CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit 2023-187E herstelbesluit BP Museumkwartier–Valeriusbuurt - toelichting

RAAD 9 november 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het herstelbesluit bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022 VN2023-01984740.203 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Deze krijgen een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. De vestiging van winkels, dienstverleners en bedrijven is niet meer bij rechte toegestaan. Hotels in de De Lairessestraat krijgen een gecombineerde woon- en hotelbestemming. Maatschappelijke voorzieningen in de De Lairessestaat krijgen een maatschappelijke bestemming. De andere toegestane functies komen te vervallen. 4. De bestemming van de niet-woonfuncties in de Jacob Obrechtstraat (tussen de Van Eeghenstraat en de De Lairessestraat) en de niet-woonfuncties in de Emmastraat (tussen de Willemsparkweg en de De Lairessestraat) wordt verruimd. Op de begane grond worden detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, galeries, kleine kantoren en kleinschalige bedrijvigheid toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca wordt positief bestemd. Voor alle niet-woonfuncties geldt een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging.

Gemeente Amsterdam

blz. 72

3.3.4

Valeriusbuurt

In vergelijking met de andere plandelen staat de woonfunctie hier meer centraal. De buurt kent net zoals de andere buurten een redelijke mate van functiemenging. Het verschil is echter dat veel niet-woonfuncties in de Valeriusbuurt meer buurtgericht zijn. Ook zijn er minder horecagelegenheden. Langs de Hendrik Jacobszstraat, bij de kruising Valeriusplein/ Koninginneweg en langs de Cornelis Krusemanstraat zijn drie kleine clusters met buurtgerichte voorzieningen aanwezig. De voorzieningen aan de oostzijde van de Amstelveenseweg en op de kop van de Koninginneweg maken onderdeel uit van het wijkwinkelgebied Amstelveenseweg – Zeilstraat – Hoofddorpplein en hebben een groter verzorgingsgebied. Deze panden krijgen in het nieuwe bestemmingsplan dezelfde bestemming als de panden in het wijkwinkelgebied Hoofddorpplein – Zeilstraat – Amstelveenseweg. Detailhandel en consumentgerichte dienstverlening zijn bij rechte toegestaan op de begane grond, wonen op de etages. Woningen op de begane grond en andere niet-woonfuncties worden met een aanduiding bestemd. De bestemming van de buurtvoorzieningenclusters aan de Hendrik Jacobszstraat, bij de kruising Valeriusplein/ Koninginneweg en aan de Cornelis Krusemanstraat wordt in het nieuwe bestemmingsplan verruimd.

Naast winkels, dienstverlening en bedrijven worden hier ook maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleinschalige bedrijvigheid toegelaten. Enerzijds worden hiermee de overlevingskansen van deze clusters vergroot, nu de vraag naar winkelruimtes afneemt. Anderzijds worden de vestigingsmogelijkheden voor maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleinschalige bedrijvigheid vergroot. De kantoren en andere niet-woonfuncties in het westelijk deel van de De Lairessestraat krijgen dezelfde bestemming als de kantoren en andere niet-woonfuncties in het oostelijk deel van deze straat. Voor de motivering wordt verwezen naar hoofdstuk 3.3.3. Uitgangspunten Valeriusbuurt 1. De panden langs de Amstelveenseweg en de kop van de Koninginneweg (tussen de Amstelveenseweg en de Saxen Weimarlaan) krijgen dezelfde bestemming als de wijkwinkelstraten in het bestemmingsplan Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt. In alle panden wordt detailhandel en consumentgerichte dienstverlening toegestaan op de begane grond. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Andere niet-woonfuncties en bestaande woningen op de begane grond worden positief bestemd. Voor alle niet-woonfuncties geldt een maximaal bvo van 300 m2 per vestiging. 2. De bestemming van de voorzieningenclusters in de Hendrik Jacobszstraat, bij de kruising Koninginneweg/ Valeriusplein en in de Cornelis Krusemanstraat wordt verbreedt.

Op de begane grond worden detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleinschalige bedrijvigheid toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca-inrichtingen worden positief bestemd. Voor alle niet-woonfuncties geldt een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. 3. De panden aan de zuidzijde van de Koninginneweg worden op dezelfde wijze bestemd als de panden aan de Willemsparkweg (m.u.v. de kop van de Koninginneweg. Dit wordt toegelicht in hoofdstuk 3.3.3). Alle woningen krijgen de bestemming Wonen. Alle kantoren krijgen een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. Alle maatschappelijke voorzieningen krijgen een maatschappelijke bestemming. De overige niet-woonfuncties op de begane grond krijgen een gemengde bestemming. Op de begane grond worden detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleinschalige bedrijvigheid toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca-inrichtingen worden positief bestemd. In de panden met een gemengde bestemming geldt voor alle niet-woonfuncties een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging.

bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 73

3.3.5

Overige uitgangspunten voorzieningenclusters

Een groot deel van de niet-woonfuncties in de woonstraten heeft in het huidige bestemmingsplan een gemengde bestemming. Detailhandel, bedrijf en dienstverlening (m.u.v. zakelijke dienstverlening) zijn bij rechte toegestaan in de plint. De overige functies (maatschappelijke voorzieningen, zakelijke dienstverlening, kantoor, horeca, hotel) zijn alleen toegestaan waar dit met een aanduiding is aangegeven dan wel waar de betreffende bestemming geldt. In het huidige bestemmingsplan is ervoor gekozen om in deze panden geen wonen en kantoor op de begane grond toe te staan. Op deze manier moet de trend dat buurtwinkels worden omgezet naar een woning of kantoor worden tegengegaan. Voor de winkelstraten, stadsstraten en buurtwinkelstrips is het behoud van winkels nog steeds actueel. Het is echter niet nodig om solitaire winkels en dienstverleners in de woonstraten te beschermen. Het detailhandelsbeleid is er op gericht om geen losstaande winkels mogelijk te maken, maar winkels juist te concentreren in winkelstraten en stadsstraten. Ook consumentgerichte dienstverlening wordt bij voorkeur geconcentreerd in de winkelstraten en stadsstraten. De gebruiksrechten voor de niet-woonfuncties in de woonstraten worden daarom herzien.

De gebruiksrechten voor detailhandel en consumentgerichte dienstverlening komen te vervallen, uitgezonderd de panden waar al een winkel of dienstverlener is gevestigd. Er wordt juist ruimte geboden voor functies die bijdragen aan het gemengde woon-werkmilieu, maar minder goed passen in de winkelstraten zoals maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleine bedrijven. Daarnaast wordt ook wonen op de begane grond toegestaan. In 2018 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan winkeldiversiteit Centrum vastgesteld. Hierin is bepaald dat in het centrum geen nieuwe winkels zijn toegelaten die zich uitsluitend op toeristen richten. Het stadsbestuur wil dit brancheringsinstrument uitbreiden naar de hele stad om een monocultuur in het winkelaanbod tegen te gaan. In de gebiedsagenda wordt geconstateerd dat in Oud-Zuid steeds meer winkels verschijnen die gericht zijn op toeristen. In sommige straten dreigt hierdoor een monocultuur te ontstaan. Ongewenste vormen van detailhandel en dienstverlening, zoals massagesalons, belwinkels en toeristenwinkels worden daarom uitgesloten. Overige uitgangspunten voorzieningenclusters 1. Panden in de woonstraten met een niet-woonfunctie op de begane grond en woningen op de etages krijgen een gemengde bestemming. In deze panden worden op de begane grond maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan.

Wonen wordt toegestaan op alle bouwlagen. Voor alle niet-woonfuncties geldt een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. Bestaande winkels, consumentgerichte dienstverleners en horecazaken worden positief bestemd. 2. De volgende vormen van detailhandel en dienstverlening worden uitgesloten: toeristische voorziening, automatenhal, belwinkel, geldwisselkantoor, seksinrichting, smartshop, shishalounge en massagesalon. Bestaande, legale vestigingen worden positief bestemd.

