Raadsbesluit 2023-030A Bestemmingsplan 11e herziening Landelijk
Tekst van het document
BEHOORT BIJ BESLUIT VAN DE GEMEENTERAAD VAN AMSTERDAM VAN I6 .141,-LT 'Ll , NR. DE RAADSGRII-19tH,
Gemeente X Amsterdam
x
Bestemmingsplan 11e Herziening Landelijk Noord
'T Nopeind 12 Te Amsterdam
Vastgesteld
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan 11e herziening Landelijk Noord
Colofon
Opdrachtgever Opdrachtnemer
Ruimte en Duurzaamheid
IMRO_idn
NL.IMRO.0363.N2104BPSTD-VG01
Datum print
3 Januari 2023
Planstatus
vastgesteld
blz. 3
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk1
5 Inleiding
7
Aanleiding Plangebied Doel en planvorm Planproces Leeswijzer
7 7 8 8 9
Beschrijving van het project
11
Huidige situatie Toekomstige situatie Landschap Geldend bestemmingsplan
11 11 12 13
Beleidskader
17
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
17 19 22
Onderzoek en analyse
27
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10
Cultuurhistorie en archeologie Water Ecologie Verkeer en parkeren Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Bodem Geluid Luchtkwaliteit Mer-beoordeling
27 28 32 35 37 39 40 42 43 44
Hoofdstuk5
Juridische planbeschrijving
47
Algemeen Inleidende regels Bestemmmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels
47 47 47 48 49
Uitvoerbaarheid
51
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid
51 52
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 Hoofdstuk2 2.1 2.2 2.3 2.4 Hoofdstuk3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk4
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 Hoofdstuk6 6.1 6.2 Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
55 Rapportage stikstof Stikstofdepositieberekening Quickscan Wet natuurbescherming Nader onderzoek flora en fauna
57 63 69 89
Gemeente Amsterdam
blz. 4
Bijlage 5 Bijlage 6
Verkennend bodemonderzoek Akoestisch onderzoek
Regels Hoofdstuk1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Hoofdstuk3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Hoofdstuk4
97 169
221 Inleidende regels
222
Begrippen Wijze van meten
222 228
Bestemmingsregels
229
Agrarisch met waarden - Veenweidegebied Tuin Waarde - Archeologie 1 Waarde - Archeologie 3 Water Wonen
229 230 231 233 235 236
Algemene regels
238
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels
238 239 240 241 242
Overgangs- en slotregels
243
Artikel 14 Overgangsrecht Artikel 15 Slotregel
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
243 244
blz. 5
Toelichting
Gemeente Amsterdam
blz. 6
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 7
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Met dit bestemmingsplan '11e herziening Landelijk Noord' wordt een gedeelte van het huidige bestemmingsplan 'Landelijk Noord' herzien. De aanleiding hiertoe is dat de huidige agrarische bestemming, niet meer overeenkomt met het huidige gebruik. Daarnaast bestaat de wens om de bestaande stolpwoning te splitsen in twee woningen. Het nieuwe bestemmingsplan biedt hiervoor het planologisch kader. De projectlocatie is gelegen in het landelijk gebied. Het landelijk gebied van Amsterdam, ten noorden van de ringweg A10, is in vele opzichten uniek en waardevol. Als onderdeel van de regio Waterland is door de zichtbare en herkenbare samenhang tussen de abiotische ondergrond (bodem en water), de cultuurhistorie, de ecologie en het grondgebruik een landschap ontstaan met grote kwaliteiten. Veenweidegebieden, droogmakerijen, meren en brede watergangen bepalen het ruimtelijk beeld waarin de dorpen Ransdorp, Durgerdam, Holysloot en Zunderdorp bijzondere parels zijn. De landschappelijke en cultuurhistorische betekenis van het gebied en de hier aanwezige natuurwaarden worden breed onderkend. Het beleid voor het gebied is dan ook reeds lange tijd gericht op behoud, versterking en ontwikkeling van de aanwezige kernkwaliteiten, met oog voor ontwikkelingen die eigen zijn aan het agrarische en recreatieve gebruik dat van het gebied wordt gemaakt.
Met voorliggend bestemmingsplan wordt enerzijds de splitsing van de stolp mogelijk gemaakt, en daarnaast gewaarborgd dat de unieke kenmerken van zowel het landschap als de stolp behouden blijven.
1.2
Plangebied
Het bestemmingsplan omvat het kavel aan 't Nopeind 12 te Amsterdam. De locatie bevindt zich globaal gezien ten noorden van de ringweg A10, in het landelijk gebied van de regio Waterland. Ten noorden van 't Nopeind bevinden zich verschillende (stolp)woningen, terwijl ten zuiden enkel agrarische gronden aanwezig zijn. Figuur 1.1: Luchtfoto projectlocatie in omgeving (bron: google.nl)
Gemeente Amsterdam
blz. 8
Figuur 1.2: Luchtfoto projectlocatie ingezoomd (bron: QGIS, eigen bewerking).
1.3
Doel en planvorm
De doelstelling van het bestemmingsplan is het bieden van een actueel juridisch-planologisch kader voor het plangebied zoals beschreven in paragraaf 1.2. Gekozen is voor een gedetailleerd plan, gezien de schaalgrootte van de ontwikkeling. Het bestemmingsplan sluit qua regels aan bij het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Noord'. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de RO Standaarden en regels 2008 die zijn verankerd in de Wro. Het plan voldoet daarmee aan de eisen die gesteld worden aan digitale, uitwisselbare, vergelijkbare en raadpleegbare bestemmingsplannen. De verbeelding is getekend op een actuele GBKN waarbij gebruikgemaakt is van actuele luchtfoto's.
1.4
Planproces
Een bestemmingsplan doorloopt de procedure zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het concept bestemmingsplan wordt ex art. 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor advies voorgelegd aan de Provincie en Waterschap. Binnengekomen reacties uit het wettelijk vooroverleg worden verwerkt in het ontwerp bestemmingsplan. Tijdens de ter visie legging van het ontwerp bestemmingsplan kan een ieder schriftelijk of mondeling een zienswijze kenbaar maken. De ingediende zienswijzen worden verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt nogmaals ter inzage gelegd. Gedurende deze terinzagelegging kan beroep worden ingesteld bij de Raad van State. Dit kan uitsluitend door belanghebbenden die ook een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan hebben ingediend, of door een ieder voor zover het onderdelen betreft die door de gemeenteraad gewijzigd zijn vastgesteld.
