Raadsbesluit 2023-005D BP Onderstation Nieuwe Meer II - toelichting
Tekst van het document
BEHOORT BIJ BESLUIT VAN DE GEMEENTERAAD VAN AMSTERDAM VAN 2 6. , NR. DE RAADSGRIFFIER,
Gemeente X Amsterdam
x
Bestemmingsplan Onderstation Nieuwe Meer II
Vastgesteld
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Onderstation Nieuwe Meer II
Colofon
Opdrachtgever Opdrachtnemer
Ruimte en Duurzaamheid
IMRO_idn
NL.IMRO.0363.F2104BPSTD-VG01
Datum print
1 November 2022
Planstatus
vastgesteld
blz. 3
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding
7
Aanleiding Doel bestemmingsplan Ligging plangebied en plangrens Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer
7 7 8 8 11
Het plangebied
13
Historie en huidige situatie Ontwikkelingen Ruimtelijke inpassing
13 14 16
Beleidskader
17
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
17 23 24
Milieu- en omgevingsaspecten
31
M.e.r.-beoordeling Milieuzonering bedrijven Luchtkwaliteit Geluidhinder Ecologie Externe veiligheid Elektromagnetische velden Niet gesprongen explosieven (NGE) Bodemkwaliteit Archeologie en cultuurhistorie Waterparagraaf
31 32 33 36 36 38 39 40 40 41 42
Juridische toelichting
47
Algemeen De bestemmingen
47 47
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
51
Hoofdstuk 7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53
Inspraak Vooroverleg Zienswijzen Ambtshalve wijzigingen
53 53 54 54
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 Hoofdstuk 5 5.1 5.2
7.1 7.2 7.3 7.4
Gemeente Amsterdam
blz. 4
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 5
Toelichting
Gemeente Amsterdam
blz. 6
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 7
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
TenneT is de landelijke netbeheerder van het hoogspanningsnet met een spanningsniveau van 110kV en hoger. Liander verzorgt de aanleg, het onderhoud en de vernieuwing van het transport- (via onderstations) en distributienet (midden- en laagspanningselektriciteitsnet) zodat de klanten, nu en in de toekomst, gebruik kunnen maken van een veilige, duurzame, betrouwbare en betaalbare energievoorziening. Netbeheerders hebben de taak tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten de energieinfrastructuur aan te leggen. In de gemeente Amsterdam is een sterk groeiende vermogensvraag naar elektriciteit door groei in bedrijven en woningbouw. Liander heeft met de gemeente Amsterdam de toekomstige netcapaciteitsvragen inzichtelijk gemaakt. Dit heeft geleid tot de Thema Studie Amsterdam (TSA). In deze studie is de omvang van de noodzakelijke uitbreiding van het energienet op basis van de ambities van de stad Amsterdam weergegeven. De studie geeft een doorkijk van de noodzakelijke station uitbreidingen tot 2050. Het huidige onderstation, Nieuwe Meer, is maximaal uitgebreid en heeft onvoldoende vermogen om toekomstige ontwikkelingen te faciliteren.
Met de bouw van een nieuw 160 MVA 150/20kV onderstation (Liander) en de uitbreiding van het bestaande (TenneT) transformatorstation met twee Gas Insulated Switchgear (GIS) installaties wordt het bestaande capaciteitsknelpunt weggenomen en voldoende ruimte gecreëerd om toekomstige groei in Amsterdam te realiseren. Het onderstation Nieuwe Meer II dient om de energievraag van de nieuwe woningbouwontwikkeling en de stijgende energievraag in Nieuw-West en Zuid te faciliteren. Tot 2050 wordt er niet verwacht dat er op Nieuwe Meer nog een uitbreiding moet plaatsvinden. In februari 2021 heeft het dagelijks bestuur van stadsdeel Nieuw-West positief geadviseerd op de uitbreiding van het onderstation op deze locatie en in maart 2021 heeft er een locatieonderzoek voor nieuwe onderstations aan de zuidwestzijde van Amsterdam plaatsgevonden. Daarnaast is op 10 mei 2021 in de Projectenstaf de ontwikkeling van het onderstation aan orde geweest. Wethouder Van Doorninck heeft: Kennisgenomen van het Locatieonderzoek nieuwe onderstations Zuidwestzijde Amsterdam (omgeving Nieuwe Meer) Amsterdam, maart 2021. En ingestemd met de voorkeurslocatie, Oksel Anderlechtlaan - Oude Haagseweg naast het huidige onderstation. Onder voorwaarde van een maximale “vergroening” van de onderstations en het terrein zelf.
Ook in andere beleidsdocumenten is de realisatie van het onderstation voorzien, zoals in de omgevingsvisie Amsterdam uit 2021, de Themastudie Amsterdam 2.0, februari 2021, de Ontwikkelstrategie Landschapspark De Oeverlanden (2021) en het Ontwikkelkader elektriciteitsnetwerk Amsterdam 2035, inclusief uitvoeringsagenda (2022). Het geldende planologisch kader op deze plek maakt echter het bouwen van een nieuw onderstation en de GIS installaties niet mogelijk. Daarom wordt voor deze ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan voorbereid, waarbinnen het onderstation kan worden gerealiseerd. Medio 2021 is gestart met de voorbereidingen van het bestemmingsplan Onderstation Nieuwe Meer e.o., het opstellen van het ruimtelijk programma van eisen en de anterieure overeenkomst.
1.2
Doel bestemmingsplan
Met het voorliggende bestemmingsplan streeft het stadsdeel de volgende doelen na:
Gemeente Amsterdam
blz. 8
1. het verkrijgen van een actuele ruimtelijk-juridische regeling voor het bestaande transformatorstation; en 2. het procedureel/planologisch mogelijk maken en in gebruik kunnen nemen van het nieuwe onderstation en de GIS-installaties.
1.3
Ligging plangebied en plangrens
De uitbreiding van onderstation Nieuwe Meer II vindt plaats ten zuiden van het bestaande onderstation Nieuwe Meer op een braakliggend terrein aan de Anderlechtlaan 250 in de gemeente Amsterdam. Deze grond is in eigendom van Liander. Het huidige onderstation en het naastgelegen Meet- en Regelstation van Gasunie vormen samen een nutsvoorzieningencluster c.q. 'energiecampus' met losse gebouwen in een landschappelijke/groene setting. Ten noorden van het plangebied bevindt zich de snelweg de A4, de spoorverbinding Amsterdam – Schiphol en op 130 meter afstand ligt het Mercure hotel. De naamgeving van het station verwijst naar het meer ten zuiden van de locatie. Verder westelijk liggen polders en park De Oeverlanden. Het terrein van het onderstation bevindt zich buiten De Oeverlanden. De dichtstbijzijnde woonbestemming ligt op circa 360 meter afstand.
