Raadsbesluit 2023-005E BP Onderstation Nieuwe Meer II - bijl toelichting
Tekst van het document
R.L. Breed
Pagina 2 van 2
blz. 66
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 67
Bijlage 3
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Gemeente Amsterdam
Aanmeldnotitie Onderwerp: Vormvrije m.e.r.-beoordeling onderstation Nieuwe Meer II Projectnummer: 51005387 Referentienummer: 5305/5387/LV Datum: 07-12-2021
1
Inleiding
TenneT is de landelijke netbeheerder van het hoogspanningsnet met een spanningsniveau van 110kV en hoger. Liander verzorgt de aanleg, het onderhoud en de vernieuwing van het transport- (via onderstations) en distributienet (midden- en laagspanningselektriciteitsnet) zodat de klanten, nu en in de toekomst, gebruik kunnen maken van een veilige, duurzame, betrouwbare en betaalbare energievoorziening. Netbeheerders hebben de taak tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten de energieinfrastructuur aan te leggen. In de gemeente Amsterdam is een sterk groeiende vermogensvraag naar elektriciteit door groei in bedrijven en woningbouw aan de Zuidas, Schiphol, het Schinkelkwartier en een deel van Amsterdam Nieuw-West. Het huidige onderstation, Nieuwe Meer, is maximaal uitgebreid en heeft onvoldoende vermogen om toekomstige ontwikkelingen te faciliteren. Met de bouw van een nieuw 160 MVA 150/20kV onderstation (Liander) en de uitbreiding van het bestaande (TenneT) transformatorstation met twee Gas Insulated Switchgear (GIS) installaties wordt het bestaande capaciteitsknelpunt weggenomen en voldoende ruimte gecreëerd om toekomstige groei in Amsterdam te realiseren. Het geldende planologisch kader op deze plek maakt het bouwen van een nieuw onderstation en de GIS installaties niet mogelijk. Met een bestemmingsplan wordt de ontwikkeling planologisch mogelijk gemaakt.
Om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over dit bestemmingsplan moet worden getoetst of in het kader van deze ontwikkeling een milieueffectrapportage nodig is. Uit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) volgt dat voor deze ontwikkeling een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. In deze aanmeldnotitie is de vormvrije m.e.r.-beoordeling van de voorgenomen activiteit opgenomen (formeel ook aangeduid als aanmeldnotitie). Achtereenvolgens wordt ingegaan op het voornemen (hoofdstuk 2), de m.e.r.-procedure (hoofdstuk 3) en de vormvrije m.e.r.-beoordeling (hoofdstuk 4) waarin de potentiële effecten van het voornemen worden beschreven.
2
Voornemen
De uitbreiding van onderstation Nieuwe Meer II vindt plaats ten zuiden van het bestaande onderstation Nieuwe Meer op een braakliggend terrein aan de Anderlechtlaan 250 in de gemeente Amsterdam. Deze grond is in eigendom van Liander. Het huidige onderstation en het naastgelegen meet- en regelstation van Gasunie vormen samen een nutsvoorzieningencluster c.q. 'energiecampus' met losse gebouwen in een landschappelijke/groene setting. Ten noorden van het plangebied bevindt zich de snelweg de A4, de spoorverbinding Amsterdam – Schiphol en op 130 meter afstand ligt het Mercure hotel. De naamgeving van het station verwijst naar het meer ten zuiden van de locatie. Verder westelijk liggen polders. De dichtstbijzijnde woonbestemming ligt op circa 360 meter afstand.
Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
1 (13)
Figuur 1 Ligging en huidige situatie plangebied
De uitbreiding is voorzien op een braakliggend terrein. In het jaar 2001 is er op het terrein een tijdelijke vergunning verleend voor een McDonalds restaurant. Deze is in 2008 afgebroken, maar de verharding op het terrein, onder andere door de aangelegde parkeerplekken voor het restaurant, is nog geruime tijd blijven liggen. In 2019 is het parkeerterrein verwijderd en sindsdien ligt het terrein braak. Aan de noordzijde van het plangebied is het huidige onderstation te vinden. Verder wordt het terrein omringd door een watergang, waar water doorheen stroomt en staan bomen aan de zijkanten. Het voornemen is de volgende werkzaamheden uit te voeren (zie figuur 2): Er worden drie 150/20kV transformatoren van Liander geplaatst met ieder een vermogen van 80 MVA in open cellen. Deze cellen hebben drie scherfwanden en één open zijde. Het totaal opgesteld vermogen bedraagt 240 MVA, het totaal ingeschakeld vermogen in de open lucht is 160 MVA. Plaatsen van een Liander gebouw van circa 56m x 20m x 6,5m (lxbxh) = 1120 m 2; Bouw twee 150kV GIS-installaties van TenneT met de afmetingen 39m x 18m x 11,6m (lxbxh) = 702 m2. Bouw van compensatiespoelen met de afmetingen van 23,2m x 11,6m en een maximale bouwhoogte van 8,5m. Plaatsen tweede inrit op-/afrit ten zuiden van het perceel middels een dam. De ontsluiting wordt aangelegd voor zwaar vrachtverkeer.