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 9
1.5
Leeswijzer
Het tweede hoofdstuk van deze toelichting geeft een beeld van de bestaande situatie en de toekomstige situatie in het plangebied. Er wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het gebied. In het derde hoofdstuk wordt ingegaan op het relevante beleid en de regelgeving en de invloed hiervan op het bestemmingsplan. Het vierde hoofdstuk gaat in op de relevantie omgevingsaspecten. In hoofdstuk zes komt de uitvoerbaarheid aan bod en in het laatste hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische aspecten van dit bestemmingsplan.
Gemeente Amsterdam
blz. 10
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 11
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van het project
Huidige situatie
In de huidige situatie zijn op het perceel een stolpwoning en drie bijgebouwen aanwezig. Daarnaast zijn twee mestplaatsen van circa 20 m² aanwezig. De stolpwoning heeft een oppervlakte van 351 m² en is in 1978 gerealiseerd ten behoeve van het agrarische bedrijf. In het achtererfgebied, op de grens naar de agrarische gronden, zijn twee bijgebouwen aanwezig. Inmiddels zijn de agrarische activiteiten gestaakt en is in samenwerking met de buurt gezocht naar een passende invulling van de stolp. Een woonfunctie is, mede gezien de reeds aan aanwezige woningen aan 't Nopeind, het meest passend en gewenst. Figuur 2.1: Bestaande situatie (bron: W3 Architecten).
2.2
Toekomstige situatie
Middels voorliggend bestemmingsplan wordt de huidige agrarische bestemming opgeheven en wordt de agrarische bedrijfswoning (planologisch) herbestemd tot twee reguliere woningen. De stolp blijft in zijn geheel behouden, voor de splitsing worden enkel interne verbouwingen uitgevoerd. Een voor Waterland karakteristieke stolp krijgt hiermee een passende, nieuwe invulling. De drie bijgebouwen in het achtererf worden gesloopt, waardoor de verbinding met het omliggende landschap zelfs verbeterd. De twee nieuwe bijgebouwen worden qua schaal en grootte ingepast in het landschap. De stolp wordt aan de achterkant een fractie uitgebreid in oppervlakte, terwijl de bijgebouwen in volume afnemen. Door de terugbrenging van het volume van de bijgebouwen wordt de verrommeling binnen het plangebied tegengegaan. Daarnaast wordt de kwaliteit van de bestaande stolp verbeterd door het accentueren van onder andere de ramen, deuren en een erker op de eerste verdieping. Er worden op eigen terrein twee parkeerplaatsen per woning gerealiseerd. De bestaande watergang aan de belendende percelen worden op het achtererf met elkaar verbonden met open water in plaats van de huidige duiker. Hiermee ontstaat ook een afscheiding naar het agrarische achterland.
Gemeente Amsterdam
blz. 12
Figuur 2.2: Toekomstige situatie (bron: W3 Architecten).
2.3
Landschap
Kenmerkende kwaliteiten In de Integrale Landschapsvisie Amsterdam-Noord, zijn de belangrijkste kwaliteitskenmerken van Landelijk Noord benoemd met daarbij de uitgangspunten voor de ruimtelijke planvorming. De zichtbaarheid van het water: meer water in het gebied realiseren; hogere waterstanden in sloten; behoud van het historisch slotenpatroon. Het contrast tussen de besloten dorpen en bebouwingslinten en de open polders: behoud beeldkwaliteit van dorpen en linten; handhaven openheid polders; tegengaan verrommeling randen. Het verschil tussen het veengebied en de droogmakerijen: herkenbaarheid van droogmakerijen als landschappelijke eenheid versterken. Het boezemstelsel: versterken van waterhuishoudkundige en cultuurhistorische structuur met behulp van natuurontwikkeling en recreatieve routes. De dijken en kaden: behoud van continuïteit en dwarsprofielen; behoud van herkenbaarheid als historische waterscheiding met recreatieve gebruikswaarde.
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 13
Nieuwe ruimtelijke elementen met een eigen herkenbaarheid (Goudriaankanaal, Volgermeer, stadsrandzone: harde overgangen verzachten (onder andere stadsrandzone) of contrasten versterken (Goudriaankanaal). De beoogde ontwikkeling draagt bij aan het behoud van het historisch slotenpatroon, doordat hier geen veranderingen in worden aangebracht ten opzichte van de huidige situatie. De stolp is reeds aanwezig binnen het plangebied, waardoor de beeldkwaliteit van het lint niet wijzigt ten opzichte van de huidige situatie. Echter worden de bijgebouwen in volume verkleind, waardoor verrommeling wordt tegengaan. Er zijn drie deelgebieden te onderscheiden, namelijk het kernngebied veenweide, het veenweidegebied en de droogmakerijen. Het plangebied is gelegen binnen het veenweidegebied. Onder andere het veenweidegebied rond Zunderdorp is aangewezen als 'veenweidegebied'. Deze keuze is bepaald door het ontbreken van een beschermde status van het dorpsgezicht van Zunderdorp, op de landschappelijke setting tussen nieuwere elementen als de stadsrand, de Broekermeer en de Volgermeerpolder, op de storende invloed van de bovengrondse hoogspanningsverbindingen en op de beperkte betekenis voor weidevogels. Zunderdorp bestaat uit twee bebouwingsconcentraties: de kern Zunderdorp en 't Nopeind. Ze worden met elkaar verbonden door een weg en een kerkepad.
Tussen beide concentraties liggen onbebouwde gronden, die in samenhang met het omringende open landelijk gebied, het landelijk karakter van het dorp sterk accentueren. Zunderdorp is niet als rijksbeschermd dorpsgezicht aangewezen. Landschap Het landschap is over het algemeen zeer open, met lange zichtlijnen in zuidwest-noordoostrichting. Ondanks de grote openheid heeft het gebied toch een kleinschalig karakter. De grillige verkaveling, de gevarieerde weiden en oevers en de verspreide boerderijen zorgen voor een fijnzinnige detaillering van het landschap. De open ruimte wordt visueel begrensd door dorpen en boerderijlinten met erfbeplanting. De meren en droogmakerijen vormen herkenbare ruimtelijke eenheden binnen het gebied. De meren worden omzoomd door rietkragen, de droogmakerijen door lage dijken. Aan de zuidoostelijke zijde van het gebied vormt de Waterlandse Zeedijk een markante begrenzing.
2.4
Geldend bestemmingsplan
Landelijk Noord Ter plaatse van het projectgebied is het bestemmingsplan “Landelijk Noord” geldend. Dit plan is op 26 juni 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van stadsdeel Noord, Amsterdam. De projectlocatie heeft de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Veenweidegebied' en de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1'. Er geldt een bouwvlak, waarbinnen gebouwd mag worden. Figuur 2.3 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan. Vervolgens worden de relevante bepalingen uit de regels weergegeven, voor zover relevant voor de ontwikkeling en daarmee niet limitatief. Figuur 2.3: Uitsnede bestemmingsplankaart (bron: QGIS, eigen bewerking).
