CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit 2023-109C BP Klaprozenbuurt 2 - Toelichting

RAAD 19 juli 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Klaprozenbuurt 2VN2023-01330327.148 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

BEHOORT BIJ BESLUIT VAN DE GEMEENTERAAD VAN AMSTERDAM 2- 5 , NR. VAN 2-0 J 4 -11*DE RAADSGRIFFIER,

Gemeente X Amsterdam

x

Bestemmingsplan Klaprozenbuurt 2

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Klaprozenbuurt 2

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.N2003BPGST-VG01

Datum print

12 Mei 2023

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 Hoofdstuk3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk4 4.1 4.2 Hoofdstuk5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13 5.14 Hoofdstuk6 6.1 6.2 6.3 6.4 Hoofdstuk7 7.1 7.2

5 Inleiding

7

Aanleiding Bevoegdheden Leeswijzer

7 9 10

Plankader

11

Ligging en begrenzing Doelstelling Geldend planologisch kader Beschrijving van het plangebied Geschiedenis van het plangebied

11 11 11 14 14

Beleidskader

19

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

19 19 20

Het ruimtelijk kader

27

Programma Klaprozenbuurt 2 Stedenbouwkundige aspecten

27 28

Milieu- en omgevingsfactoren

31

Inleiding Milieueffectrapport Verkeer en parkeren Geluid Electromagnetische velden Bedrijven en milieuzonering Luchtkwaliteit Bodem Cultuur en archeologie Duurzaamheid Externe veiliheid Natuur en landschap Stikstof Water

31 31 31 32 38 39 45 47 47 48 51 56 59 60

Juridische planbeschrijving

67

Algemeen Planopzet Planregels Artikelgewijze toelichting

67 67 67 68

Economische uitvoerbaarheid

73

Investeringen en opbrengsten Grondexploitatiewet

73 73

Gemeente Amsterdam

blz. 4

Hoofdstuk8 8.1 8.2 8.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

75

Overleg met betrokken overheden (art. 3.1.1. Bro) Participatie Procedure

75 75 76

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 5

Toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 7

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het projectgebied Klaprozenbuurt, nu grotendeels een extensief gebruikt bedrijventerrein, ligt als een puzzelstuk tussen de ontwikkelgebieden aan de Noordelijke IJ-oever (Buiksloterham en NDSM-werf) en de bestaande woonbuurten (Banne-Buiksloot, Bloemenbuurt). Het gebied is aangewezen als versnellingslocatie voor woningbouw in het kader van Koers 2025, een integrale stadsbrede ontwikkelstrategie voor de bouw van 50.000 woningen. In de Investeringsnota Klaprozenbuurt van januari 2020 zijn de belangrijkste programmatische uitgangspunten vastgelegd en verdeeld over de blokken in het gebied. Er is uitgegaan van 250.000 m2 bvo in het projectgebied, waarvan 200.000 m2 bvo wonen. Op 13 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Amsterdam het bestemmingsplan Klaprozenbuurt vastgesteld. Naar aanleiding van een tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het bestemmingsplan op 16 juni 2021 opnieuw vastgesteld. Inmiddels is het bestemmingsplan geheel onherroepelijk. Het bestemmingsplan Klaprozenbuurt voorziet alleen voor het zuidoostelijk deel (blokken A1 t/m A4) van het plangebied in rechtstreekse bouwtitels voor de transformatie van het gebied. De overige gronden van het plangebied hebben conserverende bestemmingen met wijzigingsbevoegdheden.

De wijzigingsbevoegdheden zijn opgenomen om ook de rest van het plangebied te transformeren naar een gemengd woon-werkgebied.

Afbeelding 1.1: Blokken Klaprozenbuurt (bron: Investeringsnota Klaprozenbuurt) In het bestemmingsplan en de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheden zijn het bouwvolume, het maximum aantal woningen en de niet-woonfuncties verdeeld en gemaximeerd over de verschillende deelgebieden. Het bestemmingsplan gaat per wijzigingsgebied uit van een (1) maximaal bvo totaal, (2) maximum aantal woningen en (3) maximum bvo per overige functie. Inmiddels wordt uitvoering gegeven aan het bestemmingsplan. Deels gebeurt dat door het sluiten van contracten en het verlenen van vergunningen in het rechtstreeks bestemde deel (blokken A1 t/m A3) en deels door het contracteren met ontwikkelende partijen in de plandelen waarop een wijzigingsbevoegdheid rust (de blokken B, C, D en E). Bij het uitvoeren van de bouwplannen, het sluiten van overeenkomsten en naar aanleiding van voortschrijdend inzicht is gebleken dat de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsregels niet geheel bruikbaar zijn om als kader te dienen voor de beoogde ontwikkeling van het gebied. De Gemeente Amsterdam

blz. 8

knelpunten hebben betrekking op het aantal woningen en de beperkte mogelijkheden om economische functies uit te wisselen tussen de verschillende bouwblokken. Woonprogramma Het woonprogramma dat in de Investeringsnota is voorzien is per blok uitgedrukt in een maximum brutovloeroppervlak (bvo) per bouwblok. Dit is vervolgens vertaald in de regels van het bestemmingsplan door de bvo's te delen door een gemiddelde woninggrootte van 100 m2 bvo per woning. Bij de uitvoering van het bestemmingsplan wordt nog steeds ingezet op een zo divers mogelijk woningaanbod met verschillende woninggroottes en verschillende segmenten (sociale huur, middeldure en vrijesector woningen). Echter is in de praktijk gebleken dat binnen sommige blokken meer kleine woningen noodzakelijk zijn om de economische uitvoerbaarheid haalbaar te maken en hierdoor, binnen het maximale volume van 200.000 m2 bvo aan wonen, meer woningen worden gerealiseerd dan op basis van het bestemmingsplan en de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheden is voorzien. Niet-woonprogramma Het invullen van het niet-woonprogramma stuit in de praktijk op een aantal te rigide bepalingen waarbij het niet-woon programma is toegedeeld naar de wijzigingsgebieden en daarmee niet kan worden uitgewisseld tussen bouwblokken.

Er is daarom een gebrek aan de gewenste flexibiliteit bij het inpassen van economische functies; dit knelt met bestuurlijke ambities omtrent productieve bedrijvigheid en de herhuisvesting van bestaande bedrijvigheid. Verleggen gasleiding In blok A4 is een school voor basisonderwijs voorzien. Ter plaatste van dat bouwblok ligt nu nog een hogedruk gasleiding. Deze gasleiding is in het bestemmingsplan Klaprozenbuurt opgenomen met de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'.

Afbeelding 1.2: Ligging dubbelbestemming 'Leiding - Gas' Inmiddels is het nieuwe tracé van deze gasleiding overeen gekomen met de Gasunie.

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 9

In het voorliggende bestemmingsplan wordt de te verplaatsen gasleiding planologisch ingepast op de plek van het nieuwe tracé op een grotere afstand van blok A4. De beperkende regels als gevolg van de dubbelbestemming voor het realiseren van de in dit blok geprojecteerde school komen daarmee te vervallen op de huidige plek van de gasleiding. Met het voorliggende bestemmingsplan worden de genoemde knelpunten opgelost. Voor de plandelen van de Klaprozenbuurt waar dit bestemmingsplan Klaprozenbuurt 2 betrekking op heeft worden dus geen wijzigingsplannen opgesteld maar wordt voorzien in nieuwe bestemming (Gemengd) op basis waarvan de herontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. 1.1.1

Crisis- en herstelwet

De Crisis- en herstelwet (Chw) is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan en op de bestemmingsplanprocedure. Dit, vanwege het feit dat er sprake is van een project met meer dan 11 woningen. Zie Crisis- en herstelwet (Chw), artikel 1.1, lid 1 jo Bijlage I, lid 3, sub 3.1 "ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden”. Het voordeel hiervan is dat de (beroeps-)procedures korter zijn onder vigeur van de Crisis- en herstelwet (Chw). Zo duurt de behandeling van een beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een half jaar in plaats van de normale termijn van een jaar. Het project Klaprozenbuurt maakt tevens deel uit van de projecten in het kader van de 'Koers 2025' die zijn aangemeld als bestemmingsplan met verbrede reikwijdte in de 17e tranche van de Chw. Deze 17e tranche is met het Besluit van 25 januari 2019 in werking getreden (Staatsblad 53 d.d. 15 februari 2019). De projecten in het kader van Koers 2025 zijn opgenomen in artikel 7c, lid 17 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet.

