Raadsbesluit 2022-198C BP Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 part. herziening - Toelichting
Tekst van het document
In het plangebied van voorliggend bestemmingsplan zijn geen waterstaatswerken aanwezig die in beheer zijn bij het Rijk. 14.2.3 Keur AGV De Waterschapswet zegt in artikel 78 dat het waterschap verordeningen mag opstellen voor de behartiging van aan het waterschap opgedragen taken. Op 1 november 2019 is de meest recente Keur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) in werking getreden. De Keur van het Hoogheemraadschap AGV is gericht op het beschermen van de wateraanvoer en -afvoer, de bescherming tegen wateroverlast en overstroming en op het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem. In de toelichting bij de Keur is aangegeven dat de aanleg van verhard oppervlak in beginsel leidt tot een grotere belasting van het oppervlaktewatersysteem en/of rioleringssysteem, omdat pieken in de regenafvoer minder worden afgevlakt door infiltratie. Bij nieuwbouw in stedelijk gebied, verdichting in bestaand stedelijk gebied of de aanleg van wegen is sprake van verharding van gebieden waar voorheen water in de bodem kon worden geborgen. De toename van de belasting van het oppervlaktewatersysteem moet daarom worden gecompenseerd door de initiatiefnemer. Dat betekent dat het watersysteem na de realisering van de verharding niet zwaarder belast mag worden dan voordien.
Op grond van artikel 3.13, onder a, van de Keur is het verboden om zonder vergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap in stedelijk gebied meer dan 1.000 m2 verharding aan te brengen of het verhard oppervlak met 1.000 m2 te laten toenemen. Legger De legger is een openbaar register van het Hoogheemraadschap AGV waarin wordt bepaald aan welke eisen (diepte, hoogte, sterkte etc.) de wateren, dijken en kunstwerken moeten voldoen en dient als uitwerking van de Keur. Op grond van de legger is een klein deel van het plangebied gelegen binnen het beschermingsregime van de Keur. In dit bestemmingsplan is voor deze gronden, net als in het voorgaande bestemmingsplan, de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' toegekend. Voor het voorgenomen bouwplan is dat niet van invloed, het bouwplan is evenmin van invloed op de waterkering.
14.3
Beleid
Nationaal Waterplan 2016-2021 Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: a. Nederland blijft de veiligste delta in de wereld b. Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater
85
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening c. Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht d. Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement e. Nederlanders leven waterbewust. Gelijktijdig met de vaststelling van het definitieve Nationaal Waterplan 2016-2021 is ook het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021 vastgesteld. Het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren beschrijft hoe grote rivieren en kanalen, het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta, de Noordzee en de Waddenzee beheerd moeten worden. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het beheer. In het plangebied van voorliggend bestemmingsplan zijn geen wateren waar nationale belangen een rol spelen. Provinciale watervisie 2021 In de Watervisie 2021: Buiten de oevers (november 2015) zijn de hoofdlijnen van het provinciale beleid geformuleerd voor het beheer van het Noord-Hollandse watersysteem. Aan de hand van de thema's veilig, schoon en voldoende is beleid vastgesteld voor de lange termijn (2040) en prioriteiten voor de planperiode (2016-2021). Het Uitvoeringsprogramma 2016-2021 (december 2015) geeft aan wat de concrete maatregelen zijn om de lange termijn doelstellingen te verwezenlijken.
Thema Veilig Beperken van slachtoffers en economische schade via preventie en gevolgenbeperking, door: Kaders stellen voor regionale waterkeringen: vastleggen van normen en tracés in de waterverordeningen en bindende afspraken maken met de waterschappen over de termijnen waarbinnen de regionale keringen op orde moeten zijn. Beoordelen versterkingsplannen primaire waterkeringen en bevorderen ruimtelijke kwaliteit: toetsen op voldoende ruimtelijke inpassing door de waterbeheerder en bevorderen van ruimtelijke kwaliteit via programma's met cofinanciering door regionale partijen. Waterrobuust inrichten bevorderen: via ruimtelijke maatregelen beperken van aantal slachtoffers en beperken van economische schade en een adequate rampenbestrijding bij (dreiging van) een overstroming. Thema Schoon en Voldoende water Het voorkomen van verontreiniging, overlast en tekort, door: Het bijdragen aan schoon en voldoende oppervlaktewater: bevorderen dat er voldoende goed water is voor verschillende bestemmingen zoals landbouw, natuur en recreatiegebieden. Zorgen voor schoon en voldoende grondwater: duurzaam beheren van grondwatervoorraden voor verschillend gebruik zoals drinkwater, industrie en energievoorziening.
Waterbeheerplan Waterschap Amstel Gooi- en Vechtstreek 2016-2021 Op 8 oktober 2015 heeft het Algemeen Bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AVG) het Waterbeheerplan AGV 2016-2021: Waterbewust en Waterrobuust vastgesteld. Het betreft het tweede waterbeheerplan van het Hoogheemraadschap AGV in de nieuwe zesjarige waterplancyclus van het Rijk, de provincie en het waterschap. Het waterbeheerplan gaat in op de hoofdtaken van het waterschap: veiligheid, voldoende water en schoon water. Ook wordt aandacht gegeven aan de maatschappelijke (neven)taken, te weten nautisch en vaarwegbeheer, recreatief medegebruik, natuurbeheer en cultuurhistorische, landschappelijke en architectonische waarden. Voor elk van deze thema's is aangegeven wat het wensbeeld is op de middellange termijn, wat de doelen zijn, wat de aanpak op hoofdlijnen is en op welke indicatoren de resultaten van dat taakveld worden beoordeeld. Gemeentelijk rioleringsplan Amsterdam 2016-2021 De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken. Deze zogenaamde zorgplichten betreffen: inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater; inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater; treffen van grondwatermaatregelen in openbaar gebied. In het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam (GRA) 2016-2021 staat vermeld hoe deze drie
86
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening zorgplichten voor de komende jaren door de gemeente Amsterdam worden ingevuld. Het doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam deze watertaken uitvoert en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Hiermee voldoet de gemeente aan de planverplichting zoals die in de Wet milieubeheer is opgenomen. Het GRA 2016-2021 heeft de volgende uitgangspunten: Stedelijk afvalwater zoveel mogelijk scheiding aan de bron van de componenten van stedelijk afvalwater; waar mogelijk decentrale zuivering in plaats van de huidige centrale, zolang dit duidelijk aanwijsbare voordelen biedt. Hemelwater de perceeleigenaar is in principe zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater op eigen terrein; de verwerking van hemelwater is een inspannings- en geen resultaatverplichting voor de gemeente; uitgangspunt is om verontreinigd hemelwater gescheiden te houden van het overige hemelwater; gebruik heeft de voorkeur boven direct lozen; gemeente houdt bij de inrichting van de openbare ruimte rekening met het tijdelijk opvangen van extreme buien. Grondwater duurzaam functionerend grondwatersysteem om nieuwe hinder voorkomen en bestaande hinder weg te nemen; de perceeleigenaar is in principe zelf verantwoordelijk voor het grondwater op eigen terrein.