Gemeente Amsterdam
blz. 14
Het realiseren van burgerwoningen is niet toegestaan binnen de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Veenweidegebied'. De uitbreiding van de stolp aan de achterzijde zal plaatsvinden binnen het bestaande bouwvlak. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' wordt toegelicht in paragraaf 4.1 Cultuurhistorie en archeologie. Om de genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken is dit bestemmingpslan opgesteld. Darkstores/flitsbezorgers Ook is het voorbereidingsbesluit Darkstores/flitsbezorgers van toepassing. Dit voorbereidingsbesluit is op 26 januari 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam en heeft tot doel het reguleren van flitsbezorgdiensten. Met voorliggend plan wordt de bestaande stolp gesplitst in twee woningen en is geen sprake van een darkstore of flitsbezorgdienst. Er is derhalve geen strijdigheid met Grondwaterneutrale kelders Het bestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders, vastgesteld op 7 oktober 2021, is een juridische vertaling van het Afwegingskader Grondwaterneutrale kelders en heeft tot doel het voorkomen van negatieve effecten van (cumulatieve) aanleg van kelders op de stand en de stroom van het grondwater. Ten aanzien van het bestemmingsplan 'Grondwaterneutrale Kelders' liggen de gronden binnen 'Overige zone 1' waar het verboden is om kelders te graven of bestaande kelders te vergroten.
Hier is met het vaststellen van voorliggend bestemmingsplan geen sprake van en derhalve is er geen sprake van een strijdigheid met het bestemmingsplan voor grondwaterneutrale kelders. Om dit te waarborgen is de gebiedsaanduiding 'overige zone 1' ook opgenomen in dit voorliggende bestemmingsplan. Drijvende bouwwerken Het (paraplu)bestemmingsplan Drijvende bouwwerken is vastgesteld op 18 september 2019. Hiermee wordt een actueel kader geschapen om aanvragen om omgevingsvergunningen te kunnen toetsen voor de activiteit bouwen voor wat betreft woonboten, bedrijfsvaartuigen en andere drijvende bouwwerken. In voorliggend bestemmingsplan is geen sprake van een drijvend bouwwerk en derhalve zijn deze regels bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 15
niet van toepassing.
Gemeente Amsterdam
blz. 16
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 17
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 3.1: Awegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Gemeente Amsterdam
blz. 18
Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: Combineren boven enkelvoudig Kenmerken & identiteit Afwentelen voorkomen Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling behelst de opheffing van de agrarische bedrijfswoning (planologisch) welke wordt herbestemd tot twee reguliere woningen. De stolp blijft in zijn geheel behouden, voor de splitsing worden enkel interne verbouwingen uitgevoerd. Netto wordt er één woning toegevoegd binnen het plangebied.De beoogde ontwikkeling vindt daarmee aansluiting bij nationaal belang nummer 5: zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.
De opgave is aansluitend op de woonbehoefte (met name in en bij de stedelijke regio's) tussen 2019 en 2030 circa 1 miljoen woningen te realiseren en een goede kwaliteit van de woningvoorraad in regio's met bevolkingsdaling te behouden. Op het projectgebied zijn de andere 20 nationale belangen niet van toepassing. Conclusie Geen van de 21 nationale belangen worden geraakt met voorliggend project. Beleid voor deze specifieke locatie dan wel ontwikkeling wordt daarom overgelaten aan de provincie en de gemeente. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. De onderwerpen uit het Barro zijn nader uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). De verschillende nationale belangen zijn hieronder weergegeven.
Relatie tot ontwikkeling bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 19
Op basis van het Barro (geconsolideerd 1 december 2020) bevindt het plangebied zich niet binnen één van de gebieden weergegeven op de kaarten. Op basis van het Rarro (geconsolideerd 1 december 2020) bevindt het plangebied zich binnen kaart 6: radarstations. Het plangebied is gelegen binnen één radarverstoringsgebied, namelijk: 1. radarverstoringsgebied maximale hoogte 90 meter t.o.v. NAP; Het bestemmingsplan voorziet niet in bouwwerken die hoger zijn dan de toetshoogte. Belemmeringen voor de radar zijn niet aan orde. Conclusie Op dit moment legt het Barro geen restricties op voor de onderhavige locatie. 3.1.3
Besluit ruimtelijke ordening
Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Relatie tot ontwikkeling Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer een ruimtelijk plan voorziet in niet meer dan elf woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt (bron: uitspraak 201608869/1/R3, kenmerk: ECLI:NL:RVS:2017:1724). Voor de projectlocatie geldt dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het betreft enkel het splitsen van een bestaande woning. Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet te worden gemotiveerd. De overige onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie NH2050
De Omgevingsvisie NH2050 is vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. De Omgevingsvisie richt zich op lange termijn ambities en –doelen, met oog voor kwaliteiten die de provincie langjarig wil koesteren en die proberen in te spelen op veranderingen en transities die tijd nodig hebben. De visie spreekt zich dus uit over het 'waarom' en ten dele over het 'wat'. Onder de hoofdambitie, 'balans tussen economische groei en leefbaarheid', zijn samenhangende ambities geformuleerd. De ambities zijn uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen worden meerdere ontwikkelprincipes gehanteerd. Alle ontwikkelprincipes hangen met elkaar samen. De omgevingsvisie laat in algemene zin zien wat de ontwikkelprincipes zijn voor de hele provincie om een hoge leefomgevingskwaliteit te bieden. Deze principes zijn overkoepelend: ze gelden voor de hele provincie. Hierbij komen de thema's gezondheid, veiligheid, klimaatadaptatie en landschap aan bod, Gemeente Amsterdam
blz. 20
alsook een aantal generieke principes voor het gebruik van de fysieke leefomgeving. Daarnaast schetst de provincie vijf samenhangende bewegingen, die laten zien hoe wordt omgegaan met opgaven die op de samenleving afkomen en die de provincie wil faciliteren. Deze bewegingen zijn niet overkoepelend en zijn locatie- of onderwerp specifiek. Het gaat om de onderwerpen: Dynamisch Schiereiland, Metropool in ontwikkeling, Sterke kernen, sterke regio's, Nieuwe energie en Natuurlijk en Vitaal landelijke omgeving. Relatie tot ontwikkeling In de eerste fase van de omgevingsvisie, zijn verkenningen uitgevoerd. Deze verkenningen maken nu onderdeel uit van de omgevingsvisie. In de Verkenningen NH2050 zijn acht hoofdthema's van trends en ontwikkelingen, met hun kernopgaven, geformuleerd. Een van deze acht hoofdthema's is verstedelijking. Hierin wordt aangegeven dat de woningbehoefte voor Noord-Holland Noord en Noord-Holland Zuid in de toekomst nog steeds toeneemt. De prognoses laten ook in lage scenario's nog groei zien in de Metropoolregio Amsterdam (MRA). Ook in Noord-Holland Noord is er een groei vergelijkbaar met het Nederlands gemiddelde, waarbij een deel van Noord-Holland Noord langzamerhand meer in beeld komt bij woningzoekenden in het zuidelijk deel van de provincie. Migratie, vooral van expats, heeft in toenemende mate invloed op de woningbehoefte.