3.4

Uitgangspunten gebruiksmogelijkheden

In deze paragraaf hoofdstuk worden de uitgangspunten voor de gebruiksmogelijkheden van niet-woonfuncties beschreven. Indien gebiedspecifieke kenmerken hiertoe aanleiding geven, wordt er een afweging op maat gemaakt. In dit hoofdstuk worden geen uitgangspunten voor detailhandel en consumentgerichte dienstverlening opgenomen. De uitgangspunten voor detailhandel en consumentgerichte dienstverlening zijn reeds bij de uitgangspunten voor het voorzieningenaanbod beschreven.

Gemeente Amsterdam

blz. 74

3.4.1

Maatschappelijke voorzieningen

De vastgoedprijzen behoren in dit plangebied tot de hoogste van de hele stad. Hierdoor staan minder kapitaalkrachtige niet-woonfuncties onder druk. Gemeente en bewoners delen de wens om het huidige aanbod aan maatschappelijke voorzieningen te behouden. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om maatschappelijke voorzieningen te beschermen. Panden die geheel in gebruik zijn als maatschappelijke voorziening hebben in het huidige bestemmingsplan de bestemming Maatschappelijk. Hierdoor wordt voorkomen dat maatschappelijke functies worden omgezet naar functies die meer geld opleveren, zoals bijvoorbeeld woningen. Deze panden krijgen in het nieuwe bestemmingsplan ook een maatschappelijke bestemming. Er zijn ook maatschappelijke voorzieningen gevestigd op de begane grond van panden met een gemengde bestemming. Het huidige bestemmingsplan maakt het mogelijk om deze maatschappelijke voorzieningen om te zetten naar een andere niet-woonfunctie. De wens is om deze maatschappelijke voorzieningen beter te beschermen. Er moet worden voorkomen dat ze worden verdrongen door functies die meer huur opleveren. Daarom wordt ervoor gekozen om deze panden in het nieuwe bestemmingsplan in beginsel een maatschappelijke bestemming te geven. Er wordt een uitzondering gemaakt voor de winkelstraten.

Hier krijgen maatschappelijke voorzieningen op de begane grond een gemengde bestemming en kunnen deze voorzieningen dus worden omgezet naar een andere niet-woonfunctie. Het detailhandelsbeleid is erop gericht om winkels en consumentgerichte dienstverlening te clusteren in de winkelstraten en stadsstraten. Veel maatschappelijke voorzieningen hebben geen publieksgerichte uitstraling en dragen niet bij aan het uitwisselingsmilieu dat wordt nagestreefd in de winkelstraten. In de winkelstraten wordt aan het behoud en versterken van het uitwisselingsmilieu een zwaarder gewicht toegekend dan aan het behoud van maatschappelijke voorzieningen. Overigens is in dit plangebied het merendeel van de maatschappelijke voorzieningen buiten de winkelstraten gevestigd. Binnen de maatschappelijke bestemming wordt kinderdagopvang toegestaan. Het gebruik van de tuin als (wettelijk verplichte) buitenruimte kan tot overlast leiden voor omwonenden. Het geluid van spelende kinderen doorbreekt de stilte in de binnentuinen. Het beleid is juist gericht op het creëren of intact houden van een stille zijde aan de achterzijde als compensatie voor de stedelijke levendigheid aan de voorzijde van de woningen. Daarom zal er in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan een binnenplanse afwijking worden opgenomen om een buitenruimte voor een kinderdagverblijf op een binnenterrein te kunnen realiseren.

Er kan alleen een afwijking worden verleend indien dit niet tot onevenredige geluidsoverlast voor de omliggende woningen leidt. De criteria hiervoor worden uit andere bestemmingsplannen in stadsdeel Zuid overgenomen. Uitgangspunten maatschappelijke voorzieningen 1. Panden die geheel in gebruik zijn als maatschappelijke voorziening krijgen maatschappelijke bestemming en kunnen niet worden omgezet naar een andere functie. Het vloeroppervlak van deze maatschappelijke voorzieningen wordt niet gelimiteerd. 2. Maatschappelijke voorzieningen die zijn gevestigd op de begane grond van een winkelstraat krijgen een gemengde bestemming. Op deze locaties is uitwisseling tussen maatschappelijke voorzieningen en andere niet-woonfuncties op de begane grond mogelijk. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. 3. Maatschappelijke voorzieningen die zijn gevestigd op de begane grond van overige straten krijgen een gecombineerde woon- en maatschappelijke bestemming. Op de begane grond is een maatschappelijke voorziening toegestaan. Deze mag niet worden omgezet naar een andere niet-woonfuncties. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen.

bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 75

4. Er wordt een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor de vestiging van nieuwe kinderdagverblijven. Deze worden alleen toegestaan indien er geen onevenredige geluidsoverlast ontstaat op het binnenterrein van het betreffende bouwblok.

Particuliere zorgklinieken In het plangebied bevinden zich diverse particuliere zorgklinieken. Een aantal van deze klinieken biedt medisch noodzakelijke zorg, die in beginsel gewoon wordt vergoed door de zorgverzekeraar (mits die uiteraard een contract heeft met de kliniek). Maar er zijn ook een aantal klinieken die gespecialiseerd zijn in cosmetische behandelingen zoals plastische chirurgie. Dit is, enkele uitzonderingen daargelaten, doorgaans medisch niet-noodzakelijke zorg, die dan ook niet in aanmerking komt voor een vergoeding door de zorgverzekeraar. Medische en zorgfuncties zijn maatschappelijke voorzieningen. Maatschappelijke voorzieningen dienen een publiek belang en moeten daarom toegankelijk zijn voor alle burgers. Om die toegankelijkheid te waarborgen is het van belang dat er in alle wijken voldoende maatschappelijke voorzieningen aanwezig zijn. Omdat maatschappelijke dienstverleners geen winstoogmerk hebben, kunnen zij minder hoge markthuren betalen dan sommige commerciële bedrijven. De gemeente wil voorkomen dat maatschappelijke voorzieningen uit populaire wijken worden weggeconcurreerd door bedrijven met een winstoogmerk omdat ze minder hoge markthuren kunnen betalen. Panden waarin maatschappelijke voorzieningen zijn gevestigd, krijgen daarom een maatschappelijke bestemming.

In deze panden kunnen zich geen kantoren, bedrijven, dienstverleners of winkels vestigen. Of een particuliere zorgkliniek wordt aangemerkt als een maatschappelijke voorziening, hangt af van het type zorg dat wordt aangeboden. Indien een kliniek hoofdzakelijk medisch noodzakelijke zorg aanbiedt dan dient deze een publiek belang. Omdat de geboden zorg in beginsel wordt vergoed door de zorgverzekeraar is de kliniek toegankelijk voor alle burgers. Particuliere zorgklinieken die medisch niet-noodzakelijke zorg aanbieden (hierna: privéklinieken), zoals bijvoorbeeld plastische chirurgie, dienen echter geen publiek belang. Er is daarom geen noodzaak om dit soort voorzieningen te beschermen tegen hoge markthuren. Het toekennen van de maatschappelijke bestemming aan privéklinieken vormt juist een risico. Omdat wordt aangenomen dat privéklinieken een hogere huur kunnen betalen, ontstaat juist het risico dat ze andere maatschappelijke voorzieningen wegconcurreren. Dat is een reden om privéklinieken juist geen maatschappelijke bestemming te geven. Een privékliniek valt echter wel binnen de definitie van maatschappelijke dienstverlening. Plastische chirurgie en andere cosmetische ingrepen zijn een vorm van medische zorg, die wordt verricht door medisch-specialisten.

