Vondelpark aan met zijn recreatieve betekenis voor de hele stad. Maar toch zijn door de relatief hoge dichtheid van de bebouwing de binnentuinen meestal de enige groene plekken in de directe woonomgeving. Daarom hebben de groene binnentuinen een belangrijke invloed op de woonkwaliteit in dit gebied m.b.t. gezondheid, lucht, koeling, waterbergende capaciteit en meer. Het is daarom van groot belang dat deze kwaliteit behouden blijft.

Door de maximaal toegestane bouwdiepte van vergunningsvrije aan- en uitbouwen in ondiepe binnentuinen terug te brengen tot 2,5 meter, blijft de open en groene kwaliteit van de binnentuinen zo veel mogelijk gehandhaafd zonder de uitbreidingsmogelijkheden van de woningen op begane grond volledig te beperken. Aan de hand van onderstaande uitgangspunten is onderzocht bij welke bouwblokken een beperking van de maximale diepte van aan- en uitbouwen nodig is om het groene karakter van de binnentuinen te behouden en waar mogelijk diepere aan- en uitbouwen aanvaardbaar zijn. Voor de bouwblokken zijn hiervoor de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. Per straatfront van een bouwblok dienen zo weinig als mogelijke verschillende maximale dieptes van aanbouwen aangehouden te worden zodat er zo veel mogelijk een rechte lijn aan de achterkant van de bebouwing op begane grond ontstaat. Het verspringen van de diepte van aanbouwen in eenzelfde straatfront zou ten kosten gaan van het woongenot van de woningen op begane grond met ondiepe tuinen. 2. Bij de beoordeling van de impact van aan-/uitbouwen op de groene uitstraling van de binnentuinen zijn niet alleen de diepte van de individuele kavels van belang maar de maat van de gehele open ruimte tussen de tegenover elkaar liggende gevels.

Om de open en groene kwaliteit te behouden is de onbebouwde ruimte tussen de tegenover elkaar liggende gevels, inclusief de aan-/uitbouwen op de eerste bouwlaag, bij voorkeur minimaal 25 m diep. Hieronder is het ruimtelijke effect van de aan- en uitbouwen op de binnentuinen aan de hand van een aantal voorbeelden geschetst. Deze voorbeelden zijn op onderstaande overzichtskaart weergegeven.

1

Overzichtskaart voorbeeld bouwblokken

bestemmingsplangebied doorsnede verdere legenda op p.14

2

Overzichtskaart functies

3

1)

Bouwblokken aan woon- en doorgaande straten

In het plangebied van het bestemmingsplan zijn een aantal varianten van bouwblokken: 1.1 Smalle bouwblokken (tot 31m diepte) Deze bouwblokken zijn kenmerkend voor een groot deel van het plangebied. Ze beschikken over ondiepe binnentuinen van ca. 10 tot 27m diepte tussen de tegenover elkaar liggende vlakke achtergevels. In deze ondiepe bouwblokken gaan aan-/uitbouwen altijd ten kosten van de open en groene kwaliteit van de binnentuinen (zie uitgangspunt 2). Om het vergunningsvrije bouwen echter niet helemaal in te perken wordt hier gekozen voor een (smalle) balans tussen uitbreidingswensen en groene binnentuinen. De diepte van aan-/uitbouwen dient hier beperkt te blijven tot max. 2,5 m. Voorbeeld 1.1: Gerard Terborgstraat/ Cornelis van der Lindenstraat/ Harmoniehof/ Daniël de Langestraat

De in voorbeeldblok 1.1 onderzochte situatie en de hierbij gemaakte keuze voor de binnentuinenregeling in dit bestemmingsplan met de daarbij behorende onderbouwing, geldt voor de volgende bouwblokken in het plangebied: 2, 3, 5-7, 11-14, 15 (midden), 17, 19-24, 25 (oost en west), 26-31, 34, 36, 38-41, 45, 48, 50, 55-57, 60, 63 (noord), 64 (zuid), 65 (oost), 68, 70, 71, 73-75, 77 (zuid), 78-80, 82 (zuid), 84, 86-89

4

1.2 Bouwblok met voorziening in de binnentuin Naast bouwblokken met woningen op de begane grond zijn er ook wat diepere bouwblokken met voorzieningen- /bedrijfsgebouwen in het binnenterrein. De afstand tussen de tegenover elkaar gelegen vlakke achtergevels is weliswaar meer dan 32 meter. Maar door de aanwezigheid van bebouwing zijn de tuinen van de woningen ook in deze bouwblokken relatief ondiep. Diepe uitbouwen zouden hier tot kosten gaan van het open en groene karakter van de binnentuinen. Daarom wordt de mogelijkheid voor vergunningsvrije aan- en uitbouwen tot maximaal 2,5 m beperkt. Voorbeeld 1.2: De Lairessestraat/ Jacob Obrechtstraat/ Nicolaas Maesstraat/ Banstraat

De in voorbeeldblok 1.2 onderzochte situatie en de hierbij gemaakte keuze voor de binnentuinenregeling in dit bestemmingsplan met de daarbij behorende onderbouwing, geldt voor de volgende bouwblokken in het plangebied: 4, 8, 33, 35, 44, 46, 58, 59, 66, 69, 81, 83, 85, 90

5

1.3 Bouwblok met (keuken)uitbouwen In sommige bouwblokken hebben de woongebouwen deels kenmerkende (keuken)uitbouwen. Deze bouwvolumes steken uit in de binnentuinen waardoor de achtergevellijn verspringt. Dit gaat ten koste van de openheid van de sowieso vaak al ondiepe binnentuinen. Diepe uitbouwen zouden leiden tot nog verdere inperking van de openheid en zouden de binnentuinen deels afscheiden dus opdelen in meerdere kleine binnentuinen. Daarom dienen vergunningsvrije aan- en uitbouwen tot maximaal 2,5 m beperkt te worden om de kwaliteit van open en groene tuinen te waarborgen. Daarnaast zijn aan- en uitbouwen alleen toegestaan aan de oorspronkelijke vlakke achtergevel. Achter de keukenuitbouwen zijn geen verdere aan-/uitbouwen toegestaan om de al beperkte open ruimte te behouden. Voorbeeld 1.3: Nicolaas Maesstraat/Johannes Vermeerstraat/Frans van Mierisstraat/Van Baerlestraat

De in voorbeeldblok 1.3 onderzochte situatie en de hierbij gemaakte keuze voor de binnentuinenregeling in dit bestemmingsplan met de daarbij behorende onderbouwing, geldt (deels) voor de volgende bouwblokken in het plangebied: 02, 06, 07, 13, 23, 28, 30, 34, 35, 39, 40, 44, 46, 53, 58, 59, 63, 64, 65, 6870, 80, 87

6

1.4 Bouwblok met veelhoekige vorm en verschillend diepe tuinen Door een verdraaiing in het stratenpatroon ontstaan deels bouwblokken met een veelhoekige vorm. Hierdoor hebben de panden soms zeer verschillend diepe tuinen. Diepere kavels liggen tussen minder diepe kavels zoals in onderstaand voorbeeld in het zuidelijke eind van de Banstraat. Aan de Banstraat (in de afbeelding rechts) hebben de meeste kavels weliswaar eenzelfde relatief diepe maat maar zijn de tuinen in de westelijke hoek van het bouwblok juist zeer ondiep. Indien er in eenzelfde straatfront diepere aan-/uitbouwen (4m) bij langere kavels zouden worden gerealiseerd naast panden met ondiepe kavels, zou de aanbouwdiepte verspringen en zouden de diepe aanbouwen grote impact hebben op de naastgelegen benedenwoningen. Conform de boven benoemde uitgangspunten is dit niet wenselijk. Daarnaast is de impact van aan-/uitbouwen op de groene uitstraling van de binnentuinen in een bouwblok niet alleen op basis van de diepte van de individuele kavels te beoordelen maar wordt de gehele open ruimte tussen de tegenover elkaar liggende gevels beschouwd. Om deze redenen worden vergunningsvrije aan- en uitbouwen ook bij diepere kavels tot maximaal 2,5 m beperkt. Voorbeeld 1.4: Hacquartstraat/Banstraat/Reijnier Vinkeleskade