Figuur 1.1 Ligging en indicatie begrenzing plangebied
1.4
Geldende bestemmingsplannen
In het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan zijn momenteel de volgende bestemmingsplannen van kracht: Bestemmingsplan
Status
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
Bestemming plangebied
blz. 9
Nieuwe meer e.o
Onherroepelijk, vastgesteld, 26 juni -Enkelbestemming Bedrijf 2013 Nutsvoorzieningen -Enkelbestemming Groen - 2 -Dubbelbestemming Waarde Archeologie - 2 -Bouwvlak -Maatvoering - maximum 7 m -Maatvoering - maximum 5 m -Gebiedsaanduiding - industrie Schiphol -Gebiedsaanduiding luchtvaartverkeerszone - lib. artikel 2.2.3 (vogels) -Gebiedsaanduiding - wro-zone wijziginggebied 2
Paraplubestemmingsplan -Drijvende bouwwerken
Onherroepelijk, vastgesteld op 18 september 2019
Voor dit bestemmingsplan zijn er bouwvoorschriften opgenomen ten aanzien van (woon)boten en bedrijfsvaartuigen. Aangezien onderhavig plan geen drijvende bouwwerken betreft is dit paraplubestemmingsplan niet van toepassing.
Grondwaterneutrale kelders
Vastgesteld, 7 oktober 2021
- overige zone 2.
De regels die van toepassing zijn op het plangebied waar de uitbreiding is voorzien, volgen uit het bestemmingsplan 'Nieuwe Meer e.o.' (vastgesteld op 26 juni 2013).
Gemeente Amsterdam
blz. 10
Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan Nieuwe Meer e.o.
In het bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemming 'Groen – 2'. Binnen deze bestemming zijn nutsvoorzieningen toegestaan. In de praktijk worden hiermee kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen bedoeld, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, energievoorziening en brandkranen. Een onderstation van deze omvang, valt hier niet onder. Daarnaast zijn gebouwen uitgesloten. Het geplande onderstation en de GIS-installaties passen niet binnen het bestemmingsplan. Onder de bestemming 'Groen – 2' is daarnaast een wijzigingsbevoegdheid opgenomen door middel van de gebiedsaanduiding 'wro-zone – wijzigingsgebied 2'. In een deel van het plangebied geldt deze gebiedsaanduiding. Op gronden met deze gebiedsaanduiding is het mogelijk de bestemming geheel of gedeeltelijk te wijziging in de bestemming 'Horeca'. Het geplande onderstation en de GIS-installaties kunnen ook met deze wijzigingsbevoegdheid niet gerealiseerd worden. Verder zijn er op grond van de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2' regels gesteld ten aanzien van het oprichten van bebouwing.
Die luiden als volgt: De aanvrager van een omgevingsvergunning dient een inventariserend veldonderzoek (IVO) te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein, die blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, indien de aanvraag betrekking leidt tot grondroerende werkzaamheden: a. van 10000 m2 of meer en; bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 11
b. dieper dan 0,5 meter onder peil. Bij de bouw worden grondroerende werkzaamheden verricht die dieper gaan dan 0,5 meter onder peil. Het oppervlak van de grondroerende activiteit is echter niet groter dan 10.000 m2. Hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 4.10. Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - lib 2.2.3 (vogels)' is bepaald dat geen nieuwe vogelaantrekkende functies (zoals viskwekerijen en grote waterpartijen) zijn toegestaan, conform hetgeen bepaald in artikel 2.2.3 van het 'Luchthavenindelingbesluit' Schiphol'. Het onderstation is geen vogelaantrekkende functie en deze aanduiding heeft dus geen gevolgen voor de bouw. Ter plaatse van de aanduiding 'Geluidzone – industrie - schiphol' geldt dat de aangewezen gronden mede bestemd zijn voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege de industrieterreinen 'Schinkel' en 'Schiphol' op geluidsgevoelige bestemmingen. Het onderstation is geen geluidsgevoelige bestemming is. Daarnaast heeft het noordelijk deel van het plangebied de enkelbestemming 'Bedrijf – Nutsvoorzieningen'. De voor 'Bedrijf - Nutsvoorzieningen' aangewezen gronden zijn bestemd voor nutsvoorzieningen, ondergrondse en bovengrondse leidingen en toebehoren, (bedrijfs)erven en verkeersareaal. Binnen deze bestemming is een bouwvlak opgenomen. Alleen hier zijn gebouwen toegestaan.
Verder zijn er twee maximale bouwhoogtes opgenomen van 7 meter en 5 meter. Op dit moment bevindt zich op deze bestemming het bestaande onderstation Nieuwe Meer. Omdat het nieuwe onderstation aangesloten moet worden op het bestaande onderstation, is dit gedeelte ook meegenomen in dit bestemmingsplan.
1.5
Leeswijzer
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. In de toelichting is een beschrijving van het plangebied opgenomen en zijn de aan het plan ten grondslag gelegen keuzes en beleidsuitgangspunten beschreven. De toelichting bestaat uit 7 hoofdstukken. Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en geeft aan welke ontwikkelingen zich voordoen in het plangebied. De voor het plan relevante beleidsuitspraken van rijk, provincie en regio en het eigen gemeentelijke beleid zijn in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en de relevante omgevingsaspecten. Hierbij vindt er een toets aan de diverse milieu- en omgevingsaspect plaats. Een toelichting op het juridische systematiek, een omschrijving van de afzonderlijke bestemmingen is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven en in hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de te doorlopen procedures.
Gemeente Amsterdam
blz. 12
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 13
Hoofdstuk 2
Het plangebied
In dit hoofdstuk is de ruimtelijke structuur van het plangebied beschreven aan de hand van de historische ontwikkeling, de huidige situatie en de nieuwe ontwikkelingen. Aandacht is besteed aan functies en structuren zoals de bebouwingsstructuur en de weg-, water en groenstructuur van het plangebied.
2.1
Historie en huidige situatie
Het plangebied ligt aan Anderlechtlaan in Amsterdam. Daar ligt het op een afstand van circa 100 meter ten zuiden van de snelweg A4 en circa 200 meter ten noorden van de Nieuwe Meer (een meer ten zuidwesten van Amsterdam). Het plangebied is een braakliggend terrein. In het jaar 2001 is er op het terrein een tijdelijke vergunning verleend voor een McDonalds restaurant. Deze is in 2008 afgebroken, maar de verharding op het terrein, onder andere door de aangelegde parkeerplekken voor het restaurant, is nog geruime tijd blijven liggen. In 2019 is het parkeerterrein verwijderd en sindsdien ligt het terrein braak. Aan de noordzijde van het plangebied is het huidige onderstation te vinden. Verder wordt het terrein omringd door een watergang, waar water doorheen stroomt en staan bomen aan de zijkanten. In figuur 2.1 is de bestaande situatie weergegeven en de situatie met het parkeerterrein zoals die was rond 2010.