Hoewel er sprake is van commerciële dienstverlening aan consumenten, kan een privékliniek niet worden aangemerkt als een vorm van consumentgerichte dienstverlening. Een privékliniek heeft doorgaans geen publieksgerichte karakter. Het is geen voorziening die gericht is op het langslopend publiek en waarbij het publiek rechtstreeks of via een balie te woord wordt gestaan en/of geholpen. Om die reden worden privéklinieken planologisch gezien wel toegelaten binnen de bestemming Maatschappelijk. Omdat ze planologisch echter niet beschermd worden, krijgen ze in beginsel een kantoorbestemming. Binnen deze bestemming zijn kantoren en maatschappelijke dienstverlening bij rechte toegestaan. Een privékliniek die is gevestigd in de begane grond van een pand met daarboven woningen, krijgt de bestemming Gemengd-4 of Gemengd-5, al naar gelang het type straat waar de kliniek is gevestigd. Gemeente Amsterdam

blz. 76

3.4.2

Horeca

In het huidige bestemmingsplan zijn diverse wijzigingsbevoegdheden opgenomen om het aantal hotels en horeca-vestigingen uit te breiden. De wijzigingsbevoegdheden om nieuwe hotels te vestigen komt te vervallen. Het gehele plangebied is in het overnachtingenbeleid aangewezen als 'nee-gebied'. Dit betekent dat zich hier geen nieuwe hotels mogen vestigen. In het nieuwe bestemmingsplan worden evenmin nieuwe horecavestigingen toegelaten. In de meeste buurten is voldoende kwalitatief goede horeca aanwezig. Het draagvlak om het aantal horecavestigingen uit te breiden lijkt beperkt. Uit de mini-enquête blijkt dat de meerderheid van de bewoners (ruim 60 %) vindt dat het huidige horeca aanbod precies goed is. Elk stadsdeel heeft op dit moment nog zijn eigen horecabeleid. De gemeente Amsterdam wil daarom een nieuw stedelijk beleidskader horeca en terrassen opstellen. De nota van uitgangspunten voor dit beleidskader wordt naar verwachting in de loop van 2020 vastgesteld. Het is nog niet bekend wanneer het nieuwe horecabeleid in werking zal treden. Nu de ambities uit het huidige horecabeleid worden geactualiseerd, wil het Dagelijks Bestuur in het nieuwe bestemmingsplan niet op de zaken vooruit lopen. Daarom worden de bestaande horecavestigingen conform het huidige gebruik te bestemmen en worden er geen nieuwe horecavestigingen mogelijk gemaakt.

De huidige horeca categorieën komen naar alle waarschijnlijkheid in het nieuwe horecabeleid te vervallen. In het nieuwe horecabeleid worden inrichtingen ingedeeld op grond van de activiteiten van de horecazaak en de overlast die deze activiteiten met zich meebrengen. Hierdoor kan er meer maatwerk worden toegepast. In het nieuwe bestemmingsplan worden vooralsnog de huidige horeca-categorieën gebruikt. De nieuwe indeling kan pas worden toegepast wanneer het nieuwe horecabeleid is vastgesteld. Mogelijk moet het bestemmingsplan na de vaststelling van het nieuwe horecabeleid op dit punt worden geactualiseerd. Daarover is nu echter nog geen uitsluitsel te geven. Dat het bestemmingsplan geen ruimte biedt voor nieuwe horecavestigingen betekent overigens niet dat helemaal geen ruimte is om nieuwe horeca toe te staan. Het gemeentelijke beleid biedt namelijk wel ruimte voor nieuwe horeca in dit plangebied. In de structuurvisie staat dat het wenselijk is dat zich rond het Museumplein en in de verbindende straten richting de Pijp meer publieksgerichte voorzieningen vestigen: winkels, galeries en vooral meer restaurants, grand cafés en brasserieën. Ook het horecabeleid van Stadsdeel Zuid biedt ruimte om op een aantal plekken in het plangebied nieuwe horeca te vestigen. Horeca kan bijdragen aan een kwaliteitsimpuls van de voorzieningenclusters.

In sommige voorzieningenclusters is sprake van een goede mix tussen horeca, winkels en andere voorzieningen. Maar in andere voorzieningenclusters is te weinig horeca aanwezig en/of ontbreekt het aan een kwalitatief goed aanbod. Zo is in de P.C. Hooftstraat bijvoorbeeld ruimte voor nieuwe daghoreca ter ondersteuning van de winkelfunctie. Er dient echter een afweging op maat plaats te vinden over de vraag of het wenselijk is om een nieuwe horeca-inrichting op een bepaalde locatie toe te staan. Dit hangt onder meer samen met het voorgestelde horecaconcept. Daarbij moet o.a. worden afgewogen of een horeca-inrichting daadwerkelijk iets toevoegt aan het voorzieningenaanbod en hoe dit zich verhoudt tot de bestaande functies in de omgeving. Tevens dient te worden beoordeeld welke impact het horecaconcept heeft op het woon- en leefklimaat en welke uitstraling het concept heeft. Tenslotte moeten er indien nodig voorwaarden worden gesteld om overlast voor omwonenden te voorkomen.

bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 77

Indien het stadsdeel wil meewerken aan een nieuwe horeca-inrichting, dient er daarom een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan plaats te vinden. Met een buitenplanse afwijking is het namelijk makkelijker om op maat gemaakte voorwaarden te stellen aan het horecaconcept. Coffeeshops Coffeeshops vormen een aparte categorie horeca-inrichtingen waarvoor een specifieke exploitatievergunning wordt verleend. Coffeeshops vallen planologisch gezien onder horeca categorie IV (restaurant, lunchroom, koffie- of theehuis). De verkoop van hasj wordt niet in een bestemmingsplan vastgelegd, maar via de APV gereguleerd. Indien een coffeeshops zijn deuren sluit, is in het betreffende pand horeca-exploitatie mogelijk binnen de geldende horecacategorie. Uitgangspunten horeca 1. De bestaande, legale horecavestigingen worden positief bestemd. Het bestemmingsplan biedt geen ruimte voor nieuwe horecavestigingen. 2. Horeca inrichtingen krijgen een maximale vestigingsgrootte van 300 m2. Bestaande legale vestigingen groter dan 300 m2 worden positief bestemd. 3. Zwaardere horeca categorieën mogen worden omgezet naar lichtere. Lichtere horeca-categorieën mogen niet worden omgezet naar zwaardere. 4. Mengformules worden bij rechte toegestaan in detailhandel. Maximaal 20 % van het verkoopvloeroppervlak mag worden gebruikt voor horeca tot maximaal 20 m2. 5.

Bestaande gedoogde coffeeshops worden bestemd als de lichtste horeca categorie.

3.4.3

Kantoren

De uitgangspunten voor kantoren zijn samengesteld uit de uitgangspunten zoals verwoord in de Nota van Uitgangspunten en de later vastgestelde notitie 'Aanvullende uitgangspunten bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt'. In het Museumkwartier en de Valeriusbuurt zijn veel bedrijven uit de zakelijke dienstverleningssector gevestigd. Vaak zijn deze bedrijven gevestigd in voormalige villa's en herenhuizen die tot kantoor zijn omgebouwd. Een concentratie van kantoorpanden is te vinden in o.a. de De Lairessestraat, de J.J. Viottastraat, de Willemsparkweg, de Paulus Potterstraat en de Johannes Vermeerbuurt. Het economisch beleid van de gemeente Amsterdam is erop gericht om de gemengde woon-werkmilieus in de wijken binnen de ring A10 te behouden en waar mogelijk te versterken. Bedrijven uit de hedendaagse kenniseconomie vestigen zich graag in gemengde woon-werkmilieus. De aanwezigheid van kantoorruimte en goede publieksgerichte voorzieningen dragen bij aan de aantrekkingskracht van wijken als vestigingsmilieu voor bedrijven uit de kenniseconomie. Omdat deze bedrijven geen hinder voor de omgeving veroorzaken, kunnen zij zich zonder problemen vestigen in wijken waar ook wordt gewoond. De gemeente Amsterdam onderscheidt een aantal typen gemengde woon-werkmilieus.