De in voorbeeldblok 1.4 onderzochte situatie en de hierbij gemaakte keuze voor de binnentuinenregeling in dit bestemmingsplan met de daarbij behorende onderbouwing, geldt voor de volgende bouwblokken in het plangebied: 01, 10, 16, 18, 32, 37, 42, 43, 47, 52-54, 61, 62, 67, 72, 76,

7

1.5 Bouwblok met grote diepte Heel soms in de gebieden Museumskwartier en Valeriusbuurt is een bouwblok (gedeeltelijk) zo diep dat het groene onbebouwde binnenterrein voldoende aanwezig en overtuigend is – ook met een aan- of uitbouw van 4m diepte aan allebeide blokkanten. De groene karakter gaat hier ook met een diepere volumen niet verloren en de tuinen van de kavels zijn groot genoeg om een aan- of uitbouw van 4m op te nemen. Dit geldt voor blokken die (gedeeltelijk) dieper dan 33m zijn gemeten van de vlakke achtergevels. Bovendien moeten meerdere kavels in samenhang deze diepte hebben om een 4m diepe uitbouw mogelijk te kunnen maken. Meerdere verspringingen van de diepte van de aan- en uitbouwen is ruimtelijk namelijk wederom niet wenselijk. Voorbeeld 1.5: Cornelis Krusemanstraat/ Okeghemstraat/ Pieter Lastmankade/ Hendrik Jacobszstraat

De in voorbeeldblok 1.5 onderzochte situatie en de hierbij gemaakte keuze voor de binnentuinenregeling in dit bestemmingsplan met de daarbij behorende onderbouwing, geldt voor de volgende bouwblokken in het plangebied: 09, 15 (west), 25 (midden)

8

2)

Bouwblokken aan hoofdwinkelstraten

2.1.

Pieter Cornelisz Hoofdstraat en Cornelis Schuytstraat Naast bouwblokken met vooral woningen op de begane grond zijn er bouwblokken die aan een kant aan hoofdwinkelstraten (Pieter Cornelisz Hoofdstraat en Cornelis Schuytstraat) zijn gelegen. De achtererven van deze winkelpanden zijn grotendeels verhard en veel winkelpanden in deze straten beschikken al over een uitbouw van vier meter of dieper tot aan de perceelgrens. Een aantal van deze bouwblokken hebben dan ook diepere binnenterreinen. Het ruimtelijk effect van aan- en uitbouwen tot aan de perceelgrens bij de panden langs deze twee winkelstraten is beperkt. Het groene en open karakter ontstaat in deze binnentuinen voornamelijk door de tuinen van de woningen aan de andere kanten van de bouwblokken waar de maximale diepte van aan- en uitbouwen op 2,5 m beperkt wordt. Bij de panden langs deze twee winkelstraten zijn daarom aan- en uitbouwen tot aan de perceelgrens ruimtelijk aanvaardbaar. Deze regeling geldt voor de Pieter Cornelisz Hoofdstraat tussen de Hobbemastraat en de Van Baerlestraat maar niet voor het oostelijke en westelijke einde. Hier zijn de winkels en percelen kleinschaliger en moeten ook de aan- en uitbouwen kleiner dus 2,5m diep zijn. Deze regeling geldt voor de panden langs de Cornelis Schuytstraat tussen de Van Eeghenstraat en de De Lairessestraat die samen de buurtgerichte (niche)winkelstraat vormen.

In enkele gevallen behoren ook panden in een zijstraat van dit deel van de Cornelis Schuytstraat bij deze winkelstraat. Deze regeling geldt niet voor het zuidelijke einde van de Cornelis Schuytstraat omdat hier geen winkels meer op de begane grond gesitueerd zijn maar woningen. Voorbeeld 2.1: Pieter Cornelisz Hoofdstraat/ Honthorststraat/ Jan Luijkenstrat/ Van de Veldestraat

9

De in voorbeeldblok 2.1 onderzochte situatie en de hierbij gemaakte keuze voor de binnentuinenregeling in dit bestemmingsplan met de daarbij behorende onderbouwing, geldt voor de volgende bouwblokken in het plangebied: 19-23 (oost), 25-29 (west), 63 (zuid), 64 (noord), 77 (noord) en 84 (noord).

2.2.

Van Baerlestraat Ook in het noordelijke gedeelte van de Van Baerlestraat (tussen het Vondelpark en de Willemsparkweg) zijn er bouwblokken die aan een kant op de begane grond hoofdwinkelstraat als functie hebben. De andere kanten van de bouwblokken liggen aan woon- of doorgaande straten of aan het Vondelpark. De achtererven van deze winkelpanden zijn nu al grotendeels verhard en veel winkelpanden in deze straten beschikken al over een uitbouw van 4 meter of dieper tot aan de perceelgrens. Een aantal van deze bouwblokken hebben ook diepere binnenterreinen. Het ruimtelijk effect van aan- en uitbouwen tot 4m bij de panden langs deze winkelstraat is beperkt en er blijft nog voldoende onbebouwde ruimte over. Daarom is een aan- of uitbouw van 4m ruimtelijk aanvaardbaar. Deze regeling geldt voor de Van Baerlestraat tussen het Vondelpark en de Willemsparkweg maar niet voor het zuidelijke gedeelte. Hier zijn de winkels en percelen kleinschaliger en moeten ook de aan- en uitbouwen kleiner dus 2,5m diep zijn. Voorbeeld 2.1: Van Baerlestraat

De in voorbeeldblok 2.2 onderzochte situatie en de hierbij gemaakte keuze voor de binnentuinenregeling in dit bestemmingsplan met de daarbij behorende onderbouwing, geldt voor de volgende bouwblokken in het plangebied: 48-49 (oost), 51 (oost), 63-65 (west).

10

3)

Naast voorbeeldblokken: afwijkende regeling hoekbebouwing

In voorgaande voorbeeldblokken is per bouwblok de gemaakte keuze belicht voor de binnentuinenregeling. De daarin gemaakte keuzes gelden voor de lange en korte zijden van de bouwblokken. Voor de hoeken van de bouwblokken in het plangebied, wordt een andere keuze gemaakt. De hoekpercelen in bouwblokken zijn nagenoeg altijd kleiner dan de percelen op de lange en korte zijden van de bouwblokken. Soms is bij de panden in deze hoeken helemaal geen tuin aanwezig. Voor de veelal geldende situaties dat de hoektuinen duidelijk kleiner zijn dan de overige tuinen in het betreffende bouwblok, is het niet logisch een aan- of uitbouwmogelijkheid van 2,5 of 4 meter vast te leggen. Voor deze situaties wordt dan ook een andere keuze gemaakt. In de hier bedoelde tuinen is gekozen voor een maximaal bebouwingspercentage van 50%. Met maximaal 50% bebouwing wordt aangesloten op de huidige regeling omtrent het vergunningsvrij bouwen uit het Besluit omgevingsrecht. De koppeling van de bouwmogelijkheden in de hoeken van bouwblokken aan een maximumpercentage, zal er toe leiden dat in vrijwel elke hoektuin minder mogelijkheid tot bebouwen wordt geboden dan bij een regel om maximaal 2,5 meter te bebouwen of – voor de genoemde winkelstraten – maximaal 4 meter. In de hieronder opgenomen tekeningen van de voorbeeldblokken zijn de hier bedoelde hoektuinen indicatief met een groene kleur weergegeven.

