CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit 2023-031E BP Sloterdijk Kavel 9 - Toelichting

RAAD 16 maart 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Sloterdijk Kavel 9 VN2023-00769731.353 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit

8.2.2.1 Richtlijn gevoelige bestemmingen Amsterdam Deze richtlijn, op 5 januari 2010 vastgesteld door het college van Burgemeester en Wethouders, is een uitwerking van een amendement dat de gemeenteraad op 1 maart 2006 heeft aangenomen bij de behandeling van het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam. Het amendement houdt in dat “geen voorzieningen voor gevoelige groepen in nabijheid van plekken waar veel verkeer is” wordt vervangen door: “in het ruimtelijk ordeningsbeleid er meer rekening gehouden wordt dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst, of dat het beschermen van de volksgezondheid vormt een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Amsterdamse luchtkwaliteitsbeleid. De gemeente wil ook in relatie tot ruimtelijke planvorming in de omgeving van het eigen wegennet zorgvuldig met deze groepen omgaan er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is” (Amendement C - Gemeenteblad afd. 1, nr. 148). Uitgangspunten zijn dat: 1. binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de

bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)

blz. 87

rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd; 2. bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerstelijnsbebouwing worden geprojecteerd. Van de onder 1 en 2 genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Indien men vanuit projecten gevoelige bestemmingen langs drukke wegen wil realiseren, dan is een advies van de GGD, afdeling Milieu en Gezondheid nodig. Daarbij is van belang dat de aan de luchtkwaliteit gerelateerde gezondheidsaspecten worden beschouwd in relatie tot alle overige spelende belangen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk: gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. De richtlijn heeft, evenals bij het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen alleen betrekking op nieuwe situaties en bij een uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming, indien de toename eenmalig ten hoogste 10% van het aantal daar reeds verblijvende personen bedraagt.

8.3

Onderzoeken

8.3.1

MER Haven-Stad

In het kader van het MER Haven-Stad is onderzoek uitgevoerd naar de effecten van luchtkwaliteit van de gehele transformatie Haven-Stad (Achtergrondrapport Luchtkwaliteit, Bijlage 4). Uit de rekenresultaten blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 voor de referentiesituatie 2020 variëren van 20,5 tot 33,6 µg/m3. De berekende concentraties (maximaal 33,6 µg/m3) liggen ruim onder de wettelijke grenswaarde voor NO2 van 40 µg/m3. Deze maximale concentratie doet zich voor langs de Coenhavenweg in de nabijheid van de snelweg A10. Ter plaatse van de ontwikkeling van Sloterdijk-Centrum liggen de concentraties rond de 24 µg/m3. De jaargemiddelde concentraties PM10 variëren voor de referentiesituatie 2020 tussen de 21,5 tot 32,1 µg/m3. De berekende concentraties (maximaal 32,1 µg/m3) liggen ruim onder de wettelijke grenswaarde voor PM10 van 40 µg/m3. De maximale concentratie doet zich, gelijk aan NO2, voor langs de Coenhavenweg in de nabijheid van de snelweg A10. Ter plaatse van de ontwikkeling van Sloterdijk-Centrum liggen de concentraties rond de 22 µg/m3. In verschillende fasen gedurende de transitie van het gebied zijn er locaties langs wegen waar sprake is van verbetering van de luchtkwaliteit en locaties waar sprake is van verslechtering van de luchtkwaliteit ten opzichte van de referentiesituatie.

In geen enkele situatie is er sprake van een overschrijding van de wettelijke grenswaarden. In en rond het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is in elke fase sprake van een verbetering van de luchtkwaliteit. Na volledige transformatie van Haven-Stad (na fase 4) is op alle locaties een verbetering van de luchtkwaliteit ten opzichte van de referentiesituatie berekend. Uit de rekenresultaten blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 voor de referentiesituatie 2030 ter plaatse van het plangebied circa 18 µg/m3 bedragen en voor PM10 circa 21 µg/m3. Nu wordt voldaan aan de normen voor luchtkwaliteit is projectsaldering (als bedoeld in de Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007) niet aan de orde.