De bepalingen van artikel 7c zijn hierdoor op het bestemmingsplan “Klaprozenbuurt 2” van toepassing, waardoor er een bestemmingsplan met een verbrede reikwijdte kan worden opgesteld. Hierdoor wordt het onder meer mogelijk om: In het bestemmingsplan regels op te nemen waarvan de uitleg bij de uitoefening van een bij die regels aan te geven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Daarbij kan worden bepaald dat de beleidsregels worden vastgesteld door de raad of door burgemeester en wethouders; Kostenverhaal uit te stellen tot bij een omgevingsvergunning voor het bouwen; Af te wijken van geluidwetgeving om het akoestisch onderzoek beter af te stemmen op het detailniveau en de fase van voorbereiding van het bestemmingsplan; Het besluit hogere waarden deel uit te laten maken van het bestemmingsplan. Het bevoegd gezag mag deze experimenteerruimte benutten maar is daartoe niet gehouden.

1.2

Bevoegdheden

Bij besluit van de gemeenteraad (30 mei 2017) is het plangebied Klaprozenbuurt aangewezen tot grootstedelijk project. Bij dit besluit is besloten dat de voorbereiding van het bestemmingsplan bij het college van B&W ligt. De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast.

Gemeente Amsterdam

blz. 10

1.3

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de regels opgenomen juridische regeling. De verbeelding en de regels vormen samen de bestemmingsplanregeling zoals deze door de gemeenteraad wordt vastgesteld. De toelichting geeft de achtergronden (relevant beleid, resultaten van uitgevoerde onderzoeken) bij de bestemmingsregeling. Omdat het bestemmingsplan Klaprozenbuurt van zeer recente datum is wordt voor een aantal hoofdstukken, waaronder bijvoorbeeld de beleidsparagraaf, in dit bestemmingsplan kortheidshalve verwezen naar het bestemmingsplan Klaprozenbuurt. De toelichting van dit wijzigingsplan bestaat uit 8 hoofdstukken. Hier wordt in het kort de inhoud van deze hoofdstukken beschreven. Na dit eerste inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plankader. Er wordt ingegaan het voorgaande juridisch-planologisch kader. In hoofdstuk 3 wordt verwezen naar het beleidskader zoals dat is opgenomen in het bestemmingsplan Klaprozenbuurt (1). In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het ruimtelijk kader, het te realiseren programma en de stedenbouwkundige kaders. In de hoofdstukken 5 worden diverse omgevingsaspecten beschreven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd op welke wijze dit is vertaald in juridische zin.

In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid (het overleg ex artikel 3.1.1 Bro). In hoofdstuk 8 wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven. Tot slot zijn de relevante rapporten als bijlage bij de toelichting en de regels gevoegd.

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 11

Hoofdstuk 2 2.1

Plankader

Ligging en begrenzing

Het plangebied van het bestemmingsplan 'Klaprozenbuurt 2' wordt globaal als volgt begrensd: De zuidgrens van het plangebied is de Klaprozenweg, de westgrens is de Draaierweg. De noordgrens loopt langs de Metaalbewerkersweg en de oostgrens wordt bepaald door de Klimopweg.

Afbeelding 2.1: Plangrens bestemmingsplan Klaprozenbuurt 2 Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de digitale verbeelding (voorheen de bestemmingplankaart).

2.2

Doelstelling

Het nieuwe bestemmingsplan 'Klaprozenbuurt 2 heeft als doel om te functioneren als toetsingskader voor de transformatie van het gebied.

2.3

Geldend planologisch kader

Er geldt voor dit gebied het bestemmingsplan Klaprozenbuurt, vastgesteld op 13 februari 2020 en de reparatie van dat plan zoals vastgesteld op 16 juni 2021. Bestemmingsplan 'Klaprozenbuurt'

Gemeente Amsterdam

blz. 12

De volgende bestemmingen komen voor in het plangebied: Bedrijf Gemengd Groen Horeca Maatschappelijk Verkeer Leiding – Gas Waarde – Cultuurhistorie Waterstaat – Waterkering In de bestemmingen Bedrijf zijn bedrijven toegestaan die vallen onder categorie 1, 2 of 3.1 in de van de regels deel uitmakende Staat van Inrichtingen. Er zijn een aantal maatbestemmingen opgenomen voor reeds gevestigde bedrijven met een hogere milieucatagorie: op het adres Metaalbewerkerweg 19, een garagebedrijf - categorie 3.2; op het adres Polijsterweg 7, een autoschadeherstelbedrijf - categorie 3.2; op het adres Polijsterweg 9, een drukkerij - categorie 3.2; op het adres Polijsterweg 15, een smederij - categorie 3.2; op het adres Slijperweg 6, een voedingsmiddelenfabriek - categorie 4.1.

Afbeelding 2.2: Uitsnede uit bestemmingsplan 'Klaprozenbuurt', plangebied binnen de rode lijn (bron: ruimtelijkeplannen). Wijzigingsbevoegdheden Omdat een aanmerkelijk deel van het te transformeren terrein de komende jaren nog zal worden bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 13

gebruikt ten behoeve van de bestaande bedrijvigheid is er in het bestemmingsplan Klaprozenbuurt voor gekozen om de nieuwe ontwikkelingen door middel van wijzigingsbevoegdheden op te nemen. Op die manier kan er bij een voldoende concrete ontwikkeling, die voldoet aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden en milieutechnisch inpasbaar is, mee worden gewerkt door middel van een wijzigingsplan. In de wijzigingsregels is het totaalprogramma weergegeven dat binnen de verschillende wijzigingsgebieden tezamen kan worden gerealiseerd. Per wijzigingsbevoegdheid is een deelprogramma van de totale ontwikkeling opgenomen. Zoals aangegeven in 1.1 volstaan de wijzigingsregels niet overal voor de beoogde uitontwikkeling van het plangebied. Paraplubestemmingsplan 'Grondwaterneutrale kelders' Het beleid ten aanzien van grondwaterneutrale kelders is in 2021 vastgelegd door middel van het paraplubestemmingsplan 'Grondwaterneutrale kelders' (vastgesteld op 7 oktober 2021). De basis hiervoor wordt gevormd door het Afwegingskader Grondwaterneutrale kelders Amsterdam waarmee wordt getracht ongewenste ruimtelijke effecten en daarmee schade als gevolg van aanleg van kelders te voorkomen. Voorbereidingsbesluit Darkstores/flitsbezorgers De gemeenteraad van Amsterdam heeft op 26 januari 2022 het voorbereidingsbesluit darkstores met flitsbezorging genomen.

Besloten is dat een paraplubestemmingsplan wordt voorbereid voor een gebied dat bestaat uit het gehele grondgebied van Amsterdam. Met het voorbereidingsbesluit wordt bepaald dat het voor het gehele grondgebied van Amsterdam verboden is om het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen naar vormen van bedrijfsvoering die blijkens hun reclame-uiting, presentatie, assortiment of bedrijfsvoering zijn te kwalificeren als zogenoemde flitsbezorgdiensten vanuit darkstores. Waarbij darkstores en flitsbezorgdiensten bijzondere vormen van bedrijfsvoering zijn die niet zijn gericht op het klassieke winkelen, in de zin dat mensen ter plaatse komen om producten te vergelijken en uit te kiezen, en worden als volgt gedefinieerd: a. flitsbezorgdiensten zijn bezorgdiensten van online bestelde consumentenproducten, met de bedoeling deze binnen zeer korte termijn te bezorgen, bij de besteller; b. darkstores zijn overwegend opslagruimtes met consumentenartikelen, veelal dagelijkse goederen, al dan niet met een afhaalloket of afhaalbalie, niet of slechts in zeer beperkte mate toegankelijk voor winkelend publiek; Het voorbereidingsbesluit is met ingang van 27 januari 2022 in werking getreden en geldt voor een periode van één jaar.