De precieze keuze op blok- en perceelsniveau voor welke hoektuinen deze regeling zal gelden, zal uiteindelijk worden weergegeven op de verbeelding van het bestemmingsplan. Hieronder zijn twee uitsneden opgenomen uit twee voorbeeldblokken met daarin de indicatieve hoekpanden. Daarnaast is de werkelijke (kadastrale) perceelindeling weergegeven. Voorbeeld 3.1: Johannes Verhulststraat/ Dufaystraat/ De Lairessestraat

Voorbeeld 3.2: Cornelis Krusemanstraat/ Valeriusterras/ Pieter Lastmankade/ Hendrik Jacobszstraat

11

4)

Open bouwblokken

In het gebied zijn ook een aantal open bouwblokken of solitaire gebouwen die aan de openbare ruimte grenzen en de binnentuinen dus niet in een afgesloten binnenterrein liggen. In de analysekaart zijn deze gebouwen in donkerblauw weergegeven. Dit zijn vaak gebouwen in een groen en open setting en liggen deels aan het Vondelpark of aan belangrijke open pleinen. Deze panden liggen vaak aan een hoog gewaardeerde stedenbouwkundige zone of zelfs in Plan Zuid waar het straatbeeld door zijn hoge cultuurhistorische waarde niet verandert mag worden. Daarnaast hebben de hier opgenomen gebouwen vaak een hoge architectonische waardering / ordestatus (zie ook bijlage 3 op p. 15). Dit maakt terughoudendheid in de aanbouwmogelijkheden wenselijk. Daarom dient ook hier de diepte van aan/uitbouwen beperkt te blijven tot max. 2,5 m. Voorbeeld 4.1: Honthorststraat/ Johannes Vermeerstraat/ Teniersstraat/ Museumplein

5)

Verspringende achtergevel

In het onderzoeksgebied zijn heel veel bouwblokken waar de achtergevel verspringen. Dit omdat de privé buitenruimtes (balkons) inpandig dus zonder verspringing uit de rooilijn ontworpen zijn. Het gevelbeeld in de binnentuinen krijgt zo een rustig doorlopend beeld maar de achtergevel verspringen duidelijk. Om voldoende groene binnenterreinen te waarborgen en om een rustig gevelaanzicht op de begane grond te waarborgen is daarom ruimtelijk belangrijk de aan- en uitbouwen (maakt niet uit of deze 2,5m of in weinig gevallen ook 4m diep zijn) vanaf de terugliggende achtergevel te laten beginnen. Dit zal ook zo op de verbeelding van het bestemmingsplan worden vastgelegd. Voorbeeld 5.1: bouwblokken met verspringende achtergevel door buitenruimtes

2,5m

12

Bijlage 1: Overzicht typologie bouwblokken met nummering

13

Bijlage 2: legenda typologie bouwblokken

bouwblokken met veelhoekige of bijzondere vorm en verschillend diepe tuinen

diepe (delen van) bouwblokken (vanaf 32m diepte)

bouwblokken met keukenuitbouwen (opmerking: blokken met keukenuitbouwen horen tegelijkertijd ook nog bij een tweede categorie)

smalle bouwblokken (tot 31m diepte)

bouwblokken met voorzieningen in de binnentuin

delen van bouwblokken aan hoofdwinkelstraten

delen van bouwblokken aan de Van Baerlestraat

Open bouwblokken of solitaire gebouwen grenzend aan de openbare ruimte

14

Bijlage 3: Overzicht open bouwblokken en hun waardering/ positie in Plan Zuid

ligging in Plan Zuid Orde 1 panden geen van beide 15

blz. 23

Bijlage 2

Archeologisch bureauonderzoek

Gemeente Amsterdam

Archeologisch bureauonderzoek Bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt BO 20-105 Amsterdam 2020 Monumenten en Archeologie

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

Inhoud Inhoud ........................................................................................................................................... 3 Samenvatting................................................................................................................................. 4 Inleiding ......................................................................................................................................... 5 1 Basisgegevens ........................................................................................................................ 6 2 Wet- en regelgeving ................................................................................................................7 2.1 Algemeen........................................................................................................................7

3

2.2

Rijk ..................................................................................................................................7

2.3

Provincie Noord-Holland .................................................................................................7

2.4

Gemeente Amsterdam ................................................................................................... 8

2.5

Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie ...................................................................... 8

Historisch-geografische en archeologische inventarisatie......................................................10 3.1 Geomorfologie en bodem algemeen .............................................................................10 3.2

Historie algemeen .........................................................................................................10

3.3

Historisch-geografische inventarisatie ..........................................................................12

3.3.1

Ontginningen ............................................................................................................12

3.3.2

Vroege bewoning ...................................................................................................... 13

3.3.3

Waterwerken ............................................................................................................ 13

3.3.4

Land- en tuinbouw ....................................................................................................14

3.3.5

Nijverheid.................................................................................................................. 15

3.3.6

Recreatie ................................................................................................................... 17

3.3.7

Verstedelijking ..........................................................................................................18

3.4

Archeologische inventarisatie ...................................................................................... 20

3.4.1

Archeologische Monumentenkaart .......................................................................... 20

3.4.2

Vindplaatsen ............................................................................................................ 20

3.4.3

Bodemopbouw......................................................................................................... 25

3.5

Conclusie: verwachtingsmodel ..................................................................................... 25

4 Archeologische verwachtingskaart ....................................................................................... 26 5 Archeologische beleidskaart ................................................................................................. 29 6 Conclusie ............................................................................................................................... 31 7 Bronnen.................................................................................................................................32 Appendix I: beleidsvarianten en stroomschema ............................................................................34

3

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

Samenvatting Monumenten en Archeologie heeft in opdracht van stadsdeel Zuid een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor bestemmingsplangebied Museumkwartier – Valeriusbuurt, stadsdeel Zuid. Dit onderzoek is bedoeld om een beeld te krijgen van de ondergrondse cultuurhistorische waarden die in het plangebied aanwezig kunnen zijn, en ten gevolge van de reeds voorgenomen en eventuele toekomstige bouwontwikkelingen verstoord zullen worden. Het bureauonderzoek gaat uit van een beknopt overzicht van de historisch-geografische ontwikkeling van het plangebied. Het historisch overzicht wordt aangevuld met archeologische informatie afkomstig van vindplaatsen in de omgeving van het plangebied. De historische en archeologische informatie over de ruimtelijke topografische ontwikkelingen is omgezet naar een beeld van archeologische verwachtingen. De archeologische verwachting betreft acht zones, zoals aangegeven op de verwachtingskaart (p. 26). Aan de hand van deze verwachtingskaart is een archeologische beleidskaart opgesteld, waarin de beleidsregels en maatregelen voor de vereiste archeologische monumentenzorg zijn vastgelegd. De beleidskaart telt zes zones (p. 29). Hiervoor is gespecificeerd bij welke oppervlakte en diepte bodemingrepen zijn uitgezonderd van de archeologische onderzoeksplicht. Wel geldt voor het gehele plangebied de wettelijke meldingsplicht.

Dit houdt dat ook wanneer geen archeologisch onderzoek is vereist, en toch bodemvondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, dit wordt gemeld bij Monumenten en Archeologie. In overleg met de ontwikkelaar worden vervolgens maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.