Tegelijkertijd is er steeds meer structureel leegstaand vastgoed en kunnen er leefbaarheidsproblemen in verouderde nieuwbouwwijken ontstaan. De woningbehoefte op de korte termijn is groot, op de lange termijn neemt deze volgens de huidige inzichten af. De ambitie ten aanzien van woningbouw is dat vraag en aanbod van woon- en werklocatie, zowel kwantitatief als kwalitatief, beter met elkaar in overeenstemming zijn. De woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Duurzaamheid van de totale voorraad is uitgangspunt. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de voornoemde ambitie van de provincie om woningbouw vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden in te plannen. De projectlocatie bestaat uit een bestaande stolp, waardoor geen nieuwe bebouwing gerealiseerd hoeft te worden. Hierdoor wordt voorzien in zowel een kwalitatieve als kwantitatieve behoefte, zoals ook zal blijken uit de beleidstoets in de navolgende paragrafen. 3.2.2
Omgevingsverordening Noord-Holland
De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie worden verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. Op donderdag 22 oktober 2020 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De Omgevingsverordening NH2020 geldt vanaf 17 november 2020 en vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is op basis van de Omgevingsverordening gelegen in de volgende gebieden: Agrarische bedrijven; Bijzonder Provinciaal Landscha; Waterland - Kernkwaliteiten Bijzonder provinciaal landschap; Gebiedswaarden wateroverlast; MRA - landelijk gebied; Terrenen binnen de vastgestelde kritische afstand van Natura 2000-gebieden; Peilbesluit; Stiltegebied.
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 21
De relevante artikelen worden hieronder toegelicht. MRA - landelijk gebied Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied MRA landelijk gebied niet voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling. In afwijking hiervan kan een ruimtelijk plan op basis van lid 4 voorzien in een functiewijziging van een karakteristieke boerderij naar een woonfunctie, waarbij de karakteristieke boerderij mag worden gesplitst in meerdere burgerwoningen, indien geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in deze splitsing, waarbij bestaande agrarische bebouwing wordt gesloopt. Een voor Waterland karakteristieke stolp krijgt hiermee een passende, nieuwe invulling. Met het verwijderen van een tweetal bijgebouwen wordt de verbinding met het omliggende landschap zelfs verbeterd. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing. Bijzonder Provinciaal Landschap Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) bevat regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten. De voorgenomen ontwikkeling beoogt een bijdrage te leveren aan het versterken en beschermen van de voorkomende kernkwaliteiten. In lijn met de provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie zijn de kernkwaliteiten beschreven aan de hand van drie provinciale kernwaarden: 1.
Landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. 2. Openheid en ruimtebeleving: de beleving van de ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. 3. Ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. Het plangebied is gelegen binnen het BPL Waterland in een gebied met regelmatige verkaveling en symmetrische droogmakerijen. Ruimtelijke ontwikkelingen die het verkavelingspatroon wijzigen zijn in een aantasting van deze kernkwaliteit. De splitsing van de bestaande stolpboerderij in twee reguliere woningen leidt niet tot een wijziging in het verkavelingspatroon. De aardkundige en landschappelijke karakteristiek wordt niet aangetast als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Het plangebied is gelegen in een gebied aangemerkt als habitat voor weidevogels op basis van de openheid en ruimtebeleving. Ruimtelijke ontwikkelingen die het habiitat voor de weidevogels verkleinen zijn in beginsel een aantasting. Verstoring of het toevoegen van opgaande elementen die leiden tot een verkleining van het habitat zijn eveneens een aantasting van deze kernkwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot verstoring, maar waarbij de verstoring valt binnen de verstoringszone van bestaande elementen zoals gebouwen en wegen, verkleinen het habitat niet.
De beoogde ontwikkeling maakt twee reguliere woningen mogelijk middels splitsing van een bestaande stolp, waardoor het habitat van weidevogels niet wordt aangetast. Er zal een kleine toename in het volume plaatsvinden aan de acherzijde van de stolp, welke in de verstoringszone van bestaande elementen plaatsvindt. De openheid en ruimtebeleving wordt niet aangetast als gevolg van de beoogde ontwikkeling. 't Nopeind 12 is gelegen in een gebied met korte bebouwingslinten. De linten bestaan uit één rij van individuele erven in een onregelmatig ritme aan één of beide kanten langs de weg. Ruimtelijke ontwikkelingen die bestaande doorzichten volledig blokkeren zijn een aantasting van de kernkwaliteit. Tweedelijnsbebouwing in de linten is ook een aantasting van de kernkwaliteiten. De beoogde ontwikkeling resulteert niet in een blokkade van doorzichten of in de realisatie van tweedelijnsbebouwing. De ruimtelijke dragers worden niet aangetast als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
Gemeente Amsterdam
blz. 22
Stiltegebied De artikelen met betrekking tot het stiltegebied hebben ten doel om de heersende natuurlijke rust in het gebied te behouden. Voor de splitsing van de woning resulteren onderhavige artikel niet in belemmeringen. Figuur 3.2: Uitsnede Omgevingsverordening NH2020.