Gemeente Amsterdam
blz. 14
Figuur 2.1 Bestaande situatie plangebied
2.2
Ontwikkelingen
Binnen het plangebied zijn de hieronder beschreven ontwikkelingen voorzien. Er worden drie 150/20kV transformatoren van Liander geplaatst met ieder een vermogen van 80 MVA in open cellen. Deze cellen hebben drie scherfwanden en één open zijde. Het totaal opgesteld vermogen bedraagt 240 MVA, het totaal ingeschakeld vermogen in de open lucht is 160 MVA. Plaatsen van een Liander gebouw van circa 56m x 20m x 6,5m (lxbxh) = 1120 m2; Bouw twee 150kV GIS-installaties van TenneT met de afmetingen van circa 39m x 18m x 15m (lxbxh) = 702 m2. Bouw van compensatiespoelen met de afmetingen van circa 23,2m x 11,6m en een maximale bouwhoogte van 8,5m. Plaatsen tweede inrit op-/afrit ten zuiden van het perceel middels een dam. De ontsluiting wordt aangelegd voor zwaar vrachtverkeer. Aanleggen noodzakelijke bekabeling. Plaatsen bliksemspits van circa 2 meter hoog op de transformatorcellen.
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 15
Plaatsen hekwerk van circa 2,5 meter hoog, grenzend aan het Gasunie perceel. Dempen van de sloot achter de 150kV GIS-installaties van TenneT en tijdelijk dempen van de sloot langs de Anderlechtlaan. Uitdiepen van watergang RIEKE029 van circa 90 cm naar 125 cm (ten zuiden van het plangebied). Afbeelding 2.2 en 2.3 geven impressies van de toekomstige situatie.
Figuur 2.2: Afmetingen toekomstige situatie
Gemeente Amsterdam
blz. 16
Figuur 2.3: Toekomstige situatie uitbreiding
2.3
Ruimtelijke inpassing
Hoewel het plangebied buiten het landschapspark De Oeverlanden ligt, worden eisen gesteld aan de landschappelijke inpassing in het gebied. Dit heeft te maken met de ligging aan de entree van De Oeverlanden en de gebiedsontwikkeling in de nabije omgeving. Omdat de stedelijke context van deze locatie in de komende jaren sterk zal veranderen hecht de gemeente Amsterdam groot belang aan de belevingswaarde voor de passanten in het gebied. De bebouwing en de inrichting van het terrein dragen daar in belangrijke mate aan bij. Vanuit de gemeente Amsterdam zijn daarom regels vastgelegd voor ruimtelijke kwaliteit en inpassing. Een van de uitgangspunten is dat de uitbreiding dezelfde architectonische kwaliteit en uitstraling krijgt als het huidige Nieuwe Meer. De gebouwen vormen één architectonische familie. Daarnaast dient het ontwerp, vanwege de ligging aan de entree van het groene recreatiegebied De Oeverlanden, maximaal in te zetten op vergroening van de gevels (en daken), in combinatie met vergroening (waar mogelijk) van het maaiveld. Daarbij moet benadrukt worden dat het plangebied aan de entree ligt van De Oeverlanden en zich daar dus niet in bevindt. Een uitgebreidere beschrijving van de maatregelen is te vinden in het ruimtelijk programma van eisen. Dit programma van eisen is opgenomen als bijlage bij de regels.
In de regels is geborgd dat het plangebied alleen in gebruik mag worden genomen als voldaan is aan het ruimtelijk programma van eisen.
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 17
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van onze leefomgeving. Hiermee wil het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes het Rijk maakt en welke richting het Rijk meegeeft aan decentrale keuzes. Deze keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet (die naar verwachting in 2022 in werking treedt). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang met elkaar. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes gemaakt worden. Prioriteiten De NOVI schetst een toekomstperspectief naar 2050 waarin vier prioriteiten worden vastgesteld: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Zeespiegelstijging, hoge rivierafvoeren, wateroverlast en lange periodes van droogte zijn hier voorbeelden van. In 2050 zal Nederland klimaatbestendig en waterrobuust zijn. In 2050 moet Nederland ook een duurzame energievoorziening hebben. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen.
Voorwaarde is dat bewoners goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik en kunnen meeprofiteren in de opbrengsten. Voor de ontwikkeling van duurzame energie zijn regionale energiestrategieën (RES) essentieel. Medeoverheden geven, in samenwerking met de energiesector, gebruikers en andere belanghebbenden, in de RES invulling aan de inpassing van duurzame energie op het land. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. De Nederlandse economie dient toekomstbestendig te worden, oftewel concurrerend, duurzaam, en circulair. Het gebruik van duurzame energiebronnen en verandering van productieprocessen wordt gestimuleerd. Steden en stedelijke regio's zijn belangrijk voor onze economie. Dit geldt vooral daar waar sprake is van een aantrekkelijke en gezonde omgeving en diversiteit in aanwezige economische functies, opleidingen en andere voorzieningen. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. De leefbaarheid van stedelijk gebied staat voorop. Hiervoor dienen deze gebieden in te zetten op klimaatadaptatie om de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan.
Ook dient de bouw van nieuwe woningen te zijn gericht om een zo breed mogelijk aantal inwoners te bereiken. Mobiliteit dient aan te sluiten op nieuwe ontwikkelingen waarbij onder meer de CO2 uitstoot wordt verminderd.
Gemeente Amsterdam
blz. 18
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Er dient een balans tussen de ontwikkeling van natuur en landbouw te worden gevonden. Hiernaast dient het een prettige omgeving te zijn om te werken, wonen en te recreëren. Biodiversiteit van gebieden en de verduurzaming van landbouw zijn kernpunten.
Afwegingsprincipes Het stellen van de bovenstaande prioriteiten kan een situatie maken dat belangen soms botsen. Om in zo'n situatie keuzes te maken worden er drie afwegingsprincipes gebruikt: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoekt het Rijk naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De uitvoering van de NOVI moet gezamenlijk worden aangepakt. Rijk, provincies en gemeenten gaan meer samenwerken als één overheid. Ook staat participatie centraal. Daarnaast is de NOVI continu in beweging. Het is de bedoeling dat het zich continu aanpast aan ontwikkelingen, in een permanent en cyclisch proces.
Consequentie voor dit bestemmingsplan De bouw van het transformatorstation en de GIS-installaties dragen bij aan de energietransitie en het garanderen van een goede leveringszekerheid voor de toenemende vraag naar energie. Daarmee maakt het project economisch groeipotentieel mogelijk. Netuitbreiding is een randvoorwaarde om de groeiambities van de stad zoals nieuwe gebiedsontwikkelingen mogelijk te maken. Het project draagt dan ook bij aan de doelstellingen van de NOVI. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro is op 22 augustus 2011 vastgesteld en op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van nationale belangen, zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, de uitoefening van defensietaken en bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Op 1 oktober 2012 is het Barro gewijzigd en treden delen van het Barro in werking die al waren vastgesteld, maar die voor hun inwerkingtreding wachtten op deze wetswijziging. Met deze aanpassingen in de regelgeving is de wettelijke borging van het beleid in de SVIR nagenoeg voltooid. Het gaat om de eerder aangekondigde onderwerpen Natuurnetwerk Nederland (NNN), elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 19
toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Consequenties voor dit bestemmingsplan De bouw van een onderstation aan de Anderlechtlaan is in overeenstemming met de nationale belangen uit de SVIR. Nationaal belang 13 gaat in op ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie. Alhoewel dit bestemmingsplan de energievoorziening betreft, worden er in het Barro geen regels gesteld ten opzichte van dit tracé. De bouw van het onderstation is dus niet in strijd met het Barro. 3.1.3
Ladder Duurzame verstedelijking
In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. Overheden dienen op grond van het Bro nieuwe stedelijke ontwikkeling standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent. Dit gezag draagt de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden, waaronder bestemmingsplannen. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) schrijft voor dat gemeenten bestemmingsplannen vaststellen voor een "goede ruimtelijke ordening". De ladder voor duurzame verstedelijking is een hulpmiddel, dat een bijdrage levert aan een goede ruimtelijke ordening.