Het Museumkwartier en de Valeriusbuurt maken onderdeel uit van het 'internationale topmilieu' dat zich in de stadsdelen Centrum en Zuid bevindt. Het internationale topmilieu kenmerkt zich door hoogwaardige, goed bereikbare locaties, geschikt voor de vestiging van internationale kantoren, met in de omgeving een groot aanbod aan stedelijke voorzieningen. De beschikbare ruimte voor kantoren in Oud-Zuid is de afgelopen jaren echter afgenomen. Veel kantoren zijn bijvoorbeeld omgebouwd tot hotels en appartementen. De gemeente ziet daarom in Oud-Zuid ruimte Gemeente Amsterdam

blz. 78

voor de uitbreiding van het aanbod aan kantoren. In het huidige bestemmingsplan mogen kantoren een maximaal vloeroppervlak van 300 m2 hebben. Deze limitering is achterhaald en komt daarom te vervallen. Ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan was het kantorenbeleid erop gericht om de kantorenleegstand terug te dringen. Dit beleid is achterhaald. Het uitgangspunt van het nieuwe kantorenplan 2019 – 2025 is om binnen de ring A10 functiemenging te stimuleren en ruimte te bieden aan kantoren. Het limiteren van het vloeroppervlak van kantoorpanden past niet bij deze ambitie. In het huidige bestemmingsplan hebben alle kantoren een gemengde bestemming. Op de begane grond van deze panden zijn in de meeste gevallen detailhandel, dienstverlening en bedrijven bij rechte toegestaan, op de verdiepingen zijn woningen toegestaan. De gebruiksrechten voor detailhandel, dienstverlening en bedrijven van deze kantoorpanden komen in het nieuwe bestemmingsplan te vervallen. In het Amsterdamse detailhandelsbeleid is namelijk bepaald dat publieksgerichte voorzieningen (detailhandel en dienstverlening) dienen te worden geconcentreerd in bestaande winkelgebieden. De vestiging van solitaire winkels buiten de bestaande winkelgebieden moet worden tegengegaan. Panden die geheel in gebruik zijn als kantoor In dit plangebied staan veel kantoorpanden die geheel in gebruik zijn als kantoor.

Het gaat in veel gevallen om villa's en herenhuizen die zijn omgebouwd naar een kantoorpand. Het bruto vloeroppervlak van deze kantoorpanden wordt niet gelimiteerd. In het nieuwe bestemmingsplan mogen zich in deze panden kantoren én maatschappelijke voorzieningen vestigen. Maatschappelijke voorzieningen hebben moeite om zich in het Museumkwartier en de Valeriusbuurt te vestigen. Door deze toe te laten in kantoorpanden worden de vestigingsmogelijkheden voor maatschappelijke voorzieningen vergroot. Maatschappelijke voorzieningen hebben een vergelijkbare impact op het woon- en leefklimaat als kantoren. Het zijn allebei functies die niet publieksgericht zijn en een beperkte verkeersaantrekkende werking hebben. Bovendien zijn het beide functies die geen tot minimale overlast veroorzaken voor de omgeving. In dit bestemmingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen drie typen kantoorpanden: 1. kantoorpanden die niet mogen worden omgezet naar woningen; 2. kantoorpanden waarbij de 2e bouwlaag en hoger mag worden omgezet naar woningen; 3. kantoorpanden die geheel mogen worden omgezet naar woningen. Hieronder worden de drie typen kantoorpanden beschreven. Kantoor op alle bouwlagen, wonen uitgesloten Kantoorpanden op prominente A-locaties, zoals het Museumplein en grote kantoorpanden mogen niet worden omgezet naar woningen.

De aanwezigheid van dit soort kantoorpanden draagt bij aan de aantrekkingskracht van het plangebied als internationaal topmilieu voor kantoren. De gemeente wil dat deze kantoorpanden behouden blijven voor de kantorenvoorraad. Bij een deel van deze panden (o.a. de consulaten aan het Museumplein) zijn woningen in het huidige bestemmingsplan ook al uitgesloten. Bij een aantal grote kantoorpanden op andere locaties is dat echter niet het geval. De druk op de Amsterdamse woningmarkt is al jaren erg hoog. Daarom kan het voor eigenaren aantrekkelijk zijn om deze kantoorpanden om te zetten naar woningen, zelfs indien het prominente kantoorpanden op een A-locatie betreft. De gemeente wil de kantoorfunctie van dit soort panden graag beschermen. Om die reden komen de woonrechten voor deze panden in het nieuwe bestemmingsplan te vervallen.

bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 79

Kantoor op alle bouwlagen, wonen op de etages toegestaan Bij kleinere kantoorpanden (vaak oorspronkelijk gebouwd als villa of herenhuis), die geheel in gebruik zijn als kantoor en zijn gelegen in een stadsstraat, een doorgaande straat of in een voorzieningencluster mogen de etages worden omgezet naar woningen. Op de begane grond dient de kantoorfunctie echter gehandhaafd te blijven. Vanuit het oogpunt van functiemenging wil de gemeente niet-woonfuncties graag clusteren in stadsstraten, doorgaande straten en voorzieningenclusters. Om deze reden mogen kantoorpanden in deze straten niet geheel worden omgezet naar woningen. Op de begane grond moet een niet-woonfunctie gehandhaafd blijven. In beginsel worden deze kantoorpanden daarom op dezelfde manier bestemd als in het huidige bestemmingsplan, namelijk kantoor in het hele pand en wonen op de etages. Hieraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag: In de meeste gevallen kan op grond van het huidige bestemmingsplan 75 tot 80 % van het BVO worden omgezet naar wonen. Het laten vervallen van de woonrechten leidt tot een onevenredige inperking van gebruiksrechten. Er is een grote vraag naar woningen. Als deze panden worden omgezet naar wonen, dan kunnen er in de meeste gevallen meerdere woningen boven de plint worden gerealiseerd. Deze bouwrechten kunnen een substantiële bijdrage leveren aan het bestrijden van de woningnood.

De consequentie is wel dat er in potentie een groot vloeroppervlak aan kantoorruimte uit de markt kan worden gehaald. Dit past niet bij het streven om binnen de ring A10 ruimte te bieden aan kantoren, zoals verwoord in het kantorenplan. Aan het belang van het handhaven van de gebruiksrechten voor wonen wordt in dit geval echter een zwaarder gewicht toegekend dan aan het belang van het beschermen van het vloeroppervlak voor kantoren. Kantoor op alle bouwlagen, wonen op alle bouwlagen toegestaan Bij kleinere kantoorpanden (vaak oorspronkelijk gebouwd als villa of herenhuis), die geheel in gebruik zijn als kantoor en zijn gelegen in een woonstraat mogen alle bouwlagen worden omgezet naar woningen. Een woonstraat leent zich minder goed voor een functioneel gemengd programma. Daarom is het in deze straten niet nodig om bij transformatie van een kantoorpand naar wonen op de begane grond een niet-woonfunctie te handhaven. In het huidige bestemmingsplan zijn o.a. de kantoorvilla's in de J.J. Viottastraat al op deze manier bestemd. Deze wijze van bestemmen sluit aan bij hoe de kantoorvilla's in het bestemmingsplan Willemspark Vondelpark zijn bestemd. In dit bestemmingsplan is het uitgangspunt dat de uitwisselbaarheid tussen kantoren en wonen blijft gehandhaafd. Het gebruik van panden kan zich hierdoor aanpassen aan de behoeftes vanuit de markt.