Conclusie De Omgevingsverordening NH2020 vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Amsterdam
Het stadsbestuur zet in de Omgevingsvisie de lijnen uit naar 2050 (juli 2021). Hoe richten we de stad in ten behoeve van welvaart, welzijn en geluk van de Amsterdammers, regiobewoners en bezoekers? Waar gaan we wonen en werken, hoe komen we van A naar B, hoe zien de publieke ruimtes eruit en welke plek is er straks voor groen? De verwachting is dat de groei van de stad zal doorzetten. Die groei moet opgevangen worden en vooral gelijker verdeeld. Ook over de regio. Er zijn flinke investeringen nodig in infrastructuur, voorzieningen en stedelijk en landelijk groen. De grootste uitdaging is de overstap naar meer duurzaamheid, met andere energiebronnen en een minder verspillende manier van leven. De inrichting van stad en regio gaat wezenlijk veranderen. Een deel van de plannen staat al op de rol, een ander deel is nieuw. In de omgevingsvisie staat vooral de samenhang centraal en het kiezen van een koers naar 2050. Gezien de ambities en de schaarste van ruimte en financiën maakt het bestuur vijf strategische keuzes: Meerkernige ontwikkeling;
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 23
Meerkernige ontwikkeling Van uitrol centrumgebied naar een meerkernige en meer diverse verstedelijking Regionale spreiding stedelijke voorzieningen en werkgelegenheid. Onderscheidende ontwikkeling Nieuw-West, Zuidoost en Noord. Twee vaste IJ-oeververbindingen en een regionaal fietsnetwerk.-Uitbreiding HOV en metronet en ontwikkeling stationskwartieren. Groeien binnen grenzen Verdichting door complete en duurzame wijkontwikkeling Ruimte voor 150.000 woningen erbij in complete buurten. Verduurzamen bestaande buurten en woningen. Ruimte voor schone energie en duurzame initiatieven Verduurzaming van de haven. Duurzaam en gezond bewegen Heel Amsterdam een wandel- en fietsstad Een openbare ruimte die uitnodigt tot ontmoeting en bewegen. Meer ruimte voor fietsers en voetgangers. Auto's zijn te gast. Verkeerswegen (Gooiseweg, Lelylaan, Burg. Roëllstraat) worden groene stadslanen begeleid door bebouwing. Rigoureus vergroenen Een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving voor mens en dier Openbare ruimte zo groen mogelijk inrichten. Ontwikkeling parken (Oeverlanden, Hondsrugpark, Gaasperdakpark, Zuidasdokpark en NDSM-Oost).-Groene routes en ecologische verbindingen. Investeren in het landschap: natuurontwikkeling, kringlooplandbouw, en ruimte voor sporten en bewegen.
Samen stadmaken Richting geven op hoofdlijnen en ruimte bieden aan initiatief Gelijkwaardige (digitale) informatiepositie bij planvorming. Buurtbatenovereenkomsten en buurtomgevingsvisies. Grotere rol Amsterdammers bij beheer en ontwikkeling. Ruim baan voor wooncoöperaties: naar 10% van de woningvoorraad in 2040. Vrije ruimte als vast onderdeel van de planvorming.
Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling behelst enkel het planologisch mogelijk maken van de splitsing van de bestaande stolp en dus het toevoegen van één woning. Hiermee wordt in bescheiden mate bijgedragen aan de ambitie om te groeien binnen de grenzen en woningbouw toe te voegen. Conclusie De omgevingsvisie heeft niet direct raakvlakken met de voorgenomen ontwikkeling, maar vormt ook geen belemmering.
Gemeente Amsterdam
blz. 24
3.3.2
Koers 2025
Gemeente Amsterdam heeft in april 2016 de Koers 2025 opgesteld. De gemeentelijke structuurvisie wordt in de Koers 2025 geoperationaliseerd en bevat het plan van aanpak voor de bouw van 50.000 huizen tot 2025 en de strategische keuzes die daarbij horen. Er zijn bouwstenen voor gebiedsontwikkeling in de periode 2016-2025 uitgewerkt, waarbij een inschatting is gemaakt van het aantal te realiseren woningen. Naast de te realiseren woningen in grootschalige ontwikkelingslocaties is sprake van een aanvullend aanbod van woningen door transformatie van bestaand vastgoed naar woningen. Relatie tot ontwikkeling Onderhavig project is geen onderdeel van de bouwstenen voor gebiedsontwikkeling uit de Koers 2025. Wel is sprake van de planologische toevoeging van één woning. Conclusie Onderhavig project is in lijn met de Koers 2025. 3.3.3
Ruimte voor de Economie van Morgen
In Koers 2025 heeft de gemeente Amsterdam de locaties voor woningbouw in kaart gebracht. Met 'Ruimte voor de Economie van Morgen' biedt het college van B&W economische bouwstenen voor nieuwe gebiedsontwikkeling. Er zijn drie ruimtelijk-economische opgaven geagendeerd: 1. Sluit aan bij de vestigingsbehoefte van de stedelijke kenniseconomie, 2. Ontwikkel Amsterdam als inclusieve stad van en voor iedereen, en maak ruimte voor economische diversiteit, en 3. Houd rekening met economische dynamiek en verandering. De stedelijke groei op bedrijventerreinen heeft tot gevold dat er ruimte moet zijn voor bedrijven in de stad. Voor behoud van bedrijven in stad en regio wordt onder andere ingezet op integratie van bedrijven die passen in nieuwe wijken en stadsstraten. Delen van de stadsstraat zullen hierdoor een soort 'productiestraten' worden. Relatie tot ontwikkeling Onderhavig project is geen onderdeel van een van de gebieden welke zijn aangewezen voor de ruimtelijk-economische opgaven zoals geformuleerd in 'Ruimte voor de Economie van Morgen'. Het projectgebied ligt niet in één van de stadsstraten en is ongeschikt voor de verandering naar een zogenaamde 'productiestraat' in verband met de ligging ten opzichte van ring- en snelwegen. Conclusie Onderhavig project is daarmee in overeenstemming met de Ruimte voor de Economie van Morgen. 3.3.4
Woningbouwplan 2018-2025
In het Woningbouwplan 2018-2025, zoals vastgesteld door het college van B&W op 20 november 2018, geeft de gemeente Amsterdam aan hoe de forse woningbouwambitie wordt gerealiseerd. De woningbouwambitie 2018 tot 2025 is: start bouw van 52.500 woningen, gemiddeld 7.500 woningen per jaar. Op de peildatum 8 oktober 2018 bestond de gemeentelijke en particuliere planvoorraad uit ongeveer 73.000 woningen. In de planvoorraad zitten ca. 15.000 woningen die geheel door particulier initiatief worden ontwikkeld vooral door transformatie van bestaande panden. De Gemeenteraad heeft het college verzocht om gezinnen voor de stad te behouden en nadrukkelijk ook voor gezinnen te bouwen. In de beantwoording van de moties van de raad onderstreept het college van Amsterdam het belang van gezinnen in de stad en zegt toe te zorgen voor voldoende gezinswoningen. bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 25
Gezinswoningen zijn woningen met een minimale grootte van 70 m². De woningbouwopgave zoals beschreven in het Woningbouwplan 2018-2025 is niet alleen kwantitatief maar ook kwalitatief. Daarnaast wordt in het Woningbouwplan geconstateerd dat een steeds groter deel van de bouwproductie moet worden gerealiseerd door transformatie en verdichting van bestaand stedelijk gebied. Bij transformatie is de gemeente afhankelijk van de bereidheid van particulieren om te investeren. Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling bestaat uit het toestaan van één extra woning. De bestaande stolpwoning wordt namelijk gesplitst in twee woningen. Onderhavige ontwikkeling is tevens een plan dat geheel door particulier initiatief wordt ontwikkeld middels transformatie van een bestaand pand: de stolp. Conclusie Aangezien het plan voorziet in het toevoegen van één extra woning, is de ontwikkeling in overeenstemming met het Woningbouwplan 2018-2025. 3.3.5
Conclusie beleid
De voorgenomen ontwikkeling betreft de splitsing van een bestaande stolpwoning. De ontwikkeling is in lijn met het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid.