Gemeente Amsterdam

blz. 88

8.3.2

Luchtkwaliteitsonderzoek

Grenswaarden Ten behoeve van het recent vastgestelde bestemmingsplan 'Barajasbuurt eo' (vastgesteld op 2 juli 2020), is volledigheidshalve in aanvulling op het MER Haven-Stad onderzocht of wordt voldaan aan de jaargemiddelde concentraties NO2 (stikstofdioxide) en voor PM10 en PM2,5 (fijn stof) (Luchtkwaliteitsonderzoek bestemmingsplan Sloterdijk Centrum, Bijlage 7). De grenswaarde voor zowel NO2 als PM10 bedraagt voor de jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3 en voor PM2,5 en 25 µg/m3.

bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)

blz. 89

Figuur 8.1: berekende concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in het rekenjaar 2020. Op basis van het luchtkwaliteitsonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle in het onderzoek opgenomen beoordelingspunten wordt voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geen belemmering vormt voor verdere besluitvorming. Tot slot blijkt eveneens uit de monitoringstool 2020 van het ministerie van Infrastructuur en Milieu dat de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 in de omgeving van de Kavel 9 niet overschreden worden en ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uursconcentraties PM10 in de omgeving is overal minder dan 35, waarmee ook aan deze grenswaarde wordt voldaan. NIBM Andersom is met de NIBM-tool van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (versie 2021) de bijdrage van het plan op de luchtkwaliteit beoordeeld. Er is uitgegaan van een worstcase situatie. De voertuigbewegingen zijn als volgt bepaald: Voor de categorie 'middelbare school' geldt in zeer sterk stedelijk gebied binnen het gebiedstype 'centrum' een maximale verkeersgeneratie van 13,9 verkeersbewegingen per etmaal per 100 leerlingen.

Momenteel bevindt zich op het perceel Naritaweg 30 reeds een school voor voortgezet onderwijs met een omgevingsvergunning voor tijdelijke huisvesting. Het betreffende Cornelius Haga Lyceum kent in het schooljaar 2021-2022 in totaal 478 leerlingen. Ten opzichte van de huidige (juridisch-planologische) situatie wordt derhalve voorzien in een toename van circa 722 leerlingen. Dit resulteert in maximaal 100 extra verkeersbewegingen per etmaal. Daarnaast wordt voorzien in een publieke parkeergarage met een maximale capaciteit van circa 500 parkeerplaatsen. De publieke parkeergarage voorziet enerzijds in de parkeerbehoefte van de bezoekers van sportpark Spieringhorn en anderzijds in de parkeerbehoefte van de bezoekers van de (deels toekomstige) woningen in Sloterdijk-Centrum. Het CROW heeft zowel voor sportvelden als voor uitsluitend bezoekers van woningen geen kentallen om de verkeersgeneratie mee te berekenen. Daarom is de verkeersgeneratie bepaald aan de hand van het aantal parkeerplaatsen. Voor een publieke parkeergarage als hier aan de orde vormt een turnover (het aantal keer dat een parkeerplaats per etmaal wordt benut door verschillende personenauto's) van 2 een reëel worst case-uitgangspunt. Uitgaande van twee ritten per auto (heen en terug) resulteert dit in een verkeersgeneratie van maximaal 2.000 verkeersbewegingen per etmaal.

Voornoemd uitgangspunt houdt in dat elke parkeerplaats (500 in totaal), elke dag, twee keer per dag wordt benut door verschillende personenauto's. Verder wordt opgemerkt dat de verkeersbewegingen als gevolg van bezoekers van sportpark Spieringhorn strikt genomen geen extra verkeersbewegingen zijn aangezien het een bestaand sportpark betreft waarbij verkeersbewegingen van bezoekers al aanwezig zijn in de directe omgeving van het plangebied (via een andere routing). De invoer van de maximaal te verwachten toename van verkeersbewegingen in de NIBM-tool leidt tot de conclusie dat het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven.

Gemeente Amsterdam

blz. 90

Rekenresultaat NIBM-tool (bron: http://www.infomil.nl) Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geen belemmering vormt voor verdere besluitvorming. 8.3.3

Gevoelige bestemmingen

Het plangebied ligt op meer dan 300 meter van snelwegen (A10 en A5) en niet binnen een zone van 50 meter langs een provinciale weg. De Haarlemmerweg is een stedelijke weg met meer dan 10.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het plangebied ligt ruim buiten de zone van 50 meter van deze weg. De Naritaweg is geen weg met meer dan 10.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Onderhavig bestemmingsplan maakt direct de vestiging van gevoelige bestemmingen mogelijk. Gelet op het voorgaande vormt de Richtlijn gevoelige bestemmingen Amsterdam hiervoor geen belemmering.