Voorbereidingsbesluit hyperscale datacenters Voor het gehele grondgebied van de gemeente Amsterdam geldt het voorbereidingsbesluit 'hyperscale datacenters' zoals vastgesteld op 16 februari 2022. Dit plan beoogd in voorbereiding van een algemene maatregel van bestuur, de komst van nieuwe hypercale datacenters tegen te gaan.

Gemeente Amsterdam

blz. 14

2.4

Beschrijving van het plangebied

2.4.1

Ruimtelijke opbouw

Het plangebied wordt gekenmerkt door twee structuurelementen, namelijk de wegen- en waterstructuur. Ten zuiden van het plangebied ligt de Klaprozenweg wat een belangrijke doorgaande (stroom)weg van oost naar west is. Ten noorden van het plangebied ligt de Metaalbewerkerweg, een weg naar de noordkant van het stadsdeel (Landsmeerderdijk). En tenslotte aan de oostkant ligt de Floraweg die een belangrijke ontsluiting richting het westen van het stadsdeel is. De Klaprozenweg is in 2018 geherprofileerd. Een ander structuurelement in het plangebied is het water. Hoewel in het plangebied niet veel oppervlaktewater aanwezig is, ligt het plangebied nabij de belangrijkste scheepvaartverbinding die bestaat uit het Noordhollandsch kanaal en daarop volgende kanalen. Zijkanaal I wordt niet meer als vaarroute gebruikt en heeft nu de functie als gracht ten behoeve van waterberging die rondom de gerealiseerde woonwijken loopt en is daarmee onderdeel gaan uitmaken van het woonmilieu. Rondom het plangebied bevinden zich diverse waterlopen die naast een utilitaire ook een recreatieve betekenis hebben gekregen. De openbare ruimte binnen het plangebied Metaalbewerkerweg en omgeving is enige jaren terug geherprofileerd. Hoewel dit ten koste is gegaan van de grootte van de openbare ruimte, oogt deze nog steeds weids. 2.4.2

Functionele opbouw

In de wederopbouwperiode van de vorige eeuw is het plangebied Metaalbewerkerweg en omgeving in ontwikkeling gekomen. Aanvankelijk maakte het plangebied deel uit van het gezoneerde industrieterrein Johan van Hasseltterrein-west. Dit industrieterrein bood ruimte aan zware industrie en havengebonden bedrijvigheid. Pas in 2008 maakt het plangebied Metaalbewerkerweg en omgeving geen deel meer uit van dit gezoneerde industrieterrein doordat met de vaststelling van het bestemmingsplan Eerste herziening, Banne Buiksloot de zogenaamde 'grote lawaaimakers' zijn uitgesloten. Dit maakte overigens mede de weg vrij om het gebied Buiksloterham van werken naar wonen te transformeren. Het plangebied Metaalbewerkerweg en omgeving heeft min of meer altijd een werkfunctie gehad. Deze functie heeft zich in de loop der tijd en allerlei ontwikkelingen als het ware geëvolueerd van industrieterrein naar bedrijfsterrein waar zich kleine (stadsverzorgende) bedrijven hebben gevestigd gecombineerd met de vestiging van grootschalige (perifere) detailhandel.

2.5

Geschiedenis van het plangebied

De Metaalbewerkerweg en omgeving bevindt zich in de Buiksloterhampolder en voor een klein deel in het IJ. Voordat deze polder in de 19de eeuw werd drooggelegd, was dit gebied onderdeel van de waterloop van het IJ. Het huidige stroomgebied van het IJ was het resultaat van landschappelijke ontwikkelingen in de 12de - 14de eeuw. Tijdens stormvloeden in die periode werd onder meer de veenrug tussen het Oer-IJ en het Almere, het huidige IJsselmeer, weggeslagen en werd het oorspronkelijke smalle IJ aanzienlijk breder door veenafslag.

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 15

Afbeelding 2.3 De ligging van het plangebied (geel) weergegeven binnen een reconstructie van de middeleeuwse ontwikkeling van het IJ waarbij de oorspronkelijke smalle waterloop (zeer lichtblauw) zich door stormvloeden in de 12 de eeuw (lichtblauw) en 14 de eeuw (donkerblauw) verbreedde, met de zeedijk (rood) uit circa 1350. Vanaf de Middeleeuwen tot aan het einde van de 19de eeuw was het IJ de belangrijkste vaarroutetussen Amsterdam en Haarlem. Vooral werd in toenemende mate gebruik gemaakt van het IJ voor het transport en de overslag van goederen in de Amsterdamse haven die zeeschepen aanvoerden via de Zuiderzee en de vaargeulen langs Pampus. De Buiksloterham was een inham aan de noordkant van het IJ tussen de landtong De Nes in het westen, de landtong Volewijk in het oosten en de eeuwenoude Waterlandse Zeedijk, die rond 1300 op grote lijnen haar huidige vorm kreeg en nog altijd als zodanig herkenbaar is, aan noordkant. Het gebied was sinds 1819 in gebruik als stortplaats voor baggergrond uit de Amsterdamse havens en grachten. De gemeente Amsterdam begon in 1848 als werkverschaffingsproject met de drooglegging van de Buiksloterham, maar het werk werd al snel wegens geldgebrek stil gelegd, waarna in 1851 F.W.J. Beukelaar als particulier de concessie kocht voor de inpoldering inclusief de uitgevoerde werken en de rechten op ondergrond.

Door hem werd de polder ingedijkt en drooggemalen. De nieuw gewonnen grond kreeg een agrarische bestemming. In 1877 werden alle polders in Noord bij wet van 1877 bij de gemeente Amsterdam gevoegd.

Gemeente Amsterdam

blz. 16

Afbeelding 2.4 Het plangebied (rood omlijnd) op de Topografisch Militaire Kaart uit 1854 een verkaveling van percelen haaks hierop. Nadat de polder weer Amsterdams bezit was geworden, besloot men het te bestemmen tot industriegebied met tentoonstellingsruimte en later ook tot woongebied. Rond 1900 ontstond ruimtebehoefte voor ondermeer grote scheepswerven, toeleverende bedrijven en grootschalige fabrieken. In 1901 stelde het gemeentebestuur daarom de 'Commissie voor het ontwerpen van een plan tot uitbreiding van de bebouwde kom der gemeente Amsterdam benoorden het IJ' in. Een groot deel van de Buiksloterham werd daarin omgevormd tot industrieterrein met in het oostelijke deel woningbouw (zoals de Van der Pek- en Bloemenbuurt).In 1906 werd dit plan vastgesteld. Uiteenlopende bedrijven vestigden zich in de loop van de 20e eeuw van zuid naar noord in de rest van de polder, waarbij de meest recente bedrijven ten noorden van de Klaprozenweg kwamen. Daaronder bevond zich het eerste olieopslagbedrijf van Amsterdam, precies op de plek van het latere Shell Research Laboratorium - nu Overhoeks, de Nederlandse Vliegtuigfabriek Fokker aan de Papaverweg en de Amsterdamse Vuilverbrandingsinstallatie aan het Papaverkanaal. Verder waren er ook enkele publieke functies waaronder tentoonstellingsterreinen en horeca maar die waren allemaal voor 1940 alweer verdwenen.