4

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

Inleiding Monumenten en Archeologie heeft in opdracht van Ruimte en Duurzaamheid een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt, stadsdeel Zuid. Het plangebied wordt ruwweg begrensd door de Boerenwetering, Noorder Amstelkanaal, Amstelveenseweg, Koninginneweg, van Eeghenlaan, Vossiusstraat en Singelgracht. Het bureauonderzoek geeft een overzicht van bekende of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Hierbij is gebruik gemaakt van historisch kaartmateriaal, relevante publicaties en archiefbronnen in samenhang met archeologische informatie over al bekende vindplaatsen in het plangebied en omgeving. Deze informatie is samengevat in een archeologisch verwachtingsmodel op basis waarvan de beleidsregels voor erfgoedzorg worden vastgelegd ten behoeve van het plan- en onderzoeksgebied. In het bureauonderzoek komt een landschappelijke, historische en archeologische analyse van het plangebied (hoofdstuk 2) aan de orde. Hieruit volgt een archeologische verwachtingskaart (hoofdstuk 3), gekoppeld aan een beleidskaart (hoofdstuk 4) die inzichtelijk maakt bij welke oppervlakte en diepte bodemingrepen zijn uitgezonderd van de archeologische onderzoeksplicht.

5

Gemeente Amsterdam

1

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

Basisgegevens

Opdrachtgever Opdrachtgever Contactpersoon Onderzoeksgebied Provincie Plaats Stadsdeel ARCHIS onderzoeksnummer Centrum coördinaat

Stadsdeel Zuid J. Rozema

Noord-Holland Amsterdam Zuid 4813363100 X: 120.207 Y: 485.349

1 Het plangebied (rood omlijnd) op de topografische kaart van ESRI

6

Gemeente Amsterdam

2

Wet- en regelgeving

2.1

Algemeen

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

Het archeologisch erfgoed bestaat uit structuren, grondsporen en voorwerpen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving. Het beleid voor het archeologisch erfgoed heeft dan ook veel raakvlak met dat van de ruimtelijke ordening. Voor een optimale integratie van archeologie in de ruimtelijke ordening heeft het rijk onder andere de Monumentenwet 1988 en de Wet ruimtelijke ordening aangepast, en de Erfgoedwet geïntroduceerd. De Monumentenwet is per 1 juli 2016 vervallen, maar het deel dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving blijft via het Overgangsrecht in de Erfgoedwet van toepassing.1

2.2

Rijk

In 1992 hebben de Europese ministers van Cultuur het Verdrag van Valletta opgesteld (ook bekend als het Verdrag van Malta). Deze culturele overeenkomst had tot doel om meer bewustzijn van het Europese erfgoed te creëren en in het bijzonder het Europese archeologische erfgoed voor toekomstige generaties beter in stand te houden. In Nederland wordt aan dit uitgangspunt invulling gegeven door behoud van archeologisch erfgoed in de bodem (in situ) tijdens de planontwikkeling mee te wegen. Als behoud in de bodem (bijvoorbeeld door middel van technische maatregelen of planaanpassing) geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven (behoud ex situ). De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en de financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. In de Monumentenwet is een bepaling opgenomen dat in elk bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden.2 De Erfgoedwet bevat een verplichting om toevalsvondsten te melden (de zogenaamde meldingsplicht).3

2.3

Provincie Noord-Holland

Als toetsingskader voor bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen gebruikt de provincie Noord-Holland de structuurvisie, de leidraad Landschap en Cultuurhistorie en de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie (ILC).4 Op grond van de Wro dienen gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen de Provinciale Ruimtelijke 1

Hoofdstuk 9 Erfgoedwet 2016. Artikel 9.1 Erfgoedwet (overgangsrecht); Artikel 38a lid 1 van de gewijzigde Monumentenwet schrijft hierover dat De gemeenteraad bij vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Met ‘monument’ wordt hier een (onbeschermd) archeologisch monument bedoeld, ofwel alle terreinen welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde (art. 1 Monumentenwet). 3 Artikel 5.10, tweede lid, Erfgoedwet 2016. 2

4

Provincie Noord-Holland, 2010.

7

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

Verordening in acht te nemen. Op de ILC zijn o.a. archeologisch verwachtingsvolle gebieden opgenomen. Naast de ILC beheert de provincie de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van het rijk. Op de AMK staan de beschermde archeologische monumenten, de terreinen van zeer hoge en hoge archeologische waarde en de gebieden met een archeologische betekenis. De waardestellingen van de ILC en AMK zijn bedoeld als algemene indicaties die per specifiek plangebied nadere invulling en precisering nodig hebben.

2.4

Gemeente Amsterdam

De gemeente Amsterdam vindt het belangrijk dat archeologie vroegtijdig in ruimtelijke ordeningsprocessen wordt geïntegreerd.5 Hiermee worden twee doelen gediend. Ten eerste een efficiënte voortgang en kostenbeheersing van bouwprocessen. En ten tweede een kwalitatief goed en stadsbreed uniform beheer van het archeologische erfgoed. Op basis van de resultaten uit het archeologisch bureauonderzoek wordt bepaald of in het bestemmingsplan regels met betrekking tot archeologie moeten worden opgenomen. De Monumentenwet biedt een tweetal mogelijkheden (artikelen 39-40) die Monumenten en Archeologie heeft uitgewerkt in de modelregels archeologie. De bescherming van (verwachte) archeologische waarden in een bestemmingsplan wordt geregeld met een omgevingsgunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Aan een omgevingsvergunning zijn bouwregels verbonden: die bepalen dat in het belang van de archeologische monumentenzorg de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch rapport met selectiebesluit dient te overleggen. Daarnaast kan in het bestemmingsplan worden opgenomen dat een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd voor het uitvoeren van aanlegwerkzaamheden. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

Dit houdt in dat aan de vergunning de verplichting wordt gekoppeld om technische maatregelen tot behoud te treffen, om de archeologische resten op te graven of om de werkzaamheden te laten begeleiden door een archeoloog. De bouwregels en de omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden bevatten daarnaast uitzonderingen die duidelijk maken in welke gevallen archeologisch onderzoek niet nodig is. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of ondieper dan de 19de- of 20ste-eeuwse ophogingen (Appendix: Beleidsvarianten). In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor.

2.5

Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie

De uitvoering van archeologisch onderzoek is gebonden aan de Beoordelingsrichtlijn Archeologie (BRL SIKB 4000) en daarmee samenhangend de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA gaat uit van een gefaseerde aanpak. Er wordt onder meer onderscheid gemaakt tussen Bureauonderzoek, een Inventariserend Veldonderzoek, en het doen van Opgravingen (Appendix: stroomschema).

5

Monumenten en Archeologie, 2016.

8

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

Het inventariserend veldonderzoek is bedoeld om de resultaten van het bureauonderzoek te toetsen. Het geeft inzicht in de aanwezigheid en toestand van de archeologische overblijfselen in de bodem. Een opgraving wordt uitgevoerd wanneer er sprake is van een vindplaats met waardevolle archeologische resten. Archeologisch veldonderzoek wordt, afhankelijk van de bodemingreep en de verwachting, voorafgaand aan of tijdens de civieltechnische werkzaamheden (variant archeologische begeleiding) uitgevoerd. Elke onderzoeksfase wordt afgesloten met een selectiebesluit. Hierin wordt vastgesteld welke delen van een plangebied in aanmerking komen voor verder archeologisch onderzoek of voor bescherming en welke delen van het plangebied worden vrijgegeven. Voor archeologisch veldonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) vereist. Hierin zijn de kwalitatieve randvoorwaarden en onderzoeksvragen voor het werk vastgelegd. Het vormt de basis voor verdere planning en kostenraming. Het laten opstellen ervan behoort tot de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer van het bouwplan.