8.4

Conclusie

Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Op alle toetspunten wordt voldaan aan de grenswaarde uit bijlage 2 bij de Wet milieubeheer. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Amsterdamse richtlijn gevoelige bestemmingen is het realiseren van een gevoelige bestemming luchtkwaliteit mogelijk binnen het plangebied. Het aspect luchtkwaliteit staat niet aan de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan in de weg.

bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)

blz. 91

Hoofdstuk 9

9.1

Externe veiligheid

Algemeen

Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn.

Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windmolens. In paragraaf 9.3 worden de risico's van risicovolle activiteiten voor het plangebied omschreven.

9.2

Regelgeving en beleid

9.2.1

Beleid externe veiligheid

De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaan uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid bij het bouwen van (beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. In verscheidene besluiten is gedefinieerd wat onder (beperkt) kwetsbare objecten moet worden verstaan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld gebouwen bestemd voor het verblijf van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten of gebouwen waar doorgaans grote aantallen personen aanwezig zijn, zoals kantoorgebouwen groter dan 1.500 m2, winkelcentra, maar ook grootschalige kampeer- en recreatieterreinen. Woningen, woonschepen en woonwagens zijn eveneens kwetsbare objecten, tenzij

Gemeente Amsterdam

blz. 92

het gaat om verspreid liggende woningen, woonschepen of woonwagens; dat zijn beperkt kwetsbare objecten. Kleinere kantoorgebouwen, winkels en sporthallen zijn eveneens beperkt kwetsbare objecten. Om effectief omgevingsgericht beleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar kwetsbare objecten aanwezig zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan locaties waar zich ongevallen kunnen voordoen. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid. 9.2.2

Risicovolle inrichtingen

Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. In nieuwe situaties geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat binnen de PR 10-6 contour van een Bevi-inrichting geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Indien binnen de contour beperkt kwetsbare objecten worden opgericht moet het bevoegd gezag motiveren waarom dat wenselijk en aanvaardbaar is. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico (GR) te worden verantwoord. 9.2.3

Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren

De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren. Per 1 april 2015 is de Wet basisnet in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen geïntegreerd. Doel van de Wet basisnet is om een duurzaam evenwicht te bieden tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de infrastructuur, de ruimtelijke ontwikkelingen langs die infrastructuur en de veiligheid voor omwonenden. Het basisnet is een netwerk van infrastructuur (wegen, hoofdspoorwegen en vaarwegen) die voor het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen van belang is. In de Regeling basisnet is de ligging van het risicoplafond voor het PR en (indien ingesteld) de ligging van het risicoplafond voor het GR bepaald. Per wegvak, spoortraject en vaartroute wordt de afstand bepaald waar het PR-contour niet meer dan 10-6 mag zijn (PR-plafond) en (indien ingesteld) waar het PR-contour niet meer dan 10-7 of 10-8 mag zijn (GR-plafond). Regelmatig wordt door de minister van Infrastructuur en Milieu onderzocht of en in hoeverre vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen één of meer risicoplafonds worden overschreden. Indien nodig worden maatregelen getroffen aan de vervoerszijde. De maatregelen kunnen variëren van technische aanpassingen aan het vervoer tot aan aanpassingen aan de infrastructuur, met als ultimum remedium: routering.

Besluit externe veiligheid transportroutes De ruimtelijke regels ten aanzien van transport van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De regeling in het Bevt kan samengevat worden als volgt: Binnen de zogenaamde basisnetafstand (waar het PR maximaal 10-6 per jaar mag zijn) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden toegestaan. Binnen de basisnetafstand mogen in principe geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten worden bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)

blz. 93

toegestaan, tenzij hiervoor zwaarwegende redenen zijn. Bij transportroutes die geen onderdeel uitmaken van het basisnet geldt een grenswaarde van PR 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde PR 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Binnen 200 meter van een transportroute geldt een uitgebreide verantwoordingsplicht voor het GR, zoals aangegeven in artikel 8 van het Bevt. Binnen het invloedsgebied, maar buiten de 200 meter afstand geldt een lichte verantwoordingsplicht. Hierbij dient het bevoegd gezag alleen in te gaan op de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Het bevoegd gezag kan ook binnen de 200 meter afstand volstaan met een lichte verantwoording in de volgende gevallen: 1. het GR is niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of 2. het GR in de toekomstige situatie: a. met niet meer dan tien procent toeneemt en b. de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Er geldt tevens een motiveringsplicht als nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten in de aangewezen plasbrandaandachtsgebieden (langs wegen of spoorwegen) of in de aangewezen vrijwaringszones (langs binnenwateren). Dit zijn gebieden die getroffen kunnen worden door een ongeval met brandbare vloeistoffen, zoals benzine.