Wegens niet aflatende twijfels of de investeringen ook wel de verwachte opbrengsten op zouden leveren, liet het stadsbestuur echter na haar plannen uit 1906 op een consequente wijze uit te voeren. Het Hoofdkanaal (1919 Johan van Hasseltkanaal) dat oost-west door de Buiksloterham had moeten lopen, werd vanaf 1908 deels gegraven, maar nooit voltooid. De ruimtelijke ontwikkeling van de Buiksloterhampolder wordt vanaf 1906 gekenschetst door een hoofdstructuur van insteekkanalen en wegen en de uitvoering van enkele (spoor)pontveren, waaronder het Distelveer. Hiermee ging de oorspronkelijke structuur van de polder geheel verloren: om de grond bouwrijp te maken hoogde men het terrein flink op en de nieuwe structuur had niets met de oude te maken. Alleen de Grasweg volgt nog de loop van de zuidwestelijke ringdijk en ringsloot rond de polder. Binnen het plangebied werd rond 1920 het Buiksloterkanaal gegraven dat in de jaren 30 echter weer gedempt werd. Sinds 1963 loopt hier de Slijperweg. Het gebied Metaalbewerkerweg e.o. staat in de partiële herziening van het noordelijk gedeelte van het Algemeen Uitbreidingplan uit 1959 als 'nog te ontwikkelen industrieterrein'. In het bestemmingsplan Banne Buiksloot (1969) is voor het eerst de huidige verkaveling te zien.

Waterlandse Zeedijk De Waterlandse Zeedijk is een uniek cultuurhistorisch en landschappelijk element, dat de bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 17

ontstaansgeschiedenis van Noord vertelt: een stadsdeel dat ontstaan is langs de kenmerkende dijkdorpen in een structuur van lintbebouwing. De Waterlandse Zeedijk is afgebouwd rond 1300 en wordt aangemerkt als provinciaal monument. Op de Waterlandse Zeedijk waren verschillende lintdorpen gelegen, waaronder Buiksloot. De dijkdorpen grensden enerzijds aan het open water (de huidige Buiksloterham) en anderzijds aan veeweide gebied (de huidige Banne). Op het onderdeel van de Waterlandse Zeedijk binnen het plangebied stonden tientallen binnendijkse dijkwoningen, onderdeel van het dijkdorp Buiksloot. Ten behoeve van een oost-west autoverbinding zijn deze dijkwoningen in de jaren '60 gesloopt. De oorspronkelijke dijk is alleen opgehoogd met een breder wegtalud. De autoverbinding is uiteindelijk nooit gerealiseerd. De Waterlandse Zeedijk ter hoogte van het plangebied is als zodanig nauwelijks nog herkenbaar, ook door het dichtgegroeide bosplantsoen op de dijk. In het bestemmingsplan Banne Buiksloot II is in dat kader een dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie opgenomen, waarin de volgende te beschermen waarden zijn opgenomen: De typerende lintbebouwingsstructuur met enkele verbindingen naar het benedendijkse land; Het groene en waterrijke karakter dat gedragen wordt door het zicht op de water- en groenpartijen; Hoogteverschillen met het omringende land.

Afbeelding 2.5 Kaart uit de jaren '30 met het oorspronkelijk dijklandschap inclusief dijkbebouwing. NB: op deze kaart worden twee delen van de Waterlandse Zeedijk weergegeven. Het bovenste gedeelte is het oorspronkelijk dijklandschap in het plangebied; het onderste gedeelte ligt meer naar het oosten, buiten het projectgebied. Credits: Allard Pierson Museum

Gemeente Amsterdam

blz. 18

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 19

Hoofdstuk 3

Beleidskader

Voor de beschrijving van het beleidskader wordt verwezen naar het moederplan met uitzondering van de hieronder opgenomen paragrafen die aandacht besteden aan nieuw beleid sinds het vaststellen van het bestemmingsplan Klaprozenbuurt (1).

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als rijksstructuurvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland. De NOVI richt zich op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten. De NOVI helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes: Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken; Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Het voorliggende bestemmingsplan is in lijn met de ambities en doelstellingen zoals die volgen uit de NOVI.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Provinciale Omgevingsverordening NH2020

Op 17 november 2020 is de Omgevingsverordening NH2020 van de provincie Noord-Holland in werking getreden. De omgevingsverordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. De provinciale Omgevingsverordening (POV) geeft een verdere invulling van de hoofdambitie van de Omgevingsvisie, een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De regels geven de kaders waarbinnen deze ruimte voor afweging en maatwerk mogelijk is en zijn in overeenstemming met de ontwikkelprincipes en ambities zoals verwoord in de Omgevingsvisie. Deze regels zijn er onder andere op gericht om zoveel mogelijk binnenstedelijk te verdichten en het landschap te behouden en beschermen. In de POV is de provinciale regelgeving (zoals ten aanzien van milieu en luchthavens) beleidsneutraal omgezet ten opzichte van de voordien geldende provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). Het beleidsneutrale karakter betekent dat de in de PRV geldende regelgeving zonder aanpassing van de normstelling en met een gelijkwaardig beschermingsniveau is overgezet in de integrale POV. Waar nodig zijn de regels wel verduidelijkt en vereenvoudigd. De provincie werkt overigens aan de opvolger van de Omgevingsverordening NH2020; de Omgevingsverordening NH2022.

Deze zal tegelijk in werking treden met de Omgevingswet, naar verwachting op 1 januari 2023. Ook de Omgevingsverordening NH2022 is gericht op een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid, zoals omschreven in de Omgevingsvisie NH2050. In de provinciale omgevingsverordening is (gelet op artikel 1.1.1 eerste lid onder h. van het Besluit

Gemeente Amsterdam

blz. 20

ruimtelijke ordening) het gehele onderhavige plangebied aangemerkt als bestaand stedelijk gebied: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Blijkens de toelichting van de POV zijn gemeenten verplicht om bestemmingsplannen voor het bestaand stedelijk gebied te maken en hebben zij bij de invulling daarvan een grote mate van beleidsvrijheid. Dit laatste geldt zowel ten aanzien van het voldoen aan de huisvestingsvraag als het voldoen aan voldoende en gedifferentieerde ruimte voor economische activiteiten. Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Amsterdam 2050

Op 8 juli 2021 is de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 'Een menselijke metropool' vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. De Omgevingsvisie beschrijft de gewenste ruimtelijke toekomst van Amsterdam tot 2050. Hierbij is uitgegaan van een aanhoudende groei van de bevolking en economie in de Metropoolregio Amsterdam. De opgave is om de woningmarkt in balans te brengen, de economie te vernieuwen, de werkgelegenheid te herstellen en de verduurzaming en klimaatbestendigheid van de stad te versnellen. Daarbinnen neemt Amsterdam haar verantwoordelijkheid door in bestaand stedelijk gebied ruimte te bieden voor 150.000 extra woningen, 300.000 extra Amsterdammers en 200.000 extra arbeidsplaatsen, plus alle daarbij behorende stedelijke voorzieningen. Gezien de ambities en de schaarste van ruimte en financiën maakt het bestuur vijf strategische keuzes: 1. Meerkernige ontwikkeling Van uitrol centrumgebied naar een meerkernige en meer diverse verstedelijking Regionale spreiding stedelijke voorzieningen en werkgelegenheid. Onderscheidende ontwikkeling Nieuw-West, Zuidoost en Noord. Twee bruggen over het IJ en een regionaal fietsnetwerk.

2. Groeien binnen grenzen Verdichting door complete en duurzame wijkontwikkeling Ruimte voor 150.000 woningen erbij in complete buurten. Verduurzamen bestaande buurten en woningen. Behoud van productieve bedrijvigheid in Amsterdam. Ruimte voor schone energie en duurzame initiatieven. Verduurzaming van de haven.