Deze wijze van bestemmen sluit tevens aan bij de bestemmingsplansystematiek voor meerdere gebieden in stadsdeel Zuid Bij kleinere kantoorpanden in woonstraten kan uitwisselbaarheid tussen kantoren en wonen bijdragen aan de toekomstbestendigheid van een pand. Als er vanuit de markt minder vraag is naar kantoren, kan het pand worden omgezet naar wonen. Hierdoor wordt voorkomen dat een pand leeg komt te staan. Kantoren op de begane grond Kantoren die zijn gevestigd op de begane grond van een pand met daarboven woningen krijgen in het nieuwe bestemmingsplan een gemengde bestemming. Het bruto vloeroppervlak van deze kantoren wordt wel gelimiteerd. Kantoren die zijn gevestigd op de begane grond van een pand met daarboven woningen zijn meestal oorspronkelijk gebouwd als winkel of bedrijfsruimte. Deze bedrijfsruimtes lenen zich vaak goed voor de vestiging van andere niet-woonfuncties. Kleinschaligheid is het uitgangspunt voor Gemeente Amsterdam

blz. 80

niet-woonfuncties op de begane grond (uitgezonderd de winkelstraten in het kernwinkelgebied). Daarom wordt het bvo van deze kantoren gelimiteerd op maximaal 300 m2 en mogen er maximaal 2 panden worden samengevoegd. Afhankelijk van de vestigingslocatie (voorzieningencluster of overige locatie) wordt bepaald welke functies toegelaten zijn binnen de gemengde bestemming. Panden langs stadsstraten, doorgaande straten en in voorzieningenclusters krijgen een brede gemengde bestemming. Op de begane grond zijn zowel publiekgerichte als niet-publieksgerichte voorzieningen toegestaan. Wonen is echter alleen op de etages toegestaan. Bij panden in woonstraten zijn op de begane grond alleen niet-publieksgerichte voorzieningen (maatschappelijke voorzieningen, kantoren en kleinschalige bedrijvigheid) toegestaan. Wonen is echter toegestaan op alle bouwlagen. Dit betekent dat de begane grond mag worden omgezet naar woningen. Kantoren in de eerste twee bouwlagen In het plangebied zijn veel dubbele benedenwoningen omgezet naar een kantoor. In het huidige bestemmingsplan mag de tweede bouwlaag worden omgezet naar wonen. Deze mogelijkheid wordt in het nieuwe bestemmingsplan gehandhaafd. Het gevolg is dat deze kantoren in oppervlakte kunnen worden gehalveerd, waardoor ze minder goed verhuurbaar zijn. Het wordt dan lastiger om ze te behouden voor de kantorenvoorraad.

Het omzetten van vloeroppervlak voor kantoren naar woningen past ook niet bij het streven om in functioneel gemengde buurten binnen de ring A10 ruimte te bieden aan kantoren zoals verwoord in het kantorenplan 2019-2025. Bij panden die geheel in gebruik zijn als kantoor wordt echter de mogelijkheid om de tweede bouwlaag om te zetten naar wonen gehandhaafd. Hetzelfde geldt daarom voor de gebruiksrechten voor woningen in kantoren die zijn gevestigd in een dubbele benedenwoning. Gehanteerde uitgangspunten Bovenstaande heeft ertoe geleid dat in het bestemmingsplan voor kantoren de volgende uitgangspuntengelden Panden die geheel in gebruik zijn als kantoor krijgen een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. Het vloeroppervlak van panden die geheel in gebruik zijn als bij deze functies wordt niet gelimiteerd; Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen drie soorten vestigingslocaties, die elk hun eigen bestemming krijgen. 1. De grotere kantoorpanden (van oorsprong als utilitair pand gebouwd) en de kantoorpanden aan de oostzijde van het Museumplein. De kantoorfunctie mag niet worden omgezet naar een woonfunctie. 2. De kleinere kantoorpanden (in voormalige villa's en herenhuizen) die zijn gelegen aan een stadsstraat, een doorgaande straat of in een voorzieningencluster. De kantoorfunctie op de begane grond moet gehandhaafd blijven.

De verdiepingen mogen worden omgezet naar wonen. 3. De kleinere kantoorpanden (in voormalige villa's en herenhuizen) die zijn gelegen in een woonstraat. Deze kantoorpanden mogen geheel worden omgezet naar wonen. Kantoren die zijn gevestigd op de begane grond van een pand met daarboven woningen krijgen een gemengde bestemming. Op de begane grond is een uitwisseling met andere niet-woonfuncties toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Voor alle niet-woonfuncties in de begane grond geldt een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. Tevens mogen door één vestiging maximaal twee panden worden samengevoegd. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen twee soorten vestigingslocaties, die elk hun eigen bestemming krijgen: bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 81

1. Panden langs stadsstraten, doorgaande straten en in voorzieningenclusters. Deze krijgen een brede gemengde bestemming. Op de begane grond zijn zowel publiekgerichte als niet-publieksgerichte voorzieningen toegestaan. Wonen is echter alleen op de etages toegestaan. 2. Panden in woonstraten. Op de begane grond alleen niet-publieksgerichte voorzieningen toegestaan. Wonen is echter toegestaan op alle bouwlagen. Dit betekent dat de begane grond mag worden omgezet naar woningen. Kantoren die zijn gevestigd in voormalige dubbele benedenwoningen. Het kantoor krijgt een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. Het vloeroppervlak wordt niet gelimiteerd; woningen zijn toegestaan in de tweede bouwlaag en hoger. Dit betekent dat de kantoorfunctie op de tweede bouwlaag mag worden omgezet naar een woning, maar dat de kantoorfunctie op de begane grond moet worden gehandhaafd. 3.4.4

Ambachtelijke bedrijven

In wijken binnen de ring A10 bevinden zich ook veel ambachtelijke bedrijven, zoals meubelmakers en kleermakers. Ambachtelijke bedrijven zijn vooral gevestigd in het centrum en in de 19e eeuwse ring. Voor nieuwe ambachtelijke bedrijven wordt het echter steeds moeilijker om zich in deze wijken te vestigen, omdat ze vaak de hoge huren voor bedrijfsruimten niet kunnen opbrengen. Ambachtelijke bedrijven zijn waardevol voor de buurt. Ze voorzien in een behoefte en passen goed in het gemengde woon-werkmilieu van het centrum en de 19e eeuwse ring, waarin van oudsher veel kleinschalige productiebedrijven waren gevestigd. Ambachtelijke bedrijven zijn in het plangebied Museumkwartier – Valeriusbuurt echter nagenoeg afwezig. Het Museumkwartier en de Valeriusbuurt zijn gebouwd als wijken voor de hogere klassen. In dit soort wijken werden productiebedrijven van oudsher geweerd. Deze vestigden zich in de volksbuurten. Het Duivelseiland is de enige buurt binnen het plangebied waar enkele ambachtelijke bedrijven zijn gevestigd. Dit is een voormalige volksbuurt die qua karakter meer op De Pijp lijkt dan op het chique Museumkwartier. De buurt heeft een proces van gentrificatie ondergaan en is net als De Pijp inmiddels een zeer gewilde woonbuurt. Hierdoor is het voor ambachtelijke bedrijven lastig geworden om zich in deze buurt te vestigen.

Om te voorkomen dat ambachtelijke bedrijven als gevolg van de gentrificatie verdwijnen, zal een uitwisseling met andere niet-woonfuncties daarom niet direct mogelijk zijn. Het gevolg van het planologisch beschermen van ambachtelijke bedrijven is dat het risico op leegstand bij bedrijfsbeëindiging groter wordt. De verhuurder heeft immers minder potentiele huurders aan wie hij het pand kan verhuren. Leegstand kan de leefbaarheid aantasten en zorgt voor een minder goede uitstraling van een straat. In de winkelstraten wordt aan dit bezwaar een zwaarder gewicht toegekend dat in overige straten. De winkelstraten hebben namelijk een meer representatieve functie dan de woonstraten. Daarom wordt ervoor gekozen om alleen ambachtelijke bedrijven die in de woonstraten zijn gevestigd te beschermen. Gehanteerde uitgangspunten Ambachtelijke bedrijven die zijn gevestigd buiten de winkelstraten worden als een aparte functiecategorie bestemd.