Aanleggen noodzakelijke bekabeling. Plaatsen bliksemspits van circa 2 meter hoog op de transformatorcellen. Plaatsen hekwerk van 2,5 meter hoog, grenzend aan het Gasunie perceel. Dempen van de sloot achter de 150kV GIS-installaties van TenneT en tijdelijk dempen van de sloot langs de Anderlechtlaan. Uitdiepen van watergang RIEKE029 van 90 cm naar 125 cm (ten zuiden van het plangebied).
2 (13)
Figuur 2 Toekomstige situatie uitbreiding
3
Toets aan Besluit m.e.r.
3.1 Welke m.e.r.-procedure is van toepassing Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieu een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) geeft aan of voor een project een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing is. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de C-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de zogenoemde m.e.r.-plicht. Deze activiteiten worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de zogenoemde m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor deze activiteiten geldt dat zij, afhankelijk van de omstandigheden, nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Het nieuwe bestemmingsplan voorziet in aanpassing van een bestaand transformatorstation, een nieuw onderstation en de benodigde aansluitingen, terreininrichting en ontsluiting. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage is geen sprake van een m.e.r. (beoordelings)plichtige activiteit. Het bestemmingsplan heeft desalniettemin wel betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit. Te denken valt aan de categorieën D 11.3 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein) en D 24.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsverbinding).
In tabel 3.1 zijn de relevante activiteiten opgenomen.
3 (13)
Tabel 3.1: Relevante activiteiten uit het Besluit milieueffectrapportage (d.d. 8 april 2021) Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Activiteiten Gevallen Plannen Besluiten D11.3 De aanleg, wijziging In gevallen waarin de De structuurvisie, De vaststelling van of uitbreiding van een activiteit betrekking heeft bedoeld in de het plan, bedoeld in industrieterrein. op een oppervlakte van 75 artikelen 2.1, 2.2 en artikel 3.6, eerste lid, hectare of meer. 2.3 van de Wet onderdelen a en b, ruimtelijke ordening, van de Wet en het plan, bedoeld ruimtelijke ordening in artikel 3.1, eerste dan wel bij het lid, van die wet. ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. In gevallen waarin de D24.2 De aanleg, wijziging De structuurvisie, Het plan, bedoeld in activiteit betrekking heeft of uitbreiding van een bedoeld in de artikel 3.6, eerste lid, op een leiding met: ondergrondse artikelen 2.1, 2.2 en onderdelen a en b, 1° een spanning van 150 hoogspanningsleiding.
kilovolt of meer, en 2.3 van de Wet van de Wet ruimtelijke ordening, ruimtelijke ordening 2° een lengte van 5 en de plannen, dan wel bij het kilometer of meer in een bedoeld in de ontbreken daarvan gevoelig gebied als artikelen 3.1, eerste van het plan, bedoeld onder a, b of d lid, 3.6, eerste lid, bedoeld in artikel 3.1, van punt 1 van onderdeel onderdelen a en b, eerste lid, van die A van deze bijlage. van die wet. wet of het besluit, bedoeld in artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet.
Het Besluit m.e.r. geeft onder ‘gevallen’ per activiteit aan wat de relevante drempel is voor een m.e.r.-(beoordelings)plicht. De ontwikkelingen die zijn voorzien met dit project overschrijden de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet, zodat op basis daarvan geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de ‘Europese richtlijn milieueffectbeoordeling’ te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. 3.2 Te volgen procedure Met deze aanmeldnotitie verzoekt de initiatiefnemer de gemeente Amsterdam (bevoegd gezag) om te beoordelen of een m.e.r. nodig is (conform artikel 7.16 Wet milieubeheer, óf artikel 7.17 lid 2) voor de in paragraaf 3.1 genoemde activiteit. In deze aanmeldnotitie is de benodigde informatie opgenomen die voor deze beoordeling nodig is. Voorafgaand of uiterlijk gelijktijdig met het besluit van de gemeente om het ontwerp bestemmingsplan in procedure te brengen, neemt zij het m.e.r.-beoordelingsbesluit.
Tegen dit besluit is geen bezwaar of beroep mogelijk, wel kan een zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan worden ingediend of beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan worden ingesteld.
4 (13)
3.3 Doel van de aanmeldnotitie De vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In het kader van een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt een aanmeldnotitie opgesteld. In een aanmeldnotitie wordt op objectieve wijze de informatie verzameld en gepresenteerd die voor deze afweging noodzakelijk is. Op basis van de informatie in de aanmeldnotitie besluit het bevoegd gezag of een uitgebreidere m.e.r-procedure nodig is. Er kunnen twee uitkomsten zijn: • belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden → er dient een m.e.r.-procedure doorlopen te worden; • belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op → er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Het uitgangspunt bij deze beoordeling is: Nee, tenzij …. (zie hiervoor verder kader 3.1). Dit uitgangspunt betekent dat er geen nadere m.e.r.- nodig is, tenzij er sprake is van mogelijke ‘belangrijke nadelige gevolgen’ voor het milieu op basis waarvan een dergelijke procedure wel noodzakelijk moet worden geacht. Deze ‘belangrijke nadelige gevolgen’ moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van Bijlage III EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. Het project dient te worden getoetst aan: 1. Kenmerken van de activiteit: a. Omvang van het project; b.