3. Duurzaam en gezond bewegen Heel Amsterdam een ov-, wandel- en fietsstad Een leefomgeving die uitnodigt tot ontmoeting, spelen en bewegen. Meer ruimte voor fietsers en voetgangers. Auto's zijn te gast. Verkeerswegen (Gooiseweg, Lelylaan, Burg. Roellstraat) worden groene stadslanen begeleid door

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 21

bebouwing. Schaalsprong metro- en treinnet en vervoerhubs om stad en rest van de regio te verbinden.

4. Rigoureus vergroenen Een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving voor mens en dier Openbare ruimte zo groen mogelijk inrichten. Ontwikkeling parken (Hondsrugpark, Gaasperdakpark, Marineterrein, Zuidasdokpark en NDSM-Oost). Groene routes en ecologische verbindingen. Investeren in het landschap: natuurontwikkeling, kringlooplandbouw, en ruimte voor sporten en bewegen. Beschermen van rust- en ruigtegebieden (Oeverlanden, Bretten, Diemerbos)

5. Samen stadmaken. Richting geven op hoofdlijnen en ruimte bieden aan initiatief Gelijkwaardige (digitale) informatiepositie bij planvorming. Buurtbatenovereenkomsten en buurtomgevingsvisies. Grotere rol Amsterdammers bij beheer en ontwikkeling. Ruim baan voor wooncooperaties: naar 10% van de woningvoorraad in 2040. De Omgevingsvisie bestaat uit vier delen: 1. Visie Deze beschrijft de ontwikkeling van Amsterdam en de regio, de grote opgaven en de visie tot 2050, waarbij de hiervoor genoemde vijf strategische keuzes centraal staan. 2. Waar Dit deel behandelt de ruimtelijke koers bij de visie van de stad als onderdeel van de regio en geeft per stadsdeel een beknopte uitwerking en een adaptieve ontwikkelstrategie op hoofdlijnen. Hier zijn de regionale visiekaart en het ruimtelijk beeld van de stad en agglomeratie opgenomen. Deze zijn als ruimtelijk-programmatisch kader uitgewerkt in een serie kaarten. 3. Wat Dit deel geeft een overzicht van het Amsterdamse beleid voor de leefomgeving. Per sectoraal thema wordt aangegeven welke nieuwe richtingen verkend moeten worden. 4. Hoe Dit deel gaat over de doorwerking van de omgevingsvisie. Het agendeert veranderopgaven voor onze organisatie en in de samenwerking met samenleving, markt en andere overheden die nodig zijn om de visie uit te voeren.

In de visiekaart die bij de Omgevingsvisie hoort is het plangebied aangewezen als 'gemengde stadsbuurt'.

Gemeente Amsterdam

blz. 22

Afbeelding 3.1 - Visiekaart Omgevingsvisie Amsterdam 2050 (gemengde stadsbuurt) Een gemengde stadsbuurt voorziet in ontwikkeling van woonbuurten met een stedelijke dichtheid en een flink aandeel niet-wonen (vooral in plinten en af en toe in een groter gebouw). Groen krijgt een plek in de straten, parkjes en langs watergangen.

Afbeelding 3.2 - Visiekaart Omgevingsvisie Amsterdam 2050 (productieve wijk) Productieve wijk: In deze nieuwe gemengde stadsbuurten is naast woningbouw ruimte voor behoud van bestaande en voor nieuwe productieve bedrijvigheid. Conclusie:

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 23

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid. De essentiële beleidsonderdelen uit de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 worden bij de desbetreffende thema's besproken. 3.3.2

Groenvisie 2020-2050

Op 21 december 2020 heeft de gemeenteraad de 'Groenvisie 2020-2050, Een leefbare stad voor mens en dier' vastgesteld. De Groenvisie schetst een beeld van Amsterdam als groene stad en hoe dit zich tot 2050 verder kan ontwikkelen. Groen in de stad levert een essentiële bijdrage aan de gezondheid en het sociale welzijn van de bewoners. In de visie van Amsterdam wordt daarom gestreefd naar verbinding en verbetering van het groen in de stad, met als doel een sterke groene structuur. De groenstructuur moet bestaan uit een gevarieerd palet van bloemen tot bomen, van rustige tot drukkere gebieden, van ecologisch groen tot speelgroen. In de publieke en in de private buitenruimte moet geleidelijk een samenhangend groen netwerk ontstaan waarin en waarlangs men kan bewegen en elkaar kan ontmoeten. Die groene structuur wordt gerealiseerd door waardevol groen te behouden, groen toe te voegen waar dat kan, en groen zo aan te leggen dat het meer waarde heeft voor mens en dier. Groen draagt ook bij aan de opgave om hitte te dempen en om het toenemende regenwater als gevolg van de verandering van het klimaat op te vangen. En groen draagt bij aan een grotere biodiversiteit. De Groenvisie streeft daarmee naar het beter maken van de stad: een prettiger plek om te leven, gezonder, socialer, ecologisch sterker en duurzamer.

De hoofdlijnen van de Groenvisie zijn verbeeld op een schetskaart met de ambities voor 2050. De schetskaart vormt een bouwsteen voor de Omgevingsvisie en de herziening van de Hoofdgroenstructuur, en vormt het bovenwijkse kader voor uitwerkingen op gebiedsniveau.

Gemeente Amsterdam

blz. 24

Afbeelding 3.3 Toekomstperpectief op de groene structuur van Amsterdam De uitwerking op gebiedsniveau is maatwerk en is afhankelijk van wat gewenst en mogelijk is op een specifieke plek in de stad. De Groenvisie wordt daarom vertaald naar de praktijk van stadsdelen, gebieden en buurten. Per stadsdeel wordt een kaart gemaakt met daarop de kansen voor groen. Projecten die veel kunnen bijdragen aan de ambities van de Groenvisie worden eerder uitgevoerd. De uitwerking per gebied gebeurt in het kader van het Uitvoeringsprogramma Groen. Hiermee is in 2020 een start gemaakt. Bij de gebiedsuitwerkingen worden de volgende vier principes gehanteerd: 1. Zorgen voor genoeg gevarieerd groen voor iedereen: Parken en landschappen zijn goed bereikbaar via groene routes. 2. Zorgen voor groen dat bijdraagt aan verschillende opgaven: Een goed ingericht en beheerd park kan een prettige plek zijn voor veel bezoekers en tegelijk waardevol zijn voor de natuur. 3. De stad wordt natuurinclusief aangelegd en beheerd: Amsterdam als natuurgebied zorgt voor een toename van wilde planten en dieren in de stad. 4. Aan groen wordt samengewerkt: Bewoners, bedrijven en organisaties worden aangemoedigd om (binnen)tuinen, gevels en daken groener te maken en ecologisch te beheren. Dit levert tevens een bijdrage aan het klimaatbestendig maken van de stad.