Gemeente Amsterdam

blz. 82

3.4.5

Wonen

Wonen is de meest voorkomende functie in het plangebied. In het huidige bestemmingsplan zijn woningen zonder nadere aanduidingen of gebruiksbepalingen bestemd. Hierdoor is een woning voor iedere gewenste woonvorm en doelgroep te gebruiken. Ook is het mogelijk om woningen te splitsen, samen te voegen of een zolderetage om te zetten naar een woning zonder dat hiervoor een planologisch besluit nodig is. Wel is hier in veel gevallen een vergunning op grond van de huisvestingsverordening voor nodig. Dit valt echter buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan. Deze wijze van bestemmen geeft veel flexibiliteit. Ontwikkelingen op de woningmarkt kunnen tot op zekere hoogte worden opgevangen binnen de bestaande woningvoorraad. Bewoners kunnen bijvoorbeeld de zolderetage bij hun woning voegen. Hierdoor ontstaan grotere woningen, waardoor gezinnen in de wijk kunnen blijven wonen of wooncarrière kunnen maken binnen de wijk. Maar het is ook mogelijk om woningen te splitsen, waardoor er kleinere woningen ontstaan voor starters en alleenstaanden. Tevens kunnen woningen worden verbouwd tot zorgwoningen. De bevolking vergrijst en ouderen blijven steeds langer zelfstandig wonen. De behoefte aan zorgwoningen zal daarom toenemen. Het nadeel is dat deze wijze van bestemmen minder rechtszekerheid geeft.

Maar dit wordt ondervangen door de huisvestingsverordening, waarin is bepaald dat er een woning onttrekkingsvergunning nodig is voor wijzigingen in de woningvoorraad. Met dit instrument kan een afweging op maat worden gemaakt. Het toetsen van wijzigingen in de woningvoorraad aan het bestemmingsplan voegt niets toe aan deze afweging op maat, maar leidt wel tot een extra administratieve last voor burger en overheid. Tevens bestaat het risico dat bestemmingsplanregels afwijken van de regels uit de huisvestingsverordening, waardoor er twee tegenstrijdige toetsingskaders ontstaan. Daarom blijft het uitgangspunt dat woningen zonder nadere aanduidingen of gebruiksbepalingen ongewijzigd worden bestemd. In het huidige bestemmingsplan is bepaald dat een woning is bestemd voor de huisvesting van één huishouden. In het woonbeleid is bepaald dat woningdelen onder bepaalde voorwaarden is toegestaan. In de praktijk worden veel woningen gedeeld door twee of meer mensen die samen geen huishouden vormen. Veel starters die onvoldoende wachttijd hebben opgebouwd voor een sociale huurwoning en te weinig verdienen om te kopen of in de vrije sector te huren delen een woning. Het voordeel hiervan is dat deze groep toch een woonruimte kan bemachtigen in een markt waarin het moeilijk is om een eigen woning te huren of te kopen.

Het risico is echter dat huurprijzen worden opgedreven en de leefbaarheid onder druk komt te staan. In de nieuwe huisvestingsverordening zijn daarom regels over het woningdelen opgenomen. Er wordt een quotum per gebouw en per wijk voorgesteld en een maximaal aantal bewoners per woning. Gehanteerde uitgangspunten Bovenstaande heeft ertoe geleid dat in het bestemmingsplan voor de woonfunctie de volgende aspecten zijn geregeld. Woningen krijgen een algemene woonbestemming en zijn in beginsel door iedere doelgroep te gebruiken. Regels over woonruimteverdeling staan in de huisvestingsverordening; Het aantal woningen wordt niet vastgelegd. Het splitsen, samenvoegen of toevoegen van woningen binnen een bestaande bouwmassa is bij recht toegestaan. Aanvragen voor het splitsen, samenvoegen of toevoegen van woningen worden op grond van de huisvestingsverordening afgewogen.

Beroep en bedrijf aan huis

bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 83

Binnen de woonfunctie is het toegestaan om een deel van de woning bedrijfsmatig te gebruiken. Dit kan door een bedrijf aan huis te beginnen, of een beroep aan huis zoals huisarts, tandarts, advocaat en notaris uit te oefenen. Het is eveneens toegestaan om een Bed & Breakfast te beginnen. Hiervoor geldt dat er niet meer dan vier personen tegelijk van de overnachtingsfaciliteit gebruik mogen maken. Ook is het toegestaan om een internetbedrijf aan huis te hebben. De volgende drie typen internetbedrijven mogen als bedrijf aan huis worden uitgeoefend: (1) een afhaalpunt internetaankopen, (2) een internetbedrijf waar alleen een elektronische transactie tot stand komt en (3) een internetbedrijf met opslag- en verzendfunctie. Een internetbedrijf dat functioneert als detailhandel (met afhaalmogelijkheden en de mogelijkheid de goederen ter plaatse te bekijken) is niet toegestaan als bedrijf aan huis. Voor een beschrijving van de verschillende typen internetbedrijven wordt verwezen naar paragraaf 5.4.14 'Detailhandelsbeleid 2018 - 2022'. Voor alle aan huis gebonden beroepen en bedrijfsactiviteiten geldt dat deze niet groter mogen worden dan het bewoonde deel van de woning. Om te waarborgen dat deze ondergeschiktheid behouden blijft, mag in woningen maximaal 40% van de woning, met een maximum van 60 m2 worden gebruikt voor huisgebonden beroep, huisgebonden bedrijf of Bed & Breakfast.

De bedrijvigheid moet uitgevoerd worden door de hoofdbewoner(s) zelf. Short stay Short stay is het tijdelijk verhuren van een woning voor een periode van minimaal zeven nachten tot maximaal zes maanden aan buitenlandse werknemers die voor een kortere periode in Nederland verblijven. De gemeente Amsterdam heeft deze vorm van verblijf een tijd lang gefaciliteerd via een vergunningenstelsel. Omdat short-stay is strijd is met de woonbestemming, is in die periode short-stay in nieuwe bestemmingsplannen bij rechte mogelijk gemaakt in alle panden met een woonbestemming. Short-stay bleek in bepaalde wijken echter dermate populair dat de reguliere woonfunctie onder druk kwam te staan. Bovendien bleek dat short-stay appartementen ook op ruime schaal aan toeristen werden verhuurd. Daarom worden sinds 2014 geen nieuwe vergunningen meer verleend voor short stay. Dit geldt zowel voor bestaande bouw als voor nieuwbouw en transformatie. In het huidige bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt is short-stay bij rechte toegestaan in alle panden waar woningen zijn toegestaan. Dit betekent onder andere dat ook kantoorpanden vanaf de tweede bouwlaag kunnen worden omgezet naar short-stay. Zelfs kantoorpanden waar wonen via een aanduiding is uitgesloten kunnen vanaf de tweede bouwlaag worden omgezet naar short-stay. Short-stay is een vorm van woningonttrekking.