Cumulatie met andere projecten; c. Gebruik natuurlijke hulpbronnen; d. Productie afvalstoffen; e. Verontreiniging en hinder; f. Risico op ongevallen. 2. Plaats van de activiteit: a. bestaand grondgebruik; b. rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. opnamevermogen milieu met aandacht voor specifieke gevoelige gebieden. 3. Kenmerken van het potentiële effect: a. bereik van het effect; b. grensoverschrijdend karakter; c. orde van grootte en complexiteit effect; d. waarschijnlijkheid effect; e. duur, frequentie en omkeerbaarheid effect. In hoofdstuk 4 wordt de toetsing behandeld. Eerst wordt een beschrijving gegeven van de kenmerken van de activiteit, de plaats van de activiteit en de potentiële effecten die daaruit naar voren komen. Vervolgens wordt ingegaan op de kenmerken van de gevolgen van deze effecten. Hierbij wordt gekeken of er sprake is van mogelijk (belangrijke) nadelige milieugevolgen en of er verzachtende mitigerende maatregelen kunnen worden genomen om eventueel het milieueffect te verminderen of teniet te doen.
5 (13)
KADER 3.1: UITLEG AANMELDNOTITIE Zoals aangegeven is het uitgangspunt bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling het ‘nee, tenzij’ principe. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en diepgang van deze aanmeldnotitie. In dit kader wordt kort toegelicht hoe deze aanmeldnotitie is opgebouwd en op welke wijze naar de inhoud moet worden gekeken. Waarom Nee, tenzij? Dat het ‘nee, tenzij’ principe geldt, vloeit voort uit het feit dat het een activiteit betreft uit de Dlijst van het Besluit m.e.r., waarvoor tevens geldt dat de activiteit onder de drempelwaarde ligt zoals in deze D-lijst genoemd. In het Besluit m.e.r. zijn alle activiteiten die mogelijk gevolgen hebben op het milieu verdeeld over twee lijsten: de C en de D lijst. Activiteiten uit de C-lijst worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor deze activiteiten geldt dan ook een directe m.e.r.-plicht. Voor activiteiten uit de D-lijst geldt dat deze afhankelijk van de omstandigheden nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Wanneer de activiteit op de D-lijst staat én onder de drempelwaarde blijft zoals in die lijst opgenomen, is de verwachting dat deze activiteit waarschijnlijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen oplevert. Op voorhand geldt voor deze activiteiten daarom ook geen m.e.r.-plicht. Dit moet echter wel worden getoetst middels de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland. Inhoud aanmeldnotitie Voor een aanmeldnotitie die wordt opgesteld in het kader van de vormvrije m.e.r.beoordeling bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. In de meeste gevallen kan de vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gebaseerd op ‘expert judgement’, zonder (model)berekening of (veld)onderzoek. Het uitgangspunt is dat de aanmeldnotitie kort en bondig is en alleen inzoomt op die kenmerken en gevolgen die mogelijk kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu. In veel gevallen zal snel helder zijn dat een activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft (vanwege grote afstand tot gevoelige gebieden, de locatie en de omgeving hebben geen bijzondere kenmerken waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten, de activiteit leidt niet tot grote emissies, heeft een klein ruimtebeslag e.d.). Dan is ook geen uitgebreide motivering nodig: er wordt dan beknopt beschreven dat naar alle Europese criteria is gekeken.
6 (13)
4
Vormvrije m.e.r.-beoordeling 1.
Kenmerken van het project
Omvang van het project (relatie met drempel D lijst)
Aanleggen van een ondergrondse 150kV hoogspanningsverbinding Het project omvat de uitbreiding van een industrieterrein, de oprichting van een onderstation, zijnde een geluidzoneringsplichtige inrichting, de uitbreiding van een bestaand onderstation met bijbehorende kabels, leidingen en terreininrichting. De aanleg van het project wordt mogelijk gemaakt via een nieuw bestemmingsplan.. Daardoor is het een project (kolom 4) in de zin van het Besluit m.e.r.. Activiteit D11.3 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein Drempelwaarden zijn: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Het bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van de bedrijfsmatige bestemming met een oppervlakte van circa 0,5 hectare. Activiteit D24.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding Drempelwaarden zijn: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met: 1° een spanning van 150 kilovolt of meer, en 2° een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b of d van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage.
De gevoelige gebieden betreffen: a: een gebied dat krachtens artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is aangewezen als Natura 2000-gebied; b: een kerngebied, begrensd natuurontwikkelingsgebied of begrensde verbindingszone, dat deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur, zoals die structuur is vastgelegd in een geldend bestemmingsplan of, bij het ontbreken daarvan, in een geldende structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening, of, bij het ontbreken daarvan, zoals die structuur voorkomt op de kaart Ecologische Hoofdstructuur, behorend bij deel 4 van het Structuurschema Groene Ruimte (LNV-kenmerk GRR-95194); d: een krachtens artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de wet bij provinciale verordening aangewezen gebied met uitzondering van de zones waar het met het oog op de bescherming van het diepe grondwater is verboden te boren; Dit initiatief omvat: Het aanleggen van bekabeling op het terrein, onder meer ondergrondse hoogspanningskabels met een spanning van
7 (13)
150kV of meer. De aanleg is niet voorzien door gevoelig gebied.