Daarnaast wordt de huidige Hoofdgroenstructuur (HGS), zoals die is opgenomen in de Structuurvisie 2040, geactualiseerd. Met de nieuwe HGS wordt gestreefd naar een aaneengesloten netwerk. Waar mogelijk worden de Ecologische structuur, de Hoofdbomenstructuur, het Groennet en de Groene bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 25

straten- en padenkaart in de nieuwe HGS geïntegreerd. Het bestemmingsplan voorziet in de aanleg / versterking van het Buiksloterdijkpark, groene beloopbare binnentuinen in de bouwblokken en openbaar groen tussen de bouwblokken. Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 26

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 27

Hoofdstuk 4

Het ruimtelijk kader

4.1

Programma Klaprozenbuurt 2

4.1.1

Inleiding

Op 22 januari 2020 is de Investeringsnota Klaprozenbuurt vastgesteld en vervolgens op 13 februari 2020 het bestemmingsplan Klaprozenbuurt en de reparatie van dat plan zoals vastgesteld op 16 juni 2021. Het bestemmingsplan is de planologisch-juridische vertaling van programma en stedenbouwkundige opzet zoals vastgelegd in de Investeringsnota. Voorliggend bestemmingsplan Klaprozenbuurt 2 heeft net als het bestemmingsplan Klaprozenbuurt (1) de Investeringsnota Klaprozenbuurt als basis. 4.1.2

Programma wonen

Het woonprogramma gaat uit van 40% sociale huur, 40% middensegment en 20% vrije sector. Binnen het programma sociale huur worden verschillende woninggroottes nagestreefd die toegankelijk zijn voor jongeren, starters, gezinnen en doorstromens (vaak ouderen) uit omliggende buurten. 10% van alle sociale huurwoningen wordt toegewezen aan kwetsbare groepen. Binnen de sociale huur wordt rekening gehouden met een evenwichtige spreiding door de buurt. In het middensegment wordt ingezet op twee- en driekamerwoningen, huur en koop. Middeldure woningen bieden kansen voor de instroom van werkenden naar Amsterdam en voor stellen om de eerste stap te zetten in het samenwonen. De middeldure huurwoningen dienen minimaal 25 jaar in het middensegment te blijven. In het vrije sector segment wordt ingezet op zowel huur als koop, waarbij de voorkeur geldt voor zoveel mogelijk koop. Er dient een goede mix te komen van middelgrote en grotere woningen. In ieder geval komt er een deel koopwoningen met als doelgroep gezinnen. 4.1.3

Programma economie

In het plangebied Klaprozenbuurt 2 is een totaalprogramma mogelijk van 20.410 m2 bvo economie. Omdat er in Amsterdam al veel bedrijven moeten verplaatsen en dreigen te verdwijnen, is het de ambitie om in de nieuwe gemengde stadsbuurt voldoende ruimte te creëren voor de huidige en nieuwe bedrijvigheid. Het economisch programma bestaat uit productiebedrijven in milieucategorie 1, 2 en 3.1, creatieve bedrijvigheid, horeca, dagelijkse detailhandel waaronder twee supermarkten, niet-dagelijkse detailhandel, perifere detailhandel, persoonlijke en zakelijke dienstverlening. In hoofdzaak worden het economisch programma in de plinten gesitueerd. De Klaprozenweg en Ridderspoorweg worden ontwikkeld tot stadsstraat met actieve en levendige plinten. Langs de Klaprozenweg zijn hoofdzakelijk de verschillende detailhandel-vormen gesitueerd en daarnaast horeca, commerciële sport en persoonlijke en zakelijke dienstverlening. Direct noordwestelijk van de kruizing Floraweg/Klaprozenweg komt een cluster dagelijkse detailhandel met twee supermarkten. Voor productieve en creatieve bedrijvigheid wordt hoofdzakelijk ruimte de achterliggende straten (Draaierweg, Slijperweg, Polijsterweg) bestemd. Bovenop de plintruimten wordt gewoond. 4.1.4

Programma maatschappelijk

Het programma Maatschappelijk bestaat uit een school voor basisonderwijs en een aantal buurtgerichte voorzieningen.

Gemeente Amsterdam

blz. 28

4.2

Stedenbouwkundige aspecten

Het ruimtelijk-stedenbouwkundig kader is vastgelegd in de Investeringsnota Klaprozenbuurt, vastgesteld op 22 januari 2020 door de gemeenteraad van Amsterdam. Gemengde stadsbuurt Het stedenbouwkundig plan gaat grotendeels uit van gesloten bouwblokken, met het commercieel en maatschappelijk programma in de plint en daarboven woningen. Er wordt een stedelijke bebouwingsdichtheid mogelijk gemaakt. Gemiddeld betekent dat grofweg zes bouwlagen per bouwblok over het hele plangebied. De bouwhoogtes variëren echter per perceel, zodat er een wisselend straatbeeld ontstaat. De geslotenheid van de bouwblokken levert altijd voorkanten aan de openbare ruimte, waarmee de buurt een continue stedelijke kwaliteit heeft in het straatbeeld. Binnen de gesloten bouwblokken zijn er binnentuinen voorzien op de begane grond of in de vorm van een daktuin. Op het scharnierpunt van Bloemenbuurt, de Waterlandse Zeedijk, het (nieuw aan te leggen) dijkpark en de Klaprozenbuurt komt een woontoren van maximaal 50 meter hoog, als onderdeel van een gesloten bouwblok. Hier wordt een woontoren voorgesteld van maximaal 50 meter bouwhoogte. Langs de Klaprozenweg worden nog enkele enkele hoogte-accenten voorgesteld tot maximaal 35 meter. De stedelijkheid van het toekomstig gebied is met name zichtbaar aan de zuidzijde van het plangebied, waar de meeste economische voorzieningen (plintfuncties) worden gesitueerd.

Noordelijker ontstaat een meer groen karakter en komen de woningen aan het dijkpark te liggen. Hier zijn ook enkele groene, autoluwe speelstraten voorzien. Stratenpatroon Het stedenbouwkundig plan handhaaft zo veel mogelijk het bestaande stratenpatroon in het plangebied. Daarnaast zijn voor een meer stedelijk milieu, kleinere bouwblokken wenselijk ter bevordering van een goed woon- en leefklimaat. Er worden daarom enkele aanpassingen gedaan in het bestaande stratenpatroon: Het opheffen van de Vuurwerkerweg; Het opheffen van de Metaalbewerkerweg; dit wordt onderdeel van het dijkpark; De Klimopweg verbinding tussen de Klaprozenweg en de Heggerankweg blijft in stand, maar de Klimopweg langs de voormalige school wordt autovrij om sluipverkeer uit te sluiten; Het doortrekken van de Polijsterweg naar het noorden, door het bestaande bouwblok heen; De aanpassing van de kruising Kamperfoelieweg/Floraweg; dit valt echter net buiten de bestemmingsplangrenzen van het voorliggende bestemmingsplan. Stadsstraat Klaprozenweg De Klaprozenweg wordt heringericht als stadsstraat. Deze straat heeft krijgt naast een belangrijke doorstroomfunctie voor Noord ook een verblijfsfunctie. Voor de stadsstraat Klaprozenweg is de visie "Uitwerking Samenhang Stadsstraat Klaprozenweg e.o." opgesteld, die als onderlegger wordt gebruikt bij de verschillende gebiedsontwikkelingsprojecten in Noord.

In dit document zijn verschillende richtlijnen opgenomen voor de Klaprozenweg, waarvan de belangrijkste voor het plangebied Klaprozenbuurt zijn: De straat krijgt actieve en levendige plinten; De oversteekbaarheid van de straat voor voetgangers en fietsers wordt verbeterd; De concentratie van het niet-wonen programma ligt aan de noordzijde van de straat, goed gelegen op de zon. Aan deze noordzijde wordt gestreefd naar een aaneengesloten wand van niet-woonfuncties op de begane grond met een plint van minimaal 4.5 meter hoog; bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 29

Het hart van de straat met een OV-halte bevindt zich op de kruising met de Ridderspoorweg/Floraweg. De kruising Klaprozenweg/Floraweg aan de noordzijde van de Klaprozenweg leent zich goed voor een detailhandelscluster; Voor de plint van de stadsstraat aan de noordzijde kan gedacht worden aan de functies horeca, detailhandel, perifere detailhandelsvestigingen (PDV), persoonlijke en zakelijke dienstverlening en commerciële sport; Productiebedrijven, creatieve bedrijven (veelal gevestigd in kleinschalige kantoorruimte gelegen op hogere verdiepingen), culturele en maatschappelijke voorzieningen kunnen elders in de aangrenzende buurten ruimte vinden; Hogere elementen dan 23 m zijn mogelijk langs de Klaprozenweg, maar deze elementen liggen in de 2e lijn, tot 30 meter hoogte minimaal 2 meter terug t.o.v. de voorgevelrooilijnen en bij nog hogere bebouwing minimaal 5 meter terug. Hierdoor dringt de hoogbouw zich niet op aan de straat en is er ook een prettiger verblijfsklimaat op de straat die niet verstoord wordt door valwinden vanaf de hoogbouw. Dijkpark De omgeving van de Waterlandse Zeedijk, inclusief het landje nabij de Woonschepenhaven, wordt ingericht als dijkpark. Het dijkpark kan worden gezien als het begin van de Groene Kadoelerscheg, een opening naar het groene landschap van de Kadoelerbreek en verder het Waterland.