9

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

3

Historisch-geografische en archeologische inventarisatie

3.1

Geomorfologie en bodem algemeen

Het huidige natuurlijke landschap in en om Amsterdam is in grote mate bepaald door de landschapsvorming in het Holoceen. Dat is de geologische periode na de laatste IJstijd (vanaf ca. 10.000 v.Chr.). Er heerste toen een gematigd klimaat waarin in enkele duizenden jaren grote pakketten veen groeiden in de kuststreek. Dit Hollandveen bevindt zich in de huidige ondergrond op gemiddeld NAP -2 à 3 m. Het natuurlijke landschap werd vanwege grootschalige veenontginningen vanaf de 12de eeuw omgevormd tot een veenweidegebied. Aan de noordzijde van het IJ, in Waterland, begon deze ontwikkeling al in de 10de eeuw. Aangezien de waterhuishouding een cruciale rol speelde bij de veenontginningen, begon tegelijkertijd de aanleg van het stelsel van (zee)dijken ter bescherming van het nieuwe bouw- en akkerland. Later, in de 17de en 18de eeuw, volgden de droogmakerijen waarbij grote watergebieden in Noord-Holland werden ingepolderd.

3.2

Historie algemeen

De vroegste sporen van menselijke bewoning of activiteiten binnen het gemeentelijk gebied van Amsterdam gaan, zo blijkt uit recente vondsten in de Noord/Zuidlijn bouwputten op het Damrak en Rokin, terug tot het late Neolithicum (ca. 2400 v. Chr.). Ook rond de stad, op vooral de hoger gelegen strandwallen, zijn dergelijke oude vindplaatsen bekend. De oudste stedelijke bewoningssporen, voor zover nu archeologisch bekend, beginnen eind 12de eeuw en zijn teruggevonden aan de Nieuwendijk / Kalverstraat en de Warmoesstraat/Nes. Met de aanleg van de (Nieuwezijds en Oudezijds) voorburgwallen in de 14de eeuw startte het proces van stadsvorming. De laatmiddeleeuwse stad was omsloten door het huidige Singel aan de westkant en de Geldersekade en Kloveniersburgwal aan de oostkant. In de periode 1585-1663 groeide de stad explosief door vier stadsuitbreidingen. Ten tijde van de Eerste Uitleg (1585-1586) verplaatste de stadsrand zich naar de huidige Herengracht en de Oudeschans. Bij de Tweede Uitleg (1592-1596) kwamen er vier nieuwe woon- en werkeilanden (Marken, Uilenburg, Rapenburg en Vlooienburg) aan de oostkant van de stad. In 1613 ontstond met de Derde Uitleg aan de westzijde van de stad de woon- en werkbuurt de Jordaan en het eerste deel van de grachtengordel tot aan de Leidsegracht.

Met de Vierde Uitleg van 1663 werd in de Gouden Eeuw het halfcirkelvormige stadsplan van Amsterdam voltooid. Het oostelijk deel van de grachtengordel werd aangelegd over de Amstel en aan het IJ kwamen de drie oostelijke haveneilanden Kattenburg, Wittenburg, Oostenburg. De eerste woonwijken buiten de Singelgracht ontstonden naar aanleiding van het uitbreidingsplan Kalff in 1877, gevolgd door een tweede ring na annexatie van grote delen van de gemeenten Nieuwer-Amstel en Sloten in 1896. De 20ste-eeuwse groei van de stad valt uiteen in vier fasen. Tussen 1915 en 1940 werd in Noord, Oost, Zuid en West de Gordel 20-40 gebouwd. Deze werd gevolgd door de naoorlogse tuinsteden in West, Buitenveldert en Noord, en in de jaren zestig en zeventig door het volbouwen van de Bijlmermeerpolder. Met IJburg borduurt de stad begin

10

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

21ste eeuw weer voort op het concept van vier eeuwen tevoren, het creëren van stedelijk areaal in en aan het IJ. Daarnaast wordt door de bouw van woningen binnen het bestaande stedelijk gebied ingezet op verdichting van de stad.

11

Gemeente Amsterdam

3.3

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

Historisch-geografische inventarisatie

Het plangebied wordt ruwweg begrensd door de Boerenwetering, het Noorder Amstelkanaal, Amstelveenseweg, Koninginneweg, van Eeghenlaan, Vossiusstraat en Singelgracht. In historisch opzicht maakt dit gebied deel uit van een waterstaatkundige eenheid binnen het Hollandse veengebied: de Binnendijkse Buitenveldersepolder. Voor de historisch-geografische inventarisatie van dit gebied zijn verschillende cartografische bronnen gebruikt, waaronder de kaarten van Bilhamer (1570), Visscher (ca. 1700), het kadastraal minuutplan (1832), de kaart van Scheltema (1900) en de kaart van Publieke Werken (1929).

2 Het onderzoeksgebied (rood omlijnd) op de kaart van Bilhamer, ca. 1570 (AAGV). De blauwe pijlen geven de richting van de ontginning van het oorspronkelijke veengebied aan

3.3.1

Ontginningen

Tot in de 20ste eeuw maakte het plangebied deel uit van het uitgestrekte veenweidelandschap rondom Amsterdam. Dit landschap was in belangrijke mate tot stand gekomen tijdens de ontginning van het Amstelland. Deze ontwikkeling begon vermoedelijk in de 12de eeuw vanuit de polder De Ronde Hoep, ten zuiden van Ouderkerk aan de Amstel, waar het domaniale hof van de landsheer – de bisschop van Utrecht – was gelegen.6 Vanuit de Amstel werden loodrecht op de natuurlijke verhogingen in het landschap sloten gegraven, zodat het veen kon ontwateren en

6

Verkerk, 1998; Stol 1993, 29; Borger 1987, 16-17.

12

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

vruchtbaar akkerland ontstond.7 Men richtte zich daarbij op een langgerekte, hoog opgegroeide veenrug die ongeveer het tracé van de Schinkel volgde.8 Het ontginningsproces verliep volgens het recht van vrije opstrek, waarbij de lengte van de kavel niet vooraf was vastgesteld, maar werd bepaald door natuurlijke barrières of door aanspraak van anderen op reeds ontgonnen gebieden. Het recht van vrije opstrek resulteerde in zeer lange – in dit geval oost-west georiënteerde – percelen, ook wel weren genoemd. Aan de uiteindes ervan werd een achterkade – een veendijk en dwarssloot – aangelegd, die de landerijen moest beschermen tegen water uit onontgonnen gebied en vaak als basis diende voor nieuwe ontginningen. De Amstelveenseweg – tot 1898 Veenweg genaamd – heeft zijn oorsprong in een dergelijke achterkade (afb. 2). 3.3.2

Vroege bewoning

De grootschalige ontwatering van het veengebied zette een onomkeerbaar proces van bodemdaling in werking, waardoor de landerijen geleidelijk weer vernatten en hun bruikbaarheid als akkergrond verloren. De ontginningsboeren waren daarom telkens genoodzaakt nieuw veen in cultuur te brengen en hun boerderijen mee te verhuizen met het beschikbare akkerland.9 Nederzettingen uit de ontginningsperiode worden daarom gekenmerkt door een vrij diffuse spreiding van opgeworpen huisplaatsen (terpen). Met het verdwijnen van de laatste geschikte akkergronden gedurende de 13de eeuw werden deze oudste nederzettingen verlaten en hergroepeerden de bewoners zich in lintdorpen langs de achterkaden, die tevens golden als de belangrijkste landwegen.10 Afgaande op de bewoningsresten uit de periode 1200-1500 die zijn aangetoond langs de Amstelveenseweg past ook de bewoningsontwikkeling van de Binnendijkse Buitenveldersepolder in een dergelijk beeld.11 3.3.3