Als een woning wordt omgezet naar short-stay is daar een woning onttrekkingsvergunning voor nodig. Nu de gemeente Amsterdam sinds 2014 geen nieuwe short-stay vergunningen meer verleent, wordt de benodigde woning onttrekkingsvergunning ook geweigerd. Dit betekent dat er geen gebruik meer kan worden gemaakt van de planologische mogelijkheid om woningen om te zetten naar short-stay appartementen. Voor het omzetten van een niet-woonfunctie naar short-stay is echter geen woning onttrekkingsvergunning nodig. Dit betekent dat er nog wel gebruik kan worden gemaakt van de planologische mogelijkheid om niet-woonfuncties om te zetten naar short-stay. Omdat short-stay tegenwoordig als een niet-wenselijke vorm van wonen/ verblijf wordt gezien, is het wenselijk om de planologisch rechten voor short-stay bij een actualisatie te laten vervallen, ook in panden met een niet-woonfunctie. Het wegbestemmen van de short-stayrechten in panden met een niet-woonfunctie kan echter tot planschade leiden. De eerste bestemmingsplannen met short-stay rechten worden in de komende jaren herzien. Gemeente Amsterdam

blz. 84

Als aanvullend uitgangspunt wordt voorgesteld om de planologische rechten voor short-stay in het nieuwe bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt te laten vervallen. Het beleid is immers om geen medewerking meer te verlenen aan het realiseren van short-stay appartementen. Dit beleid zal moeten worden doorvertaald in het nieuwe bestemmingsplan.

bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 85

Hoofdstuk 4

Ontwikkelingen

Dit bestemmingsplan is bedoeld om de bestaande situatie te bestemmen. In beginsel worden er geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Uitzondering hierop zijn reeds vergunde ontwikkelingen en ontwikkelingen waarvan de planologische haalbaarheid al is aangetoond. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van State moeten ontwikkelingen die concreet genoeg zijn om te kunnen toetsen, tijdig kenbaar zijn gemaakt èn waarvan de planologische haalbaarheid is aangetoond namelijk worden opgenomen in een nieuw bestemmingsplan. Op dit moment zijn er geen ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied bekend die aan deze voorwaarden voldoen. Indien tijdens het planproces een ontwikkeling kenbaar wordt gemaakt, die aan deze voorwaarden voldoet, dan kan deze alsnog worden opgenomen in het bestemmingsplan. In het kader van het herstelbesluit is de concrete (her)ontwikkeling aan de Bartholomeus Ruloffstraat 5H meegenomen in dit plan. De locatie van de voormalige autogarage ligt al ruime tijd leeg. De locatie wort nu herontwikkeld als een gemengd terrein waar kantoren, maatschappelijke voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk wordt. Uit de aangeleverde stukken blijkt dat er geen (milieutechnische) knelpunten zijn. De ontwikkeling past ook binnen de kaders van de nota van Uitgangspunten en aanvullende nota van uitgangspunten.

Ook voldoet de ontwikkeling aan het geldende beleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 86

bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 87

Hoofdstuk 5

Beleidskader

In dit hoofdstuk worden de beleidskaders voor dit bestemmingsplan beschreven. Dat gebeurt op verschillende beleidsniveaus: Rijksbeleid, provinciaal beleid, beleid op regionaal niveau, gemeentelijk beleid en stadsdeelbeleid. Alleen het beleid dat voor dit bestemmingsplan relevant is komt aan de orde. Geldend beleid dat niet van toepassing is voor het onderhavige bestemmingsplan wordt niet nader toegelicht. Dat geldt ook voor gemeentelijke verordeningen die buiten het bestemmingsplan functioneren. Voorbeelden zijn het beleid dat geldt voor het Natuurnetwerk Nederland (binnen en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen gronden die deel uitmaken van dit natuurnetwerk), de gemeentelijke nota Hoogbouw in Amsterdam (het bestemmingsplan maakt hoogbouw niet mogelijk) en de gemeentelijke Bomenverordening (die de regels bevat die gelden voor het kappen en herplanten van bomen).

5.1

Europees recht

5.1.1

Richtlijn betreffende diensten op de interne markt (2006/123/EG, 'Dienstenrichtlijn')

In het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt de interne Europese markt beschreven als een ruimte zonder binnengrenzen, waarin vrij verkeer van kapitaal, personen, goederen en diensten is gewaarborgd. De Dienstenrichtlijn neemt als uitgangspunt dat diensten een bijzonder belangrijke economische sector zijn. Concurrentie op de Europese dienstenmarkt wordt beschouwd als een belangrijke voorwaarde voor het bevorderen van de groei van de economie en de werkgelegenheid. De Dienstenrichtlijn geeft juridische kaders om die concurrentie te bevorderen en om belemmeringen voor een vrij dienstenverkeer tussen de lidstaten weg te nemen. Voor ieder algemeen verbindend voorschrift, beleidsregel of vergunningstelsel dient te worden nagegaan of deze betrekking heeft op de toegang tot of de uitoefening van een dienst die onder de Dienstenrichtlijn valt. Ruimtelijke voorschriften in de vorm van een bestemmingsplan vallen daar ook onder. Dat betekent dat beperkende ruimtelijke voorschriften in bestemmingsplannen op grond van de Dienstenrichtlijn in beginsel verboden zijn. Met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake Appingedam en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak van de Afdeling (Raad van State, uitspraak d.d.

20 juni 2018: ECLI:NL:RVS:2018:2062) heeft bovendien een aanscherping plaatsgevonden van de wijze waarop de Dienstenrichtlijn moet worden begrepen binnen de ruimtelijke ordening: detailhandel in goederen behoort eveneens tot de dienstverleningsactiviteiten waar de Dienstenrichtlijn betrekking op heeft; een in ruimtelijke voorschriften opgenomen brancheringsregeling of oppervlaktemaatregel vormen een 'eis' (beperking) in de zin van artikel 15 lid 2 onder a van de Dienstenrichtlijn (een territoriale of kwantitatieve beperking). Op grond van de richtlijn zijn dit soort beperkingen weliswaar in beginsel verboden, maar zij kunnen wel gerechtvaardigd zijn, mits gemotiveerd wordt dat is voldaan aan de in artikel 15 lid 3 Dienstenrichtlijn opgenomen voorwaarden. Dat houdt in dat dwingende redenen van algemeen belang een beperking van de beoogde vrijheid van vestiging kunnen rechtvaardigen. Tot de dwingende redenen van algemeen belang behoren onder meer de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van de stedelijke (en rurale) ruimtelijke ordening. Daarin kan rechtvaardiging worden gevonden voor het stellen van eisen en het opzetten van vergunningenstelsels. Aan een beroep op deze dwingende redenen van algemeen belang om een beperking te rechtvaardigen, zijn echter wel voorwaarden verbonden. Samengevat betekent dit dat beperkingen aan het vrij verkeer,

Gemeente Amsterdam

blz. 88

zoals het stellen van bepaalde eisen, alleen gerechtvaardigd is als daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden in artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn: 1. Het verbod van discriminatie: De eisen mogen geen direct of indirect onderscheid maken naar nationaliteit of statutaire vestigingsplaats; 2. De voorwaarde van noodzakelijkheid: De eisen moeten gerechtvaardigd zijn vanwege dwingende redenen van algemeen belang; 3. De voorwaarde van evenredigheid: De eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken, ze mogen niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken en het doel kan niet met minder vergaande beperkingen bereikt worden. Daarmee kunnen overheden in hun ruimtelijke voorschriften dus wel beperkende eisen stellen, maar dergelijke eisen zullen steeds primair moeten worden onderbouwd en gemotiveerd aan de hand van overwegingen van ruimtelijke kwaliteit. Beperkingen kunnen niet enkel gesteld worden om economische doelen na te streven. Consequenties voor dit bestemmingsplan In dit bestemmingsplan worden in verschillende regelingen beperkingen gesteld aan de vestigingsmogelijkheden voor niet-woonfuncties, zoals winkels, horeca, consumentgerichte dienstverleners, maatschappelijke voorzieningen, kantoren en kleinschalige bedrijven. Hier worden deze beperkingen eerst kort weergegeven.

Voor een uitgebreide beschrijving van de betreffende regelingen wordt verwezen naar de paragraaf 3.3 'Uitgangspunten voorzieningenstructuur' en paragraaf 3.4 'Uitgangspunten gebruiksmogelijkheden' in Hoofdstuk 3 van de toelichting. Om te bepalen of de beperkingen in het bestemmingsplan in het kader van de Dienstenrichtlijn gerechtvaardigd zijn, zijn de diverse regelingen vervolgens getoetst aan de voorwaarden in artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn. Beperkingen in het bestemmingsplan Het Museumkwartier - Valeriusbuurt is een groot en divers plangebied. Het plangebied bestaat uit verschillende buurten met elk een eigen karakter. Er is meestal geen sprake van een duidelijke grens, de verschillende buurten lopen geleidelijk in elkaar over. Het voorzieningenaanbod verschilt dan ook per buurt. In het bestemmingsplan wordt onderscheid gemaakt naar vier deelgebieden met elk een eigen karakteristiek: Museumplein en omgeving; Roelof Hartplein en omgeving; Cornelis Schuytstraat en omgeving; Valeriusbuurt. De voorzieningenstructuur en de bij elk deelgebied behorende regelingen komen hierna aan bod. In het algemeen geldt dat de hogere bouwlagen veelal een woonfunctie hebben. Menging met kleinschalige niet-woonfuncties vindt in het plangebied vooral plaats op de begane grond.