De verblijfskwaliteit in deze bestaande groene omgeving wordt aanzienlijk verbeterd en het dijkpark wordt straks een ontmoetingsplek voor omwonenden en gebruikers. Op het in het plangebied gelegen deel van de Waterlandse Zeedijk zijn in de jaren '60 tientallen dijkwoningen gesloopt ten behoeve van een beoogde oost-west autoweg. Deze verbinding is uiteindelijk nooit gerealiseerd, maar het brede weglichaam is wel blijven gehandhaafd en inmiddels dichtgegroeid. De Waterlandse Zeedijk is als zodanig nog maar nauwelijks herkenbaar. Een belangrijke opgave in Amsterdam Noord is juist accentueren van de Waterlandse Zeedijk. De Waterlandse Zeedijk wordt als landschappelijk element zichtbaar en ervaarbaar gemaakt door: het verlagen en tailleren van het oorspronkelijk wegtalud, zodat er een smaller dijkprofiel wordt teruggebracht; het verplaatsen van de bestaande fiets- en wandelroute van onder naar boven op de dijk; het plaatsen van een dubbele bomenrij op de dijk. Ter hoogte van de Kamperfoelieweg / Marjoleinbuurt is de Waterlandse Zeedijk vrijwel onherkenbaar geworden door het doorkruisen van de Kamperfoelieweg, verschillende fietsverbindingen en het Over 't IJ college. De Kamperfoelieweg kruist de dijk straks met een knip/coupure door de dijk. De fietser en wandelaar kunnen ongestoord doorfietsen en doorwandelen over de dijk door de aanleg van een fietsviaduct/brug.

De wandel- en fietsroute zijn in het nieuwe stedenbouwkundige ontwerp letterlijk superieur aan de autoweg. In het stedenbouwkundig ontwerp wordt de dijk met een of twee gebouwen die refereren aan de Waterland-architectuur aangezet. Spelregels voor transformatie De Klaprozenbuurt is een bestaand gebied met 58 kavels die in hoofdzaak in erfpacht zijn uitgegeven, en enkele vol eigendom kavels. De ontwikkelstrategie zet in op zoveel mogelijk zelfrealisatie door bestaande erfpachters en eigenaren. Voor elke kavel geldt een volumevoorstel op basis van de bouwblokken die voorzien zijn op de hoofdplankaart van de Investeringsnota Klaprozenbuurt. Voor het ontwerp van de bouwblokken en percelen zijn verdere spelregels opgesteld in de Investeringsnota Klaprozenbuurt, onder meer op gebied van programma, duurzaamheid en technische aspecten. De hoofdplankaart van de Investeringsnota is kaderstellend en geeft richting aan de bouwhoogtes en bouwdieptes van de individuele kavels en gebouwen. Maar omdat de gebiedstransformatie inzet op

Gemeente Amsterdam

blz. 30

zelfrealisatie, en vanwege het versnipperde grond bezit in de Klaprozenbuurt met veelal kleine kavels, is ook enige stedenbouwkundige vrijheid en flexibiliteit gewenst in de uitwerking van de plannen door ontwikkelende partijen. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat er minder bouwdiepte wordt gerealiseerd en een bouwlaag t.o.v. de hoofdplankaart van de Investeringsnota wordt toegevoegd, en vice versa. De bestemmingsplan verbeelding is om deze reden niet 1-op-1 overgenomen van de hoofdplankaart van de Investeringsnota. Op sommige kavels is een hogere maximale bouwhoogte op genomen dan op de Investeringsnota plankaart. Ten aanzien van de bouwdieptes is een generieke regeling getroffen: voor vrijwel alle kavels geldt eenzelfde bouwdiepte met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Privaatrechtelijk wordt gestuurd op de maximale brutovloeroppervlakken die volgen uit de hoofdplankaart van de Investeringsnota. Hoe deze exact vorm krijgen volgt uit de ontwerpprocessen samen met ontwikkelaars; deze gedachte is in overeenstemming met het zelfrealisatierecht. Zodra een gebouw vergund is met een bijbehorende bouwhoogte, geldt deze nieuwe bouwhoogte na verlening van de omgevingsvergunning (zie regel 3.2.1. onder d van de regels). De verbeelding van het bestemmingsplan gaat kortom uit van een 'maximaal model' t.a.v. de bouwhoogtes.

Om te borgen dat zelfs bij een maximaal model geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat, is een Bezonningsstudie gedaan van de verbeelding. Uit de afbeeldingen van de bezonningsstudie blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefklimaat van de beoogde woningen binnen en buiten het bestemmingsplangebied. De schaduwwerking op omliggende bebouwing beperkt zich tot een enkel moment aan de rand van de dag of in de winterperiode wanneer de schaduwen erg lang zijn maar de hoeveelheid zonuren sowieso beperkt. De gemeente Amsterdam heeft geen eigen normen voor bezonning. Er wordt voor de Klaprozenbuurt aangesloten op de normen van TNO. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam. De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Uit de bezonningsstudie blijkt dat het plan zowel ruimschoots voldoet aan de 'lichte' als aan de 'strenge' norm. Er vallen wel slagschaduwen over de woningen ten noord(oosten) van het plangebied in december, maar op dit tijdstip in het jaar is dat heel gebruikelijk in een stedelijke omgeving.

De gemeente acht de schaduw vanwege de nieuwe bouwblokken acceptabel.

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 31

Hoofdstuk 5 5.1

Milieu- en omgevingsfactoren

Inleiding

In het kader van het bestemmingsplan Klaprozenbuurt zijn onderzoeken uitgevoerd naar alle relevante milieu- en omgevingsfactoren. Dit nieuwe bestemmingsplan volgt kort op het vastgestelde bestemmingsplan Klaprozenbuurt. Een deel van de onderzoeken die in het kader van het moederplan zijn uitgevoerd zijn nog bruikbaar. Een ander deel van de onderzoeken dient opnieuw te worden uitgevoerd / aangevuld / geactualiseerd.

5.2

Milieueffectrapport

Voor het onderdeel MER wordt verwezen naar het moederplan Klaprozenbuurt. In het kader van dat plan is een 'M.e.r.-beoordeling' opgesteld waarin de milieu-effecten van de gehele ontwikkeling van de Klaprozenbuurt zijn beoordeeld, dus inlusief het programma waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft. De 'M.e.r.-beoordeling' concludeert dat er, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijk nadelige milieueffecten worden verwacht. Er is geen reden voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure.