Plasbrandenaandachtsgebied In de plasbrandaandachtsgebieden (PAG) gelden naast de hierboven genoemde motiveringsplicht, aanvullende bouweisen ten aanzien van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten op grond van het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit 2012 om personen te beschermen tegen gevolgen van ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Plasbrandaandachtsgebieden zijn in het Bevt aangewezen als gebieden waar bij het realiseren van (beperkt) kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen. 9.2.4

Buisleidingen

Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letaliteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende tot 5 meter aan weerszijden) meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht.

Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteiten en werking van de buisleiding kunnen verhinderen.

Gemeente Amsterdam

blz. 94

9.2.5

Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam

Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 5 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico s zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico s aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van burgemeester en wethouders worden toegestaan.

Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen jonger dan 12 jaar, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen.

9.3

Onderzoeken

9.3.1

Algemeen

Dit plangebied valt onder het toepassingsgebied van het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam. Het beleid is door de betrokken partijen (DMB, DRO, enkele stadsdelen en de Brandweer) opgesteld en is op 5 juni 2012 door B&W vastgesteld. Het uitvoeringsbeleid wordt toegepast in grootstedelijke gebieden en na instemming van stadsdelen ook in betreffende stadsdelen. Voor het Amsterdams havengebied en de spoorzone in Zuidoost is reeds een gebiedsvisie voor externe veiligheid opgesteld. Het uitvoeringsbeleid is in lijn gebracht met deze reeds geldende gebiedsvisie(s) en vult deze aan. De doelstelling van het uitvoeringsbeleid is het geven van een eenduidig kader voor afweging van de externe veiligheidsrisico's binnen de gemeentegrenzen. Er wordt invulling gegeven aan de bestuurlijke afweging rondom het groepsrisico die wordt gevraagd in de regelgeving. Het beleid draagt bij aan de ontwikkeling van Amsterdam als duurzame stad en biedt extra bescherming aan beperkt zelfredzame personen. Daarnaast voorkomt het dat in gemeentelijke besluiten op verschillende wijze met risico's wordt omgegaan en draagt het bij aan een efficiënt proces van besluitvorming. Het uitvoeringsbeleid externe veiligheid is opgesteld voor toepassing in nieuwe situaties. Bestaande situaties die voldoen aan wettelijke eisen maar niet overeenkomen met het uitvoeringsbeleid voor

bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)

blz. 95

Amsterdam, worden niet per definitie in lijn gebracht met de uitgangspunten als het geen saneringssituatie betreft. Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan is een onderzoek externe veiligheid opgesteld (Bijlage 8). In de omgeving van het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: Aardgasbuisleiding; vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor.

Figuur 9.1: de risicovolle activiteiten in de omgeving van het plangebied (projectlocatie rood omlijnd) In het plangebied zelf is geen sprake van risicobronnen. Het plangebied bevindt zich echter wel binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen. De belangrijkste conclusies worden hieronder beschreven. 9.3.2

Resultaten onderzoek risicobedrijven

Binnen dit plangebied liggen geen bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Buiten het plangebied zijn echter twee Bevi-bedrijven aanwezig die relevant kunnen zijn voor het plan. Het plangebied ligt op circa 600 meter van het Brzo-bedrijf Sonneborn en op circa 800 meter van het Brzo-bedrijf Caldic. De invloedsgebieden van deze bedrijven liggen echter niet over het plangebied heen en dus leveren geen beperkingen op voor de ruimtelijke ontwikkelingen.

Gemeente Amsterdam

blz. 96

9.3.3

Resultaten onderzoek buisleidingen

Het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van een hogedruk aardgasleiding. Het betreft de buisleiding met kenmerk 'A-533-01''. Om deze reden is verder onderzoek naar het groepsrisico ten aanzien van deze buisleiding noodzakelijk.