In trede 1 wordt de regionale ruimtevraag (kwantitatief én kwalitatief) voor wonen, werken, detailhandel en overige voorzieningen bepaald. Er is een regionale vraag naar woningbouw, dus trede 2 is aan de orde. In trede 2 gaat het om de vraag: "Kan de beoogde ontwikkeling plaatsvinden binnen het stedelijk gebied door een andere bestemming van een gebied, door herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden?" Op 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd op de volgende punten: het begrip 'actuele regionale behoefte' wordt geschrapt en is in de nieuwe Ladder vervangen door 'behoefte'; de nieuwe Ladder bevat geen treden meer. De treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt; voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht. Consequenties voor dit bestemmingsplan De bouw van een onderstation aan de Anderlechtlaan betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, aangezien de bouw van een transformatorstation niet als een stedelijke ontwikkeling beschouwd wordt (zie ABRVS 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1123). De ladder hoeft dus niet te worden doorlopen.
Gemeente Amsterdam
blz. 20
3.1.4
Luchthavenindelingbesluit Schiphol
Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) bevat ruimtelijke beperkingen die gesteld worden in verband met het Luchthaven Schiphol. Deze beperkingen worden enerzijds gesteld vanwege externe veiligheidsrisico's en geluidbelasting vanwege het luchtverkeer. Anderzijds hebben de beperkingen te maken met waarborgen van veilig luchtverkeer (beperking aan hoogte en aan functies die vogels aantrekken). Het plangebied valt binnen het beperkingengebied toetshoogte, toetshoogte i.v.m radar en in het gebied beperking aantrekken vogels van het LIB. Hieronder wordt ingegaan op deze aspecten in relatie tot dit bestemmingsplan. 3.1.4.1 Hoogtebeperkingen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten de toetshoogtes van het LIB in acht worden genomen. Er zijn twee toetshoogtes: de algemene of maatgevende toetshoogte (bijlage 4 bij het LIB) en de toetshoogte in verband met radar (bijlage 4a bij het LIB). Met een bestemmingsplan kan van de maatgevende toetshoogte van het LIB worden afgeweken indien van de minister van Infrastructuur en Waterstaat de verklaring is ontvangen dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft; de zogenoemde verklaring van geen bezwaar (VVGB).
Indien (de bouwhoogten van) het bestemmingsplan is strijd zijn met de radartoetshoogte, is het vaststellen van het bestemmingsplan mogelijk indien uit een advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILenT) blijkt dat het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer. Het voorliggende plan valt binnen het beperkingengebied voor hoogte zoals opgenomen in bijlage 4 (maatgevende toetshoogte) en 4a (maatgevende toetshoogte radar) bij het LIB. Maatgevende toetshoogte Op grond van artikel 2.2.2, eerste lid, van het LIB zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4 bij het LIB geen objecten toegestaan die hoger zijn dan de op de kaarten aangegeven maximale waarden. In onderstaande figuur is voor het plangebied aangegeven welke maximale waarden zijn toegestaan.
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 21
Figuur 3.1 Uitsnede hoogtebeperkingen 'Maatgevende kaart toetshoogte', bijlage 4 bij het LIB (plangebied rode stip) Omdat het plangebied zich bevindt in het rood gemarkeerde gedeelte van de maatgevende kaart toetshoogtes geldt dat er niet hoger mag worden gebouwd dan 7 meter boven het NAP. Het plangebied ligt globaal 1,2 meter onder het NAP. Echter hebben de geplande gebouwen een maximale hoogte van 11,5 meter, met bliksempieken die nog hoger zijn. De maximale hoogte wordt overschreden met 3,3 meter voor de gebouwen. Een VVGB is op 23 december 2021 verleend. Daarmee vormt het LIB geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het bestemmingsplan. Deze VVGB is opgenomen in bijlage2. Daarnaast geldt op de gronden die zijn aangewezen op de maatgevende kaart toetshoogtes bij dit besluit dat geen bomen of struiken zijn toegestaan die hoger zijn dan de in die op de kaart aangegeven maximale waarden indien de Inspectie Leefomgeving en Transport op schriftelijk verzoek van de exploitant van de luchthaven Schiphol of Luchtverkeersleiding Nederland beoordeelt dat deze een belemmering vormen voor de veiligheid van het luchtverkeer. Bij de uitwerking van de landschappelijke inpassing zal hier rekening mee worden gehouden en de nieuwe bomen en struiken niet hoger zijn dan op de kaart is aangegeven, in dit geval 7 meter boven het NAP. Toetshoogte i.v.m.
radar Op grond van artikel 2.2.2a, eerste lid, van het LIB zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4a bij het LIB objecten toegestaan die hoger zijn dan de in die bijlage aangegeven maximale waarden, mits uit een positief advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport blijkt het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer. Gemeente Amsterdam
blz. 22
In onderstaande figuur is voor het plangebied aangegeven welke maximale waarden zijn toegestaan.
Figuur 3.2 Uitsnede hoogtebeperkingen 'Maatgevende toetshoogte radar', bijlage 4a bij het LIB Op de gronden die zijn aangewezen op de kaart zijn objecten die hoger zijn dan de in die bijlage aangegeven maximale waarde toegestaan mits uit een advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport blijkt dat het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer. In het plangebied geldt een maximale hoogte van 33 meter boven het NAP. De bouw van het onderstation en de GIS installaties komen niet tot boven deze hoogte. Daarmee staat de radartoetshoogte niet aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg. 3.1.4.2 Vogelaantrekkende werking Het plangebied valt ook binnen het gebied 'Beperking aantrekking vogels'. Een grondgebruik of een bestemming met vogelaantrekkende werking zijn hier niet toegestaan. Het onderstation en de GIS-installaties hebben geen vogelaantrekkende werking en is dus in overeenstemming met het LIB.
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 23
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie NH2050
De Omgevingsvisie is op 19 november 2018 door Provinciale Staten van Noord-Holland vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op langetermijnambities en –doelen. De provincie geeft aan welke kwaliteiten ze langjarig wil koesteren en speelt daarbij in op veranderingen en transities die tijd nodig hebben. De hoofdambitie is het zoeken naar balans tussen economische groei en leefbaarheid. In het Visiedeel zijn de ambities uitgewerkt in vijf zogenaamde samenhangende bewegingen met ontwikkelprincipes naar de toekomst: 3. Dynamisch schiereiland. Hierin is het benutten van de unieke ligging van Noord-Holland, te midden van water, leidend. 4. Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. 5. Sterke kernen, sterke regio's, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden. 6. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie. 7. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving, staan het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector centraal. De energietransitie, van energie uit uitputbare bronnen naar energie uit duurzame, hernieuwbare bronnen, is een belangrijke opgave voor de provincie Noord-Holland. Het streven is een maximale opwekking van duurzame energie voor de volledige energievraag in Noord-Holland in 2050.