Om de woonfunctie en het overwegend kleinschalige karakter van het plangebied te behouden, is vestiging van niet-woon-functies dan ook veelal uitsluitend toegestaan op de begane grond, de kelder en het souterrain. Om de functiemenging te beschermen, maakt het bestemmingsplan het op de meeste plekken niet mogelijk om niet-woonfuncties in de begane grond om te zetten naar een woning. In de hogere bouwlagen mag alleen worden gewoond. Voor de vestiging van niet-woonfuncties in de begane grond (detailhandel, consumentgerichte diensten,

bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 89

maatschappelijke dienstverlening, horeca, kantoren en kleinschalige bedrijven) gelden algemene beperkingen ten aanzien van de vestigingsgrootte. Deze maximering van de vestigingsgrootte in de begane grond is ingegeven door de wens om het bestaande kleinschalige karakter van de voorzieningen en de bestaande fijnmazige functiemenging in het plangebied te behouden. Voor vrijwel alle niet-woonfuncties in de begane grond geldt daarom een maximale vestigingsgrootte van 300 m2 vloeroppervlak. Alleen in de winkelstraten die deel uitmaken van het kernwinkelgebied gelden grotere maximum maten (zie verder hierna). Daarmee wordt voortgebouwd op de maximale vestigingsgrootte die gold in het voorgaande bestemmingsplan. Voorzieningenstructuur Zoals aangegeven bestaat het plangebied uit verschillende buurten met elk een eigen karakter, waardoor het voorzieningenaanbod per buurt verschilt. Zo heeft het voorzieningenaanbod in het Museumkwartier een grootstedelijk en meer internationaal karakter, terwijl het aanbod in de Valeriusbuurt vooral buurtgericht is. Dit vraagt om maatwerk in het bestemmingsplan. Voor de vier onderscheiden deelgebieden gelden de volgende regelingen c.q. beperkingen.

Museumplein en omgeving Dit gebied wordt in het detailhandelsbeleid gerekend tot het kernwinkelgebied van de binnenstad, waar de winkels voor niet-dagelijkse boodschappen zijn geconcentreerd die zich vooral op bezoekers richten. Winkels voor dagelijkse boodschappen en consumentgerichte dienstverleners richten zich vooral op bewoners en zijn daarom voornamelijk buiten het kernwinkelgebied te vinden. Om die reden wordt in dit bestemmingsplan in de P.C. Hooftstraat, de Van Baerlestraat Noord en de kop van de Hobbemastraat alleen detailhandel bij rechte toegestaan en wordt er een groter winkelvloeroppervlak toegestaan dan in de wijkwinkelgebieden. In de P.C. Hoofstraat is in alle panden detailhandel toegestaan op de begane grond én de eerste verdieping, mits daarboven nog tenminste twee woonlagen aanwezig zijn. Winkels mogen een bruto vloeroppervlak van maximaal 750 m2 hebben en een maximale gevelbreedte van 15 meter. Bestaande andere niet-woonfuncties zijn positief bestemd. In het noordelijk deel van de Van Baerlestraat (tussen het Concertgebouw en het Vondelpark), de kop van de Willemsparkweg (tussen de Van Baerlestraat en de Alexander Boerstraat), de kop van de Hobbemastraat (tussen de Stadhouderskade en de P.C. Hooftstraat) en de kop van de P.C. Hooftstraat (tussen de Stadhouderskade en de Hobbemastraat) wordt detailhandel in alle panden toegestaan op de begane grond.

Winkels mogen een bruto vloeroppervlak van maximaal 500 m2 hebben. Bestaande andere niet-woonfuncties worden ook hier positief bestemd. Het Amsterdamse detailhandelsbeleid is gericht op clustering van het winkelaanbod in bestaande winkelgebieden. Op die manier profiteren winkels van elkaars bezoekersstromen en heeft de consument het gemak van alle winkels bij elkaar. Dit betekent dat er in principe geen nieuwe winkels kunnen worden gevestigd buiten de bestaande winkelgebieden. Voor de Paulus Potterstraat en het deel van de Hobbemastraat tussen de P.C. Hooftstraat en de Paulus Potterstraat is hiervoor een uitzondering gemaakt. Deze route wordt in het stadsstratenbeleid aangemerkt als een 'voldragen stadsstraat'. Aan de noordzijde van de Paulus Potterstraat en dit deel van de Hobbemastraat bevinden zich echter nauwelijks publieksgerichte voorzieningen. Er bevinden zich vooral woningen en kantoren. De route leent zich echter goed voor de vestiging van meer publieksgerichte voorzieningen. Daarom hebben deze straten een brede gemengde bestemming gekregen. Op de begane grond worden

Gemeente Amsterdam

blz. 90

detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, galeries, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca-inrichtingen worden positief bestemd. Hiervoor geldt een bruto vloeroppervlak van maximaal 300 m2. House of Bols en Coster Diamonds/ Diamant museum hebben een maatwerkbestemming gekregen. Consumentgerichte dienstverlening is dienstverlening die gericht is op langslopend publiek dan wel de consument. Hierbij gaat het om persoonlijke verzorging zoals kappers, schoonheidsspecialisten, zonnestudio's, nagelstudio's en dergelijke, alsmede reisbureaus, hypotheekkantoren, uitzendbureaus en dergelijke. Deze vormen van dienstverlening hebben dezelfde ruimtelijke uitstraling en dezelfde ruimtelijke effecten als detailhandel en vestigen zich doorgaans dan ook in winkelstraten en doorgaande straten. De mogelijkheid om nieuwe musea te vestigen in alle panden aan de zuidoostzijde van het Museumplein en in de Hobbemastraat en Honthorststraat is in het nieuwe bestemmingsplan komen te vervallen. Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bezoekers en toeristen meer over de stad spreiden. Nieuwe grootstedelijke voorzieningen voor Kunst en Cultuur dienen niet meer in het centrumgebied te komen, maar juist daarbuiten.

De vestiging van nieuwe musea aan de zuidoostkant van het Museumplein past niet bij deze ambities. De bestemming van deze panden is daarom in overeenstemming gebracht met het bestaande gebruik (wonen en kantoren). Roelof Hartplein en omgeving De ambitie is om de kwaliteit en het voorzieningenaanbod in dit winkellint op peil te houden en waar mogelijk te versterken. Het winkellint Van Baerlestraat Zuid - Roelof Hartstraat heeft daarom een ruimere bestemming gekregen die beter aansluit bij het gemengde karakter van het lint en de toekomstige vestigingsmogelijkheden vergroot. Detailhandel en consumentgerichte dienstverlening zijn bij rechte toegestaan op de begane grond. Andere niet-woonfuncties, zoals maatschappelijke voorzieningen, kantoren en bedrijven worden niet bij rechte toegestaan op de begane grond. Dit zijn geen voorzieningen die bijdragen aan het uitwisselingsmilieu van een winkelstraat. In het nieuwe bestemmingsplan krijgen alle panden in het winkellint een gemengde bestemming. De aanwezige woningen op de begane grond worden positief bestemd. Op grond van het voorgaande bestemmingsplan mogen winkels in de Van Baerlestraat Zuid een maximaal vloeroppervlak van 500 m2 hebben. Dit is in het nieuwe bestemmingsplan teruggebracht naar 300 m2. In dit deel van de Van Baerlestraat bevinden zich geen winkels die groter zijn dan 300 m2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13471709/1