Figuur 9.2: Invloedsgebied (buitenste lijn), 100%-letaliteit (lichtblauwe zone) en PR 10-6 (rode lijn) aardgasbuisleidingen (projectlocatie rood omlijnd) Uit het onderzoek externe veiligheid (Bijlage 8) blijkt dat de relevante buisleiding geen plaatsgebonden risicocontour 10-6 heeft. Verder blijkt uit het onderzoek dat het groepsrisico ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleidingen na planrealisatie onder de oriëntatiewaarde blijft. De ontwikkeling binnen het plangebied heeft rekentechnisch geen invloed op het hoogste berekende groepsrisico. Ter plaatse van het plangebied is in de huidige- en toekomstige situatie een groepsrisico berekend dat lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat ten aanzien van de buisleiding volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. 9.3.4

Resultaten onderzoek vervoer gevaarlijke stoffen over weg en spoor

9.3.4.1 Vervoer risicovolle stoffen over de weg In de nabijheid van het plangebied vindt geen transport met gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van zowel de N200 als de A5 en A10. Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter is niet relevant.

bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)

blz. 97

Figuur 9.3: Invloedsgebied en PR 10-6 (op weg-as) van transport over de weg (projectlocatie rood omlijnd) 9.3.4.2 Vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor In (de nabijheid van) het plangebied vindt transport met gevaarlijke stoffen over spoorwegen plaats. Uit het onderzoek externe veiligheid (Bijlage 8) blijkt dat voor het spoortraject Amsterdam-Sloterdijk het groepsrisico nader beschouwd dient te worden. Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter is niet relevant.

Gemeente Amsterdam

blz. 98

Figuur 9.4: Invloedsgebied en PR 10-6 (op spoor-as) van transport over het spoor (projectlocatie rood omlijnd) Ten aanzien van de spoorlijn Amsterdam-Sloterdijk is in het onderzoek externe veiligheid (Bijlage 8) geconcludeerd dat het plangebied niet binnen de 10-6 contour van de spoorlijn ligt. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Het groepsrisico ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor neemt, ter plaatse van het plangebied, toe. Uit de berekeningen ten aanzien van de spoorlijn blijkt dat het groepsrisico, ter plaatse van het plangebied, in de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde blijft. Doordat het groepsrisico hoger is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde, dient het groepsrisico uitgebreid verantwoord te worden. 9.3.5

Resultaten onderzoek overige risicobronnen

Er zijn in of rondom het plangebied geen andere risicobronnen met veiligheidsafstanden (zoals windturbines, opslag van vuurwerk en munitie of gasdrukregel- en meetstations) aanwezig. Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van een LPG-tankstation. Er zijn twee Brzo-bedrijven die relatief dichtbij het plangebied Barajasbuurt eo liggen: op circa 600 meter afstand van de plangrens ligt Sonneborn en op circa 800 meter afstand ligt Caldic. De invloedsgebieden van deze bedrijven liggen echter niet over het plangebied heen en leveren dus geen beperkingen op voor de ruimtelijke ontwikkelingen. 9.3.6

Verantwoording groepsrisico

In deze subparagraaf volgt een beknopte beschrijving van de zaken die voor dit plan relevant zijn voor de verantwoording.

bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)

blz. 99

Personendichtheid In de rapportage is de dichtheid van personen binnen het invloedsgebied vermeld. Het plan komt met een BVO van 12.000 m² op een totaal aantal personen van 1.200. Voor de parkeergarage zijn geen populatiegegevens opgenomen omdat een parkeergarage geen kwetsbaar object is. Ook is er binnen de parkeergarage geen sprake van langdurig verblijf van bezoekers. Omvang risico buisleidingen Uit de berekeningen blijkt dat het hoogste groepsrisico per kilometer ten aanzien van de buisleiding in de huidige- en toekomstige situatie nabij het plangebied ligt. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling neemt het groepsrisico niet toe. Het groepsrisico blijft met de ontwikkeling onder de oriëntatiewaarde en is lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Het risico bij een buisleiding ontstaat wanneer de leiding beschadigd raakt of breekt, waardoor het aardgas onder hoge druk uit de leiding stroomt. In het meest ongunstige scenario ontsteekt het aardgas, een zogenoemde fakkelbrand. Een fakkelbrand kan 1 á 2 uur duren omdat de leiding afgesloten moet worden en vervolgens moet leeglopen. Indien er een volledige breuk is van de buisleiding op een ongunstige locatie, kan de directe omgeving getroffen worden door de effecten.