Watervisie Amsterdam 2040 Op 14 september 2016 heeft de gemeenteraad van Amsterdam de Watervisie Amsterdam 2040 vastgesteld. De visie geeft een ruimtelijk-economisch perspectief op het gebruik van water en oevers in Amsterdam op de lange termijn (2040) met een aantal speerpunten voor de korte termijn (2018). De Watervisie Amsterdam 2040 is een structuurvisie-uitwerking. Dat betekent dat de Watervisie na vaststelling door de gemeenteraad als een onderdeel van de Structuurvisie Amsterdam 2040 (een strategisch beleidsdocument voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad) wordt beschouwd. De visie is daarmee zowel een beleidsvisie als een planologisch-juridisch toetsinstrument. Ze wordt als planologisch-juridisch toetsingsdocument ingezet bij ruimtelijke plannen en initiatieven om watergerelateerde ontwikkelingen in balans met elkaar en integraal te laten plaatsvinden. Met de Watervisie wil de gemeente bewoners, ondernemers, bedrijven, verenigingen en bezoekers tevens stimuleren en inspireren om -in lijn met de Watervisie- nieuwe initiatieven te ontplooien en te realiseren. Voor nieuwe ruimtelijke initiatieven dienen de gebruikelijke (planologisch-juridische) procedures te worden gevolgd.
Programma Rainproof Waternet heeft het initiatief genomen het programma Amsterdam Rainproof op te zetten, als start van een maatschappelijke beweging om de stad en de stedelingen regenbestendiger te maken. Grondslag voor het initiatief is de gemeentelijke zorgplicht voor doelmatig en doeltreffend afvoeren van hemelwater welke Waternet namens de gemeente Amsterdam uitvoert. In Amsterdam Rainproof wordt dit ingevuld door het faciliteren van de beweging, die na de looptijd van het programma op eigen kracht verder gaat. Amsterdam Rainproof wil met doelgroepen als huishoudens, bedrijven, instellingen en overheid een platform bouwen om alle Amsterdammers te verleiden tot regenbestendig handelen. Amsterdam Rainproof staat daarmee niet alleen voor het fysiek veranderen van de stad, maar juist ook voor een mentale verandering in het denken en doen (of juist laten) van haar inwoners, haar ondernemers en haar instellingen. Je bent regenbestendig als je bewust bent van de gevolgen, bewust bent van de mogelijkheden en kansen om nuttig met regenwater om te gaan en er naar handelt of juist niet. In het laatste geval accepteer je dan de gevolgen. Het programma richt zich primair op de opgave van (zeer) hevige regenbuien.
Raakvlakken met andere water- en milieuthema’s als klimaatadaptatie, grondwateroverlast en –onderlast, waterkwaliteit, waterbestendig maken van de stad, hittebestendigheid en duurzame energie worden alleen benut als er een zinvolle relatie is tussen de processen (bijvoorbeeld communicatie uitingen en of gezamenlijke
87
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening bijeenkomsten) en doelstellingen en de oplossingen van de andere thema’s. Amsterdam Rainproof richt zich in eerste instantie tot het stedelijk grondgebied van de gemeente Amsterdam. Het past in de 800 jaar lange traditie waarin Amsterdam als verantwoordelijke hoofdstad van Nederland Waterland functioneert: ondernemend en pro-actief. Voor het behoud van deze vooraanstaande positie is een succesvol Amsterdam Rainproof van groot belang. De aanpak van Rainproof is kopieerbaar naar andere steden in Nederland en daarbuiten. Hemelwaterverordening Op 26 april 2021 is de Hemelwaterverordening Amsterdam vastgesteld. Deze verordening regelt een verplichting voor nieuwe gebouwen en voor bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, waaraan één of meer bouwlagen worden toegevoegd, of waarvan het bebouwde oppervlak wordt uitgebreid, om per m² minimaal 60 liter hemelwater te bergen en dit hemelwater over de opvolgende 60 uur af te voeren. Doel van deze verordening is om bij grote regenbuien, die steeds vaker voorkomen, waterschade in de stad zoveel mogelijk te voorkomen en daarmee een bijdrage te leveren aan een klimaatbestendige stad.
Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam Het doel van het Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam is het voorkomen van negatieve effecten van (cumulatieve) aanleg van kelders op de stand en de stroom van het grondwater. Alleen een kelder die grondwaterneutraal kan worden aangelegd komt voor vergunningverlening in aanmerking. De (algemene) regels uit het Afwegingskader hebben primair betrekking op kelders met één verdieping, een oppervlakte van maximaal 300 m² en een diepte van maximaal 4 meter onder het grondoppervlak (maaiveld) gerekend aan de straatkant. Ten aanzien van de kelders die groter zijn dan 300 m² en/of dieper dan 4 meter wordt in het Afwegingskader bepaald dat medewerking alleen mogelijk is indien aan de hand van een geohydrologisch rapport wordt aangetoond dat de aanleg grondwaterneutraal zal plaatsvinden. Op 7 oktober 2021 is het paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders vastgesteld door de raad. Op grond van dit paraplubestemmingsplan dient voor kelders groter dan 300 m2 met behulp van een geohydrologisch onderzoek te worden aangetoond dat de kelders grondwaterneutraal gerealiseerd zal worden. De kelderbouw dient grondwaterneutraal te gebeuren.
Dit betekent dat de stand en stroming van het grondwater buiten het perceel waarop de kelder is geprojecteerd niet of nauwelijks veranderen, waar mogelijk zal verbeteren, en geen negatieve grondwatereffecten optreden. Tot negatieve effecten worden in ieder geval gerekend risico's op opbarsten van de deklaag, welvorming, grondwateroverlast en grondwateronderlast. Op 7 september 2021 is de Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam vastgesteld door het college. Deze Beleidsregel betreft een beleidsneutrale samenvatting van het afwegingskader in concrete beleidsregels. In het voorliggende bestemmingsplan is een binnenplanse afwijking opgenomen voor (uitbreiding van) kelders waarbij de eis van grondwaterneutraal bouwen conform het afwegingskader en het paraplubestemmingsplan is opgenomen. Waterbeleid Zuidas In de Visie Zuidas 2016 is uitgebreid aandacht besteed aan het thema water in het hoofdstuk 'Verbonden door groen en water'. Water is een belangrijke voorwaarde voor het stedelijk leven. Door klimaatverandering lopen de temperaturen in de stad op en worden regenbuien extremer. Water heeft een dempende werking op temperaturen in de stad en kan effectief zijn in het (tijdelijk) bergen van regenwater. Bovendien is meer, diverser en goed verbonden water belangrijk voor een divers dier- en plantenleven. De bergingscapaciteit van water is belangrijk.