Om dit te realiseren, is de distributie van energie een belangrijke voorwaarde. Met de transitie naar duurzame energie vindt de opwekking op andere plekken plaats, en moet het distributienet hier goed op worden voorbereid. In de omgevingsvisie wordt dan ook aangegeven dat het niet alleen gaat om de opwekking van duurzame energie, maar ook om uitbreiding en aanpassing van de infrastructuur die nodig is om deze energie op effectieve manier te verdelen. Consequenties voor dit bestemmingsplan Met de aanpassingen die in dit bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt, wordt het energienet onder andere voorbereid op het aansluiten en verdelen van toekomstige duurzame energie. Dit sluit aan op de ambities van de provincie Noord-Holland, zoals neergelegd in de omgevingsvisie. 3.2.2
Provinciale Ruimtelijke Verordening
In de Omgevingsverordening NH2020 zijn regels voor de fysieke leefomgeving samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. De provincie Noord-Holland wil met de omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. Nieuwe ontwikkelingen van woningbouw en voorzieningen worden geconcentreerd in kernen, passend bij de rol van de kernen in het regionale netwerk (artikel 6.3). Daarnaast moet een ruimtelijk plan rekening houden met de risico's ten aanzien van klimaatverandering (artikel 6.62). De omgevingsverordening schrijft voor waaraan de inhoud van onder andere bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen voor afwijken van het bestemmingsplan en beheersverordeningen moeten voldoen. In de verordening zijn regels opgenomen die het provinciaal belang beschermen. In deze paragraaf wordt ingegaan op deze regels.
Gemeente Amsterdam
blz. 24
De regels zijn gebaseerd op de beleidskeuzes in de provinciale Omgevingsvisie. Het gaat daarbij om thema's over bebouwingscontouren, NNN, agrarische bedrijven, kantoren, bedrijventerreinen, detailhandel, waterkeringen, etc. In de verordening worden geen specifieke regels gesteld voor het plangebied. Deze regels vormen dan ook geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. 3.2.3
Provinciale Watervisie 2021 'Buiten de oevers'
De Provinciale Watervisie 2021 'Buiten de Oevers' is vastgesteld op 15 september 2015 door Provinciale Staten. De watervisie is afgestemd met de Stroomgebiedbeheerplannen uit de Kaderrichtlijn Water. De Watervisie beschrijft de ambitie en kaders voor het regionale waterbeheer in Noord-Holland richting 2021 met doorkijk naar 2040. De Watervisie is integraal onderdeel van het strategisch omgevingsbeleid en heeft een directe relatie met de provinciale structuurvisie. In de Watervisie richt de provincie zich op de thema's veilig, schoon en voldoende water en werkt die uit in doelstellingen voor onder andere veilige dijken en duinen, robuuste inrichting van het achterland, rampenbeheersing bij overstromingen, kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater, zoetwatervoorziening en het tegengaan van wateroverlast. Paragraaf 4.11 beschrijft hoe in het plangebied met de waterhuishouding wordt omgegaan.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Amsterdam 2050
Amsterdam bevindt zich in een spannende tijd. Jaren van snelle groei zijn abrupt afgebroken door een ontregelende pandemie, die op de korte termijn voor onzekerheid zorgt. Tegelijk is er de voortdenderende trein van internationalisering en technologische ontwikkeling die maatschappelijke tegenstellingen verscherpt. Daarbovenop komt de noodzakelijke omschakeling vanwege de klimaatverandering en klimaatbestendigheid. De Omgevingsvisie is erop gericht om de lijnen uit te zetten hoe met deze uitdagingen om te gaan. Hiervoor zijn de volgende vijf strategische keuzes gemaakt: Meerkernige ontwikkeling Één van de hoofddoelen van deze visie is een stad en regio te worden met meer stedelijke kernen. Verdichting en kwaliteit zijn de sleutelwoorden: met meer bewoners en ruimte voor bedrijvigheid is er meer draagvlak voor winkels, horeca en voorzieningen. Meerkernigheid als streven geldt ook voor de regio. De huidige spreiding van werkgelegenheid en voorzieningen is scheef in het nadeel van de regio, met als gevolg grote vervoerstromen. De inzet is werk beter te spreiden en de stedelijke kwaliteit van kernen als Almere, Zaandam, Purmerend en Hoofddorp te vergroten met voorzieningen zoals hoger onderwijs en culturele instellingen. Ook het ov tussen de kernen wordt verbeterd. Groeien binnen grenzen De stad mikt op minimaal 150.000 woningen erbij voor 250.000 nieuwe inwoners in 2050.
Deze groei mag alleen plaatsvinden binnen de stadsgrenzen. Groeien binnen de bestaande stad kan door bedrijventerreinen om te bouwen tot gebieden waar zowel gewoond als gewerkt wordt. Tegelijk wordt de stad ingericht op hergebruik van materialen en grondstoffen en op een andere, meer zelfvoorzienende energieopwekking zoals stadsverwarming en zonne- en windenergie.
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 25
Duurzaam en gezond bewegen In een verdichtende stad gaan we zuinig om met de schaarse ruimte. We zoeken plek om te bouwen, voor groen, voor verblijven en voor de fietser en de voetganger. Om die reden moet de auto als ruimtegebruiker een stap terug doen. We hebben een drieledig doel: ruimte, schonere lucht en gezonder bewegen. Dat gaat niet ten koste van bereikbaarheid. . Buurten en kernen worden verbonden door een netwerk van veilige fietsroutes en openbaar vervoer. Rigoureus vergroenen Verdichting wordt gecombineerd met vergroening van de stad. Daarbij is meer en vooral beter groen het doel, door minder verharding en meer groen aan en op gebouwen. Het autoluw maken van de stad biedt daarvoor mede ruimte. Daarnaast gaat de kwaliteit van landschappen zoals Waterland en de Amsterdamse Scheggen omhoog door omschakeling naar kringlooplandbouw, tegengaan van bodemdaling en herstel van biodiversiteit. Samen stadmaken Deze omgevingsvisie combineert ruimtelijke inrichting met doelen op groen, wonen, werken, duurzaamheid, leefomgeving. Zo wil de stad in de toekomst werken: in samenhang. Dit betekent dat niet alleen partijen zoals ontwikkelaars en woningcorporaties, maar Amsterdammers zelf ook collectieven op te starten. Ook de samenwerking met het Rijk en de regio wordt steeds groter.