Waterwerken

De ontginning van het Amstelland, en de daarmee samenhangende maaivelddaling, maakte in de loop der eeuwen allerlei waterhuishoudkundige maatregelen noodzakelijk. Zo werd mogelijk al in de 12de eeuw een extra afwateringskanaal gegraven halverwege de veenkavels tussen de Amstel en de Amstelveenseweg (afb. 2). In eerste instantie waterde het kanaal via het Spui af naar de Amstel. Met de aanleg van de dam in de Amstel in de periode 1260-1275 werd de verbinding doorgetrokken naar het noorden, om af te wateren ter plaatse van de latere Dirk van Hasseltssteeg .12 Dit noordelijk deel van de waterweg werd later de Nieuwezijds Voorburgwal, terwijl het zuidelijk deel bekend kwam te staan als de Boerenwetering. In de 17de eeuw was het maaiveld in het veenweidegebied dermate gedaald dat de afwatering via de Amstel en Boerenwetering niet meer soepel verliep. Regelmatig hadden de landerijen te kampen met wateroverlast. Om deze problemen het hoofd te kunnen bieden, verenigden de landeigenaren tussen de Singelgracht en Kalfjeslaan zich op 6 mei 1634 in een polderorganisatie. Het water in de Binnendijkse Buitenvelderse Polder werd voortaan op peil 7

De Bont 2009, 464, 560. De ‘Grote Hollandse Waterscheiding’ (De Bont 2009); de Bont 2014, 74-75. 9 Stol 1993, 29; Borger 1987, 16-17. 10 De Bont 2009, 577. 11 MenA vindplaats AVW. 12 Jayasena 2017, 122-123. 8

13

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

gehouden door het met watermolens, gevoed door weteringen vanuit de polder, uit te slaan op de Amstel en Boerenwetering.13 Om het verschil tussen het polderpeil en het stadsboezempeil te overbruggen werd in de 17de eeuw ook een sluis en een overhaal aangelegd tussen de Boerenwetering en de Singelgracht (afb. 5).

3 Het onderzoeksgebied (rood omlijnd) op de kaart van Visscher, ca. 1700 (SAA)

3.3.4

Land- en tuinbouw

Het grootste deel van de Binnendijkse Buitenvelderse Polder bleef tot de verstedelijking in gebruik als landbouwgebied. Van oudsher had de veeteelt hierin het grootste aandeel (3.3.1), maar naarmate de Amsterdamse bevolking groeide nam de vraag naar agrarische producten in omvang en diversiteit toe. Aan deze vraag werd beantwoord door de boeren in de directe omgeving.14 Vooral aan de paden langs de Boerenwetering waren in de late 17de en 19de eeuw veel ‘warmoezeniers’ oftewel groenteboeren gevestigd.15 Op de kaart van Visscher van omstreeks 1700 (afb. 3) zijn deze agrarische terreinen weergegeven als Moes thuyne(n). Eén pad is op de kaart van Visscher met een naam aangeduid: de Schager Laan. De laan dankt zijn naam aan de makelaar Robert van Schagen die in 1665 eigenaar

13

Jansen 1965, 11-12. Schmall 1987, 41. 15 Colijn et al. 1995, 51-75. 14

14

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

werd van de weer. Aan beide zijden van de laan lagen moes- en pleziertuinen van verschillende eigenaren.16 Op de kaart van Visscher staan aan de oostzijde van de Amstelveenseweg ook twee boerderijen of buitenplaatsen (zie 3.3.6) aangegeven, waaronder één met de aanduiding De Hr. Spiegel. Op de kaart van Mol uit 1770,17 die is gebaseerd op de kaart van Visscher, is dezelfde huisplaats vermeld onder de naam Wel te Vreede. De precieze ligging van de twee huisplaatsen is op basis van de twee 18de-eeuwse kaarten vanwege landmeetkundige onnauwkeurigheden niet goed te bepalen. Mogelijk corresponderen de locaties met twee bewoonde erven die op het kadastraal minuutplan van 1832 binnen het plangebied zijn weergegeven (afb. 4).

4 Het onderzoeksgebied (rood omlijnd) op het kadastraal minuutplan van 1832 (versie HisGIS). De rode peilen geven twee bewoonde percelen aan de Amstelveense weg weer, de groene peil wijst naar de locatie van kolf- en kegelbanen in het recreatiegebied langs de Singelgracht.

3.3.5

Nijverheid

Bedrijven die brandgevaarlijk waren, overlast veroorzaakten of veel ruimte innamen werden naarmate Amsterdam dichter bevolkt raakte steeds meer uit de stad geweerd. Binnen het plangebied concentreerde deze nijverheid zich aan de oevers van de Boerenwetering en de Singelgracht. Zo was een langwerpig perceel aan de Singelgracht – het nog bestaande Schapenburgerpad – volgens de kaart van Visscher rond 1700 gereserveerd voor Ramen. Hier 16 17

Kooij 1995 II, 108. Collectie SAA: kaarten van heel Amsterdam: KAVA00027000001.

15

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

werden in de open lucht geverfde stoffen op houten stellages gedroogd. Ten tijde van het kadastraal minuutplan van 1832 was deze bedrijfstak nog steeds met een aantal katoendrukkerijen aan het pad vertegenwoordigd. Ten noorden van de huidige Nicolaas Maesstraat was aan de Boerenwetering sinds 1621 geruime tijd een wasblekerij gevestigd. In akten uit 1739 en 1753 echter wordt gesproken over pleziertuinen ”vanouds geweest een wasbleekerije”.18 Eind 18de eeuw werd er opnieuw een wasblekerij gevestigd, genaamd De Honingbije. De fabriek breidde zich in de 19de eeuw gestaag uit en ging over op de productie van moderne stearinekaarsen. In 1847 werd de naam veranderd in Koninklijke Fabriek van Waskaarsen, waar in 1874 tegen de 500 mensen werkten.19 Een ander belangrijke vroeg-industriële zone was de Mennonietensloot, die in 1668 naar opdracht van het stadsbestuur op een weer werd aangelegd nabij de samenkomst van de Boerenwetering en Singelgracht. De sloot werd aan weerszijden voorzien van kades zodat deze op het stadsboezempeil van de Amstel en Singelgracht kon worden gebracht.20 Tussen de Mennonietensloot en de lager gelegen Boerenwetering werd een overhaal aangelegd (afb. 5).

Langs de sloot werden zeven koren- en houtzaagmolens gebouwd: aan de zuidzijde de (Geel)Vink, de Oranjeboom, de Swaan en de (Jonge) Visser, aan de noordzijde ’t Aalsmeerder Wapen, De Blauwe Kalkoen en de Witte Os.21

5 De Mennonietensloot gezien richting het westen, met links de overhaal naar de Boerenwetering en rechts de molens De Oranjeboom en De Houthandel (SAA).

18

Kooij 1995 I, 45. Kooij 1995 III, 128; Roetemijer 1970. 20 Abrahamse 2010, 244. 21 Molendatabase.org. 19

16

Gemeente Amsterdam

3.3.6

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

Recreatie

Buiten de stadsmuren van de Vierde Uitleg ontwikkelde zich in de late 17de en 18de eeuw een populair uitgaansgebied met faciliteiten voor reizigers en voorzieningen waarvoor binnen de stadsgrenzen geen ruimte was. Zo vond men in de 18de eeuw aan de Singelgracht de herberg en uitspanning Boon Acker. In 1784 werd hier, aan het Groenhovenspad, ofwel het Mennonieteneiland de herberg De Nieuwe Boonacker gevestigd.22 In dit uitgaansgebied waren volgens het kadastraal minuutplan van 1832 ook verschillende overdekte kolf- en kegelbanen te vinden. Aan het eind van de Schagerlaan lag een vierkante tuin. Aanvankelijk stond hier een oliemolen en huis, na ca. 1700 alleen een huis, dat later bekend kwam te staan als de uitspanning Keerweer.23 In 1897 werd het huis eigendom van de heer Kern, directeur van naastgelegen waskaarsenfabriek. Op dat moment is de transformatie van de Schagerlaan naar Ruysdaelstraat, zoals de laan vanaf 1879 heet, reeds aan de gang (afb. 6).