Daarom wordt het water in samenhang ontworpen. Dat geldt voor grondwater, oppervlaktewater en hemelwater in zowel de openbare ruimte als privéruimte. Bij extreme regenbuien moet Zuidas regenbestendig zijn: het water wordt op de kavels zelf opgevangen en geborgd. Daarnaast maken we een aantal plekken geschikt voor waterberging bij piekbuien. Binnen Zuidas wordt ingezet op een robuuste waterstructuur die de verblijfskwaliteit verhoogt en
88
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening functioneel is voor het goed afvoeren van regenwater en voor regulering van het grondwater. In ieder geval moet de afvoer van grondwater via het rioolstelsel worden voorkomen. In Zuidas worden bovendien alle plannen op hun bijdrage aan een goed stadsklimaat getoetst. Ontwikkelende partijen en de gemeente moeten hun inzet op het verbeteren van het microklimaat zichtbaar maken, bijvoorbeeld door de aanleg van groene daken of binnentuinen.
14.4
Grondwater
14.4.1 Uitgangspunten en beleid De gemeentelijke grondwaternorm is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021. Waternet treedt op als handhaver van dit beleid in gevolge de gemeentelijke zorgtaak voor grondwaterbeheer. Voor de binnenstedelijke herontwikkeling wordt een minimale ontwateringsdiepte van 0,7m gehanteerd. Bij kruipruimteloos bouwen is de norm voor de ontwateringsdiepte 0,50m ten opzichte van het maaiveld en bij bouwen met kruipruimte is dit 0,90m. Onder de ontwateringsdiepte wordt verstaan: de afstand tussen de bebouwing en de freatische grondwaterstand. Klimaatadaptiviteit en hemelwaterbestendigheid (Rainproof) zijn als noodzakelijk beschouwd. Een toekomstige toename van de neerslag en grondwaterstijging leidt tot de noodzaak om overtollig hemelwater te infiltreren in de bodem. Hiervoor is een ontwatering van meer dan 90 cm gewenst. Het is niet wenselijk door kelderbouw een deel van de beschikbare ruimte voor klimaatadaptiviteit op te souperen, tenzij er altijd minimaal 90 cm ontwatering resteert. Er zijn geen maatregelen noodzakelijk als in een buurt de toekomstige ontwatering groter dan 100 cm is In de nieuw in te richten gebieden moet de gemeentelijke ontwateringsnorm in principe door duurzame maatregelen gehandhaafd worden. Watergangen, grondverbetering, grindkoffers (onder voorwaarden) en ophogen worden als duurzame maatregelen genoemd.
Drainage wordt, buiten sportvelden en tijdelijke bouwsituaties, expliciet verboden (in de keur). Dit onderwerp wordt ook uitvoerig beschreven in hoofdstuk 3 van het afwegingskader. 14.4.2 Onderzoek TAUW heeft een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd voor het project. Aanleiding tot het geohydrologisch onderzoek is de realisatie van nieuwe bebouwing met een verdiepte ligging van de kelder. De uitbreiding van de kelder wordt in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt met binnenplanse afwijking, niet met direct recht. Het geohydrologische onderzoek is aan deze plantoelichting toegevoegd als Bijlage 15. Om de effecten van de kelder op de geohydrologische situatie te bepalen, is gebruik gemaakt van een grondwatermodel waarmee verschillende effecten op de grondwaterstroming zijn gesimuleerd. Het model is geijkt op basis van gemeten grondwaterstanden in het freatisch pakket in de omgeving van de onderzoekslocatie. Het resultaat van de ijking wordt als voldoende geacht om verdere berekeningen uit te voeren. Bekend is dat dit specifieke gebied een complexe grondwaterstroming betreft. Samenvatting resultaten berekeningen en scenario’s Uit de berekeningen blijkt dat zowel in de huidige als toekomstige klimaatscenario’s de grondwaterstand 5 à 10 cm stijgt aan de ‘bovenstroomse’ zijde van het pand (noordkant).
Aan de ‘benedenstroomse’ zijde (westkant) vindt bij het huidige klimaat een verlaging van 5 cm plaats en bij het toekomstige klimaat lokaal 10 cm. De nieuwe kelder is richting het noordwesten uitgebreid en sluit daarnaast de ophooglaag volledig af. Daardoor treedt barrièrewerking op. Aan de zuidkant van de kelder zijn in de huidige situatie al damwanden aanwezig die de ophooglaag afsluiten. Hier verandert dus eigenlijk niets. Door de aanleg van drainagezand aan de noord-, zuid- en westzijde wordt er een flux rond de kelder geïntroduceerd. Hierdoor kan de barrièrewerking van de kelder worden geneutraliseerd. Het resteffect van de diepere kelder en nieuwe damwanden blijft daardoor beperkt tot een kleine stijging van de grondwaterstand bij de inham aan de noordzijde van de nieuwe kelder. Conclusie afwegingskader en paraplubestemmingsplan grondwaterneutrale kelders in relatie tot resultaten onderhavig onderzoek
89
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening
De locatie valt binnen een gebied waar de bouw van een diepere kelder mogelijk is, mits de benodigde grondwaterneutrale maatregelen worden getroffen. Binnen de specifieke buurt Zuidas-Noord waar de toekomstige kelderlocatie onder valt is sprake van een complexe grondwaterstroming. Dit kwam ook naar voren bij de gebiedsinventarisatie van dit onderzoek en de ijking van het lokaal opgezette grondwatermodel en heeft met name te make met het grote grondwaterverhang tussen de twee verschillende waterpeilen (-0,4 m NAP t.o.v. -2,0 m NAP). Voor de buurt Zuidas-Noord geldt voor kleine kelders (kleiner dan 300 m2) maatregel 2 (locaties waar de grondwaterstroming complex is). Kleine veranderingen van de grondwaterstand zijn daarom al ongewenst. Hier zijn specifieke aandachtspunten van toepassing en geldt een standstill-kD. Hierbij moet de initiatiefnemer op zijn kavel een geohydrologisch onderzoek inclusief boringen uitvoeren. Op basis van dit onderzoek moet de standstill-kD worden vastgesteld. Ook voor kelders groter dan 300 m2 is een geohydrologisch onderzoek vereist. Om verdere problemen met onderlast of overlast te voorkomen dient men het doorlaatvermogen terug te brengen dat voor de bouw van de kelder aanwezig was. De grondwatersituatie blijft dan gelijk. Een voorbeeld om de grondwatersituatie niet te verslechteren en toekomstbestendig te maken is het toepassen van grindomstorting.
Zoals in dit rapport aangetoond zal dat een positief effect hebben in huidige en toekomstige situaties op de grondwaterstroming. Andere oplossingen om de grond rondom de kelder waterpasserend te kunnen realiseren worden in hoofdstuk 3.2.1. van het afwegingskader behandeld. In hoofdstuk 3.2.2. van het afwegingskader worden vervolgens de vereisten benoemd om de locatie grondwaterneutraal in te richten. Deze generieke maatregelen gelden niet voor kelders groter dan 300 m2. Voor die kelders zal altijd met een geohydrologisch rapport aangetoond moeten worden welke maatregelen getroffen worden om de kelder grondwaterneutraal te realiseren. Dat is in dit geval ook gebeurd, er ligt een geohydrologisch rapport waarin maatregelen genoemd zijn. Het is belangrijk dat bij het definitieve ontwerp van de kelder en de praktische uitvoering (b.v. correcte toepassing van damwanden indien die noodzakelijk blijken voor de realisatie van de kelder) hiermee rekening gehouden wordt. Advies standstill-kD Het toepassen van een grindkoffer met een relatief hoge kD waarde (75 m2/dag) heeft een mitigerend effect op de verwachte grondwaterstandsverandering door de nieuwe kelder. Het effect van barrièrewerking van de nieuwe kelder wordt vrijwel geneutraliseerd. Dit blijkt zowel uit de waterbalans als uit het effect op de grondwaterstand.