Cumulatie met andere projecten Gebruik natuurlijke hulpbronnen1
Productie afvalstoffen2
Verontreiniging en hinder
Conclusie: het project blijft ruimschoots onder de drempelwaarden voor alle relevante activiteiten. Daarom is voor dit project geen ‘formele’ m.e.r.-beoordeling, maar een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling nodig. In de omgeving van het plangebied spelen geen ontwikkelingen waarvan de effecten cumuleren met dit initiatief. Bij de realisatie van het initiatief wordt gebruik gemaakt van vernieuwbare natuurlijke hulpbronnen zoals hout, glas, (bak)steen en grond. In principe wordt de grond na aanleg weer teruggeplaatst. Voor zover vrijgekomen grond niet ter plaatse kan worden gebruikt, wordt deze afgevoerd en elders gebruikt, bijvoorbeeld voor ophoging. Er wordt een sloot gedempt en mogelijk vindt gedurende de aanlegfase tijdelijk bemaling plaats. Er zijn geen andere natuurlijke hulpbronnen in het gebied aanwezig die invloed ondervinden van de voorgenomen activiteit. Bij de aanleg van het initiatief komt afval vrij. Tijdens de gebruiksfase komen geen bijzondere afvalstoffen vrij. (Bouw)afval wordt conform geldende wet- en regelgeving afgevoerd. Verontreiniging: Tijdens de aanleg kan als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden tijdelijk een beperkte en lokale verslechtering van de luchtkwaliteit optreden. Gelet op de beperkte effecten van dit project, zijn belangrijke nadelige effecten niet te verwachten.
De ontwikkeling zal verder niet leiden tot een andere vorm van verontreiniging. Er is een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit van de bodem en het grondwater. Uit dit onderzoek blijkt ter plaatse een verontreiniging is aangetroffen. De bodemkwaliteit wordt voorafgaand aan de ontwikkeling geschikt gemaakt voor de beoogde functie. Negatieve effecten zijn niet te verwachten. Hinder: Tijdens de aanleg kan als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden lokaal een beperkte verkeershinder en geluidhinder optreden. Gelet op de beperkte effecten van dit project en de afstand tot omliggende geluidgevoelige functies, zijn belangrijke nadelige effecten niet te verwachten.
1 Toelichting: Van gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan sprake zijn als een ontwikkeling gevolgen heeft voor op,
of in de nabijheid van, de locatie aanwezige natuurlijke hulpbronnen. Denk bijvoorbeeld aan de onttrekking van grondwater of het delven van grondstoffen zoals zand of klei. Ook het kappen van bos als leefomgeving voor dieren of recreatiegebied voor mensen valt hieronder. Dit criterium is vooral van belang bij industriële activiteiten. 2 Afvalstoffen zijn stoffen (preparaten of voorwerpen) waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (artikel 1.1, lid 1 Wet milieubeheer). Nadelige milieugevolgen kunnen ontstaan bij het vrijkomen van gevaarlijke afvalstoffen.
8 (13)
Risico voor ongevallen
2. Plaats van de activiteit Bestaande grondgebruik
Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Opnamevermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang
In de gebruiksfase zal het initiatief enkel geluid produceren als gevolg van onder meer de transformatoren. De geluidbelasting is beoordeeld. Er is geen sprake van belangrijke nadelige effecten op omliggende geluidgevoelige objecten en terreinen. De wettelijke geluidzone wordt geborgd in het bestemmingsplan. De verkeersaantrekkende werking in de gebruiksfase als gevolg van werknemers, onderhoud en inspectie is te verwaarlozen. Er wordt geen toename van het risico op ongevallen verwacht.
Het plangebied is grotendeels braakliggend en deels in gebruik als watergang. Het noordelijke deel van het plangebied is deels al in gebruik als onderstation. De locatie heeft geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. Een bestaande sloot wordt gedempt. Binnen hetzelfde peilgebied, buiten het plangebied, wordt het verlies aan oppervlaktewater gecompenseerd door verbreding van een bestaand watergang. Er zijn verder geen effecten op natuurlijke hulpbronnen. Natuur Natura 2000 In de omgeving van het plangebied bevinden zich de Natura 2000-gebieden Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske, de minimale afstand bedraagt 1,2 kilometer. Gelet op de afstand en de ligging langs de A8/A10 bevat het plangebied geen elementen die specifieke waarden van genoemde Natura 2000-gebieden versterken. Het plangebied heeft dan ook geen functie voor in de Natura 2000-gebieden aangewezen habitatsoorten, habitattypen of vogelrichtlijnsoorten. Mede gezien de relatief kleinschalige aard van de werkzaamheden zijn directe effecten op voorhand uitgesloten. Uit een berekening van de stikstofdepositie blijkt dat er zowel tijdens de aanleg- als de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie op een door stikstof overbelaste locatie in een Natura 2000-gebied is waarvoor een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Daarmee zijn effecten op voorhand uitgesloten.
Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het plangebied is niet aangewezen als (onderdeel van) NNN, een ecologische verbindingszone (evz) of weidevogelleefgebied. Beschermde soorten (Wnb)
9 (13)
Binnen het plangebied zijn soorten aanwezig of te verwachten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming en die mogelijkerwijs negatief beïnvloed worden als gevolg van de voorgenomen ingreep. Deze soorten zijn onderzocht en de effecten van de ingreep zijn beoordeeld. Daaruit volgt dat er geen onaanvaardbare ingrepen plaatsvinden. Een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Landschap, cultuurhistorie & archeologie De ontwikkeling zal vanaf de Verlengde Stellingsweg en vanaf de bovenste verdiepingen van het Van der Valk hotel zichtbaar zijn. Een groene zone aan de zuidzijde zal niet genoeg afscherming bieden om dit zicht weg te nemen. Door de kabels en leidingen die onder de grond komen te liggen en de beperkte ruimte is het niet mogelijk een dichtere groene afscherming te realiseren. De gemeente acht de ontwikkeling in relatie tot de omgeving landschappelijk aanvaardbaar. Voor de ontwikkeling is archeologisch onderzoek verricht. Uit het bureauonderzoek blijkt dat er een verwachting is voor archeologische resten uit de late middeleeuwen. In het plangebied zijn echter geen indicatoren voor historische bebouwing en archeologische vondsten. Bewoning in de omgeving concentreerde zich langs het Zuideinde, circa 700 meter ten noorden van het plangebied. Vanuit hier werden de polders (inclusief plangebied) ontgonnen.
Omdat er geen aanwijzingen zijn voor een archeologische vindplaats in het plangebied wordt geadviseerd om het plangebied vrij te stellen voor de geplande bodemingrepen tot drie meter onder het maaiveld. Het project bedreigt geen gebouwde monumenten, cultuurhistorische vlakken, of -lijnobjecten. Bodem en water Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat op de onderzochte plaatsen zintuiglijk in het opgeboorde materiaal geen bijmenging bodemvreemde materialen is aangetroffen. Analytisch worden in de mengmonsters van de boven- en ondergrond, wat betreft de gemeten parameters, geen verontreinigingen aangetoond. De gehaltes bevinden zich onder de achtergrondwaarden of detectiegrens. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt hoeven er geen beperkingen aan de gebruiks- c.q. bestemmingsmogelijkheden van het terrein te worden gesteld. De bodem is geschikt voor de beoogde ontwikkelingen. Het plangebied ligt niet in grondwaterbeschermingsgebied(en) of waterwingebied (bron: Provinciale Milieuverordening NoordHolland). Ook valt het plangebied buiten de beschermingszones van de waterkeringen. Bij de
10 (13)
stationsuitbreiding neemt het verhard oppervlak toe. Deze toename wordt gecompenseerd volgens de richtlijnen van het waterschap.
11 (13)
3.
Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking)
Grensoverschrijdend karakter Orde van grootte en complexiteit effect
Waarschijnlijkheid effect
Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect Conclusie
In alle gevallen zullen potentiële effecten slechts lokaal optreden, in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied. Hinder voor omwonenden beperkt zich tot de woningen rondom het plangebied en mogelijk in beperkte mate tot woningen langs de aan/-afvoerroutes. Er zijn geen landsgrensoverschrijdende effecten. De verwachte effecten zijn, gezien de beperkte omvang van de werkzaamheden, beperkt en lokaal van aard. Hinder wordt daardoor niet verwacht. Naar verwachting zal, gezien de beperkte omvang van de werkzaamheden, geen sprake zijn van significant negatieve effecten. De aanlegfase leidt tijdelijk tot beperkte effecten, na de bouwfase verdwijnen deze effecten. In de gebruiksfase treden geen effecten op. Gezien de omvang van de activiteiten in relatie tot de drempelwaarden en de verwachte effecten, zijn er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten. Nadere analyse in een m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.
12 (13)
Verantwoording Titel
Vormvrije m.e.r.-beoordeling onderstation Nieuwe Meer II
Projectnummer
51005387
Referentienummer
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling onderstation Oostzaan
Revisie
D1
Datum
15-04-2021
Auteur
Luuk Vranken
E-mailadres
luuk.vranken@sweco.nl
Gecontroleerd door
Cor van Duin
Goedgekeurd door
Lourens Hogenbirk
Klik of tik om tekst i n te voeren.
13 (13)
blz. 82
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 83
Bijlage 4
Natuur
Gemeente Amsterdam
Rapport Projectnummer: 51005387 Referentienummer: NL21-648800269-5847 Datum: 27-09-2021
Verkennend natuuronderzoek OS Nieuwe Meer II Amsterdam Een oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Concept
Opdrachtgever: Qirion B.V. Postbus 50 6920 AB DUIVEN
Sweco Robijnstraat 11 1812 RB Alkmaar T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Postbus 214 1800 AE Alkmaar Nederland T +31 88 811 66 00
Sweco Nederland B.V. Gebiedsadvies Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Luca Prins Junior adviseur ecologie M +31 6 30 63 61 69
Verantwoording Titel
Verkennend natuuronderzoek OS Nieuwe Meer II Amsterdam
Subtitel Een oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Projectnummer
51005387
Referentienummer
NL21-648800269-5847
Revisie
C1.0
Datum
27-09-2021
Auteur
Luca Prins
E-mailadres
Luca.prins@sweco.nl
Gecontroleerd door
Raisja Spijker
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Maarten Mouissie
Paraaf goedgekeurd
2 (31)
Inhoudsopgave Samenvatting ......................................................................................................................... 5 1
Inleiding .................................................................................................................. 7
1.1
Aanleiding ................................................................................................................ 7
1.2
Kader van het onderzoek ........................................................................................ 7
1.3
Biodiversiteit ............................................................................................................ 7
1.4
Ligging plangebied .................................................................................................. 7
1.5
Voorgenomen activiteiten ........................................................................................ 8
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden .............................................. 10
2.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 10
2.2