6 Ruysdaelstraat 89 lag in 1902 op het nieuwe stadspeil, terwijl de Schagerlaan op de achtergrond nog op het oorspronkelijk polderpeil lag (SAA).

22 23

Joustra-Schumacher1995, 24. Kooij 1995 II, 108.

17

Gemeente Amsterdam

3.3.7

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

Verstedelijking

Tot in de late 19de eeuw maakte het plangebied deel uit van het buitengebied van Amsterdam. Hier kwam verandering in omstreeks 1878, toen de zone buiten de Singelgracht werd vrijgemaakt van bebouwing om plaats te maken voor de bouw van het Rijksmuseum en de Museumbuurt. De verstedelijking van het plangebied zette zich in hoog tempo voort na de annexatie van delen van de gemeente Nieuwer-Amstel door Amsterdam in 1896.24 In de eerste decennia van de 20ste eeuw werd ook het zuidelijk deel van het plangebied geschikt gemaakt voor bewoning door het met grote hoeveelheden zand op te hogen naar stadspeil. Van het prestedelijk landschap bleef op deze manier alleen het Schapenburgerpad in de nieuwe stadsplattegrond behouden (afb. 7). Bij de uitvoering van het Plan Berlage in 1924 werd ook het zuidelijk deel van het plangebied op stadspeil gebracht en de Boerenwetering en Singelgracht gekanaliseerd (afb. 8). Doordat het de Boerenwetering en de Singelgracht nu beide op stadspeil waren gebracht, waren de sluis en overhaal tussen de twee vaarwegen overbodig en werden deze verplaatst naar de zuidelijker gelegen Haringvlietstraat.25

7 Het onderzoeksgebied (rood omlijnd) op de kaart van Scheltema, 1900 (SAA)

24 25

Kooij 1995 III, 128. Jansen 1965, 15.

18

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

8 Het onderzoeksgebied (blauw omlijnd) op de kaart van Publieke Werken, 1929 (SAA)

19

Gemeente Amsterdam

3.4

Archeologische inventarisatie

3.4.1

Archeologische Monumentenkaart

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

Binnen het plangebied zijn volgens de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geen archeologische monumenten aangewezen. Wel overlapt het plangebied met twee zones van archeologische (verwachtings)waarde: de Amsterdamse binnenstad en voorstedelijke bebouwing (AMK-nr’s. 14611 en 14613 afb. 9). De Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de Provincie Noord-Holland komt overeen met het AMK-kaartbeeld. De verwachtingen op deze kaarten zijn algemeen van aard en dienen in het geval van planvorming nader te worden uitgewerkt. Een inhoudelijke en ruimtelijke specificatie van de archeologische verwachtingen volgt in hoofdstuk 4.

9 Het onderzoeksgebied (rood omlijnd) op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK), met in oranje de zones met een hoge archeologische (verwachtings)waarde (RCE)

3.4.2

Vindplaatsen

In het plangebied zijn vier archeologische veldonderzoeken uitgevoerd. Daarnaast zijn in de nabije omgeving veldonderzoeken uitgevoerd die indicatief zijn voor de archeologische verwachting binnen het plangebied (afb. 10). De resultaten van deze onderzoeken dienen hier als toets van de veronderstelde bewoningsgeschiedenis van het plangebied, en bieden bovendien een inzicht in de aard, kwaliteit en diepteligging van de archeologische resten die in het plangebied zijn te verwachten. De vindplaatsen worden hieronder kort beschreven.

20

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

10 Het onderzoeksgebied (rood omlijnd) en de vindplaatsen (donkerrood)

Amstelveenseweg 96-104 (AVW) Bij een opgraving van een perceel langs de Amstelveenseweg in 1998 werd de aanzet van een terp aangetroffen die vanaf het einde van de 12de eeuw tot in de 15de eeuw in gebruik is geweest (afb. 11). Uit de vroegste fase van de terp dateerde ook een deel van de terpsloot. In een brede sloot uit de tijd van de boerderij was veel huisraad aanwezig zoals kookpotten, Italiaans aardewerk, steengoed kannen, tinnen lepels en een poppenbedje van aardewerk. De terpophogingen werden afgedekt door de resten van een 17de-eeuwse driebeukige, bakstenen boerderij.26 Amstelveenseweg/Eosstraat: Frans Ottenstadion (AVW1) In 2004 is voorafgaand aan de nieuwbouw op de plek van het voormalige Frans Ottenstadion een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Uit zeven proefputten werd duidelijk dat het oorspronkelijke historische loopvlakniveau waarin archeologische sporen aanwezig konden zijn over het gehele terrein ontbrak. Of het oorspronkelijke historische maaiveld van het agrarische weidegebied was afgegraven voordat het terrein werd opgespoten, of dat het door de druk van het omvangrijke pakket zand onherkenbaar was samengeperst, kon niet worden vastgesteld.27

26 27

Baart 1999, 337. Gawronski & Veerkamp 2007.

21

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

11 Ophogingslagen van een middeleeuwse huisplaats aan de Amstelveenseweg (vindplaats AVW)

Amstelveenseweg 122 (AVW2) In 2015 werd een Inventariserend Veldonderzoek uitgevoerd op het plangebied Schinkelhaven, gelegen tussen de Schinkel en de Amstelveenseweg. Uit de bodemopbouw en vondsten bleek dat het terrein in 1725-1750 voor het eerst werd opgehoogd (van NAP -2,20 m tot NAP -0,6 m). Na de ophoging is een sloot parallel aan de Amstelveenseweg aangelegd, hetgeen wijst op de noodzaak van een goede afwatering. Mogelijk verklaart de drassigheid van de ondergrond de relatief late ontwikkeling van het gebied langs de Schinkel.28 Ruysdaelstraat (RUY) In 2018 is een archeologische begeleiding uitgevoerd op Ruysdaelstraat 77-89. Onder het 19deeeuws ophogingszand, op NAP -3 m, lag een 17de/18de-eeuwse ophoging van klei en zand die vermoedelijk samenhangt met de aanleg van moestuinen langs de Schagerlaan, zoals te zien op de kaart van Drogenham van rond 1700. Onder het ophogingspakket van de moestuin bevond zich een overstromingslaag bovenop een pakket verslagen veen. De bodem van de bouwput bestond uit kleiig veen met natuurlijke houtresten (afb. 12).29 J. M. Coenenstraat 19 (COE) Bij de aanleg van een vijver achter J. M. Coenenstraat 19 in 1998 werd melding gedaan van de vondst van botmateriaal. Het bleek te gaan om een kaak van een grijze zeehond, die moet zijn meegekomen met het zand dat in 1915 voor de ontwikkeling van de woonbuurt is opgespoten. 28 29

Gawronski & Veerkamp 2016. Rapport MenA in voorbereiding.

22

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

12 Ophogingslagen van een 17de/18de-eeuwse moestuin op de natuurlijke veenbodem (vindplaats RUY)

Hobbemakade 30 (HOB) Een archeologische begeleiding van nieuwbouw op de Hobbemakade 30 in 2019 richtte zich op eventuele resten van de bijgebouwen van de 19de-eeuwse waskaarsenfabriek. De top van het natuurlijk veen lag tussen NAP -2,70 m tot -2,90 m en was afgedekt met een antropogeen pakket van maximaal 15 cm tot 40 cm dik met baksteenpuin, mortel en (19de-eeuwse) keramiekfragmenten. Elders in de werkput bestond het eerste ophogingspakket op het veen uit een 30-40 cm dikke laag teelaarde met diverse keramiekresten die kan worden toegeschreven aan de 17de/18de-eeuwse moestuinen van voor de 19de-eeuwse uitbreidingen van de Waskaarsenfabriek.30

30

Archief MenA.