Na toepassing van de grindkoffer is er lokaal nog een klein resteffect op de grondwaterstand, maar dit blijft beperkt tot binnen de perceelgrenzen van de twee percelen waarop de kelder ligt. Met de grindkoffer als mitigerende maatregel is de kelder daarmee grondwaterneutraal voor alle (klimaat)scenario’s.
14.5
Watertoets
De watertoets is uitgevoerd door ingenieursbureau Tauw en is bij deze plantoelichting gevoegd als Bijlage 16. Naar deze bijlage wordt kortheidshalve verwezen. Deze watertoets maakt integraal deel uit van de afweging omtrent de aanvaardbaarheid van de beoogde ontwikkeling in het kader van de goede ruimtelijke ordening.
90
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening
Hoofdstuk 15 15.1
Duurzaamheid
Algemeen
Het aspect duurzaamheid speelt de laatste jaren steeds meer een rol bij gebiedsontwikkelingen. Dit begint bij het formuleren van het kader en de ambities voor een plangebied. Een bestemmingsplan kan ten aanzien van het aspect duurzaamheid alleen datgene regelen wat een direct verband houdt met de bestemming die aan de gronden wordt toegekend. De planregels moeten rechtstreeks betrekking hebben op het ruimtebeslag van de gronden zelf of effect hebben op het ruimtegebruik van nabijgelegen gronden.
15.2
Toetsingskader
Provincie: Omgevingsverordening NH 2020 De provincie heeft ervoor gekozen zich tijdig voor te bereiden op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarom is vooruitlopend op de komst van de Omgevinsgwet vorm gegeven aan de kerninstrumenten van de provincie van deze wet: de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening integreert 21 verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, waaronder de oude Provinciale Ruimtelijke Verordening. Regels die meer gericht zijn op het hoe (hoe kom je tot een goede fysieke leefomgeving) dan op het wat (verbodsbepalingen en uitzonderingen daarop). Regels die zich meer richten op het doel dan op het middel. De verordening is een weerslag van de afweging tussen ruimte voor ontwikkelingen en bescherming van landelijk gebied. De regels zijn zijn er onder andere op gericht om zoveel mogelijk binnenstedelijk te verdichten en het landschap te behouden en beschermen. Het toepassingsbereik en het oogmerk van deze verordening is ruim. De verordening richt zich op de hele fysieke leefomgeving, met als oogmerk zowel het bereiken en borgen van goede omgevingskwaliteit, het behoud van biodiversiteit als ook het gebruiken van de leefomgeving voor het bereiken van maatschappelijke doelen. In de Omgevingsvisie NH 2050 is de doelstelling opgenomen van een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland.
Dat geldt voor de stad, land en infrastructuur. Het gaat om het voorbereid zijn op wateroverlast, hittestress, verdroging en verzilting en het beperken van de gevolgen van overstromingen. Hiermee dient rekening te worden gehouden aangezien het gevolgen kan hebben voor locatiekeuze, inrichting van de openbare ruimte en het ontwerp van gebouwen. In 2050 wil Noord-Holland klimaatneutraal en circulair zijn. Het doel is de CO2-uitstoot door het gebruik van fossiele brandstoffen verminderen. Daarbij dienen we bestand te zijn tegen extreme weersveranderingen. Dat heeft gevolgen voor bijvoorbeeld wonen, werken, vervoer en landbouw. Daarom wordt gewerkt aan de energietransitie, aan een circulaire economie, duurzaam wonen en duurzame infrastructuur. Het energienetwerk wordt op deze veranderingen voorbereid. De provincie draagt bij aan innovatieve technologie om deze doelen te bereiken. In paragraaf 15.4 wordt weergegeven hoe in de planvorming rekening wordt gehouden met aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals circulariteit, duurzaame mobiliteit, groen op daken, waterberging en energie. Voorliggend bestemmingsplan is in lijn met deze doelstellingen. Gemeentelijk beleid: Agenda Duurzaamheid Duurzaamheid staat ook hoog op de Amsterdamse agenda. Amsterdam wil een inhaalslag maken op het gebied van duurzaamheid.
De inhaalslag wordt behaald in goede samenwerking met partners uit de stad (de bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen). Niet alleen voor het creëren van breed maatschappelijk draagvlak, maar ook door de energie en doorzettingskracht die al aanwezig is in de samenleving te versterken. Op 11 maart 2015 heeft de Gemeenteraad de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad vastgesteld (Agenda Duurzaamheid). De Agenda Duurzaamheid is uitgerust met kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen langs vijf transitiepaden, met als rode draad de filosofie van de circulaire economie: innovatie, meer doen met minder, slimmer en hernieuwbaar. Bij de vertaling van deze vijf thema's in ambities en doelen is de onderlinge samenhang en de samenhang met andere beleidsdoelen betrokken. In de Agenda Duurzaamheid is beschreven hoe met een integrale aanpak de doelen worden
91
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening gerealiseerd, bijvoorbeeld door in te gaan op de financiering van de transitie naar een duurzaam Amsterdam en door het monitoren van het proces voor te stellen. De agenda besluit met een uitvoeringsprogramma samengevat op doelen, richting en maatregelen. Gemeentelijk beleid: Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal De Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal is een ambitiedocument met een lange termijn visie op de Amsterdamse energietransitie en acties voor de korte termijn. In de Routekaart worden de belangrijkste ingrediënten beschreven van de strategie om samen de overgang van fossiele naar duurzame energie in beweging te zetten en te houden. De Routekaart is op 3 maart 2020 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Vergelijkbaar met de landelijke systematiek wordt gewerkt langs vier transitiepaden naar een klimaatneutrale stad: de gebouwde omgeving, mobiliteit, elektriciteit en haven & industrie. Binnen deze transitiepaden wordt in 16 pijlers beschreven wat we gaan doen om tot CO2-reductie te komen.
15.3
Duurzaamheid in Zuidas
15.3.1 Visie Zuidas In de Visie Zuidas zijn de ambities op het gebied van Duurzaamheid, Groen en Water vastgelegd. Deze zijn opgehangen aan een aantal aandachtsgebieden, waarbij voor elk aandachtsgebied doelstellingen zijn geformuleerd. De aandachtsgebieden zijn: 1. 2. 3. 4. 5.