Omvang risico transportroutes Als gevolg van de ontwikkeling is nabij het plangebied ten aanzien van het spoortraject Amsterdam-Sloterdijk, een stijging van het groepsrisico te zien. Het groepsrisico nabij het plangebied is in de huidige situatie berekend op 0,022 x de oriëntatiewaarde. In de toekomstige situatie stijgt dit naar 0,223 x de oriëntatiewaarde. Ter plaatse van het plangebied zal geen sprake zijn van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico ten aanzien van de overige transportroutes in de nabijheid van het plangebied is niet nader beschouwd doordat het plangebied niet binnen de 200 meter zone en het maatgevende invloedsgebied ligt van deze routes (N200 A20). Het worstcase-scenario is in dit geval een warme BLEVE van een tankwagen met brandbaar gas. Het scenario kan ontstaan, doordat een tankwagen wordt verwarmd door een aanwezige brand, waardoor de tankwand het begeeft. Bij een warme BLEVE zal de gehele inhoud van de tankwagen ineens explosief vrijkomen. Als gevolg van de explosie is er ook een drukgolf, waarbij veel hitte vrijkomt door de ontstane vuurwolk. Maatregelen aan de bron Maatregelen aan de leidingen zullen in de regel pas dan overwogen worden indien sprake is van een knelpuntsituatie. Een knelpunt bestaat indien: 1. een (geprojecteerd) kwetsbaar object zich binnen de PR=10-6 contour bevindt; 2.

een (geprojecteerd) object zich binnen de belemmeringenstrook bevindt, tenzij dit object legaal is; 3. het groepsrisico niet is te verantwoorden. Geen van de drie situaties is van toepassing op de aardgasleiding nabij het plangebied. Op basis daarvan wordt gesteld dat er geen maatregelen aan de leiding noodzakelijk zijn. Het treffen van maatregelen aan het transport van gevaarlijke stoffen c.q. het verlagen van de transportintensiteiten over de spoorlijn ligt niet binnen de kaders van de procedure van onderhavig plan. De maatregelen om het groepsrisico te beheersen, worden in het omgevingsbesluit genomen. Het omgevingsbesluit betreft een bestemmingsplanwijziging. Voor de volledigheid wordt in het bestemmingsplan een 'veiligheidszone -1' Gemeente Amsterdam

blz. 100

opgenomen. Op de verbeelding wordt een gebiedsaanduiding “veiligheidszone -1” opgenomen. Binnen deze veiligheidszone is de vestiging van objecten voor beperkt zelfredzame personen niet toegestaan. Ruimtelijke maatregelen Het aanbrengen van een afscherming is binnen het voorgestelde plan niet wenselijk wegens de aanwezigheid van een weg rondom het plangebied. Binnen het plangebied kan met de invulling rekening gehouden worden met de vluchtroutes. Van belang is om daarbij te zorgen voor een vluchtroute van de risicobron af. Op basis van de huidige plannen is dit goed mogelijk. Voorbereiden, bestrijden en beperken van de omvang Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet vindt voornamelijk plaats bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Het plangebied is vanuit meerdere zijden voor de hulpdiensten goed bereikbaar. De hulpdiensten bevinden zich op een afstand van maximaal 3 kilometer afstand van het plangebied. Zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed.

Binnen het plangebied zullen geen minder zelfredzame personen aanwezig zijn. Mede doordat voor het hele plangebied de gebiedsaanduiding ‘Veiligheidszone -1’ gaat gelden, waar de vestiging van functies voor minder zelfredzame personen niet is toegestaan. Het snel vluchten van de risicobron af, is voor de binnen het plangebied aanwezige personen goed mogelijk. Alternatieven Alternatieve wijzen van inrichting van het plangebied leiden niet tot een relevante verandering van het groepsrisico, ten opzichte van het nu beoogde plan. Het groepsrisico ter plaatse van het plangebied ten gevolge van de transportroute, is in de huidige situatie relatief laag en zal in de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde niet overschrijden. Mogelijkheden en maatregelen Goede voorlichting en bouw conform het Bouwbesluit. Voorschriften Niet van toepassing. 9.3.7

Advies Brandweer Amsterdam-Amstelland

De Brandweer Amsterdam-Amstelland heeft op 7 maart 2022 een advies gegeven (Bijlage 9). Dit advies geeft inzicht in de gevaren, gevolgen en risico’s van mogelijke ongevalsscenario’s met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobronnen. Verder geeft het advies inzicht in de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en hulpverlening. In het advies wordt aangegeven dat de kans op een ongeval met gevaarlijke stoffen klein is, maar een

bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12535517/1