Elektriciteitsnetwerk Alhoewel het elektriciteitsnetwerk niet valt onder één van de strategische keuzes wordt er in de omgevingsvisie wel uitgebreid op ingegaan. Met de groei van de stad groeit ook de vraag naar elektriciteit en warmte. Amsterdam wil zoveel mogelijk schone energie opwekken en opslaan op eigen grondgebied en slim gebruik maken van nieuwe en bestaande warmtebronnen. Een toekomstbestendig elektriciteitsnetwerk is een randvoorwaarde voor de groei en verduurzaming van Amsterdam. Tot 2050 zal de vermogensvraag toenemen naar 3 tot 4 keer de vermogensvraag van nu. Dat is een vraag van 3.000 à 4.000 MW in 2050, in plaats van circa 1.000 MW in 2020. Om tijdig in de snelgroeiende vraag naar elektriciteit te kunnen blijven voorzien wordt er gewerkt aan de uitbreiding van de elektriciteitsinfrastructuur. Hiervoor worden onder andere locaties aangewezen waar onderstations worden uitgebreid. Het plangebied van dit bestemmingsplan is aangewezen voor deze netuitbreiding en locatie voor uitbreiding van onderstations. Consequenties voor dit bestemmingsplan Met de omgevingsvisie wordt een toekomstbeeld geschetst van de gemeente Amsterdam voor de komende 30 jaar. In het document wordt specifiek ingegaan op het elektriciteitsnetwerk.
Onderhavig onderstation is één van de aangewezen locaties waar het onderstation zal worden uitgebreid om aan de snelgroeiende vraag naar elektriciteit te kunnen voldoen. De bouw van het onderstation en de twee GIS-installaties is daarom in overeenstemming met het beleid uit de Omgevingsvisie Amsterdam 2050. In de omgevingsvisie heeft de gemeente het plangebied en het gebied hier omheen indicatief aangeduid als locatie voor stedelijke ontwikkeling en nabij het plangebied is een groen-blauwe hotspot aangeduid.
Gemeente Amsterdam
blz. 26
Figuur 3.3 Uitsnede plankaart omgevingsvisie met relevante legenda-eenheden Stedelijke ontwikkeling Er staat als toelichting: "De aanduiding voor stedelijke ontwikkeling is indicatief en duidt niet de specifieke grens van de betreffende ontwikkeling aan. Bij verandering van de situatie zijn de hier uitgezette lijnen het uitgangspunt." De omgevingsvisie impliceert op deze locatie een spanningsveld tussen een concreet korte termijn project (het onderstation) en een langere termijn ambitie. Op termijn wordt gedacht aan de ontwikkeling van een hoogstedelijke buurt, een woonwijk, samenhangend met het doortrekken van de NoordZuidlijn naar Schiphol en Hoofddorp en het daarbij behorende metrostation ter hoogte van de Nieuwe Meer. De geluidscontour rondom het onderstation reikt tot ver over de woonwijk. Er heeft een ruimtelijke afweging plaatsgevonden waarbij de gevolgen van de zonering die met dit bestemmingsplan wordt geïntroduceerd zijn beoordeeld. Daarbij is geconstateerd dat uitbreiding van het onderstation op deze locatie noodzakelijk is en dus prevaleert. De elektriciteitsvoorziening is randvoorwaardelijk voor veel andere doelen uit de omgevingsvisie. De hindercontouren vormen te zijner tijd een belangrijk randvoorwaardenscheppend kader voor toekomstige transformatie naar een hoogstedelijke buurt.
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 27
Daarom is gestreefd naar een zo klein mogelijke hindercontour van het onderstation om zo min mogelijk extra beperkingen voor de ontwikkeling van woningbouw te laten ontstaan. Maatregelen aan de bron om de geluidcontour te verkleinen zijn niet mogelijk. De installaties zijn zodanig geprojecteerd dat de geluidsemissie naar de omgeving zo laag mogelijk is en dit niet ten koste gaat van beheer en onderhoud. Uit het geluidonderzoek blijkt de geluidcontour nodig is omdat ook rekening wordt gehouden met een toeslag voor tonaal geluid. Deze toeslag is relevant om op deze locatie toe te passen. Binnen de geluidzone is woningbouw alleen mogelijk als voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden. Dit betekent dat woningbouw niet is uitgesloten als gevolg van het onderstation. Met een zorgvuldige positionering van bebouwing, waarbij bijvoorbeeld gebruik wordt gemaakt van afschermende bebouwing met een niet geluidgevoelige functie, of met maatregelen op gebouwniveau zoals dove gevels vormt de geluidzone van het onderstation geen onoverkomelijke belemmering voor woningbouw. De locatie kent ook in de bestaande situatie beperkingen voor woningbouw. De locatie is namelijk al zwaar geluidsbelast met vlieg-, spoor- en wegverkeersgeluid.
De ontwikkeling van gevoelige functies op korte afstand van het plangebied is in de huidige situatie bovendien al beperkt door de bestaande energieinfrastructuur van TenneT, Liander en Gasunie. De veiligheidsafstanden van de huidige afblaaspunten op het terrein van Gasunie zijn van oost naar west 115 meter en 21 meter. Op het zuidelijk deel van het terrein van Gasunie zijn nog twee nieuwe afblaaspunten voorzien met een veiligheidsafstand van 91 meter. Binnen deze veiligheidsafstanden mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten opgericht worden. In figuur 3.4 is met een groene lijn de (maximale) hinderafstand van het meet- en regelstation van Gasunie opgenomen.
Figuur 3.4 Afstand huidige beperkingen vanuit perceel Gasunie Deze afstand bedraagt 115 meter vanaf het afblaaspunt. Hier zal bij de realisatie van een hoog stedelijke omgeving in de huidige situatie rekening moeten worden gehouden. Aangezien het binnen deze afstand niet is toegestaan om (beperkt) kwetsbare objecten op te richten, is woningbouw in dit gedeelte niet reëel. Het bereik van de hindercontour van Gasunie komt ongeveer overeen met de voorgestelde geluidszone die in dit plan is voorzien. Daarmee vormt de uitbreiding van het onderstation geen extra beperking voor de mogelijkheden om woningbouw nabij het plangebied te ontwikkelen.