Energie; Mobiliteit; Circulair bouwen en afval; Groen; Water;
Een duurzame Zuidas betekent een groene, gezonde, schone en energie neutrale leefomgeving. Samen met bedrijven, onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties wordt dit in de praktijk gebracht. Dat betekent onder andere dat gewerkt wordt aan duurzame energieopwekking, energiebesparing, schone lucht, een klimaatbestendige stad en een circulaire economie (Agenda Duurzaamheid).. Duurzaamheid is dan ook een vast onderdeel van alle plannen in Zuidas, zowel in de gebouwen als op straat. Ook de aanwezigheid van voldoende en kwalitatief groen en water in Zuidas is hierbij een belangrijke voorwaarde. Dat is niet alleen belangrijk vanwege recreatieve functies, maar water en groen hebben een dempende werking op temperaturen in de stad en kunnen effectief zijn in het (tijdelijk) bergen van regenwater. Bovendien is meer, gevarieerd en goed verbonden groen en water belangrijk voor een divers dieren- en plantenleven.
15.4
Doorwerking planvorming
Bij het planvormingstraject van het bouwplan speelt duurzaamheid een rol, bijvoorbeeld ten aanzien van energie, waterprestatie, mobiliteit, circulariteit en groene daken. Hierover worden bij de verdere ontwikkeling en uitwerking afspraken gemaakt. Energie Het gebouw wordt aangesloten op een WKO installatie. Voor de AiRfunctie wordt stadsverwarming toegepast. Het project is daarmee volledig aardgasvrij. Op basis van de regelgeving zijn er geen BENG eisen. Wel is er in het ontwerp rekening gehouden met het minimaliseren van CO2 uitstoot tijdens de exploitatie. In het klimaatontwerp is uitgegaan van adaptieve comfortbenadering. Het opdelen van het gebouw in verschillende temperatuurzones biedt mogelijkheden om een zeer energiezuinig gebouw te maken. De natuurlijke schommelingen in het klimaat tijdens het gebruik draagt bij aan de gezondheid en het comfort van de gebruikers. Om oververhitting te voorkomen wordt geen traditioneel, gesloten gebouw gemaakt met airconditioning maar veel meer gebruik gemaakt van open ruimten die met elkaar in verbinding staan in combinatie met hoge ventilatievouden. Luchtbeweging over blootgestelde huidoppervlakten is een zeer effectieve en tegelijkertijd energiezuinige manier van koelen. Uitgangspunt
92
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening is: natuurlijke ventilatie waar het kan, mechanisch waar het moet. Plaatselijk worden hele hoge klimaateisen (ASHRAE klasse A) behaald voor de conservering van de waardevolle kunst, maar dan ook op zo manier dat alleen de kunst wordt geklimatiseerd en niet een gehele ruimte. Ook dit bespaart veel energie in vergelijking met een traditionele museumbenadering. Veel daglicht en dakopeningen verminderen het gebruik van kunstlicht. Samen met het toepassen van PV op een groot deel van de daken wordt een zeer hoge energiereductie bereikt. Vooruitlopend op de uitkomsten van de energieberekeningen die zullen worden gemaakt, is een energieneutrale ambitie voor deze transformatie aan de orde. Hierbij is aandacht voor het gebouwgebonden energiegebruik maar ook grotendeels het gebruiksgebonden energiegebruik (>75%). Duurzame mobiliteit Het aantal autoritten naar de Parnassusweg 220 neemt zowel af wanneer parkeerplaatsen gerealiseerd worden, als wanneer geen parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Bij het cultureel instituut zullen geen reguliere parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Ten behoeve van de toegankelijkheid van mindervaliden zullen mindervalidenparkeerplaatsen zich in de directe nabijheid (binnen de normafstand van 100 meter) bevinden.
In lijn met gemeentelijke doelstellingen en passend bij de doelgroep zet Stichting Hartwig Art Foundation in op alternatieve (t.o.v. auto) vervoerswijzen zoals reizen per openbaar vervoer en per fiets. Het cultureel instituut is gelegen nabij een openbaar vervoersknooppunt. Het aanbod en de frequentie, dat in de loop der jaren verder versterkt is en zal worden, maakt het gebruik van openbaar vervoer nog aantrekkelijker. Stichting Hartwig Art Foundation zet in op een hoogwaardige fiets- en scootervoorziening met voldoende fiets- en scooterparkeerplaatsen en rekening houdend met verschillende soorten en maten. Daarnaast zijn er veel fietsparkeerplekken inclusief elektrische fietsen. Binnen het fietsparkeren wordt onderzocht of het mogelijk is om deelfietsen of deelscooters te voorzien. Circulair bouwen en afval Een relatief nieuwe ambitie van de gemeente Amsterdam binnen duurzaamheid is circulariteit. Een circulair gebouw is een gebouw dat ontworpen, ontwikkeld, beheerd en gebruikt wordt volgens het systeem van de circulaire economie en waarbij het voorkomen van grondstofuitputting centraal staat. Het doel is zo min mogelijk nieuwe grondstoffen te gebruiken en, daar waar producten, grondstoffen en/of systemen worden ingezet, deze zo lang mogelijk hoogwaardig in de keten te houden.
Het gaat hierbij nadrukkelijk om de hele levenscyclus van een gebouw, tot het einde van de functionele levensduur. Binnen circulariteit kunnen twee aspecten worden onderscheiden: de toegepaste materialen en het ontwerp van het gebouw. Materialen moeten zoveel mogelijk hergebruikt kunnen worden en toegepaste materialen dienen een zo laag mogelijke milieu-impact te hebben. De mate van circulair materiaalgebruik kan bijvoorbeeld blijken uit een materialenpaspoort en het percentage herbruikbaar materiaal. Het slim ontwerpen van gebouwen is belangrijk om gebouwen een lange levensduur te kunnen geven en circulariteit in de gebruiksfase vorm te geven. Het gaat hierbij om een modulaire en flexibele aanpak, waardoor gebouwen kunnen worden aangepast op nieuwe gebruikers en andere toepassingen. Het project betreft een transformatie van een bestaand gebouw. De voormalige monumentale rechtbank wordt zoveel mogelijk intact gelaten en de ruimtelijke kwaliteit die het bezit wordt gebruikt voor de toekomstige functies. De aanbouw en opbouw is zo open mogelijk ontworpen met grote overspanningen en grote vrije hoogtes. Hierdoor is er een grote flexibiliteit in gebruik nu en in de toekomst. Gebouw F op het terrein wordt gesloopt. Het beton uit dit gebouw wordt gebruikt als grondstof voor de aanbouw aan de voormalige rechtbank.