Inventarisatie ......................................................................................................... 10
2.3
Analyse van de mogelijke effecten ........................................................................ 11
2.4
Conclusie analyse van mogelijke effecten ............................................................ 12
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming ............................................... 13
3.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 13
3.2
Methode ................................................................................................................. 15
3.3
Voorkomende ecotopen ........................................................................................ 16
3.4
Vogels .................................................................................................................... 16
3.5
Planten ................................................................................................................... 20
3.6
Vleermuizen ........................................................................................................... 20
3.7
Overige zoogdieren ............................................................................................... 22
3.8
Amfibieën en reptielen ........................................................................................... 22
3.9
Vissen .................................................................................................................... 22
3.10
Ongewervelden...................................................................................................... 23
3.11
Zorgplicht ............................................................................................................... 23
4
Natuurbeleidskaders ........................................................................................... 24
4.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 24
4.2
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................... 24
4.3
Gebieden buiten het NNN ..................................................................................... 25
4.4
Gemeentelijk beleid ............................................................................................... 27
5
Conclusies............................................................................................................ 29
5.1
Wet natuurbescherming ........................................................................................ 29
5.2
Natuurbeleidskaders .............................................................................................. 30
Referenties ........................................................................................................................... 31
3 (31)
4 (31)
Samenvatting In onderstaande tabel is een samenvatting weergegeven van conclusies, voortkomend uit het verkennend natuuronderzoek. Wet natuurbescherming: gebiedsbescherming
Effecten
Nader veld- en/of effectenonderzoek
Nadere procedure/ mitigerende maatregelen
Natura 2000-gebieden
Geen
Geen
Geen
Wet natuurbescherming: soortbescherming
Effecten
Nader veld- en/of effectenonderzoek
Nadere procedure/ mitigerende maatregelen
Vogels
Mogelijke vernietiging en/of verstoring nesten broedvogels
Broedvogelcontrole wanneer werkzaamheden plaats zullen vinden binnen broedseizoen
Zorgplicht. Daarnaast werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen (15 maart – 15 augustus). Indien in het broedseizoen: broedvogelcontrole.
Planten
Geen
Geen
Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.
Vleermuizen
Mogelijke verstoring foeragerende vleermuizen
Geen
Tijdens de werkzaamheden het gebruik van verlichting zoveel mogelijk beperken of maatregelen nemen om verstoring door verlichting zoveel mogelijk te voorkomen tijdens aanleg- en gebruiksfase.
Grondgebonden zoogdieren
Geen
Geen
Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.
Amfibieën en reptielen
Geen
Geen
Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.
Vissen
Geen
Geen
Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.
Ongewervelden
Geen
Geen
Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden
5 (31)
Natuurbeleidskaders
Effecten
Nader veld- en/of effectenonderzoek
Nadere procedure/ mitigerende maatregelen
Natuurnetwerk Nederland
Geen
n.v.t
n.v.t
Ganzenfoerageergebied
Geen
n.v.t.
n.v.t.
Habitat voor weidevogels
Geen
n.v.t.
n.v.t.
Gemeentelijk beleid
Geen
n.v.t.
Rekening houden met flora en fauna bij ontwerp. Ambitie: aanleg groen dak.
6 (31)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Er zijn plannen om het onderstation (OS) Nieuwe Meer te Anderlechtlaan 250 te Amsterdam uit te breiden. Wanneer bij dergelijke ontwikkelingen beschermde plant- of diersoorten of beschermde gebieden in het geding kunnen zijn, dient te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. Om inzichtelijk te maken of de kans bestaat dat dit het geval is bij de voorgenomen plannen, is dit verkennende onderzoek uitgevoerd. 1.2 Kader van het onderzoek Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: · Wet natuurbescherming:
° Natura 2000-gebieden ° Soorten ° Houtopstanden
· Provinciaal beleid ° Natuurnetwerk Nederland (NNN) ° Gebieden buiten het NNN zoals ganzenfoerageergebied en habitat voor weidevogels · Gemeentelijk beleid Het verkennend onderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het verkennend onderzoek is de eerste stap in de procedure. Afhankelijk van het resultaat moeten de navolgende stappen al dan niet worden doorlopen. In dit verkennend onderzoek heeft toetsing plaatsgevonden op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders. 1.3 Biodiversiteit Bij Sweco zien wij biodiversiteit als een onlosmakelijk onderdeel van een duurzame gebiedsontwikkeling. Het is essentieel voor een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier. In onze visie zijn er bij elke ruimtelijk ontwikkeling mogelijkheden om natuurinclusief te ontwerpen, bouwen en handelen om zo de biodiversiteit te stimuleren. Wij geven vrijblijvend advies op welke wijze biodiversiteit toegepast en/of geoptimaliseerd kan worden in uw project. Wij staan u graag bij om deze adviezen in een vervolgtraject verder te concretiseren en vorm te geven.
1.4 Ligging plangebied Het plangebied bevindt zich aan de Anderlechtlaan 250 te Amsterdam, provincie NoordHolland. De locatie bevindt zich ten zuidwesten van het centrum van Amsterdam en is gelegen ten noorden van de Nieuwe Meer (Figuur 1). Het terrein omvat momenteel braakliggend terrein naast het huidige station.
7 (31)
Figuur 1. Topografische ligging plangebied (rood omcirkeld).