Gemeente Amsterdam
blz. 28
Bij een eventuele toekomstige ontwikkeling nabij dit gebied voor stedelijke functies zal dan ook nadrukkelijk moeten worden bekeken of en op welke wijze (gevoelige) functies hier kunnen worden ingepast. Groen-blauwe hotspot De noordoever van de Nieuwe Meer (ten zuidoosten van het plangebied) is in de omgevingsvisie aangewezen als een groen-blauwe hotspot. Naar deze plekken, waar stad, groen en water elkaar raken, komen mensen vanuit de hele stad toe om groen, ruimte en water te beleven. Deze stedelijke plekken hebben een uitzonderlijke landschappelijke kwaliteit. Ze zijn bij uitstek geschikt voor vrijetijdsfuncties als sportparken, strandjes, buitentheaters en musea. De nadruk ligt op ruimte voor buitenactiviteiten en passende programmaring en inrichting van de openbare ruimte. Eventueel hoort daar gebouwd programma bij, maar altijd zorgvuldig in het groen en water ingepast. Vanwege deze groen-blauwe hotspot zijn extra eisen gesteld aan de landschappelijke inpassing van het onderstation, zoals is geborgd in het ruimtelijk programma van eisen. 3.3.2
Structuurvisie Amsterdam 2040
Met de Structuurvisie Amsterdam 2040 "Economisch Sterk en Duurzaam" (17 februari 2011) legt de gemeente Amsterdam zichzelf regels op waar ruimtelijke plannen aan moeten voldoen. Amsterdam heeft zichzelf onder meer voor de opgave gesteld te verdichten en tegelijk het omliggende landschap open te houden. Dat leidt tot belangrijke uitgangspunten: het groen in en rond de stad vraagt om stevige bescherming, terwijl andere delen van de stad optimaal worden benut. Verdichting leidt ook tot (geleidelijke) transformatie en toenemende menging. Dat vergt veel van de bestaande infrastructuur en openbare ruimte. Respect voor de rijkdom aan cultuurhistorische schatten van Amsterdam is hierbij een belangrijke voorwaarde. De centrale ambitie van de Structuurvisie is dat Amsterdam zich verder ontwikkelt als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool. Intensivering van het grondgebruik in de stad biedt aan tal van mensen woon- en werkruimte. Het betekent extra draagvlak voor voorzieningen, extra investeringen in de openbare ruimte en in recreatief gebruik van water en groen, efficiënter omgaan met energie en vervoer zodat buiten de stad minder landschap hoeft te worden aangetast.
De ambities zijn om 70.000 woningen en bijbehorende voorzieningen toe te voegen tot 2040, de haven en huidige bedrijventerreinen intensiever te gebruiken en ruimte te creëren voor waterberging. Consequentie voor dit bestemmingsplan De structuurvisie gaat niet in op het elektriciteitsnet. De visie heeft geen consequenties voor de in dit bestemmingsplan beoogde ontwikkelingen. 3.3.3
Agenda Groen
De Agenda Groen is op 30 september 2015 vastgesteld in de gemeenteraad. Elke Amsterdammer moet straks een groene omgeving in de buurt hebben. In deze agenda wordt de koers uitgezet voor investeringen in het groen tussen 2015 en 2018 en daarmee geeft de agenda duidelijk richting aan initiatieven. De prioriteit wordt daarbij de komende jaren gelegd op vier thema's: stadsparken, klimaat en biodiversiteit, groen in de buurt en verbindingen en toegankelijkheid. 1. Stadsparken Stadsparken zijn bij uitstek de gemeenschappelijke tuinen van de stad. Ze zijn er voor iedereen en ze worden steeds intensiever en op heel uiteenlopende manieren gebruikt: werken, leren over de natuur, bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 29
barbecueën, wandelen, sporten, zonnen, een feestje vieren of een evenement bezoeken. Het doel is om stadsparken beter in te richten op dat intensieve gebruik. Ook komen er meer en betere alternatieven voor de drukke stadsparken, om zo de bezoekersdrukte beter te spreiden over de groengebieden in en om de stad. De komende jaren worden tenminste drie stadsparken ingrijpend verbeterd voor duurzamer en intensiever gebruik. 2. Klimaat en biodiversiteit De groene ruimte speelt een belangrijke rol bij het klimaatbestendig maken van de stad. Buien worden steeds extremer en temperaturen hoger. Een effectieve manier om regenwater op te vangen en de temperatuur te beperken, is door het oppervlakte aan groen te vergroten. Daarnaast kan groen bijdragen aan meer biodiversiteit in de stad. Daarom wordt de komende jaren in gezet op 50.000 m2 extra groen dak in de stad, bij voorkeur groen dak met een dik groenpakket. 3. Groen in de buurt Amsterdammers hechten veel waarde aan mooi en bruikbaar groen in de directe omgeving van de woning. Groen in de buurt heeft een belangrijke functie als ontmoetingsplek en zorgt ervoor dat mensen meer bewegen. Bewoners weten zelf het beste waar behoefte aan is, daarom bieden we ruimte aan buurtinitiatieven. Daarom wordt de komende jaren ingezet op meer groene plekken in de buurt door het vergroenen of aanleggen van tenminste twintig postzegelparken. 4.
Verbindingen en toegankelijkheid Het laatste thema in de Agenda Groen is gericht op het verbeteren van wandel- en fietsroutes tussen en binnen groengebieden voor dagelijks recreatief en sportief gebruik. Amsterdam is rijk aan groen en veel van dat groen kan beter worden gebruikt als het toegankelijker is of beter met elkaar is verbonden. Ingezet wordt op het zichtbaar verbeteren van fietsverbindingen naar de landschappen rondom de stad. Knelpunten in de schakels tussen stad en land worden opgelost en er wordt geïnvesteerd in de belevingswaarde van deze routes. Consequenties voor het plan Bij de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de Agenda Groen. Zo wordt voldaan aan het ruimtelijke programma van eisen waarin het onderwerp groen veelvuldig terugkwam. Dit is terug te vinden in hoofdstuk 2 en is geborgd in de planregels. 3.3.4
Ontwikkelstrategie Landschapspark De Oeverlanden
Op 2 december 2021 heeft de gemeente Amsterdam de Ontwikkelstrategie Landschapspark De Oeverlanden vastgesteld. De ontwikkelstrategie is een richtinggevend visiedocument voor de periode tot 2040; het maakt kansen inzichtelijk voor toekomstige ontwikkelingen en het biedt de gemeente de basis om, in dialoog met de omgeving, de juiste keuzes te kunnen maken. De ontwikkelstrategie betekent dat De Oeverlanden groen blijven en het authentieke en natuurlijke karakter behouden blijft. Het betekent ook dat er, in de toekomst, in ieder geval geen woningbouw en kantoorontwikkeling wordt toegestaan en dat de aanwezige natuurkwaliteiten de basis vormen voor de visie 2040 en de daarin voorgestelde keuzes. In de Ontwikkelstrategie Landschapspark De Oeverlanden wordt onderhavig onderstation specifiek benoemd. De groei van de stad en de opgave om Amsterdam klimaatneutraal te maken in 2050 hebben een grote impact op de elektriciteitsvoorziening van de stad. De elektriciteitsinfrastructuur zal moeten groeien, vanwege de sterk toenemende vraag naar elektrisch vermogen als gevolg van meer datagebruik
Gemeente Amsterdam
blz. 30
(datacentra), de groei van de stad en de elektrificatie van industrie, warmte en mobiliteit. Om tijdig te kunnen voorzien in de groeiende elektriciteitsvraag in Amsterdam, wordt de komende jaren de elektrische infrastructuur fors uitgebreid en vernieuwd. Om vervolgens ook tijdig de locaties voor de nieuwe onderstations te vinden is het traject Locatieonderzoek nieuwe onderstations Amsterdam gestart. Daarnaast is er parallel samen met de netbeheerders Liander en TenneT gewerkt aan een Netstructuurvisie Amsterdam 2050/Uitvoeringsagenda elektriciteitsnetwerk 2030. De ontwikkeling van een nieuw onderstation aan de zuidwestzijde van Amsterdam heeft vanuit het bovenstaande traject hoge prioriteit. Met het onderstation aan de Anderlechtlaan kan er aan de sterk groeiende vraag in de Zuidas, Schinkelkwartier en (een deel van) Amsterdam Nieuw-West voldaan worden. Consequentie voor dit bestemmingsplan De beoogde ontwikkelingen zijn in overeenstemming met de Ontwikkelstrategie Landschapspark De Oeverlanden. In de strategie wordt beschreven hoe het onderstation aan de Anderlechtlaan aan de zuidwestzijde van Amsterdam hoge prioriteit heeft. Onderhavig plan omvat deze ontwikkeling. 3.3.5