Overige materialen voor de aanbouw en opbouw zijn zoveel mogelijk gerecyclede of biobased grondstoffen zoals 100% gerecycled staal en FSC hout. Uitlogende materialen worden niet toegepast. In de detaillering wodt gekeken naar demontabele oplossingen. Voor het project is een MPG berekening niet verplicht. Naar verwachting zal door hergebruik van het bestaande gebouw een MPG van 0,8 gerealiseerd worden. Voor toekomstig hergebruik van materialen wodt een materialenpaspoort voor het gebouw gemaakt. Daken
93
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening
Er is sprake van een efficiënt en doelmatig gebruik van de daken voor ten minste één van de volgende doeleinden, bijvoorbeeld zonnepanelen, groen of wateropvang. Waarbij rekening moet worden gehouden met: Op daken tot een hoogte van 50 meter moet een minimum percentage van het dakoppervlak een intensieve hoogwaardige dakbegroeiing krijgen. Een intensieve, hoogwaardige dakbegroeiing bestaat uit een grote variatie van beplanting, uiteenlopend van vaste planten tot houtige gewassen, die gedurende alle jaargetijden een fraai beeld geeft. De groene daken zijn toegankelijk en worden ingericht als dakterras- en tuin. Technische voorzieningen op het dak vormen een integraal onderdeel van het daklandschap en sluiten in verschijningsvorm aan bij de architectuur van het gebouw (aan het zicht onttrokken). Waterprestatie Bij het ontwerpen van gebouwen moet het vasthouden en vertragen van hemelwater worden meegenomen. Onderstaande eisen gelden hiervoor: De minimale waterberging op het kavel wordt bepaald door per m² minimaal 60 liter hemelwater te bergen en dit hemelwater vertraagd de opvolgende 60 uur af te voeren Watergebruik moet worden beperkt. Waterbesparende maatregelen, zoals hergebruik van douchewater voor toiletspoeling of schoonmaak of de opvang van regenwater moeten worden toegepast.
Er wordt een waterbuffer in de kelder gemaakt, groot om regenwater te bufferen conform de richtlijnen van de gemeente Amsterdam. Pas bij extreme situaties wordt overtollig regenwater afgevoerd op het riool. De hoeveelheid verhard oppervlak op de locatie neemt door het project niet toe, het is de ambitie om juist meer onverhard, groen oppervlak toe te voegen. Tevens wordt onderzocht om aan de noord, west en zuidzijde grindkoffers te realiseren om water te infiltreren in de bodem. Een deel van het dak wordt als groen dak uitgevoerd wat tevens een buffer voor regenwater is. Met deze maatregelen wordt de riolering deels ontlast en de afvoer van het overige regenwater sterk vertraagd. Grindkoffers en groen houden tevens water langer vast voor de droge periodes. Het maken van groen en grindkoffers naast het gebouw en groen op een deel van het dak zorgt er voor dat het gebouw hittestress in de bebouwde omgeving voorkomt. Er wordt tevens onderzoek gedaan naar de kleur van de gevel en van de PV panelen: een lichte of zelfs witte kleur voorkomt plaatselijke extreme opwarming.
94
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening
Hoofdstuk 16 16.1
Juridische planbeschrijving
Totstandkoming planregeling
De planregeling van het bestemmingsplan is tot stand gekomen met het voorheen vigerende bestemmingsplan Zuidas-Parnas (2015) als uitgangspunt. Grenzen van de verschillende bestemmingen en planregelingen zijn daarbij op hoofdlijnen overgenomen.
16.2
Opbouw bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan bestaat uit een GML-bestand, regels en een toelichting. Het GML-bestand bevat de verbeelding (plankaart), waaraan de regels zijn gekoppeld. Deze vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. 16.2.1 Verbeelding De verbeelding is de kaart waarop door middel van letters, cijfers, lijnen en aanduidingen het toegestane gebruik van de gronden en de mogelijke bouwhoogtes cq. volumes staan aangegeven. De verbeelding heeft, in samenhang met de regels, een bindend karakter. Als ondergrond voor de verbeelding is een recente topografische kaart gehanteerd. Daarmee kan exact worden bepaald waar het plan is gelegen en hoe begrenzingen lopen. Om de goede leesbaarheid van de analoge verbeelding te waarborgen is gekozen voor een schaal van 1:1000. De verbeeldingen zijn voorts voorzien van een legenda en een noordpijl. Het plangebied van het bestemmingsplan is aan de hand van een plangrens (bolletjeslijn) op de verbeelding weergegeven. 16.2.2 Regels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1: inleidende regels; met daarin definities en de wijze van meten en berekenen. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels; die het hart van ieder bestemmingsplan vormen. Ze zijn opgebouwd uit een bestemmingsomschrijving, waarin een omschrijving wordt gegeven van de aan de grond toegekende functies. De hoofdfuncties worden als eerste genoemd.
Verder kunnen in de bestemmingsomschrijving ook impliciet bij de bestemming behorende functies worden genoemd ("met de daarbij behorende"), bijvoorbeeld erf, paden, toegangswegen etc. Per bestemming worden bouwregels gegeven, waarin voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bouwbepalingen worden geregeld. Waar nodig worden specifieke gebruiksregels gegeven. Daarin kunnen aanvullingen of afwijkingen van de algemene gebruiksregels worden gegeven. Hoofdstuk 3: algemene regels; deze hebben betrekking op, in beginsel, alle voorafgaande regels. Hierbij gaat het onder meer om de anti-dubbeltelbepaling, algemene gebruiksregels, algemene bouwregels en algemene afwijkingsbevoegdheid. Hoofdstuk 4: overgang- en slotregels. De regels in hoofdstuk 1 en de algemene regels in hoofdstuk 3 gelden voor het bestemmingsplan als geheel. Zij werken door in de diverse bestemmingen. In de navolgende paragraaf volgt per bestemming een toelichting. Daar waar het betreffende artikel vanwege de erin opgenomen regeling dit vraagt zal uitgebreid worden ingegaan op die regeling. Voor de overige artikelen wordt hieronder volstaan met een meer beperkte uitleg. Artikel 1 Begrippen Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen dat in de regels wordt gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan.
Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen en niet om de gedachten achter de gebruikte termen uit te leggen. Daarvoor is juist deze toelichting bedoeld. In deze toelichting worden gehanteerde begrippen waar nodig uitgelegd. De gehanteerde omschrijving van de begrippen komt overeen met de wijze waarop deze in andere actuele Amsterdamse (grootstedelijke) bestemmingsplannen wordt omschreven.
95
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening
Artikel 2 Wijze van meten Met dit artikel wordt aangegeven op welke wijze moet worden beoordeeld in hoeverre een initiatief past binnen de minima en maxima die in de overige regels worden aangegeven. (Artikel 3 t/m artikel 7, de bestemmingen: zie paragraaf 16.3) Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Deze bepaling vormt evenals de overgangsbepaling een van de 'standaardregels' die het Bro als verplicht op te nemen bepaling in een bestemmingsplan voorschrijft en komt dus geheel overeen met de tekst uit het Bro. Het moet verhinderen dat bouwpercelen die slechts voor een bepaald deel mogen worden bebouwd, later alsnog kunnen worden volgebouwd. Nadat een eerste bouwwerk is gerealiseerd, moet deze bepaling voorkomen dat het overgebleven open terrein opnieuw als het totale bouwperceel kan worden beschouwd. Artikel 9 Algemene bouwregels Dit artikel maakt bepaalde, kleine overschrijdingen van bestemmingsvlakgrenzen en bebouwingsregels mogelijk zonder een afwijkingsprocedure. In het verleden waren voor zulke geringe overschrijdingen wel (toen nog ontheffings)procedures nodig. Maar in de praktijk bleken de in dit artikel opgesomde overschrijdingen altijd een ontheffing te krijgen. Daarom zijn ze in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt 'bij wijze van recht'. Dat komt de helderheid vooraf ten goede en kan de proceduredruk verminderen.