1.5 Voorgenomen activiteiten Voor de uitbreiding van het station, zullen vier nieuwe gebouwen worden geplaatst. De uit te voeren werkzaamheden bestaan uit bouwrijp maken, bouw van de gebouwen en aanleg van de verkeerstructuur (Figuur 2).
8 (31)
Figuur 2. Visualisatie toekomstige situatie.
9 (31)
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden
2.1 Toetsingskader Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb) en een vergunningsplicht voor projecten en andere handelingen die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudings-doelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn.
Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend, indien een ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project een dwingende reden van groot openbaar belang kent, er geen alternatieven zijn met minder grote effecten op Natura 2000-gebieden en compenserende maatregelen worden getroffen. In de navolgende paragrafen is beoordeeld of er significante effecten kunnen optreden op Natura 2000-gebieden en zo ja, wat de benodigde vervolgstappen zijn. 2.2 Inventarisatie Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de Natura 2000kaart, zoals deze beschikbaar is via het Nationaal Georegister. Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op een afstand van circa 11,2 kilometer ten noorden van het plangebied is gelegen. Dit betreft het Natura 2000-gebied ‘Polder Westzaan’ (zie figuur 3). Daarnaast ligt het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ ligt op een afstand van 13 kilometer van het plangebied.
10 (31)
Figuur 3. Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.
2.3 Analyse van de mogelijke effecten Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Licht, trillingen en geluid kunnen tot enkele honderden meters ver reiken. Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring e.d. zijn dan ook – gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden – op voorhand uit te sluiten.
11 (31)
In Polder Westzaan liggen de volgende stikstofgevoelige habitattypen: Vochtige heiden (H4010B), Overgangs- en trilvenen (H7140B), Hoogveenbossen (H91D0). Het Natura2000gebied ‘Kennemerland-Zuid ligt op een afstand van 13 kilometer ten westen van het plangebied. Kennemerland-Zuid liggen de volgende stikstofgevoelige habitattypen: witte duinen (H2120), kalkrijke grijze duinen (H2130A), kalkarme grijze duinen (H2130B), heischrale grijze duinen (H2130C), duinheiden met struikhei (H2150), duindoornstruwelen (H2160), droge duinbossen (H2180A), duinbossen binnenduinrand (H2180C), vochtige duinvalleien open water (H2190A), kalkrijke vochtige duinvalleien (H2190B), ontkalkte vochtige duinvalleien (H2190C). Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal mogelijk materieel ingezet worden dat gepaard kan gaan met stikstofemissie. Stikstofemissie kan optreden tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in het Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen zoals ‘Polder Westzaan’ of ‘Kennemerland-Zuid’. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet per 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor stikstofemissies afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden.
De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwen gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht. De vrijstelling geldt alleen voor tijdelijke stikstofemissies en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk, als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van een gebouw, of verkeer dat over een weg rijdt. Omdat er geen extra werkplekken worden gerealiseerd op de nieuwe locatie. En er slechts 2 keer per jaar onderhoud benodigd is, is er geen sprake van stikstofemissie tijdens de gebruiksfase. 2.4 Conclusie analyse van mogelijke effecten Uit de analyse blijkt dat er mogelijke effecten van stikstofdepositie kunnen optreden op Natura 20000-gebieden als gevolg van het voorgenomen plan. De werkzaamheden kunnen gepaard gaan met de emissie van stikstof. Deze emissie kan optreden tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet per 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor stikstofemissies afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwen gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht. Stikstofemissie tijdens de gebruiksfase kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Er zal geen sprake zijn van structurele toename in verkeersbewegingen omdat er door de nieuwe locatie geen extra werkplekken worden gerealiseerd. Het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming zal niet benodigd zijn.
12 (31)
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming
3.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) · lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; · lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; · lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; · lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.) · lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; · lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; · lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; · lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) · lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: ° onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; ° onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of ° onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk
13 (31)
mogen worden gedood of verwond. In gebruik zijnde nesten van vogels zijn te allen tijde beschermd gedurende het broedseizoen. Van een aantal vogelsoorten geniet de vaste rust- en verblijfplaats een aanvullende jaarronde bescherming. Deze soorten worden genoemd in een beleidsdocument dat onder de Flora- en faunawet is opgesteld1. Ook onder Wet natuurbescherming is deze lijst van kracht, maar provincies hebben de mogelijkheid deze aan te passen. Voor provincie NoordHolland geldt de reguliere landelijke lijst. Soorten waarvan de nesten altijd jaarrond beschermd zijn, zijn de volgende: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Van een aantal andere soorten zijn de nesten enkel beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Dit zijn soorten zoals de pimpelmees, boerenzwaluw en blauwe reiger (categorie 5 broedvogels). Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Met artikel 3.10 van deze wet wordt het mogelijk gemaakt om die bescherming op te heffen om redenen die onder meer verband houden met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of verband houden met onder meer het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, drinkwaterleidingen en infiltratiekanalen ten behoeve van drinkwaterproductie, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer. Met artikel 4.9 van de omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland wordt een dergelijke vrijstelling gegeven (Omgevingsverordening NH2020 (2020). De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet, worden genoemd in tabel 1. Tabel 1.
Vrijgestelde soorten in Noord-Holland (Provincie Noord-Holland 2020)
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis
Vos Woelrat Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker
1 Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten
ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep (Dienst Regelingen, brief 26 augustus 2009, kenmerk ffw2009.corr.046) te downloaden van de website van het Ministerie van EL&I.