Gemeente Amsterdam
blz. 26
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 27
Hoofdstuk 4 4.1
Onderzoek en analyse
Cultuurhistorie en archeologie
Cultuurhistorie De cultuurhistorische betekenis van Landelijk Noord komt tot uitdrukking in het bijzondere landschap waarin de ontstaansgeschiedenis nog duidelijk afleesbaar is in het bijzondere patroon van water, wegen, dijken en polders. De voorgenomen ontwikkeling betreft enkel de planologische splitsing van de bestaande stolpwoning. De agrarische gebruiksmogelijkheden komen te vervallen, het perceel krijgt een woonbestemming en wordt hiermee voorzien van een passende, nieuwe invulling. 't Nopeind 12 is niet aangewezen als monument en kent tevens geen dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. Archeologie In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen bij de voorbereiding van bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Holland en het door het gemeentelijk Bureau Monumenten en Archeologie (BMA) uitgevoerde nadere onderzoek is vastgesteld dat delen van het vigerende bestemmingsplan 'Landelijk Noord' een archeologische verwachtingswaarde hebben. Aan deze gebieden zijn verschillende archeologische dubbelbestemmingen gegeven waarin het archeologische belang tot uitdrukking komt.
Voor de projectlocatie geldt voor het grootste deel de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1' en voor een klein deel aan de voorzijde en achterzijde van het perceel de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3'. Als gevolg van de dubbelbestemming, dient bij bodemverstoring een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk- of werkzaamheden te worden aangevraagd. Wanneer sprake is van bodemverstoring is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Deze dubbelbestemmingen wordt overgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Relatie tot ontwikkeling Archeologie Het projectgebied kent op basis van het vigerende bestemmingsplan de archeologische dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 3'. De voor 'Waarde Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en) – tevens bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Ingeval van bouwactiviteiten dient met het archeologische belang rekening te worden gehouden. Om deze belangenafweging te kunnen afdwingen, is in het bestemmingsplan bepaald dat voor de betrokken bouwactiviteiten alleen een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verleend, nadat daarvoor een archeologisch rapport is overgelegd.
Voor de delen van het perceel binnen 'Waarde - Archeologie 3' geldt daarnaast nog een vrijstellingsgrens van 100m2 en een diepte van 0,5 meter onder maaiveld. Om dit te waarborgen zijn beide dubbelbestemmingen opgenomen in dit bestemmingsplan. Op het moment dat er een omgevingsvergunning activiteit bouwen aangevraagd wordt, zal aangetoont moeten worden dat de mogelijke archeologische waarden niet verstoord worden. Cultuurhistorie Ten aanzien van cultuurhistorie treden in beginsel geen belemmeringen op, omdat het projectgebied niet binnen een beschermd stadsgebied valt of een monument is. Wel wordt het volgende opgemerkt. Veendorpen Zunderdorp en Nopeind worden als één dorp beschouwd, dorp Zudnerdorp. het bestaande karakteristieke dorpsgezicht van Zunderdorp behoeft bescherming, ondanks dat het niet is aangewezen als beschermd stadsgezicht. In dit kader wordt het project alsnog getoetst aan de cultuurhistorische
Gemeente Amsterdam
blz. 28
waarden van het dorp. Historie Oorspronkelijk was Zunderdorp het hoofddorp van de banne Sundeldorp / Sindeldorp. 'Sundels', het woord waar de naam Zunderdorp van komt, waren smalle vaarten, die vanaf het dorp naar het IJ stroomden. Het werd vanaf de 17e eeuw overvleugeld door het aan het IJ gelegen Nieuwendam. Van 1619 tot 1811 was Zunderdorp onderdeel van de Waterlandse Unie, samen met Broek in Waterland, Landsmeer, Ransdorp, Schellingwoude en Zuiderwoude. Het dorp maakte van 1811 tot 1921 deel uit van de gemeente Nieuwendam, die in dat jaar opging in de gemeente Amsterdam. Al eeuwenlang is melkveehouderij de belangrijkste activiteit. Ruimtelijke structuur Opvallend aan Zunderdorp is op het eerste gezicht ? na de alom zichtbare kerktoren en de hoog opgegroeide populieren ? het verschil tussen de dorpsdelen en de wijze waarop zij van elkaar gescheiden zijn. Het zuidelijk deel vertoont zich als een duidelijk gesloten kern met plaatselijk aangehechte bebouwing, die voor een geleidelijke ruimtelijke overgang naar de omringende weilanden zorgt. Het noordelijk deel bestaat uit lintbebouwing van agrarische oorsprong, waartussen mettertijd burgerwoonhuizen zijn verrezen en waarin agrarische bedrijfswoningen tot burgerwoonhuizen zijn geworden. Het merendeel van de bebouwing staat aan de noordzijde van 't Nopeind/'t Voorwerf.
De weilanden tussen de beide dorpsdelen zijn van groot belang om het verschil tussen beide delen te kunnen ervaren vanuit verschillende gezichtspunten. In de lintbebouwing langs 't Nopeind/'t Voorwerf kan men, omgeven door open ruimten, meerdere bebouwingsconcentraties, al dan niet ter weerszijden van de weg, waarnemen. De onbebouwde delen dragen op afstand in hoge mate bij aan de herkenbaarheid van dit dorpsdeel. Wanneer men zich langs de weg voortbeweegt ervaart men een plezierige afwisseling tussen openheid en beslotenheid. Het bescheiden profiel van de weg is uiteraard medebepalend voor de sfeer. De aantrekkelijke aspecten als omschreven kunnen niet geheel verhelen dat er, ten gevolge van de situatie op enkele erven, toch ook hier en daar een wat rommelige indruk ontstaat. In de kom tussen Het Voorwerf en de Broekergouw zijn in 2017 in totaal 19 woningen gerealiseerd die een flinke bijdrage hebben geleverd aan het gebruik van Het Nopeind als woonbuurt. Relatie tot ontwikkeling Met het kwalitatief opknappen van de stopboerderij en het splisten naar twee woningen in de bestaande stolp, blijft het kenmerkende open landschap met doorkijken en de bebouwingsstructuur in tact.