Overigens zijn hierbij overschrijdingsmogelijkheden voor wat betreft de bouwhoogte buiten de regeling gelaten. Dit vanwege de maximale bouwhoogte die het Luchthavenindelingbesluit toestaat. Artikel 10 Algemene gebruiksregels In dit artikel is een aantal algemeen geldende regels opgenomen. Allereerst is in dit artikel in aanvulling op het algemene gebruiksverbod in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een aantal specifieke activiteiten uitgezonderd. In de leden 10.3 en 10.4 is geborgd dat wordt voldaan aan het auto-, fiets- en scooterparkeerbeleid. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels Met dit voorschrift kan het College van burgemeester en wethouders omgevingsvergunningen verlenen om af te wijken van de bouw- en/of gebruiksregels voor onderdelen van bestemmingsbepalingen, mocht dat in die bepalingen zelf niet geregeld zijn. Een besluit om af te wijken vereist altijd een nader afwegingsmoment. Een afwijkingsbesluit kan echter nooit zover gaan dat de bestemming wordt veranderd. Artikel 12 Overgangsrecht In dit artikel zijn overgangsregels opgenomen, die evenals de anti-dubbeltelregel behoren tot de standaardregels uit het Bro. Artikel 13 Slotregel De slotregel ten slotte geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer.
16.3
Toelichting per bestemming
Artikel 3 Cultuur en Ontspanning Lid 3.1 Toegelaten activiteiten en functies In lid 3.1 is aangegeven welke activiteiten en functies zijn toegestaan op de gronden 'Cultuur en Ontspanning'. Onder a tot en met d is opgenomen dat de gronden zijn aangewezen voor museum, ateliers, horeca van categorie 6 en artists in residence. In lid 3.1 onder c is horeca van categorie 6 opgenomen. Bij sommige culturele instellingen en musea is de scheiding tussen additionele horeca (horeca die ondergeschikt is aan de hoofdfunctie) en
96
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening zelfstandige horeca niet goed te maken. Het gaat dan om culturele functies die duidelijk ook een horeca onderdeel hebben, maar ook om culturele instellingen die beschikken over een bijzonder pand of ruimte die verhuurd kan worden voor bijeenkomsten en feesten. Veel culturele instellingen en musea zijn gevestigd in grote monumentale panden, die hoge onderhoudskosten met zich meebrengen. Voor deze instellingen is in Amsterdam de categorie 'horeca 6' ingesteld. Horeca 6 is een zelfstandige vorm van horeca, gekoppeld aan een culturele functie. Als de culturele functie uit het pand vertrekt en niet door een zelfde functie wordt vervangen, verdwijnt de horecabestemming van het pand. Op die manier kunnen de betreffende panden niet worden omgezet in reguliere horecabestemmingen. In paragraaf 4.1.3 is een uitgebreide toelichting gegeven op deze functie. In lid 3.1 onder d zijn de AiR-verblijven opgenomen. Dit is een bijzondere vorm van tijdelijk verblijf dat niet te scharen is onder wonen noch onder short stay of logies/hotel. In paragraaf 4.1.5 is een uitgebreide toelichting gegeven op deze functie. Onder e tot en met p zijn de bijbehorende activiteiten en functies opgenomen. Dit betekent dat die functies alleen zijn toegestaan voor zover ze horen bij de hoofdfuncties (en dus niet zelfstandig).
Er is ruimte voor ondersteunende detailhandel, ondersteunende educatieve functie, kantoorruimten, bibliotheek, dakterrassen, daktuin, verkeersareaal, fietsparkeervoorzieningen, laad- en losplaatsen, berging- en opslagruimten, nutsvoorzieningen en tuinen. Lid 3.2 Algemene randvoorwaarden voor bouwen In lid 3.2.1 zijn de regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen ten dienste van de bestemming 'Cultuur en Ontspanning'. Lid 3.2.2 bepaalt dat er uitsluitend mag worden gebouwd binnen het bouwvlak (onder a). Het gehele bouwvlak mag worden bebouwd (onder b). De maximale bouwhoogte is op de planverbeelding weergegeven (onder c). In lid 3.2.3 zijn regels opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Dat is beperkt tot een maximale bouwhoogte van 3 meter. Lid 3.3 Algemene randvoorwaarden voor gebruik In lid 3.3 zijn de gebruiksregels voor alle in lid 3.1 genoemde activiteiten en functies opgenomen. Voor een aantal functies is een maximum vloeroppervlak geregeld en voor het totaalprogramma een overkoepelend maximum van 19.500 m2 bvo. Artikel 4 Groen De gebruiks- en bouwregels zijn een voortzetting van het geldende recht zoals dat geldt op basis van de bestemming 'Groen' van het bestemmingsplan 'Zuidas-Parnas'.
Artikel 5 Verkeer - 1 en Artikel 6 Verkeer - 2 De gebruiks- en bouwregels zijn een voortzetting van het geldende recht zoals dat geldt op basis van de bestemming 'Verkeer-1' en 'Verkeer-2' van het bestemmingsplan 'Zuidas-Parnas'. Artikel 7 Waterstaat - Waterkering De gebruiks- en bouwregels zijn een voortzetting van het geldende recht zoals dat geldt op basis van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' van het bestemmingsplan 'Zuidas-Parnas'.
97
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening
Hoofdstuk 17
Economische uitvoerbaarheid
Ruimtelijke ontwikkelingen gaan in de regel gepaard met gemeentelijke investeringen in gemeenschappelijk te gebruiken voorzieningen, zoals ontsluitingswegen, waarvan de gemeente de kosten kan en mag verhalen op de ontwikkelaar(s). Alhoewel er reeds lange tijd gemeentelijke instrumenten bestaan voor kostenverhaal, bleken deze telkens tekort te schieten, waardoor gemeenten uiteindelijk bleven zitten met gemaakte kosten die niet meer te verhalen waren. Een nieuw instrument, de Grondexploitatiewet (Grex), dient om het risico van grondexploitatie voor gemeenten te verkleinen.De Grex is als aparte wet tot stand gekomen, maar uiteindelijk ingepast in de Wro en is daarmee sinds 1 juli 2008 van kracht. In de Grex wordt de verdeling van kosten en opbrengsten bij de ontwikkeling van een bouwlocatie geregeld, voor het geval dat de gemeente niet de ontwikkelende partij is. In de fase van de bouwplantoetsing zal de aanvraag omgevingsvergunning ook moeten worden getoetst aan een op grond van de Grex opgesteld exploitatieplan, tenminste: als het noodzakelijk was een exploitatieplan op te stellen. In artikel 6.12 lid 1 Wro is geregeld, dat bij elk voorgenomen bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro, een exploitatieplan verplicht is. Er gelden wel uitzonderingen op de noodzaak een exploitatieplan op te stellen, zoals geregeld in artikel 6.12 lid 2 Wro.