14 (31)
Volgens het beleid van de provincie Noord-Holland dienen alle vrijgestelde soorten die binnen het projectgebied aanwezig zijn of worden verwacht, voorafgaand aan de werkzaamheden bij het bevoegd gezag - de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord digitaal te worden gemeld; zie het meldingsformulier vrijgestelde soorten, https://www.odnhn.nl/Wet_natuurbescherming/Soortenbescherming/Meldingsformulier_vrijg estelde_soorten Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is altijd van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna.
Zorgplicht (artikel 1.11) · lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. · lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: ° onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, ° onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of ° onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. · lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. 3.2 Methode Bronnenonderzoek De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. De inventarisatie bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek en habitatgeschiktheid beoordeling.
Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: · Nationale Database Flora en Fauna (NDFF): periode 2016-2021; · NDFF Verspreidingsatlas (https://www.verspreidingsatlas.nl). Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het
15 (31)
veldbezoek heeft plaats gevonden op 13 juli 2021 en is uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Sweco. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in kader van Wet natuurbescherming van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wnb beschermde planten- en diersoorten. Niet-beschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet natuurbescherming. 3.3 Voorkomende ecotopen Het plangebied is gelegen aan de Anderlechtlaan 250 te Amsterdam. Het gebied omvat het huidige overgangsstation met naastgelegen terrein. De locatie waar het nieuwe station zal worden aangelegd bestaat uit twee delen. Een deel is bedekt met betonplaten, het overige gedeelte van het gebied omvat braakliggend terrein met bergen zand en materiaal (Figuur 4).
Figuur 4. Impressie plangebied.
3.4 Vogels Vogels met jaarrond beschermde nesten Uit gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende vogelsoorten voorkomen met jaarrond beschermde nest- en rustplaatsen: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, huismus, ooievaar, slechtvalk, sperwer. Tijdens het veldbezoek zijn
16 (31)
geen nesten aangetroffen van vogelsoorten met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen. Buizerd De buizerd broedt het liefst in kruinen van hoge bomen aan de rand van het bos en is voornamelijk te vinden in bossen afgewisseld met heide en boerenland met bosjes en houtwallen en duinvalleien met struweel. Het plangebied mist bomen, waardoor het vrijwel uitgesloten is dat deze soort hier zal nestelen. De bomen rondom het plangebied zouden geschikt zijn voor de soort om te broeden, maar er zijn tijdens het veldbezoek in de bomen in de omgeving van het plangebied geen (grote) nesten waargenomen die door de boomvalk gebruikt zouden kunnen worden. Het is niet uit te sluiten dat de soort de omgeving het plangebied soms gebruikt om te foerageren, maar gezien het vele geschikte foerageergebied in de wijde omgeving vormt het plangebied dan geen essentieel foerageergebied. Verstoring door de voorgenomen werkzaamheden op deze soort is daarom uit te sluiten. Gierzwaluw De gierzwaluw broedt voornamelijk in huizen, kerken en andere gebouwen. Ze hebben hun nest vaak onder een dakpan, dakgoot of een gat in de muur. Het plangebied mist bebouwing waardoor het vrijwel uitgesloten is dat deze soort hier zal nestelen. De bebouwing rondom het plangebied zou geschikt zijn voor de soort om te broeden.
Het is daarom niet uit te sluiten dat de soort de omgeving het plangebied soms gebruikt om te foerageren, maar gezien het vele geschikte foerageergebied in de wijde omgeving vormt het plangebied dan geen essentieel foerageergebied. Verstoring door de voorgenomen werkzaamheden op deze soort is daarom uit te sluiten. Huismus De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden in het landelijk gebied. De huismus broedt onder dakpannen, in neststenen en in kieren en gaten in muren. De huismus kent twee typen verblijfplaatsen: de nesten als voortplantingsplaats en altijdgroene struiken en klimplanten als rustplaats in de winter. De huismus is zeer honkvast. Hij blijft het gehele jaar in de buurt van zijn eenmaal gekozen nest. Huismussen gebruiken het nest zelf ook het gehele jaar door. De huismus broedt vaak in kolonieverband. Een nest kan alleen succesvol functioneren als er een geschikte functionele leefomgeving aanwezig is. Voor de huismus is het belangrijk dat er groenblijvende begroeiing aanwezig is, welke dienst kan doen als collectieve slaapplek en dekking. Daarnaast is ook de aanwezigheid van droge zandige plekken voor het nemen van een zandbad en de aanwezigheid van water van belang. Deze elementen moeten aanwezig zijn binnen een straal van 100 à 200 meter rond de plek waar gebroed wordt.
De bebouwing binnen het plangebied is niet geschikt voor de huismus. Het plangebied mist bebouwing waardoor het vrijwel uitgesloten is dat deze soort hier zal nestelen. De bebouwing in de buurt van het plangebied is potentieel geschikt voor de soort om te broeden. Het is daarom niet uit te sluiten dat de soort de omgeving het plangebied onderdeel is van de functionele leefomgeving van de huismus. Maar gezien het vele geschikte foerageergebied in de wijde omgeving, en de afwezigheid van beschutting, vormt het plangebied dan geen essentieel foerageergebied. Verstoring door de voorgenomen werkzaamheden op deze soort is daarom uit te sluiten.
17 (31)