Ontwikkelingskader Elektriciteitsvoorziening Amsterdam 2035
De vraag naar energie vraagt ingrijpende aanpassingen: in Amsterdam worden op 23 locaties 29 nieuwe onderstations aangelegd, met bijbehorende kabelverbindingen en ook 12 bestaande onderstations worden ingrijpend verzwaard. Het Ontwikkelingskader Elektriciteitsvoorziening Amsterdam (EVA) 2035 is het richtinggevend ruimtelijk kader voor de noodzakelijke uitbreiding van de hoofdelektriciteitsinfrastructuur in Amsterdam voor de periode 2022 tot 2035. In het kader zijn de uitbreiding van bestaande onderstations, de realisatie van nieuwe onderstations en de benodigde indicatieve kabelverbindingen opgenomen. Het elektriciteitsnet van Amsterdam moet de komende decennia aanzienlijk worden verzwaard.In 2050 is de vraag naar elektriciteit in Amsterdam drie tot vier keer hoger dan nu. Verduurzaming speelt daarbij een rol: met onder andere elektrisch vervoer, warmtepompen en de productie van elektriciteit met zon en wind. Toch hebben andere factoren grotere impact op de capaciteit van het elektriciteitsnet in 2050: datacenters, economische ontwikkelingen, elektrisch vervoer en nieuwbouw. Een overvol elektriciteitsnet ontstaat overigens niet pas rond 2050. Nu al heeft Liander in een aantal gebieden binnen de gemeente Amsterdam congestie aangekondigd. Congestie is een tekort aan transportcapaciteit in het elektriciteitsnet. De gevolgen van congestie zijn ingrijpend.
Om overbelasting in het net te voorkomen kan Liander bijvoorbeeld voorlopig geen nieuwe woningen of bedrijven aansluiten in congestiezones. In het Ontwikkelingskader komt ook het onderstation Nieuwe Meer II terug. Het nieuwe onderstation is daarbij aangemerkt als zeer urgent. Het onderstation Nieuwe Meer 2 zal behalve de stedelijke groei van een deel van Nieuw-West ook de verdere stedelijke ontwikkeling van de Zuidas voeden. Consequentie voor dit bestemmingsplan De bouw van het nieuwe onderstation is in overeeneenstemming met het Ontwikkelingskader Elektriciteitsvoorziening Amsterdam 2035. Onderhavig onderstation is een van de nieuwe 29 onderstations die het elektriciteitsnet van Amsterdam de komende decennia zal verzwaren zodat aan de toenemende vraag naar elektriciteit kan worden voldaan.
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 31
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
4.1
M.e.r.-beoordeling
4.1.1
Kader
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. In de Wet milieubeheer (art 7.2) en het Besluit milieueffectrapportage (art 2 lid 5) is verankerd dat er een beoordeling moet worden gemaakt of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden als een plan of besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) wordt opgesteld voor één of meerdere activiteiten met mogelijk belangrijke negatieve effecten op het milieu. Activiteiten waarvoor dat het geval is, worden genoemd in de bijlage onderdeel C en D van het Besluit mer: Onderdeel C: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en dus het opstellen van een MER verplicht is; Onderdeel D: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.
Als de activiteiten die met het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt in kolom 1 van onderdeel D staan, dan bestaat de m.e.r.-beoordelingsplicht er uit dat het bevoegd gezag moet beoordelen of de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Blijkt uit deze beoordeling dat de betreffende activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben, dan moet de m.e.r.-procedure (m.e.r.) worden doorlopen en moet een milieueffectrapportage (MER) worden opgesteld. 4.1.2
Plangebied
Op grond van het Besluit milieueffectrapportage is geen sprake van een m.e.r. (beoordelings)plichtige activiteit. Het bestemmingsplan heeft desalniettemin wel betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit. Te denken valt aan de categorieën D 11.3 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein) en D 24.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsverbinding). De ontwikkelingen die zijn voorzien met dit project overschrijden de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet, zodat op basis daarvan geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de 'Europese richtlijn milieueffectbeoordeling' te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'. Voor het initiatief is een aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze notitie concludeert dat gezien de omvang van de activiteiten in relatie tot de drempelwaarden en de verwachte effecten, er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. Nadere analyse in een m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk. Op basis van deze notitie neemt het bevoegd gezag (de gemeente Amsterdam) het m.e.r.-beoordelingsbesluit.
Gemeente Amsterdam
blz. 32
4.2
Milieuzonering bedrijven
4.2.1
Kader
Milieuzonering betreft het toepassen van het ruimtelijke ordeningsprincipe voor “nieuwe situaties / ontwikkelingen” dat zich richt op functiescheiding van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld een bedrijfsfunctie) en milieu-planologisch gevoelige functies (bijvoorbeeld wonen). Een nieuwe situatie / ontwikkeling betreft een plan dat nog niet eerder als zodanig is bestemd in een bestemmingsplan of vergund met een omgevingsvergunning. Het waar nodig en mogelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies bij nieuwe ontwikkelingen / in nieuwe situaties dient twee doelen: Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Met deze doelstelling wordt bij het plannen van een nieuwe functie om redenen van goede ruimtelijke ordening gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie wordt ingepast. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel bij het beantwoorden van deze vragen.
Milieuzonering beperkt zich hierin tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de milieubelasting afneemt naarmate de afstand van/tot de bron toeneemt. De VNG-publicatie bevat een tweetal richtafstandlijsten waarin een groot aantal niet-woonactiviteiten (zoals productie, handel en dienstverlenende activiteiten, onderwijs, sport en recreatie, etc.) zijn vertaald naar een milieucategorie met bijbehorende indicatieve richtafstanden. De activiteiten en bijbehorende categorieën zijn weergegeven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) en in voorkomend geval (afhankelijk van de wijze van bestemmen) ook in de bijlage bij de regels van een bestemmingsplan. Zoals hiervoor al is aangegeven, is het ordeningsprincipe van milieuzonering bedoeld voor nieuwe situaties / nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van “bestaande situaties” waarbij bestaande / gevestigde milieubelastende activiteiten en bestaande milieugevoelige functies op minder dan de indicatieve richtafstand van elkaar staan. Via het zogenaamde 'milieuspoor' van de Wet Milieubeheer (Wm) is het functioneren van bestaande bedrijven (inrichtingen) geregeld. 4.2.2