De belangrijkste uitzondering is, dat een exploitatieplan niet noodzakelijk is, als het kostenverhaal van de grondexploitatie "reeds anderszins is verzekerd". De gemeenteraad besluit of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. In dit geval wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan, omdat de gemeente Amsterdam volledig eigenaar is van de gronden en gebouwen waarop het bestemmingsplan van toepassing is en de bebouwing door de gemeente aan het museum wordt verhuurd. Een exploitatieplan is niet nodig, omdat eventuele kosten die de gemeente moet maken anderszins zijn verzekerd, namelijk via de verhuur. Planschaderisicoanalyse Er is een planschaderisicoanalyse uitgevoerd, waaruit blijkt dat het risico op moeten uitbetalen van planschade nihil is.
98
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening
Hoofdstuk 18 18.1
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie
Participatie door bewoners is, hoewel formeel juridisch niet verplicht, een vanzelfsprekend onderdeel bij het opstellen van bestemmingsplannen. Het doel van participatie rond bestemmingsplannen is om te komen tot kwalitatief betere plannen door de inbreng van bewoners en ondernemers er zo vroeg en goed mogelijk in te verwerken. Het bestemmingsplan Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening is een postzegelbestemmingsplan, waar geen nieuwe grootschalige ontwikkeling of nieuwe beleidslijnen mogelijk worden gemaakt. Om die reden wordt voorgesteld het niveau "informeren" uit de participatieladder aan te houden. Naast de voorbereiding van het onderhavige (voor)ontwerpbestemmingsplan, wordt tegelijkertijd ook het schetsontwerp voor het museumgebouw gemaakt. Het ontwerpbestemmingsplan en de concept omgevingsvergunning (en concept kapvergunning en concept verkeersbesluit) voor het museum zullen met de coördinatieregeling van de Wro gelijktijdig voorbereid en ter inzage gelegd worden. Deze terinzagelegging gedurende 6 weken zal naar verwachting vanaf eind januari 2022 plaatsvinden. Belanghebbenden kunnen op dat moment het volledige plan inzien en eventuele zienswijzen kenbaar maken. De directe omgeving is vroegtijdig geïnformeerd over de plannen voor het museum. Met het toezenden van de stukken aan de gemeenteraad rond 27 augustus 2021 is het initiatief openbaar.
Na het positieve raadsbesluit over het museum in september 2021 is in oktober 2021 het Voorlopig Ontwerp aan de omgevingspartijen gepresenteerd d.m.v. een bewonersbrief en een informatiebijeenkomst op 25 oktober 2021. Belangstellenden konden het Voorlopig Ontwerp inzien en in gesprek gaan met de initiatiefnemers, de ontwerpers en de gemeente om een beter beeld te krijgen van de plannen.
18.2
Overleg ex artikel 3.1.1. Bro en ambtelijk overleg
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Conform het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening vindt overleg plaats met "de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn". In dat kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies voorgelegd aan: a. b. c. d. e. f. g. h.
Provincie Noord-Holland; Hoogheemraadschap AGV, p/a Waternet; Ministerie van I&W/Rijkswaterstaat West-Nederland Noord; Rijksvastgoedbedrijf; Gemeente Amstelveen; Ministerie van Economische Zaken; Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed; Inspectie Leefomgeving en Transport.
Daarnaast zijn de stukken in het kader van het maatschappelijk overleg tevens verzonden aan: Brandweer Amsterdam-Amstelland; Vervoerregio Amsterdam; Verkeer en openbare ruimte Gemeente Amsterdam; Fietsersbond Amsterdam; Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied; Projectorganisatie Zuidasdok; Vattenfall; KPN Telecom; Liander;
99
Zuidas-Parnas Parnassusweg 220 partiële herziening ProRail; NS Stations. Provincie Noord-Holland De toegestane bouwhoogte wordt vergroot, maar ook dan past het plan nog ruim binnen de maatgevende toetshoogte die ter plaatse wordt gesteld door de nabijheid van Schiphol. Op het terrein zijn geen (voor nu relevante) beperkingen vanuit de provincie van toepassing, dus de provincie heeft geen op- of aanmerkingen op dit plan.
Waternet Verzocht wordt te verwijzen naar de Keur van 2019 als vigerende regelgeving en te controleren of de verdere verwijzingen naar artikelen uit de Keur nog correct zijn. Deze aanpassingen hebben plaatsgevonden. Verzocht wordt een toevoeging aan de Toelichting en de Regels waarin de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' (die voorkomt in de zuioosthoek van het plan) wordt benoemd. Aan dit verzoek is tegemoet gekomen. Verzocht wordt onder het kopje Hemelwaterverordening invulling te geven aan de alinea "conclusie voor dit intiatief". De inschatting van Waternet is dat de voorgenomen werkzaamheden (o.a. nieuwe bebouwing) vragen om hemelwaterberging zoals benoemd onder de Hemelwaterverordening. Ten aanzien van het Waterbeleid Zuidas wordt verzocht om de Waterbergingsboekhouding te benoemen in het onderdeel over vigerend beleid op de Zuidas. De Waterbergingsboekhouding vraagt om het ook opnemen van verhardingen onder de 1.000 m2, opdat er adequate compensatie plaatsvindt voor de verharding als gevolg van de ontwikkeling van het Zuidas-gebied. Verzocht wordt de toelichting aan te passen door op te nemen dat de huidige gemeentelijke grondwaternorm is vastgesteld in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021 (GRP) en daarvan de consequenties zorgvuldig te beschrijven. Hieraan is tegemoet gekomen en de consequenties zijn beschreven in Bijlage 15.
Waternet heeft een beoordeling van het Geohydrologisch onderzoek en de Watertoetsrapportage opgestuurd. De opmerkingen van Waternet zijn verwerkt in deze onderzoeken.
Rijkswaterstaat West-Nederland Noord Rijkswaterstaat heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben.
Brandweer Amsterdam-Amstelland De Brandweer heeft aangegeven dat de Veiligheidsregio in het verleden al geadviseerd heeft over externe veiligheid op het voorheen geldende bestemmingsplan (Zuidas Parnas). Dit advies is nog steeds actueel en de Brandweer heeft voor de nieuwe ontwikkeling geen aanvullende opmerkingen. De Brandweer verwacht dat gezien de afstand tot de risicobron (transport gevaarlijke stoffen over de A10 Zuid) de impact van een mogelijk ongeval met gevaarlijke stoffen op het plangebied gering zal zijn.
Projectorganisatie Zuidasdok De projectorganisatie heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben.
Liander Liander heeft in eerste instantie verzocht om het gasdrukmeetstation dat in het plangebied aanwezig is
100