5.3

Verkeer en parkeren

De voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied leiden tot een andere inrichting van het gebied en een toename van verkeer. Uit het in het kader van het bestemmingsplan Klaprozenbuurt (1) uitgevoerde verkeersonderzoek blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling geen nieuwe knelpunten ontstaan in de verkeersafwikkeling. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is een nieuw Verkeersonderzoek uitgevoerd. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de kruisingen van de Klaprozenweg met de Grasweg en met de Ridderspoorweg en de kruising van de Floraweg met de Kamperfoelieweg volgens de normen van doorstroming in de referentiesituatie al overbelast zijn. Door het extra programma van Klaprozenbuurt neemt de belasting op de kruispunten gering toe. Het is aan te bevelen om VRI's te laten optimaliseren. Voor fietsers en voetgangers worden met de ontwikkeling van het gebied maatregelen getroffen voor de verbetering van de verbindingen en de verkeersveiligheid. Het bestemmingsplan biedt voldoende ruimte voor een duurzaam veilige inrichting van het plangebied. De parkeervraag wordt hoofdzakelijk op eigen terrein ondergronds of in de eerste bouwlaag opgelost. Het verkeer en het parkeren leveren geen belemmering op voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 32

5.4

Geluid

5.4.1

Algemeen

Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Op grond van de Wet geluidhinder gelden zones rond geluidbronnen met een grote geluiduitstraling, zoals (spoor)wegen en industrieterreinen. De belangrijkste bestaande geluidzones bevinden zich langs bestaande wegen en spoorwegen, rond grote bestaande industrieterreinen en rondom bestaande luchtvaartterreinen. 5.4.2

Beleid en regelgeving

5.4.2.1 Wet geluidhinder Op 5 juli 2006 is de Wijzigingswet van de Wet geluidhinder aangenomen (Staatsblad 350, Wet van 5 juli 2006, houdende wijziging Wgh, modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase). De artikelen van de nieuwe wet zijn in werking getreden per 1 januari 2007. In de Wgh zijn geluidsnormen voor toelaatbare equivalente geluidsniveaus opgenomen. De geluidsnormen gelden voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen gelegen binnen de geluidszone van een (spoor)weg of industrieterrein. In de Wgh is aangegeven dat een akoestisch onderzoek moet worden verricht bij het voorbereiden van de vaststelling en/of herziening van een bestemmingsplan voor zover die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot een zone als bedoeld in de Wgh. Wanneer een nieuw (of gewijzigd) bestemmingsplan het mogelijk maakt geluidsgevoelige bebouwing in de geluidszone van een industrieterrein of (spoor)weg te realiseren, is een akoestisch onderzoek noodzakelijk naar de geluidsbelasting van een industrieterrein of spoor(weg) op geluidsgevoelige bebouwing. Indien de hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt overschreden, kan op grond van de Wgh een hogere waarde (ontheffing op de geluidsbelasting) worden verleend door het bevoegd gezag.

Voorwaarde is dat het toepassen van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zijn, of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard een rol spelen. Het toepassen van maatregelen dient in volgorde van prioriteit gericht te zijn op bronmaatregelen (geluiddempers, aanpassing wielen/spoor, aanpassing wegverharding en/of aangepaste rijsnelheden) en overdrachtsmaatregelen (geluidsschermen/geluidswallen). Wanneer sprake is van meerdere relevante geluidsbronnen, kan slechts een besluit hogere waarde worden vastgesteld voor zover de gecumuleerde geluidsbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. Verder dient, in het geval van ontheffing op de geluidsbelasting, de binnenwaarde worden gewaarborgd door het eventueel toepassen van gevelmaatregelen. 5.4.2.2 Wet milieubeheer Op bedrijven is de Wet milieubeheer (Wm) van toepassing, waarin ook het geluidsaspect wordt geregeld. De grotere bedrijven zijn vergunningplichtig krachtens de Wm, waarbij aan de vergunningvoorschriften ter voorkoming en beperking van geluidhinder kunnen worden verbonden.

Voor bedrijven op gezoneerde industrieterreinen wordt daarbij een relatie gelegd met de grenswaarden uit de Wgh, zoals die voor het 'gemiddelde geluidsniveau' gelden op de zonegrens (50 dB(A)) of in geval voor geluidsgevoelige functies hogere waarden zijn vastgesteld (maximaal 55 dB(A)). Voor bedrijven op niet-gezoneerde industrieterreinen is de beoordelingssystematiek beschreven in de 'Handreiking

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 33

Industrielawaai en vergunningverlening' van het voormalige Ministerie van VROM, waarbij in het algemeen wordt uitgegaan van een grenswaarde van 50 dB(A) ter plaatse van geluidsgevoelige objecten. Daarnaast biedt het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer het bevoegd gezag de mogelijkheid voor een inrichting afwijkende grenswaarden vast te stellen. Het merendeel van de (kleinere) bedrijven is niet vergunningplichtig krachtens de Wm, maar daarop is het Besluit Algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) van toepassing. In dit besluit zijn ook ten aanzien van geluid algemene regels geformuleerd, die in het algemeen neerkomen op een maximaal toegestane geluidsbelasting van 50 dB(A) ter plaatse van geluidsgevoelige objecten danwel op 50 meter afstand van de grens van de inrichting als er daarbinnen geen geluidsgevoelige objecten aanwezig zijn. 5.4.2.3 Indirecte hinder Volgens de 'Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening' kunnen eisen worden gesteld aan het geluid ten gevolge van de indirecte hinder van de inrichting. Onder indirecte hinder wordt verstaan: de nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt door activiteiten die, hoewel plaatsvindend buiten het terrein van de inrichting, aan de inrichting zijn toe te rekenen. Dit betreft in de praktijk met name het geluid door de transportbewegingen van (vracht)wagens.

Dit dient beoordeeld te worden als wegverkeersgeluid als beschreven in de Wet geluidhinder. Hiervoor geldt een streefwaarde voor het equivalente geluidniveau LAeq van 50 dB(A). Een maximale ontheffing is – onder voorwaarden – mogelijk tot 65 dB(A), hetgeen in een maatwerkvoorschrift voor de betreffende inrichting kan worden vastgelegd. 5.4.2.4 Amsterdams geluidbeleid Naast de wettelijke regelingen is door de gemeente Amsterdam geluidbeleid ontwikkeld voor het vaststellen van hogere waarden (2017). Op grond van de Wet geluidhinder is het mogelijk om voor nieuwe geluidgevoelige objecten een hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde vast te stellen. Voordat een hogere waarde wordt vastgesteld, moet eerst zijn onderzocht of maatregelen kunnen worden getroffen om een lagere geluidsbelasting te realiseren, waarbij de voorkeursvolgorde wordt gehanteerd: maatregelen aan de bron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen bij de ontvanger. Uitgangspunt van het Amsterdams geluidbeleid is dat iedere woning een stille zijde heeft. Dit uitgangspunt geldt alleen voor een woonfunctie, niet voor andere functies. Aan de stille zijde worden bij voorkeur de slaapkamers gesitueerd zodat met open raam of deur geslapen kan worden. Woningen waarvoor hogere waarden worden vastgesteld, moeten in principe beschikken over een stille zijde.

Een woning die moet worden uitgevoerd met een dove gevel, moet altijd zijn voorzien van een stille zijde (behoudens uitzonderlijke gevallen). Een hogere waarde kan niet altijd vermeden worden en zelfs een stille zijde is niet altijd mogelijk, maar wel blijft de bescherming van het woon- en leefklimaat van belang. Bij het ontwerpen van een bouwplan moet dat al worden meegenomen. Als dat redelijkerwijs niet haalbaar is, is een goede motivatie van groot belang, des te meer naarmate de geluidbelasting hoger is. Wanneer een locatie door verschillende geluidbronnen wordt belast tot boven de voorkeursgrenswaarde, moet cumulatie van alle geluid in de beoordeling worden betrokken. Het bevoegd gezag kan slechts hogere waarde vaststellen als de gecumuleerde geluidbelastingen (na correctie volgens de Wgh) niet leiden tot een naar hun oordeel onaanvaardbare geluidbelasting. De wet geeft geen maximale waarde bij cumulatie van geluidbelastingen. Er treedt een onaanvaardbare geluidbelasting op als de gecumuleerde waarde meer dan 3 dB hoger is dan de hoogste van de maximaal toegestane ontheffingswaarden. Wanneer gemotiveerd kan worden dat het bij een enkele weg redelijkerwijs niet mogelijk is om maatregelen te treffen om de geluidbelasting te verlagen, is geringe overschrijding van de voorkeursgrenswaarde acceptabel en wordt geacht sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13017087/1