Het toevoegen van een woning aan deze voormalige agrarische bedrijfswoning past daarnaast in de historische ontwikkeling van het dorp waar in het verleden burgewoningen zijn verrezen en agrarische bedrijfswoningen tot burgerwoningen zijn getransformeerd. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2
Water
Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 29
Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterplan WBP) opgesteld. Dit Waterplan geeft de koers op hoofdlijnen voor het waterbeheer in Hollands Noorderkwartier voor de periode 2022-2027. Er wordt voortgebouwd op de regionale Deltavisie (2012), het Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) en het Collegeprogramma 2019-2023. Met ons waterbeheer zorgen we voor voldoende, gezond en schoon water om van te leven, te werken en te recreëren, voor mens, dier en natuur. De wereld om ons heen staat niet stil. Integendeel, we leven in een dynamische tijd met meerdere wereldwijde transities en brede maatschappelijke opgaven. Klimatologisch, ecologisch, technologisch en maatschappelijk verandert er veel. Het maatschappelijk belang van water neemt steeds verder toe door klimaatverandering, drukte in de fysieke leefomgeving en toenemend watergebruik. Daardoor is er ook steeds meer aandacht voor en belang bij het waterbeheer. We verwachten daarom de komende jaren het gesprek met onze omgeving te intensiveren. Zodat we gezamenlijk kunnen uitvinden hoe we het waterbeheer toekomstbestendig houden. Daarnaast kunnen we met ons waterbeheer bijdragen aan maatschappelijke opgaven zoals biodiversiteitsherstel en de energietransitie.
Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Relatie tot ontwikkeling Het plangebied is gelegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Bestaand watersysteem Het bestemmingsplan gebied bevindt zich in het peilgebied 5620-5 met een streef waterpeil van NAP-1,84 meter. Dit peilgebied wordt gevoed door het waterlandsboezempeil (NAP-1,56 meter) en watert af via de stuw aan de zuidzijde van de oostelijke sloot langs het plangebied onder de weg Nopeind door richting de blokbemaling Zunderdorp (5620-1) met een streef waterpeil van NAP-2,29 meter. Figuur 4.1: bestaand watersysteem
Gemeente Amsterdam
blz. 30
Aan de noordzijde van het plangebied ligt er in de bestaande situatie een duikerconstructie door het perceel. Deze krappe en lange duikerverbinding geeft in de bestaande situatie regelmatig problemen in de doorstroming. Deze duiker wordt nu vervangen door een nieuwe watergang wat waterhuishoudkundig positief is. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling wordt geen extra verharding in het projectgebied aangebracht. In de huidige situatie zijn de stolp (351 m²) en vijf bijgebouwen (218 m²) aanwezig binnen het plangebied. In totaal is er 569 m² aan bebouwing aanwezig binnen het plangebied. Onderhavig project bestaat uit het planologisch toestaan van de splitsing van de bestaande stolpwoning in twee woningen, waarbij de stolp aan de achterzijde wordt uitgebreid met 36 m². Ook wordt het aantal bijgebouwen teruggebracht naar twee met een totale oppervlakte van 83 m². In totaal bedraagt het bebouwd oppervlak in de toekomstige situatie 470 m². Het verhard oppervlak neemt in de toekomstige situatie met 99 m² af ten opzichte van de huidige situatie.
Bovendien wordt een nieuwe open watergang gegraven op de achterzijde van het perceel. Hiermee ontstaat een open verbinding met de reeds aanwezige watergangen. In het kader van de Hemelwaterverordening is de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de regels vanuit deze verordening. Aangezien de verordening aangesloten is op het Omgevingsvergunning Bouwen-traject, moet bij de aanvraag van een omgevingsvergunning activiteit bouwen getoetst worden aan de eisen uit de verordening. De verordening zegt slechts dat er niet op het riool mag worden aangesloten als er geen wateropvangruimte beschikbaar is. Omdat de verordening (nog) geen vergunningplicht oplevert en een Omgevingsvergunning er dus nog niet aan hoeft te worden getoetst (wel onder de Omgevingswet), is deze regeling alleen van belang bij afwijkingen van het bestemmingsplan. In bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 31
die gevallen moet die worden betrokken bij de afweging van een "goede ruimtelijke ordening". In het geval van de woningsplitsing op het Nopeinde 12 lozen de bestaande goten van de stolp en de bijgebouwen op de sloten. In de nieuwe situatie zal dit ook zo zijn. In de nieuwe situatie zal er minder bebouwing op het perceel aanwezig zijn, waardoor er circa 99 m2 meer wateropslagruimte ontstaat. De Hemelwaterverordening is hiermee niet van toepassing, omdat er geen hemelwaterafvoer is naar het riool en ook niet naar de openbare ruimte. Beschermde gebieden De locatie is niet gelegen binnen een beschermd gebied zoals een waterkering of beschermingszone. Riolering Het huishoudelijk afvalwater (DWA) wordt op de bestaande riolering aangesloten. Het afstromend regelwater wordt afgevoerd naar de omringende waterloop. Klimaatadaptatie Aandachtspunten hierbij zijn dat de vloerpeilen van de woningen en nieuwe bijgebouwen voldoende drooglegging krijgen om wateroverlast in de woningen te voorkomen. De resultaten uit de watersysteemanalyse van het hoogheemraadschap geven geen gebieden aan binnen het plangebied die kwetsbaar zijn voor inundatie (zie ook onderstaand Inundatiekaartje bij T1000) . Figuur 4.2: inundatiekaartje bij T1000
Verder zijn er vanuit de MRA nieuwe richtlijnen opgesteld om bij ontwikkelingen 70 mm water vast te houden en te kunnen bergen op eigen terrein. Voor deze ontwikkeling, met een afname aan verharding en toevoeging van oppervlaktewater, kan gesteld worden dat deze meer dan waterneutraal is en er kwantitatief een verbetering van het watersysteem optreedt. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het toestaan van de splitsing in twee zelfstandige wooneenheden.