23

Gemeente Amsterdam

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

Boerenweteringgarage (RUY1) Vanwege de voorgenomen aanleg van een parkeergarage in de Boerenwetering tussen de Eerste Jacob van Campenstraat en de Albert Cuypstraat is een Inventariserend Veldonderzoek uitgevoerd naar de eventuele aanwezigheid van vondstconcentraties in de waterbodem. Het onderzoeksgebied bestreek 315 m van het slibtalud langs beide kadekanten (de Hobbema- en Ruysdaelkade). Op één locatie, die volgens kaartprojecties in het kader van dit bureauonderzoek in het tracé van het prestedelijk deel van de waterloop was gelegen, leverde een sondering van de waterbodem met een baggerschip een hoge concentratie vondsten op, bestaande uit een afvalstort van glas, keramiek en slachtafval (afb. 13d) uit de periode 1625-1675, die waarschijnlijk afkomstig was van één of meerdere woonhuizen die langs de Boerenwetering hebben gestaan (afb. 13).31

13 Afval van de 17de-eeuwse bewoners langs de Boerenwetering: a. divers gebruiksaardewerk b. rookpijpen c. glazen drinkgerei d. tinnen lepel van omstreeks 1600 e. slachtafval

31

Gawronski & Veerkamp 2017.

24

Gemeente Amsterdam

3.4.3

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

Bodemopbouw

Het grootste deel van de ontwikkelde terreinen in de Binnendijkse Buitenveldersepolder, zoals de Schagerlaan, lag voorafgaand aan de verstedelijking op het polderpeil van NAP – 1,75 m.32 Vanaf dit niveau, op ca. 2,25 m onder het huidige maaiveld kunnen eventuele bouwresten voorkomen van gebouwen die voorafgaand aan de laat 19de-eeuwse/vroeg 20ste-eeuwse ophogingen zijn gesloopt. Wel heeft archeologisch onderzoek binnen het plangebied uitgewezen dat het prestedelijke maaiveld ten gevolge van zetting aanzienlijk dieper is komen te liggen, vanaf ca. NAP -2 m. Sommige terreinen, zoals het molenpark van de Mennonietensloot en – blijkens archeologisch onderzoek – de bewoonde percelen langs de Amstelveenseweg lagen hoger dan het polderpeil, rond NAP -0,5 m. Tegenwoordig ligt het maaiveld van het plangebied gemiddeld op ca. NAP +0,5 m. Dit betekent dat eventuele archeologische cultuurlagen binnen het plangebied zijn afgedekt door een ophogingspakket dat in dikte varieert van plaatselijk ca. 1 m tot meer dan 2,5 m op de meeste locaties.

Archeologisch onderzoek naar waterbodems in Amsterdam heeft aangetoond dat eventuele resten in historische vaarwegen zoals de Boerenwetering direct beneden de onderhoudsdiepte in de slibbodem aanwezig zijn.33 Wat betreft de gedempte delen van de Singelgracht de doorvaartdiepte van de resterende delen van de Singelgracht (NAP - 2,70 m) aangehouden als niveau waarop archeologische resten in de vroegere waterbodem kunnen worden verwacht.34 Op verschillende plaatsen binnen het plangebied is het oorspronkelijke polderpeil vergraven, waardoor ter plekke geen archeologische resten worden verwacht. Hiertoe behoren de in de late 19de eeuw gegraven delen van de Boerenwetering. Hetzelfde geldt voor bouwlocaties die na archeologisch veldonderzoek zijn vrijgegeven voor bouwontwikkeling.

3.5

Conclusie: verwachtingsmodel

Op basis van de historisch-geografische en archeologische inventarisatie zijn binnen het plangebied materiële overblijfselen te verwachten die samenhangen met bewoning van de Binnendijkse Buitenveldersepolder vanaf de 12de eeuw. Een hoge verwachting geldt voor locaties waar prestedelijke bewoning historisch is aangetoond. Een eveneens hoge verwachtingswaarde, zij het met een wijdere spreiding, geldt voor de rest van de ca. 75 m-zone langs de Amstelveenseweg, waar bewoningssporen kunnen voorkomen in de vorm van middeleeuwse huisterpen, en langs de Boerenwetering, waar vanaf de late 17de-eeuw relatief dichte voorstedelijke bebouwing ontstond. In de waterbodems van de oorspronkelijke delen van de Boerenwetering en de gedempte Singelgracht kunnen resten van het transport over deze vaarwegen en van afval van activiteiten op de oever aanwezig zijn. 32

Uit de bouwtekening van Ruysdaelstraat 45-51 uit 1879 blijkt dat het polderpeil op 1,75 m – NAP lag. Zie Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Gemeente Nieuwer-Amstel: bouw- en woningtoezichtdossiers: ontwerptekening met opstanden van de voor- en achtergevels, plattegronden, doorsnede en balkgronden voor het bouwen van vier woonhuizen op de percelen Schagerlaan, Kad. sectie B, nos. 974, 975 en 976 te Nieuwer-Amstel (Ruysdaelstraat 45-51). Afbeeldingsbestand 005403000279. Het zomerpeil van de Binnendijkse Buitenvelderse Polder lag gemiddeld op 1,90 m – NAP, zie polderkaart van Hoekwater uit 1901. 33 Gawronski & Veerkamp 2017. 34 De doorvaartprofieldiepte is hier door Dienst Binnenwaterbeheer vastgelegd op 2,20 – NAP. Daar dient echter 0,30 m kielspeling en 0,20 á 0,25 m onderhoudsdiepte bij te worden opgeteld (Persoonlijke mededeling L. Keser, Beheerder Waterlopen, Waternet).

25

Gemeente Amsterdam

4

BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt

Archeologische verwachtingskaart

Op basis van de historisch-geografische inventarisatie (hoofdstuk 3) zijn binnen het onderzoeksgebied Museumkwartier en Valeriusbuurt materiële overblijfselen te verwachten die samenhangen met de ontginnings- en gebruiksgeschiedenis van de Binnendijkse Buitenveldersepolder vanaf de 12de eeuw. Dit leidt tot een verwachtingskaart voor het plangebied met acht zones. A: Huis- en buitenplaatsen Betreft de prestedelijke boerderijen, huis- en buitenplaatsen langs de Amstelveenseweg, Singelgracht, Boerenwetering en Schagerlaan die op historische kaarten zijn aangegeven. Restanten hiervan betreffen onder meer (terp)ophogingslagen, erfafscheidingen, houten en bakstenen funderingen, concentraties van huishoudelijk afval en productieafval. De verwachting is daarmee hoog. B: Bewoningszones Amstelveenseweg en Boerenwetering In een 75 m-zone langs de Amstelveenseweg en Boerenwetering kunnen sporen voorkomen van prestedelijke bewoning vanaf de 12de/13de eeuw. De verwachte archeologische resten komen overeen met zone A, maar hebben een lagere trefkans. C: Vroege industrie De Mennonietensloot (1668) was tot in de 19de eeuw een dichtbebouwd prestedelijk industriegebied met zeven molens en talrijke werkplaatsen. Archeologische resten hiervan kunnen bestaan uit ophogingen van de molenwerven, houten en bakstenen funderingen van molens, bijgebouwen en herbergen, afvalkuilen en losse vondsten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13476819/1