Gemeente Amsterdam
blz. 32
4.3
Ecologie
Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. Relatie tot ontwikkeling Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of NNN. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft 'Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske', op circa 1,8 km afstand. Het dichtstbijzijnde NNN gebied is gelegen op een afstand van circa 1,5 km. Figuur 4.3: Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden, plangebied rood omcirkeld (bron: Atlasleefomgeving)
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 33
Figuur 4.4: Uitsnede kaart NNN-gebieden, plangebied blauw omcirkeld (bron: Atlasleefomgeving)
Door Dresmé van der Vlak is in het kader van gebiedsbescherming een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De rapportage d.d. 7 september 2021 is bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting (bijlage 1 en 2). Geconcludeerd wordt dat in de gebruiksfase van twee woningen aan ’t Nopeinde 12 te Amsterdam, geen negatieve effecten met zich mee zal brengen op beschermde Natura 2000-gebieden als gevolg van gebruiksfase van twee nieuwe woningen. De effecten zijn lager dan 0,00 mol/ha/jaar en daarmee verwaarloosbaar. Hierbij is het bestaande gebruik van de huidige/oude woning buiten beschouwing gelaten, omdat deze stikstofuitstoot in mindering mag worden gebracht op het totaal van de stikstofuitstoot in de nieuwe situatie (interne saldering). De berekening is daarom uit gegaan van een worst-case scenario. Significant negatieve effecten als gevolg van de gebruiksfase van het plan kunnen
Gemeente Amsterdam
blz. 34
derhalve worden uitgesloten. Een Passende beoordeling en/of vergunning van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Soortenbescherming In het kader van de soortenbescherming is door Dresmé & Van der Vlak een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd op de locatie 't Nopeind 12 te Amsterdam. De rapportage d.d. 31 mei 2021 is als bijlage 3 bijgevoegd bij onderhavige toelichting. De belangrijkste resultaten worden hieronder besproken: Vleermuizen Het dak heeft dakpannen met verschillende kieren en openingen. Verblijfplaatsen van soorten als laatvlieger kunnen verwacht worden in het dak. De muren hebben geen open stootvoegen, maar wel een spouw. Deze is toegankelijk via scheuren in het mestelwerk in de overgangen tussen muurdelen en boeidelen. Vaste verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen derhalve niet worden uitgesloten. Een nader onderzoek naar vleermuizen is nodig. Broedvogels Tijdens het veldonderzoek zijn circa 10 spreeuwennesten vastgesteld, alsmede 4-5 nesten van huismussen en een mogelijk nest van de gierzwaluw op basis van een laag overvliegende en gierende gierzwaluw. Om precies te weten hoeveel en waar huismus en gierzwaluw nestelen is een nader onderzoek naar huismus en gierzwaluw nodig. In de struiken in de tuin komen mogelijk nesten voor van kleine zangvogels, zoals heggenmus.
De nesten van deze soorten en die van de spreeuw op het dak zijn in het broedseizoen beschermd. Deze soorten maken elk jaar een nieuw nest, waardoor een nest alleen in het broedseizoen beschermd is. Indien gehouden wordt aan de zorgplicht, zijn geen aanvullende maatregelen nodig. Grondgebonden zoogdieren Het projectgebied is geschikt voor algemeen voorkomende zoogdiersoorten zoals egel en haas. Vanwege de aanwezigheid van struweel, bomen, water en de watergangen met onbeschoeide oevers is het projectgebied geschikt als leefgebied voor wezel, hermelijn en bunzing. Om de aanwezigheid van deze soorten vast te kunnen stellen of uit te sluiten is nader onderzoek nodig. Flora Het biotoop dat bestaat uit grasland en tuinplanten en is ongeschikt voor beschermde plantensoorten. Beschermde plantensoorten worden derhalve niet verwacht. Amfibieën en reptielen Omdat de omringende sloten vissen bevat, is dit water ongeschikt als voortplantingswater voor de Europees beschermde rugstreeppad. Daarnaast wordt geen water gedempt, waardoor negatieve effecten op de rugstreeppad niet zal optreden. Het projectgebied biedt geen belangrijk leefgebied voor amfibieën en reptielen. Bij ruimtelijke ontwikkeling zijn de algemeen voorkomende soorten vrijgesteld. Conclusie quickscan Geconcludeerd wordt dat nader onderzoek naar vleermuizen, huismus, gierzwaluw en kleine marterachtigen nodig is.
Nader onderzoek Dresmé & Van der Valk heeft dit in de periode april - oktober 2021 uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 4 terug te vinden. Hieronder worden de resulaten integraal weergegeven.
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 35
Binnen het projectgebied zijn 11 nesten van huismus en 3 nesten van gierzwaluw vastgesteld. Nesten van huismus en gierzwaluw zijn jaarrond beschermd. Indien dakpannen of goten worden verwijderd is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig, omdat dan nesten van huismus en gierzwaluw worden verstoord of vernietigd. Nesten van spreeuw zijn niet met zekerheid vastgesteld binnen het projectgebied, maar zijn gezien de waarnemingen in het gebied mogelijk wel aanwezig. Deze soort is alleen in het broedseizoen beschermd (globaal van 15 maart t/m 15 juli). Als pannen worden verwijderd van het dak dient hier rekening mee te worden gehouden.
Van de gewone dwergvleermuis zijn 2 vaste verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld binnen het projectgebied. Het gaat om 2 zomerverblijfplaatsen, die vermoedelijk ook in gebruik zijn als paarverblijfplaats. Met de renovatiewerkzaamheden aan de boerderijwoning in het projectgebied worden deze verblijfplaatsen verstoord of vernield en daarom is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd. Ontheffing aanvraag Gezien het feit dat de dakpannen met de herontwikkeling gedeeltelijk verwijderd worden, is op 8 maart 2022 een ontheffing voor zowel vleermuizen als huismus en gierzwaluw aangevraagd bij het bevoegd gezag. Conclusie soortenbescherming Met de quickscan en nader onderzoek is de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten inzichtelijk gemaakt. Duidelijk is dat een ontheffing Wnb aangevraagd moet worden. In het kader van het bestemmingsplan kan gesteld worden dat er voldoende zicht is op het verkrijgen van een ontheffing (met een afgerond onderzoek) en dat dit het vaststellen van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
4.4
Verkeer en parkeren
In het kader van de herontwikkeling moet gekeken worden wat de verkeersgeneratie is, wat de parkeerbehoefte is en hoe de ontsluiting geregeld wordt van de nieuwe functie om voldoende parkeerplaatsen te waarborgen en ongewenste verkeerssituaties tegen te gaan. Relatie tot ontwikkeling Ontsluiting Het plangebied bereikt men via de bestaande wegenstructuur. 't Nopeind is te bereiken via de Termieterweg, welke in verbinding staat met de N247 richting Volendam/Edam en de ring A10 (Amsterdam). Verkeersgeneratie Op basis van de CROW-publicatie 381 is de verkeersaantrekkende werking van het project bepaald. De verkeersaantrekkende werking is afhankelijk van de functie van het project en de ligging van het projectgebied. Het projectgebied ligt in de gemeente Amsterdam. Amsterdam is ingedeeld in de eerste stedelijkheidsklasse van gemeenten volgens het CBS. Code 1 staat voor een zeer sterk stedelijke gemeente. Op basis de CBS gegevens bedraagt de omgevingsadressendichtheid (gemiddelde waarde van adressendichtheid) van de gemeente Amsterdam 6.020 eenheden. De stedelijkheidsgraad 'zeer sterk stedelijk' is van toepassing. Daarbij is de locatie gelegen in het buitengebied van de gemeente Amsterdam. Voor 'koop, twee-onder-een-kap' geldt een verkeersgeneratie van minimaal 7,4 motorvoertuigen per etmaal en maximaal 8,2. Deze extra verkeersgeneratie als gevolg van de toevoeging